Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
T02498

Toezegging Kabinetsreactie op WRR-rapport (34.775)



De Minister van Algemene Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Barth (PvdA) en Kuiper (ChristenUnie), toe de kabinetsreactie op het WRR-rapport 'Weten is nog geen doen' ruim vóór de behandeling van het wetsvoorstel actief donorregistratiesysteem op 30 januari 2018 naar de Kamer te sturen. Een samenhangende aanpak in de relatie overheid-burger en een coördinerende rol voor de minister van BZK worden in de kabinetsreactie meegenomen.


Kerngegevens


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 3 - blz. 29

Minister Rutte: Dan de vraag van mevrouw Barth over een reactie op het WRR-rapport Weten is nog geen doen. Die reactie komt, ook gehoord de opmerking van mevrouw Barth daarover, in ieder geval voor de behandeling van het initiatiefvoorstel-Dijkstra over een actief donorregistratiesysteem. Ik begrijp heel goed dat dit voor de Partij van de Arbeid, en misschien ook voor andere partijen, heel relevant kan zijn in de afwegingen. Dus wij zorgen ervoor dat die reactie er is voordat het initiatiefwetsvoorstel ADR wordt behandeld.

(...)

Mevrouw Barth (PvdA): Dit scheelt straks ook in de tweede termijn. Ik hoop dat de minister-president die kabinetsreactie dan zo tijdig stuurt, dat wij die ook in de beraadslaging in onze fractie kunnen meenemen. Als die hier op 30 januari ligt, is het te laat.

Minister Rutte: Ik kijk even ambtelijk en er wordt ja geknikt. Ja, dat gaan wij doen. Ik snap dat ook, want anders heeft het nog geen zin. Dan ligt hij hier en heb je hem nog niet gelezen. Ik begrijp het heel goed. Wij gaan even heel precies kijken wat de timing in de Kamer is van het initiatiefwetsvoorstel over de actieve donorregistratie en wij zorgen ervoor dat de reactie op het WRR-rapport er op tijd ligt.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 6 - blz. 8

De heer Kuiper (ChristenUnie): Voorzitter, dank u wel. Ook mijn fractie dankt de minister-president voor de voortvarende beantwoording van de vragen. Die heeft ons zeer aangesproken, zeker wat aan het begin van dit debat is gezegd over de relatie tot de samenleving. Op een gegeven moment zei de minister-president: ik zeg toe dat we gaan kijken hoe we van wat verspreid over het regeerakkoord staat over de relatie overheid-burger, en dan in het bijzonder de attitude van de overheid en de werkzaamheden van uitvoeringsorganisaties zoals inspecties en dergelijke, toch een soort samenhangende aanpak kunnen maken, mede in samenspraak met BZK, dat een coördinerende rol heeft. Ik zie daar zeer naar uit. Ik doe daar nog een suggestie bij. In 2014 heeft het kabinet in reactie op een WRR-rapport over de staat van het toezicht gezegd dat er reflectie zou moeten plaatsvinden bij inspecties en uitvoerende diensten in samenspraak met het veld en de overheid. Misschien kunnen we het resultaat daar nu van krijgen. Ik krijg daar graag een reactie op.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 6 - blz. 13

Minister Rutte: Ook een vraag van de heer Kuiper ging over de rol van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten aanzien van de inspecties en het zoeken van verbinding met onze landgenoten. Ik zou hier nog even op terugkomen. Voor meer verbinding tussen de burger en de overheid investeren we als kabinet in vakmensen die werken bij de overheid. Het is belangrijk dat de overheid de ruimte en middelen heeft om de burger van dienst te zijn op een professionele manier en dat zij daarbij de menselijke maat als leidraad heeft. Dat is wat mij betreft de verantwoordelijkheid van iedere vakminister en van de decentrale overheden. Daarom is hier ook zo veel over terug te lezen op de verschillende plaatsen in het regeerakkoord. Maar ik geef toe, dat dat wel op heel veel verschillende plaatsen is en nog niet in samenhang. Daarom hebben we ook niet één rijksinspectie of één rijkstoezichthouder.

Hoe gaat het werken? Mijn vermoeden klopt inderdaad: de minister van BZK heeft de coördinerende stelselverantwoordelijkheden, maar uiteindelijk zullen natuurlijk de uitvoerende diensten van alle ministeries, inclusief inspecties en decentrale overheden, dit moeten gaan waarmaken. Daarom is het ook zaak om hier regelmatig over te spreken, niet alleen met mij, maar juist ook met de minister van BZK en met de vakministers, en om dit bovendien ook te doen oppakken in provincies en gemeenten. Ik wijs ook nog op de kabinetsreactie op het advies van de WRR Weten is nog geen doen, waaraan door het kabinet wordt gewerkt. Hierin zal ook aandacht worden besteed aan deze onderwerpen. Ik zeg de heer Kuiper toe dat we dit deel van het debat extra zullen laten meewegen in de kabinetsreactie. Die reactie kan ik toezeggen voor januari aanstaande. Deze is dus snel beschikbaar.


Brondocumenten


Historie