Behandeling Experiment gesloten coffeeshopketen



Verslag van de vergadering van 5 november 2019 (2019/2020 nr. 5)

Aanvang: 10.59 uur
Status: gerectificeerd


  • Kijk de video van dit deel van de vergadering terug

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Regels inzake een uniform experiment met teelt en verkoop van hennep en hasjiesj voor recreatief gebruik in een gesloten coffeeshopketen (Wet experiment gesloten coffeeshopketen) (34997);

en van:

  • de brief van de minister voor Medische Zorg en Sport d.d. 11 april 2019 inzake aanbieding van de voorhang van het ontwerpbesluit experiment gesloten coffeeshopketen (34997, letter D);

en van:

  • Ontwerpbesluit experiment gesloten coffeeshopketen (met nota van toelichting).

Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel 34997, Regels inzake een uniform experiment met teelt en verkoop van hennep en hasj voor recreatief gebruik in een gesloten coffeeshopketen, samengevat de Wet experiment gesloten coffeeshopketen. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid en de minister voor Medische Zorg en Sport van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik maak de leden erop attent dat zes leden tijdens dit debat hun maidenspeech zullen houden. Ik zal voorafgaand aan elke maidenspeech een belsignaal laten klinken. Het is hier het gebruik om tijdens de maidenspeech niet te onderbreken. Na elke maidenspeech zal ik de spreker kort toespreken en de vergadering na de laatste maidenspeech — in dit geval is dat de maidenspeech van de heer Recourt — kort schorsen voor felicitaties.

Ik geef het woord aan de heer Van Wely.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Wely (FvD):

Voorzitter. Na 40 jaar van faal- en gedoogbeleid, wegkijken, hypocrisie, kromme en onlogische wetgeving is het eindelijk zover: we gaan de Opiumwet aanpakken. Beter laat dan nooit, en hopelijk is het nog niet te laat, want als je naar de staat van Amsterdam kijkt, dan vrees je toch het ergste. Helaas is de politiek zoals gewoonlijk weer heel traag en heeft ook het ivoren torentje geen benul van wat zich in de maatschappij afspeelt. Dus laten we maar vooral luisteren naar ons gevoel om onze boots on the ground te houden, en luisteren naar degenen die met de hedendaagse problematiek in de praktijk te maken hebben, of het nou om drugs, woningbouw of immigratie gaat.

Ja, voorzitter, wat wil Forum voor Democratie, vraagt u zich af. Sowieso is één van onze motto's: zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Wij zitten niet te wachten op een slap experiment met halfbakken conclusies, en als er duidelijke conclusies zijn, dan moeten we daar goed op doorpakken. Dus dan moeten we het niet bang in onze broek doen als de conclusies ons niet bevallen. We moeten ophouden met gedogen en we moeten goed handhaven. Dat zouden we met meerdere wetten weleens moeten doen. Met andere woorden: consistent beleid. Wat we afspreken, voeren we ook uit. Wetten die niet worden gehandhaafd, zijn geen wetten.

Voorzitter. Om maar meteen een open achterdeur in te trappen: voor de oplossing hoef je geen Einstein te zijn. Nederland loopt weer eens achter de feiten aan. Kijken we naar het buitenland waar dergelijke experimenten hebben plaatsgevonden die nu geïmplementeerd zijn in de maatschappij. Kijken we naar Uruguay, Canada en zelfs naar enkele staten in het aartsconservatieve Amerika, dan kunnen we zeggen dat de gevolgen van dit experiment goed ontvangen zijn.

Voorzitter. Wat is nu eigenlijk het doel van het experiment? Ten eerste wil ik toch wel het gezondheidsaspect benadrukken. Niet dat het innemen van softdrugs per definitie gezond is, maar stel dat je het toch gaat innemen, dan kun je beter door ons gecontroleerde drugs tot je nemen dan die waar god mag weten wat in zit.

Ten tweede de criminaliteit. Over de vraag of je de criminaliteit in z'n geheel weet terug te dringen, zijn we overigens nogal sceptisch. De criminelen zouden kunnen overstappen op een ander verdienmodel. Maar de grootste winst zou eigenlijk moeten zijn dat de gebruiker en de coffeeshops niks meer te maken hoeven te hebben met het criminele milieu.

Ten derde willen we vooral logische, begrijpelijke en rechtvaardige wetten die goed in verhouding tot elkaar staan.

Last but not least zou ik ook het verdienmodel van de Staat willen noemen, want laten we wel wezen: dit is wel big business voor Vadertje Staat. Niet dat we hier trots op moeten zijn, maar de Staat heeft er wel een handje van om geld te verdienen aan de slechte en ongezonde gewoontes van zijn burgers. Denk maar aan alcohol, roken en te hard rijden. De boetes en accijnzen zijn weliswaar fors, maar niet fors genoeg om de mensen ervan te weerhouden. Maar het is wel een pervers verdienmodel voor de Staat. Dat ontkennen wij zeker niet.

Voorzitter. Ook Forum voor Democratie is heel erg sceptisch over het slagen van dit experiment. Laat ik maar vast wat plantjes voor de voeten van de tegenstanders van het vandaag gepresenteerde wetsvoorstel wegmaaien.

Ten eerste, de technische uitvoering van dit experiment is heel erg lastig. Als ook maar één schakel breekt, loopt dit ambitieuze experiment al gevaar. Ten tweede creëren we hiermee een status aparte in ons geliefde land, met zijn o zo dichte grenzen. Sorry, voorzitter, dit was natuurlijk sarcastisch bedoeld. Gelukkig is dat voor Forum voor Democratie geen belemmering, want wij gaan liever onze eigen weg in plaats van ons te laten belemmeren door de EU-betweters. Als we nu nog onze eigen weg zouden kunnen bewandelen met stikstof, zijn we helemaal spekkoper.

Ten derde, hoe reageert de drugsmaffia in dezen? Het zou een naïeve gedachte zijn om te veronderstellen dat zij bij de pakken neer gaat zitten. Het doemscenario is het Mexicaanse model, waarbij de drugsmaffia overal invloed heeft en moordt bij de vleet. Maar gelukkig had de Nederlandse overheid een vooruitziende blik en heeft ze veel geïnvesteerd in de politie. O wacht, misschien toch niet. Ten vierde zul je de producenten van wiet goed in de gaten moeten houden, zodat ze niet, zoals laatst in Californië het geval was, onder het dekmantel van de overheid extra kunnen produceren en Nederland als exportland op de kaart gaan zetten.

Voorzitter. Last but not least, het legaliseren van softdrugs zou je kunnen zien als het normaliseren van het gebruik ervan, maar dat praat het gebruik ervan nog niet goed. Echter, zie het als een gemeengoed, net als alcohol en tabak, en gebruik het met mate. Dan kan het wat ons betreft nog wel door de beugel.

Voorzitter. Ik sluit af. Wij vinden dit een interessant project. Aangezien wij de huidige situatie sowieso onacceptabel vinden, zijn wij benieuwd naar de uitkomst in dezen. Wij willen echter wel van de minister horen hoe het experiment geëvalueerd gaat worden. Wat zijn de criteria voor succes? Wat gaat er gebeuren wanneer de drugsgerelateerde criminaliteit na afloop van het experiment even groot is als tevoren? Hoe schat de minister de kans in dat de overheidswiet gaat gelden als een zwak aftreksel van de veel sterkere wiet die in het criminele circuit nog steeds verkocht zal worden? Dan schieten we uiteindelijk toch niets op met het creëren van de nieuwe situatie.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Meneer Van Wely, blijft u even staan, dan kan ik u toespreken. Van harte gelukgewenst met uw maidenspeech.

Staat u mij toe om iets van uw achtergrond te schetsen. Wanneer de Koning zijn eigen Grootmeester heeft die leiding geeft aan de hofhouding, bent u koning en grootmeester ineen. U bent namelijk "King Loek", schaakgrootmeester. King Loek is het door u zelf gekozen alter ego waarmee u in de schaakwereld bekend bent geworden.

In 1988 werd u, op uw 15de, jeugdkampioen schaken van Nederland. Vier jaar later werd u grootmeester en hoorde u bij de top 100 van het internationale schaken. Sindsdien bent u professioneel schaker. Op uw cv noemt u zichzelf: zzp'er als schaakgrootmeester. Uw functie bestaat uit het spelen van clubcompetities en toernooien, het simultaanschaken en het geven van schaakles. Ook organiseert u zelf schaaktoernooien, schrijft u boeken en artikelen en geeft u commentaar op schaakpartijen. U bent na de eerste keer in 1988 tot nog toe acht keer Nederlands kampioen geworden, voor het laatst in 2017. Van 1992 tot 2016 kwam u voor Nederland uit op de Schaakolympiade. Daarnaast maakte u in 2001 en 2005 deel uit van het Nederlandse schaakteam dat Europees kampioen werd. Ik denk dat de uitnodiging voor het jaarlijkse parlementaire schaaktoernooi al voor u klaarligt. Die titel ontbreekt immers nog op uw palmares.

In 2017 stond u op de kandidatenlijst van Forum voor Democratie voor de Tweede Kamer. Het waren uw eerste stappen op het politieke toneel. Inmiddels bent u sinds 28 maart van dit jaar lid van de Provinciale Staten in Noord-Brabant. Op 11 juni bent u beëdigd als lid van de Eerste Kamer. Als schaker staat u bekend als offensief. Wij zullen zien of dat ook uw stijl in de politiek zal zijn. Een aantal ook voor de politiek nuttige vaardigheden neemt u in ieder geval mee. U bent analytisch, geduldig en kunt heel veel uren aaneengesloten zitten.

Schaakgrootmeester Garri Kasparov zei eens: "Schaken is het leven in het klein. Schaken is worstelen. Schaken is vechten." Net als de politiek. Nogmaals, van harte welkom.

De heer Van Wely (FvD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Dittrich. Ook hierbij betreft het een maidenspeech, dus ik zal toch even bellen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich (D66):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst namens de fractie van D66 een welgemeende felicitatie aan de heer Van Wely met zijn maidenspeech.

Voorzitter. De verkoop en het gebruik van softdrugs worden onder bepaalde voorwaarden gedoogd, maar de inkoop en de levering aan de achterdeur van de coffeeshop zijn verboden. Dat is eigenlijk de kern van het Nederlandse gedoogbeleid voor softdrugs. Al bijna 50 jaar hanteren opeenvolgende kabinetten in Nederland een drugsbeleid waarin de volksgezondheid vooropstaat. Harddrugs worden van softdrugs onderscheiden. Dit pragmatische beleid is begonnen onder leiding van CDA-minister van Justitie Van Agt.

Ik herinner me zelf nog heel goed de opkomst van een van de eerste coffeeshops in Nederland. Ik zat toen op de middelbare school in Utrecht. Op een gegeven dag kwam de conrector bij ons in de klas en zei: "Er is een coffeeshop geopend aan de Oudegracht in een werfkelder. De politie doet daar niks tegen. De mensen daar gebruiken stuff en roken stickies. Ik wil niet dat een van jullie daarnaartoe gaat. Ik wil geen van mijn leerlingen in zo'n coffeeshop zien." Dat maakte heel grote indruk op ons. En de volgende dag gingen we met een groepje uit de klas naar de Oudegracht om te kijken hoe een coffeeshop eruitzag en een stickie eruitzag. Dit was bijna 50 jaar geleden, maar nog steeds is er wat beleid op het gebied van coffeeshops betreft heel weinig veranderd, met de ongerijmdheid dat verkoop voor recreatief gebruik wordt gedoogd, maar teelt en inkoop strafbaar blijven.

Het wordt dus ook tijd dat daar verandering in komt. Want de georganiseerde criminaliteit verdient in Nederland goud geld — beter gezegd: zwart geld — met die achterdeur van de coffeeshops. Dat geld wordt ook verdiend door handel in en export van harddrugs. Dat geld wordt dan weer deels geïnvesteerd in de bovenwereld en leidt tot ondermijning van de rechtsstaat. We weten allemaal — we hebben de recente voorbeelden gezien — dat georganiseerde criminaliteit meedogenloos is. Tegen die uitwassen moet streng worden opgetreden.

Maar het wetsvoorstel van de regering gaat over het inkaderen van het gedoogbeleid ten aanzien van softdrugs. Het gaat dus niet over harddrugs. Het voorstel organiseert een experiment in tien gemeenten met een gesloten systeem, van teler en vervoerder naar verkoop aan de consument in de coffeeshop. De cannabisproducten worden op Nederlandse bodem geteeld en verkocht. De producten worden geregistreerd en geadministreerd. Het is een gesloten systeem. De achterdeur van de coffeeshop wordt dus dichtgedaan. De cannabis zal in het experiment via de voordeur naar binnen gaan. Via etikettering en voorlichting door het coffeeshoppersoneel krijgt de consument informatie over de cannabis.

Mevrouw de voorzitter. De leden van de fractie van D66 steunen het wetsvoorstel van de regering. Wij vinden dat goed gedogen niet voortkomt uit gemakzucht, maar dat het een doelbewuste keuze is. Het is eigenlijk ook de uitlaatklep van de rechtsstaat. Eindelijk zullen er na bijna een halve eeuw stappen vooruit worden gezet. Dat neemt niet weg dat ik nog wel wat vragen en opmerkingen over het wetsvoorstel heb, allereerst over het de pas afsnijden van de georganiseerde criminaliteit.

Helaas zullen we er rekening mee moeten houden dat die georganiseerde criminaliteit niet blij zal zijn dat een zo lucratieve inkomstenbron zal opdrogen. Het zou best kunnen dat er druk wordt uitgeoefend op alle deelnemers in dat gesloten systeem. Dat kan fysieke druk zijn, door bijvoorbeeld vernieling van teeltplantages of berovingen tijdens vervoer, of brandstichting in coffeeshops. De regering stelt in de stukken dat de deelnemers in het gesloten systeem allereerst zelf verantwoordelijk zijn voor de beveiliging van het cannabisproduct. Ze zullen zelf voor bewaking moeten zorgen. Maar tegen bepaalde vormen van criminaliteit is echt hulp en bijstand van de politie nodig. Kan de regering toezeggen dat die noodzakelijke bescherming ook daadwerkelijk geboden zal worden als dat nodig is? Dat geldt ook voor de teeltgemeente waar telers straks toestemming krijgen om hun spullen te telen.

Maar die agressie kan natuurlijk ook op een andere manier geuit worden, niet alleen fysiek maar bijvoorbeeld ook via internet, door fake nieuws, doordat er berichten zullen worden verspreid om het experiment in een kwaad daglicht te stellen, desinformatie. Uit de aard van de zaak is dat natuurlijk gecompliceerd om te onderkennen, maar de vraag aan de regering is of de regering op dergelijke vormen van ondermijning van het experiment is voorbereid. Hoe gaat men dit te lijf, als dat al mogelijk is?

Voor de fractie van D66 is het van belang dat alle actoren — zoals de politie, de gemeenten, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Dienst JMV — die verantwoordelijk zijn voor toezicht en handhaving binnen die gesloten keten soepel met elkaar zullen samenwerken. Mijn vraag aan de ministers: gaat u de coördinatie en de gegevensuitwisseling tussen die actoren bijzondere aandacht geven?

Voor wat betreft het volksgezondheidsaspect van het experiment het volgende. Het is goed dat de consument in het experiment van het gesloten systeem weet wat hij in de coffeeshop koopt. Op het etiket, op de verzegelde verpakking, staat het THC-gehalte en het CBD-gehalte. Bovendien weet de consument dat er geen slechte gewasbestrijdingsmiddelen zijn gebruikt en daarnaast volgt het coffeeshoppersoneel een cursus om klanten wegwijs te maken. Er komt een bijsluiter met gebruiksinformatie over de cannabis en over de ongewenste en gewenste effecten en bijwerkingen. Ik wil maar zeggen, D66 steunt het preventiebeleid van de regering zoals dat in een recente brief aan de Eerste Kamer is verwoord.

Dat brengt mij ertoe om te zeggen dat ik begin jaren negentig, toen ik rechter was in de rechtbank van Alkmaar, veel psychiatriezaken deed en met een autootje van de rechtbank alle instellingen afging. Wat mij toen opviel, was dat er nogal wat jongeren in die inrichtingen zaten met een cannabispsychose. Vanuit zo'n psychose waren ze gevaarlijk geworden voor zichzelf of voor de omgeving. Er zijn dus kwetsbare groepen in de samenleving bij wie cannabis slecht uitwerkt. Graag krijg ik een toezegging van de ministers dat het Trimbos-instituut in het kader van de preventieve aanpak kwetsbare groepen specifiek aandacht zal gaan besteden aan jongeren in de instellingen.

Voorzitter. Wat betreft de prijsstelling, de prijs in het gesloten systeem komt tot stand door onderhandelingen tussen telers en coffeeshops, zegt de regering. Dat gebeurt nu ook al in het gesloten systeem dat we kennen van de medicinale cannabis, waar we in Nederland al jarenlang ervaring mee hebben opgedaan. Maar toch, als in het experiment de prijs te hoog wordt, dan zullen de klanten waarschijnlijk uitwijken naar het goedkopere illegale circuit. Dat is iets wat echt goed in de gaten gehouden moet worden. Misschien zou het zelfs kunnen zijn dat het illegale circuit doelbewust de bodemprijs naar beneden gaat drukken om het experiment kapot te maken. Wil de regering aan de onderzoekscommissie vragen dit aspect mee te nemen in de interventie en de controlegemeentes?

Voorzitter. Ons hebben berichten bereikt dat sommige coffeeshophouders en telers die met het experiment zouden willen meedoen geen bankrekening kunnen openen omdat banken weigeren medewerking te verlenen. Gelukkig lazen we gisteren dat de rechtbank in Amsterdam daar een stokje voor heeft gestoken en heeft gezegd dat de ABN AMRO Bank wel een bankrekening moet openen voor telers die aan het experiment mee willen doen. Mijn vraag aan de ministers is: wilt u erop toezien dat, stel dat er andere banken zijn die ook weer dwars gaan liggen en op zo'n manier het experiment gaan bemoeilijken, coffeeshophouders of telers die een verklaring omtrent het gedrag kunnen overleggen en door de Bibob-screening heen zijn gekomen toch een bankrekening kunnen openen? Misschien zouden de ministers dan met de Nederlandse Vereniging van Banken om de tafel kunnen gaan zitten om dat mogelijk te maken.

Mevrouw de voorzitter. Per maart 2019 waren er 570 coffeeshops in Nederland, verspreid over 102 gemeenten. In het experiment doen 10 gemeenten mee met in totaal 79 coffeeshops. Dus bijna één op de zeven coffeeshops in Nederland gaat meedoen met het experiment. Dus het is een experiment dat qua grootte wetenschappelijk verantwoord is, maar ook weer zo klein dat het mogelijkheden biedt om andere landen te overtuigen dat via het experiment het huidige Nederlandse gedoogbeleid wordt ingeperkt, ingekaderd.

Er bestaan zorgen of het experiment niet in strijd is met internationale drugsverdragen. Wat D66 betreft is die angst niet terecht. Ik kan me nog herinneren dat begin jaren 90, ik was toen Tweede Kamerlid, president Chirac van Frankrijk protesteerde tegen het Nederlandse gedoogbeleid. Er zijn toen ambtenaren om de tafel gaan zitten met buitenlandse ambtenaren, diplomaten hebben gesprekken gehad, ministers zijn naar Frankrijk afgereisd. Het eind van het liedje was dat Frankrijk het Nederlandse gedoogbeleid heeft geaccepteerd, net zoals België en Duitsland dat gedaan hebben.

Als we kijken naar die opzet en dit experiment, wat dus een inkadering en nadere afbakening van het huidige gedoogbeleid is, denk ik dat we geen zorgen hoeven te hebben dat het buitenland hier onoverkomelijke bezwaren tegen heeft. Dat geldt trouwens ook voor Canada. We hebben net een brief uitgereikt gekregen van de ministers over hoe het in Canada gaat. Ook daar geen problemen met het buitenland.

Wij hopen dat de experimenteerfase van dit experiment zo snel mogelijk van start zal gaan en dat er geen verdere vertraging op zal treden.

Tot slot zou ik willen vragen wanneer nu het experiment is geslaagd. De ministers leggen terecht de lat niet erg hoog. Ze zeggen dat het kabinet beoogt met het experiment op het gebied van veiligheid, overlast, volksgezondheid en criminaliteit inzicht en voldoende informatie te krijgen of een gesloten coffeeshopketen mogelijk is om er politieke besluitvorming op te baseren.

Ook de commissie-Knottnerus is bescheiden. Zij zegt eigenlijk: als er geen verslechtering optreedt is het succesvol introduceren van een gesloten keten al winst, want die achterdeur van de coffeeshop is dan gesloten. Volgens de regels, volgens het wetsvoorstel en de ministeriële besluiten wordt het experiment in beginsel na vier jaar afgebouwd, tenzij het nog anderhalf jaar verlengd wordt. Maar toch wringt dat, want stel nu dat via dit experiment blijkt dat een gesloten Nederlands systeem van productie, vervoer en verkoop goed mogelijk blijkt, dan is het eigenlijk onlogisch om het helemaal af te bouwen. Want de telers en de coffeeshophouders die hun nek tijdens het hele experiment hebben uitgestoken, investeringen hebben gedaan en hun bedrijf hebben opgebouwd zullen afbouw natuurlijk als onredelijk ervaren. Wat mijn fractie, D66, betreft, kan het experiment bij gunstige resultaten worden verlengd en met een nieuwe wet landelijk worden uitgerold, bijvoorbeeld langs de lijnen van het wetsvoorstel van Vera Bergkamp van D66, dat al door de Tweede Kamer is aanvaard en hier in de Eerste Kamer in de wachtstand staat. Mijn vraag aan de ministers is of zij het met mijn fractie eens zijn.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dittrich. Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech.

Staat u mij toe om iets van uw achtergrond te schetsen. U had het er zelf ook al over. Na uw studie Nederlands Recht aan de Rijksuniversiteit Leiden ging u werken als advocaat. Omdat u niet altijd maar voor één belang, dat van de cliënt, wilde optreden, besloot u na acht jaar de overstap te maken naar het vak van rechter. Hoezeer u vervolgens ook genoot van de rechtspraak, van het afwegen van uiteenlopende belangen en beslissingen nemen, na vijf jaar wilde u niet langer aan de slag wanneer problemen al waren ontstaan. U wilde ze voorkomen, en dat kan in de politiek. Voor de toehoorders die zich afvragen hoe het komt dat ik de heer Dittrich zo kan "lezen": hij heeft dit zelf zeer toegankelijk beschreven in zijn boek Een blauwe stoel in Paars uit 2001.

In 1981 bent u lid geworden van D66 en vrijwel direct was u lid van verschillende werkgroepen en adviescommissies binnen de partij. In 1990 werd u voor het eerst volksvertegenwoordiger, als fractievoorzitter van D66 in de stadsdeelraad van Amsterdam-Zuid. Vervolgens werd u in 1994 gekozen als lid van de Tweede Kamer. Van 2003 tot 2006 was u fractievoorzitter en politiek leider van D66. Tijdens uw Kamerlidmaatschap heeft u meerdere initiatiefvoorstellen ingediend, waaronder over de bestraffing van stalking en het laten vervallen van de verjaringstermijn van vervolging voor moord, samen met collega Rietkerk. Toch is uw naam het meest verbonden met de motie die u samen met enkele collega's indiende, waarin u vroeg om wettelijke openstelling van het huwelijk voor mensen van hetzelfde geslacht.

Na uw vertrek uit de Tweede Kamer bent u advocaat-directeur geworden van Human Rights Watch in New York en later in Berlijn. In die periode ging u naast non-fictie ook romans en thrillers schrijven. De thriller W.O.L.F. werd in 2016 door de Vrij Nederland Detective en Thrillergids uitgeroepen tot de beste Nederlandstalige thriller.

In 2001 schreef u: "De motivatie om mijn verhalen te publiceren: (...) ik wil laten zien dat de democratie geen abstractie is". Misschien volgt daarom ooit een boek over uw tijd in deze Eerste Kamer. Geen thriller, maar non-fictie. Maar nu loop ik wel erg op de feiten vooruit!

Vooralsnog van harte gefeliciteerd.

De heer Dittrich (D66):

Dank u wel.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Janssen en ik druk even op de bel omdat het een maidenspeech is.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Janssen (SP):

Voorzitter. Ook namens mijn fractie van de SP de hartelijke felicitaties aan collega Van Wely en collega Dittrich met hun maidenspeech. Er zullen er nog een aantal volgen.

Voorzitter. Bij de voorbereiding van dit debat is mij opgevallen hoezeer de standpunten gaandeweg zijn verhard en hoe dat ook in de toon is terug te horen en terug te lezen. Ik vind dat jammer. Het gaat immers om het aanpakken van een symptoom van een ziekte, die onze rechtsstaat bedreigt. Aan de situatie dat het gedoogd wordt dat coffeeshops softdrugs mogen verkopen, maar dat er niet geteeld mag worden, moet naar de mening van de SP een einde komen. In aanleg is ons rechtssysteem eigenlijk heel simpel. We hebben wetten en regels; de politie vangt boeven die wetten en regels overtreden; het Openbaar Ministerie vervolgt de gepakte boeven, die recht hebben op een eerlijk proces en dus bijgestaan worden door een advocaat, die hun belangen verdedigt. Vervolgens oordeelt een rechter of iemand terecht als boef wordt gezien en of er een straf moet volgen. Simpel en duidelijk. Iedereen snapt dat. Om in tegenwoordige termen te spreken: het toppunt van transparantie.

Als ik daar het decennialang gedogen van de achterdeur bij coffeeshops tegen afzet, dan klopt dat niet. Het raakt aan het rechtsgevoel van de samenleving en aan de handhaafbaarheid. Dat doet gedogen al snel, en daarom moet daar ook een eind aan komen. Ik zei zojuist al dat mij is opgevallen dat de toon in dit debat is verhard. Het lijkt er langzamerhand over te gaan of drugs goed of slecht zijn, maar dat is vandaag het debat hier niet. We zijn er als SP ook helder over dat de productie van en handel in harddrugs gewoon strafbaar moeten blijven. Geen enkel misverstand. Maar aan de idiote situatie dat iets wel verkocht mag worden, maar niet geteeld, moet een einde komen. Dit gedogen is een gedrocht in onze rechtsstaat en tast het rechtsgevoel aan.

Er is dan ook met goede reden een uitgebreid preventieprogramma dat waarschuwt voor de gevolgen van drugsgebruik. Heel belangrijk. De SP is ook voorstander van een uitgebreid preventieprogramma en goede voorlichting, vooral ook aan jeugdigen. Waar een einde aan gemaakt moet worden, is de schijnlegaliteit van de afgelopen decennia, maar dan wel als onderdeel van een brede aanpak. Daar is dit experiment nu een eerste stap voor, een belangrijke stap, maar ook niet meer dan dat. Het experiment is naar onze mening een middel, en geen doel. Mijn vraag aan de ministers is of zij dat met mij delen.

Voorzitter. Het risico ligt op de loer, zeg ik maar, dat het debat met de ministers een politiek debat in een wetenschappelijk jasje wordt. Ik zou dat betreuren, maar eerlijk gezegd het handelen en de uitingen van het kabinet tot nu toe zijn daar een veeg voorteken van. De vele verwijzingen naar het kabinetsakkoord maken dat dit een debat lijkt te worden waarvan het resultaat van iedere discussie zou kunnen zijn, zeg ik, "zo staat het nu eenmaal in het regeerakkoord en dit is wat de coalitiepartijen hebben afgesproken". Mijn vraag aan de ministers is dan ook om hierop straks bij aanvang van de beantwoording een duidelijk antwoord te geven. Dat scheelt misschien veel interrupties. Mijn concrete vraag aan de ministers is of er dan wel of geen ruimte is voor aanpassingen op basis van ons debat en de daarin naar voren gebrachte argumenten.

Voorop: de SP is blij dat er een breed samengestelde onafhankelijke commissie in opdracht van het kabinet aan de slag is gegaan om dit experiment uit te werken vanuit wetenschappelijk perspectief. Belangrijk, omdat de ministers in de Tweede Kamer zelf ook hebben aangegeven dat het wetenschappelijk gehalte een belangrijke voorwaarde is om internationaal de handen voor dit experiment, zij het buitengewoon voorzichtig, op elkaar te krijgen. Precies op dat punt ligt een belangrijk punt van zorg van de SP, en met ons bijvoorbeeld ook van de Raad van State.

De commissie-Knottnerus adviseert op wetenschappelijke gronden — ik ga even terug naar het eerste advies — dat er aanzienlijk meer gemeenten dan in het regeerakkoord vastgelegd zouden moeten meedoen aan de proef. "Niet zinvol" is het oordeel van de commissie over een klein experiment. Die gemeenten hebben zich ook aangemeld, 26. Ook moet er met verschillende soorten wiet en hasj worden geëxperimenteerd en meerdere telers, die zeker 25 soorten hasj en wiet van voldoende sterkte telen. Het beëindigen van de proef na vier jaar wordt door de commissie "onlogisch en riskant" genoemd. Bij de keuze voor de deelnemende gemeenten adviseert de commissie-Knottnerus om in ieder geval ook de gemeente Utrecht aan de proef toe te voegen. En de gemeente Utrecht was ook bereid om in aangepaste vorm een waardevolle bijdrage te leveren aan dit experiment.

Voorzitter. Dat zijn allemaal heldere aanbevelingen, die de wetenschappelijke waarde van het experiment verhogen. Aanbevelingen van de commissie-Knottnerus, die ook van harte worden gesteund door de SP. Immers, een experiment is bedoeld om zo veel mogelijk inzicht te krijgen voor weloverwogen vervolgbesluiten. Het experiment is een waardevol hulpmiddel waar we maximaal gebruik van moeten maken, en het is geen doel op zich. Maar hoe beter het experiment, hoe beter het inzicht.

Als ik dan kijk naar de ambities van het kabinet, op basis waarvan ook de commissie-Knottnerus haar wetenschappelijk onderzoek heeft uitgevoerd, staan die op gespannen voet met de gekozen en voorgestelde uitvoering, stelt de Raad van State vast. Ik citeer: "Gelet op de door de regering zelf vastgestelde ambities is het de vraag in hoeverre het experiment voldoende zal zijn, nu de regering voor een beperkte opzet in omvang en duur heeft gekozen. De Raad van State adviseert het kabinet om, mede in het licht van de commissie-Knottnerus, de opzet van het experiment nader te motiveren en het voorstel zo nodig aan te passen." Nog steeds allemaal heldere adviezen.

De reactie van het kabinet is echter afwijzend en dat lijkt uiteindelijk alleen beargumenteerd te worden met een verwijzing naar de afspraken uit het regeerakkoord. Vandaar ook mijn eerdere vraag op dit punt. Het kabinet toont zich onwrikbaar om te tornen aan de tijdens de kabinetsonderhandelingen vastgelegde afspraken en uitgangspunten voor wat betreft omvang en duur. Wij vinden dat eens te meer te betreuren, omdat die afspraken in het regeerakkoord niet zijn gebaseerd op de wetenschappelijke adviezen die inmiddels wel voorhanden zijn via de commissie-Knottnerus. Politieke wenselijkheid en haalbaarheid zijn het toetsingskader voor het kabinet en niet een op wetenschap gebaseerde aanpak. De commissie-Knottnerus geeft in haar advies immers duidelijk aan: "Omvang en duur van het experiment maken het niet mogelijk, gezondheidseffecten op lange termijn en effecten op de totale criminaliteit te onderzoeken".

Voorzitter. De eerste vraag die je als ontvanger van een dergelijk advies zou moeten stellen is: wat kunnen wij eraan doen om die meetbaarheid te vergroten? Maar dat gebeurt niet bij deze ministers. Het kabinet kiest voor eigen criteria en slaat de onafhankelijke wetenschappelijke adviezen in de wind. Wij vragen ons zo langzamerhand wel af waarom er eigenlijk wetenschappelijk advies is gevraagd als het kabinet het vooraf blijkbaar allemaal al zo goed wist. Waarom toont het kabinet zich zo onwrikbaar? Die vraag zou ik graag door de ministers beantwoord willen zien. Indien dit het geval is, zou het de ministers sieren als ze er gewoon voor uit zouden komen en zouden zeggen: dit is hoever we politiek willen gaan en daar houdt het op, graag of niet. Als dat zo is, spreekt u dat dan alstublieft gewoon uit. De ministers noemen namelijk steeds andere gronden, maar de politieke haalbaarheid en wenselijkheid blijven als argument in de debatten buiten beeld, terwijl die een zo opvallend doorslaggevende rol blijken te spelen. Het tragikomische daaraan is dan wel weer dat de minister van Justitie en Veiligheid bij de behandeling in de Tweede Kamer heeft gezegd: "Ik wil er toch op wijzen dat er een begeleidings- en evaluatiecommissie is die dat op een heel zorgvuldige, goede en wetenschappelijk verantwoorde wijze gaat begeleiden. Dat is veel beter dan wanneer u zoiets aan mij als minister zou overlaten. Het is juist goed dat het op die manier gebeurt." Ik noem dat tragikomisch omdat dit nu juist de kern van mijn kritiek is. Overigens onderschrijf ik op dit punt de zelfkennis van de minister volledig.

Voorzitter. De ministers hebben te veel op politieke wenselijkheid gestuurd en te weinig op wetenschappelijke kwaliteit. Daar heeft het alle schijn van. Natuurlijk heb ik ook alle argumenten over handhaafbaarheid en de daarmee gemoeide kosten gehoord. De minister van Justitie en Veiligheid heeft in de Tweede Kamer met zoveel woorden uitgesproken dat de handhaving niet tot allerlei extra financiële consequenties mag leiden. Maar dat argument is nou juist niet overtuigend maar laat wel zien wat een van de uitgangspunten is: het mag niets extra kosten in de handhaving. Mijn vraag aan de minister daarbij is of dat nu werkelijk een afweging zou moeten zijn indien je met een overzichtelijke extra investering in de handhaving de maatschappelijke meerwaarde bovenmatig zou kunnen vergroten. Aanvullend is mijn vraag hoe de minister omgaat met gemeenten zoals de grensgemeenten in dit experiment. Zij moeten gewoon handhaven op het ingezetenencriterium. Gaat de minister die gemeenten extra ondersteunen met geld en mankracht? Kunnen die gemeenten daarop rekenen? Of geldt ook hier "geen euro extra voor handhaving"? Naar mijn mening zou dat buitengewoon slecht zijn. Lees ook het verslag van Tops dat gisteren naar de Tweede Kamer is gestuurd en dat wij vanochtend uitgereikt hebben gekregen. Het gaat niet vanzelf, is de conclusie daarin.

Voorzitter. Laat mij op het punt van de financiële kaders ook even kort uit eigen bestuurlijke ervaring delen. De mededeling aan een bestuur na afronding van een project dat het project binnen de tijd en binnen het budget is afgerond, zal door menig bestuurder met tevredenheid worden ontvangen. De vraag die echter te weinig wordt gesteld is: zouden we met een beperkte extra investering bovenmatig meer maatschappelijke meerwaarde hebben kunnen creëren? Dat is een vervolgvraag die naar mijn mening bij ieder project en dus ook bij dit experiment gesteld zou moeten worden. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat deze vervolgvraag tot nu toe bij dit experiment niet is gesteld door de ministers. Het lijkt een kwestie van "budget is budget". Maar het is nog niet te laat. Kunnen de ministers zichzelf deze vraag nog eens serieus stellen voordat de uitvoering van start gaat? Wat kunnen we eraan doen om deze proef beter te maken en er meer uit te halen dan nu is voorgesteld? Zijn de ministers hiertoe bereid, is mijn vraag aan hen.

Voorzitter, ik kom op internationaal; de heer Dittrich zei er ook al iets over. De minister van Justitie en Veiligheid heeft steeds gewezen op de internationale context als reden waarom maar zes tot tien gemeenten aan het experiment mee kunnen doen; de keuze in het regeerakkoord. De zes tot tien gemeenten zijn vastgelegd in het regeerakkoord, omdat dit internationaal nog acceptabel zou zijn. Mijn vraag is: met wie heeft de minister dan tijdens de coalitieonderhandelingen gesproken over dit punt? Welke landen hebben gezegd "niet meer dan tien"? Ik neem aan dat het niet Luxemburg is, waar men op dit moment zelf druk is met een stap naar legalisering, een veel verdergaande stap dan het experiment waar wij vandaag over spreken. Luxemburg zou dan ook een partner moeten zijn van ons. Maar dan moet u het wel willen. Mijn vraag aan de ministers is dan ook heel concreet: wie hebben bezwaar gemaakt tegen de deelname van meer dan tien gemeenten? En zijn de ministers het met mij eens dat een hogere wetenschappelijke waarde van het experiment leidt tot een hogere graad van acceptatie in de ons omringende landen als daar het probleem zou liggen? De minister van Justitie en Veiligheid verwijst er immers naar: het moet wetenschappelijk zijn. Maar nu het kabinet zo voorbijgaat aan de wetenschappelijke adviezen van de commissie-Knottnerus, ondergraaft het toch zijn eigen internationale draagvlak voor deze proef. Of anders gezegd, mist het kabinet niet een enorme kans om het internationale draagvlak te vergroten door bewust na te laten de wetenschappelijke kwaliteit van het experiment te verhogen? Graag een reactie.

Voorzitter. Eén punt loopt als een rode draad door alle rapportages over criminaliteit en ondermijning: halfslachtig overheidsoptreden werkt niet. Lees Tops en Tromp er nog een keer op na: De achterkant van Nederland. Als de ministers zich op het standpunt blijven stellen dat zij het maximale doen, ondanks de wetenschappelijke adviezen die wijzen op de te behalen meerwaarde indien ze worden opgevolgd, dan is dat zeer teleurstellend maar aan de andere kant ook helder. Helder in die zin dat budget en politieke haalbaarheid de kaders blijken te zijn voor deze proef en dat resultaten daaraan ondergeschikt worden gemaakt.

Voorzitter. Het heeft er alle schijn van dat door het kabinet naar de letter van het regeerakkoord tegemoetgekomen wordt aan de afspraak die daar gemaakt is, maar dat het niet bereid is om ook maar een stap extra te zetten. Het is wat het is en daar helpt geen argument, hoe valide ook, meer aan. Een spatzuivere uitvoering, noemde de minister voor Medische Zorg dit in de Tweede Kamer. De kwalificatie laat echter volop ruimte voor interpretatie, omdat Van Dale het woord "spatzuiver" niet kent. Ieder kan daar dus zijn eigen invulling aan geven. Wat mij betreft staat de spatzuivere houding en uitvoering van de ministers bij dit experiment voor: onwrikbaar, doof voor argumenten en om politieke redenen niet bereid valide wetenschappelijke argumenten te volgen tegen beter weten in. Maar ik laat me door de ministers graag overtuigen van het tegendeel, vandaar mijn eerdere vragen op dit punt.

Voorzitter. Ik kom tot een voorzichtige afronding. De reikwijdte van de polsstok van dit experiment lijkt vooral gebaseerd op wat de coalitiepartijen onderling politiek hebben gedeald, om die term in dit verband maar eens te gebruiken. Er mogen geen extra financiële consequenties volgen voor de handhaving en we kunnen vaststellen dat de wetenschappelijke waarde, en daarmee de maatschappelijke opbrengst, niet optimaal is door de wijze waarop het kabinet de op eigen verzoek uitgebrachte adviezen terzijde schuift. Daarmee is ook de kans gemist om internationaal draagvlak te vergroten.

Alles overziend rest er een door de SP gewenst experiment dat met een betere wetenschappelijke invulling aanzienlijk meer informatie van een hogere kwaliteit op had kunnen leveren met meer internationaal draagvlak. De argumenten om de voorgestelde verbeteringen niet door te voeren missen naar onze mening overtuigingskracht. Het had zo veel beter gekund.

Voorzitter. Voor de SP staat voorop dat recht moet worden gedaan aan de schreeuw om hulp van de samenleving en al die lokale bestuurders die het water al lang tot de lippen staat en die al jarenlang met de handen in het haar zitten. Het vanachter een bureau in Den Haag beter denken te weten hoe de wereld eruitziet dan de lokale bestuurders die iedere dag met hun laarzen in de modder staan, maakt deze spatzuivere uitvoering tot een gemiste kans.

Voorzitter. Ik kijk uit naar de antwoorden van de ministers in de hoop dat er nog een inhoudelijk debat mogelijk is. Dank u wel.

De voorzitter:

Blijft u even staan. Meneer Janssen, van harte gelukgewenst met uw maidenspeech. Staat u mij toe om iets van uw achtergrond te schetsen.

Begin jaren tachtig begon u als horecamedewerker in het Kurhaus in Scheveningen. U groeide door en had verschillende leidinggevende functies in de horeca. In 1995 begon u als zelfstandig horecaondernemer in Scheveningen. Aan uw bedrijf kwam een abrupt einde toen u in 1998 een ernstig auto-ongeluk kreeg. Daardoor werd zowel uw korte- als langetermijngeheugen aangetast, heb ik begrepen. U begon aan een lang revalidatietraject. Als onderdeel van uw revalidatie besloot u rechten te gaan studeren aan de Open Universiteit. Tien jaar geleden, in 2009, studeerde u cum laude af als jurist. Daaruit spreekt uw sterke wil, uw heldere geest en uw doorzettingsvermogen.

Intussen was u in 2007 weer begonnen met werken. Bij de Tweede Kamerfractie van de SP werd u medewerker justitie en vreemdelingenbeleid. Omdat u ook op de kandidatenlijst had gestaan voor de Tweede Kamer, verving u als opvolger in 2011 Sadet Karabulut in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof. In diezelfde periode vonden de Provinciale Statenverkiezingen plaats. De SP in Zuid-Holland ging deel uitmaken van het bestuur van de provincie en vroeg u als lid van Gedeputeerde Staten.

Van 2011 tot 2015 was u als gedeputeerde verantwoordelijk voor bestuur, jeugdzorg, maatschappelijke participatie en milieu. Toen de SP in 2015 weer deel uit ging maken van het College van Gedeputeerde Staten in Zuid-Holland werd u opnieuw gedeputeerde. Ditmaal omvatte uw portefeuille onder andere milieu, bodemsanering, water en vervoer over water, en cultureel erfgoed.

Sinds 11 juni bent u Eerste Kamerlid. Daarnaast bent u aan de Universiteit Leiden als gastmedewerker betrokken bij een promotieonderzoek. Ook bent u van plan als zelfstandig adviseur aan de slag te gaan op het gebied van management en bedrijfsvoering.

In de brief waarin u uw ontslag aanbood als lid van Gedeputeerde Staten schreef u aan de nieuwe leden van Provinciale Staten van Zuid-Holland: "Politiek gaat over mensen en onze inwoners hebben niet alleen uw hoofd nodig, maar ook uw hart. Daarbij dienen alle inwoners van Zuid-Holland ons lief te zijn." Uw advies gaat even goed op in de Eerste Kamer, al zijn natuurlijk hier alle inwoners van Nederland ons lief, om uw woorden te gebruiken.

Nogmaals van harte welkom en ik zie uit naar uw inbreng in de komende debatten.

Dan geef ik nu het woord aan mevrouw De Boer.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Dank, voorzitter. Allereerst feliciteer ik alle leden die vandaag hun maidenspeech hebben gehouden of nog gaan houden. En dat er nog vele mooie bijdragen mogen volgen.

Voor mij geen maidenspeech vandaag, maar een herintredersspeech. Het is toch weer even wennen.

Voorzitter. Vandaag behandelen we de wet experiment gesloten coffeeshopketen. Het gaat hierbij om een experiment waarin niet alleen de verkoop van wiet en hasjiesj onder voorwaarden wordt toegestaan, maar ook de productie ervan. Een experiment waarmee de hypocrisie van het Nederlandse softdrugsbeleid — gedogen van de verkoop van hasjiesj en wiet zonder legale productie en aanvoer toe te staan — wordt doorbroken. En dat is wat GroenLinks betreft een belangrijke stap.

Zoals bekend is GroenLinks een voorstander van de decriminalisering en regulering van gebruik, verkoop en productie van softdrugs. Niet omdat wij het gebruik van softdrugs idealiseren of propageren — ook wij zien de gevaren — maar omdat decriminalisering in combinatie met regulering de beste mogelijkheid is om zowel de volksgezondheid te beschermen als de criminaliteit die gepaard gaat met illegale productie en aanvoer, te verminderen. En wij staan niet alleen in dit standpunt. Ook bij degenen die zich bezighouden met openbare orde en criminaliteitsbestrijding, en bij degenen die werken op het gebied van de verslavingszorg en de volksgezondheid, is er veel steun voor de regulering van softdrugs. Om eindelijk de achterdeur van de coffeeshops eens goed te regelen, of om ze te sluiten, zoals collega Dittrich zei. Om de kwaliteit van softdrugs te kunnen reguleren en controleren, en zo de gezondheid van gebruikers beter te beschermen. Om de capaciteit van politie en justitie effectiever en efficiënter te kunnen inzetten. Om de teelt veiliger te maken voor het milieu en de omgeving. Om accijns te kunnen heffen, net zoals we dat doen op andere legale verslavende middelen als alcohol en tabak.

Zover is het nu nog niet. We hebben het nu over een experiment, een experiment dat wat ons betreft zeker niet ideaal is. Ook sprekers voor mij hebben daar al het een en ander over gezegd. Over de precieze invulling van het experiment zijn door ons en door andere partijen zowel hier als in de Tweede Kamer veel vragen gesteld, heel veel vragen. En zoals dat gaat, zijn wij met sommige antwoorden tevreden en met andere minder.

Zo betreuren wij het dat er niet is gekozen voor een experiment waarbij de gemeenten binnen een zekere bandbreedte zelf voorstellen konden doen voor de invulling. We betreuren het dat het, mede hierdoor, niet is gelukt om een van de G4-gemeenten aan het experiment te laten deelnemen. We spreken onze hoop uit dat de onderzoekscommissie die het experiment gaat uitvoeren een vorm vindt waarin, binnen de kaders van de wet, G4-gemeenten die dat willen, zoals Utrecht, alsnog betrokken kunnen worden.

Ook vinden wij dat de betrokkenheid van gebruikers bij het experiment er in de voorliggende regelgeving wat bekaaid afkomt, hoewel het issue dankzij een motie van Ploumen en Buitenweg in de Tweede Kamer wel op het netvlies is gekomen en inmiddels iets serieuzer wordt opgepakt. Ook over de ondersteuning van de gemeenten — zowel financieel als op het gebied van kennis en capaciteit — en de veiligheid van alle betrokkenen — ook daar is al eerder over gesproken — zal het laatste woord nog niet gezegd zijn. Wij vertrouwen erop dat de ministers hierin constructief samenwerking met de deelnemende gemeenten zoeken. En wij vertrouwen erop dat met name de Tweede Kamer — die door de ministers op verschillende punten zal worden geïnformeerd — haar controlerende taak hier zal vervullen.

Wat de fractie van GroenLinks betreft is het experiment, zoals gezegd, een eerste stap op weg naar de volledige decriminalisering en regulering van softdrugs. Een eerste stap die wat ons betreft zo snel mogelijk daadwerkelijk gezet moet gaan worden, en een eerste stap die wat ons betreft gevolgd moet worden door verdere stappen. In de nota naar aanleiding van het verslag antwoordden de ministers ons dat zij ernaar streven om alle wet- en regelgeving zodra deze gereed is, zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. Ik maak hieruit op dat dat betekent dat er niet gewacht wordt op een van de vaste inwerkingtredingsdata zoals die worden gehanteerd: 1 januari of 1 juli. Graag een bevestiging. Verder vraag ik de ministers wat concreter te worden en een indicatie te geven van de verwachte ingangsdatum.

Voor wat betreft de vervolgstappen hebben de ministers al meerdere malen duidelijk gemaakt dat zij niet vooruit willen lopen op de uitkomsten van het experiment door alvast voorbereidingen te gaan treffen voor de voortzetting en uitbreiding na afloop van de experimenteerfase. Volgens hen is er voldoende tijd om na de evaluatie, die uiterlijk acht maanden voor het einde van het experiment moet zijn afgerond, een beslissing over het vervolg te nemen, waarbij op dat moment de experimenteerfase desgewenst met anderhalf jaar verlengd kan worden. Het kabinet is van oordeel dat die periode voldoende is om het experiment indien gewenst om te zetten in algemeen geldende wetgeving. Is dit niet een wat optimistische inschatting voor een heel wetgevingsproces over een onderwerp waarover naar ik aanneem, ook na het experiment geen unanimiteit bestaat binnen de Nederlandse politiek? En hoe kunnen we dan voorkomen dat de opgebouwde infrastructuur zal moeten worden afgebouwd als de verlengingstermijn te zijner tijd toch te kort blijkt? Zijn de ministers het met mij eens dat dat zeer onwenselijk zou zijn? En zijn zij bereid om in ieder geval processuele scenario's uit te werken om te voorkomen dat het zover hoeft te komen?

Wat de fractie van GroenLinks betreft moeten we voorkomen dat het nadenken over de verdere decriminalisering en regulering van softdrugs stopt "omdat er een experiment loopt". De ontwikkelingen zullen doorgaan, ook in andere landen, en ook in internationaal verband. Wij vinden het belangrijk dat Nederland in die discussies niet aan de zijlijn blijft staan, maar hieraan actief deelneemt. Zijn de ministers dat met mij eens? En zijn zij het er ook mee eens dat Nederland in de internationale discussies een positie moet innemen die omzetting van het experiment in algemeen geldende wetgeving in ieder geval mogelijk zou moeten maken? Eerder antwoordde de minister al dat er op zowel politiek als ambtelijk niveau contact is met Uruguay en Canada. Kunnen wij ervan op aan dat die contacten zullen worden voortgezet en mede gericht zullen zijn op het onderzoeken van de mogelijkheden van internationaalrechtelijke inpassing van de decriminalisering en regulering van softdrugs?

Hoe staat het met de contacten in Europa op dit punt? Is er op politiek en ambtelijk niveau ook contact met Luxemburg hierover? En hoever staat het eigenlijk met het proces van regulering in Luxemburg? Als dat er nog niet is, zijn de ministers bereid hiertoe het initiatief te nemen?

Voorzitter. Het zal na dit betoog niet verbazen dat de fractie van GroenLinks dit wetsvoorstel voor het experiment zal steunen in de hoop dat er na deze stap meerdere zullen volgen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Een vraag van de heer Van Dijk.

De heer Van Dijk (SGP):

Ik heb met belangstelling geluisterd naar de speech van mevrouw De Boer. Het viel mij op, zeker aan het begin van de speech, dat u de gevaren van drugsgebruik bepaald niet bagatelliseert. Dat is terecht, want we hoeven alleen maar te kijken op de website van Moedige Moeders, hoe moeders stuk gaan doordat hun kinderen aan de drugs zijn geraakt. Ik ga er dus van uit dat u het serieus zult menen. Ziet u het risico van dit wetsvoorstel dat het drugsgebruik hiermee wel verder kan worden genormaliseerd? Wilt u daar nog op reflecteren?

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Ik denk dat er risico's aan zijn verbonden, net zoals met alle andere soorten drugs en alcohol en tabak. Ik denk dat het goede van dit wetsvoorstel is dat er ook op de risico's daarvan wordt gewezen; dat er ook in de preventiesfeer het een en ander zal worden gedaan. Dus ja, wij zien de gevaren. Nu is het wel zo dat er wat ons betreft onderscheid gemaakt moet worden tussen softdrugs en harddrugs. De gevaren van hasjiesj en wiet zijn in ieder geval niet ernstiger dan bijvoorbeeld de gevaren van alcoholgebruik. Ook daar moeten wij voor waarschuwen en inzetten op preventie. Dat geldt dus ook voor hasjiesj en wiet.

De heer Van Dijk (SGP):

Of softdrugs nog soft zijn, vraag ik me heel erg af. Maar wordt het risico van normalisering niet veel groter nu ook de overheid haar stempel er eigenlijk op zet van "dit is goede stuff", om de woorden van collega Dittrich maar eens te gebruiken? Wordt dat risico dan toch niet te groot? Hoe verhoudt zich dit met de opening van uw speech dat de gevaren van drugsgebruik bepaald niet gebagatelliseerd mogen worden?

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Naar mijn oordeel is het veel beter om toezicht te houden op de kwaliteit van de drugs wanneer dat gereguleerd is dan wanneer het volledig in het criminele circuit zit, zoals nu het geval is. Althans, de teelt ervan.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Bikker.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Allereerst felicitaties aan u als maiden-voorzitter deze dag! Veel plezier erbij. En natuurlijk felicitaties aan de collega's Van Wely, Dittrich, Janssen en straks vast ook aan de heren Meijer en Recourt, en natuurlijk aan de herintreder in ons midden, mevrouw De Boer. Mooi om op dit moment dit debat met elkaar te voeren, een debat dat er nogal toe doet. Want dagelijks rollen de nieuwsberichten van opgerolde wietplantages, van drugsdumpingen en de heftige effecten van ondermijnende drugscriminaliteit over ons heen. Daarachter ligt een donkere wereld van zware criminaliteit, van verslavingen, van burgers die ongevraagd met drugsafval te maken krijgen en van onterecht genormaliseerd drugsgebruik.

Waar 40 jaar geleden wietgebruik vooral iets was voor linksige hippies, is de wereld van softdrugs stevig veranderd. Wereldwijd wordt er grof geld mee verdiend door criminelen. De sterkte van de beschikbare cannabis is alleen maar toegenomen. Duidelijk is dat er inmiddels al een groot veelkoppig probleem is als het gaat om de beschikbaarheid van softdrugs en harddrugs in onze samenleving.

Het wetsvoorstel dat vandaag voorligt, de Wet experimenten gesloten coffeeshopketen, is daarin geen veelomvattende oplossing. De regering presenteert dit experiment als een poging om te bezien of het realiseren van een gedecriminaliseerde keten mogelijk is en tevens wat de effecten daarvan zijn. Want ja, er is een groot probleem in onze samenleving door de aanwezigheid van softdrugs. Het huidige gedoogbeleid blijkt daarin nog steeds niet het recept om dat te verminderen. Wat te doen?

De vraag die vandaag voorligt is of het voorgestelde experiment bouwstenen geeft die tot verbetering van het beleid leiden. Vervolgens is de vraag of het experiment uitvoerbaar, handhaafbaar en rechtmatig is. Daarnaast is er de vraag met welke neveneffecten het voorstel gepaard gaat. De fractie van de ChristenUnie mist op een heel aantal van deze punten nog overtuigende antwoorden, maar juist daarin kan dit debat ook behulpzaam zijn.

De bouwstenen van het experiment zullen namelijk moeten liggen in gezondheidswinst, in vermindering van criminaliteit en in het terugdringen van ondermijning. De regering wil zich echter op voorhand niet uitspreken wanneer het experiment geslaagd is. Voor vijf jaar — zes maanden voorbereiding, vier jaar experiment, zes maanden afbouw — is het experiment echter wel het antwoord op de zoektocht naar een beter beleid. Klopt die stellingname, zo vraag ik de ministers.

Wie vijf jaar de tijd neemt, moet dat wel met recht en rede doen. Wat als het gebruik intussen toeneemt, als nog duidelijker wordt hoe groot de gezondheidsrisico's zijn of als de criminaliteit desondanks niet afneemt? Wat is dan de winst van deze tussentijd? Laat de minister die vijf jaar lang liggen? Welke vinger houdt de minister aan de pols?

Als gedurende het experiment blijkt dat er absoluut geen bouwstenen worden verzameld of dat er op het terrein van de gezondheidsrisico's of de zware drugscriminaliteit stevige veranderingen optreden, is er dan ruimte om te handelen? Ik vraag op dit punt heldere uitspraken.

Is overwogen om een volgend kabinet zeggenschap te geven halverwege het experiment of er voldoende bouwstenen worden verzameld om het door te zetten? Ik zie uit naar het antwoord van de minister.

Alvorens toe te komen aan de toets op uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en rechtmatigheid wil de ChristenUniefractie haar grote zorgen neerleggen die zij heeft in ethisch opzicht. Ook aan op kwaliteit gecontroleerde en legaal geteelde cannabis kleven gezondheidsrisico's. Aan cannabis kun je verslaafd raken. Je kunt er psychische problemen mee verergeren en uitlokken als je daar gevoelig voor bent. Je geheugen en leerprestaties kunnen afnemen. En bovenal: roken van cannabis is ongezond. Er zitten minstens zo veel schadelijke stoffen in cannabisrook als in tabaksrook. Dat kan problemen als hoesten, bronchitis en andere longklachten geven. Bedenk dat de meeste gebruikers hierbij ook nog roken, aldus de site van het Trimbos-instituut. Een experiment met door de Staat goedgekeurde drugs heeft het grote gevaar in zich dat de boodschap impliciet wordt "deze drugs deugen wel", in die zin dat er ook geen criminaliteit mee wordt gesponsord. Maar ook is er nu goed gekeken naar de samenstelling. Echter, de gezondheidsrisico's blijven even groot.

Cannabisgebruik kan volgens een groeiend aantal onderzoeken psychoses veroorzaken, een risico waarvoor snel meer aandacht moet komen volgens vooraanstaande psychiaters. Welke gevolgen heeft deze bevinding voor dit experiment? Waarom wordt niet stevig ingezet op het verminderen van het aantal jonge gebruikers en het aantal startende gebruikers, juist als duidelijk is dat jonge mensen een vergroot risico lopen? Of is die vermindering wel het doel van de meegeleverde preventieve aanpak bij dit experiment?

De hoogte van het THC-gehalte — voor de luisteraar: de sterkte van de gebruikte wiet — is in de afgelopen decennia enorm toegenomen. Ambtsvoorgangers van deze ministers hebben hun zorgen geuit dat cannabisgebruik daarmee steeds meer op harddrugsgebruik gaat lijken. De adviseringscommissie heeft de minister echter afgeraden om eisen te stellen aan het THC-gehalte, omdat wetenschappelijk gezien de bewijzen niet onomstotelijk zijn. Dat is ook lastig, want het is simpelweg ethisch onverantwoord om een gerandomiseerd klinisch onderzoek te doen, waarbij één groep mensen wel en een andere groep mensen geen cannabis gebruikt, met als doel om te kijken of in die eerste groep psychoses optreden. Zo'n type onderzoek wordt in de wetenschap ethisch onverantwoord geacht. De negatieve gevolgen voor de deelnemers zijn te groot.

Ik ben in dit opzicht echter wel benieuwd hoe de minister het experiment nader vorm wil geven. Er komen controlegemeenten. Komen er ook controledoelgroepen? En wat betekent dat in ethisch opzicht? Hoe komt de minister tot onomstotelijke bevindingen als het om de gezondheidswinst gaat? Kan hij toezeggen dat hij ook de ethische vraagstukken in wetenschappelijk opzicht laat wegen? Is hij bereid tot toetsing door de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek? Wil hij die aan deze Kamer laten toekomen? Dit was trouwens ook een advies van de commissie-Knottnerus.

Maar ook als het bewijs voor gezondheidsschade niet 100% is, maar de aanwijzingen wel zo groot dat er een enorm risico is, wil de ChristenUniefractie niet op haar handen zitten. Wat is er voor de minister nodig om stappen te ondernemen? Wanneer durft hij het aan om het THC-gehalte toch te beperken? Kan hij hier duidelijk maken dat er geen beleidsmoratorium geldt voor het softdrugsbeleid? Het is goed dat er een preventieve aanpak wordt voorbereid, maar dan moet ook wel alles uit de kast worden gehaald.

Het experiment gaat bovendien uit van de oude kanalisatiegedachte, die we in Nederland vaak hebben bij dergelijke zaken. Niet alleen het gedoogbeleid is daar een voorbeeld van. Ook bij de onlangs in deze Kamer besproken legalisering van het onlinegokken was het bijvoorbeeld de ratio: kanaliseer wat slecht is en er zal minder gebruik van worden gemaakt. Maar is dat waar? Het omgekeerde geldt namelijk ook. Veel aanbod stimuleert de vraag. Dat begint nu ook duidelijk te worden uit de legalisering van cannabis in de Verenigde Staten, waar een commerciële markt is ontstaan die nieuwe gebruikers trekt. Welke lessen durft de minister daaruit te trekken? En kan dat ook terwijl het experiment loopt?

Uit het veld van alcoholpreventie en tabaksontmoediging weten wij dat het inperken van het aanbod in termen van aantal verkooppunten of zichtbaarheid van het product kan helpen het gebruik terug te dringen samen met dat eerdergenoemde sterke preventiebeleid. Ik vraag de minister om de heldere toezegging dat in de betrokken gemeenten het aantal verkooppunten ten minste niet zal toenemen. Ik vraag hem ook hoe hij wil monitoren welk effect dit experiment heeft op de normalisering van drugs. Voor mijn fractie is dat een belangrijke bevinding bij de beoordeling van dit experiment. Ik vraag hem ook om de toezegging dat de voorgestelde preventieaanpak, inclusief het onderzoek dat nodig is voor kwetsbare doelgroepen, helemaal klaarligt en van start gaat voordat het experiment begint. De ChristenUnie vindt namelijk dat met hoofdletters boven het drugsbeleid moet staan: BEGIN ER NIET AAN. Deelt de minister dat? Wat is de boodschap die de overheid met dit experiment afgeeft? Hoe doet de minister dat?

Voorzitter. Dan kom ik toch op die toets op uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en rechtmatigheid. Ten aanzien van de uitvoerbaarheid geven de belangrijkste actoren, Openbaar Ministerie, politie en rechterlijke macht, aan dat het voorgestelde experiment uitvoerbaar is. Ik vraag de minister daarnaast welke verwachtingen hij heeft van de verbeterde voorlichting en preventie in de betrokken coffeeshops. Verwacht hij een toenemende vraag naar hulpverlening in de betreffende regio's? Heeft hij daar middelen voor?

Mijn fractie heeft een aantal vragen gesteld over de handhaafbaarheid. De zorgen daarover zijn nog niet weggenomen. Hoe wordt de veiligheid van betrokkenen gegarandeerd zonder extra inzet van de politie? Het Openbaar Ministerie rekent in zijn advies voor dat het nettobedrijfsresultaat van een gemiddeld glasgroentebedrijf €12 per m2 is. Voor een hennepkwekerij gaat men bij binnenteelt uit van €7.000 per m2. Simpelweg dat gegeven vraagt al om handhavingsinzet. Uit de financiële bijlage wordt mij onvoldoende duidelijk hoe het kabinet deze bekostigt, met name waar het gaat om de politie.

Ten aanzien van de rechtmatigheid wringt het wetsvoorstel allermeest. Duidelijk is dat het voorgestelde experiment niet in lijn is met de verdragen waar Nederland partij in is. De Raad van State schetst dit dilemma ook. Maar tegelijkertijd ligt er wel een cannabisproblematiek en zijn alternatieven voor het huidige, weinig effectieve beleid nodig. Juist dan, in dat opzicht, is het echter van belang om goed na te gaan of dit experiment voldoende zinvol, geloofwaardig en wetenschappelijk verantwoord is. Alleen dat billijkt een Nederlandse afwijking van de verdragen. Heeft de minister ten aanzien van deze eisen voorwerk verricht bij de Europese landen en de Verenigde Naties? Geeft dit hem het vertrouwen dat de resultaten van dit experiment in de internationale en Europese context ook zeggingskracht zullen hebben? Kan hij dat onderbouwen? Ik ben daar zeer benieuwd naar.

Voorzitter. De fractie van de ChristenUnie vindt deze spanning met de verdragen — en dan formuleer ik het vriendelijk — een uitzondering die absoluut tijdelijk van aard moet zijn. Ze heeft daarom met instemming kennisgenomen van de antwoorden van de minister in de schriftelijke inbreng dat juist daarom de tijdelijkheid en de termijn van die vier jaar zo belangrijk zijn. Op deze plek onderstreep ik dat.

Voorzitter. U heeft gemerkt dat de fractie van de ChristenUnie ziet dat het huidige beleid ineffectief is, maar we hebben echt een groot aantal zorgen over de keuze voor dit experiment. Die liggen op het gebied van de normalisatie, van de gezondheidsrisico's, van de nodige politie-inzet en van de spanning met de internationale verdragen. Als de overheid zich dieper mengt in de regulering van een markt die tot in zijn vezels verbonden is met de criminaliteit, begeeft zij zich op glad ijs. Je kunt iets doen met de tijdelijkheid. Je kunt aanvullende eisen stellen aan de sterkte van de aangeboden middelen en eisen stellen voor het weren van kwetsbare doelgroepen en andere doelgroepen, zoals jongeren. Het kan allemaal, maar het blijft ingewikkeld. Ik ken deze minister — en dan heb ik het over de minister van Justitie; het spijt me voor minister Bruins — als iemand die zich met volle inzet geeft in de strijd tegen zware criminaliteit, en dus ook de drugscriminaliteit. Dat is keihard nodig. De ChristenUnie steunt hem daar van harte in. We zullen de zware drugscriminaliteit echter niet de genadeslag toebrengen met dit experiment. Daar is veel meer voor nodig. Ik vraag de minister om in het vervolg van de kabinetsperiode juist op dat punt de volle inzet te blijven geven en met een structurele aanpak te komen ter bestrijding van de vele ellende die drugs veroorzaken in ons land.

Dank u wel.

De heer Van Dijk (SGP):

Een buitengewoon pittige en kritische speech van mijn gewaardeerde collega, zoals we dat gewend zijn. Toch nog even de volgende vraag. Ik weet natuurlijk dat de ChristenUnie een zekere binding heeft aan dit regeerakkoord. Welke ruimte ziet uw fractie nog, welke route ziet u nog om deze draak van een wetsvoorstel, zoals u het ook heeft neergezet, om te leggen?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank u wel voor uw op zijn minst ook pittige vraag. Maar het is wel een goede vraag, denk ik. Laten we de verhoudingen schetsen. Onze Tweede Kamerfractie heeft een coalitieakkoord gesloten. Daar staat een handtekening onder. Dat geldt niet voor onze Eerste Kamerfractie. Wij horen natuurlijk wel bij een coalitie. Dat heeft u zeer terecht opgemerkt. Dat is zo en dat blijft hopelijk ook zo. Maar ik wil opmerken dat wij als senaatsfractie gewoon wel onze toets hebben te doen, namelijk of die wet goed in elkaar zit. Daarover heb ik een aantal zorgen neergelegd bij de minister. Ik weet ook welke gevoeligheid er hierover leeft in de coalitie. Ik zal daar natuurlijk met zorg mee omgaan, anders zou ik geen knip voor de neus waard zijn. Maar het belangrijkste vind ik dat wij stappen zetten op het gebied van het drugsbeleid. Op dit moment faalt dit. We zoeken naar een oplossing. Het kabinet zegt: dit zou een oplossing kunnen zijn. Dan zeg ik dat ik een aantal dingen belangrijk vind. Dan gaat het om preventie, namelijk dat duidelijk is dat je hier eigenlijk niet aan moet beginnen. Het tweede is toch ook wel dat een kabinet kan handelen op het moment dat de bouwstenen uit zo'n experiment niet geleverd worden.

De heer Van Dijk (SGP):

Dank voor het hele heldere antwoord. Ik zie met heel veel belangstelling uit naar de eindafweging die de ChristenUnie gaat maken.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Maar niet te snel, niet te snel, meneer Van Dijk! Eerst de minister horen en goede dingen meemaken. Dat lijkt me prachtig.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Rombouts.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Rombouts (CDA):

Mevrouw de voorzitter, wat leuk om u hier te zien zitten. Proficiat met uw maiden-chairwomanship. Mevrouw De Boer, wat fijn u hier te zien herintreden vanochtend. Namens onze gehele fractie proficiat aan de collega's die vandaag hun maidenspeech hebben gehouden en aan degenen die dat nog zullen doen, de heer Meijer, de heer Recourt en mevrouw Bezaan. Proficiat aan collega Janssen, collega Dittrich en de heer Van Wely.

Dames en heren, mevrouw de voorzitter. De Lof der Zotheid is het bekendste werk van Desiderius Erasmus. Een boek met een dubbelzinnige titel, want het bevat een loflied waarin de Zotheid geprezen lijkt te worden, maar in werkelijkheid worden allerlei menselijke dwaasheden aan de kaak gesteld. Minder bekend is de Lof der lankmoedigheid van de Leuvense hoogleraar Rik Torfs. Hij stelde in zijn in 2006 uitgegeven boek de gebreken van onze tijd aan de kaak. De Lof der lankmoedigheid: wat is eigenlijk lankmoedigheid? Het wijst op de eigenschap dat men veel kan toegeven of toelaten. Synoniemen voor lankmoedig zijn: meegaand, toegeeflijk, tolerant.

Mevrouw de voorzitter. Zijn wij in ons land in de afgelopen jaren niet te lankmoedig geweest, te meegaand, te tolerant? Wordt het geen tijd dat wij paal en perk stellen aan de ondermijning van onze maatschappij, onze democratie, onze rechtsstaat, door de georganiseerde criminaliteit? Onze Nederlandse tolerante houding ten opzichte van drugsgebruik heeft in de zeventiger jaren juridisch vorm gekregen in het gedoogbeleid rondom de coffeeshops. Het is hier al gememoreerd. Daarbij wordt heel graag de minister van de partij, het CDA, genoemd. We hebben in ons land zo'n kleine 600 coffeeshops. Elk zichzelf respecterend stadje heeft er wel een. Grotere steden hebben er wel vijf tot tien. En onze hoofdstad heeft er maar liefst 167.

Het idee achter het coffeeshopbeleid was om een scheiding te maken tussen de markt voor harddrugs en de markt voor softdrugs. Inmiddels weten wij beter. Het werd net ook al gezegd. Softdrugs zijn harder geworden. In de negentiger jaren bevatte de in de coffeeshops verkochte cannabis nog 8% THC. Al jaren ligt dit rond de 20%. Het recent teruggetreden hoofd van de Landelijke Recherche, Wilbert Paulissen, wees er in Cahiers Politiestudies nog maar eens op dat weliswaar het beeld bestaat dat het gedoogbeleid alleen softdrugs betreft, maar dat ook het gebruik van cocaïne en synthetische drugs stapje voor stapje is gedoogd. Dat zegt dus het hoofd van onze Landelijke Recherche. Op grond van het schriftelijk vastgelegde vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie van 2015 vindt geen gerichte opsporing van het gebruik van harddrugs meer plaats, en ook geen inverzekeringstelling. De CDA-fractie vraagt zich af hoe het zo ver heeft kunnen komen. Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat een beschaafd land als Nederland een bronland voor drugs is geworden? Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat onze hoofdstad overspoeld wordt door buitenlandse toeristen die niet meer worden aangetrokken door de Amsterdamse grachten of de schilderijen van Rembrandt van Rijn, maar door zijn dominant geworden unique selling point, ons tolerante drugsklimaat? Steeds vaker hoor je geluiden dat Amsterdammers hun stad ontvluchten vanwege de overlast die deze drugstoeristen veroorzaken. Dit is niet het land dat het CDA aan uw en onze kinderen en kleinkinderen door wil geven. Dan is de vraag die hier vandaag voorligt of wetsontwerp 34997, dat voorstelt om in tien gemeenten te gaan experimenteren met de productie en verkoop van legale wiet, een stap in de goede richting is.

Mijn fractie heeft hierover ernstige twijfels. Deze liggen op drie niveaus. Op het niveau van het project zelf en de opzet daarvan, op het niveau van de met de experimenten beoogde effecten, de impact en, meer fundamenteel, of het kabinet wel met de goede dingen bezig is, of dat er iets heel anders moet gebeuren. En dan misschien ook nog de meer principiële kwestie voor ons: zetten wij met deze experimenten niet de deur open naar verdere normalisering van drugsgebruik, naar uiteindelijk legalisering?

Laat ik helder zijn. Dat is niet de weg die het CDA wil inslaan. Wij van het CDA staan voor een beter Nederland, waar waarden gerespecteerd worden, een land waar we niet tolereren dat onze democratie, onze rechtsstaat ondermijnd worden. Een land met een sterke samenleving en een eerlijke economie, met een overheid die nee durft te zeggen tegen onfatsoen, mateloosheid en doorgeschoten individualisme. Een land waar niet het recht van de sterkste geldt.

Mevrouw de voorzitter. Dit wetsontwerp is een stap voorwaarts. Versta mij goed: een stap voorwaarts richting verdere normalisering, uitmondend in legalisering, terwijl de tijdgeest nou juist aangeeft dat we een stap terug moeten zetten richting bewustwording en ontmoediging.

Hierover straks meer, maar laat ik eerst terugkeren naar het wetsvoorstel zelf, naar de experimenten. Dat mijn fractie niet staat te trappelen om vóór dit voorstel te stemmen was al wel af te lezen aan onze kritische vragen tijdens de schriftelijke behandeling. Vragen over de beperkte opzet van de experimenten, het geringe aantal gemeenten, de korte doorlooptijd. En: wie draait op voor de kosten, de uitvoeringskosten, maar ook eventuele schadeclaims? Twijfels over de rechtmatigheid, de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van dit wetsvoorstel. Want schreef de Raad van State niet dat de experimenten vermoedelijk in strijd zijn met internationaal recht? En als de experimenten zouden lukken, dan is volgens diezelfde Raad van State definitieve regulering sowieso in strijd met door Nederland ondertekende verdragen. Waarom, zo vragen wij de druk appende minister van Justitie en Veiligheid, zouden we er dan überhaupt aan beginnen? Ook mag met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden aangenomen dat legaal geproduceerde wiet duurder zal zijn dan illegale. Waarom zouden gebruikers hiervoor dan kiezen?

Bovendien is het zo dat de diversiteit van het aanbod in de huidige coffeeshops groter is dan in het wetsvoorstel wordt verlangd van de gelegaliseerde teelt. Gebruikers zoeken die diversiteit en zullen er alles aan doen dit ruimere aanbod te blijven krijgen. Ergo, er blijft een parallelle illegale markt. Denken de bewindslieden echt dat de legale en illegale wietstromen gescheiden te houden zijn?

Het is echt niet zo dat wij van de CDA-fractie niet willen inzien dat met de experimenten nobele doelen worden nagestreefd. Het kabinet beoogt de volksgezondheid te verbeteren en de criminaliteit te verminderen. Wie kan daar nou op tegen zijn? Het is echter de taak van de Eerste Kamer om niet alleen te waken voor die drie aspecten die we hier steeds zo graag noemen, maar ook voor de waan van de dag, voor wishful thinking, voor symboolpolitiek. Vandaar de vraag van mijn fractie aan het kabinet waarom er niet voor gekozen is om, als het de volksgezondheid wil dienen, een maximum te bepalen voor het THC-gehalte van de legaal geproduceerde wiet. Gelooft het kabinet nou echt dat de experimenten zullen leiden tot een daling van de criminaliteit?

Een recent bezoek van een delegatie van de Nederlandse politie aan Canada heeft uitgewezen dat legalisering daar niet direct tot minder drugscriminaliteit heeft geleid. Professor Tops zegt er het volgende over: "Voorlopig is het nog een grote vraag of het legale systeem in Canada opgewassen zal zijn tegen de macht en de omvang van het illegale systeem." We lezen het in het rapport dat ons gisteren en vandaag is verstrekt.

De heer Dittrich (D66):

Een vraag aan collega Rombouts. U hebt het over Canada. In een eerder deel van uw betoog zei u: stel dat we verdergaan met het Nederlandse gedoogbeleid richting legalisering, dan is dat in strijd met internationale verdragen. Nu haalt u Canada aan. Canada heeft gelegaliseerd. Waarom zou Canada wél kunnen legaliseren, en zou dat niet in strijd met dezelfde verdragen zijn waar Canada en Nederland partij bij zijn, en zou dat voor Nederland wel gelden?

De heer Rombouts (CDA):

Als je buurman in de sloot springt, hoef je het nog niet zelf te doen. Wij moeten naar onze eigen normen en waarden omgaan met internationale verdragen. In de discussie die nu al jaren loopt, is ook bijvoorbeeld onder minister Opstelten keer op keer gezegd: de weg die burgemeesters willen gaan met dit type experimenten is in strijd met internationale verdragen, en we willen het antwoord gewoon niet meer horen. Vandaar dat ik zeg: bezint eer ge begint, want het moge dan zo zijn dat de Raad van State niet keihard zegt dat voor deze experimentenwet geldt dat ze in strijd is met internationale verdragen, maar vermoedelijk wel, omdat het hier natuurlijk om tijdelijkheid gaat en om experimenten. Maar sowieso kun je uit de advisering van de Raad van State van de laatste jaren aflezen dat als we tot definitieve regulering willen komen, er dan sprake is van strijd met internationale verdragen. Ook al zou een ander dat willen doen, in strijd handelen met ondertekende verdragen, dan zou u dat als oud-rechter toch niet moeten willen, meneer Dittrich?

De heer Dittrich (D66):

Ik kijk inderdaad naar de juridische kracht van verdragen. Als Nederland doorgaat op de weg van legalisering, waarvoor ik niet echt iemand hier heb horen pleiten, dan snap ik niet waarom Nederland dan op zijn kop zou krijgen dat dat in strijd zou zijn met hetzelfde internationale verdrag waar ook Canada partij bij is. Canada hééft gelegaliseerd, dat is een feit, en er is niemand die tegen Canada zegt: dit is in strijd met het verdrag.

De heer Rombouts (CDA):

Ik hoor wat u zegt en ik heb mijn antwoord gegeven. Mooier kan ik het niet maken.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Rombouts (CDA):

Ik kom bij een tweede aspect als we kijken naar de impact die beoogd wordt met deze experimenten. Aan de ene kant zijn de ervaringen in dat ene land dat al verder is gegaan nog niet hoopgevend. In ons land kunnen we zonder meer ook vaststellen dat 80% tot 90% van de hier geproduceerde wiet bestemd is voor de export. Dus daar zal de export aan Nederlanders in Nederlandse coffeeshops nauwelijks aan bijdragen. Mijn vraag aan de bewindslieden is: waarom zou dit in ons land dan wel gaan lukken, wetende dat 80% tot 90% van de hier geproduceerde wiet voor de export is bedoeld, terwijl dit voor andere experimenten sowieso helemaal niks helpt?

Nu kunnen wij vandaag nog heel lang stilstaan — en dat doen we ook tot vannacht — bij de wijze waarop deze experimenten opgezet moeten gaan worden en bij de daarmee beoogde effecten. Maar dan hebben we het over de vraag of we de dingen, de experimenten, goed doen en niet over de vraag of we de goede dingen doen, of het kabinet zijn tijd en energie wel in de juiste dingen steekt.

De recente moord op de advocaat Derk Wiersum, een recent zorgwekkend onderzoek van het Trimbos-instituut en een dito rapport van Tops en Tromp over de situatie in Amsterdam hebben er mede voor gezorgd dat de roep in Nederland om een offensief tegen de ontwrichtende gevolgen van de ondermijnende drugscriminaliteit steeds luider wordt. Ik zeg "mede", want niet alleen in Amsterdam, maar ook in andere grotere en kleinere steden van ons land wordt al jarenlang overlast ervaren; vandaag nog in de krant in het oosten van het land. Maar de verhalen van Brabant zijn u en mij natuurlijk heel goed bekend. Daar ervaren we overlast van de handel in drugs, van overmatig drugsgebruik en de ondermijnende effecten van de hiermee gepaard gaande criminaliteit. Laat ik drie praktijkvoorbeelden met u delen. Ik dacht dat collega Janssen dat ook deed. Het zijn voorbeelden die ik persoonlijk van nabij heb meegemaakt, drie maar.

Als burgemeester van de Brabantse hoofdstad zijn mij de verhalen meer dan bekend van buurtbewoners over het voor hun ogen doorverkopen van drugs aan minderjarigen. Ook ken ik de verhalen van politieagenten, die soms week na week optraden tegen uitgaans- en voetbalgeweld, maar geen vat kregen op deze vechtersbazen, ook niet bij gebruik van de wapenstok, omdat deze raddraaiers stijf stonden van drugs en drank. En ik herinner me nog goed de talloze keren dat op zondagmiddag — je kon er de klok op gelijkzetten — om drie, vier uur de telefoon ging, en ik tegen mijn vrouw zei: ik weet wel weer hoe laat het is. Dan werd ik door de politie gebeld om een huisverbod op te leggen aan mannen, die na een zaterdagavond zuipen en snuiven hun vrouw of vriendin in elkaar geslagen hadden of aan de haren door de woonkamer gesleurd hadden. Huiselijk geweld, niet zelden in het bijzijn van hun nog jonge kinderen. Doorverkoop aan minderjarigen, geweld tegen politieagenten en huiselijk geweld: slechts drie voorbeelden uit de Bossche praktijk.

Kijkend naar Nederland, mevrouw de voorzitter, dan zien we wietplantages in woonwijken; drugslabs in schuren op het platteland; drugsdealende motorclubs; handgranaten in coffeeshops; liquidaties op klaarlichte dag; bedreiging van bestuurders, officieren van justitie, politiemensen en journalisten; kwetsbare jongeren die de drugscriminaliteit ingezogen worden. Ziehier een kleine schets van drugsgerelateerd crimineel Nederland anno 2019, een land waarin de onderwereld steeds meer grip op de bovenwereld krijgt. Op dit vlak geen land om trots door te geven. Een land met een hoofdstad die volgens Tops en Tromp de Europese draaischijf van de handel in cocaïne en andere drugs is geworden. Amsterdam, een stad die volgens misdaadjournalist Roberto Saviano erger is dan Napels als het gaat om witwassen. Een stad ook waar talloze clans uit Oost-Europa zich gevestigd hebben, omdat het Nederlandse systeem zo gunstig voor ze is. "Ze zijn hier", zo zegt Saviano, "omdat jullie het toelaten. Jullie gedoogbeleid, dat in feite neerkomt op de afwezigheid van regels, heeft zeker niet geholpen".

In Nederland, mevrouw de voorzitter, beginnen alle doorvoerlijnen naar de rest van Europa. Hier worden miljarden verdiend met drugssmokkel. Tops en Tromp berekenden dat het verdienmodel in Amsterdam zo omvangrijk is dat het de financiële verhoudingen corrumpeert en — dat zou GroenLinks aan moeten spreken — de sociale verhoudingen ontwricht.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Ik vind het een heel interessant verhaal van de heer Rombouts en ik denk dat inderdaad grote delen daarvan ons ook aanspreken en dat het een probleem is dat geadresseerd moet worden. U gaat natuurlijk over uw eigen spreektijd en wat u wilt adresseren bij de behandeling van een wetsontwerp, maar ik ben wel benieuwd wat precies het verband is met het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen. Dat ziet immers op een experiment op het gebied van hasj en wiet en niet op de gehele aanpak van ondermijning. Nu begrijp ik dat uw haakje is: daar zou het wel over moeten gaan. Zo ken ik er nog wel een paar. De vraag is dus eigenlijk: hoe ziet u die verbinding? U noemt een aantal dingen die volgens mij ook te maken hebben met softdrugs, zoals de wietplantages in woonwijken. Dan zou je juist moeten experimenten met gereguleerde teelt, omdat dat daarvoor een oplossing is. En ten tweede, als ik dan toch even inhaak op wat u zegt, heb ik het idee dat u het woord "gedoogbeleid", waarover u verschillende deskundigen aanhaalt, op twee verschillende manieren gebruikt. Die deskundigen die u aanhaalde, hadden het vooral over het gedoogbeleid in het kader van de belastingontwijking en de witwaspraktijken, en niet zozeer over het gedoogbeleid in het softdrugsbeleid. Klopt dat? En kunt u dat wat expliciteren?

De heer Rombouts (CDA):

Dank u wel voor deze interessante vragen. Ik had de eerste vraag natuurlijk ook verwacht, hè. De opzet van mijn verhaal — ik geef dat ook maar gewoon ruiterlijk toe — gaat veel verder dan dit wetsontwerp. Ik ben blij dat de maidenvoorzitter mij nog niet afgehamerd heeft. Ik ben ook blij dat ik de ruimte krijg om het volgende te zeggen. Als je dit wetsontwerp metaforisch probeert uit te drukken, is het mensen bezig zien, het kabinet bezig zien met het vervangen van de achterdeur van een woonhuis, terwijl dat woonhuis in lichterlaaie staat. Dan heeft het niet veel zin om de achterdeur te vervangen. Wij zeggen niet dat dit wetsontwerp geen nobele doelen dient. Daar kunnen we straks met elkaar langer over praten, maar ik wilde de context van het woonhuis hier vandaag schilderen. Daar ben ik mee bezig. In die zin is dat een haakje. Misschien is het een gezocht haakje op dit moment, maar wie de tijdgeest nu verstaat van wat er de laatste maanden in Nederland gebeurd is en wat dat in de media, in de maatschappij aan kantelingen heeft veroorzaakt, kan er niet omheen om verder te kijken dan alleen maar naar dat kleine middel van de wietexperimenten.

Dan het gedoogbeleid dat bedoeld was om de softdrugs- en harddrugsmarkten te scheiden. Ik heb al gezegd dat ons softdrugsbeleid niet meer zo soft is als het lijkt. De softdrugs zijn in de loop van de decennia — het is lang geleden dat minister Van Agt minister van Justitie was — veel harder geworden. Experts wijzen mij erop — ik heb in aanloop hiernaartoe nogal wat mensen geraadpleegd — dat de vermenging van de softdrugsmarkt en de harddrugsmarkt zo gigantisch is geworden dat we het zelf niet meer weten en dat iedereen in verlegenheid is met wat te doen. Om zomaar te zeggen: dit wetsontwerp gaat over cannabis, dus moet het allemaal maar kunnen ... Die laatste woorden zijn überhaupt niet van het CDA, dat het allemaal maar moet kunnen.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Op het gevaar af dat ik er zelf in meega om het over iets anders te hebben, het volgende. Ik bedoelde ook dit. U haalde de Italiaanse professor aan van wie ik de naam niet paraat heb, maar u wel.

De heer Rombouts (CDA):

Nou, het is een journalist.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Die journalist had het over het gedoogbeleid in Nederland. Die haalde u aan en mijn vraag was: had hij het niet meer over het financiële gedoogbeleid?

De heer Rombouts (CDA):

Klopt, ja.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Dat was mijn concrete vraag.

De voorzitter:

Via de voorzitter, alstublieft.

De heer Rombouts (CDA):

Sorry, mevrouw de voorzitter. Zeker.

De voorzitter:

Het antwoord op de tweede vraag wordt nog verwacht.

De heer Rombouts (CDA):

U hebt gelijk. U hebt gelijk dat het, als je het te vluchtig leest en te vluchtig doorvertelt, lijkt alsof Amsterdam compleet Napels is. Dat is niet wat Salviano over ons zegt. Maar hij zegt wel: jullie zijn wel wereldkampioen in witwassen, en dat gebeurt allemaal in Amsterdam en het gebeurt met Nederlanders, en niet met de buitenlanders die jullie soms de schuld geven van wat er in Nederland allemaal fout gaat.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

De heer Rombouts (CDA):

Dat zal ik doen.

De drugscriminaliteit treft, zo stelden de heren Tops en Tromp vast, vooral de kwetsbare onderklasse. De maatschappelijke kloof tussen hen en de rest van de maatschappij verdiept hierdoor. Het plezier is aan de zorgeloze gebruikers en de pijn komt terecht, zo schrijven zij, bij de zwakke delen van de stad. Op nationale schaal ligt het centrum van het drugsgebruik in de hoofdstad en bevinden de wietplantages en de xtc-labs, en niet te vergeten het afval, zich in de regio's, in hoge mate in het Zuiden. Dit is geen land om trots door te geven aan volgende generaties. Dat vinden inmiddels ook de minister van Justitie en Veiligheid en de burgemeester van Amsterdam, getuige het feit dat zij beiden, in een- en dezelfde week, een offensief tegen de ontwrichtende effecten van de drugsgerelateerde, ondermijnende criminaliteit hebben aangekondigd. Heel goed.

De voorzitter:

De heer Dittrich heeft een vraag.

De heer Dittrich (D66):

Mevrouw de voorzitter, ik wil graag een reactie van collega Rombouts op een van de conclusies uit het rapport van Tops en Tromp. Ik citeer ze: "Zoals we in ons Amsterdamse rapport al bepleitten, moet de nationale overheid zich gaan voorbereiden op gecontroleerde vormen van legalisering van drugs." Dat staat dus in het rapport dat u nu al een paar keer hebt aangehaald. Zou u ook op die conclusie van Tops en Tromp kunnen reflecteren? U pakt er steeds een aantal dingetjes uit, maar over hun advies aan de overheid om gecontroleerd te gaan reguleren, hoor ik u niet.

De heer Rombouts (CDA):

Dat kunnen we hier allemaal goed, hè: uit rapporten halen wat ons goed uitkomt. Daarin geef ik u graag gelijk. Ik benadruk inderdaad de dingen die in mijn verhaal goed uitkomen. Maar het is niet zo dat Tops en Tromp legalisatie hebben bepleit. Dat bepleit geen enkele expert. Het wordt altijd gebracht in de context van andere dingen die moeten gebeuren. Waar mijn verhaal eigenlijk op neerkomt als je het heel kort samenvat, is: beste collega's, wij kunnen volgende week stemmen over dit wetsvoorstel, maar laten we beseffen dat het een klein deel is van iets wat veel groter is en wat van ons allemaal de aandacht vraagt. Ik heb hier in de afgelopen jaren al een paar keer bepleit dat er veel meer moet gebeuren en dat het ook veel langer volgehouden zou moeten worden. Er worden nu eerste stappen gezet, zoals ik net zei. De burgemeester van Amsterdam heeft een offensief in niet alleen repressie maar ook sociale weerbaarheid aangekondigd; heel goed. Onze minister heeft ongeveer een dag later hetzelfde nationaal bepleit. Gisteren heeft hij nog weer nieuwe acties aangekondigd. Ik geef u via de voorzitter graag mee, meneer Dittrich, dat wij er ook best belang aan hechten dat als er dan toch wiet verkocht moet worden, dat gecontroleerde wiet is, omdat dat beter is voor de gezondheid van degenen die het gebruiken. Maar voor ons zit er natuurlijk wel een gedachte achter die ik ook al gehoord heb bij mevrouw Bikker en die erop neerkomt dat je in feite weer een stap verder gaat in het nog weer verder accepteren van de normalisering. Wij zeggen: we moeten alles wat ons de afgelopen jaren is overkomen sinds de introductie van het gedoogbeleid niet meer zomaar, laconiek en lankmoedig accepteren. Laten we kijken of we het er met elkaar ook eens over kunnen worden — u weet, zeg ik via mevrouw de voorzitter, dat ik daarbij ook een beroep op u heb gedaan — dat we misschien andere maatregelen van deze regering moeten vragen dan alleen de achterdeur te vervangen.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat met uw betoog.

De heer Rombouts (CDA):

Dat doe ik. Waarom dan zo'n experimentencircus opgebouwd om de achterdeur te repareren als het huis in brand staat, is de volgende vraag. Wij waarderen de inzet van deze minister van Justitie en Veiligheid om de ondermijning aan te gaan pakken zéér, maar laten we geen tijd verliezen en de goede dingen gaan doen. Het kan de minister toch niet ontgaan zijn dat het maatschappelijk tij aan het keren is en dat het draagvlak voor de normalisering van het drugsgebruik aan het afbrokkelen is? Steeds meer mensen willen dat de overheid zich niet langer neerlegt bij de gedachte "het is nu eenmaal zo" en "er valt toch niets meer aan te doen" of "je krijgt het toch niet meer weg". Mijn fractie wil zich niet overgeven aan dit soort fatalistische gedachten. Zij wil dat de overheid een campagne start met de leus "zeg nee tegen drugs". Drugs zijn niet normaal. Ook cannabis is geen onschuldige drug, zo houdt het Trimbos-instituut u en mij al jaren voor, zeker niet wanneer dit op jonge leeftijd of structureel gebruikt wordt.

In een rapport uit 2016, dat inzicht verschafte in de stand van de wetenschap, geeft dit gezaghebbende instituut een opsomming van de mogelijk schadelijke effecten van het gebruik van cannabis. Ik noem er slechts drie: stoornissen in de motorische coördinatie, een verandering in de hersenontwikkeling en het risico op psychotische aandoeningen. Vorige maand meldde het Trimbos-instituut bovendien dat er steeds meer Nederlanders na drugsgebruik in het ziekenhuis belanden. Sommigen worden in comateuze toestand binnengebracht en moeten intensief worden gemonitord. Het kan toch niemand ontgaan zijn: het instituut spreekt van een zorgwekkende ontwikkeling en constateert dat het gevaar van drugsgebruik voor de volksgezondheid te weinig aandacht heeft gehad. En het ging hier dus niet alleen om opnames na gebruik van harddrugs. Nee, ook na gebruik van cannabis. Tezamen met de moord op advocaat Derk Wiersum en het rapport van Tops en Tromp over Amsterdam heeft dit onderzoek het anders denken over de bestrijding van de direct aan drugs gerelateerde ondermijning in een stroomversnelling gebracht.

Mevrouw de voorzitter. Laten wij dit momentum benutten voor een andere koers. Voor een ambitieus meerjarenprogramma om de georganiseerde criminaliteit dan misschien niet uit te roeien, maar dan toch in elk geval fors terug te dringen en beheersbaar te maken. Laten we erkennen, dat wij — ja, wij allen — niet meer weten wat ons beleid is. Softdrugs mogen niet geproduceerd worden ...

De voorzitter:

Meneer Rombouts, voordat u voortraast: er is een vraag van de heer Recourt.

De heer Recourt (PvdA):

Dank voorzitter. Ik dacht dat we met een afronding bezig waren, maar die afronding duurt lang, dus ...

De heer Rombouts (CDA):

Sorry, sorry.

De heer Recourt (PvdA):

... toch maar de vraag die ik wilde stellen. Ik ben het helemaal met u eens dat de georganiseerde criminaliteit een groot gevaar is, maar het debat gaat daar maar heel zijdelings over. Het debat gaat over een experiment. Als ik het CDA goed beluister, is het CDA een groot liefhebber van of gelooft het CDA in ieder geval in de heilzame werking van het strafbaar stellen van markten. Het experiment gaat echter de andere kant op: ga eens kijken of je ook de achterdeur kunt regelen. Dan moet er wel heel veel nodig zijn om het CDA voor te laten stemmen. Wat is er precies nodig? Wat moeten de ministers antwoorden?

De heer Rombouts (CDA):

Dat probeerde ik nu juist te vertellen. Excuus dat ik uw vraag niet zag aankomen; ik was te veel geconcentreerd op mijn tekst. Inderdaad, geloof zit ons iets meer in de genen dan u, geloof ik.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u doorgaat met uw betoog en daarbij even op de tijd let.

De heer Rombouts (CDA):

Ja, mevrouw de voorzitter, dat doe ik. Ik heb ook niet voor niets twintig minuten aangevraagd. Ik neem aan dat interrupties ook onder deze voorzitter niet van de spreektijd afgaan.

Laten we erkennen dat we geen van allen nog weten wat ons beleid is. Softdrugs mogen niet geproduceerd, maar in coffeeshops wel verkocht worden. Harddrugs zijn verboden, maar er wordt niet op gehandhaafd. Bij dancefestivals wordt gewaarschuwd voor de gevaren van meegenomen pilletjes, maar je kunt deze bij de GGD gratis laten controleren. De overheid wil experimenteren met de productie en verkoop van legale wiet, maar banken willen de producenten niet financieren, bang als ze zijn voor dezelfde overheid, die hen maant geen crimineel geld wit te wassen. Politie en Openbaar Ministerie moeten een norm handhaven waar maatschappelijk weinig draagvlak voor is. Laten we dus niet denken dat er snelle oplossingen zijn, ook niet dit ene middel van die experimenten. Volgens professor Boutellier zijn die er ook niet, want anders hadden we die allang eerder toegepast.

Boutellier riep onlangs op tot versterking van de handhaving en opsporing binnen een omvattender programma van politiek-morele heroriëntatie. Het gedoogbeleid uit de jaren zeventig heeft naar zijn mening een moreel ambigue situatie gecreëerd, die een voedingsbodem heeft geschapen voor illegale productie en handel. En die leidde tot een lankmoedige houding bij burgers, politici, rechters en handhavers, met als gevolg dat drugsgebruik genormaliseerd is. Boutellier zegt in zijn afscheidsrede dat er drie dingen nodig zijn: versterking van de capaciteit en de kwaliteit van de recherche, een sociaal-maatschappelijk offensief in buurten en een maatschappelijk debat over drugsbeleid. Volgens Boutellier moeten we in dit land de moed hebben om voor dit laatste een jaar uit te trekken. Hij stelt debattafels à la het Klimaatakkoord voor. Met gevoelige branches om de tafel gaan zitten om samen aan duurzame en gedragen oplossingen te werken: met coffeeshophouders, organisatoren van dancefestivals, banken, notarissen, de autobranche en anderen. Emeritus hoogleraar Fijnaut benadrukt het bouwen van een duurzame en solide organisatie met doorzettingsmacht en een langetermijnaanpak. Het verdeelde en versnipperde beleid moet worden vervangen door een nationaal plan met voldoende mensen, middelen, bevoegdheden en geduld. Dit probleem is zo groot, zegt deze topexpert, dat het zich niet meer in een paar jaar laat oplossen. Ook professor Tops ...

De voorzitter:

Meneer Rombouts, ik heb gedoogd dat u twee minuten langer doorsprak. Ik verzoek u nu om af te ronden.

De heer Rombouts (CDA):

Dat ga ik doen. Mevrouw de voorzitter. Het moge duidelijk zijn dat wij voor een gigantische opgave staan. Te lang hebben we de ontwikkelingen op hun beloop gelaten, lankmoedig als wij waren. Het is goed dat de minister van Justitie en Veiligheid met een ondermijningswet komt en dat hij 100 miljoen ter beschikking krijgt om hieraan te werken. Vandaag wil ik namens de CDA-fractie bepleiten dat er kabinetsbreed een ambitieus meerjarenprogramma komt van een Deltaplanachtige omvang en met een vergelijkbare doorlooptijd, misschien wel aangestuurd door een Deltacommissaris. Daartoe dien ik graag een motie in, mede namens de fracties van de ChristenUnie, 50PLUS en de SGP. Die overhandig ik u hierbij graag.

De voorzitter:

Het is gebruik om moties in de tweede termijn in te dienen en even de antwoorden van de regering af te wachten.

De heer Rombouts (CDA):

Dat moge gebruikelijk zijn, voorzitter, maar ik kon mijn tekst niet helemaal meer voordragen omdat u mij, terecht, aan de tijd hield. In mijn tekst stond dat ik dit bewust in de eerste termijn doe, omdat ik wat ver achter in de rij van sprekers zit en ik de collega's de kans wil geven om hier in tweede termijn op te reageren. Anders zijn alle sprekers al tweemaal geweest.

De voorzitter:

Blijft u even staan tijdens het uitspreken van de motie.

De heer Rombouts (CDA):

Ik dank u.

De voorzitter:

Door de leden Rombouts, Bikker, Baay-Timmerman, Van Dijk en Van Wely wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat onze samenleving, democratie en rechtsstaat serieus bedreigd worden door de toenemende vermenging van onder- en bovenwereld;

overwegende dat na de recente moord op advocaat Derk Wiersum en een recente zorgwekkende verkenning van Tops en Tromp de roep om een offensief tegen de ontwrichtende gevolgen van de ondermijnende drugscriminaliteit steeds luider wordt;

constaterende dat deskundigen het erover eens zijn dat er geen snelle, laat staan eenvoudige oplossingen bestaan;

verzoekt de regering op korte termijn te komen met een Deltaplan tegen de ondermijnende drugscriminaliteit en de ondermijning in brede zin, dat maatregelen en middelen bevat ter versterking van de recherche en de weerbaarheid van wijken en waarmee gevoelige branches op hun verantwoordelijkheid worden aangesproken en kwetsbare groepen bewust gemaakt worden van de gezondheidsrisico's van drugs,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter Q (34997).

Dank u wel.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor de lunchpauze tot 13.30 uur.

De vergadering wordt van 12.46 uur tot 13.32 uur geschorst.