Rappelabele toezeggingen Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Rappel toezeggingen september 2025)



Dit is het rappel tot 02-07-25.

 




Toezegging Onderzoek opt-out in bredere zin (27.529/35.824) (T03416)

De minister van VWS zal, naar aanleiding van vragen van de leden Van der Voort (D66), Verkerk (ChristenUnie), Prins (CDA), Baay-Timmerman (50PLUS) en De Bruijn-Wezeman (VVD), onderzoeken of de opt-outregeling ook voor andere knelpunten dan de acute zorg, een oplossing kan bieden en breder kan worden ingezet.


Kerngegevens

Nummer T03416
Status voldaan
Datum toezegging 7 juni 2022
Deadline 1 juli 2026
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Mr. M.H.H. Baay-Timmerman (50PLUS)
R.G. de Bruijn-Wezeman (VVD)
G. Prins (CDA)
Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Prof.dr. P.H.J. van der Voort M.Sc. (D66)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Mondeling overleg
Categorie overig
Onderwerpen acute zorg
zorgsector
opt-outregelingen
Kamerstukken Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg (35.824)
Informatie- en Communicatietechnologie (ICT) in de Zorg (27.529)


Uit de stukken

Kamerstukken 27529 / 35824, T, p. 6-8

De heer Van der Voort (D66): Ja. We hebben het bij de deskundigenbijeenkomst, maar volgens mij ook bij andere bijeenkomsten, gehad over het zogenaamde opt-outsysteem, waarbij kennis beschikbaar is, informatie voor zorgverleners beschikbaar is, tenzij de patiënt heeft aangegeven dat daar geen gebruik van gemaakt mag worden. Ik lees in de brief van 9 mei daar eigenlijk niet heel veel over. Wel, als ik het goed heb begrepen, een gedachte om daarover na te denken en daar verdere gedachten over te vormen. Wat is eigenlijk de mening van de minister en het ministerie over zo'n opt-outregeling binnen het Nederlandse stelsel, en wat belemmert eventueel een invoering daarvan binnen ons systeem?

De heer Verkerk (ChristenUnie): Voorzitter. Dank ook aan de minister voor de toelichting. Ik ben blij dat hij expliciet zegt dat grote stappen nodig zijn, en dat hij zich daarvoor wil inzetten. Dank u wel daarvoor. Laten we even teruggaan naar de deskundigenmeeting. Daar gaf de filosoof Hoogland een stukje filosofische analyse van de zorgpraktijk. Hij zei: als je er nou echt goed naar kijkt, dan zie je dat het een zorgpraktijk is, dus de zorg voor de patiënt staat centraal, en die zorgverlener moet ook maximaal gefaciliteerd worden om die zorg te geven. En hij zei eigenlijk ook expliciet: beveiliging en privacy moeten er ondersteunend aan zijn, en misschien wel een klein beetje ondergeschikt, maar die mogen geen groot negatief effect hebben op die zorgpraktijk. Ook heel interessant was wat de patiëntenvereniging naar voren bracht: de burgers verwachten gewoon dat het goed geregeld is en burgers willen zich in ieder geval voor 90% niet druk maken over dit soort vragen, omdat ze zeggen "voor mij mag het een opt-out zijn". En de vraag die ik dan eigenlijk heb, is de volgende. Als je zo naar de zorgpraktijk kijkt, denk ik dat er inderdaad grote stappen nodig zijn. Wat zou de minister ervan weerhouden om die zorgpraktijk helemaal in het midden, helemaal centraal, te laten staan, waarbij beveiliging en privacy echt ondersteunend is? Wat is daarvoor nodig?

Mevrouw Prins (CDA): Dank u wel, voorzitter. Dank u wel, minister, dat u deze toelichting aan ons heeft gegeven. Ik sluit me allereerst aan bij de vragen van de vorige sprekers over de opt-out. Er zijn zo veel mensen die gewoon verwachten dat het geregeld is. En we weten ook dat als mensen ziek zijn, ze daar nog meer op vertrouwen, ook oudere mensen. Dus eigenlijk is de vraag, en ik stel hem gewoon nog een keer: waarom doen we dat niet, zeker als je nagaat dat we het wel doen als het gaat om "wel of niet donor"? Dat is eigenlijk het allerlaatste wat je in je leven kan doen. Daar mogen we het wel, maar als het gaat om deze zaken in het hier en nu, dan niet. Dus: wat zijn de overwegingen -- ook als ik kijk naar de antwoorden in uw brief -- ervoor dat wij niet een stap opzij zetten en vanuit een ander perspectief gaan werken?

Kamerstukken 27529 / 35824, T, p. 11-12

Minister Kuipers: De heer Van der Voort en sommige anderen vroegen: wat betekent een opt-outregeling voor burgers? Bij een opt-outregeling moeten burgers, zoals u weet, actief aangeven dat ze níét willen dat bepaalde gegevens door hun zorgprofessionals met anderen worden gedeeld. Nu is dat eigenlijk andersom en dan zien we dat veel mensen dat door onbekendheid niet doen. Ook in acute situaties komt het voor dat, zoals sommige Kamerleden terecht noemden, ze er echt van uitgaan dat de situatie bekend moet zijn, maar dat die gegevens niet beschikbaar zijn. Dus een opt-outregeling kan interessant zijn als oplossing voor het wegnemen van knelpunten. Daarbij is in het kader van het wetsvoorstel over de herijking van gegevensuitwisseling allereerst gedacht aan een opt-outregeling in de acute zorg. Of de opt-outregeling ook een oplossing biedt voor andere knelpunten, of meer in brede zin, is tevens een onderwerp van onderzoek.

Kamerstukken 27529 / 35824, T, p. 14-15

Mevrouw Prins (CDA): Daarop doordenkend wil ik toch nog een keer terug naar dat opt-outsysteem. Daarmee zou je namelijk van dat probleem af zijn. In hoeverre bent u bereid om daar meer energie en haast achter te zetten? Gezien het aantal mensen dat daarvoor is en het feit dat de patiëntenorganisaties daarvoor zijn, zou dat gaan helpen bij een aantal van de problemen die we net met elkaar constateerden.

Minister Kuipers: Dank. U ziet mijn linkerbuurvrouw ook al instemmend knikken. Ik ben het hier zeer mee eens. Dit is dus ook het traject waar wij het met elkaar over hebben. Hier moeten we zo snel mogelijk vaart mee gaan maken. Ik meen het overigens als ik zeg "dank voor deze discussie", want het helpt en ondersteunt ons. De signalen die u op bepaalde punten afgeeft, zijn logischerwijs altijd belangrijk. Maar hier zijn ze eens te meer belangrijk, omdat -- het klinkt misschien een beetje gek -- het een complex veld is en dus ook een tocht. Hoe verbeter je nou in zo kort mogelijke tijd zo veel mogelijk een traject waar al jaren over gepraat wordt en waarbinnen ieder individueel dossier buitengewoon moeilijk is?

De heer Van der Voort (D66): Ik ben heel blij met het feit dat wij toch wel een beetje dezelfde kant op denken. Maar het intrigeert me toch ook wel, want deze optie ligt natuurlijk niet pas sinds vorige week op tafel. Daar denken jullie op het ministerie vast al veel langer over na. Ik ben daarom heel benieuwd waar jullie nu in eerste instantie de belemmeringen zien, waardoor er nog niet meteen doorgepakt is waar dat wel zou moeten.

De voorzitter: De heer Verkerk op hetzelfde punt?

De heer Verkerk (ChristenUnie): Ja, voorzitter. Ik wil als eerste zeggen dat mijn fractie de minister wil aansporen, dubbel wil aansporen, om deze richting uit te gaan. In NS-termen: graag een dubbelspoor! Een heel essentieel punt is dat de ethiek centraal staat in de zorgpraktijk. Ik zei het net al, want dan kun je ook zeggen dat je vanuit de ethiek kunt kijken welke typen beveiligingen en welk niveau van privacybescherming we nodig hebben. Daarom onderstreep ik de vraag die net door de heer Van der Voort werd gesteld: stel je voor dat we gaan voor een opt-out, welke bezwaren ziet de minister dan? Is de AVG voor ons dan echt een gigantisch bezwaar? En zijn er nog andere wetten die een gigantisch bezwaar kunnen zijn? Ik bedoel: wat kunnen we vanuit juridisch oogpunt doen om te zeggen "we gaan voor een opt-out, punt uit"?

Minister Kuipers: De bal wordt nu heel erg op de stip gelegd. Als u het goedvindt, en u kunt daar niet op tegen zijn, dan zeg ik toch: het is verstandig om even goed te kijken welke juridische aspecten hierbij spelen. Verder moeten we kijken naar de uitvoerbaarheid, want we moeten niet iets nieuws maken dat vervolgens in de praktijk buitengewoon lastig is. We hebben het zonet al gehad over dat online toestemmingssysteem. Daar is lang aan gewerkt en op het moment dat we het bijna hadden ingevoerd, zeggen we dan: ja, maar in hoeverre gaat dit nou voor veel mensen echt de oplossing zijn? We moeten dus even goed kijken, want we moeten proberen om het in één keer goed te doen. Maar de inzet is precies hetzelfde: we moeten er op de een of andere manier voor zorgen dat er zo'n opt-out in de acute zorg komt. We hebben natuurlijk belangrijke ervaring opgedaan tijdens de covidperiode en laten we die ervaring ook gewoon gebruiken. Dat is de belangrijke inzet.

Tegelijkertijd zijn we er dan nog niet, want vervolgens komt er dan nog veel meer. Ik gaf bijvoorbeeld al aan, overigens ook in de brief, dat er onderzocht moet worden of je zorgverleners en zorginstellingen kunt vragen om specifieke gegevens ter beschikking te stellen, met toestemming in welke vorm dan ook, op het moment dat ze een patiënt in behandeling hebben of hebben gehad, en deze gegevens in het kader van de behandeling van de patiënt ergens anders nodig zijn. Kun je dan van ze vragen dat die gegevens er gewoon zijn en klaarstaan in één uniform format in plaats van dat er gebeld, gevraagd en soms gefaxt moet worden? Feitelijk kunnen die gegevens dan uiteindelijk alleen per brief of in pdf-format alsnog ter beschikking worden gesteld. Het vraagt dat we gegevens op een uniforme manier kunnen delen. Het maakt dan niet uit hoe je het intern opslaat, want dat is aan iedere instelling zelf. Het maakt ook niet uit met welke ICT-systemen of op welke manier we dat doen, als we het maar wel op een uniforme manier kunnen overdragen.

Kamerstukken 27529 / 35824, T, p. 20-22

De heer Verkerk (ChristenUnie): Voorzitter. Ik zou de minister als eerste willen danken voor de antwoorden in de eerste termijn en de antwoorden over opt-out. Wat dat betreft heeft onze fractie er alle begrip voor dat je dat alleen stap voor stap kunt doen en dat je niet in nieuwe problemen moet rollen. Het is natuurlijk fijn als er uiteindelijk een beleidslijn ligt van: dat is onze vaste lijn. In de stukken heb ik gelezen -- ik weet niet meer precies in welk stuk -- dat u zegt: als we die richting uit gaan voor gegevensuitwisseling, dan zie ik twee opties. De eerste optie is uitgaan van de lokale of regionale systemen en die ergens hoger aan elkaar knopen, even in jip-en-janneketaal uitgedrukt. Het tweede is uiteindelijk toch uitgaan van een centraal systeem. Ik wil aan de minister vragen of hij kan uitleggen welke richting het meest pragmatisch en het minst risicovol is.

Ten tweede: we hebben recent een stuk gehad van de Europese Commissie, die iets heeft gezegd over gegevensuitwisseling. Ik wil aan de minister vragen of hij de opvattingen van die minister ziet als stimulans om deze weg in te gaan of dat hij daar nog wat extra problemen ziet.

Mevrouw Baay-Timmerman (50PLUS): Dank, voorzitter. Ik hoorde de minister heel duidelijk zeggen dat hij denkt aan een opt-outsysteem voor de acute zorg. Dat lijkt mij ook het meest

voor de hand liggen, omdat je juist in de acute zorg soms op leven en dood snel moet kunnen handelen als je niet alle medische gegevens hebt. Toch zou ik graag nog even van de minister willen horen of hij, als dat een geslaagd traject gaat worden, dit opt-outsysteem ook gaat doorzetten naar alle andere zorgsectoren.

Mevrouw Prins (CDA): Ik wil graag de minister danken voor het feit dat opt-out in ieder geval wordt meegenomen in het onderzoek. Ik proefde daar toch een uitdrukkelijke voorkeur voor, maar misschien heb ik dat wíllen proeven; dat zou kunnen. Tegelijkertijd constateren we ook -- dat geeft u zelf aan -- dat in alle ziekenhuizen verschillende systemen zijn met verschillende implementaties en verschillende manieren van opslaan. In hoeverre zou het te overwegen zijn om vast vooruitlopend op al wat je verder wil, meer dwingend voor te gaan schrijven hoe de beroepsgroepen al meer moeten gaan standaardiseren, samen met de beroepsgroepen, maar de beroepsgroepen wel onder druk te zetten om dat te doen? Dan hoeft dat niet eerst nog te gebeuren als je straks een volgende stap maakt. Zou u dat niet kunnen versnellen?

Mevrouw De Bruijn-Wezeman (VVD): Tot slot, voorzitter. Uiteraard ook dank voor alle antwoorden. De minister geeft aan dat hij het als stimulans van deze Kamer ziet om mee aan de slag te gaan. Ik hoop dat u deze verkenning, dit gesprek, ziet als een verkenning van de denkrichtingen die hier spelen, bijvoorbeeld rondom opt-out. Ik hoop dat dat u kan helpen om straks met wetgeving te komen waar wij, als deze Kamer, goed op voorbereid zijn en al het gesprek over hebben kunnen voeren.

Kamerstukken 27529 / 35824, T, p. 23-24

Minister Kuipers: Mevrouw De Bruijn en de heer Verkerk vroegen of het EHDS-voorstel ook nationale wetgeving rondom grondslagen raakt. Het antwoord daarop is ja. Ook in Europa wordt de urgentie gevoeld om grondslagen te herijken. Het voorstel lijkt een opt-outregeling te omvatten voor uitwisseling van gezondheidsgegevens, zeker in het primaire proces, waar het gaat om een directe behandelrelatie. EHDS wordt overigens al snel vertaald als hetzelfde als een Europees elektronisch patiëntendossier. Ik zie mevrouw De Bruijn al knikken, maar ik hecht eraan om nadrukkelijk te zeggen dat het dat niet is.

De heer Verkerk vroeg welke richting nou het meest pragmatisch is. Een bredere opt-out is absoluut interessant. Ik gaf al aan dat we als eerste inzetten op de acute zorg. Welke oplossingen het meest geschikt en duurzaam zijn, is ook afhankelijk van andere trajecten voor gegevensuitwisseling in de zorg, zoals de al genoemde EHDS, de PGO's en een centrale regie van data. Om te borgen dat die oplossingen duurzaam zijn en andere trajecten niet bijten, worden deze onderwerpen logischerwijs ook in samenhang bezien.

De voorzitter: Dank. Ik kijk nog even naar wat ik genoteerd heb. Mevrouw Baay, die nu schielijk vertrekt naar een andere bijeenkomst, zei: als je nou die opt-out zou organiseren voor de acute zorg, zou je dat dan niet moeten doortrekken naar andere zorg?

Minister Kuipers: Over de opt-out gaf ik al aan dat het nadrukkelijk een punt van onderzoek is om te kijken of dat ook breder kan. We zetten eerst in op de acute zorg, om evidente redenen, maar tegelijkertijd moeten we de ervaring gebruiken om breder te kijken.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Kabinetsreactie op advies Raad voor Volksgezondheid en Samenleving over publieke gezondheid (36.194) (T03607)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Krijnen (GroenLinks), toe dat de kabinetsreactie op het advies van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving ‘Op onze gezondheid: de noodzaak van een sterkere publieke gezondheidszorg’ van 18 april 2023 ook met de Eerste Kamer gedeeld zal worden.


Kerngegevens

Nummer T03607
Status voldaan
Datum toezegging 16 mei 2023
Deadline 1 juli 2025
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Minister voor Medische Zorg
Huidige Verantwoordelijke(n) staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport
Kamerleden Drs. M.A.J. Krijnen (GroenLinks)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen gezondheidszorg
kabinetsreacties
publieke gezondheid
Raad voor volksgezondheid en samenleving
sociaal domein
volksgezondheid
Kamerstukken Eerste tranche wijziging Wet publieke gezondheid (36.194)


Uit de stukken

Handelingen I 2022-2023, nr. 31, item 10, blz. 13

Minister Kuipers:

(…) Mevrouw Krijnen en mevrouw Prins vroegen welke activiteiten de minister onderneemt om de GGD'en beter hun werk te laten doen, ook in lijn met het RVS-advies van 18 april jongstleden. Het advies van de RVS laat het maatschappelijk belang zien van een sterke publieke gezondheid en gezondheidszorg. Het richt zich op brede determinanten van preventie, zoals wonen, werk en inkomen. Ik zal in de komende periode met de partijen in gesprek gaan over dit advies en na de zomer met een reactie komen.

Handelingen I 2022-2023, nr. 31, item 10, blz. 19

Mevrouw Krijnen (GroenLinks):

(…) Ik ben blij met de bevestiging door de minister van het belang van een sterke infrastructuur voor publieke gezondheidszorg, GGD'en en preventie. Ik kijk uit naar de kabinetsreactie op het rapport van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, met die zorgelijke conclusies. Ik wil de minister graag vragen of hij die kabinetsreactie ook met de Eerste Kamer zou kunnen delen na de zomer.

Handelingen I 2022-2023, nr. 31, item 15, blz. 16

Minister Kuipers:

(…) Mevrouw Krijnen vroeg ook of ik de kabinetsreactie op het RVS-rapport ook met de Eerste Kamer kan delen. Daar ben ik van harte toe bereid.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Modernisering staatsnoodrecht en relatie met Wet publieke gezondheid (36.194) (T03608)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Janssen (SP), toe dat de modernisering van het staatsnood- en crisisrecht leidend zal zijn en dat er op initiatief van de regering gekeken zal worden wat er uit de Wet publieke gezondheid kan, op het moment dat het in het staatsnoodrecht geregeld is.


Kerngegevens

Nummer T03608
Status openstaand
Datum toezegging 16 mei 2023
Deadline 1 juli 2027
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden mr. R.A. Janssen (SP)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen crisisbeheersing
staatsnoodrecht
Wet publieke gezondheid
Kamerstukken Eerste tranche wijziging Wet publieke gezondheid (36.194)


Uit de stukken

Handelingen I 2022-2023, nr. 31, item 2, blz. 5-6

Minister Kuipers:

(…) Voorzitter. In een crisis kunnen zich altijd omstandigheden voordoen waarin specifieke maatregelen nodig zijn waar op dat moment nog geen specifieke bevoegdheidsgrondslag voor is. Daarom is in de huidige eerste tranche voorzien in een noodbevoegdheid met stevige parlementaire betrokkenheid. Ook de Afdeling advisering van de Raad van State acht de noodbevoegdheid onmisbaar voor een effectieve crisisbestrijding. Maar in het kader van de modernisering zal zeker worden bezien op welke wijze de Wpg op termijn in overeenstemming gebracht kan worden met het kader dat de minister van JenV u heeft toegezonden.

Het kabinet heeft altijd gesteld dat met het oog op de pandemische paraatheid niet kon worden gewacht op de modernisering van het staatsnood- en crisisrecht. U weet dat de oorspronkelijke discussie ook al onder mijn voorganger was: herhaal de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 in afwachting van zo'n revisie. Ik heb vorig jaar mei ook hier in uw Kamer gestaan. Toen hebben we over precies hetzelfde onderwerp een debat gevoerd en heeft u mij nogmaals aangegeven — net zoals u bij mijn voorganger ook al had gedaan — dat u echt hecht aan een ander pad en alvast een revisie wilt en een eerste tranche aanpassing van de Wpg. Althans, wij hebben dat nu in een eerste tranche gedaan. U zei een stapsgewijze aanpassing te willen in afwachting van de revisie van dat staatsnood- en crisisrecht.

De heer Janssen (SP):

Ja, daar heeft ook de motie-Hijink in oktober 2020 om gevraagd, omdat ook de Tweede Kamer toen al zag dat die tijdelijkheid ook echt tijdelijk moest blijven. We hebben daar herhaaldelijk op aangedrongen. Maar dat is de situatie zoals die nu is. Waar het mij om gaat, is vooruitkijken — dat was volgens mij ook de blik van de collega's — en zeggen: wij gaan naar een herijking van het staatsnoodrecht. Deelt de minister het uitgangspunt dat het staatsnoodrecht een zekere integraliteit moet herbergen en dat de herijking van dat staatsnoodrecht zich niet moet aanpassen aan datgene wat nu al in individuele wetgeving geregeld wordt omdat er nu niets anders is? Is het ook volgens hem de bedoeling dat een integraal staatsnoodrecht straks de kern vormt van het noodrecht dat wij toepassen, ook bij crisisbestrijding als het gaat om infectieziekten?

Dat er wellicht nog aanvullingen nodig zijn in individuele wetgeving is iets anders. Maar het uitgangspunt waar ik de minister naar vraag, is dat het staatsnoodrecht straks niet aangepast moet worden aan de Wpg en aan wat er al in de individuele gereedschapskisten van diverse ministers zit. Het uitgangspunt moet integraliteit zijn. Wil de minister toezeggen dat dan ook gekeken zal worden, op initiatief van de regering, wat er uit de Wpg kan omdat we het al in het staatsnoodrecht geregeld hebben? We moeten niet voor de zekerheid alles ook nog in de Wpg houden.

Minister Kuipers:

Ja, dat uitgangspunt deel ik. Ik wil graag de toezegging doen om in de toekomst te kijken wat dat dan vraagt van de Wpg. Even met een kanttekening. Welke aanpassingen en of dat betekent dat er iets uitgaat, is een logische vraag, ja. Maar laat ik daar wel even bij benoemen dat keuzes die we nu maken rond de Wpg in de eerst tranche niet rechtstreeks een precedent zijn voor de inrichting van het staatsnoodrecht. Het kader met algemene uitgangspunten is daarvoor in principe echt leidend en dat heeft de minister van Justitie en Veiligheid ondertussen aan u gestuurd. Dat kader zal voor de modernisering als leidraad dienen. Ook het advies van de Afdeling advisering wordt uiteraard betrokken. Dat kan zeker leiden tot aanpassing van de Wpg. Die toezegging wil ik van harte doen.

De heer Janssen (SP):

Excuus voor de lange inleiding van zojuist, maar dan is het duidelijk. Dat scheelt weer in het vervolg. Dank voor de toezegging van de minister, maar dan ook graag de aanvulling daarop dat, zoals ik gevraagd heb, het initiatief daarvoor van de regering zelf komt en niet dat dat weer door het parlement … "Afgedwongen" is dan meteen weer een heel zwaar woord, maar ik bedoel dat de regering er niet steeds weer door het parlement aan herinnerd hoeft te worden dat hier nog een opgave ligt.

Minister Kuipers:

Die aanvullende toezegging wil ik eveneens van harte doen. Die zat al in de eerdere vraag van de heer Janssen, met excuus dat ik 'm niet ook op die manier nog benoemd heb.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Toezenden 'Actieplan tegen vapen' aan de Eerste Kamer (36.159) (T04027)

De staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Nicolaï (PvdD) en Van Aelst-Den Uijl (SP), toe het ‘Actieplan tegen vapen’, dat in februari 2025 gepubliceerd wordt, ook naar de Eerste Kamer te sturen.


Kerngegevens

Nummer T04027
Status voldaan
Datum toezegging 21 januari 2025
Deadline 1 juli 2025
Verantwoordelijke(n) staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport
Kamerleden prof. mr. P. Nicolaï (PvdD)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen tabak
tabaksindustrie
vapen
Kamerstukken Tegengaan productie van en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen en enkele andere wijzigingen (36.159)


Uit de stukken

Handelingen I 2024/2025, nr. 15, item 8, p. 7.

De heer Nicolaï (PvdD):

Even terug, want de staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport is aanwezig. Ik ben over vapen begonnen. Daar gaat die wet niet over, maar het is een zorg die we hier allemaal vreselijk delen: een op de tien jongeren die naar de vernieling gaat. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij daar eens op zou willen reageren. Ook verneem ik dan graag van de staatssecretaris of hij het met mij eens is dat de omvang van die groep vapende jongeren niet in verhouding staat tot de relatief kleine groep gebruikers van de zogeheten designerdrugs. Dat is een niche, zoals een van de door onze Kamer geraadpleegde deskundigen het noemt.

Handelingen I 2024/2025, nr. 15, item 8, p. 14.

Mevrouw Van Aelst-Den Uijl (SP):

Voorzitter. U heeft de SP denk ik ook gehoord in de discussie over de nicotineproducten zonder tabak. Daarin hebben wij gepleit voor een totaalverbod, omdat de immorele markt telkens weer iets nieuws bedenkt, ten koste van de gezondheid van vaak heel jonge mensen. Eenzelfde pleidooi hield mijn fractie ten aanzien van pfas-stoffen. Daar weigerde de markt keer op keer een klein stukje om onder strenge regels uit te komen. Mijn fractie ziet een sterke parallel met dit wetsvoorstel. (…)

Handelingen I 2024/2025, nr. 15, item 8, p. 26.

Staatssecretaris Karremans:

(…)

Kan worden gereageerd op de schadelijkheid van vapen? Hoe staat de groep jongeren in verhouding tot de groep gebruikers van designerdrugs? Volgens mij heb ik daar net wat over gezegd. We willen juist voorkomen dat de volgende epidemie over Nederland trekt. Met vapen zijn we echt veel te laat. We moeten er dus met man en macht aan werken om dat tegen te gaan. Het actieplan vapen, waar ik nu hard aan werk, wordt nog in februari gepubliceerd. Als de Kamer daar prijs op stelt, kan ik dat natuurlijk toesturen. Wat betreft de financiën daarachter: ik heb structureel 3 miljoen euro extra vrijgemaakt voor de NVWA om te handhaven op illegale vapes. Dat zijn dus de vapes met een smaakje, die massaal door jongeren in Nederland worden gebruikt. Ik maak me daar grote zorgen over. Het is inderdaad tijd voor actie, maar we zijn daarmee wel echt iets aan het repareren wat we ook hadden kunnen voorkomen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Campagne over gevolgen drugsgebruik (36.159) (T04028)

De staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Toorenburg (CDA), toe dat hij samen met de minister van Justitie en Veiligheid aan de slag zal gaan met een campagne om gebruikers te wijzen op zowel de volksgezondheidsgevolgen als de negatieve maatschappelijke gevolgen van drugsgebruik.


Kerngegevens

Nummer T04028
Status voldaan
Datum toezegging 21 januari 2025
Deadline 1 juli 2025
Verantwoordelijke(n) staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport
Kamerleden dr. M.M. van Toorenburg (CDA)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Campagne
drugs
drugspreventie
voorlichting
Kamerstukken Tegengaan productie van en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen en enkele andere wijzigingen (36.159)


Uit de stukken

Handelingen I 2024/2025, nr. 15, item 8, p. 11/12.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

(…)

Dat wil niet zeggen dat er niet hele relevante vragen zijn gesteld. Die hebben wij ook. Natuurlijk is het zo dat er een groot risico is dat van bepaalde stoffen dan gedacht wordt: "Daar moet je misschien maar bij wegblijven. Dan ga ik misschien maar naar andere dingen. Dan weet ik zeker dat het niet oké is, maar misschien is het minder schadelijk." Jongeren gaan altijd een beetje zoeken naar wat ze nou wel en wat ze nou niet zullen gebruiken. Maar de crux is dan eigenlijk dat we er een hele goede voorlichting naast zetten. Je zal nooit drugs kunnen stoppen door ze alleen maar te verbieden. Je zult daarnaast ook heel duidelijk een programma moeten hebben op basis waarvan je duidelijk maakt dat het echt slecht voor je is. Hele doelgerichte communicatie is noodzakelijk. Ook wij willen van het kabinet weten wat het daar serieus aan gaat doen. Want ik hoor eigenlijk alleen maar dat er op preventie wordt bezuinigd. Ik wil dus eigenlijk wel graag van dit kabinet weten welke acties worden ondernomen, ook richting onlinewebshops, het darkweb en de vele versleutelde apps. Dus: wat gaan we doen om te zorgen dat we een goeie communicatie hebben over hoe schadelijk drugs uiteindelijk zijn?

Dan denk ik bijvoorbeeld aan een hele slimme publiekscampagne, gehouden in Rotterdam, met prachtige voorbeelden: "Er is niets party aan partydrugs. Jouw lijntje is iemand anders' liquidatie." Een briljante wethouder was daarmee gekomen. Ik denk dat het heel goed is als dit kabinet gaat spreken met deze wethouder. Die zit namelijk op het ogenblik in vak K. We zouden graag willen weten wat hij nu, ook op dit niveau, voor Nederland kan betekenen wat betreft de publiekscampagnes om ervoor te zorgen dat drugs juist niet worden gebruikt.

Handelingen I 2024/2025, nr. 15, item 8, p. 21.

Staatssecretaris Karremans:

(…)

Tot slot — daar refereerde mevrouw Van Toorenburg al even aan — gaan de minister van Justitie en ik aan de slag met een campagne om gebruikers te wijzen op niet alleen de gevolgen voor de volksgezondheid, maar ook de negatieve maatschappelijke gevolgen van drugsgebruik, iets wat naar mijn bescheiden mening nog altijd te veel onderbelicht is.

Mevrouw Van Toorenburg vroeg ook: wat kan de staatssecretaris op nationaal niveau betekenen op het gebied van campagnes om ervoor te zorgen dat drugs niet worden gebruikt? Dat is inderdaad een goede suggestie. We zullen kijken naar de campagne in Rotterdam. Dat is inderdaad een interessant voorbeeld. Dat gaan we doen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Aanbieden aanvullend zorg- en welzijnsakkoord (36.600 XVI) (T04030)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Gurp (GroenLinks-PvdA), toe het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord, zodra dit is gesloten, aan de Eerste Kamer aan te bieden.


Kerngegevens

Nummer T04030
Status voldaan
Datum toezegging 1 april 2025
Deadline 1 juli 2025
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden drs. R. van Gurp (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen arbeidsmarkttekort
zorg- en welzijnsakkoord
Kamerstukken Begrotingsstaten Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025 (36.600 XVI)


Uit de stukken

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 22

Minister Agema:

(…)

Dan komen we bij het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord. Ik heb het hier denk ik al dertig keer genoemd en dan heb ik nu nog een heel blokje. Mevrouw Perin-Gopie vroeg hoe we de zorg toegankelijk, betaalbaar en rechtvaardig kunnen houden. In het hoofdlijnenakkoord hebben we afspraken gemaakt om de zorg toegankelijker, betaalbaarder en rechtvaardiger te maken. Denk bijvoorbeeld aan de verlaging van het eigen risico, de insteek om streekziekenhuizen te behouden en het uitgangspunt te maken voor ons ziekenhuislandschap. Ook het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord, het hoofdlijnenakkoord en de Hervormingsagenda Jeugd dragen hieraan bij. Ze zijn erop gericht om de toegankelijkheid van de zorg te vergroten en gelijkwaardiger te maken.

De heer Van Gurp vroeg wat we in 2025 en 2026 doen aan de arbeidsmarkttekorten, aangezien het akkoord pas ziet op 2027 en 2028. Dat is een scherpe vraag van de heer Van Gurp.

De voorzitter:

Zo kennen we de heer Van Gurp ook.

Minister Agema:

Als het gaat om de financiële afspraken, dan hebben die een later beslag. Voor elke afspraak in het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord — dat zijn er ongeveer dertig — wordt een termijn vastgesteld waarop deze wordt uitgevoerd. We hebben als doel om het arbeidsmarkttekort in 2028 met 100.000 terug te dringen. Alles wat we kunnen automatiseren en digitaliseren en met AI kunnen verbeteren, activeren we al op korte termijn.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Begrijp ik u goed dat u alles op alles zet om het arbeidsmarkttekort in 2028 tot 100.000 te beperken en dat de acties die daarvoor nodig zijn vanaf nu of morgen ingaan, zonder gehinderd te worden door het feit dat de financiële besluitvorming pas over twee jaar begint?

Minister Agema:

Alles wat we eerder kunnen doen, zullen we eerder doen. Het potentieel benutten staat niet eens in het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord, maar komt wel op mijn platform terecht. We hebben hier al een aantal jaar mee geëxperimenteerd en het blijkt dat veel mensen bereid zijn een paar extra uren te werken. Zo stijgt de arbeidsdeelname. Op mijn platform van 2 juni komen verschillende bewezen effectieve maatregelen samen. Niet alle afspraken uit het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord gaan direct in, maar zodra dat mogelijk is, doen we dat. Elke afspraak heeft een eigen invoeringsdatum en doelstelling.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

De arbeidsmarkt is topprioriteit en wacht niet tot 2027?

Minister Agema:

Nee.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Dat gaat zo snel mogelijk in?

Minister Agema:

Daarom sta ik hier.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Prima, dank u.

Minister Agema:

Laat ik mijn persoonlijke motivatie hiervoor naar voren brengen. Op dit moment hebben we een tekort van 66.500 arbeidsplaatsen. Dat is al zeer nijpend en maakt het lastig om roosters rond te krijgen. Als we dit op zijn beloop laten, kan het misgaan. Dan hebben we op een gegeven moment te weinig ambulanceverpleegkundigen om uit te rukken in noodsituaties, te weinig operatieassistenten om operaties door te laten gaan en te weinig verloskundigen om vrouwen bij te staan bij de bevalling. Dat mag niet gebeuren. Dat is de reden waarom ik hier sta.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Dan heb ik toch nog een vraag. Ik stond op het punt te gaan zitten. U zegt dat we nu een tekort van 66.500 hebben en dat we maatregelen nemen, zodat het tekort in 2027 niet boven de 100.000 uitkomt?

Minister Agema:

Nee, de 66.500 loopt op naar 266.000 in 2034. In 2028 wil ik dat tekort met 100.000 hebben teruggebracht. Daarnaast hebben we een platform waarop bewezen effectieve maatregelen worden verzameld, zodat dit ook op langere termijn soelaas biedt. Dit moet nog worden doorgerekend.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Als dat nog een keer bij ons komt, zou dat fijn zijn.

Minister Agema:

Ik hoop het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord binnenkort te kunnen sluiten. De neuzen staan dezelfde kant op. Er zijn ongeveer dertig afspraken. Er liggen nog een paar hete hangijzers op tafel, maar ik heb er alle vertrouwen in dat we eruit komen. Daarna ontvangt u het akkoord. Op 2 juni presenteren we daarnaast het platform, dat deels overlapt met het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord. Dit platform zal succesvolle interventies bundelen om het arbeidsmarkttekort terug te dringen.



Historie







Toezegging Informeren over mogelijke inzet tabaks- en kansspelinkomsten voor preventie (36.600 XVI) (T04031)

De staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Koffeman (PvdD), toe de Kamer op de hoogte te houden van de voortgang van het onderzoek naar de mogelijkheid om de tabaksindustrie te laten bijdragen aan preventiemaatregelen tegen roken en vapen, en van het overleg met de staatssecretaris Rechtsbescherming over de mogelijke inzet van kansspelbelasting voor preventie.


Kerngegevens

Nummer T04031
Status openstaand
Datum toezegging 1 april 2025
Deadline 1 juli 2026
Verantwoordelijke(n) staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport
Kamerleden drs. N.K. Koffeman (PvdD)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen kansspelbelastingen
preventie
roken
tabaksindustrie
vapen
Kamerstukken Begrotingsstaten Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025 (36.600 XVI)


Opmerking

Deze toezegging is analoog aan toezegging T03937 over het periodiek informeren van de Kamer over de voortgang van het investeringsmodel preventie.

Uit de stukken

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 28

Staatssecretaris Karremans:

(…)

Ten aanzien van de specifieke allocatie van middelen het volgende. De regel die we met z'n allen hebben afgesproken, is dat de inkomsten van belastingen allemaal vloeien naar de algemene middelen. Ik noem bijvoorbeeld de kansspelbelasting of de accijnzen op de verkoop van sigaretten. Zo kunnen we daarmee onderwijs, wegen en klimaatbeleid betalen. Noem het maar op: het wordt er allemaal mee gefinancierd. Dat is de regel. Daar zeg ik wel het volgende bij. Naar aanleiding van het actieplan vapen heb ik in de Tweede Kamer een motie van het CDA gekregen met het verzoek of ik de tabaksindustrie kan laten meebetalen aan preventiemaatregelen ten aanzien van roken en vapen. Dat ben ik aan het onderzoeken. Maar dat wordt nog een flinke discussie met het ministerie van Financiën, kan ik u vertellen.

De heer Koffeman (PvdD):

Alle begrip daarvoor. Maar het zou fijn zijn als de staatssecretaris ons in the loop wil houden. Dat geldt zowel voor het omkatten van de inkomsten uit de vape- en tabaksindustrie naar preventie als, naar analogie daarvan, voor de gokinkomsten. Welk deel van de jackpot die bij de Belastingdienst valt, kan gebruikt worden om de problemen in ieder geval te verzachten?

Staatssecretaris Karremans:

Daarvan zei ik dat de regel die we met mekaar hebben afgesproken, is dat dit niet gebeurt. Het vloeit allemaal naar de algemene middelen. Het wordt niet geëarmarkt. Het gaat dus, zoals ik zei, naar onderwijs, klimaatbeleid en noem maar op. Wat

kansspelbelasting betreft wil ik natuurlijk met alle liefde ... Laat ik het zo zeggen: ten aanzien van de tabaksindustrie kan ik natuurlijk toezeggen dat ik de Kamer daarvan op de hoogte houd, net zoals over het investeringsmodel voor preventie. Daar heb ik geen enkel probleem mee. Het punt is dat de kansspelwetgeving bij mijn collega Struycken van Rechtsbescherming zit. Ik zou dus even met hem moeten overleggen wat hij de Kamer kan bieden.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Koffeman (PvdD):

We blijven heel graag op de hoogte van dat overleg.

Staatssecretaris Karremans:

Ja.



Historie







Toezegging Verkenning pilot afslankmedicatie voor groepen met een lage sociaaleconomische status (36.600 XVI) (T04032)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bezaan (PVV), toe te verkennen of verstrekking van het afslankmiddel semaglutide aan mensen met een lage sociaaleconomische status binnen een pilot mogelijk en zinvol is.


Kerngegevens

Nummer T04032
Status voldaan
Datum toezegging 1 april 2025
Deadline 1 juli 2025
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden mr. I.A. Bezaan (PVV)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen afslankmedicatie
obesitas
overgewicht
vergoedingen
pilots
Kamerstukken Begrotingsstaten Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025 (36.600 XVI)


Opmerking

De toezegging is gedaan voorafgaand aan de stemming over Motie-Bezaan (PVV) over vergoeding van afslankmedicatie (status: verworpen).

Uit de stukken

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 12

Mevrouw Bezaan (PVV):

(…)

Een ander punt dat ik wil bespreken, is de vergoeding van semaglutide, beter bekend onder de merknaam Wegovy. Dit middel heeft zich academisch bewezen als een effectieve behandeling tegen obesitas, een volksgezondheidsprobleem met enorme maatschappelijke en economische gevolgen. Mevrouw Moonen en de heer Koffeman noemden dit ook al. Meer dan de helft van de bevolking heeft tegenwoordig overgewicht en een op de zes Nederlanders kampt met obesitas. Overgewicht zorgt voor een enorme ziektelast met bijkomende kosten en ondanks diverse inspanningen zoals maagverkleiningen, preventieprogramma's en gecombineerde leefstijlinterventies, lukt het nog steeds niet om de toename van obesitas een halt toe te roepen. Toch blijft vergoeding van semaglutide uit. De daardoor ontstane ongelijke toegang tot een middel dreigt de gezondheidskloof te vergroten en maakt obesitas nog meer een ziekte van de armen.

De huidige gouden standaard — dat is de gecombineerde leefstijlinterventie — voor de behandeling van overgewicht levert gemiddeld 5% gewichtsverlies op. Semaglutide daarentegen zorgt voor een afname van 15% tot 17%. Daarnaast verlaagt het de kans op hart- en vaatziekten. Zorginstituut Nederland heeft besloten dat semaglutide in Nederland niet wordt vergoed, maar dat wel wordt erkend dat het effectief is. Vergoeding is onder andere afgewezen vanwege de twijfels over de kosteneffectiviteit en de potentiële budgetimpact. Ik kan me daar zeker wat bij voorstellen, want je kunt elke euro maar een keer uitgeven. Misschien is het tijd om het probleem van overgewicht en obesitas vanuit een andere invalshoek te benaderen, bijvoorbeeld door gerichter te modelleren welke patiënten daadwerkelijk baat hebben bij het gebruik van semaglutide en wat de maatschappelijke kosten en baten zijn. Dan kan een beter onderbouwd besluit worden genomen. Vergoeding zal in eerste instantie beperkt kunnen blijven tot een kleine groep patiënten met ernstige obesitas en bijkomende aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten. Door vergoeding gefaseerd in te voeren, kunnen kosten beheersbaar blijven. Daarnaast zouden er slimmere vergoedingsafspraken kunnen worden gemaakt, bijvoorbeeld door alleen te vergoeden als patiënten deelnemen aan leefstijlprogramma's en door het medicijn maximaal twee jaar te verstrekken, zoals in het Verenigd Koninkrijk op dit moment al gebeurt. Deze voorstellen zijn trouwens niet van mijn hand, maar komen uit een publicatie van Gupta Strategists. Je moet altijd je bronnen vermelden.

In de begroting zien wij dat de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport inzet op het bevorderen van het tegengaan van obesitas. Daarvoor heeft hij 200 miljoen gereserveerd voor duurzame en toegankelijke sportaccommodaties. Hoewel beweging essentieel is, zou een gecombineerde aanpak, inclusief bijvoorbeeld de vergoeding van semaglutide, misschien effectiever kunnen zijn. Een interruptie.

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 35

Minister Agema:

(…)

Mevrouw Bezaan had het over de pakketopname van semaglutide en tirzepatide. Het klopt dat er een pakketadvies van het Zorginstituut Nederland komt, waar in ieder geval ook in zal staan dat het een groot beslag zal leggen qua kosten. Dat is lastig natuurlijk. We zullen ook de baten daarvan goed in beeld moeten brengen. Dat gaat nog lang duren. We weten wel dat de prijzen flink dalen en dat de beschikbaarheid flink toeneemt. Je ziet dat het gebruik van die middelen door mensen die het zich kunnen veroorloven, daardoor een enorme vlucht neemt. De andere zorg van het Zorginstituut is de lange termijn, maar zij maken dan de keuze om er toch mee te beginnen. Zoals u in uw termijn aangaf, is er inderdaad ook een groep mensen die daar niet een beroep op kunnen doen omdat ze een lagere sociaal-economische status hebben, terwijl het life-changing gebeuren voor hen misschien veel groter kan zijn. Ik hoor u dus als u zegt dat u iets in de trant van een pilot zou wensen. Ik heb er wel oren naar om uit te zoeken of we daar iets mee kunnen. Ik kan u dus niet toezeggen dat dat gebeurt, maar ik kan u wel toezeggen dat ik voor u wil uitzoeken of wij een pilot kunnen doen voor de mensen met een lage sociaal-economische klasse, die anders waarschijnlijk nog behoorlijk lang moeten wachten. We zijn eigenlijk wel heel benieuwd wat het voor hun leven zou kunnen betekenen.

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 30

Mevrouw Bezaan (PVV):

Mijn vraag was eigenlijk de volgende. Het is heel goed dat u aan jeugdpreventie doet. Dat is fantastisch. Maar er is natuurlijk ook een groep mensen die op dit moment al last heeft van obesitas. Onder hen zijn allerlei mensen die bijvoorbeeld op eigen initiatief naar allerlei prachtige instituten gaan om zelf injecties te laten zetten; ze betalen dat zelf. Daarentegen is er ook een groep mensen die die centjes niet heeft. Voor die mensen zou ik willen proberen ook iets te fiksen, om het zo maar eens te zeggen.

Staatssecretaris Karremans:

Ik begrijp net van de minister dat ze bezig is met een pilot voor mensen in lage-SES-wijken, dus in wijken met een lage sociaal-economische status, om te kijken wat we daar met medicijnen kunnen doen. Dat wil ze gaan doen.

Mevrouw Bezaan (PVV):

Oké, dank u wel.

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 40

Mevrouw Bezaan (PVV):

Voorzitter, dank u wel. Ook vanuit onze kant dank voor de uitgebreide beantwoording van de minister en de staatssecretarissen. In het kader van de tijd dien ik alleen een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Zorginstituut wacht op dossiers van de farmaceuten voor zowel semaglutide als tirzepatide, zodat het kan beoordelen of vergoeding vanuit het basispakket mogelijk is;

overwegende dat ter voorbereiding daarop het Zorginstituut met artsen en patiënten gaat overleggen voor wie deze middelen het beste ingezet kunnen worden;

overwegende dat de Zvw geen mogelijkheid biedt tot vergoeding van zorg, specifiek omdat dit geen medische indicatie is;

verzoekt de regering ter voorbereiding daarop onderzoek te doen naar in hoeverre er draagvlak onder de Nederlandse bevolking bestaat voor wat betreft vergoeding van deze afslankmedicatie, waarbij speciale aandacht uitgaat naar mensen met een lagere sociaal-economische status;

verzoekt de regering tevens om met partijen te verkennen of verstrekking voor mensen met een lagere sociaal-economische status binnen een pilot mogelijk en zinvol is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bezaan.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.

Zij krijgt letter W (36600-XVI).

Minister Agema:

(…)

Dan de motie van mevrouw Bezaan: oordeel Kamer.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Vergelijking rechten jongeren (Jeugdwet) en ouderen (36.600 XVI) (T04033)

De staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Rooijen (50PLUS), toe om vóór het einde van 2025 een vergelijking te sturen tussen de rechten van jongeren op grond van de Jeugdwet en die van ouderen op grond van de voor hen geldende wetgeving.


Kerngegevens

Nummer T04033
Status openstaand
Datum toezegging 1 april 2025
Deadline 1 juli 2025
Verantwoordelijke(n) staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg
Kamerleden drs. M.J. van Rooijen (50PLUS)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Jeugdwet
ouderen
Kamerstukken Begrotingsstaten Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025 (36.600 XVI)


Opmerking

Deze toezegging is gedaan in het kader van de behandeling van de motie-Van Rooijen (50PLUS) c.s. over een onderzoek naar een ouderenwet (status: aangehouden).

Uit de stukken

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 3

De heer Van Rooijen (50PLUS):

(…)

Gemeenten hebben het financieel zwaar. Daarom kijken ze naar mogelijkheden om te bezuinigen, ook op het gebied van zorgverlening aan ouderen. Mijn fractie vraagt aan de staatssecretaris of zij bereid is te onderzoeken of er naar analogie van de Jeugdwet een ouderenwet kan komen waarin dezelfde uitgangspunten worden neergelegd. Hierdoor zijn de hulpvragen van ouderen beter geborgd. Waarom wel voor jongeren, maar niet voor ouderen? Kan de staatssecretaris de fractie van 50PLUS toezeggen een onderzoek te doen naar de vraag of zo'n ouderenwet de gemeenten helpt om verplichtingen uit hoofde van de Wmo na te komen?

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 32

Staatssecretaris Maeijer:

Voorzitter, dank u wel. Ik weet dat u op de tijd zit, dus ik zal proberen om mijn best te doen. Ik heb gelukkig niet heel veel vragen, dus aan mij zou het niet moeten liggen.

Ik heb een aantal vragen gekregen van de heer Van Rooijen. Hij vroeg of ik bereid ben om te onderzoeken of naar analogie van de Jeugdwet er ook een ouderenwet kan komen waarin dezelfde uitgangspunten worden neergelegd. Ik zeg tegen de heer Van Rooijen dat dat op zich een vraag naar mijn hart is. Ik begrijp heel goed waar die vraag vandaan komt en wat de achtergrond van die vraag is. Ook ik spreek heel veel mensen, waaronder ouderen, die vastlopen in ons zorgsysteem, omdat de zorg die zij nodig hebben, in verschillende wetten is belegd. Deze vraag zou je ook kunnen stellen over mensen met een beperking. Ook die lopen vaak tegen dezelfde soort situaties aan. Ik begrijp dus de achtergrond van uw vraag goed.

In het regeerprogramma is opgenomen dat het kabinet ervoor zal zorgen dat zorgwetten beter op elkaar worden afgestemd. Waar doorrekeningen aantonen dat het goedkoper en efficiënter kan, worden voorbereidingen getroffen om ze samen te voegen. Ik vind het een heel belangrijk punt, dat wat mij betreft niet alleen voor kwetsbare ouderen speelt, maar ook breder voor andere kwetsbare groepen. Wij zijn gestart met een verkenning op dit onderwerp. De Tweede Kamer zal rond de zomer van 2025 worden geïnformeerd over de stand van zaken. Indien u dat wenst, kunnen wij de stand van zaken uiteraard ook aan uw Kamer doen toekomen. Ik denk dat het goed is om pas na een zorgvuldige verkenning te bepalen wat hierin de juiste oplossing is. Het idee is om te voorkomen dat mensen alsnog verstrikt raken in een eventueel nieuw systeem dat we optuigen.

Parallel hieraan werkt het kabinet ook aan de voorbereidingen voor het instellen van een staatscommissie, die onderzoek gaat doen naar en ook met voorstellen komt voor de toekomstbestendige en weerbare inrichting van het zorgstelsel. Daarmee geven wij invulling aan de door de Tweede Kamer aangenomen motie van het lid Krul van het CDA. We streven ernaar om de Tweede Kamer aan het eind van het tweede kwartaal van 2025 nader hierover te informeren. Ik zal erop toezien dat in de opdracht aan de staatscommissie ook specifiek onderzoek wordt gedaan naar de positionering en ondersteuning van de zorg voor ouderen. Uiteraard kunnen wij deze brief ook aan uw Kamer doen toekomen.

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 33

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ik dank de staatssecretaris voor haar antwoord. Ik hoor na de minister ook de staatssecretaris uit haar hart spreken. Dat doet mij goed. Er bestaan nu drie wetten naast elkaar, die niet op elkaar aansluiten. Ik vroeg de staatssecretaris om een toezegging om ervoor te zorgen dat het, analoog aan de Jeugdwet, voor gemeenten duidelijk wordt dat, net als bij de jeugdzorg, ook ouderen dezelfde rechten hebben en dat de gemeente dus ook dezelfde plichten heeft om ouderen dezelfde hulp te geven als jongeren en hun ouders. Dat is eigenlijk mijn vraag. Mijn vraag was bescheiden, want ik vraag alleen maar een onderzoek. Kan zij mij toezeggen dat dat onderzoek op korte termijn separaat wordt gedaan? En niet via een staatscommissie, want dat duurt te lang. Dat onderzoek hoeft misschien niet volledig te zijn, maar het moet een goede start zijn. Ik realiseer me dat het een ingrijpende vraag is. Kan zij toezeggen dat zij op dit concrete punt een onderzoek gaat starten? Dan kunnen we altijd kijken waarmee zij na een tijd komt en zien of en hoe het verder moet worden ingebed in een breder kader. Ik ben bang dat u het te breed bekijkt. Mijn aardrijkskundeleraar zei vroeger altijd: "Je moet alles breed zien, want dan kijk je naar de wereldbol." Die uitspraak is me altijd bijgebleven.

De voorzitter:

Uw vraag is duidelijk.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ik zou graag zien dat u concreet toezegt dat, net als bij de Jeugdwet, ook onderzoek wordt gedaan naar de wenselijkheid van een "ouderenwet".

De voorzitter:

Helder.

Staatssecretaris Maeijer:

Nogmaals, ik begrijp uw vraag heel goed en deel uw urgentie en misschien zelfs uw frustratie. Veel van wat u voorstelt, sluit aan bij wat we nu al doen. Het verschil zit 'm vooral in het tijdspad, dat afwijkt van wat de heer Van Rooijen voorstelt. Ik begrijp dat dit frustrerend kan zijn. Toch ben ik huiverig om op dit specifieke onderdeel een apart onderzoek en een extra toezegging te doen. Dit onderwerp maakt deel uit van een bredere aanpak, waarbij we op twee sporen werken: enerzijds op basis van het regeerprogramma en anderzijds via de staatscommissie. Ik begrijp dat dit niet helemaal aansluit bij uw gevoel van urgentie. Mijn zorg is dat een extra onderzoekstraject opnieuw menskracht en middelen vraagt, terwijl we juist proberen het grotere geheel in kaart te brengen binnen de twee lopende lijnen die ik net noemde.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Deelt u mijn zorg dat het vreemd is dat er voor jongeren tussen de 18 en 24 jaar, met mogelijke uitloop, een goed geregelde aanpak is, terwijl die voor ouderen ontbreekt? In Brabant overleggen veel wethouders en maken ze afspraken, maar vervolgens belanden ze in een doolhof van drie verschillende wetten. Er is geen verplichting om dit voor de ouderen te doen, en dus ook geen geld. Bij de Jeugdwet is die verplichting er wél: gemeenten moeten de benodigde zorg bieden aan kinderen, gezinnen en hun omgeving. Dan breekt mijn hart. Er is geld voor de jeugd, maar niet voor ouderen.

Staatssecretaris Maeijer:

Ik deel die zorg. Mijn hart breekt dan ook, al wil ik niet te dramatisch klinken. Ik begrijp uw vraag en uw verzoek en erken de urgentie ervan. Ik spreek deze mensen ook en weet dat niet alleen ouderen vastlopen in zorgsystemen. Meneer Van Rooijen benoemt specifiek de categorie ouderen, maar mensen met een beperking ervaren soortgelijke knelpunten. De manier waarop het systeem ooit is ingericht, was misschien goed bedoeld, maar in de praktijk werkt het niet altijd zoals in theorie bedacht is. Er is mij veel aan gelegen om de knelpunten breed in kaart brengen en op te lossen. Ik ben ervan overtuigd dat de twee sporen die we volgen, via het regeerprogramma en de staatscommissie, concrete verbeteringen kunnen opleveren. Ik begrijp dat dit niet direct de snelle actie is waar u op hoopt, maar ik ben huiverig met het toevoegen van nog een afzonderlijk traject naast deze twee.

De voorzitter:

De heer Van Rooijen, tot slot.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Kunt u dan in ieder geval beloven dat we uiterlijk eind dit jaar, en liefst eerder, informatie en een tijdlijn ontvangen van alle onderdelen? Wat u zegt spreekt me aan: u erkent het probleem en het heeft uw aandacht. U wilt op bepaalde punten meer onderzoek doen om tot een beter beeld te komen, ook voor mensen met een beperking.

Staatssecretaris Maeijer:

Absoluut. Dat was ook mijn insteek vanaf het begin. De bedoeling is om rond de zomer de Eerste en Tweede Kamer te informeren over de stand van zaken van de verkenning die we gestart zijn naar aanleiding van het regeerprogramma. Die staatscommissie is de invulling van de motie die door de Tweede Kamer is aangenomen. Het idee is om de Tweede Kamer en ook de Eerste Kamer daarover aan het eind van het tweede kwartaal van 2025 te informeren.

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 36

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Voorzitter. Ik dank de bewindslieden alle drie voor de antwoorden, met name de minister en staatssecretaris Maeijer, aan wie ik vragen had gesteld. De minister en staatssecretaris Maeijer spraken allebei uit hun hart. Dat hoor ik niet elke dag van een kabinet en van bewindslieden, maar mij sprak dat aan. Ik spreek uit mijn hart erkentelijkheid uit voor de emotie die getoond is.

Voorzitter. In reactie op mijn vraag of bij zorginstellingen voldoende huisartsencapaciteit is om te komen tot adequate zorg, ook voor ouderen die meer intensieve zorg nodig hebben, zei de minister dat het uit haar hart gegrepen was. Ik heb begrepen dat zij eigenlijk een soort toezegging heeft gedaan dat zij dit daarbij hoge prioriteit geeft, om het zo maar te zeggen.

Staatssecretaris Maeijer sprak ook uit haar hart en erkende dat er voor ouderen, net als voor mensen met een beperking — ik vind die aanvulling heel terecht — een slechte aansluiting is tussen de wetten. Ik heb het over de Wmo, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Wlz, de Wet langdurige zorg, en de Zorgverzekeringswet. Dat moet beter, zo vindt zij. 50PLUS vindt het wenselijk dat er een onderzoek komt naar een ouderenwet analoog aan de Jeugdwet, omdat de gemeenten dan dezelfde verplichting krijgen. Als die verplichting er is op basis van zo'n ouderenwet, dan is er ook geld en anders helaas niet. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat gemeenten verplicht zijn jeugdhulp aan te bieden in situaties waarin kinderen, jongeren en ouders dit nodig hebben op basis van de Jeugdwet;

overwegende dat de Jeugdwet tot doel heeft om samenhangende hulp te bieden voor één gezin, met één plan en met één regisseur zodat in een vroegtijdig stadium aangeboden hulp verkregen wordt om erger te voorkomen;

overwegende dat voor ouderen als kwetsbare groep enkel generieke wetten bestaan, waaronder de Wmo, de Wlz en de Zvw, waardoor ze jegens de gemeenten niet dezelfde juridisch afdwingbare hulp hebben als jongeren in soortgelijke gevallen;

constaterende dat onderzoek nodig is over de vraag of voor ouderen een soortgelijke kapstok voor het uitoefenen van hun hulpvragen jegens gemeenten neergelegd zou kunnen worden in een ouderenwet;

verzoekt de regering een dusdanig onderzoek te starten en de resultaten voor het einde van 2025 te rapporteren aan de Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Rooijen en Koffeman.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.

Zij krijgt letter P (36600-XVI).

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 43

Staatssecretaris Maeijer:

Voorzitter. Dan heb ik nog een tweetal moties. De eerste is de motie-Van Rooijen, met letter P. We hadden daar in eerste termijn een mooi interruptiedebat over. Ik snap heel goed waar de wens van de heer Van Rooijen vandaan komt om te onderzoeken of er ook een ouderenwet kan komen, naar analogie van de Jeugdwet die we hebben. Ik heb toen ook aangegeven dat we vanuit de opdracht in het regeerprogramma bezig zijn met een traject om ervoor te zorgen dat zorgwetten beter op elkaar worden afgestemd. Waar doorrekeningen aantonen dat het goedkoper en efficiënter kan, worden voorbereidingen getroffen om ze samen te voegen.

Ik heb de heer Van Rooijen ook aangegeven dat wij bezig zijn met de voorbereidingen voor de instelling van een staatscommissie die een breed onderzoek gaat doen en met voorstellen zal komen voor een toekomstbestendige en weerbare inrichting van ons zorgstelsel. Maar ik heb natuurlijk ook zijn hele dringende oproep en uitgesproken wens gehoord, dus ik ben ook wel bereid om te proberen een beetje creatief mee te denken met de motie die nu voorligt. Ik zou de heer Van Rooijen het volgende willen vragen. Als ik de motie zo mag lezen dat ik voor het einde van het jaar een vergelijking stuur tussen de rechten van jongeren en die van ouderen, kan ik de motie oordeel Kamer geven. De resultaten zijn dan ook informatie voor de staatscommissie die wij gaan instellen. Als ik de motie zo mag lezen, kan ik 'm oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ik zie de heer Van Rooijen ja knikken, meld ik voor de goede orde voor de Handelingen. Ik hoor hem zeggen dat hij één woord niet goed heeft verstaan.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ik verstond één woord niet, maar het ging om een vergelijking van de rechten.

Staatssecretaris Maeijer:

Zeker. Voor het einde van het jaar zal ik een vergelijking sturen tussen de rechten van de jongeren en die van de ouderen. Dan kan ik de motie oordeel Kamer geven.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Structuur voor crisisbeheersing veiligheids- en zorgdomein (36.600 XVI) (T04035)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Moonen (D66), toe een heldere structuur voor crisisbeheersing in te richten die het veiligheids- en het zorgdomein verbindt, om vlot en adequaat te kunnen reageren bij een pandemie.


Kerngegevens

Nummer T04035
Status openstaand
Datum toezegging 1 april 2025
Deadline 1 juli 2026
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Ir. ing. C.P.M. Moonen (D66)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen crisisbeheersing
pandemie
pandemische paraatheid
veiligheidsdomein
zorgdomein
Kamerstukken Begrotingsstaten Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025 (36.600 XVI)


Uit de stukken

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 17

Minister Agema:

Nee, er zijn nog losse vragen. Uw naam ligt bovenop, mevrouw Moonen. De volgende vraag: "Kan de minister toezeggen dat er een heldere structuur wordt ingericht tussen het veiligheidsdomein en het zorgdomein om bij een pandemie vlot en adequaat te kunnen reageren? Graag een toezegging." Dat klopt. Dat is de LFI. In lijn met de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de coronacrisis kijk ik momenteel naar mijn bevoegdheden richting het zorgveld tijdens een crisis. Waar nodig zal ik die aanscherpen. Daar zullen ook raakvlakken met het veiligheidsdomein bij zitten, bijvoorbeeld wat betreft de samenwerking tussen de ROAZ'en en de veiligheidsregio's. Die moet helder zijn. Waar nodig zal ik samen optrekken met de minister van JenV, die verantwoordelijk is voor het veiligheidsdomein.

Mevrouw Moonen (D66):

Dat is fijn om te horen. Kan ik dit duiden als een toezegging dat de minister dit inderdaad op gaat pakken? Dit was echt een hartenkreet van de NZa tijdens de deskundigenbijeenkomst. Daarbij werd er gezegd dat dit het missende stuk is. We hebben veiligheidsregio's, een RIVM en een GGD, maar die zijn niet goed aangesloten bij het zorgdomein. Die governance moet worden versterkt. Mag ik dat dus zien als een toezegging?

Minister Agema:

Maar een toezegging zou wel impliceren dat ik het niet doe.

Mevrouw Moonen (D66):

Ik heb het ook nog niet gezien; vandaar dat ik zo het debat inga. De deskundigenbijeenkomst was in maart, enkele weken geleden. Dit was echt de noodkreet van de NZa. Die heb ik uit een presentatie van drie weken geleden. Zij gaf totaal niet de indruk dat dit al gebeurde.

Minister Agema:

De Landelijke Functionaliteit Infectieziektebestrijding is niet on hold gezet. Die gaat door. Mijn bevoegdheden richting het zorgveld zal ik waar mogelijk aanscherpen. Maar als het zo belangrijk is voor mevrouw Moonen, dan noteert de voorzitter bij dezen een toezegging. Ik was het al van plan, dus ik vind het een beetje gek, omdat een toezegging volgens mij altijd gaat over een nieuw punt, maar als het voor mevrouw Moonen zo belangrijk is, dan vind ik het prima dat de voorzitter dit als een toezegging noteert.

De voorzitter:

Wij gaan het opnemen in het toezeggingenregister.



Historie







Toezegging Informeren over risico’s van mutaties van het vogelgriepvirus (36.600 XVI) (T04036)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Koffeman, toe de Kamer per brief te informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar mutaties van het vogelgriepvirus, de risico’s daarvan voor de volksgezondheid en hoe daarmee wordt omgegaan.


Kerngegevens

Nummer T04036
Status openstaand
Datum toezegging 1 april 2025
Deadline 1 juli 2026
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden drs. N.K. Koffeman (PvdD)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen laboratoriumonderzoek
virus
vogelgriep
volksgezondheid
Kamerstukken Begrotingsstaten Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025 (36.600 XVI)


Uit de stukken

Handelingen I 2024/2025, nr. 24, item 5, p. 19

De heer Koffeman (PvdD):

Ik begrijp de geruststelling en dat de minister zegt: ik weet het nog niet; misschien valt het mee. Maar Ron Fouchier, hoogleraar in Rotterdam, heeft onderzoek gedaan naar mutaties van het vogelgriepvirus en hij heeft gezegd: we zijn slechts enkele mutaties verwijderd van het van mens tot mens besmettelijk worden. Hij heeft ook aangegeven hoeveel hoger de mortaliteit dan zal zijn. En hij heeft ook heel veel kritiek gekregen over het feit dat hij die variant gemaakt heeft, omdat mensen zeiden: joh, jij hebt dat nou gemaakt, maar hoe weten we zeker dat het in jouw laboratorium blijft en niet kan ontsnappen? Dus laat ik het zo zeggen: die besmettelijke variant is al gemaakt bij het Erasmus Medisch Centrum. Hij zei: we zijn daar een paar varianten van verwijderd. Het is dus geen fantasie van mij. Dat is het gelukkig niet — of helaas niet, want wás het maar alleen maar doemdenken van mij. Maar het zou goed zijn om toch even te kijken naar alles wat meneer Fouchier gedaan heeft en voorspeld heeft — dat geldt ook voor Thijs Kuiken — over hoe groot het risico is als dat virus kan muteren via de kweekvijvers die wij hier in grote hoeveelheden hebben met onze intensieve veehouderij: wat de risico's zijn, maar ook hoe we daarmee omgaan. Ik denk dat het belangrijk is dat de minister zich daarvan op de hoogte stelt.

Minister Agema:

Dat is goed. We gaan daar achteraan. Ik zal u later per brief informeren over de uitkomsten daarvan.



Historie