Rappelabele toezeggingen Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Vooruitblik september 2021)



Dit is het rappel vanaf 02-07-21 tot 02-01-22.


Toezegging Inzet vaccins buitenland (35.526) (T03150)

De minister van VWS zal de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen van de leden Verkerk (ChristenUnie) en Raven (OSF), informeren over de manier waarop vaccins ter beschikking zullen worden gesteld aan armere landen.


Kerngegevens

Nummer T03150
Status voldaan
Datum toezegging 25 mei 2021
Deadline 1 september 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden A.C.M. Raven (OSF)
Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen buitenland
Coronacrisis
ontwikkelingslanden
vaccins
COVID-19
Kamerstukken Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (35.526)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 72

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Hoeveel vaccins krijgen wij in Europa c.q. Nederland en hoeveel vaccins krijgen de derdewereldlanden? Ik zou […] de minister graag willen stimuleren om te zorgen dat we denken in termen van globale rechtvaardigheid, waarbij de minister zich inspant om te zorgen dat landen die het niet kunnen betalen, toch de vaccins zo tijdig mogelijk krijgen. Stel je voor dat een aantal Nederlanders zich niet laat vaccineren en wij vaccins over hebben, dan zou ik het prachtig vinden als die vaccins naar de derde wereld gaan.

De heer Raven (OSF):

Tot slot aansluitend bij de heer Verkerk. Nederland heeft alle belang erbij dat covid overal ter wereld verdwijnt, ook in arme landen. Het voorstel dat we graag zouden willen meegeven, is om te beoordelen of bij de investeringen die gedaan worden in de vaccins, de miljardeninvesteringen, niet het systeem van return of investment kan worden toegepast. Met andere woorden, kunnen wij de leveranciers op de een of andere manier aanzetten om in arme landen covid te bestrijden?

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 81-82

Minister De Jonge:

Dan kom ik bij de heer Verkerk. Hij raakte aan een heel belangrijk punt, namelijk de vaccins. Natuurlijk, als je inzoomt op de Nederlandse situatie, dan willen we natuurlijk sneller, meer, beter et cetera. Overigens is het natuurlijk gewoon waar dat het enige wat de snelheid van vaccineren bepaalt, het aantal leveringen is. Als je kijkt naar wat het Europese continent geleverd krijgt, dan zijn we ongelofelijk bevoorrecht dat we hier geboren zijn.

Wij hebben in de westerse wereld natuurlijk een hele grote verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de hele wereld beschermd is. Waarom? Allereerst natuurlijk omdat we de bescherming die we zelf wensen, ook aan anderen moeten gunnen. Maar al wensen we het niet uit solidariteit, dan moeten we het uit eigenbelang wensen. Want zolang dat virus rondgaat over de wereld, zijn we met elkaar onvoldoende beschermd en bieden we de mogelijkheid aan een escapemutatie die uiteindelijk ook weer ondermijnend kan zijn voor de beschermingsgraad in Nederland. Kortom, we hebben met elkaar een hele grote verantwoordelijkheid.

Nou hebben we ook heel erg veel vaccins ingekocht, Nederland voorop, maar heel de Europese Unie heeft heel veel vaccins ingekocht. Zodra we surplus hebben en zodra we vaccins hebben die we zelf niet meer per se in willen zetten — dat zou voor AstraZeneca weleens vanaf week 25 kunnen zijn — willen we die graag inzetten voor die landen die op ons rekenen, en terecht. Wij hebben daarin gewoon een rol te spelen, op alle mogelijk manieren: door het zelf opschalen van productiefaciliteiten en door meer in te kopen dan we eigenlijk nodig hebben en die vaccins ter beschikking te stellen aan andere landen. Ik hoop uw Kamer zo snel mogelijk te informeren over de manier waarop we dat kunnen doen.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 83-84

Minister De Jonge:

Return on investment met betrekking tot vaccinatie. Ik denk dat ik daar zojuist, wellicht onbedoeld, best een lijvig antwoord op heb gegeven. Leveranciers aanmoedigen en aanzetten om covid in arme landen te bestrijden, doen we al, juist door al onze voorinvesteringen en door het opschalen van de productie.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Ten eerste wil ik de minister heel hartelijk danken voor wat hij heeft gezegd over de derdewereldlanden. Ik wil hem graag uitnodigen om ons als Eerste Kamer die rapportage te sturen.

Minister De Jonge:

Graag.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Vervalbepaling Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874) (T03216)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Nicolaï (PvdD), toe dat hij de vervalbepaling van artikel VIII van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 nader zal beschouwen om te bezien of dit een opschortingsbepaling kan worden. De Kamer zal daarover geïnformeerd worden.


Kerngegevens

Nummer T03216
Status afgevoerd
Datum toezegging 13 juli 2021
Deadline 1 januari 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden prof. mr. P. Nicolaï (PvdD)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen vervalbepaling
COVID-19
Kamerstukken Verlengingsprocedures Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 45, item 2, blz. 21

De heer Nicolaï (PvdD):

Dan kom ik bij het andere punt, namelijk of het geschut niet te grof is. Want we kunnen alleen ja of nee zeggen. Ik denk dat mevrouw De Bruijn daar een heel terechte vraag over gesteld heeft en dat het ook goed is dat we daarover geïnformeerd zijn, want als er nee gezegd wordt, betekent dat dat de gereedschapskist zoals die in de Wet publieke gezondheid zit, eruit valt. Dat is het gevolg. Dat is eigenlijk het gevolg van een stukje wetgevingstechniek en dat is heel makkelijk op te lossen. Mijn vraag aan de minister is dan ook of hij bereid is om daar eens naar te kijken. Wat er nu staat, is dat met ingang van drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, die hoofdstukken vervallen. Maar als je dat "vervallen" vervangt door dat de werking ervan wordt opgeschort, dan kan je in het KB de opschorting ongedaan maken of eerder opschorten. Dan heb je in feite hetzelfde systeem van die Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag. Dat is een kleine wijziging maar daarmee voorkomen we dat we in een situatie komen dat als er toch een conflict is tussen de regering en de Kamer, waarbij de Kamer het hoog speelt en zegt "als je niet wil luisteren gaan we die wet niet goedkeuren", er een gat ontstaat. En dat moeten we vermijden. Dus als we in vrede en goedgemutst de wet hier willen goedkeuren, is mijn vraag of de regering kan toezeggen: we gaan jullie op tijd informeren over de gereedschapskist en we gaan nog eens kijken of, nu we het zo geregeld hebben, het woordje "vervallen" eigenlijk wel het juist woordje is in die bepaling.

Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 2, blz. 9-27

Minister De Jonge:

(…)

Dan zegt de heer Nicolaï dat de vervalbepaling van de Twm nu wat grof geschut lijkt. Hij vraagt of wij bereid zijn om te kijken hoe dat anders kan worden opgelost, namelijk dat instrumenten niet vervallen, maar dat de werking daarvan wordt opgeschort. Ik denk dat de heer Nicolaï daar wel een punt heeft. Het is nu inderdaad of aan of uit, maar eenmaal uit betekent ook uit de gereedschapskist. Je moet dan echt een nieuw wetgevingstraject starten om het weer in de gereedschapskist te krijgen. Dat heeft iets grofs inderdaad. Je zou ook nog anders kunnen redeneren. Als je het artikel in de wet laat staat, dus per KB verlengt, hoef je het nog niet te gebruiken. Dat is de facto, niet de jure, maar de facto, ook een vorm van opschorting natuurlijk. Zo staan er heel veel artikelen in de wet die we op dit moment niet gebruiken, die we wel gebruikt hebben, maar die op dit moment ongebruikt in de gereedschapskist laten zitten. Dat is een vorm van opschorting, in praktische zin. Maar u heeft gelijk. Het zou nog mooier zijn als je ook een artikel zou kunnen opschorten. Dus daar gaan we naar kijken. Dat is een interessante suggestie.

(…)

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik had de minister om twee toezeggingen gevraagd. Hij is daar wel op ingegaan, maar voor mijn gevoel niet duidelijk genoeg. (…).

Ten tweede. We hebben het gehad over het gat dat eventueel valt doordat in artikel 8 het woordje "vervallen" staat. Ik had aan de minister gevraagd of hij bereid is om daar nog eens naar te kijken en dat op te lossen. Is de minister daartoe bereid? En kunnen we daar dan ook op korte termijn over geïnformeerd worden?

Minister De Jonge:

(…)

Naar het tweede wil ik ook kijken, maar niet met spoed. Er zijn ook nog heel veel andere klussen te klaren, dus dit gaat wel eventjes duren. Maar het is wel een interessante optie. U zegt eigenlijk: maak er geen harde vervalbepaling van, maar mogelijk een opschortingsbepaling. Dat vergt natuurlijk gewoon een wetswijziging. Als we erover uitgestudeerd zijn dat we die andere wetswijziging meenemen, is dit ook een wetswijziging die we mogelijkerwijs zouden moeten gaan doorvoeren. Dat komt dan veel meer in de buurt van de kersttoezegging aan mevrouw Prins en mevrouw De Boer. Ik ga dit meenemen bij die vraag: zou de huidige Twm eigenlijk wel zo tijdelijk moeten blijven, of moet je niet ook voor de huidige crisis toch al over naar een wat meer permanente bepaling in de Wpg? Die vraag ga ik voor de kerst beantwoorden. Daar neem ik uw vraag ook in mee.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Aanpassing Wet publieke gezondheid (35.874) (T03217)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden De Boer (GroenLinks) en Prins (CDA), toe dat hij de Kamer vóór de kerst een brief zal sturen met beschouwingen over een aanpassing van de Wet publieke gezondheid voor de huidige covid-19-crisis.


Kerngegevens

Nummer T03217
Status voldaan
Datum toezegging 13 juli 2021
Deadline 15 december 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Mr.drs. M.M. de Boer (GroenLinks)
G. Prins (CDA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Wet publieke gezondheid
COVID-19
Kamerstukken Verlengingsprocedures Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 45, item 2, blz. 2-6

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

(…)

Verder valt ons op dat de evaluaties die genoemd worden zich slechts heel beperkt richten op het juridische instrumentarium in crisissituaties. Voldeed dit? Zijn er onderdelen die moeten worden vastgelegd in permanente noodwetgeving die indien nodig tot leven kan worden gebracht? Vanzelfsprekend weer met rechtsstatelijke waarborgen, zoals adviezen van de Raad van State en betrokkenheid van het parlement. Of is het beter ervoor te kiezen de gehele inhoud van de Twm te laten vallen en bij een nieuwe crisis weer een geheel nieuwe tijdelijke wet op te tuigen? Zijn dit soort vragen ook onderwerp van evaluatie en reflectie?

(…)

Mevrouw Prins (CDA):

(…)

Meneer de voorzitter. In mei hebben wij van de minister een toezegging gekregen inzake een toekomstvisie voor een samenleving met virussen. In de Tweede Kamer heeft de minister tijdens het debat op 7 juli aan ChristenUnie en CDA toegezegd om voor de kerst met een evaluatie en een schets van bijbehorende wetgevingsinstrumenten te komen, omdat hij eerst wil wachten op diverse evaluaties. Natuurlijk hebben wij begrip voor zorgvuldig handelen, voor lessen van de vele evaluaties. Alleen, het virus wacht daar niet op. Dit spoedwetsvoorstel bestendigt in feite weer de tijdelijkheid van deze zo relevante wet- en regelgeving, met inbreuk op de diverse grondrechten. Wij — ik spreek in dezen mede namens de ChristenUnie — zouden de minister dan ook om een duidelijke toezegging willen vragen om vóór een mogelijke verlenging van de tijdelijke wet per 1 december een regulier wetsvoorstel te presenteren, waarbij de regering in geval van uitbraken van virussen die leiden tot onacceptabele belastbaarheid van de zorg en die kwetsbare mensen buiten verhouding treft, binnen de kaders van deze nieuwe wet de juiste maatregelen kan treffen.

Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 2, blz. 12

Minister De Jonge:

(…)

Kortom, ik heb inderdaad in het vorige debat toegezegd aan mevrouw De Boer en mevrouw Prins dat het ons gaat lukken om voor de kerst een brief te sturen waarin wij onze beschouwingen geven over een aanpassing van de Wpg voor de huidige crisis. Stel dat je op enige moment af zou willen van het werken met de tijdelijke wet, welke artikelen zou je dan voorlopig nog even moeten toevoegen aan de Wpg om de huidige crisis te kunnen bestrijden? Het is te veel gevraagd om dan ook al te kunnen komen tot een daadwerkelijk wetsvoorstel dat gaat over het bestrijden van de volgende pandemie, dus een daadwerkelijk toekomstbestendige Wpg. Ik denk dat u ons daar overvraagd, want de evaluaties zullen nog niet ver genoeg zijn afgerond om die vragen daadwerkelijk te kunnen beantwoorden.

Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 19, blz. 14

Minister De Jonge:

(…)

Dan kom ik op de vragen. Er is nog een enkele vraag die moet worden beantwoord. Die gaat over die brief van voor de kerst over de Wpg eigenlijk als opvolger van de tijdelijke wet. Zo heb ik u gehoord. Allereerst denk ik dat we moeten onderscheiden wat in de huidige Wpg zou moeten wijzigen als we liever afstappen van de Twm en liever overgaan tot een gewijzigde Wpg om de huidige crisis mee kunnen te bezweren. Dat is de brief die ik in december, dus niet voor december, kan sturen. Daar zou een voorstel uit naar voren kunnen komen om inderdaad toe gaan naar een wijziging van de Wpg, maar ik wil op de inhoud van die brief niet vooruitlopen. Dat is dus één.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Informeren over evaluaties covid-19-crisis (35.874) (T03218)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid De Boer (GroenLinks), toe dat hij de Kamer in september een brief toestuurt over welke evaluaties er allemaal lopen en daarbij ingaat op het tijdpad dat is voorzien voor het implementeren van conclusies en aanbevelingen. Een en ander zal in een schematisch overzicht worden opgenomen.


Kerngegevens

Nummer T03218
Status voldaan
Datum toezegging 13 juli 2021
Deadline 1 oktober 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Mr.drs. M.M. de Boer (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen COVID-19
Kamerstukken Verlengingsprocedures Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 45, item 2, blz. 2

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

(…)

De schriftelijke vragen van mijn fractie voor dit debat waren gericht op deze zelfreflectie en dit vooruitkijken. In de schriftelijke beantwoording maakt de regering duidelijk welke onderzoeken er inmiddels zijn gedaan, lopen en nog worden uitgezet. Dank daarvoor. Het zou fijn zijn om dat ook nog eens in een schematisch overzicht te ontvangen. Kan de minister ons dat in de loop van de zomer toesturen?

Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 2, blz. 13-26

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Terug naar blokje twee: de blik vooruit. Ik heb de minister horen zeggen: zoals ik eerder heb toegezegd, zal ik voor december met een vooruitblik komen hoe we de Wpg blijvend kunnen aanpassen aan deze epidemie; hoe kunnen we de Twm integreren in de Wpg? U heeft gelijk dat onze vraag eigenlijk zag op hoe we de Wpg toekomstbestendig maken, ook voor andere pandemieën. Ik hoor de minister zeggen dat hij dat nu nog niet kan zeggen omdat daarvoor de evaluaties nodig zijn. Ik ben wel heel benieuwd of hij een beetje een tijdlijn daarvoor kan geven.

Minister De Jonge:

Over de wet zelf zou ik het volgende willen zeggen. Wijzigingen die tegemoetkomen aan de huidige crisis, zou je misschien op enig moment moeten doen omdat er gewoon een grens zit aan de tijdelijkheid daarvan. Daar willen we een schets van geven voor de kerst, opdat wij dat debat met u kunnen hebben. Ik heb al toegezegd aan de Tweede Kamer dat wij in de voortgangsbrief in september ook inzicht geven in wat er allemaal loopt op de evaluatie. Zo is er bijvoorbeeld de evaluatie door de OVV, waarbij wij natuurlijk niet zelf over het tijdpad gaan. Er lopen nog meer evaluaties, waarvan we graag de Kamer in kennis stellen wanneer we verwachten dat die zullen komen. Ik zeg u graag toe, in het verlengde van mijn toezegging in de Tweede Kamer, dat u in september erover wordt geïnformeerd welke evaluaties er allemaal lopen.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

De vervolgvraag is dan natuurlijk — maar misschien is die nog niet te beantwoorden — wanneer er met die evaluaties aan de slag gegaan wordt. Misschien kunt u die vraag ook meenemen in september en kan er dan al een soort tijdpad gegeven worden van wat we gaan doen met die evaluaties en hoelang dat gaat duren.

Minister De Jonge:

Ik geef u graag een voorbeeld van waarom dat ook kan wisselen per onderwerp. We hebben het Verwey-Jonker Instituut bijvoorbeeld gevraagd naar de crisisbestendigheid, de pandemiebestendigheid en de pandemische paraatheid van de GGD'en. We hebben in die evaluatie alvast de volgende tussenconclusie getrokken. Als je de pandemische paraatheid en de crisisaansturing van de GGD'en zou willen versterken, dan zou je er goed aan doen om een landelijke crisis- en aansturingsunit, zoals we die nu hebben ingericht bij de GGD GHOR, in crisistijd onder te brengen bij het RIVM. Dat is het advies van het Verwey-Jonker Instituut. Ik ga niet tot sint-juttemis wachten met het zetten van voorbereidende stappen daarin. Een nieuw kabinet zal daar het definitieve besluit over moeten nemen. Er zitten natuurlijk ook allerlei financiële consequenties aan vast. Maar ik denk dat we niet met alle stappen die we in het kader van de pandemische paraatheid zetten, moeten wachten tot we de allerlaatste evaluatie hebben gedaan. Kortom, er zijn verschillende evaluaties die al in de tussentijd tot actie kunnen leiden. Dat zal ik u schetsen.

(…)

Minister De Jonge:

(…). GroenLinks vraagt om in de loop van de zomer een schematisch overzicht te sturen van de evaluatie. Dat zou ik kunnen doen in de septemberbrief.

Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 19, blz. 1-14

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Samen met andere partijen heb ik gevraagd naar het toekomstbestendig maken van de Wpg met het oog op toekomstige pandemieën. De minister heeft geantwoord dat hij zover nog niet is en verwijst daarbij naar de nog lopende evaluaties waarover hij ons in september per brief zal informeren. Mag ik het zo invullen dat de minister ons bij het informeren over die evaluaties, waar dat al mogelijk is, ook informeert over het tijdpad dat is voorzien voor het implementeren van conclusies en aanbevelingen? Kan hij dat in de brief die ons voor de kerst is toegezegd misschien nog wat concreter maken?

(…)

Minister De Jonge:

(…)

De tweede vraag is: wat heb je nou te leren van alle evaluaties en waar zou dat toe kunnen leiden, ook qua wetgeving? Dan gaat het meer om toekomstbestendigheid en een pandemieparate Wpg. Dat gaan we niet in december voor elkaar krijgen, omdat we dan nog niet alle evaluaties tot onze beschikking hebben. Wanneer krijg je dan wat aan evaluaties en wat mag er worden verwacht van de vertaling naar de beleidspraktijk? Dat was de vraag van mevrouw De Boer. Dat wil ik in september voor u schetsen. Zonder twijfel weten we daarover in december weer meer, dus dan schets ik dat erbij. In ieder geval willen we in september daarvan een tijdspad kunnen schetsen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Definiëren onder- en bovengrens (35.874) (T03219)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van der Voort (D66), toe dat hij in de brief na de besluitvorming op 13 augustus 2021 de Kamer zal informeren over het definiëren van de onder- en bovengrens wat betreft de prevalentie van het aantal geschatte besmettelijke personen in het kader van toegangstesten.


Kerngegevens

Nummer T03219
Status voldaan
Datum toezegging 13 juli 2021
Deadline 13 augustus 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Prof.dr. P.H.J. van der Voort M.Sc. (D66)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen bovengrens
ondergrens
prevalentie
COVID-19
Kamerstukken Verlengingsprocedures Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 45, item 2, blz. 4

De heer Van der Voort (D66):

(…)

De andere aangenomen motie betreft de vaststelling van een ondergrens in de prevalentie en het openbaar maken hiervan, een grenswaarde in het aantal besmettelijke personen waaronder grootschalig testen geen meerwaarde oplevert en zelfs als disproportioneel gezien kan worden. Door de minister wordt dit de aan/uit-knop genoemd. Uit de brief van 29 juni, waarin de minister een vertraging in de beantwoording van vragen hierover aankondigt, lijkt hij te suggereren om deze grens te laten samenvallen met het moment waarop het OMT adviseert om de anderhalvemetermaatregel te laten vallen. Wij zien daar tot op zekere hoogte wel een logica in, maar er blijven nog vragen onbeantwoord. Zo is de epidemiologische weging van goed- en foutpositieve testen nog niet gegeven. Als er minder mensen corona bij zich dragen, verandert het aantal foutpositieven procentueel van het aantal geteste personen niet, maar neemt het aantal foutpositieven ten opzichte van het totaal aantal positief getesten wel toe. In het extreme geval dat corona uit onze samenleving verdwenen is, zijn alle positieve testen foutpositief. In de brief van 16 juli jongstleden vermeldt de minister dat 55% van de positieve zelftesten bij de GGD kan worden bevestigd. De andere 45% zijn dus foutpositief. Bij een hoger aantal besmette personen zal dit percentage afnemen. Bevestigt de minister deze conclusie en wat betekent dat voor zijn beleid? Daarom vraag ik ook om meer epidemiologische onderbouwing van de keuzes die het OMT en het RIVM maken bij de keuze om maatregelen op- of af te schalen. Tot nu toe is die uitgebleven, terwijl het ministerie en het RIVM die natuurlijk zouden moeten kunnen geven.

Het belang van duidelijkheid over het moment waarop de aan- of uitknop wordt omgezet, door ons "de ondergrens" genoemd, is de afgelopen dagen zichtbaar geworden. De besmettingsaantallen namen toe, maar het was voor iedereen onzeker wanneer dat tot maatregelen zou leiden. Stel dat die aan- en uitknop of die ondergrens bekend zou zijn geweest, dan was die onzekerheid vooraf geadresseerd en waren de verwachtingen gemanaged, wat weer tot meer begrip en tot minder kritiek op het beleid had geleid. Daarom zijn wij benieuwd of de schriftelijke vragen hierover al beantwoord kunnen worden door de minister en hoe en wanneer de motie wordt uitgevoerd.

Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 2, blz. 22-23

De heer Van der Voort (D66):

Ik heb twee punten. (…). De tweede vraag. Als ik de minister goed beluister, zegt hij: het testen voor toegang is nu zo breed ingezet en er was nog zo veel virus in de samenleving dat het zo niet gewerkt heeft. Er wordt dan gekeken naar een bovengrens, waarboven je het testen voor toegang eigenlijk niet meer kan inzetten. Mijn eigen vraag ging over de ondergrens, maar misschien komt de minister daar nog op. Wanneer is het nou zo weinig dat je het testen voor toegang niet meer hoeft toe te passen? Dat is mijn vraag: hoe gaan we verder in de bepaling van de marge, van de bandbreedte om het testen voor toegang te laten gebeuren?

Minister De Jonge:

Dat is een hele interessante illustratie van een wijziging van het discours binnen pak 'm beet een maand tijd. Inderdaad, een maand geleden voerden we hier de discussie bij het wetsvoorstel over het werken met toegangsbewijzen: als Nederland straks nog verder in het groen glijdt, is het dan überhaupt nog nodig om te werken met toegangsbewijzen? Toen heb ik toegezegd dat we met elkaar die ondergrens bepalen. Toen heb ik die ondergrens gesteld — ik heb daarop ook nog geen ander antwoord — op de dag dat je af kunt van de 1,5 meter. Dat is ook de dag dat je af kunt van het testen voor toegang. Daarbij heb ik wel de mogelijkheid opengelaten om op het moment dat we de 1,5 meter generiek loslaten, toch nog te werken met toegangsbewijzen in heel risicovolle settings achter de voordeur. Dit gaat dan bijvoorbeeld om de nachthoreca of intensieve evenementen, waar heel veel mensen bij elkaar op een kluitje zitten. Dat was toen het discours.

Ik denk dat je de bovengrens inderdaad ook zult moeten bepalen. Ik denk dat een van de lessen van de afgelopen twee weken de volgende is. Als de prevalentie onder jongeren hoog genoeg is, is daarmee het risico op een valsnegatieve uitslag groter, en daarmee ook het risico op het werken met 40 uur in plaats van 24 uur. Dan kom je tot een optelsom van risico's achter de voordeur die eigenlijk helemaal niet meer aanvaardbaar is. Die lessen moeten we denk ik echt trekken. Dus ik moet op die vragen ook gewoon terugkomen na de zomer. Die lessen trekken we natuurlijk niet met de knietjes onder het bureau. Dat gaan we zeker doen met wetenschappers, die overigens ook betrokken waren bij die fieldlabevenementen. Die resultaten zijn ook altijd voorgelegd aan het OMT. Het is dus altijd stapsgewijs gegaan: je had de fieldlabs, de uitkomsten daarvan werden voorgelegd aan het OMT en voordat het beleid werd, heeft het OMT de resultaten altijd afgezegend of daar nog kanttekeningen bij geplaatst.

De heer Van der Voort (D66):

Oké. Als ik de minister goed begrijp, dan is de ondergrens waaronder de toegangstesten niet meer te gebruiken zijn, het moment waarop de 1,5 meter wordt losgelaten. Dat is dan helder. Alleen we hebben in de motie die hier in deze Kamer is aangenomen, gevraagd om die ook te benoemen in waarden zoals prevalentie of een andere waarde, en vooraf helder te maken wanneer dat nou is. Dat antwoord is nog niet gegeven door de minister.

Minister De Jonge:

Klopt. Eigenlijk heb ik noch op de ondergrens, noch op de, vind ik, opnieuw te definiëren bovengrens een antwoord. Ik denk dat we daarop terug moeten komen na onze besluitvorming van 13 augustus. Ik zal deze vraag ook expliciet meenemen in de lessen die we te trekken hebben ten aanzien van de toegangstesten. De motie is ingediend, dus daar komt sowieso een reactie op.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van der Voort.

De heer Van der Voort (D66):

Tot slot. Het is natuurlijk fijn dat dat op een goed moment komt. Aan de andere kant zou je je dus voor kunnen stellen dat er een soort van analyse komt, al dan niet van het OMT, of van wie dan ook, waarin die overwegingen staan over hoe het zou kunnen in een bepaalde situatie. Dan is er toch wat meer houvast voor iedereen in de samenleving over wanneer dat moment zou kunnen komen.

Minister De Jonge:

Ik deel het zeer. Het enige wat ik eraan toevoeg, is: als u mij de vraag een paar weken geleden gesteld had, dan had ik waarschijnlijk een ontspannener antwoord gegeven dan ik inmiddels geef na de schrik van de afgelopen twee weken. Het aantal spreading events is namelijk gewoon echt ongezond hoog geweest. Het was niet te modelleren. Dat was kennelijk niet voorzien door ons allemaal en tegelijkertijd is het wel echt reden om dingen anders te gaan doen dan we deden. Dat maakt dus dat ik inmiddels een strakker geformuleerd antwoord zal gaan geven. Ik denk dat het verstandig is om de lessen eerst met de experts te trekken en die dan vervolgens terug te brengen tot wat u vraagt. U wilt namelijk weten wat nou eigenlijk de ondergrens is van de noodzaak om te werken met toegangsbewijzen en wat de bovengrens is om die überhaupt op een verantwoorde manier te kunnen gebruiken ten aanzien van de besmettingsgraad en de mate van risk appetite, ook achter de voordeur.

Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 19, blz. 2-14

De heer Van der Voort (D66):

(…)

In het geheel heeft de minister het woord "onverwijld" als een belangrijk woord genoemd. Het woord "onverwijld" zou ik ook heel graag toegepast hebben op de nog openstaande en dus onbeantwoorde vragen die onze fractie heeft gesteld over de ondergrens; sorry dat ik daar toch weer over begin. Ik begrijp heel goed dat het lastig is om daar nu heel klaar over te zijn. Maar ja, de vragen die nog openstaan, moeten toch en het liefst onverwijld worden beantwoord. De motie zal eveneens toch uitgevoerd moeten worden, dus ik krijg graag toch nog een

reactie van de minister op dat proces en het liefst natuurlijk ook op de inhoud.

(…)

Minister De Jonge:

(…)

Dan de motie-Van der Voort. Ten aanzien van de ondergrens van het werken met toegangsbewijzen heb ik indicatief aangegeven: ik zie daarin eigenlijk dezelfde ondergrens als voor het werken met 1,5 meter. Als de noodzaak tot die 1,5 meter komt te vervallen, komt de facto ook de noodzaak te vervallen tot het hanteren van toegangsbewijzen. Ik heb erbij gezegd: maar dat zou weleens anders kunnen zijn voor die settings — dat hebben we ook geleerd in de afgelopen weken — waarin verschillende mensen heel dicht op elkaar samenkomen waarvan een deel wel gevaccineerd en een deel niet gevaccineerd is. Dat kan een pocket worden voor verdere verspreiding. Veel van die pockets in een weekend kunnen zomaar de boel weer flink weer aan het lieren krijgen. Dat moeten we voorkomen. Daar kom ik dus op terug. Op de tussenstanden kom ik terug in de brief die wij na de besluitvorming van de 13de augustus willen sturen, omdat dat daarmee te maken heeft.

Overigens vind ik ook dat wij voor de komende weken de les moeten trekken wat ook alweer een epidemiologische bovengrens is en vanaf welk besmettingsrisico het überhaupt helemaal niet meer veilig is om te werken met toegangsbewijzen, omdat we weten dat bij gevaccineerden altijd een restrisico is op transmissie; dat is gelijk een antwoord op de heer Nicolaï. Dat maakt het risico achter de voordeur natuurlijk nooit nul. Daarnaast heb je ook altijd valsnegatieven bij testuitslagen. Dat maakt het risico ook al nooit nul. Er zijn ook nog eens een keer meer valsnegatieven bij antigeentesten. We moeten dus een epidemiologische ondergrens bepalen. Die is veel meer gerelateerd aan uw motie en het aannemen van de wet destijds. Wanneer kunnen we er weer vanaf, we zitten hier toch zeker niet tot sint-juttemis aan vast: dat was een beetje de teneur van toen. Dat is de ene kant. De andere kant is dat er ook wel een grens is tot wanneer het veilig is. We moeten beide grenzen durven definiëren.


Brondocumenten


Historie