T03330

Toezegging Vervalbepaling Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.899)



De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Nicolaï (PvdD), toe om in de voortgangsbrief van december (naar aanleiding van T03021) uitvoerig in te gaan op de suggestie van de heer Nicolaï om een andere bepaling in de wet vast te leggen waarin staat dat de regels niet vervallen maar worden opgeschort.


Kerngegevens

Nummer T03330
Status afgevoerd
Datum toezegging 23 november 2021
Deadline 1 januari 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Prof.mr. P. Nicolaï (PvdD)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen vervalbepaling
COVID-19
Kamerstukken Goedkeuringswet derde verlenging geldingsduur Twm covid-19 (35.899)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 47-48.

De heer Nicolaï (PvdD):

(…) Als ik het goed begrijp, vertelde de minister eigenlijk dat we in december inzicht zouden krijgen in de gereedschapskist die de minister de komende winter nodig denkt te hebben. Ik zou graag nog even ergens aan willen herinneren, of het nou een toezegging was of niet. Mevrouw De Bruijn-Wezeman en ik hebben op een gegeven moment opgemerkt dat zolang we nog werken met het systeem van de Tijdelijke wet maatregelen, en die goedkeuring voor de verlenging dus nodig is, we een probleem hebben. Als wij namelijk besluiten om niet te verlengen, dan vervallen alle bevoegdheden. In mijn herinnering had u toegezegd dat we begin december van u zouden horen of het volgende een mogelijke wijziging zou zijn. Mijn voorstel was om "vervallen" te vervangen door "opschorten". Die wijziging zou dan ook snel doorgevoerd moeten worden.

De Voorzitter:

Dus wat is uw vraag?

De heer Nicolaï (PvdD):

Mijn vraag is: is die toezegging er en kunnen we daarop rekenen?

Minister De Jonge:

Nee kijk, bij de verlenging werkt het eigenlijk als volgt. Iedere drie maanden beargumenteren we opnieuw welke artikelen we wel en niet nodig hebben.

De heer Nicolaï (PvdD):

Sorry dat ik u onderbreek, maar dat was de vraag niet. De vraag was als volgt. Zoals het nu in de wet staat, vervallen alle bevoegdheden als wij die als Kamer niet zouden goedkeuren. Het is dus alles of niks. We hebben eigenlijk helemaal niks. Ik denk dat er hier namelijk geen mens is die zegt dat u geen enkele bevoegdheid nodig heeft. Het gaat dus altijd om de soort bevoegdheden. Daarom is toen aan de orde gekomen om een andere bepaling in de wet te hebben, die stelt dat de regels niet vervallen maar worden opgeschort. Dan heeft u in die opschortingsperiode nog steeds de mogelijkheid om met andere regels te komen, die wel tot tevredenheid van de Kamer leiden.

De Voorzitter:

Ik denk dat uw vraag helder is, meneer Nicolaï

De heer Nicolaï (PvdD):

Dat was de vraag.

Minister De Jonge:

Ik was ook begonnen die vraag te beantwoorden, namelijk door te zeggen dat we bij elke verlenging echt per bepaling kijken of we die nog nodig hebben. Wij doen u voorafgaand aan het slaan van het KB altijd het OMT-advies en ook de voorgenomen beslissing vanuit het kabinet toekomen. Daarop kunt u al interveniëren. Vervolgens maken we dat KB. Het is inderdaad een keuze om een bepaling te laten vervallen of niet. U heeft daarvoor in de plaats de vraag gezet of je ook aan opschorting zou kunnen doen. Daarvan heb ik gezegd dat mij dat niet heel erg logisch leek, omdat ik denk dat je kunt beredeneren waarom je iets nog nodig hebt, maar dat vervolgens niet hoeft aan te zetten in een ministeriële regeling. De facto is het slapend laten voortbestaan van enkele artikelen uit de wet een vorm van opschorting. Je gebruikt die namelijk niet in een ministeriële regeling. Ook al staat die bepaling in die verlengde wet, je hoeft die niet aan te zetten. Het slapend zijn van die bepaling is eigenlijk een vorm van opschorting. Opschorting is dus nauwelijks van toegevoegde waarde ten aanzien van de proportionaliteitsweging van de verlenging van de Twm ten opzichte van de huidige situatie die al in de wet geregeld is.

De Voorzitter:

De heer Nicolaï, uw derde interruptie.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ze slapen niet, maar ze zijn vervallen. Als je vervalt, dan slaap je niet meer. Dan moet je dus een nieuwe wet maken waarin je die bevoegdheden weer opneemt. Dat is een ernstig proces. Daarom was het voorstel om ze te laten slapen. Dat slapen is dat je in de wet het woordje "vervallen" vervangt door het woordje "opschorten". Daarover zou u nadenken. Ik hoef het niet op dit moment te horen, maar ik zou graag de toezegging van de minister krijgen dat hij ons daarover nog informeert.

Minister De Jonge:

Aan het einde van het jaar. Laten wij het dan zo doen. Aan het einde van het jaar zou ik sowieso — dat heb ik in het vorige debat toegezegd aan onder anderen mevrouw De Boer, meen ik, maar volgens mij ook aan mevrouw Prins — een schets geven van het juridisch instrumentarium dat het kabinet nodig acht voor het komende jaar. Dan vertellen wij in welke mate wij denken dat die verlengingen nog aan de orde zijn en vanaf welk moment wij denken dat de bepalingen die nog wat langer nodig zijn, zullen kunnen indalen in de Wpg. In die brief kan ik natuurlijk ook ingaan op de suggestie die de heer Nicolaï ook in het vorige debat heeft gedaan. Dat wil ik graag doen.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 76.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Ik dank beide ministers voor de beantwoording. Ik heb niet op alle vragen antwoord gekregen, maar daar heb ik ook niet zo'n behoefte meer aan. Ik wil wel één ding toch nog even voorleggen waar we kort over gediscussieerd hebben en dat is de kwestie van de vervalbepaling. Ik heb een idee dat er bij de minister of bij zijn wetgevingsambtenaren toch een grote misvatting is, want er staat gewoon in artikel VIII een vervalbepaling. Er staat: "Met ingang van drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet vervallen: a. hoofdstuk Va, paragraaf 1a van hoofdstuk VII (…) Wet publieke gezondheid". Dus die hoofdstukken, die bepalingen, vervallen. In die bepalingen staan eigenlijk alle bevoegdheden opgesomd die de minister en de Kroon, voor zover het gaat om die AMvB, hebben. Als die bepalingen vervallen, dan vallen ze niet in slaap, maar dan vervallen ze. Dan worden ze dus gewoon verwijderd uit de wet. Daarover hebben we het toen gehad, ook mevrouw De Bruijn-Wezeman, die zei: als we niet instemmen met de verlenging, valt alles uit die wet weg. Dat wil niemand op z'n geweten hebben, dus je kan eigenlijk niet serieus beraadslagen over of je wel of niet gaat instemmen met verlenging. Daarvan heb ik gezegd: kijk daar nou eens goed naar. Als je van "vervallen" "opschorten" maakt, worden die bepalingen opgeschort. Voor een korte tijd zijn die bepalingen dus niet werkzaam, maar ze staan nog wel in de wet. In de korte tijd kunnen de regering en de Kamer overleggen over onder welke omstandigheden er alsnog kan worden ingestemd.

Ik zou toch graag nog een keer aan de minister willen voorhouden om daar nog eens naar te kijken, en zou daar, zoals hij ook heeft toegezegd, eigenlijk gewoon volgende maand een reactie op willen krijgen of hij bereid is om dat in feite aan te passen. Het kan ook iets anders worden. Ik hoorde de heer Janssen de vorige keer zeggen: misschien willen wij dat helemaal niet. Er moet in ieder geval nagedacht worden over de vraag hoe je werkelijk gestalte kan geven aan de zeggenschap van in dit geval de Eerste Kamer. Als je alleen maar ja of nee kunt zeggen zonder dat je discussie kunt hebben over wat je wel en niet wil bewaren aan bevoegdheden, is dat eigenlijk geen zeggenschap. Dat wil ik nog graag aan de minister meegeven.

Dank u wel, voorzitter.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8, blz. 86

Minister De Jonge:

Dan de heer Nicolaï. Ik ga er gewoon schriftelijk op terugkomen. Ik zie dat mijn overtuigingskracht vanavond in de richting van de heer Nicolaï op dit punt gewoon onvoldoende is. Ik ga hier schriftelijk op terugkomen. In de brief, de decemberbrief, waarin we vooruitblikken op welk wetgevingsinstrumentarium we eigenlijk nodig hebben, ga ik uitvoerig, maar dan ook echt uitvoerig en uitputtend, in op de suggestie die de heer Nicolaï doet, om daarmee op recht te doen aan zijn andermaal gemaakte punt van vanavond


Brondocumenten


Historie