Behandeling Pakket Belastingplan 2019



Verslag van de vergadering van 11 december 2018 (2018/2019 nr. 11)

Aanvang: 10.24 uur

Status: gecorrigeerd


  • Kijk de video van dit deel van de vergadering terug

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2019) (35026);

het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2019) (35027);

het wetsvoorstel Wijziging van enige wetten in verband met enkele maatregelen voor het bedrijfsleven (Wet bedrijfsleven 2019) (35028);

het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019) (35029);

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Invorderingswet 1990 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PbEU 2016, L 234/26) (Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking) (35030);

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de kansspelbelasting voor landgebonden weddenschappen op de sport (Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen) (35031);

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel) (35032);

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet modernisering kleineondernemersregeling) (35033);

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 met het oog op afschaffing van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden (Wet fiscale maatregel rijksmonumenten) (34556).


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Aan de orde is de gezamenlijke behandeling van de wetsvoorstellen 35026 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2019), 35027 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2019), 35028 Wijziging van enige wetten en enige andere wetten (Wet bedrijfsleven 2019), 35029 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019), 35030 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Invorderingswet 1990 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PbEU 2016, L 234/26) (Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking), 35031 Wijziging van de Wet op de kansspelbelasting voor landgebonden weddenschappen op de sport (Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen), 35032 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel), 35033 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet modernisering kleineondernemersregeling) en 34556 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 met het oog op afschaffing van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden (Wet fiscale maatregel rijksmonumenten).

Ik heet de staatssecretaris van Financiën en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Van Strien.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Strien (PVV):

Dank u wel, voorzitter. We praten vandaag behalve over tal van andere fiscale wetsvoorstellen vooral over het Belastingplan 2019 van het kabinet-Rutte III. Het is een heel complex pakket, waarbij we zeker ook terug moeten kijken op een periode van forse lastenverzwaringen en groeiende complexheid van het hele bouwwerk onder Rutte II. Dat moeten we omdat de Nederlander al jaren lijdt onder het sterk achterblijven van de koopkracht. De PVV heeft dit steeds weer onder de aandacht gebracht, zo ook bij de laatste Algemene Financiële Beschouwingen.

Na al dat zuur zou de gewone Nederlander ook wel eens van het beloofde zoet willen proeven, en niet alleen de buitenlandse gelukszoekers en de multinationals. Zeker in een inmiddels al jaren door de internationale ontwikkelingen fors groeiende economie is het des te navranter dat de gewone burger steeds maar achterblijft. Hoe moet dat als we straks weer een economisch dal ingaan, vragen Henk en Ingrid zich af.

Het kabinet komt dan nu met een pakket maatregelen dat het misleidend lastenverlichtende maatregelen noemt; misleidend omdat het lastenverlichtend is ten opzichte van een eerder door dit en het vorige kabinet vastgesteld basispad. Per saldo leidt dit pakket plus het zogenaamde basispad het komend jaar tot een lastenverzwaring voor de burger van volgens de staatssecretaris zelf 100 miljoen. De facto is het zeker meer, in ieder geval volgens het CPB, dat op 800 miljoen uitkomt. Hier komt dan nog bovenop de onvoorspelbaarheid. Illustratief hiervoor is bijvoorbeeld het afgelopen jaar 2017. Een plusje van slechts 0,5% voor een doorsnee huishouden, terwijl de economie groeide met 3,2%. Bij 46% nam de koopkracht zelfs af, aldus het CBS, dat ook grote verschillen tussen groepen constateerde.

Deze regering slaat zich op de borst en noemt het iets verlichten van eerder opgelegde forse lastenverzwaringen een lastenverlichting. Het is alsof de burger op de pijnbank ligt. Links en rechts heeft de regering wat duimschroeven losser gedraaid, maar andere zijn tegelijkertijd ook weer aangedraaid. En aan het eind van het liedje ligt die burger nog steeds kermend op de pijnbank.

Behalve de lastenverzwaring is er het ieder jaar weer complexere belastingsysteem dat uiteindelijk de belastingmoraal haast wel moet aantasten. Kleine voorbeelden zijn het steeds meer inkomensafhankelijk maken van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting. Dan kun je wel zeggen dat je nog maar twee schijven hebt, maar de facto ben je weer nieuwe schijven aan het introduceren.

Helemaal bizar wordt het met de zogenaamde fiscale vergroeningsmaatregelen. De enige die daar groen van wordt, is de belastingbetaler: groen van ellende. Per 1 januari 2019 zullen consumenten drie eurocent meer belasting betalen per verbruikte kubieke meter aardgas. Hierdoor is een gemiddeld huishouden al snel rond de €50 meer kwijt op de jaarlijkse energierekening. Nog een keer €50 meer zullen consumenten gaan betalen op de heffing Opslag Duurzame Energie, ODE, voor zowel stroom als gas. Daarnaast betalen de elektriciteitsproducenten al hogere CO2-heffingen, die zij uiteraard ook weer doorberekenen. Dat alles wordt aan de burger geserveerd met nog een btw-saus eroverheen. Belasting over belasting. Bij elkaar zo'n €300 voor een gemiddeld gezin.

Maar dit jaar wordt dan in het kader van de vergroening zogenaamd de regeling voor de door de zaak beschikbaar gestelde fiets vereenvoudigd. Terwijl er miljarden worden weggegooid aan de migratie-industrie, heeft het kabinet zich nu gebogen over de bijtelling van de fiets van de zaak. Als je nu een fiets van de zaak hebt, mag je die ook privé gebruiken, maar dan moet je wel precies bijhouden hoeveel kilometers je fietst en welk voordeel je daarvan ondervindt. De kosten mag je aftrekken. In plaats van de huidige bizarre regeling om het privévoordeel van een ter beschikking gestelde fiets van de zaak te bepalen, hebben we nu de forfaitaire bijtelling fiets van de zaak: 7%. De fiets krijgt dezelfde status als een leaseauto. Hebt u een elektrische fiets van de zaak van €2.000, dan geldt dus een jaarlijkse bijtelling van €140. Uitgaande van een gemiddeld marginaal tarief van 42% leidt dat tot een belastingheffing van €58 ofwel €5 per maand. De vraag is wie zo'n fietsbijtelling bedenkt, maar deze bijtelling laat aan de andere kant ook het elitaire denken van dit kabinet zien. Want als je nou eens geen elektrische fiets hebt, maar een elektrische auto? Als u bijvoorbeeld zo'n links-elitaire snob bent die in een Tesla rondrijdt, dan betaalt u geen 7% bijtelling, maar dan betaalt u slechts 4% bijtelling. Weliswaar volgend jaar afgetopt op €50.000; het blijft een enorme geldverspilling. En dat terwijl we de afgelopen jaren al 6 miljard euro weggesmeten hebben aan subsidiëring van hybride auto's, die geen gram CO2-vermindering hebben opgeleverd. Dus 7% bijtelling als u een elektrische fiets rijdt en 4% bijtelling als u een elektrische auto rijdt. Kan, zo vraagt mijn fractie zich af, het elitaire denken van dit kabinet beter geïllustreerd worden?

Een vraag van mijn fractie in dit verband is of de staatssecretaris ook andere landen kent waar een fiets van de zaak belast wordt? Ook hier zien we weer een gemiste kans. Als die Tesla-rijders nou gewoon hun belasting zouden betalen, dan zou die Amerikaanse miljardair Elon Musk wat minder geld uit Nederland toegeschoven krijgen, en tegelijkertijd zouden Henk en Ingrid eindelijk ook eens een belastingverlaging kunnen krijgen, te beginnen met 6,2% op hun motorrijtuigenbelasting. Maar nee, dit kabinet kiest niet voor de gewone Nederlander, maar voor het subsidiëren van de dure speeltjes van de linkse elite. En leveren die Tesla's dan minder CO2 op? Nee, nee, nee. Er zijn misschien mensen die denken: Nederland staat al vol met windmolens en zonnecellen, dus de elektriciteit van de Tesla-rijder komt misschien van die windmolens. Pertinent onjuist. Nog steeds komt 83% van de elektriciteitsproductie uit steenkool en gas. Slechts 13% van de elektriciteitsproductie is uit hernieuwbare bronnen. En aangezien dat op dit moment het maximum is en die Tesla een extra elektriciteitsvraag creëert, moeten we kijken naar de marginale elektriciteitsproductie. Die wordt voor 100% geproduceerd met steenkool en gas. Er wordt dus geen gram CO2 minder geproduceerd door een elektrische auto te subsidiëren, eerder meer, want je hebt ook nog extra verliezen in de keten. Los nog van het feit dat mijn fractie helemaal niet wakker ligt van die CO-2-verhalen, maar dat wist u al. Waar denkt de staatssecretaris nu dat je beter in kunt rijden, in een moderne, schone diesel of in een Tesla, die in Nederland rijdt op steenkool en in Duitsland op bruinkool?

Voorzitter. We komen bij de volgende fiscale subsidieregeling, een regeling die al vanaf 1964 Nederlanders discrimineert. Ik heb het over de oneerlijke regeling die expats via de zogenaamde 30%-regeling een riant belastingvoordeel biedt, doordat 30% van hun salaris onbelast is. De regeling zou ooit bedoeld zijn om specifieke deskundigheid naar Nederland te halen. Uit het onderzoek van onderzoeksbureau Dialogic en de reactie die de staatssecretaris in april dit jaar daarop heeft gegeven, blijkt dat dit volslagen achterhaald is. Het leeuwendeel van deze belastingsubsidie gaat naar de zogenaamde hoofdkantoorfuncties. Mijn fractie vermag de specifieke deskundigheid van deze hoofdkantoorfuncties totaal niet in te zien. Bovendien wordt deze regeling vooral in dezelfde categorie hoofdkantoorfuncties gebruikt in de salarisonderhandelingen. Daarmee schiet de regeling volledig zijn doel voorbij, want op die manier gaat het fiscale voordeel rechtstreeks naar de multinational, die anderszins al in de watten gelegd wordt. Interessant is voorts te constateren dat het kabinet ervoor kiest iedere vorm van verbijzondering van de regeling, bijvoorbeeld om het extreem grote voordeel voor zeer hoge inkomens te beperken, afwijst omdat dat zou leiden tot complexiteit of andere ongewenste effecten. Waar de gewone Nederlander dus te maken heeft met een meerschijvensysteem in combinatie met een oerwoud aan inkomensafhankelijke heffingskortingen, die elkaar overlappen, met verschillende trajecten van op- en afbouw, waar ieder jaar weer aan gemorreld wordt, is het niet bespreekbaar om de expatregeling te verbijzonderen voor de expat met een salaris ver boven de balkenendenorm, omdat dat tot complexiteit van het systeem zou leiden.

Voorzitter. Ik kom bij de btw-verhoging voor het lage tarief. Natuurlijk heb ik het hier bij de Algemene Financiële Beschouwingen al over gehad, maar ik wil nu eenmaal geen kans voorbij laten gaan om aan te geven hoe slecht deze maatregel is. Deze btw-verhoging ter grootte van zelfs 3 miljard, hoorde ik de staatssecretaris bij de Algemene Financiële Beschouwingen zeggen, is wederom schadelijk voor de koopkracht van de Nederlandse gezinnen. Bovendien veroorzaakt zij een verslechtering voor de concurrentiepositie van de kleine middenstanders in de grensstreek. 3 miljard betekent €385 per gezin, waar de burger inmiddels al jaren heeft moeten inleveren: een ongehoorde aanslag op het gemiddelde gezinsbudget. En dan las ik vorige week in de krant dat in de achterafkamertjes waar de klimaattafels staan, alweer gedacht wordt aan een volgende accijnsverhoging om de voortschrijdende klimaathysterie te betalen.

Ik kom bij de ATAD, de Europese richtlijn tegen belastingontwijking. Het moge bekend zijn dat de PVV gruwt van Europese richtlijnen. Ook hier zien we weer hoe het werkt. Een richtlijn uit Brussel, gemaakt door wereldvreemde apparatsjiks, houdt geen enkele rekening met landenspecifieke situaties. Deze keer zijn het in het bijzonder de woningbouwcorporaties die de klos zijn. De ATAD beperkt namelijk de renteaftrek voor veel corporaties, waardoor de belastingdruk stijgt. En die woningcorporaties kunnen amper nog bouwen door de groene gekte. Voor het zogenaamde verduurzamen van drie bestaande woningen hadden ze één nieuwe woning kunnen bouwen. Maar wie, zoals altijd, uiteindelijk echt de klos zijn, zijn Henk en Ingrid, die óf de huur van een sociale woning zien stijgen, als ze er al een bemachtigd hebben, óf zien gebeuren dat er door de belastingdruk nog minder gebouwd wordt. En dat terwijl er al jarenlang een enorm tekort is aan sociale huurwoningen en 86% van wat er gebouwd wordt naar statushouders gaat. Dat heb ik in de Algemene Financiële Beschouwingen ook al aangegeven. Het moge duidelijk zijn dat wij deze richtlijn niet steunen.

Tot slot mijn laatste onderwerp: schijven, tarieven, heffingskortingen en marginale druk in de inkomstenbelasting. Als je naar de invoering van het tweeschijvenstelsel kijkt, zie je dat het tarief voor de laagste inkomensgroepen vrijwel gelijk blijft en voor de hoogste iets daalt. Een kleine middengroep betaalt het gelag. Die gaat erop achteruit. Kijk je naar de algemene heffingskorting, dan wordt die weliswaar hoger, maar ook sneller afgebouwd, zo veel sneller dat een middengroep het gelag betaalt. Kijken we naar de arbeidskorting, dan gaat ook die omhoog en wordt die eveneens sneller afgebouwd. Wederom is het een middengroep die het gelag betaalt. De middengroep ligt weliswaar niet steeds tussen exact dezelfde grenzen, maar ruwweg bij tweemaal modaal zit je permanent in het schootsveld. Vervolgens hebben we de versnelde beperking van de hypotheekrenteaftrek. In 2019 wordt het maximumpercentage van de hypotheekrente aangepast en komt dit op 49%. Het daalt dan in stappen van drie procentpunt tot 37,05% in 2023. Het gevolg hiervan is dat de middeninkomens een beperking van de hypotheekrenteaftrek al snel zullen merken. Ook min of meer als resultante vormt de marginale belastingdruk een bizarre lijn. Tussen ruwweg €8.000 en €10.000 zit je op 35%. Daarna daalt hij naar 8% om rond de €22.000 à €23.000 naar 40% te schieten. De hoogste inkomens zitten op 50% marginale druk en, wederom: een grote middengroep zit op een marginale druk van circa 55%.

De middengroepen komen er niet goed van af, maar al langere tijd is de situatie voor de werkende armen nog slechter, een groep die onder de kabinetten-Rutte II en III is aangegroeid tot enkele honderdduizenden mensen. Dat zijn mensen die getroffen worden door die bizarre fluctuaties in het marginale inkomenstarief, mensen die getroffen worden door de situatie dat ze ineens honderden euro's terug moeten betalen aan toeslagen omdat hun inkomsten een paar euro over een grens gaan. Dit heeft niets met een evenwichtige, progressieve inkomstenbelasting te maken. Wederom een gemiste kans en foute keuzen. Mijn vraag is: hoe kan dit het resultaat zijn als je daadwerkelijk aan het sleutelen bent geweest en je jezelf op de borst slaat met een nieuw tweeschijventarief?

Concluderend, voorzitter. Nederland snakt naar lastenverlichting. Tijd voor een kabinet dat wel over het draagvlak en over de wil beschikt om belastingen te hervormen en te verlichten. Het is overduidelijk dat dit met Rutte III niet gaat lukken. Tijd voor een nieuw kabinet dat wel aandacht heeft voor de gewone Nederlander, een kabinet dat ons belastingstelsel kan hervormen, omdat het ons zuurverdiende belastinggeld niet verkwist aan klimaathysterie, asielindustrie, corrupte regimes in Afrika en allerlei andere subsidies.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Strien. Ik geef het woord aan de heer Ester.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. In mijn bijdrage aan de financiële beschouwingen vorige maand riep ik het kabinet op tot meer hervormingsspoed rond nijpende sociaal-economische vraagstukken. Ik noemde de voortslepende pensioenkwestie, de arbeidsmarktperikelen en de overspannen woningmarkt. De wetgevingsagenda van het kabinet rond deze vraagstukken is te karig belegd. Welnu, dat kan niet gezegd worden van de fiscale dadendrang van het kabinet en deze staatssecretaris: we bespreken vandaag maar liefst negen belastingwetvoorstellen op zeer uiteenlopende terreinen. Deze dadendrang is dermate heftig dat de Raad van State waarschuwt dat hierdoor de voorspelbaarheid van fiscale wetgeving wordt aangetast en het burgerperspectief getroebleerd raakt. Ik vraag de staatssecretaris welke lering hij uit deze kritiek trekt. Daarbij gevoegd de vraag of de Belastingdienst dit allemaal wel aankan. Een dienst die al jaren onder enorme druk staat.

Voorzitter. Wat is nu het bredere verhaal achter al deze belastingplannen? Wat is het onderliggende fiscale narratief om het eens postmodern te zeggen? Ik zie drie hoofdlijnen en één dominante ideologische spanning. De eerste lijn is het goedkoper maken van arbeid door de schuif van directe naar indirecte belastingen, met inbegrip van de fiscale vergroeningsslag. De tweede hoofdlijn is het versterken van Nederland als Europees land waar het fiscaal goed toeven is voor bestaande en nieuwe bedrijven en de derde hoofdlijn is de bestrijding van internationale belastingontwijking.

In de eerste schuif vallen maatregelen als de invoering van een tweeschijvenstelsel, de verhoging van de algemene heffingskorting en een verhoging van de arbeidskorting. De verhoging van het verlaagde btw-tarief biedt daarvoor de financiële ruimte. Ook wordt een reeks van fiscale vergroeningsmaatregelen getroffen. Ik noem de milieu- en energie-investeringsaftrek, de autobelastingen, de schuif van belasting op elektriciteit naar aardgas, het verhogen van de afvalstoffenbelasting en het verminderen van de verhuurderheffing voor de verduurzaming van huurwoningen.

De tweede hoofdlijn verlaagt de vennootschapsbelasting naar 20,5% en het lage vpb-tarief voor het mkb naar 15%. Ook worden de werkgeverslasten op arbeid verlaagd. Daarnaast wordt de S&O-afdrachtvermindering geïntensiveerd.

De derde hoofdlijn, tenslotte, betreft de implementatie van de Europese anti-belastingontwijkingsmaatregel, ATAD1.

Deze drie hoofdlijnen tezamen moeten leiden tot een Nederland waar burgers meer overhouden, waarin consumptie reëel fiscaal beprijsd wordt, het milieu serieus genomen wordt, bedrijven het leven fiscaal niet zuur gemaakt wordt en belastingontwijking niet langer wordt gedoogd. Het pakket biedt een lastenverlichting die oploopt tot een dikke 6 miljard euro in 2021 en een structureel effect van iets meer dan 4,5 miljard euro ten opzichte van het basispad. Ik onderstreep het woord "basispad". Grosso modo gaan de meeste bevolkingsgroepen er in koopkracht op vooruit, met alle mitsen en maren die daarbij horen.

Voorzitter. Mijn fractie kan zich goed in deze hoofdlijnen vinden. Ze sporen ook met de eerder besproken fiscale agenda van de staatssecretaris. Tegelijk constateren we echter dat de zo broodnodige vereenvoudiging van het belastingsysteem — met uitzondering van de introductie van het tweeschijventarief — weinig prioriteit krijgt. Juist nu het ons economisch voor de wind gaat, is een herziening van het veel te complexe stelsel het juiste moment. Waarom, zo vraag ik de staatssecretaris, schuiven we dit ook weer naar voren? Mijn fractie wil hier meer ambitie zien, zelfs bij een overvolle fiscale agenda.

Dit is ook het moment om de ideologische spanning onder dit hele pakket maatregelen te benoemen, namelijk die tussen partijen die het draagkrachtbeginsel willen herstellen en zij die meer hechten aan het instrumenteel sturen op het bevorderen van arbeidsparticipatie. Dat het fiscale pakket van dit kabinet zoveel maatregelen bevat, is vermoedelijk niet los te zien van deze spanning. De introductie van het tweeschijventarief in relatie tot het draagkrachtbeginsel, de verhoging van de arbeidskorting gericht op arbeidsparticipatiebevordering en de verhoging van de algemene heffingskorting houden natuurlijk verband met de ondersteuning van de koopkracht aan vooral de onderkant van het inkomensgebouw, met al het gesleutel aan op- en afbouwpaden van dien.

Voorzitter. Met dit pakket maatregelen zijn voor, laten wij hopen, vier jaar grote politieke verschillen gepacificeerd, maar veel minder complex wordt het er niet van. Wij begrijpen dat de staatssecretaris bouwstenen wil uitwerken voor een eenvoudiger belastingstelsel, althans op termijn. Mijn fractie hoopt op een robuuster en dus minder instrumentalistische inkomstenbelasting, waarbij meer dan nu recht wordt gedaan aan het zo essentiële draagkrachtbeginsel.

Voorzitter. We moeten in deze context niet uit het oog verliezen dat grote fiscale ingrepen van dit kabinet nog hun beslag moeten krijgen in de voorliggende periode. Ik duid op de ingrepen die het gevolg zullen zijn van de verstrekkende energietransitie die onvermijdelijk tot verdere schuiven in de energiebelasting zal leiden, tot gevolgen voor de autobelastingen en meer vraagt aan CO2-beprijzing dan tot op heden het geval is. Hoe is de Belastingdienst voorbereid op de fiscale doorwerking van deze energietransitie? Mijn fractie dringt er in dit kader ook op aan de koopkrachteffecten van de energietransitie helder in beeld te krijgen en niet alleen via doorwerking in het inflatiecijfer. Kan dat worden toegezegd?

De fiscale vergroeningsmaatregelen in het Belastingplan 2019 zijn op zich weinig imposant, al wijzen ze allemaal wel de goede richting uit. Komt dit, zo vraag ik de staatssecretaris, doordat de grote vergroeniningsopgaaf nog gemaakt moet worden in het kader van de energietransitie?

Voorzitter. Het is bij al deze overwegingen goed dat de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting niet doorgaat. De onderbouwing van de afschaffing was pover, het onbegrip in de samenleving groot en de beslissing van Unilever over de vestiging van het hoofdkantoor ondergroef het beoogde effect. Dit alles laat onverlet dat de beoogde doelstelling van afschaffing: een vestigingsklimaat dat ook fiscaal aantrekkelijk is; onverminderd van belang blijft. Hoe beoordeelt de staatssecretaris deze fiscale aantrekkelijkheid nu het stof van de discussie over de dividendbelasting wat is neergedaald? En dan heb ik het bepaald niet alleen over multinationals, maar ook over nieuwe bedrijven die overwegen zich hier te vestigen, over start-ups en scale-ups. Over bedrijven die zich willen onderscheiden door sociaal ondernemerschap, door duurzaamheid. Kan ons fiscaal vestigingsregime de internationale concurrentie aan? Waar zou de staatssecretaris aanscherpingen willen zien?

Voorzitter. Nu we het toch over het vestigingsregime hebben, wil ik een vraag stellen over de expatregeling, de zogenaamde 30%-regeling. Het gaat om een belastingvrijstelling waarin veel geld omgaat, meer dan 800 miljoen per jaar. Mijn fractie kan de bekorting van acht naar vijf jaar van deze forfaitaire vergoeding billijken nu er voorzien wordt in steviger overgangsrecht. De vraag is wel hoe de regeling uitpakt naar bedrijfstype. Zijn het vooral de grotere ondernemingen, de multinationals, die van de belastingvrijstelling voor hun expats profiteren, of delen ook kleinere en jonge bedrijven, innovatieve start-ups en scale-ups, ons mkb, evenredig mee? Kan de staatssecretaris daar een beeld van schetsen?

De grote hightechondernemingen zullen de komende jaren in toenemende mate onderwerp van fiscaal beleid zijn. Zo zien we een sluipende ontwikkeling waarin megatechbedrijven als Apple, Google, Microsoft, Amazon en Alibaba, producten vermarkten die tot voor kort exclusief aan traditionele dienstverleners waren voorbehouden. Ze bouwen hun positie uit tot financiële warenhuizen die het klassieke verdienmodel van bijvoorbeeld banken en financiële instellingen ondermijnen. Deze Big-Techbedrijven hebben de aantallen klanten, de digitale infrastructuur, de data, de software en de liquide middelen om het verschil qua financiële dienstverlening te kunnen maken. Hoe beoordeelt de staatssecretaris deze ontwikkelingen vanuit fiscaal oogpunt? Is nadere fiscale regulering nodig? En wat is de Nederlandse lijn nu een snel in te voeren Europese digitaks niet op brede instemming van de lidstaten kan rekenen? Hoe ziet hij de relatie tussen Big Tech en Big Tax?

De heer Backer (D66):

Ik luister met grote belangstelling, zoals vaak, naar collega Ester. Hij stelt een vraag die klinkt als retorisch. Ik ben benieuwd wat hij er zelf van vindt.

De heer Ester (ChristenUnie):

Ik stelde een aantal vragen.

De heer Backer (D66):

Ik doel op de laatste.

De heer Ester (ChristenUnie):

Bedoelt u de Europese digitaks?

De heer Backer (D66):

Nee, het ging mij over de groei van de grote internationale bedrijven en hun fiscale accommodatie.

De heer Ester (ChristenUnie):

Dat is natuurlijk vooral een Europese kwestie, want Nederland kan in zijn eentje niet zo heel veel bewerkstelligen op dit moment. Ik vind het een teleurstelling dat die Europese digitaks niet op de genoemde brede instemming kon rekenen. Ik vind dat echt jammer. Dat wordt nu weer een x-aantal jaren uitgesteld. De nationale regiemacht is beperkt. In het algemeen staat mijn partij wat kritisch ten aanzien van Europa, maar dit was nu juist een hele mooie kans om toch ook fiscaal het verschil te kunnen maken. Nogmaals, ik vind dat jammer.

De heer Backer (D66):

Ik meende dat heuglijke feit al te beluisteren. Dank voor dit antwoord.

De heer Ester (ChristenUnie):

Graag gedaan. Mijn laatste zin was, geloof ik, een vraag aan de staatssecretaris. Hoe ziet hij de relatie tussen Big Tech en Big Tax? Ik vind dat zo'n mooi zinnetje dat ik die nog eens wil herhalen.

Kan zijn Belastingdienst de webbased economy, de digitale platformeconomie überhaupt aan? De ChristenUnie-fractie waardeert de modernisering van de kleineondernemersregeling, de KOR. Het mkb is gebaat bij administratieve lastenverlichting en een omzetgerelateerde btw-vrijstelling. Het doet recht aan de grotere diversiteit onder kleine bedrijven. De vraag is hier: is er al meer zicht op de Europese derogatie?

Mijn fractie is blij met de aankondiging om eigen vermogen en vreemd vermogen fiscaal evenwichtiger te gaan behandelen. Vanuit het perspectief van financiële duurzaamheid is dit een belangrijke stap. Het voornemen is ook gerelateerd aan de earningsstrippingmaatregel uit het ATAD-pakket. Kan de staatssecretaris wat meer tekst en uitleg geven over de impact daarvan op ons mkb?

Voorzitter, ik ga van bedrijven over naar de fiscale bejegening van burgers. Vorig jaar heeft dit huis een motie van mijn fractie met brede steun aangenomen, waarin het kabinet wordt verzocht jaarlijks te rapporteren over de ontwikkelingen van de marginale druk in ons land en over het voorgenomen beleid om deze druk te verminderen. Ik zie uit naar het onderzoek komend voorjaar met als hoofdvraag hoe de pijnpunten in de marginale druk kunnen worden weggewerkt. Tegelijkertijd vraag ik de staatssecretaris hoe deze motie is verwerkt in het voorliggende Belastingplan 2019 en op welke ontwikkelingen hij mikt in de komende drie jaar. Zo zien we in die periode de nodige turbulentie in de marginale druk van hurende eenverdieners als gevolg van de geleidelijke afbouw van de huurtoeslag.

Door de vlakkere tariefstructuur zien eenverdieners licht aan het einde van de donkere fiscale tunnel. En dat werd tijd, voorzitter. Hoog tijd.

Het verhogen van de afbouwgrens voor paren in het kindgebonden budget en het verhogen van de zorgtoeslag voor paren dragen hier ook aan bij. De koopkrachtontwikkeling voor een- en tweeverdieners is daarmee in 2019 redelijk in balans. Maar er is nog heel veel fiscaal werk aan de winkel om de kloof structureel te dichten en in ieder geval kleiner te maken. De vraag van mijn fractie is: welk einddoel staat de staatssecretaris voor ogen?

Voorzitter. Vrijwilligerswerk is het cement van de samenleving. Het maatschappelijk nut is groot van mensen die zich voor anderen inzetten. De ChristenUnie-fractie is daarom blij dat de belastingvrije vergoeding voor vrijwilligers omhoog gaat. Tegelijkertijd stellen wij de vraag aan de staatssecretaris of het niet redelijk is deze bedragen gewoon te indexeren. Wil hij dit overwegen? Het gaat hier om een belangrijk maatschappelijk signaal.

Voorzitter. Dan nu over naar de derde en laatste hoofdlijn: de bestrijding van belastingontwijking. In dit opzicht markeren het regeerakkoord en het Belastingplan 2019 een breuk met het verleden. En dat was ook hard nodig. Het gedoogvirus in ons land leidde tot niet langer uit te leggen fiscale uitwassen en internationale hoon en onbegrip. We rollen met het nieuwe beleid de fiscale loper weer in voor brievenbusfirma's die niets toevoegen aan het economisch potentieel van ons land. De ChristenUnie-fractie steunt dit van harte. Nederland hoort niet in de verkeerde internationale fiscale lijstjes thuis. Veelzeggend is wel dat de nieuwe opstelling toch vooral komt door Europese richtlijnen. Maar goed. Beter laat dan nooit.

Mijn fractie heeft wel een paar korte vragen bij de plannen. Brievenbusfirma's worden aangepakt. Maar de substance-eisen zijn toch niet echt imponerend. Een fysiek kantoor en een loonsom van boven een ton: voor een beetje fiscaal-handige multinational is dat geen echte hobbel. Hoe beoordeelt de staatssecretaris deze eisen vanuit effectiviteitsoogpunt? Is Nederland overigens het enige land dat kiest voor een eigen combinatie van het A- en B-model?

De ATAD-richtlijnen brengen veel internationale coördinatie met zich mee. Kan de staatssecretaris ook hier delen hoe zijn diensten hierop zijn voorbereid en hoe deze internationale fiscale samenwerking is geregeld? Hoe is voorzien dat EU-landen van elkaar kunnen leren rond de invoering van de ATAD-richtlijnen?

Het is goed, voorzitter, dat er eindelijk een bronbelasting op rente en royalty's komt. Dit oordeel staat los van het feit dat ik als een van de weinigen binnen mijn partij geen fan van U2 ben. Mijn fractie is ook blij met de aangekondigde aanscherping van de rulingpraktijk. Daar hing toch een zweem omheen van achterkamertjespolitiek. Hoe gaat de geanonimiseerde publieke rulingafspraak meer precies in het vat worden gegoten? Ik hoor het graag.

Al met al vormen deze nieuwe anti-belastingontwijkingsmaatregelen een trendbreuk. De effectiviteit hangt af van de professionele optuiging van de Belastingdienst, maar ook van het sanctiebeleid. Kan de staatssecretaris wat meer in detail ingaan op zijn mogelijkheden om compliance af te dwingen en bedrijven die richtlijnen overtreden sancties op te leggen? Hoe stevig gaat hij hierop inzetten?

Voorzitter, ik sluit af. De ChristenUnie-fractie geeft steun aan de drie hoofdlijnen van het Belastingplan 2019. De burger mag een positief koopkrachteffect verwachten, het bedrijfsleven krijgt meer lucht en Nederland gaat eindelijk serieus werk maken van het gevecht tegen belastingontwijking. Vergroening krijgt daarbij de aandacht die het verdient. Tegelijk moet worden opgemerkt dat juist daar de grote slag nog moet plaatsvinden: het slim en sociaal inzetten van ons fiscale stelsel om de ingrijpende energietransitie mogelijk te maken.

Mijn fractie ziet uit naar de beantwoording van onze vragen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ester. Ik geef het woord aan mevrouw Sent.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Sent (PvdA):

Dank u wel, voorzitter.

Voorzitter. Wij bespreken vandaag een omvangrijk pakket. Zo bestaat het pakket Belastingplan 2019 zelf uit zeven wetsvoorstellen. En daar komen de Implementatie ATAD 1 en de Fiscale maatregelen rijksmonumenten ook nog bij.

Graag complimenteer ik de staatssecretaris met het grote aantal maatregelen. Die variëren van het tegengaan van internationale belastingontwijking en belastingontduiking tot lastenverlichting voor burgers door lagere lasten op arbeid, van plannen ter stimulering van het Nederlandse vestigingsklimaat tot verdere vergroening van het belastingstelsel.

En graag dank ik de staatssecretaris voor het feit dat hij de maatregelen in afzonderlijke wetsvoorstellen aanbiedt. Het doet mijn fractie deugd dat hiermee de motie-Hoekstra, aangenomen in deze Kamer bij de behandeling van het Belastingplan 2016, wordt gerespecteerd. Immers, deze motie roept de regering op de senaat de ruimte te geven een separaat politiek eindoordeel te vellen over individuele wetsvoorstellen.

Veel van de voorliggende maatregelen kunnen op de steun van mijn fractie rekenen. Want internationale belastingontwijking en belastingontduiking moeten worden tegengegaan. Vergroening moet zoveel mogelijk worden gestimuleerd. En verhaalconstructies die worden gebruikt om de invordering van belastingschulden te ontlopen moeten worden bestreden.

Maar de PvdA had graag meer gezien, voorzitter. Bij het voorliggende pakket wordt aan heel veel knoppen gedraaid, van het invoeren van het tweeschijvenstelsel tot een groot aantal wijzigingen in heffingskortingen, van de tariefmaatregel grondslagverminderende posten tot het verhogen van het verlaagde btw-tarief. Maar is de "machine" zelf niet aan een grondige herziening toe, zo vraag ik de staatssecretaris?

De commissie-Van Dijkhuizen heeft in 2013 een breed scala aan aanbevelingen gedaan voor een dergelijke herziening. Zo adviseert deze commissie een aantal aftrekposten af te schaffen, waaronder de zelfstandigenaftrek. Voorts stelt de commissie voor de zorgtoeslag, de huurtoeslag, de kinderbijslag en het kindgebonden budget in één gecombineerde toeslag te integreren. En ze adviseert de zorgtoeslag rechtstreeks naar zorgverzekeraars te laten gaan ter voorkoming van fraude. Graag ontvangt mijn fractie een appreciatie van de staatssecretaris van de relatie tussen het voorliggende pakket en de aanbevelingen van de commissie-Van Dijkhuizen. En graag verneem ik van hem welke aanvullende aanbevelingen hij voornemens is op te volgen.

De heffing in box 3 voor spaarders en beleggers zou volgens de commissie-Van Dijkhuizen gebaseerd moeten worden op feitelijke spaarrentes. Uitgangspunt van de vermogensrendementsheffing is een verondersteld forfaitair rendement. Deze lag en ligt onder vuur, deels omdat het feitelijke rendement in aanzienlijke mate blijft achterblijft bij het forfaitaire rendement. Graag verneem ik van de staatssecretaris welke voortgang hij boekt bij het ontwikkelen van een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement. Het blijft toch van de gekke dat we in Nederland niet werkelijke vermogensinkomsten belasten, zoals dat in vrijwel alle landen gangbaar is.

De heer Backer (D66):

Ook mijn fractie in deze Kamer en onze fractie aan de overkant hebben een aantal keren ervoor gepleit om te kijken naar reëel rendement. Onder het vorige kabinet is de belasting op het forfaitaire rendement veranderd. En eigenlijk, of je het nu eerlijk of oneerlijk vindt, zit daar natuurlijk een element van progressie in. Ik zou me voor kunnen stellen dat dat de Partij van de Arbeid wel aanspreekt.

Mevrouw Sent (PvdA):

Het spreekt aan dat onder het vorige kabinet het forfaitaire rendement dichterbij het daadwerkelijke rendement is komen te liggen, maar verdere stappen zou ik toch ook omarmen, en die zie ik het huidige kabinet nog niet nemen.

De heer Backer (D66):

Denkt u dan aan andere oplossingen voor het toch bereiken van een zwaardere belasting? Linksom of rechtsom, het werkelijke rendement kan omhoog en naar beneden gaan, maar in progressiesfeer is dat natuurlijk iets anders.

Mevrouw Sent (PvdA):

Waar ik aan denk is het belasten van werkelijke vermogensinkomsten, zoals dat in vrijwel alle landen gangbaar is. Het is eigenlijk van de gekke dat wij dat in Nederland nog niet hebben.

De commissie-Rinnooy Kan deed in het rapport Bepalen betekent betalen de aanbeveling tot een hervorming van het lokaal belastinggebied. Het vorige kabinet heeft vervolgens op aandrang van met name de fracties van D66 in de Tweede en Eerste Kamer in een brief de bouwstenen gegeven voor een dergelijke hervorming van het lokaal belastinggebied. Dan lijkt het logisch dat een verschuiving van rijks- naar gemeentebelastingen op de agenda van het huidige kabinet in het algemeen en de staatssecretaris in het bijzonder zou staan. Misschien heb ik het over het hoofd gezien, maar ik kan daarover niks vinden. Graag verneem ik dan ook van de staatssecretaris wat de laatste ontwikkelingen zijn aangaande een hervorming van het lokaal belastinggebied.

Voorzitter, dan kom ik bij een aantal van de afzonderlijke voorstellen van het kabinet. Daarin is de Wet bronbelasting aangepast in de "Wet bedrijfsleven". Over de Wet bronbelasting is reeds veel gewisseld. Daarom zal ik het kort houden. Wij zijn blij dat het onzalige plan om de dividendbelasting af te schaffen van tafel is. Afschaffing van de dividendbelasting is namelijk in veel gevallen een cadeau aan buitenlandse overheden, in een enkel geval aan buitenlandse aandeelhouders. Sterker, de afschaffing kan ook averechts uitpakken voor de aantrekkelijkheid van Nederland voor buitenlandse bedrijven. De normale, gewone Nederlander waar het kabinet voor zegt op te komen, heeft er in elk geval weinig tot niets aan, zo schrijven twee Rabobankeconomen. Maar wat heeft die normale, gewone Nederlander dan aan de tariefsverlaging in de vennootschapsbelasting, zo vraag ik de staatssecretaris. Van elke verdiende euro krijgt die nog maar €0,73. Het probleem zit 'm erin dat die normale, gewone Nederlander níet wordt uitgenodigd op het Catshuis, waar het bedrijfsleven een graag geziene gast van dit kabinet is.

We hebben al eerder in dit huis verwezen naar de haarscherpe analyse hiervan door Wimar Bolhuis. Hij becijfert in zijn proefschrift dat de lasten op arbeid en inkomen sinds 1986 gemiddeld 3,3 miljard hoger uitkomen dan in campagnes was beloofd. Tegelijkertijd komt de lastendruk voor het bedrijfsleven juist beperkt lager uit. De afwijkingen tussen verkiezingsprogramma's en regeerakkoord blijken zelfs nadelig voor economische groei.

Nu het kabinet eindelijk overstag is gegaan rondom de dividendbelasting, blijft het volhouden dat dan wél de winstbelasting voor bedrijven verlaagd moet worden om het vestigingsklimaat te verbeteren. En zo wordt de internationale race naar de bodem in de winstbelasting door Nederland agressief aangejaagd met lagere tarieven. Maar voor een goed vestigingsklimaat is het minstens zo belangrijk dat er in een land goede scholen zijn, dat er goede gezondheidszorg is en dat het veilig is op straat. In dit kader is het ronduit schokkend dat eerst was voorzien dat voor 2,9 miljard euro beloofde investeringen in de publieke sector niet worden gedaan en dat dit bedrag inmiddels is opgelopen naar 3,7 miljard. Kortom, van de beloften van het kabinet om stevig te investeren in de publieke sector komt weinig terecht, maar de bedrijven hebben hun 4 miljard via de lagere winstbelastingen straks wel binnen.

Hoe oordeelt de staatssecretaris over de onderbesteding aan de publieke sector? Wie binnen het kabinet draagt er zorg voor dat dit voorkomen wordt? Ook tussen de oorspronkelijke raming van de belastingopbrengst in de Miljoenennota en de uiteindelijke gerealiseerde opbrengst zit doorgaans een flink verschil, dat in bepaalde jaren oploopt tot meer dan 10 miljard euro. Wat doet de staatssecretaris om dit gat te dichten?

Blijkens een studie van het Centraal Planbureau bevoordeelt de innovatiebox grote bestaande bedrijven en verslechtert het de positie van uitdagers. Terwijl de kosten geraamd worden op maar liefst 1,7 miljard euro, meent het CPB dat dit een subsidie is voor winstgevende bedrijven met innovaties uit het verleden. Welke lessen trekt de staatssecretaris hieruit? Voor de PvdA is het in ieder geval duidelijk dat van doeltreffendheid en een bijdrage aan economische vernieuwing geen sprake is.

Voorzitter. Het kabinet-Rutte III gaat er prat op dat, na jaren van bezuinigingen en belastingverhogingen, de lasten voor niet alleen bedrijven, maar ook burgers omlaaggaan. In de woorden van het kabinet moet iedereen het "in de portemonnee gaan voelen" dat Nederland uit de crisis is. Waar het kabinet claimt dat het nieuwe tweeschijvenstelsel leidt tot ruim 5 miljard euro aan lastenverlichting voor de burger, heeft mijn collega in de Tweede Kamer berekend dat hier uiteindelijk in 2042 maar 36 miljoen van overblijft. Kortom, het structurele effect van de nieuwe inkomstenbelasting is ongeveer €2 per persoon per jaar. NRC berekent in de Factcheck zelfs dat het structurele effect van alle maatregelen een lastenverzwaring in 2042 van ruim 1,2 miljard euro bedraagt. Per saldo is het beeld dus nog negatiever.

En per saldo is het beeld voor de kwetsbaren extra negatief. De PvdA wil dat mensen zeker zijn van eerlijke belastingen, maar vindt de rechtvaardigheid ver te zoeken. Terwijl de laagste inkomens er het minst op vooruitgaan, wordt het toptarief verlaagd tot onder de 50%. Huurders gaan er de helft op vooruit ten opzichte van kopers. Uitkeringsgerechtigden blijven achter bij mensen met een baan. En mensen in de Ziektewet verliezen zelfs gemiddeld €900 en in individuele gevallen duizenden euro's per jaar. Dat laatste vindt de PvdA niet alleen oneerlijk, maar echt asociaal. En dat terwijl Shell in Nederland geen winstbelasting betaalt, we de laagste effectieve belastingdruk op kapitaal kennen en de fiscaal geprivilegieerde positie van dga's onaangetast blijft.

Uit doorrekeningen van de diverse Miljoenennota's blijkt dat in 2017 de laagste inkomens er meer op vooruit zijn gegaan dan hogere inkomens. Dit is tot stand gekomen onder het kabinet-Rutte II. In 2018 geldt dat de hoogste inkomens er juist het meest op vooruit zijn gegaan. Dit is tijdens de formatiebesprekingen tot stand gekomen. Voor 2019 is de verwachting dat de laagste inkomensgroep er 1% op vooruitgaat, waar de midden- en hogere inkomens op een vooruitgang van 1,6% staan. Dit is tot stand gekomen onder het kabinet-Rutte III. Het resultaat vindt mijn fractie weinig sociaal. Wil de staatssecretaris op onze steun rekenen, dan moet het socialer.

De heer Schalk (SGP):

Ik heb een vraag over de opmerking die mevrouw Sent maakte over Rutte II en de lage inkomens. In 2016 meen ik, heb ik een motie ingediend over de marginale druk, juist bij de lage inkomens, die enorm hoog was. Vorig jaar is dat nog een keer bevestigd door een motie van de heer Ester. Is het nou juist dat Rutte II ervoor gezorgd heeft dat de belastingdruk bij lage inkomens inderdaad zo laag was?

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik haal dit uit de beantwoording van vragen in de Tweede Kamer. Uit de beantwoording van die vragen blijkt dat uit de doorrekeningen van diverse Miljoenennota's in 2017 de laagste inkomens er meer op vooruit zijn gegaan dan de hogere inkomens en dat dit juist in 2018 en in 2019 als gevolg van de formatiebesprekingen en als gevolg van het voorliggende pakket niet het geval is.

De heer Schalk (SGP):

Ik ben heel benieuwd of dat inderdaad zo meteen bevestigd zal gaan worden door de staatssecretaris. Maar ik heb er dan nog een vraag bij aan mevrouw Esther. Stel nou voor ...

Mevrouw Sent (PvdA):

Daar is ze weer!

De voorzitter:

Mevrouw Sent. Mevrouw Esther is helaas niet aanwezig in de Kamer, mevrouw Sent wel.

De heer Schalk (SGP):

Ik had me zo voorgenomen om Esther-Mirjam Sent altijd op de juiste manier aan te spreken: mevrouw Sent. Ik heb een vraag aan mevrouw Sent. Is zij het met de fractie van de SGP eens dat het tijd wordt om niet via de inkomstenbelasting te sturen op koopkracht en dergelijke? En dat iedereen aan het werk moet, zodat we een keer uit die valkuil komen voor de lagere inkomens, die toch als we de cijfers gekregen hebben nog met een hele zware marginale druk zitten?

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik ben het met de heer Schalk eens dat we soms te ver doorgaan in het micro-instrumentalisme waar het gaat om de belasting. Daar kom ik in mijn spreektijd zo dadelijk nog over te spreken. Dus mogelijk is dat ook een aanleiding om nog even te interrumperen.

De voorzitter:

Daar komt menéér Ester. Ga uw gang, meneer Ester!

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. Het kost mij moeite om geen grappen te maken, maar ik slik ze in. Nog even over die zaken waarop geduid werd, rondom nivellering. Als ik de cijfers goed bekijk, dan zie ik dat de ginicoëfficiënt met 2,7% afneemt ten aanzien van het basispad. Ik kan mij eerlijk gezegd niet herinneren dat dat ooit in zo'n mate heeft plaatsgevonden. Daaraan gekoppeld het feit dat als je met een andere blik naar de cijfers kijkt rondom de marginale druk — collega Schalk wees daar ook al op — je daar ook een extreme nivellering in de komende periode ziet. Als je kijkt naar de bruto-inkomens rondom €15.000 en naar de bruto-inkomens rondom €50.000, drieëneenhalf keer meer, dan zie je dat daar netto een enorme nivelleringsslag plaatsvindt. Hoe duidt u die twee bevindingen in relatie tot de kern van uw betoog?

Mevrouw Sent (PvdA):

De kern van mijn betoog is gebaseerd op antwoorden die zijn geformuleerd naar aanleiding van vragen in de Tweede Kamer. Uit die antwoorden blijkt dat de laagste inkomensgroepen er het minst op vooruitgaan, de midden- en hoge inkomensgroepen het meest. Wat de ginicoëfficiënt betreft, is het heel erg spijtig dat de heer Reuten niet aan het debat deelneemt, want die kan hele goede methodologische betogen houden over de beperkingen van de ginicoëfficiënt als maatstaf voor inkomensongelijkheid.

De heer Ester (ChristenUnie):

Maar dat kunnen u en ik ook. We hebben de heer Reuten voor veel dingen nodig, maar niet voor deze kwestie.

Mevrouw Sent (PvdA):

Maar er zijn grenzen aan het gebruik van de ginicoëfficiënt als adequate maatstaf voor inkomensongelijkheid. Wat blijkt uit de doorrekening is dat de laagste inkomensgroepen er ongeveer 1% op vooruitgaan, de midden- en hoge inkomens 1,6%, en daarmee is het niet nivellerend.

De voorzitter:

De heer Ester, tot slot op dit punt.

De heer Ester (ChristenUnie):

Zeker. Je moet natuurlijk je kritiek op die ginicoëfficiënt niet alleen gebruiken als die goed uitkomt; je moet hem altijd gebruiken. Maar het feit blijft gewoon, als je kijkt naar de extreme marginale druk, dat ook die extreme nivellering opvalt, rondom die twee inkomensgroepen die heel elementair zijn, €15.000 en €50.000, waarbij er echt een extreme nivelleringsslag plaatsvindt. Dat komt uit dezelfde gegevens van dezelfde staatssecretaris. Dus hoe gaat u daarmee om?

Mevrouw Sent (PvdA):

Die nivelleringsslag zie ik niet als de laagste inkomens er het minst op vooruitgaan. Die nivelleringslag zie ik niet als mensen in de Ziektewet een grove maatregel voor de kiezen krijgen. Die nivelleringslag zie ik niet als huurders er minder op vooruitgaan dan kopers. Daar kom ik zo dadelijk nog over te spreken.

Waar was ik gebleven? Ik ga toch nog denk ik eventjes de studie van het Centraal Planbureau erbij halen. Had ik die al ... ?

De voorzitter:

Dat kan ik u zeggen. U was gebleven bij "Wil de staatssecretaris op onze steun rekenen, dan moet het socialer." Dan komt u in het verlengde van de denivellering terecht. Om u even te helpen, ik heb uw tekst voor mijn neus liggen.

Mevrouw Sent (PvdA):

O daar, ja: "dan moet het socialer". Zeker, dat ga ik nog een keertje herhalen.

Wil de staatssecretaris op onze steun rekenen, dan moet het socialer.

In het verlengde van deze denivellering heeft mijn fractie grote moeite — ik had het er net al over in mijn gesprekje met de heer Ester — met het voorstel om per 2020 voor nieuwe Ziektewet-uitkeringsgerechtigden zonder werk de ZW-uitkering niet mee te laten tellen als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting. Kan de staatssecretaris mij nog eens uitleggen waarom hij meent dat zieken zonder werk erop achteruit moeten gaan?

Met het oog op denivellering vraagt de verhoging van het lage btw-tarief van 6% naar 9% extra aandacht. Het risico bestaat dat lagere inkomensgroepen relatief harder geraakt worden door deze maatregel omdat zij verhoudingsgewijs meer uitgeven aan goederen en diensten die lager worden belast. Om het effect op verschillende inkomensgroepen te kunnen beoordelen is inzicht vereist in de bestedingspatronen van individuele huishoudens. Deze bestedingspatronen zijn te vinden in de laatst bruikbare CBS-budgetenquête van 2004. Op deze gegevens is de meest recente analyse van het CPB gebaseerd en die analyse dateert van 2014. Deze studie suggereert dat de btw een regressieve belasting is. Dat wil zeggen, als percentage van het besteedbaar inkomen is de effectieve btw-druk lager voor hogere dan voor lagere inkomens.

Voor mijn fractie zijn de CBS-gegevens te verouderd voor een adequate beoordeling en vraagt de CPB-studie om een aanpassing, want deze analyseerde de afschaffing van het verlaagde tarief onder verlaging van het standaardtarief. Dat is nu niet aan de orde en daarom vraag ik de staatssecretaris of hij bereid is de gevolgen van de voorliggende verhoging van de btw voor verschillende inkomensgroepen in kaart te brengen, zodat deze meegewogen kunnen worden bij de behandeling van de volgende Miljoenennota.

Voorzitter. Onze algemene zorgen over micro-instrumentalisme — daar hadden we het eerst ook al over — gelden ook voor de vergroeningsmaatregelen uit het voorliggende pakket.

De heer Backer (D66):

Voorzitter. Ik was niet snel genoeg. Even terug naar de btw. U vraagt naar een studie. Staat voor u de uitkomst eigenlijk vast? Of laat ik het andersom vragen, vindt u het zonder die studie eigenlijk onverantwoord om iets aan de btw te doen? Is dat de portee van uw betoog? Of is het eigenlijk meer het willen weten wat de effecten zijn voor beter inzicht, waar natuurlijk niemand tegen kan zijn?

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik denk dat het bij al deze maatregelen zinvol is om te weten hoe de diverse groepen daardoor geraakt worden en om ook compensatie te bieden waar we dat ideologisch wenselijk vinden. Die compensatie hoeft er dan niet in te liggen dat we de btw-verhoging terugdraaien. Die kan ook op andere terreinen liggen. Maar het inzicht op dit moment ontbreekt om goed grip te krijgen op hoe de verschillende inkomensgroepen geraakt worden door een verhoging van het lage btw-tarief.

Onze algemene zorgen over micro-instrumentalisme gelden ook voor de vergroeningsmaatregelen uit het voorliggende pakket. En ook hier vrezen wij dat de zwakste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Burgers en bedrijven moeten het gevoel krijgen dat de rekening van de klimaattransitie eerlijk verdeeld wordt, zo meent de PvdA.

Dat is nu niet het geval. Neem de ODE-heffing op gas en stroom die in deze Kamer in behandeling is. Burgers en bedrijven leveren geen evenredige bijdrage. Immers, de tarieven voor huishoudens liggen 13 tot 66 keer zo hoog als voor sommige bedrijven. En dat terwijl lage inkomensgroepen eenvoudig kunnen worden ontzien door een verhoging van de teruggave aan energiebelasting via de energierekening.

De heer Van Strien (PVV):

Je kunt die energiebelasting leggen waar je wilt, hij komt natuurlijk gewoon bij de consument terecht. Dus mijn vraag aan mevrouw Sent is of zij zich realiseert dat als je meer bij de industrie, meer bij de elektriciteitsproducenten legt, dat uiteindelijk gewoon bij de consument terechtkomt. Mijn vraag is of zij zich dat realiseert.

Mevrouw Sent (PvdA):

Wat dan kan gebeuren is een verhoging van de teruggave aan de energiebelasting via de energierekening. Het is ook nog eens een keer nivellerend om dat op die manier te doen.

De Nederlandsche Bank bepleit een forse belasting op de uitstoot van CO2. Blijkens onderzoek van DNB heeft een belasting van €50 per ton CO2 geen grote gevolgen voor de Nederlandse economie. Het kan zelfs leiden tot groei. Is de staatssecretaris het met ons eens dat één robuuste en effectieve CO2-heffing een goed alternatief vormt?

En hoe kijkt hij aan tegen de positie van huurders bij energiebesparingsmaatregelen? Zij hebben immers vaak zelf geen invloed op verduurzaming van de woning, en corporaties kunnen onmogelijk alle woningen in korte tijd onder handen nemen. Het idee dat belastingverhoging op aardgas tot forse energiebesparingsmaatregelen leidt, is dus maar ten dele waar. Het gevolg is dat een groot deel van de huurders langere tijd extra belasting zal moeten betalen, terwijl zij zelf geen invloed kunnen hebben op de timing waarop de verhuurder besluit energiebesparingsmaatregelen te nemen. Wil de staatssecretaris dit voor zijn verantwoordelijkheid nemen?

Het voorstel om de bpm-teruggaafregeling voor taxi's en openbaar vervoer met ingang van 1 januari 2020 af te schaffen roept de vraag op om het verwachte milieueffect te becijferen. En hoe verhoudt dit milieueffect zich tot de kostenstijging van het zorgvervoer?

Voorzitter. De relatie tussen de Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen en de Wet kansspelen op afstand komt op mijn fractie als verwarrend over. Een aantal zaken uit het eerste wetsvoorstel zou naar de mening van mijn fractie juist in het laatste wetsvoorstel geregeld moeten worden. Zo wordt in het wetsvoorstel waarover wij vandaag debatteren bepaald dat een promotioneel kansspel op afstand niet zal worden aangemerkt als een kansspel op afstand. Maar hoort een dergelijke bepaling niet thuis in een wet die gaat over het regelen van kansspelen op afstand en niet in een wet op de kansspelbelasting, zo vraag ik de staatssecretaris.

De PvdA is er een voorstander van dat aanbieders van landgebonden sportweddenschappen belastingplichtig worden, laat daar geen misverstand over bestaan. Maar waarom kiest de staatssecretaris er niet voor om de spelers óók te belasten?

Voorzitter. De vervanging van de fiscale aftrek van uitgaven voor monumentenpanden door een subsidieregeling kan op de steun van mijn fractie rekenen. Dat wil zeggen, het concept steunen wij. Echter, de details van de subsidieregeling zijn naar de mening van mijn fractie onvoldoende duidelijk. Zo worden aanvragen slechts op hoofdlijnen gecontroleerd, zodat van een kwaliteitstoets bij een subsidieaanvraag ook in het nieuwe stelsel geen sprake is. Hoe kan bij een toets achteraf nu de beoogde kwaliteitsborging worden gerealiseerd? Hier kan de minister toch geen verantwoordelijkheid voor willen nemen?

Erger, het subsidiepercentage wordt bij overschrijding van het subsidieplafond naar beneden bijgesteld. Dat begrijpen wij uiteraard vanuit het perspectief van de subsidieverstrekker. Maar vanuit het perspectief van de subsidieaanvrager is het onbegrijpelijk dat een aanvraag om budgettaire redenen maar deels wordt gehonoreerd, terwijl het onderhoud in het voorafgaande jaar al wel is gepleegd. En meent de minister dat mensen grote financiële verplichtingen op zich zullen nemen zonder duidelijkheid over de subsidie?

Voorzitter. De belastingontwijkingsmaatregelen uit het voorliggende pakket kunnen op de warme steun van de PvdA rekenen. We vinden het goed dat schuldfinanciering in de vennootschapsbelasting minder aantrekkelijk wordt gemaakt. Maar de mogelijkheden om corporaties uit te zonderen op ATAD 1 zijn naar onze mening onvoldoende onderzocht. De gevolgen voor de lastenontwikkeling voor de woningcorporaties achten wij onacceptabel. De aangehouden motie-Van Apeldoorn c.s. over de belastingdruk voor woningcorporaties is dan ook medeondertekend door ons. Wij vrezen dat de totale belastingdruk voor de woningcorporaties de afgesproken investeringen in de nieuwbouw van sociale huurwoningen en de verduurzaming van de bestaande sociale huurwoningen in de weg staat. En wat ons betreft moeten er dan mitigerende maatregelen komen.

Voorzitter. De voorliggende voorstellen richten zich op maatregelen die uitvoerbaar zijn voor de Belastingdienst.

De heer Van Rij (CDA):

Ik zou graag even willen terugkomen op de passage die mevrouw Sent zojuist uitsprak over de woningbouwcorporaties. Op zichzelf is duidelijk dat ATAD en de beperking van de renteaftrek ook de woningbouwcorporaties fors raakt. Alleen, is zij niet met mij bevreesd dat als je daar voor een uitzonderingspositie gaat pleiten, je dan al heel snel in strijd komt met het Europees recht? Ik ben ook wel benieuwd of mevrouw Sent de verzachtende maatregelen waarvoor zij pleit in de fiscale sfeer of in de niet-fiscale sfeer ziet, want ik denk dat wij al snel tegen het Europees recht gaan aanlopen.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik heb het gevoel dat het kabinet zich onvoldoende heeft ingespannen om de corporaties uit te zonderen van ATAD 1. Als daadwerkelijk blijkt dat die uitzondering niet mogelijk is, als dat inmiddels een gepasseerd station is, dan moeten er andere mitigerende maatregelen komen als de consequenties voor de verduurzaming en voor de opdracht van de woningcorporaties zodanig zijn dat wij ze onwenselijk achten. Mijn zorgen liggen op dat terrein.

De heer Van Rij (CDA):

Als ik goed luister, dan verwacht u eigenlijk niet zo gek veel van die uitzonderingssituatie omdat wij dan tegen het Europees recht aanlopen. Dan gaat het dus om de verzachting. Is de PvdA-fractie dan ook bereid om te pleiten voor bijvoorbeeld een andere vormgeving van de verhuurdersheffing?

Mevrouw Sent (PvdA):

Als dat mitigerende maatregelen zijn waarmee de afgesproken investeringen in de nieuwbouw van sociale woningen en de verduurzaming van de bestaande sociale huurwoningen gerealiseerd kunnen worden, dan zijn dat maatregelen waar wij graag naar zullen kijken.

De voorliggende voorstellen richten zich op maatregelen die uitvoerbaar zijn voor de Belastingdienst met inachtneming van stapelingsrisico's, zo hebben wij geleerd tijdens de zeer gewaardeerde technische briefing door een indrukwekkend aantal ambtenaren van het ministerie van de staatssecretaris. Maar hoe zit het eigenlijk met de uitvoerbaarheid van het voorliggende pakket voor burgers, zo vraag ik de staatssecretaris.

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid schrijft in zijn rapport "Weten is nog geen doen" dat mensen de wet niet alleen moeten kennen, maar ook moeten kunnen. Een realistisch beeld van mensen leert dat weten niet altijd leidt tot doen, dat doen-vermogen is begrensd, dat het afneemt door stress of mentale belasting en dat het in de beste kringen voorkomt. Het kabinet heeft dit realistisch perspectief omarmd en schrijft in zijn brief van 29 juni jongstleden dat de overheid vooraf zal toetsen of beleid en regelgeving doenlijk is voor de burgers. Graag verneem ik daarom van de staatssecretaris op welke wijze dit bij het voorliggende pakket is getoetst.

Informateur Herman Tjeenk Willink refereert in een bijlage van zijn eindverslag aan de Brits-Franse dramafilm I, Daniel Blake, waarin een 59-jarige Engelse meubelmaker na een hartinfarct voor het eerst in zijn leven hulp nodig heeft van de overheid, maar verstrikt raakt in de bureaucratische rompslomp. Tjeenk Willink noemt die film omdat burgers ook in Nederland volgens hem slachtoffer worden van regels, formulieren en een verstikkende bureaucratie. Dat leidt volgens hem tot groot ongenoegen.

Laat ik een voorbeeld geven uit de portefeuille van de staatssecretaris. Een alleenstaande ouder met een deeltijdbaan en twee kinderen heeft te maken met 12 inkomstenelementen, 18 verschillende formulieren en 80 betalingsmomenten per jaar. Hoe beoordeelt de staatssecretaris de "doenlijkheid" hiervan? Wordt de mentale belasting in dit voorbeeld laag gehouden? Wordt de cumulatie van lasten tegengegaan? Zo nee, wat mogen we dan van de staatssecretaris verwachten ter verbetering van de "doenlijkheid" van belastingwetgeving?

Ik rond af.

De heer Backer (D66):

Dat zou ik jammer vinden, voorzitter, en daarom plaats ik nog even een interruptie.

Kan mevrouw Sent zich voorstellen dat er spanning zit tussen het eerste deel van haar betoog, waar het gaat om rechtvaardigheid, inkomensachteruitgang en het bedienen van de juiste groepen naar vraag en afhankelijkheid, en het laatste deel van haar betoog? Wat wij veel in wetgeving zien, is toenemende complexiteit en dat heeft een oorzaak. Die oorzaak is vaak dat wij streven naar verfijning — instrumentalisme noemde de heer Ester dat — en het proberen zo rechtvaardig mogelijk oplossingen te vinden. Dan zou dit het resultaat ervan kunnen zijn. Ik denk dat er ook een afweging zit tussen deze twee elementen. Is mevrouw Ester dat met mij eens? Dat is overigens een grapje.

De voorzitter:

Mevrouw Sent. Oh, het is een grapje.

Mevrouw Sent (PvdA):

Nou, ik vind het helemaal niet grappig, hoor.

De heer Backer (D66):

Nee.

Mevrouw Sent (PvdA):

Het allereerste deel van mijn betoog ging over de commissie-Van Dijkhuizen. De commissie-Van Dijkhuizen doet juist een groot aantal aanbevelingen om aftrekposten samen te voegen en om betalingen op een andere manier te laten plaatsvinden, waardoor het voorbeeld dat ik heb aangedragen niet meer aan de orde is. Het begin en het eind van mijn betoog sluiten dus wel op elkaar aan. Ik ben het er wel mee eens dat het bij al dit soort maatregelen belangrijk is om naar de efficiëntie en rechtvaardigheid van de maatregelen te kijken. Daar zal een goede balans in moeten worden gevonden. De commissie-Van Dijkhuizen heeft daar mooie aanbevelingen over gedaan, maar het kabinet heeft daar helaas geen vervolg aan gegeven bij de formatie.

De heer Backer (D66):

Net als het vorige kabinet, stel ik vast, maar ik kom straks zelf nog terug op dit onderwerp.

Mevrouw Sent (PvdA):

Maar het vorige kabinet had dit niet bij de formatie op tafel liggen.

Ik rond af. In het omvangrijke pakket dat voor ons ligt, wordt aan een indrukwekkend aantal knoppen gedraaid. Toch stelt het teleur. Het is niet rechtvaardig, omdat de laagste inkomens er het minst op vooruitgaan. Om van de grove ziektewetmaatregel nog maar te zwijgen. Het is niet doelmatig, want de invoering van het tweeschijvenstelsel heeft nul effect op de werkgelegenheid. Het is ingewikkeld, want het micro-instrumentalisme tiert welig. En terwijl aan de knoppen wordt gedraaid, blijft de beloofde revisie van de "machine" zelf achterwege. Toeslagen, inkomensafhankelijke regelingen en aftrekposten blijven allemaal bestaan. De toezegging van de staatssecretaris om de bouwstenen voor stelselverbeteringen klaar te leggen voor het volgende kabinet is voor de PvdA "too little, too late". Het is laakbaar dat het kabinet 6,4 miljard euro aan publiek geld uitgeeft zonder een fundamentele belastinghervorming door te voeren. Daarmee regent het gemiste kansen.

En daarom kijken wij met extra belangstelling uit naar de antwoorden van de staatssecretaris en minister op onze vragen.

De voorzitter:

Dank, mevrouw Sent.

Het woord is aan de heer Van de Ven.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van de Ven (VVD):

Voorzitter. Vandaag behandelen we in dit huis het eerste belastingpakket van het kabinet-Rutte III. Sprake is van een indrukwekkende hoeveelheid belastingmaatregelen op vele terreinen met belangrijke gevolgen voor de belastingplichtigen. De wetsvoorstellen die nu voorliggen bij onze Kamer, negen stuks in totaal, zullen vanaf 2019 tot en met 2023 van toepassing worden.

Ik dank de staatssecretaris en ook de ambtenaren op het departement van Financiën voor hun niet aflatende inzet en betrokkenheid bij het pakket Belastingplan 2019 (zeven wetten), het wetsvoorstel voor de implementatie van de eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking, en het wetsvoorstel fiscale maatregel rijksmonumenten. De voorstellen omvatten vele en gevarieerde belastingmaatregelen. Omdat ik eigenaar en bewoner ben van een rijksmonumentale boerderij zal mijn collega Jan Anthonie Bruijn na mij op de fiscale maatregel voor rijksmonumenten ingaan. Ik verkort mijn spreektijd voor de bijdrage van collega Bruijn aan het belastingdebat van vandaag.

De staatssecretaris heeft op 23 februari van dit jaar zijn fiscale beleidsagenda naar de Tweede Kamer gestuurd. Die agenda is een nadere uitwerking van de fiscale onderwerpen uit het regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst van 10 oktober 2017. De vijf prioriteiten in de fiscale beleidsagenda van de staatssecretaris zijn:

lastenverlichting voor burgers door lagere lasten op arbeid;

verbetering van het vestigingsklimaat voor ondernemers;

een vergroening van het belastingstelsel;

een stevige aanpak van belastingontduiking en -ontwijking;

verbetering van de dienstverlening door de Belastingdienst. 

De leden van de VVD-fractie hebben met instemming van deze actielijst kennisgenomen. De lijst leidt tot vele maatregelen van de staatssecretaris. Bij de behandeling van de wetsvoorstellen heb ik noodgedwongen een keuze moeten maken omdat ik geen ruimte heb om alle onderwerpen hier te bespreken. Ik richt mij met name op de behandeling van de volgende drie onderwerpen:

het inkomensbeleid van het kabinet voor de middeninkomens en het midden- en kleinbedrijf;

overgangsregelingen in de diverse wetsvoorstellen;

instrumentalisering bij belastingwetgeving.

De VVD-fractie in deze Kamer beoordeelt steeds met de meeste aandacht het inkomensbeleid van het kabinet voor de middeninkomens en de inkomens van het midden- en kleinbedrijf. Mijn fractievoorzitter Annemarie Jorritsma heeft dit duidelijk uitgesproken tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen in deze Kamer op 30 oktober jongstleden: "De VVD zal letten op de fiscale positie van de middeninkomens en het midden- en kleinbedrijf."

De VVD gaat uit van een zorgvuldig en sociaal beleid van het kabinet voor de laagste inkomenscategorieën in de samenleving. De mensen met de topinkomens hebben ook een eigen verantwoordelijkheid voor de maatschappelijke aanvaardbaarheid van hun inkomens. Per saldo zouden naar het oordeel van de VVD niet de middeninkomens en het mkb het kind van de belastingrekening van Nederland moeten zijn.

Gelet op berichten in de media in de afgelopen weken bij de behandeling van het belastingpakket in de Tweede Kamer verzoekt mijn fractie de staatssecretaris nog eens te reflecteren op de inkomensverbetering van de hardwerkende Nederlanders met een middeninkomen, met name rond het beginpunt van €68.507 van de hoogste tariefschijf. Dat beginpunt wordt immers van 2019 tot en met 2024 gefixeerd. Mijn fractie verneemt daarbij graag van de staatssecretaris wat bij een zodanig inkomensniveau de wisselwerking is tussen de tariefverlagingen in de inkomstenbelasting tot 37,05% en de toekomstige aftrekbaarheid tegen het tarief van 37,05% van de hypotheekrente, giften, de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling. Maar inmiddels zie ik de heer Köhler bij de interruptiemicrofoon staan.

De voorzitter:

Ja, ik zat geïnteresseerd in uw tekst te lezen, moet ik eerlijk zeggen. Dat is het nadeel als ik al een tekst krijg.

Meneer Köhler. Ga uw gang.

De heer Köhler (SP):

Ik kan me wel indenken, voorzitter, dat u benieuwd bent wat er nog gaat volgen. Ik ook, maar ik had nog een vraag over de opmerking van de heer Van de Ven over de ontwikkeling rond die €68.000 individueel inkomen. Hij bracht dat in het kader van de ontwikkelingen met betrekking tot de middeninkomens. Wat zijn in zijn definitie de middeninkomens? Waar beginnen die en waar eindigen die?

De heer Van de Ven (VVD):

Zoals ik heb gezegd, vinden wij als VVD dat de overheid moet zorgen dat er een goed inkomensbeleid is voor de lage-inkomensgroepen en dat degenen met de topinkomens rekening moeten houden met de maatschappelijke opvattingen over die inkomens. Daartussenin kun je variëren met wat je zelf als een topinkomen of een middeninkomen ziet. Het zal afhankelijk zijn van je politieke achtergrond en je eigen politieke ankers hoe je een middeninkomen wilt definiëren. Er is dus altijd een zekere bandbreedte, naar boven en naar beneden, rond het bedrag van die €68.507, dat zo pregnant naar voren komt. Dat bedrag is voor de komende jaren gefixeerd. Ik wacht wat dit betreft graag het antwoord van de staatssecretaris af.

De heer Köhler (SP):

Ik stel de vraag anders. Kunnen de inkomens die in het hoogste inkomenskwartiel vallen, dus de hoogste 25% van de inkomens, in uw benadering nog onder de middeninkomens worden gerekend?

De heer Van de Ven (VVD):

Ik vind dat een wat moeilijke discussie. Ik weet dat de heer Köhler een expert is op het gebied van de kwartielen, maar kwartielen zelf vormen al een middeling van een aantal inkomensstijgingen. Als ik daar een uitspraak over doe, begeef ik mij op het terrein van de kwartielenberekening en hoe dit daarmee samenhangt. Dat gaat mij wat te ver in dit verband. Ik zeg alleen dat je er individueel anders over kunt denken wat nu al of niet een middeninkomen is. Ik ben ervan overtuigd dat de heer Köhler daar een andere opvatting over heeft.

Ik ga verder met de belastingmaatregelen en overgangsregelingen. Het pakket Belastingplan 2019 leidt ertoe dat een aantal fiscale faciliteiten wordt afgeschaft of versoberd. Die maatregelen worden gekenmerkt door onmiddellijke ingang. Het lijkt erop dat het kabinet als beleid kiest om bij wijziging van fiscale faciliteiten principieel geen overgangsrecht meer voor te stellen.

Oorspronkelijk werden de volgende wetsvoorstellen zonder overgangsrecht ingediend:

De verhoging vanaf 2020 tot 26,5% van de dividendbelasting voor directeuren/grootaandeelhouders (DGA) in Box 2 en vanaf 2021 tot 26,9%.

Verkorten van de maximale looptijd van de 30%-regeling van acht naar vijf jaar met ingang van 2019. Lopende afspraken — met name voor expatriates waarvoor in 2011 de 30%-aftrekregeling is overeengekomen — zouden ondanks de gemaakte afspraken komen te vervallen.

De renteaftrek voor woningcorporaties, de beperking van de renteaftrekregeling, wordt vanaf 2019 onder de nieuwe regels tegen de bestrijding van internationale belastingontwijking en -belastingontduiking gebracht, ook wel aangeduid als ATAD 1, terwijl woningcorporaties, zwaar gefinancierd met vreemd vermogen, met name nationaal lenen. Voor deze situatie is er geen sprake van internationale belastingontwijking of -ontduiking. Hetzelfde geldt voor projecten van publiek private samenwerking (pps). Nieuwe pps-projecten vanaf 25 oktober 2018 vallen onder de voorstellen voor de renteaftrekbeperking vanaf 2019.

Voorgesteld werd vanaf 2019 in de vennootschapsbelasting de afschrijving op vastgoed te beperken. Onder deze maatregel zou de WOZ-bodemwaarde voor de maximale afschrijving op vastgoed in bv's worden verhoogd van 50% tot 100%. Gevolg is dat de kaasboer die zijn onderneming in een bv drijft, minder kan afschrijven op zijn bedrijfsvastgoed en dus meer belasting moet betalen. Dat beperkt zijn cash-flow voor nieuwe investeringen.

Inmiddels is voor een aantal, niet alle, belastingverzwarende voorstellen overgangsrecht voorgesteld. Ik noem de 30%-regeling voor expatriates die in het buitenland tot ongeloof leidde. Voor de afschrijving tot 100% van de bodemwaarde van vastgoed is een overgangsregeling voorgesteld die inhoudt dat de bv ook nog kan afschrijven op vastgoed dat tot drie jaar vóór 2019 in gebruik is genomen. Dat overgangsrecht leidt tot een wat langere afschrijvingsperiode voor recent verworven vastgoed en een lagere maximering van de bodemwaarde. Voor woningcorporaties heeft het kabinet als flankerende maatregel besloten om structureel 100 miljoen euro uit te trekken voor het verlagen van het tarief van de verhuurderheffing in het kader van de toegenomen fiscale lasten onder de voorgestelde renteaftrekbeperking.

De kern van de keuze van de regering om geen overgangsrecht in te voeren bij belastingverzwarende maatregelen betreft de kwestie van de betrouwbare overheid. De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering om nog eens te reflecteren op de relatie tussen overgangsrecht ter gelegenheid van de invoering van nieuwe belastingmaatregelen en de kwestie van de betrouwbare overheid.

Mijn laatste onderwerp is de instrumentalisering van belastingheffing. De Raad van State constateert in het nader rapport bij het Belastingplan 2019 dat het draagkrachtbeginsel onder druk staat. Naar het oordeel van de Raad is het draagkrachtbeginsel de afgelopen decennia onder druk komen te staan mede onder invloed van de beleidskeuze om de belastingheffing dienstbaar te maken aan andere doeleinden dan het verdelen van de belastingdruk oftewel instrumentalisering. De Raad noemt als voorbeeld de arbeidskorting. De arbeidskorting is van oorsprong een fiscale aftrek voor kosten die samenhangen met de verwerving van inkomsten maar wordt thans ingezet om de arbeidsmarkt te bevorderen.

De VVD gaat uit van de volgende algemeen erkende uitgangspunten voor belastingheffing. Die uitgangspunten zijn neutraliteit, eenvoud en herkenbaarheid. Neutraliteit van belastingheffing houdt in dat belastingsubjecten naar algemene normen dienen te worden belast of vrijgesteld. Eenvoud en herkenbaarheid voor de burger van de belastingheffing zijn voorwaarden om de heffing als rechtvaardig te kunnen ervaren.

Hoofddoel van belastingheffing is op basis van de geldende belastingwetgeving de Staat van middelen te voorzien om de overheidstaken uit te kunnen voeren. De VVD is van oordeel dat instrumentalisering van belastingheffing, een nevendoel, toelaatbaar is mits het geformuleerde hoofddoel en het nevendoel niet met elkaar in strijd zijn. Het nastreven van nevendoelen kan de algemene uitgangspunten van belastingheffing voor de VVD van neutraliteit, eenvoud en herkenbaarheid aantasten.

In dit verband van liberale beginselen heeft mijn fractie met verbazing kennisgenomen van de maatregel om een forfaitaire bijtelling van 7% van de fiets van de zaak in te voeren. Bij een marktprijs van €1.000 van de fiets — we hoorden eerder een prijs van €2.000, maar wij zijn wat bescheidener bij de VVD — wordt het jaarlijkse belastbare voordeel van 7% voor de belastingplichtige werknemer €70, dat wil zeggen €5,80 per maand. Onder het toekomstige tarief van 37,05% leidt deze fiscale bijtelling tot een maandelijkse belastingheffing van €2,16. Mijn fractie neemt het standpunt in dat de opwarming van de aarde en de milieudoelstellingen van het kabinet noodzaken tot het nemen van fiscale vergroeningsmaatregelen. De leden van de VVD-fractie vragen de regering wel of de voorgestelde fietsmaatregel wenselijk is, mede gelet op de prioriteit van de vergroening van het belastingstelsel. Zij stellen deze vraag in het bijzonder ook gelet op de noodzaak om de belastingwetgeving te vereenvoudigen. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Deze leden vragen de regering om in het algemeen nog eens te reflecteren op de vraag in hoeverre het belastingstelsel en de voorgestelde belastingmaatregelen vallen te handhaven nu de Raad van State constateert dat het draagkrachtbeginsel onder druk staat.

De VVD-fractie ziet dat de mensen in Nederland na de diepe financieel-economische crisis in het afgelopen decennium weer vertrouwen hebben gekregen in de veilige, stabiele, en positieve samenleving die de afgelopen jaren in Nederland door de mensen zelf is opgebouwd.

De heer Schalk (SGP):

Ik heb een vraag aan de heer Van de Ven. Ik ga terug naar het instrumentalisme; een lang woord, nog langer gemaakt door mevrouw Sent namelijk microinstrumentalisme. Terecht geeft de heer Van de Ven aan dat het belastingstelsel, neutraal, eenvoudig en herkenbaar zou moeten zijn. De Raad van State zegt inmiddels dat het stelsel van inkomensverdeling en toeslagen leidt tot verschillen die niet goed meer verklaard kunnen worden uit de verschillen in positie tussen deze groepen. Een prachtig zin van de Raad van State, die ik maar even heb geciteerd. Is de heer Van de Ven het ook eens met hetgeen ik aan mevrouw Sent voorlegde namelijk dat er op een zeker moment onrechtvaardigheid is ontstaan doordat de inkomstenbelasting in feite werd gebruikt voor politieke doelen, zoals het aan het werk brengen van alle mensen bijvoorbeeld.

De heer Van de Ven (VVD):

De heer Schalk is een zeer goed luisteraar. Ik heb inderdaad gezegd dat hier een probleem ligt dat we hebben te bekijken. Daarom verzoek ik ook de staatssecretaris om daarop te reflecteren. Om meteen te roepen dat dit onrechtvaardig is, gaat mij wat ver. Ik denk niet dat wij dat standpunt al moeten innemen. Ik ben het met de heer Schalk eens dat het inkomensbeleid van de regering en de instrumentalisering die daarbij plaatsvindt, zeker ook een punt van aandacht van de VVD-fractie is.

De heer Schalk (SGP):

Ik kom hier zo meteen in mijn eigen betoog op terug. Ik stop nu met de vragen aan de heer Van de Ven.

De heer Binnema (GroenLinks):

Ik kom nog terug op de opmerking van de heer Van de Ven over de fiscale vergroeningsmaatregelen waarbij hij uitgebreid inging op de maatregel die de fiets betreft. Eerder in zijn betoog zei hij in navolging van zijn fractievoorzitter bij de Algemene Beschouwingen dat het belangrijk is om goed te kijken naar de effecten op de koopkracht van burgers en naar de effecten op het midden- en kleinbedrijf. Hoe kijkt hij in dat licht aan tegen de maatregel die ook in de fiscale vergroening is opgenomen om de korting op energiebelasting terug te draaien? Dat brengt een verschil van €50 met zich. Hoe ziet hij sowieso de balans die daarin gevonden wordt tussen lasten voor burgers en lasten voor het bedrijfsleven?

De heer Van de Ven (VVD):

Ik dank de heer Binnema voor zijn vraag. Hij gaat in op een specifiek aspect waarvan ik de details op dit moment niet voor de geest heb. Dat gaat mij wat ver. Naar mijn mening is het zo dat er compensatie wordt geboden voor deze versobering van de verlichting zoals beschreven. Ik ben het met de heer Binnema eens dat de regering op hoofdlijnen moet kijken naar het inkomensbeleid. Dat betekent dus ook dat er een evenwichtig inkomensbeleid moet volgen bij maatregelen in het kader van de vergroening. Die balans heeft het kabinet aangebracht. Ik heb erop gewezen dat de VVD de fiscale vergroeningsmaatregelen ondersteunt. Maar wij vragen ook nog eens om in het kader van dat pakket met name te kijken of dat pakket in de toekomst wel evenwichtig blijft. Dan ben ik een beetje terug bij de vraag van de heer Schalk. Het instrumentaliseren moet op een gegeven moment een grens kennen om de belastingheffing herkenbaar te laten zijn voor de mensen in het land. Zij moeten weten waarvoor zij belasting betalen.

Mevrouw de voorzitter. Ik had het over de Nederlanders die de afgelopen jaren zelf die veilige, stabiele en positieve samenleving weer hebben opgebouwd. Ik ben onderhand aan het slot van mijn bijdrage gekomen. De VVD stelt vast dat de inzet van de regering met de belastingmaatregelen in het Belastingpakket 2019 gericht is op het verstevigen van de positieve vooruitzichten die de mensen hebben.

De leden van mijn fractie zien met belangstelling uit naar de beantwoording door de staatssecretaris van hun vragen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van de Ven. Ik geef het woord aan de heer Bruijn.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Bruijn (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Collega Mart van de Ven verschoont zich als eigenaar en bewoner van een rijksmonument — wat ik niet ben — om de Wet fiscale maatregel rijksmonumenten in dit huis te behandelen. Ik neem het stokje dan ook van hem over.

De VVD-fractie is van oordeel dat behoud van ons cultuurhistorisch bezit in de meest brede zin de identiteit beschermt van de Nederlandse samenleving en haar burgers. Als je door Nederland rijdt, merk je hoe molens, historische plaatsen, kleine en grote monumentale gebouwen, de dijken, havens Nederland zijn eigen identiteit geven. We zijn trots op ons Nederland zoals wij Nederland herkennen met ons cultuurhistorisch bezit. Het behoud van deze identiteit van Nederland met een ondersteuning van rijksmonumenten in particulier bezit is de inzet van mijn fractie bij dit debat over het voorstel van de regering om de bestaande fiscale aftrek voor eigenaren om te vormen tot een subsidieregeling met ingang van 2019.

Anders dan de regering stelt in de memorie van antwoord is de VVD-fractie van mening dat het beheren, behouden en gebruiken van al het Nederlandse erfgoed niet alleen een lust is. De eigendom, het bezit en het gebruik van een rijksmonument is wel degelijk ook een last. De eigenaar of bewoner van een rijksmonument wordt geconfronteerd met wettelijke verplichtingen waaraan ten grondslag kan worden gelegd dat je de morele verplichting hebt om je rijksmonument op enig moment in een goede staat van onderhoud naar een volgende generatie door te geven. Gelet op die instandhoudingsverplichtingen van wettelijke maar ook van morele aard voor particuliere eigenaren en bezitters van een rijksmonument moet men als overheid een makkelijk toepasbare regeling openhouden om instandhoudingskosten van particuliere rijksmonumenten te kunnen ondersteunen.

De inzet van dit debat is voor mijn fractie daarmee niet zozeer dat de politiek erkende financiële tegemoetkoming voor rijksmonumenten in particulier bezit budgettair neutraal kan worden omgevormd van een fiscale aftrekpost tot een subsidieregeling vanaf 2019. Dit is voor ons geen debat over het proces. Voor de VVD-fractie is de inzet bij dit wetsvoorstel of het gemak — onder de randvoorwaarde van handhaafbaarheid — voor de gebruiker van de bestaande fiscale aftrekregeling, zonder schade voor ons cultureel erfgoed kan worden omgevormd tot een subsidieregeling, waarvoor de regering drie overwegingen heeft aangevoerd zoals in de memorie van antwoord nog eens op een rijtje is gezet.

De kern van de kwestie is dat de burger die de financiële consequenties van zijn investering in het onderhoud van zijn rijksmonument heeft te beoordelen, daarbij niet langer kan rekenen op de fiscale aftrekpost in het jaar van de onderhoudsuitgaven, uiteraard onder de randvoorwaarde dat de onderhoudskosten als fiscaal aftrekbare kosten kwalificeren. Onder de voorgestelde subsidieregeling kan de rijksmonumenteigenaar pas achteraf, en wel in het daaropvolgende jaar, onder overlegging van bewijsstukken en rapporten in de maanden maart of april een subsidieverzoek indienen. De eigenaar moet dan maar afwachten of zijn investering in zijn rijksmonument subsidiabel blijkt te zijn. Ik zou de regering willen vragen om nog eens uitdrukkelijk in te gaan op de onzekerheid die dit voor de eigenaar met zich meebrengt. Hoe weegt de regering de verhouding van de subsidie achteraf met de rechtszekerheid waaraan bewoners en eigenaren behoefte hebben, ook als een van de algemene beginselen van goed bestuur? Ziet de regering een mogelijkheid om hier iets aan te doen, zoals het bieden van de gelegenheid tot het aanvragen van een subsidie vooraf, hetgeen bij subsidies toch niet ongebruikelijk is? Eventueel heeft mijn fractie hierover een motie achter de hand.

Voorzitter. De VVD-fractie is niet overtuigd van de juistheid van de stelling van de regering dat de administratieve lasten van de aanvraagprocedure van de subsidie voor rijksmonumenten in particulier bezit vergelijkbaar zijn met die van de fiscale aftrek. Deze leden voorzien een stroperige procesgang bij de voorgestelde subsidieregelingen. Daarbij vrezen de leden een demotivering van de eigenaar van een rijksmonument bij zijn of haar beslissing om in enig jaar in het rijksmonument te investeren. Kan de regering onderbouwen waarom de administratieve lasten voor de burger onder de voorgestelde subsidieregeling niet toenemen ten opzichte van die onder de nu bestaande fiscale-aftrekregeling?

De VVD-fractie vraagt de regering of als alternatief voor het wetsvoorstel niet beter de handhaving en het toezicht door de Belastingdienst van de huidige fiscale belastingaftrek voor particuliere rijkmonumenten kunnen worden verbeterd, dit onder de randvoorwaarde van de kwaliteitsborging door de Belastingdienst van de uit te voeren onderhoudswerkzaamheden. In het verleden bestond er binnen de Belastingdienst een centraal aanspreekpunt voor de beoordeling van de fiscale aftrekbaarheid van onderhoudskosten van rijksmonumenten, dat over een uitstekende expertise beschikte en aanvragen van particulieren adequaat en voortvarend behandelde. Kunnen deze activiteiten, die nu bij OCW lijken te worden geconcentreerd, op basis van de eerdere ervaringen uit het verleden niet net zo goed door de Belastingdienst worden verricht? Daarbij zou de aftrek van onderhoudskosten van rijksmonumenten in particulier bezit overeenkomstig de regeling voor lijfrenten tegen het marginale tarief kunnen worden gehandhaafd. Dat is in de toekomst regulier 37,05%. Hoe ziet de regering dit?

Tenslotte is het mijn fractie gebleken dat er bij eigenaren van monumenten grote zorg bestaat dat zij er in de nieuwe regeling op achteruit gaan. Wat is volgens de regering het draagvlak voor deze wetswijziging onder de belanghebbenden? In de Tweede Kamer is de motie-Geluk-Poortvliet aangenomen, inhoudende dat eigenaren van rijksmonumenten die gebruikmaken van monumentenaftrek, er in de nieuwe regeling niet op achteruit mogen gaan. Acht de regering deze motie uitvoerbaar? Kan de regering toezeggen dat het totale budget dat nu beschikbaar is voor monumentenonderhoud, ook beschikbaar blijft?

Mijn fractie ziet met belangstelling uit naar de beantwoording door de regering.

De heer Ester (ChristenUnie):

Ik heb met belangstelling geluisterd naar het verhaal van de heer Bruijn. Hij richt zich vooral op particuliere eigenaren, maar het verhaal is wat groter dan dat. Tal van rijksmonumenten zijn in het bezit van kerken, synagogen en parochies. Die hebben er vannacht nog bij ons op aangedrongen er vooral voor te zorgen dat deze regeling doorgaat. Ik haak even aan bij uw uitspraak dat niemand erop achteruit zal gaan. Geldt dat ook voor de kerken, parochies en synagogen? In het kader van de regeling gaat die eigen bijdrage met 10% omlaag. Dan heb ik het over de Sim-regeling. Voor kerken, parochies en synagogen is dat enorm van belang, want zij zijn nu volop verwikkeld in het indienen van aanvragen, maar kunnen dat er net even niet bij hebben. Hoe reageert u daarop, als ik dat mag vragen van de voorzitter?

De heer Bruijn (VVD):

Dank u voor de vraag. Dat is natuurlijk ook voor mijn fractie een heel relevant punt. Om die reden vraag ik de regering ook of de motie-Geluk-Poortvliet uitvoerbaar wordt geacht. Die motie luidt dat eigenaren van rijksmonumenten die gebruikmaken van de monumentenaftrek er in de regeling niet op achteruitgaan. Mijn fractie leest "eigenaren" in die motie in de meest brede zin en dus zo dat het niet om particuliere eigenaren gaat, maar om alle eigenaren, inclusief andere rechtspersonen dan particulieren.

De heer Ester (ChristenUnie):

Dank u, dat lijkt me een heel helder antwoord. Kerken, parochies en synagogen die rijksmonumenten in bezit hebben, vallen dus uitdrukkelijk onder uw verzoek dat niemand erop achteruit mag gaan? Versta ik u goed?

De heer Bruijn (VVD):

Mijn fractie leest deze motie zo dat onder de eigenaren ook die eigenaren worden verstaan die u bedoelt. Zo leest mijn fractie deze motie. Ik vraag de regering of de motie in die zin uitvoerbaar is.

De heer Van Rij (CDA):

In aanvulling op de vraag van de heer Ester heb ik een vraag aan de heer Bruijn. Voordat ik die vraag stel, zeg ik, kijkend naar de heer Ester, dat het niet gaat om 10% omlaag. Het voorstel is dat door die koppeling, dus de Sim-regeling waarover u het heeft, die kerken, synagogen en parochies juist van 50% naar 60% gaan. U had het over een verlaging, maar dat is toch een verhoging? Dan zijn we het daarover eens.

De vraag aan de heer Bruijn is de volgende. Ik vind het wel interessant hoe hij die motie uitlegt. In de groep particulieren die eigenaar zijn van een rijksmonument zit ook een groep die gebruikmaakt van de door de wetgever geboden mogelijkheid om een fiscaal transparant lichaam te hebben. Dat zijn met name de eigenaren van een NSW-landgoed. De wetgever heeft die altijd bedoeld voor mensen die in een onverdeelde boedel zitten. Dat kunnen vijftien tot vijftig mensen zijn. Wat houdt dat in? Dat houdt in dat je een bv hebt die dat landgoed beheert om allerlei moeilijkheden in de familie te voorkomen. Fiscaal wordt daar doorheen gekeken. Fiscaal geldt dat de aandeelhouders pro rata parte en de certificaathouders voor een deel eigenaar zijn van een rijksmonument als op dat land een rijksmonument staat. Die groep is in het voorstel uitgesloten van de subsidieregeling voor particulieren. Die groep mag wel meedoen aan de Sim-regeling, maar schuift dan achter in de rij aan. Zij gaat er dus op achteruit. Moet ik u nu zo verstaan dat u een pleidooi houdt voor die groep? Ik heb daar in de schriftelijke vragen overigens ook aandacht voor gevraagd, maar eigenlijk wil ik horen of u ook vindt dat die groep er niet op achteruit mag gaan.

De heer Bruijn (VVD):

Wij kunnen ons goed vinden in de motie-Geluk-Poortvliet dat eigenaren van rijksmonumenten er per saldo niet op achteruitgaan, los van of ze van de ene regeling naar de andere regeling schuiven of van de fiscale-aftrekregeling naar een subsidieregeling. Per saldo gaan eigenaren van rijksmonumenten er niet op achteruit, onder aan de streep. Zo lezen wij deze motie. Wij vragen de regering of die motie ook in die zin uitvoerbaar is. Daar vallen dus de eigenaren onder die door de heer Ester zijn aangeduid. Ook vallen daar de eigenaren onder zoals door u aangeduid, los van de vraag onder welke regeling zij dan vallen en of ze onder dezelfde regeling blijven vallen. Dat is natuurlijk uitwerking. Deze motie ziet onder aan de streep op alle eigenaren. Zo lezen wij deze motie althans. De vraag aan de regering is of dat juist is en of de motie ook uitvoerbaar is.

De heer Van Rij (CDA):

Dank. Dan sluit ik mij heel graag nu al aan bij die vragen aan de regering.

De heer Bruijn (VVD):

Dat is goed nieuws.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bruijn. Ik geef het woord aan de heer Schalk.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schalk (SGP):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Er zijn van die momenten waarop de verwarring even toeslaat, zoals onlangs bij de briefing over de negen wetsvoorstellen in het pakket Belastingplan die aan de orde zijn. Bij sommige onderwerpen heb ik even met de ogen geknipperd, bijvoorbeeld toen het ging over spelers bij sportwedstrijden, althans, in mijn onschuld meende ik dat het daarover ging. Toen onthield ik mij even van commentaar. Het mag bekend zijn dat de SGP weinig op heeft met allerlei vormen van sportverdwazing, zeker als het daarbij om exorbitante bedragen gaat voor mensen die beter met de bal zijn dan een ander of die iets harder tegen een berg op kunnen fietsen dan iemand anders. Wat mij betreft mocht de belasting dus niet zwaar genoeg gaan drukken, totdat het tot me doordrong dat het niet om sporters ging, maar om spelers, om gokkers die weddenschappen aangaan rondom sportwedstrijden. Aanpakken die handel, zou ik zeggen. Wat mij betreft mag de marginale druk daar omhoog.

Waarom maar 29% over die gokrevenuen? Die gokbelasting steekt immers schril af tegen de belasting die de gewone Nederlander moet betalen, die met hard werken zijn of haar geld verdient. Zelfs na de invoering van het tweeschijvenstelsel in 2021 ga je 37,05% betalen in het lage tarief en 49,5% in het hoge tarief. Overigens, die laagste inkomens tot €20.000 gaan de komende jaren meer belasting betalen: 37,05% in plaats van 36,55%. Dat probleem wordt natuurlijk opgelost door diverse maatregelen en kortingen, maar als je dat matcht met de tabellen marginale druk, die we via de schriftelijke ronde kregen, kom je tot de conclusie dat dit schone schijn is. Ik herinner de staatssecretaris aan de motie van mijn hand uit 2016, die ik al noemde, en aan een motie van de heer Ester uit 2017. Wat zien we nu? Er is eigenlijk nog nauwelijks beweging in te zien. Alleen als je van €22.000 inkomen per jaar naar €23.000 gaat, zien we een substantiële verbetering, maar de marginale druk is nog steeds 56%. Daarna ligt die rond de 90% en op de top zelfs op de uitschieter van 167%. Dat is toch niet uit te leggen? Wat is het oordeel van de staatssecretaris over deze exorbitante belastingdruk?

Zorgt het gebruik van belastingen als prikkel voor werk, werk en nog eens werk uiteindelijk niet voor een mismatch? Is daar nu echt niets aan te doen? Er gebeurt immers iets heel raars. Enerzijds worden de Nederlanders gepusht om meer te gaan werken en meer te gaan verdienen, anderzijds worden ze juist in het segment waar verdienen van belang is om richting een modaal inkomen te groeien, hard aangepakt. Laten we het maar eens koppelen aan de route naar het tweeschijvenstelsel. Tot €20.000 ga je meer belasting betalen dan tot nu toe, dus is de prikkel: zorg dat je boven die €20.000 inkomen komt, want dan ga je lekker minder belasting betalen. Vervolgens kom je in wat nu nog de tweede schijf heet van €20.000 tot €33.000 en daar gaat de belasting volgens het overzicht "parameters ingroeipad tweeschijvenstelsel" iets naar beneden, maar dat merk je nauwelijks, omdat je daar enorm gepakt wordt. Gemiddeld ga je over elke extra verdiende euro ongeveer €0,90 belasting betalen! Uitgerekend is zelfs dat je van €10.000 extra bruto inkomen zo'n €91 overhoudt. Mijn vraag is: klopt deze redenering? Zo ja, dat zijn dan toch de verkeerde prikkels? Hoe komen we nu uit deze impasse? Is de dieperliggende oorzaak niet dat we in feite prikkelen met het draagvlakbeginsel op individuele basis? Ik heb het hier al over gehad met mevrouw Sent en ook de heer Van de Ven gaf een hint in deze richting. Dat doorkruist in feite de andere uitgangspunten in het belasting- en toeslagenstelsel die wel op het huishoudinkomen gericht zijn, zoals kindgebonden budget, huurtoeslag en zorgtoeslag. Alleen bij directe belastingen wordt een ander uitgangspunt gehanteerd. Dat wordt inmiddels zelfs door het Centraal Planbureau bekritiseerd. In het rapport Eenverdieners onder druk wordt klip-en-klaar gesteld: "Het verschil in belastingdruk voor een- en tweeverdieners is sterk opgelopen; de vraag rijst of een verdere stijging wenselijk is met het oog op gelijkmatigheid en doelmatigheid."

Nu mevrouw Van Engelshoven hier ook is, is dit een prachtig moment om aan haar als minister van OCW, die immers over emancipatiezaken gaat, te vragen of ze het met mijn fractie eens is dat het hoog tijd wordt om de ongelijke behandeling van een- en tweeverdieners eens aan te pakken. Ik ben bang dat de minister deze vraag vandaag niet kan beantwoorden omdat zij hier is voor een ander wetsvoorstel, maar misschien kan ze de antwoorden influisteren bij de staatssecretaris. Dan kunnen we toch de mening van de regering over dit punt volgen en ontvangen.

Ook de Raad van State legt de vinger bij het feit dat het stelsel van inkomensverdeling via belastingen en toeslagen leidt tot verschillen in besteedbaar inkomen die niet goed meer te verklaren zijn uit de verschillen in positie tussen deze groep. Hij koppelt dat zelfs aan het brede welvaartsbegrip, een thema dat in deze Kamer breed wordt gedeeld. Wat is het oordeel van de staatssecretaris op dat punt? Is het terecht dat de Raad van State deze koppeling maakt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat wil de regering hieraan doen?

Mevrouw de voorzitter. In vervolg op dit punt verwijs ik naar de door het ministerie aangeleverde tabellen over de marginale druk. Ik noemde ze net al. Een eerste conclusie is dat die tabellen verhullend zijn ten aanzien van een ander probleem: de kloof tussen een- en tweeverdieners. De staatssecretaris gaf in eerste instantie aan dat hij geen tabellen kan leveren voor tweeverdieners, maar na enig aandringen kwam er toch een overzicht waaruit blijkt dat het er voor tweeverdieners heel wat gunstiger uitziet, zeker voor de minstverdienende partner. Dat strookt wel met het beeld dat ik tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen reeds heb geschetst. Toen heb ik aangegeven dat het lijkt dat de kloof tussen een- en tweeverdieners kleiner wordt. De heer Ester had het daar zojuist ook al over. De koopkrachtpercentages zijn voor de eenverdiener gunstiger dan voor tweeverdieners, maar die koopkrachtontwikkeling is voor de eenverdiener juist ongunstiger. Het percentage moet volgens het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid namelijk worden losgelaten op het inkomen dat huishoudens nog kunnen uitgeven na het betalen van belastingen en premies en het ontvangen van toeslagen. Dan heb je een heel ander verhaal. Dan blijkt dat tweeverdieners er in koopkracht juist op vooruitgaan ten opzichte van eenverdieners. Oftewel, de kloof wordt nog steeds niet kleiner maar zelfs nog iets verdiept. Netto gaat de tweeverdiener er meer op vooruit. Dat gunnen we 'm natuurlijk van harte, maar de stijging in percentages geeft dat positieve beeld, terwijl de werkelijkheid negatief is. Ergo, de kloof tussen een- en tweeverdieners wordt nog steeds groter.

De heer Van de Ven (VVD):

Ik hoor de hele tijd "tweeverdieners" maar eigenlijk zijn het twee eenverdieners. Dat betekent dat je twee keer een arbeidsparticipatie hebt, van twee individuen dus. Dat betekent met andere woorden dat de eenverdiener naar mijn mening niet zonder meer vergelijkbaar is met twee eenverdieners. Wat is daarop de reactie van de heer Schalk?

De heer Schalk (SGP):

Nou, misschien wordt het een heel semantische discussie. Ik baseer mij even op het rapport dat het Centraal Planbureau heeft uitgebracht. Dat heet Eenverdiener onder druk. De positie van tweeverdieners en eenverdieners wordt daarin heel goed met elkaar vergeleken. Ik neem aan dat zij de juiste positie kiezen voor de tweeverdieners, of dat nu twee eenverdieners zijn of wat dan ook. Hoe je het ook wendt of keert, iedereen is het er inmiddels, dacht ik, over eens dat er een enorm verschil in opbouw is tussen tweeverdieners en eenverdieners. Ik hoef dat niet te herhalen, denk ik, maar ik doe het toch maar even voor de zekerheid. Wij weten dat tweeverdieners die beiden €20.000 verdienen, dus twee keer €20.000, €2.000 belasting betalen over €40.000, terwijl een eenverdiener die €40.000 verdient iets van €10.768 betaalt, zeg ik uit mijn hoofd; iets in die geest. Oftewel vijf of zes keer zo veel. Dat is een gegeven, hoe je de twee- of eenverdiener ook aanduidt.

De heer Van de Ven (VVD):

Ik zie toch een verschil. Waar sprake is van twee eenverdieners — dat is de ceteris-paribusveronderstelling — verrichten beiden evenveel arbeid, terwijl het bij de eenverdiener de helft van die arbeid is. Dus je hebt arbeidsvergelijking. De een heeft 50% van de arbeid en die twee eenverdieners hebben 50 plus 50, dus 100%. Ik zie de vergelijking nog niet helemaal. Ik denk dat in het verleden gekozen is voor individualisering van belastingheffing. Dan is het erg moeilijk om de tweeverdiener zoals die gedefinieerd wordt te vergelijken met eenverdieners.

De heer Schalk (SGP):

Deze benadering is voor mij een beetje nieuw, moet ik eerlijk zeggen. Alsof tweeverdieners ineens op een totaal andere manier zouden zijn benaderd dan in de afgelopen jaren. Het bijzondere is juist dat het vaak niet op basis van individualisme gaat maar op basis van het gezamenlijke huishouden, van gezamenlijke zaken. Dan gaat het om de zaken die ik zojuist heb genoemd, onderwerpen als de zorgtoeslagen en de arbeidskorting. Die gaan niet richting die ene persoon, die eenverdiener of het individuele gedeelte. Daar wordt juist rekening gehouden met het gezamenlijke inkomen.

Mevrouw de voorzitter. We maken het misschien alleen maar ingewikkelder en ik realiseer me dat deze kwestie steeds opnieuw aan de orde komt. Het lijkt wel of we in een soort impasse zitten. Iedereen begrijpt dat er iets moet gebeuren. Dat heb ik in ieder geval wel begrepen, ook van meneer Van der Ven en mevrouw Sent. Maar het zit een beetje op slot. Ik merkte het bij de Algemene Politieke Beschouwingen en bij de Algemene Financiële Beschouwingen. Enerzijds is er begrip. De coalitie heeft natuurlijk ook afspraken gemaakt en is met een bepaalde route bezig. Ik constateer dat er momenteel blijkbaar niet iets structureel te veranderen valt. Kan de staatssecretaris met mij een route op waarlangs we de toekomst verkennen? Is hij, even los van het politieke gewoel, bereid om opties voor de langere termijn te verkennen om de pijnpunten weg te nemen rond marginale druk en ook rond een- en tweeverdieners? Een dergelijke verkenning biedt de huidige coalitie ruimte om haar pad af te lopen en die route doet ook recht aan de positie van de Eerste Kamer om tot reflectie te komen op het regeringsbeleid voor nu en voor de toekomst.

Mevrouw de voorzitter, ten aanzien van de fiscale vergroeningsmaatregelen 2019 een paar korte aandachtspunten. Hier komen wel een paar zaken aan de orde die gaan aantikken voor de individuele burger. Neem het verlagen van de vermindering van de energiebelasting. Ik vind dat een verwarrende tekst voor de gewone burger. Het is een verlaging van de belastingvermindering, dus het wordt duurder voor de consument.

Een ander puntje. Door het afschaffen van de bpm-teruggaveregeling worden bedrijven en instellingen geraakt die te maken hebben met contractgroepenvervoer, met doelgroepenvervoer. Is dit realistisch als het gaat om doelgroepenvervoer in de regio, om vervoer van mensen met een beperking, om ouderenvervoer of om het vervoer van kinderen naar school? Welke consequenties kan of zal dit hebben voor het leerlingenvervoer?

Nog een enkele vraag over de btw-verhoging van 6% naar 9%. Stel dat een ondernemer in december goederen of diensten uitlevert maar de factuur pas in januari verzendt. Welk tarief geldt er op dat moment? Wat als de factuur tijdig wordt verzonden maar de klant pas in 2019 betaalt?

Natuurlijk ook nog een vraag voor de minister van Onderwijs, want anders zou zij denken: denk ook aan mij. Kan de minister van Onderwijs aangeven op welke wijze het wetsvoorstel Wet fiscale rijksmonumenten nu behulpzaam is bij de onlangs door het Interkerkelijk Contact In Overheidszaken ondertekende agenda religieus erfgoed? Misschien een beetje in vervolg op de discussie die zojuist plaatsvond.

Mevrouw de voorzitter, ik begon mijn betoog met verwarring over de gokkers. Ik houd niet van gokken en de staatssecretaris volgens mij ook niet. Maar ik houd ook niet van verwarring en daarom hoop ik dat de staatssecretaris duidelijkheid wil verschaffen over de toekomst van de gewone burger die bereid is belastingen te betalen, maar die wel eerlijk behandeld wil worden. Ik zie dan ook uit naar de antwoorden.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Schalk. Ik kijk even naar de klok. Meneer Binnema, u heeft het woord.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Binnema (GroenLinks):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik ben gelukkig niet in het bezit van een verwarrende voor- of achternaam, maar we gaan het zien, de rest van dit debat.

Mevrouw de voorzitter. Mijn voorgangster Marijke Vos zei ongeveer een jaar geleden op deze plek in het Belastingplandebat: geld is maar geld, het gaat erom wat je ermee doet. Daar sluit ik mij graag bij aan, al was het maar omdat veel van de vragen en zorgen die zij toen naar voren bracht, met de voorstellen die we vandaag bespreken, niet per se zijn verdwenen. Sterker nog, in sommige gevallen zijn ze alleen maar actueler en prangender geworden.

De kern van de bijdrage van GroenLinks vandaag in dit debat is de disbalans die wij zien tussen de mate waarin de belastingmaatregelen van dit kabinet burgers respectievelijk bedrijven treffen of, omgekeerd, ten goede komen. Ik zal dit uitwerken door in het verlengde van de discussie die we bij de Algemene Financiële en Politieke Beschouwingen hadden te wijzen op de nog altijd matige onderbouwing van de verlaging van de vennootschapsbelasting en andere dan fiscale aspecten te benadrukken die het Nederlandse vestigingsklimaat kenmerken. En daar waar beoogd wordt bedrijven hun redelijke deel te laten betalen door belastingontwijking tegen te gaan, zal ik een aantal kritische vragen stellen over de manier waarop Nederland deze Europese regelgeving implementeert.

Maar voorzitter, ik wil beginnen met de fiscale vergroeningsmaatregelen van dit kabinet. Als ik mij goed herinner, gaf de staatssecretaris in antwoord op vragen van de Partij van de Arbeid aan dat de twee grootste maatregelen qua lastenverzwaring, 410 miljoen voor de verlaging van de belastingvermindering op energie — inderdaad, meneer Schalk, dat is ingewikkeld — en 200 miljoen voor de schuif van elektriciteit naar gas, voor 92% respectievelijk 54% bij burgers terechtkomen. En hoewel geen onderdeel van dit debat van vandaag: ook bij de opslag duurzame energie blijft een fiftyfiftyverdeling staan tussen burgers en bedrijfsleven. Wat betekent dat voor het ook door het kabinet gehuldigde principe dat de vervuiler betaalt?

In de Tweede Kamer heeft GroenLinks-Kamerlid Bart Snels het voorstel gedaan om de lasten van vergroening eerlijker te delen. Dit past ook in de discussie die de afgelopen weken uitgebreid gevoerd is over klimaatrechtvaardigheid — van links tot rechts, in coalitie en oppositie. Afgelopen zondag kwam dit ook nog ter sprake in Buitenhof, waar CDA-leider Buma aanwezig was. Overigens zei hij ook dat dit niet ten koste van de burger mocht gaan maar ook niet van het bedrijfsleven. Als ik ervan uitga dat het CDA nog steeds achter de klimaatdoelen staat, hoe wil het die doelen dan bereiken, als het niet ten koste van de burger en ook niet ten koste van het bedrijfsleven mag gaan? Bij de Algemene Politieke Beschouwingen in dit huis heeft onze fractievoorzitter een motie ingediend die de regering vraagt de maatregelen die nodig zijn om de klimaatdoelen te halen zodanig uit te werken dat ze ten eerste leiden tot een evenredige lastenverdeling naar inkomen voor burgers en ten tweede tot een evenredige lastenverdeling naar verbruik tussen industriële grootverbruikers en burgers. De premier gaf in zijn antwoord aan dat de motie "ontijdig" was, vanwege met name de gesprekken aan de klimaattafels. Hij gaf wel aan dat de motie, ik citeer: "wat ons betreft ook een aandachtspunt [is] bij het opstellen van het klimaatakkoord". Wij hebben toen mede naar aanleiding van het advies dat de premier ons gaf, ervoor gekozen om de motie aan te houden. We hebben de afgelopen weken geduld gehad en gekeken wanneer die dan wel tijdig zou zijn.

Voorzitter. Voor GroenLinks is dit het moment om concreet invulling te gaan geven aan de eerlijke verdeling tussen burgers en bedrijven. En we doen dan ook hier vandaag een beroep op de regering om het principe van een vervuiler die betaalt en van een evenredige verdeling om te zetten in daden, nu zij dat zegt te onderschrijven.

Concreet: we vragen de regering een novelle aan de Tweede Kamer te sturen waarin de belastingvermindering in 2019 op hetzelfde niveau blijft als in 2018 en dus niet met de genoemde €51 wordt verlaagd, met een evenredige verplaatsing van de lasten naar de grootverbruikers in het bedrijfsleven, zoals ook in de Tweede Kamer aan bod is geweest. Dat is voor onze fractie een wezenlijk onderdeel voor de beoordeling van de belastingvoorstellen.

De heer Backer (D66):

U verwijst naar de debatten in de Tweede Kamer, dus ik voel me vrij om dat dan ook even te doen, want daar hoort dan natuurlijk ook dekking bij en ik zou willen vermijden dat we de hele discussie gaan herhalen die daar gevoerd is. Komt u daar nog over te spreken? Vraagt u om datgene wat in de Tweede Kamer niet gelukt is, hier nog een keer te doen? Of vraagt u iets anders, en dan ook in de context van de dekking? Dan weet ik namelijk welk debat we voeren.

De heer Binnema (GroenLinks):

Mijn punt is dat verschillende partijen zich sinds dat debat over het Belastingplan de afgelopen weken geuit hebben over die gewenste evenredige verdeling tussen burgers en bedrijfsleven, maar ik constateer tevens dat de genoemde dekking die door GroenLinks destijds met dat amendement voorgesteld is, geen meerderheid heeft kunnen vinden.

Maar we staan nog steeds achter het principe dat die 410 miljoen bij voorkeur niet door burgers maar door het bedrijfsleven opgebracht zouden moeten worden. Ik wil de staatssecretaris dan ook uitnodigen om tot een dekking te komen, waarbij het principe nog steeds overeind blijft dat er een verschuiving plaatsvindt van burgers naar bedrijfsleven.

De heer Backer (D66):

Het komt niet zo vaak voor dat ik de collega van de PVV aanhaal, maar vanochtend doe ik dat wel. Als je zoekt naar evenwicht tussen burgers en bedrijven, moet je je ook afvragen of de last die je bij bedrijven legt, niet doorberekend wordt aan consumenten. De heer Van Strien bracht dat net in debat, en ik vond dat een heel verstandig punt. Ik ben het op heel veel punten niet met hem eens, maar dit is natuurlijk wel iets om mede te overwegen. Speelt dat ook mee in de benadering van GroenLinks bij de beoordeling?

De heer Binnema (GroenLinks):

Het is een opmerkelijke constatering, maar het kan geen kwaad om af en toe D66 en PVV gelijke argumenten naar voren te zien brengen. Ik denk dat ook in dat debat aan de orde is geweest dat de lasten die naar het bedrijfsleven verplaatst worden, niet een-op-een naar de burgers doorvertaald kunnen worden. Het kan ook een stimulans zijn tot innovatie en een manier om energiebesparing verder te bevorderen. Het is dus zeker niet gezegd dat het zo uitwerkt, ook in de concurrentieverhoudingen. Ik verwijs graag naar de rapporten van De Nederlandsche Bank en het CPB daarover. Het kan juist een stimulans zijn om op een andere manier te gaan produceren en te gaan ondernemen, en het is dus geen gegeven dat het een-op-een naar burgers wordt doorvertaald.

De voorzitter:

De heer Backer, tot slot.

De heer Backer (D66):

Tot slot, voorzitter. Ik ben blij dat u dat punt heeft meegenomen, meneer Binnema. Dat laatste is juist. Het is niet een-op-een, daarom hebben we ook niet een gelijk standpunt. Maar ik vind het wel een relevant punt, dat er naar voren werd gebracht. Ik kom daar straks zelf ook nog over te spreken.

De voorzitter:

De heer Van Rij.

De heer Van Rij (CDA):

Ik heb ook een vraag voor de heer Binnema. Die energietransitie is een grootschalige operatie op de lange termijn, waarbij uiteraard ook de kostencomponent een heel belangrijke is en de doorberekening van de lasten. Ik vind het wel iets te gemakkelijk om nu bij de behandeling van het Belastingplan 2019 eenzijdig de lasten naar het bedrijfsleven te schuiven, zonder inzage te hebben in de totale kosten van deze transitie op langere termijn. Tenzij u natuurlijk wel die inzage al heeft.

Ik maak, als dat mag, voorzitter, ook even van de gelegenheid gebruik om nog een ander punt te maken. Ik heb toevallig naar hetzelfde interview in Buitenhof gekeken. Daar heeft de heer Buma namens het CDA niet gezegd dat er aan niemand kosten doorgerekend zouden moeten worden, maar hij heeft juist gewaarschuwd voor het veel te snel beslissingen nemen, zonder dat je inzicht hebt in de feiten en de werkelijke kosten. Hij heeft ook gewezen op de grote risico's — en daar sluit ik mij graag bij aan — als je eenzijdig de last bij het bedrijfsleven legt. Het bedrijfsleven zit in een internationaal competitieve omgeving. Ik ben het eens met uw pleidooi dat het wordt gestimuleerd tot innovatie. Maar ik ben het niet met u eens dat wij het probleem van de energietransitie eenzijdig als Nederland kunnen oplossen. Wij kunnen onze ogen niet sluiten voor de omgeving waarin we opereren.

De heer Binnema (GroenLinks):

Het pleidooi van GroenLinks zal ook zeker niet zijn om eenzijdig de lasten of de kosten van de klimaatverandering en de noodzakelijke maatregelen die daarbij horen, bij het bedrijfsleven neer te leggen. Zo moet u mijn pleidooi niet lezen.

Waar het mij om gaat, is dat wij op dit moment een disbalans constateren tussen de lasten die bij burgers en die bij het bedrijfsleven worden neergelegd. In één deel van de betogen van de heer Van Rij en de heer Buma afgelopen zondag bij Buitenhof kunnen wij ons buitengewoon goed vinden. Om het draagvlak voor de enorme opgave waar we voor staan te behouden, is het nodig dat de lasten die bij de burgers worden neergelegd niet te zwaar zijn, zodat ze op een goede manier te dragen zijn. Juist vanuit dat perspectief vinden we dat je daar goed naar moet kijken: komen die lasten nu niet onevenredig bij burgers terecht?

De bijdrage die we van het bedrijfsleven aan die energietransitie kunnen vragen, moeten we ook zeker vragen, volgens mij. Wij zijn niet doof voor argumenten over de mogelijke effecten die dat ook voor de internationale positie van het Nederlandse bedrijfsleven heeft, maar wij weten ons juist gesteund door CPB en DNB die aangeven dat hier mogelijkheden zijn, die niet tot dusdanige effecten leiden dat we het bedrijfsleven in een onmogelijke positie brengen.

Dat sluit ook aan bij de zorgen die wij hebben over de terugtrekkende bewegingen — daar lijkt het enigszins op — van het bedrijfsleven aan de klimaattafels, alsof ondanks alle rapporten en cijfers die vertellen dat we die doelen niet gaan halen op deze manier, de urgentie nog altijd niet is doorgedrongen. Zowel bij de discussie over de gaswinning als bij de financiële beschouwingen en de Algemene Politieke Beschouwingen was het antwoord van het kabinet op mijn vragen steeds: we willen de gesprekken aan de klimaattafels niet verstoren, maar begin december weten we meer. Inmiddels is begin december eind december geworden.

We willen niet te pessimistisch zijn, maar wordt het niet tijd om rekening te houden met eenzelfde scenario voor het klimaatakkoord als voor het pensioenakkoord? Met andere woorden: wat is het plan B van het kabinet wanneer de opbrengsten van de klimaattafels tegenvallen om de door ons allen onderschreven doelstellingen te halen, en welke fiscale maatregelen worden daarbij overwogen? Graag uw reactie.

Dan kom ik op het vestigingsklimaat. In de discussie daarover wordt het nieuwe tarief van de winstbelasting verdedigd door te verwijzen naar het gemiddelde in Europa. Het kabinet herkent zich dan ook niet in het beeld van een race to the bottom, waar ook mevrouw Sent naar verwees. Wat u er niet bij zegt, is dat dit gemiddelde in de EU sowieso al lager is dan het gemiddelde in de OESO-landen.

De voorzitter:

Met "u" bedoelt u de voorzitter, of bedoelt u de staatssecretaris?

De heer Binnema (GroenLinks):

Voorzitter, excuus. Ik bedoel de staatssecretaris. Wat de staatssecretaris er niet bij zegt, is dat dit gemiddelde in de EU sowieso al lager is dan het OESO-gemiddelde, en dat het bovendien sterk wordt beïnvloed door landen als Bulgarije, Cyprus, Hongarije, Ierland, Litouwen en Roemenië, met tarieven van soms maar 9% of 10%.

Is het niet veel logischer om Nederland wat dat betreft te vergelijken met landen die een vergelijkbare omvang en structuur van de economie hebben in plaats van met dit abstracte EU-gemiddelde? Acht de staatssecretaris de kans niet groot dat andere landen die nu nog boven het EU-gemiddelde zitten het Nederlandse voorbeeld gaan volgen?

Zou het immers toch niet zo zijn dat factoren als kwaliteit van leven, infrastructuur en het opleidingsniveau van werknemers belangrijker worden gevonden voor het vestigingsklimaat, evenals digitalisering en de mogelijkheden voor startups? Wil de staatssecretaris hierop reageren en daarbij ook ingaan op de constatering van het IMF bij een recent bezoek aan Nederland, dat juist multinationals onvoldoende investeren en dat met name het midden- en kleinbedrijf extra steun verdient, bijvoorbeeld door onderzoek en innovatie? Ik sluit me aan bij de vragen van de Partij van de Arbeid over de innovatiebox en het onderzoek van het CPB daarnaar.

Het mkb dat hier al zit, graag wil blijven en niet met lagere tarieven naar Nederland gelokt hoeft te worden: dat lijkt me juist een belangrijke focus.

Voorzitter. Ik ga over naar het thema belastingontwijking.

De heer Van Rij (CDA):

Een korte vraag voor de heer Binnema. Het lijkt net alsof hij een tegenstelling creëert tussen multinationals en het mkb. Misschien is dat niet zo, hoor; misschien heb ik dat niet goed begrepen. Maar hebben we ze juist niet allebei hartstikke hard nodig en zijn er niet hele goede voorbeelden in dit land waar multinationals werkgelegenheid creëren, toeleveranciers inschakelen uit het mkb, uit familiebedrijven? Kijk alleen al naar de regio Eindhoven en zie hoe succesvol dat gaat. Als wij de innovatiebox willen afschaffen, dan hebben we geen ASML meer in Eindhoven. Dat zal enorme invloed hebben op de werkgelegenheid in Eindhoven, zowel voor de familiebedrijven als voor de start-ups. Dan kunnen we dat hele businessmodel dat zo succesvol is gebleken de afgelopen 20 jaar op de vuilnishoop gooien. Dus begrijp ik nu verkeerd dat hij iedere keer maar een tegenstelling zoekt? Ik hoop dat dat niet zo is.

De voorzitter:

Dit was een korte vraag.

De heer Binnema (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Dat begrijpt u inderdaad verkeerd, zeg ik via de voorzitter tegen de heer Van Rij. Ik heb niet bedoeld om een tegenstelling te creëren alsof we niet een hele mooie samenwerking zien tussen mkb en de multinationals. Ik heb ten eerste verwezen naar het IMF dat constateert dat de investeringen van de multinationals achterblijven en dat er juist wat betreft onderzoek en innovatie meer focus bij het mkb zou mogen liggen. Ik denk ook altijd aan combinatie met multinationals waar dat mogelijk is. En ten tweede de innovatiebox, die mevrouw Sent net aan de orde stelde. Ik heb er helemaal niet voor gepleit om die af te schaffen. Ik heb alleen gezegd dat die te weinig aan het mkb tegemoetkomt als het gaat om de wensen van onderzoek en innovatie. Daar waar kruisbestuiving en samenwerking mogelijk zijn, heel graag. Daar waar wat ons betreft de accenten verkeerd liggen, heb ik voor een accentverschuiving gepleit.

Ik wilde gaan naar het onderwerp belastingontwijking. Een belangrijk onderdeel daarvan wil ik hier benadrukken, namelijk de zogenaamde CFC-maatregel die moet voorkomen dat winst verplaatst wordt naar dochtermaatschappijen die gevestigd zijn in landen met een laag belastingtarief. De regering geeft aan niet alleen implementatie van deze regel via model B al toe te passen, maar ook nog eens verder te gaan dan nodig door ook model A deels toe te passen in de vorm van de CFC-regel, daarmee de indruk wekkend dat Nederland vooruitstrevend is vergeleken met andere EU-landen in het bestrijden of voorkomen van belastingontwijking. Onze vraag is of de deur toch niet op een kier staat voor belastingontwijking.

In een groot deel van de lidstaten van de Europese Unie wordt de CFC-maatregel al bij een hoger percentage algemeen winstbelastingtarief toegepast. Voorbeelden zijn Italië, 14%, en Denemarken, 22%. Nederland past die regel alleen toe als het percentage beduidend lager ligt, namelijk het tarief van 9% of minder. Kan de staatssecretaris meer zeggen over de argumenten om voor dit tarief te kiezen?

Bovendien zien we dat een deel van de EU-lidstaten geen uitzondering op die CFC-maatregel toepast op bedrijven die wezenlijke economische activiteit verrichten daar waar Nederland dat wel doet. De heer Ester verwees daarnet ook al naar de Nederlandse substance-eisen van €100.000 aan loonkosten voor personeel. Kantoorruimten die minstens 24 maanden daadwerkelijk worden gebruikt, lijken voor grotere CFC's vrij eenvoudig te halen.

De afweging van de regering om vaste substance-eisen te hanteren is om concurrentienadeel van CFC's ten opzichte van bedrijven die alleen in het thuisland actief zijn te voorkomen en om de maatregel bovendien voor het bedrijfsleven en de Belastingdienst uitvoerbaar te maken. Het begrip wezenlijke economische activiteit zal volgens de regering nog voor het einde van het kalenderjaar worden ingevuld. Het is juist ook vanwege de punten die ik net noemde van belang dat die invulling zo snel mogelijk rond komt. Wanneer kunnen we dat verwachten?

Het is daarbij ook belangrijk te weten of het besmette inkomen wel geheel via model B kan worden belast. In model B gaat het over toe te rekenen winst volgens het "at arms length"-beginsel. In model A gaat het over specifieke categorieën inkomen. Fiscalisten wijzen daarbij op de verhouding tussen artikel 13ab en artikel 8b. Als functies waardoor die besmette voordelen worden behaald, namelijk niet in Nederland worden uitgeoefend, valt er op grond van het "at arms length"-beginsel naar Nederlandse maatstaven vrijwel niets in aanmerking te nemen voor de toepassing van artikel 13ab. Graag de reactie van de staatssecretaris.

Ik heb nog een aantal vragen, opmerkingen en zorgen over de Wet fiscale maatregel rijksmonumenten. Ik sluit me voor een belangrijk deel aan bij de opmerkingen die daarover zijn gemaakt door collega Bruijn. Wij houden ten eerste zorgen over de borging en het toezicht op de kwaliteit. Enerzijds omdat die gekoppeld lijkt te zijn aan de hoogte van het bedrag van de onderhoudsactiviteiten en daarnaast omdat het vooral lijkt te gaan om het toetsen van de plannen en niet om de feitelijke uitvoering. Ten tweede zien we dat eigenaren van groene monumenten in de knel kunnen komen doordat het budget onvoldoende is en daarbij ook de professionele organisaties en organisaties voor werelderfgoed voorrang hebben.

Tot slot vragen we u om nader toe te lichten hoe een subsidie en een lening bij het Restauratiefonds al dan niet samen mogelijk zijn, want die lijken elkaar op dit moment uit te sluiten. Daarover graag verdere helderheid.

Mevrouw de voorzitter, ter afronding. Mijn inbreng is gericht geweest op de balans die wij missen in deze belastingmaatregelen tussen de lasten voor burgers enerzijds en die voor het bedrijfsleven anderzijds. Het meest specifiek hebben we dit aan de orde gesteld bij de klimaatregelen, gekoppeld aan een concreet verzoek een novelle in te dienen om de vermindering van die korting op energiebelasting terug te draaien. Maar dat geldt ook voor de keuzen die worden gemaakt in de Wet bedrijfsleven met een naar onze smaak niet overtuigende onderbouwing van de noodzaak in het kader van het vestigingsklimaat.

Wij kijken uit naar de beantwoording van het kabinet.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Binnema.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor de lunchpauze tot 13.30 uur.

De vergadering wordt van 12.38 uur tot 13.30 uur geschorst.