Plenair Van Rooijen bij behandeling Deregulering beoordeling arbeidsrelaties



Verslag van de vergadering van 26 januari 2016 (2015/2016 nr. 17)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.41 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Voorzitter. Ik ben de staatssecretaris erkentelijk voor het uitvoerige antwoord op de vragen van een aantal fracties uit deze Kamer. Het geeft een voortschrijdend inzicht in het voortschrijdend proces in dit dossier van BGL naar modelovereenkomsten, met daarbij een zeldzame inspraak in de fiscale wetgeving van de zzp-belangenorganisaties maar het gaat dan ook ergens over. Het gaat over niet minder dan "to be or not to be" als zzp'er.

Voor welk probleem is dit wetsvoorstel DBA de oplossing? De achterliggende vraag van onze fractie is: wat is de olifant in de kamer? Dat is de explosieve groei van het aantal mannelijke zzp'ers van nu 12% tot 19% in 2030 bij ongewijzigd beleid, vooral ongewijzigd fiscaal beleid. Ik verwijs hiervoor naar het CPB-rapport en het al genoemde ibo-rapport. Diverse fracties hebben gevraagd naar de samenhang tussen dit wetsvoorstel DBA en het Ibo zzp over de positie van de zzp'er in de arbeidsmarkt. Ik citeer het antwoord van de staatssecretaris. "Volgens de IBO-werkgroep is het wenselijk de belastingdruk van ondernemers en werknemers dichter bij elkaar te brengen, omdat de ondernemersfaciliteiten voor zzp'ers een verstorende werking hebben op de arbeidsmarkt en niet allemaal effectief bijdragen aan de doelen die met de beleidsinstrumenten worden nagestreefd. Het kabinet deelt de analyse van de IBO-werkgroep dat op langere termijn het grote verschil in institutionele behandeling van zzp'ers en werknemers moet worden verkleind, maar is van mening dat daartoe eerst een brede politieke en maatschappelijke discussie nodig is. Het kabinet gaat graag hierover met uw Kamer in gesprek." Ik pak die handschoen in mijn betoog uiteraard graag op. De staatssecretaris vervolgt: "Op het niveau van de uitvoering hoeft het wetsvoorstel Wet DBA niet te wachten op de uitkomsten van deze brede politieke en maatschappelijk discussie. Het wetsvoorstel beoogt om nu en in de toekomst de handhaving te verbeteren. Ook in de toekomst blijft handhaving van het onderscheid tussen werknemers en zelfstandigen relevant. Verbetering van de handhaving is een no-regretmaatregel." Pikant in dit verband is dat de staatssecretaris bij het transitieplan spreekt over het door de belangenorganisaties zelf geopperde beleid voor een alternatief voor het VAR-beschikkingencircus. Dat zijn dus de woorden van de verantwoordelijke bewindsman. Mijn eerste vraag is hoe hij zelf in dit dossier staat. Is het een absolute noodzaak voor het beleid en de handhaving, een no-regretmaatregel dus, of is het vooral geopperd door de belangenorganisaties en door hem steeds meer overgenomen? Ik stel die vraag omdat we eerst moeten weten waarom de huidige regeling niet handhaafbaar is.

Diverse fracties hebben schriftelijk al vragen gesteld over nut en noodzaak van dit voorstel wegens de twijfels over de problemen rond de handhaving van de huidige VAR-systematiek. In het antwoord van de staatssecretaris wordt aangegeven wat met de VAR eigenlijk wordt beoogd en wat feitelijk de gevolgen zijn van de systematiek. Dat geeft een goede verheldering. Het antwoord eindigt met de conclusie dat handhaving die uitsluitend gericht kan zijn op opdrachtnemers, een vorm is van dweilen met de kraan open; we blijven beeldend spreken ook al is het een fiscaal debat. De VAR heeft dus vooral één effect. Zij belemmert de handhaving door de Belastingdienst, aldus de staatssecretaris. Maar over welke kraan moeten we het hier hebben? Volgens mij moeten we het hebben over de fiscale kraan die voor zzp'ers wijd open blijft staan. Het moet in dit debat primair gaan over het al dan niet handhaven van de wijd open staande fiscale kraan voor zzp'ers. Graag krijg ik hierop een antwoord.

Er zijn niet alleen vragen van onze fractie maar ook van de Raad van State, die in 2014 in zijn advies kritiek heeft uitgeoefend op dit voorstel, nog voordat het ibo-rapport uitkwam. Ook de raad maakte opmerkingen over nut en noodzaak van het voorstel en over de website. De Raad concludeerde in 2014 dat onduidelijk is — daar komt-ie weer — welk probleem het voorstel beoogt op te lossen. Reden daarvoor is dat schijnzelfstandigheid met het oogmerk ondernemersfaciliteiten in de inkomstenbelasting deelachtig te worden, door dit voorstel niet adequaat wordt bestreden. De aanzuigende werking van de voordelen van deze faciliteiten geldt net zo goed onder de voorgestelde regeling als onder de bestaande. De raad vervolgt met een tweede kritiekpunt, namelijk over de omvang van het probleem. Collega Van Rij sprak hier ook al over.

Voorts gelden volgens de Raad van State eens te meer de argumenten van niet zo lang geleden om de opdrachtgever te vrijwaren van loonheffing, namelijk om werk voor zzp'ers te bevorderen in de huidige moeilijke arbeidsmarkt. De Raad achtte het voorstel prematuur in het licht van het toen nog te verwachten ibo-rapport. De Raad is van oordeel dat het voorstel nader zou moeten worden overwogen. Dat is nogal wat. Kan de staatsecretaris nog eens ingaan op deze kritiekpunten van de Raad van State?

Dit brengt mij onvermijdelijk bij de reactie van het kabinet van 2 oktober 2015 op het ibo-rapport van april 2015. De berg van 143 pagina's van het ibo-rapport heeft met de kabinetsreactie een muis gebaard, en de olifant is nog steeds in de kamer. De brief van Asscher en Kamp telt dertien pagina's, maar er staan nauwelijks beleidsconclusies in. Veel wordt benoemd en beschouwd zonder conclusies, laat staan voorstellen. De kernvraag wordt vakkundig omzeild. Pas op de laatste pagina komt de aap uit de mouw. Ik citeer het kabinet; let op het taalgebruik. "Het ibo-rapport beschrijft enkele oplossingsrichtingen en tekent daar terecht bij aan dat de selectie van maatregelen, precieze vormgeving en de maatvoering afhankelijk zijn van politieke en maatschappelijke voorkeuren. Om te komen tot een duurzame en toekomstbestendige oplossing, met breed draagvlak, is het nodig om deze maatschappelijke en politieke discussie te blijven voeren." Ik wist eerlijk gezegd niet dat die al begonnen was volgens het kabinet. De staatssecretaris sprak in zijn antwoord bij dit wetsontwerp zelfs over verkleining van verschillen op de langere termijn. Kan hij nog eens duidelijk aangeven waarom het kabinet geen besluiten heeft genomen?

Het kabinet onderkent geen enkele urgentie om te komen tot een aanpak van het probleem met besluiten, zelfs niet om te komen tot oplossingsrichtingen zoals het ibo, ondanks afspraken in het regeerakkoord. Het kabinet komt niet verder dan het ibo na te praten over het noodzakelijke draagvlak. En dat terwijl uit het ibo-rapport en het bijbehorende CPB-rapport blijkt dat het om een veelkoppig monster gaat. Deze Kamer heeft bij de Algemene Politieke Beschouwingen de motie-De Graaf c.s. aangenomen waarin het kabinet wordt verzocht met een eigen opvatting te komen over de wijze waarop op de arbeidsmarkt evenwichtiger verhoudingen tussen werknemers en zelfstandigen tot stand kunnen komen. Terwijl de arbeidsmarkt het probleem voor de toekomst is, doet het kabinet niets. Minister Asscher heeft op dit punt volledig gefaald, zoals hij dat ook op een aantal andere dossiers voor de arbeidsmarkt doet: geen daden maar woorden. Ik hoef maar te wijzen op het armoedige beleid van Asscher rond de ouderenwerkloosheid. Het Wetenschappelijk Bureau van 50PLUS heeft daar afgelopen zaterdag een symposium aan gewijd op basis van een rapport van SEOR. Sprekers waren Sweder van Wijnbergen, Michaël van Straalen, voorzitter MKB-Nederland en Ruud Kuin, vicevoorzitter van het dagelijks bestuur van de FNV. Op de website van 50PLUS is het hele rapport na te lezen.

Het CPB wijst op enkele belangrijke aspecten in de discussie over zzp'ers en werknemers. Het aandeel van de zelfstandigen in de beroepsbevolking is sterk gegroeid. Volgens het CBS werkten in 2013 ongeveer 1,1 miljoen mensen voor eigen rekening of risico, van wie bijna 800.000 als zzp'er. Dat is een verdubbeling ten opzichte van 2000. De grootste stijging is opgetreden bij mannen boven de 55 jaar: een verdubbeling van 15% naar 30%. De groei van het aantal zzp'ers in Nederland is drie maal zo hoog als in Europa, volgens het ibo. De toekomstige groei van het aantal zzp'ers hangt volgens het planbureau samen met het beleid. Bij volledige afschaffing van het fiscale beleid blijft het aantal zzp'ers op het niveau van 2010. Bij ongewijzigd beleid is er sprake van een stijging van 12% naar 19% in 2030. Het fiscale beleid is dus cruciaal.

Het CPB wijst er voorts op dat decompositieanalyses laten zien dat fiscale prikkels een belangrijke rol spelen bij de groei van het aantal zzp'ers. Zzp'ers betalen veel minder belasting dan werknemers wat een aanzuigende werking heeft. Over elke extra verdiende euro betaalt een zzp'er €0,45 minder belasting. Over het gehele inkomen wordt door zzp'ers 20% minder belasting betaald. De helft van het verschil in de wig wordt verklaard door niet te betalen premies werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Het effect van de zelfstandigenaftrek van €7.300 is dat zzp'ers netto 20% meer overhouden dan een werknemer.

Dan kom ik op het ibo-rapport. Daarin wordt erop gewezen dat de commissie-Van Dijkhuizen al concludeerde dat er geen overtuigende economische argumenten zijn voor de generieke zelfstandigenaftrek in de huidige ongerichte vorm. Het ibo stelt dat er geen goede reden is waarom zzp'ers wel inkomensondersteuning krijgen en werknemers niet. Ook is de kans groot dat de zzp'ers die de steun het meest nodig hebben, deze mislopen door een zwakke onderhandelingspositie. Daardoor gaat het fiscale voordeel via een laag tarief naar de opdrachtgever. Zzp'ers worden dan goedkoper en dat verstoort de arbeidsmarkt. Graag krijg ik hierop een reactie.

In het ibo-rapport worden enkele beleidsopties genoemd om het verschil in belastingdruk tussen zzp'ers en werknemers te verkleinen. Variant A behelst een afbouw van de zelfstandigenaftrek, hetgeen in 2016 een budgettair effect zou hebben van ruim 2.100 miljoen, inclusief de doorwerking op de toeslagen en de inkomensafhankelijke zorgpremie. Hoeveel is het effect van de zelfstandigenaftrek, extra toeslagen en de lagere zorgpremie in die 2.100 miljoen? Wat is het effect van die drie onderdelen en het totaal in 2020 en 2025?

Het structurele beslag in 2016 van de zelfstandigenaftrek van ruim 2 miljard en de mkb-winstvrijstelling van nog eens 1,5 miljard brengen het totaal aan fiscale verlichting voor zzp'ers op 3.750 miljoen, bijna 4 miljard. Dat is bijna evenveel als de heel grote belastingverlaging voor werkenden, waarover we hier recentelijk spraken. Het gaat dus ergens over.

De zelfstandigenaftrek leidt niet alleen tot lagere belasting, maar ook tot een lagere AOW-premie. Kan een overzicht gegeven worden van de te betalen inkomstenbelasting en AOW-premie voor zzp'ers bij een inkomen van €10.000, €20.000, €25.000 en €30.000?

Een apart voorstel is om de zelfstandigenaftrek om te zetten in een heffingskorting. Dat zou betekenen dat de gevolgen voor het toetsingsinkomen, voor de toeslagen en ook voor de lagere grondslag van de zorgpremie verdwijnen. De aftrek leidt nu tot hogere toeslagen en een lagere zorgpremie. Dat is een dubbel voordeel.

Dit DBA-voorstel gaat in feite over de status quo, over handhaving van de fiscale steun, waarvoor een nieuw handhavingssysteem van modelovereenkomsten wordt opgetuigd. Ik concentreer me op de achterliggende problematiek, de twee faciliteiten. 40 jaar geleden, in 1975, heb ik als staatssecretaris van Financiën de zelfstandigenaftrek ingevoerd, met een bescheiden startbedrag van 1.200 gulden, om bedrijven van kleinere zelfstandigen, boeren en middenstanders fiscaal tegemoet te komen in de loodzware inkomstenbelasting, die op de hoge schijnwinsten drukte als gevolg van de torenhoge inflatie van die tijd. Die leidde tot een papieren waardestijging waarover belasting moest worden betaald. Deze "tijdelijke" — hij bestaat nu nog — zelfstandigenaftrek was destijds door het kabinet bedoeld om zelfstandigen met een bedrijf en personeel te helpen en daarmee ook de werkgelegenheid te bevorderen. Er was toen namelijk een grote werkloosheid. In de loop der jaren is de zelfstandigenaftrek gegroeid tot nu bijna €7.300. Deze aftrek is steeds meer een ongerichte fiscale subsidie en oefent een magische aantrekkingskracht uit op de zelfstandige eenpitter.

Mijn vraag blijft waarom het kabinet naar aanleiding van het ibo-rapport niet de koe bij de hoorns heeft gepakt in het belang van de arbeidsmarkt. Waarom heeft het op basis van het ibo-rapport niet het koene besluit genomen tot een forse geleidelijke vermindering van de ondernemersfaciliteiten voor zzp'ers en tot aanpassingen in de sociale verzekeringswetten voor zzp'ers? Zo kan een armoedeval voor zzp'ers voorkomen worden, vooral voor de groep die ouder is dan 50 tot 55 jaar. Deze groep heeft jarenlang geen sociaal vangnet van werknemersverzekeringen en is dus lang veroordeeld tot de bijstand. Daarna heeft hij geen substantieel aanvullend pensioen. Ik krijg hierop graag een reactie.

Onder de oudere werknemers is het aantal zzp'ers het meest gestegen, vooral na de crisis. Als het kabinet blijft wegkijken voor de aanpak van de fiscale inkomenssteun, zal het aantal zzp'ers exponentieel blijven toenemen, met rampzalige gevolgen voor de collectieve sector, voor de opbrengst van de inkomstenbelasting en de volksverzekeringen, maar ook voor het draagvlak van werknemersverzekeringen en het pensioenstelsel, met steeds minder werknemers. Ook de bijstandsuitkeringen zullen fors stijgen. Ik krijg hierop graag een reactie.

De heer Van de Ven (VVD):

Ik neem aan dat de heer Van Rooijen zijn bijdrage net heeft afgerond. Als dat niet zo is, moet hij mij verontschuldigen dat ik iets te vroeg naar deze microfoon ben gesneld. De heer Van Rooijen heeft het op pagina 11 van zijn bijdrage over het voorkomen van een armoedeval voor zzp'ers, vooral voor de groep die ouder is dan 50 tot 55 jaar. In zijn eerdere betoog hoorde ik hem alleen maar praten over het afschaffen van de fiscale faciliteiten. Nu stapt hij plotseling over op het voorkomen van een armoedeval voor zzp'ers. Daarmee kom ik eigenlijk op de vraag die ik eerder stelde aan de heer Van Rij, maar dan vanuit een iets andere hoek. De heer Van Rooijen ziet dus kennelijk veel positieve gevolgen voor de zzp'er als de situatie gecontinueerd wordt, maar hij ziet ook een armoedeval in de leeftijd van 50 tot 55 jaar. Hoe rijmt hij die verschillen?

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ik begrijp die vraag heel goed. Ik worstel zelf ook met dit probleem. Ik wees op het symposium en het rapport van SEOR, waarin in 80 pagina's een goede toelichting hierop wordt gegeven. Wij hebben gezien dat met name door de crisis geleidelijk aan vooral werknemers ouder dan 65, later ouder dan 55 en nu ouder dan 50 of zelfs al ouder dan 45 jaar nolens volens niet meer actief zijn in de vorm van werknemer. Zij worden daardoor vaak gedwongen in een zzp-schap. Dat willen ze niet, maar dat gebeurt noodgedwongen. Ze willen blijven zorgen voor zichzelf en hun gezin of voor wie dan ook. Ik heb geconstateerd dat dit een nieuw groot maatschappelijk probleem is. Het gaat om een aantal mensen in de leeftijdsgroep van 50 tot 55 jaar die na de crisis niet meer in een werknemerssituatie zitten, en dus de werknemerszekerheid van de verzekeringen verliezen. Zij zitten in een moeilijke markt en moeten bedelend optreden op de arbeidsmarkt. Zij werken voor steeds lagere tarieven. Hierdoor komen ze vaak onder het sociaal minimum. Die groep wordt heel snel veel groter en komt ook in steeds grotere problemen. Nadat ze werknemer af zijn, hebben deze mensen geen werknemersverzekeringen meer. Ze leiden een onzeker en slecht sociaal bestaan in dat zzp-schap. Zodra dit, om welke reden dan ook, ook nog ophoudt of tot een zeer laag inkomen leidt, komen ze heel snel in de bijstand. Ze zitten ook steeds langer in de bijstand, omdat de pensioenleeftijd en de AOW-leeftijd steeds hoger worden. Ik wijs erop dat dit grote gevolgen heeft voor de financiering van de collectieve sector en voor de mensen die na tien of twintig jaar werknemer te zijn geweest zzp'er worden.

Voor alle duidelijkheid, het is een goede zaak dat wij fiscale faciliteiten hebben voor ondernemers. Ik ben nota bene degene die daar destijds de noodzaak van heeft onderkend. Het is heel prima dat die faciliteit is gebleven. In alle rapporten wordt er echter op gewezen dat er een discrepantie zal ontstaan. Het Centraal Planbureau heeft aan het kabinet gevraagd om daar eens fundamenteel naar te kijken. Ook in het ibo-rapport wordt erom gevraagd. Het kabinet heeft dit zelf in het regeerakkoord ook aangegeven. Mijn betoog in het afgelopen kwartier was uitsluitend daarop gericht. In het ibo-rapport worden beleidsvarianten gegeven. Je kunt de zelfstandigenaftrek bijvoorbeeld ook in een periode van tien jaar beperken of afschaffen. Daarbij wordt ook vermeld dat een verhoging van de arbeidskorting hierbij een belangrijke rol kan spelen. Dat is echter nog niet aan de orde.

De voorzitter:

Mijnheer Van de Ven, wilt u nog een nadere vraag stellen? Kort graag. Mijnheer Van Rooijen, graag ook een kort antwoord.

De heer Van de Ven (VVD):

Het hele betoog van de heer Van Rooijen is er dus op gericht om kenbaar te maken dat fiscale faciliteiten in de groeimarkt van de zzp'ers dringend noodzakelijk zijn. Is die conclusie juist?

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Die conclusie is in die zin juist dat een fiscale faciliteit een functie kan hebben voor het stimuleren van het ondernemerschap. De vraag is alleen hoe ver je daarin gaat, op welke wijze je dat doet en hoe dit zich verhoudt tot de bijdrage van de werknemers en de ouderen, die helemaal geen faciliteiten hebben, aan de collectieve sector. Let ook op het effect op de AOW-premie. Laten we wel zijn: door die ondernemersfaciliteiten betaalt een ondernemer vooral bij een lager inkomen aanzienlijk minder belasting, maar ook aanzienlijk minder AOW-premie, terwijl hij te zijner tijd wel recht heeft op de volle AOW.

De heer Rinnooy Kan (D66):

Ik volg de fundamentele beschouwingen van de heer Van Rooijen met veel belangstelling. Hij neemt in mijn beleving echt een voorschot op het fundamentele debat dat wij eigenlijk onder aanvoering van het kabinet hadden moeten voeren. Het zij zo, althans voorlopig. Ik denk eigenlijk dat zijn laatste minuten vooral illustreren hoe complex de materie is. Ik wil één voetnoot niet ongeplaatst laten, namelijk dat ik me afvraag waar zijn inschatting vandaan komt dat het aantal tegenstribbelende zzp'ers, de zelfstandigen tegen wil en dank, zo omvangrijk is toegenomen als hij suggereert. De SER heeft onderzoek gedaan naar dit fenomeen. Keer op keer is echter gebleken dat het inderdaad wel voorkomt, maar dat het percentage juist verrassend laag was. Een uitgebreide reactie is niet meer nodig, maar dit commentaar wil ik in ieder geval graag meegegeven hebben.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Misschien kan ik de heer Rinnooy Kan en de collega's aanbevelen om het rapport van SEOR van afgelopen zaterdag, dat op onze website staat, goed te lezen. Daarin zie je welke verontrustende ontwikkelingen op dit dossier gaande zijn wat de ouderenwerkloosheid betreft. De zzp-situatie speelt daarin een rol, omdat het aantal zzp'ers het meest stijgt onder de ouderen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik heb met heel veel interesse en bewondering geluisterd naar dit betoog. Ik ben zelf maar een eenvoudig theoloog. Dus dit soort fiscale hoge werkelijkheden ontgaan mij eerlijk gezegd een klein beetje. Ik probeer echter wel te begrijpen wat er gebeurt. Het belang van de fundamentele discussie deel ik alleen maar. Mijn vraag is de volgende. Er ligt nu een wetsvoorstel voor waarin de VAR wordt afgeschaft en een nieuwe systematiek wordt voorgesteld. Uit het betoog van de heer Van Rooijen heb ik geprobeerd te begrijpen hoe hij over het wetsvoorstel denkt. Eerlijk gezegd heb ik daar nog geen scherp beeld van. Zou hij mij dat nog eens kunnen vertellen?

De voorzitter:

Maar wel kort graag, mijnheer Van Rooijen.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Dat kan heel kort, want de heer Van Rij werd ook al geconfronteerd met die vraag. Ik wilde hiermee afronden; het was de laatste zin die ik zou uitspreken. De heer Van de Ven had dit goed ingeschat. Ik zou graag de fundamentele vragen die ik aan de staatssecretaris heb gesteld, door de staatssecretaris beantwoord zien. We maken hem nu al wat langer mee in dit huis. Ik acht hem meer dan het kabinet in staat om er wel een goede fundamentele beschouwing over te geven. Op basis van zijn antwoorden zal ik vervolgens in tweede termijn het oordeel van mijn fractie over dit wetsvoorstel geven. Kort gezegd: mijn fractie wacht het antwoord van de staatssecretaris op onze vragen over de echte oorzaak van het handhavingsprobleem met belangstelling af. Ik wil hier wel zeggen, ook in antwoord op de vraag van de heer Ganzevoort, dat wij de zorgen van de staatssecretaris over de handhaving in het huidige bestel delen. Wij vinden alleen dat als je over een oplossing nadenkt, je eerst de fundamentele vraag moet stellen of en, zo ja, hoe je het kunt oplossen en als je dat niet doet, je in arren moede — en daar spreken wij helaas vandaag over — moet kijken naar wat dan nog geboden is in een soort van "no regret"-sfeer.

Mijn slotwoord, ook in antwoord aan de heer Ganzevoort, is dat wij hier toch eigenlijk met kurieren am Symptom bezig zijn, maar ik maak die opmerking in vragende vorm.