Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
31.570, B

Motie-Engels (D66) c.s. over een algemene bepaling in de Grondwet waarin wordt uitgedrukt dat Nederland een democratische rechtsstaat is



In deze motie wordt de regering verzocht om, met inachtneming van het advies van de Staatscommissie Grondwet en van de kabinetsreactie, vóór 1 oktober 2012 een voorstel te (doen) ontwikkelen voor de formulering van een algemene bepaling in de Grondwet, waarin wordt uitgedrukt dat Nederland een democratische rechtsstaat is, zo mogelijk uitgewerkt dan wel aangevuld met nadere voorschriften.



Kerngegevens

nummer 31.570, B
ingediend 7 februari 2012
behandelstatus aangenomen
toelichting behandelstatus Na stemming bij zitten en opstaan op 14 februari 2012 aangenomen. PVV, PvdA, ChristenUnie, SP, GroenLinks, D66, PvdD, 50PLUS en OSF stemden voor.
indiener(s) J.W.M. Engels (D66)
mede ondertekend door M.M. de Boer (GroenLinks)
Th.C. de Graaf (D66)
R.A. Koole (PvdA)
R. Kuiper (ChristenUnie)
R. Sörensen (PVV)
A. Vliegenthart
dossier(s) Herziening Grondwet (31.570)
behandelende commissie(s) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koningin (BZK/AZ)

Bijzonderheden

Naar aanleiding van deze motie en de toezegging 'Uitvoering moties' (T01775) is op 8 juli 2016 het wetsvoorstel Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering van de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een algemene bepaling (34.516) bij de Tweede Kamer ingediend.

De Eerste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BZK/AZ) heeft op 8 juli 2014 de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2014 (EK 31.570, K) over het opnemen van een algemene bepaling in de Grondwet, behelzende dat Nederland een democratische rechtsstaat is, voor kennisgeving aangenomen.

De commissie heeft op 25 maart 2014 het verslag van een schriftelijk overleg met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 maart 2014 (EK 31.570, J) over de uitvoering van de motie voor kennisgeving aangenomen.

De commissie heeft op 8 oktober 2013 de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 september 2013 inzake de beoogde procedure met betrekking tot de uitvoering van de motie (EK 31.570, H) voor kennisgeving aangenomen.

Op 10 september 2013 debatteerde de Eerste Kamer met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van de minister van 6 juni 2013 (EK 31.570, G) over de uitvoering van de motie.

De commissie heeft op 9 april 2013 het verslag van het schriftelijk overleg met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 april 2013 (EK 31.570, F) over de uitvoering van de motie en over een eventuele actualisatie van de kabinetsreactie op het advies van de Staatscommissie, voor kennisgeving aangenomen.

De commissie heeft bij brief van 18 december 2012 de minister van BZK verzocht om informatie over de uitvoering van de motie. Ook is de minister verzocht om een geactualiseerde reactie op het advies van de Staatscommissie. De commissie heeft op 22 januari 2013 de antwoordbrief van de minister van 15 januari 2013 voor kennisgeving aangenomen. Beide brieven zijn opgenomen in het verslag van een schriftelijk overleg dat de commissie op 14 februari 2013 heeft uitgebracht (EK 31.570, E).

De commissie heeft op 23 oktober 2012 de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 oktober 2012 (EK 31.570, D) over de uitvoering van deze motie voor kennisgeving aangenomen.

De commissie heeft op 26 juni 2012 besloten de uitvoering van de motie te blijven monitoren en de follow-up door de regering zonodig later in 2012 opnieuw te agenderen, wanneer daartoe aanleiding bestaat.