Impressies van het debat



Impressie van het debat over de verwijsindex risicojongeren

Tijdens het debat over invoering van de Verwijsindex risicojongeren (31855) op dinsdag 26 januari ontwikkelde het beladen onderwerp ‘etniciteit’ zich gaandeweg tot het belangrijkste onderwerp van kritiek in de Eerste Kamer. Uiteindelijk mondde de discussie over dit wetsvoorstel uit in een motie die alleen de steun kreeg van D66, SP, GroenLinks en OSF. Namens de PvdA liet woordvoerder Linthorst blijken er zwaar aan te tillen dat etniciteit in verband wordt gebracht met de verwijsindex door toedoen van een CDA-VVD-amendement in de Tweede Kamer.

Linthorst kreeg de verzekering van minister Rouvoet van Jeugd en Gezin dat de vermelding van etniciteit als een van de twaalf gronden voor een melding in de verwijsindex niet raakt aan de principiële discussie over etnische registratie. “Het gaat niet om een registratie, maar om een signalering”, zei minister Rouvoet. Kamerlid Dupuis (VVD) zei in dit verband: “Als vermelding van etniciteit relevant is voor de attentheid van de hulpverleners, en jongeren daardoor eerder kunnen worden getraceerd als potentieel bedreigd, is dat allereerst in het belang van deze jongeren zelf”.

De senatoren Slagter-Roukema (SP) en Engels (D66), die ook sprak namens de OSF, waren het felst in hun afwijzing van etniciteit als meldingsgrond. Engels: “Wij zijn vooralsnog dan ook geenszins overtuigd van de toegevoegde waarde van het registreren van een jeugdige op basis van onevenredige risico’s die zijn etniciteit met zich mee zou brengen. Zou het niet goed zijn, mede in het licht van de beperkingssystematiek van grondrechten, als deze etniciteitsrisico’s helder worden omschreven?”

Slagter-Roukema (die ook sprak namens de Partij voor de Dieren): “Waarom heeft de minister zich niet verzet tegen dit amendement van CDA en VVD. Het kan immers blijken dat registratie van deze kenmerken in strijd is met het non-discriminatie verbod?” Minister Rouvoet antwoordde dat hij zich aanvankelijk ook had verzet in de Tweede Kamer tegen de aanduiding van etniciteit in de verwijsindex, maar dat hij zich had laten overtuigen door de indieners van het amendement dat deze zaak los staat van de principiële discussie over etnische registratie. “Etniciteit wordt ook niet in de index vermeld”, zei de minister. “Het is alleen een behulpzaam element in een gesprek tussen hulpverleners, bijvoorbeeld als het gaat om gezinnen waar het gebruikelijk is dat meisjes worden besneden.”

Woordvoerder Thissen van GroenLinks verwoordde zijn aarzelingen over de verwijsindex door een vergelijking met de inlichtingendiensten in de Verenigde Staten, die wel zeer veel informatie beheren maar desondanks aanslagen niet kunnen voorkomen. “Alle Amerikaanse inlichtingendiensten beschikten over stukjes informatie over potentiële risico’s, maar er was geen een die deze informatie tot een geheel kon samenvoegen. De samenwerking was niet goed, was de conclusie”, zo trok Thissen een parallel met de verwijsindex. “Straks weten we alles, en zien we niks”, zei Thissen die erop hamerde dat problemen moeten worden aangepakt en niet alleen maar geregistreerd.

Minister Rouvoet hield hem en de Eerste Kamer voor dat de landelijke verwijsindex juist behulpzaam kan zijn om tot een gezamenlijke aanpak van risico’s te komen.

CDA-senator Van de Beeten stelde net als zijn PvdA-collega Linthorst vast dat de melding van risico’s door hulpverleners een recht wordt en geen plicht. Van de Beeten: “Er wordt geen nieuwe norm ingevoerd voor hulpverleners. Noch arbeidsrechtelijk, noch tuchtrechtelijk mag het wel of niet melden aan de verwijsindex gevolgen hebben”. De minister bevestigde dit.

Het Kamerlid Kuiper, die sprak namens ChristenUnie en SGP, maakte van het debat gebruik om een pleidooi te houden voor professionele richtlijnen in de welzijnszorg. Ook vond hij dat vanuit het onderwijs actief moest worden meegewerkt om de aanpak van risico’s onder jongeren effectief aan te pakken. De minister van Jeugd en Gezin zegde toe dat hij eventueel met het onderwijsveld in contact zal treden als dit nuttig zou kunnen zijn.

SP-woordvoerder Slagter-Roukema kreeg een toezegging: de minister is bereid in een gesprek met vertegenwoordigers van (huis)artsen nader te verduidelijken wat de regering met invoering van de landelijke verwijsindex beoogd.  

Na een proef in een aantal (grotere) gemeenten wil de regering de verwijsindex risicojongeren in het hele land invoeren om te bereiken dat jongeren die risico’s lopen in hun ontwikkeling tijdig in het vizier van hulpverleners komen. Daartoe krijgen hulpverleners de mogelijkheid melding te doen van een mogelijk risico in de verwijsindex. Zodra een of meer andere hulpverleners ook een melding hebben gedaan is het aan de betrokken gemeente om te zorgen voor een effectieve aanpak, zo liet de minister alvast weten, in de wetenschap dat de meerderheid van de Eerste Kamer de verwijsindex op 2 februari het groene licht zal geven.

Impressie debat aanpassing hoger onderwijs

Een meerderheid in de Eerste Kamer vreest dat de studielasten ondragelijk hoog worden voor studenten die in de toekomst een tweede studie gaan volgen. Verschillende fracties voorzien een ongecontroleerde stijging van de collegegelden als gevolg van de voorgestelde wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, aanpassing van de collegegeldsystematiek en een herziening van de rechtspositie van studenten (31.821). Fors stijgende studielasten belemmeren volgens de Kamer het volgen van een aanvullende studie, staan daarmee op gespannen voet met het streven van ons land naar een hoog ontwikkelde economie en kennismaatschappij.

Dit werd dinsdag 26 januari duidelijk tijdens een debat met minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hij verdedigde een samenhangend pakket van wetswijzigingen in de Eerste Kamer. Dit pakket omvat negen onderwerpen die kunnen worden samengevat in de clusters versterking van de besturing van instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek en de rechtspositie van studenten. De vragen van de verschillende fracties spitsten zich toe op de vrijheid van studerenden om meerdere studierichtingen te voltooien, zonder dat hoge collegegelden een financiële barrière vormen.

Woordvoerder Schuurman van de ChristenUnie waarschuwt voor een ernstige verschraling van het academisch onderwijs. “Het wekt allerminst de indruk dat getalenteerde studenten worden aangemoedigd om hun gaven ook in te zetten voor de samenleving”, aldus de CU-senator, die pleit voor meer ruimte voor een brede algemene ontwikkeling. “Overal doemen in onze kennismaatschappij specialisten op met enorme pretenties. Het is niet voor niets dat velen vanwege hun oogkleppen de vele crises waarin wij nu zitten, niet hebben zien aankomen.”

Senator Dupuis (VVD) tilt iets minder zwaar aan het hoge tarief voor een tweede studie dat instellingen onder het nieuwe regime kunnen vragen. Alleen voor degenen die na het afronden van de eerste studie met een tweede willen beginnen geldt het hoge instellingscollegegeld, en daartegen heeft de VVD-fractie geen bezwaar. Studenten met strategisch gedrag beginnen al aan een tweede studie terwijl zij met de eerste nog niet klaar zijn. Op deze wijze manier kunnen zij voor hetzelfde collegegeld studeren en ontlopen zij het hogere instellingscollegegeld.

Maximum studieduur

Minister Plasterk erkent dat er sprake is van een ‘lek’, dat volgens hem gedicht kan worden bijvoorbeeld door tentamens een beperkte geldigheidsduur te geven. Senator Schouw van D66 wees erop dat deze sluiproute is vol te houden doordat de scriptie de mogelijkheid biedt om aan de geldigheidsduur van tentamens te ontsnappen. Schouw vindt het niet rechtvaardig dat de ene student zes jaar over mag doen over een drie jaar durende Bachelor opleiding, terwijl een andere student die in dezelfde zes jaar een Bachelor en twee Masters afrondt voor hoge extra kosten komt te staan.

PvdA-woordvoerder Meurs meent dat publieke financiering van één Bachelor en één Master (zoals de regering voorstaat) overzichtelijke financiële gevolgen voor de student heeft als het instellingscollegegeld ongeveer gelijk zou zijn aan het wettelijk collegegeld. Zij vroeg een nadere toelichting van de minister op de mogelijkheid dat studenten tegen gunstige voorwaarden geld kunnen lenen om het hogere instellingscollegegeld te kunnen betalen. Meurs noemde het meten met twee maten dat studenten gezondheidszorg en onderwijs niet in aanmerking komen voor een tweede studie. Iemand met een opleiding mondhygiëniste mag niet vervolgens een studie tandheelkunde aanvatten, terwijl een afgestudeerde econoom dit wel zou mogen.

CDA-woordvoerder Leunissen wees erop dat de HBO-Raad lijkt weg te lopen voor de afspraak dat in de komende drie jaar het instellingscollegegeld gelijk zal zijn aan het wettelijke collegegeld. Leunissen wenst om een wettelijke verankering van de afspraken in het convenant van VNSU, HBO-Raad en de landelijke studentenverenigingen. SP-senator Smaling sneed ook het bekostigingsakkoord aan over de financiering van twee studies. “Waarom laat de minister strijdigheid ontstaan tussen een wet en een convenant, om vervolgens een beroep te doen op betrokken partijen om het convenant te respecteren. “Het lukt mij niet om dit te begrijpen”, aldus Smaling.

Evenals de CU maakt ook de SP zich zorgen over de tegenwerking van interdisciplinariteit die het gevolg van het wetsvoorstel zou zijn. “Er is behoefte aan discipline overstijgende afgestudeerden”, aldus Smaling. “Waarom niet meer inzetten op studenten die vanuit verschillende vakgebieden naar een probleem en een oplossing leren kijken? Waarom zijn er honderden celbiologen en is er maar één Midas Dekker?”

Studentassessor

Een tweede onderwerp in het debat betrof de studentassessor die door de Tweede Kamer bij amendement in het College van Bestuur is gedropt om studenten zo vroeg mogelijk de kans op inspraak te geven. Vrijwel de gehele Eerste Kamer was hier niet gelukkig mee en ook de minister ontraadde het voorstel van D66. In de Eerste Kamer kondigde de minister aan dat hij betreffende wetsartikel niet in werking zal laten treden en via een wetswijziging zal zorgen dat studenten wel in een zo vroeg mogelijk stadium medezeggenschap krijgen over aangelegenheden die hen aangaan. Met name PvdA-woordvoerder Meurs drong er op aan dat studenten vroegtijdig invloed krijgen op het nieuwe regime.


Deel dit item: