T03288

Toezegging Het meenemen van diverse onderwerpen in de evaluatie van de Wet Betaald ouderschapsverlof (35.613)



De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van diverse leden, toe diverse onderwerpen mee te nemen in de wettelijke evaluatie van de Wet betaald ouderschapsverlof, waaronder een kabinetsappreciatie, de effecten van het verlof, de opvattingen van werkgevers, de uitwerking in de buurlanden, de ramingen en de effecten voor de kleine werkgever.


Kerngegevens

Nummer T03288
Status openstaand
Datum toezegging 5 oktober 2021
Deadline 1 januari 2025
Verantwoordelijke(n) Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Kamerleden Mr. M.A. de Blécourt-Wouterse (VVD)
Dr. P. Ester (ChristenUnie)
Prof.dr. H.M. Prast (PvdD)
Prof.dr. E.M. Sent (PvdA)
Drs. C.P.W.J. Stienen MA (D66)
Commissie commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen betaald ouderschapsverlof
evaluaties
Kamerstukken Wet betaald ouderschapsverlof (35.613)


Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 2, item 10, p.3

Mevrouw Stienen (D66):

Ten slotte heeft de D66-fractie nog een vraag over de evaluatie van voorliggend wetsvoorstel. Kan de minister aangeven hoe hij het resultaat van dit wetsvoorstel denkt te gaan meten? Stel dat minder partners de regeling gaan aanvragen dan nu is voorzien. Voor mijn fractie betekent dit niet meteen dat daarmee de regeling niet geslaagd is, omdat wellicht niet elke vader of partner van de moeder direct een vinger op zal steken. Daarnaast hoort mijn fractie ook graag hoe de minister de houding van werkgevers gaat meenemen in de evaluatie.

Handelingen I 2021-2022, nr. 2, item 10, p.6

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. De ChristenUnie-fractie verzoekt de minister om in de evaluatie van dit wetsvoorstel expliciet aandacht te besteden aan de genoemde maatschappelijke neveneffecten voor bepaalde groepen — de lagere-inkomensgroepen, de eenverdieners en de eenoudergezinnen — en aan de participatie van mannen en vrouwen. Gezien de Europese context van het voorstel vindt mijn fractie het ook van belang om de uitwerking van de Europese richtlijn in de andere lidstaten mee te nemen in de evaluatie. Kan de minister mijn fractie dit punt toezeggen? Alvast onze dank daarvoor.

Handelingen I 2021-2022, nr. 2, item 10, p.7

Mevrouw Sent (PvdA):

Daarnaast stelt de regering dat het effect van de verlofregeling op verschillende inkomensklassen mee wordt genomen met de evaluatie. Is de minister bereid om het uitkeringspercentage aan te passen als blijkt dat zij in lagere inkomensklassen geen positief effect heeft gehad? Dat punt weegt voor ons zwaar.

Handelingen I 2021-2022, nr. 2, item 10, p.24

Minister Koolmees:

Voorzitter, ik heb nog twee blokjes. Allereerst over de evaluatie. Oorspronkelijk was die na vijf jaar, maar in de Tweede Kamer is al gevraagd om die eerder te doen en is er gekozen voor een periode van drie jaar. Er zijn hier nog een aantal vragen aan toegevoegd door de heer Ester, mevrouw Stienen en mevrouw Sent. De heer Ester vroeg: kunt u in de evaluatie de effecten voor bepaalde groepen meenemen, bijvoorbeeld de lagere inkomensgroepen, de eenverdieners en de eenoudergezinnen? Mevrouw Stienen van D66 had gevraagd naar de houding van de werkgevers. Mevrouw Sent had het over het gebruik naar inkomen.

Net als bij de Wieg zal betaald ouderschapsverlof uitgebreid worden geëvalueerd. Er wordt onder meer gekeken naar het gebruik van het verlof, uitgesplitst naar achtergrondkenmerken, zoals inkomen, en naar redenen voor niet-gebruik. Ook daar wordt navraag naar gedaan: waarom heb je geen gebruik gemaakt van de regeling? De evaluatie is een goed moment om opnieuw te overwegen of de huidige opzet van de regeling voldoet.

Naar aanleiding van de inbreng van mevrouw Sent zal de evaluatie door het kabinet ook worden voorzien van een appreciatie, zodat het onderdeel kan zijn van het politieke debat. Daarnaast zal naar de effecten van het verlof worden gekeken, zoals de gevolgen voor de verdeling van taken tussen mannen en vrouwen en de arbeidsparticipatie van vrouwelijke werknemers. En naast het perspectief van werknemers zal er ook aandacht worden besteed aan de opvattingen van de werkgevers. Richting mevrouw Stienen zeg ik dat we dat ook willen meenemen in de evaluatie.

De heer Ester had een vraag over de uitwerking in de buurlanden. Die vraag wil ik ook graag meenemen in de evaluatie. Ik denk dat het wel heel snel is om al na een jaar een evaluatie te doen. Zo'n wet heeft natuurlijk wel inwerkingstijd nodig voor je eventuele effecten kunt meten. De drie jaar die in de Tweede Kamer is gekozen, vind ik een verstandige periode om iets zinnigs te kunnen zeggen over de effecten van het wetsvoorstel. Twee jaar zou kunnen. Dat zou dan bij wijze van spreken een uitkomst van wheelen en dealen zijn. Ik denk dat goed is om echt even te kijken naar wat zo'n wet nou doet in de praktijk, zodat we daar zinnige conclusies aan kunnen verbinden.

Mevrouw Prast (PvdD):

Ik luister net goed naar de heer Koolmees. Hij heeft het over de evaluatie. Daar is ook naar gevraagd. Maar ik heb ook het volgende gevraagd. Het is toch vrij eenvoudig om met Centerdata of andere panels die we in Nederland hebben van tevoren een beeld te krijgen van welke mensen hoeveel opnemen bij bepaalde doorbetalingspercentages? Natuurlijk is dat geen gedrag dat je bij een evaluatie wel kunt zien, maar het geeft wel een beeld. Mijn vraag was of de minister bereid is om dat nog te onderzoeken voordat we gaan stemmen over dit wetsvoorstel. Dan hebben we een veel beter beeld over het probleem dat we hier eigenlijk allemaal signaleren, namelijk dat we bang zijn dat het niet de effecten heeft die je zou willen.

Minister Koolmees:

Wij hebben voor de ramingen gebruikgemaakt van de regelingen die er al wel zijn, bijvoorbeeld in de cao's waar doorbetaling van 50% of 70% is afgesproken, vaak dan weer voor verschillende duren, bijvoorbeeld een maand of vier weken of zes weken. Die hebben we wel gebruikt om een inschatting te maken van welk deel het opneemt. Het tweede punt noemde ik net in een interruptiedebatje over de man-vrouwverschillen die kleiner worden. Dat is natuurlijk ook gebaseerd op deze ervaringscijfers. Het derde punt is dat deze richtlijn dwingend is. We moeten haar op 2 augustus 2022 geïmplementeerd hebben. Daar zit dus weinig ruimte in. Het zou wel interessant kunnen zijn om dit in kaart te brengen als nulmeting. Dan kunnen we het vergelijken met de situatie over drie jaar en bekijken of we daar verschillen zien. Wetenschappelijk gezien lijkt met dat heel interessant. Dat wil ik graag meenemen in de evaluatie.

Handelingen I 2021-2022, nr. 2, item 10, p.29

Mevrouw De Blécourt-Wouterse (VVD):

Voorzitter. De VVD-fractie is verheugd dat de minister zo eerlijk is om te erkennen dat het voor de kleine werkgever toch een lastige wet is in de uitvoering. Hij heeft wel een goed voorbeeld gegeven van de toonbankmedewerker. Daar kan de VVD-fractie wel iets mee. Toch zou de VVD-fractie graag de toezegging van de minister willen krijgen dat in de evaluatie de effecten voor de kleine werkgever uitdrukkelijk meegenomen worden.

Handelingen I 2021-2022, nr. 2, item 10, p.32

Minister Koolmees:

Mevrouw De Blécourt had het over felicitaties. Dat weet ik nog niet; dat wacht ik nog even af. Ik wil graag toezeggen dat ik de kleine werkgever meeneem in de evaluatie, zodat we daarbij ook een vinger aan de pols kunnen houden en kunnen kijken waar die in de praktijk tegen aanlopen. Dat wil ik graag doen.


Brondocumenten


Historie

  • 5 oktober 2021
    toezegging gedaan