Verslag van de plenaire vergadering van dinsdag 26 mei 2015



Parlementair jaar 2014/2015, 32e vergadering

Aanvang: 13.30 uur
Sluiting: 17.59 uur
Status: gecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Broekers-Knol

Tegenwoordig zijn 68 leden, te weten:

Backer, Barth, Beckers, Van Beek, Beuving, Van Bijsterveld, De Boer, Van Boxtel, Brinkman, Bröcker, Broekers-Knol, Bruijn, Duivesteijn, Dupuis, Duthler, Elzinga, Engels, Essers, Ester, Flierman, Franken, Frijters-Klijnen, Ganzevoort, Gerkens, Fred de Graaf, De Grave, Hermans, Hoekstra, Holdijk, Ter Horst, Huijbregts-Schiedon, Van Kappen, Kneppers-Heijnert, Knip, Koffeman, Koning, Koole, Kox, Kuiper, De Lange, Van der Linden, Linthorst, Lokin-Sassen, Martens, Nagel, Popken, Quik-Schuijt, Reuten, Reynaers, Ruers, Schaap, Scholten, Schouwenaar, Schrijver, Sent, Slagter-Roukema, Sörensen, Van Strien, Strik, Swagerman, Sylvester, Terpstra, Thissen, Vlietstra, Vos, De Vries-Leggedoor, De Vries en Van Zandbrink,

en de heer Asscher, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, viceminister-president, en de heer Dijkhoff, staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.


Mededelingen

De voorzitter:

Ik deel aan de Kamer mee dat de volgende leden zich hebben afgemeld:

Meijer en Thom de Graaf, wegens verblijf buitenslands;

Postema, wegens bezigheden elders;

Faber-van de Klashorst, Kok en Van Dijk, wegens bezigheden elders in verband met de Eerste Kamerverkiezingen.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

De voorzitter:

Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.


Ingekomen is een brief van de voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 19 mei 2015 aan de Voorzitter van de Eerste Kamer, houdende het advies om de brief van de ministers van Buitenlandse Zaken, van Defensie en van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 23 maart 2015 inzake de verlenging van de Nederlandse bijdrage aan de EU-trainingsmissie in Somalië (EUTM Somalië) voor kennisgeving aan te nemen. De brief ligt in de zaal ter inzage.

Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met het advies van de commissie voor BDO heeft verenigd.

De Kamer heeft diverse voornemens tot het sluiten, vaststellen, wijzigen of verlengen van verdragen, protocollen en overeenkomsten ontvangen. Ik stel vast dat voor deze voornemens de termijnen zijn verstreken en dat wat deze Kamer betreft aan uitdrukkelijke goedkeuring van de volgende voornemens geen behoefte bestaat:

23908(R1519),BE; 23908(R1519),BF; 24493(R1557),AR Herdruk; 34125,A; 34127,A; 34131(R2044),A; 34133(R2045),1; 34134(R2046),A; 34140,A; 34161,A; 34173(R2049),A; 34179,A; 34185(R2050),A; 34188,A.


Hamerstukken

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in verband met een uitbreiding van de meldingsplicht van ernstige ongewenste voorvallen (33646);

het wetsvoorstel Aanpassing van diverse BES-onderwijswetten inzake het vervallen van de RMC-functie met betrekking tot voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (34144);

het wetsvoorstel Samenvoeging van de gemeenten Bussum, Muiden en Naarden en wijziging van de grens met de gemeente Weesp (34075);

het wetsvoorstel Aanpassing van het sanctiemechanisme voor decentrale overheden van de Wet houdbare overheidsfinanciën (33961);

het wetsvoorstel Wijziging van enige onderwijswetten in verband met het invoeren van de verplichting voor scholen zorg te dragen voor de sociale veiligheid op school (34130).

Deze wetsvoorstellen worden zonder beraadslaging en zonder stemming aangenomen.

De voorzitter:

De aanwezige leden van de fracties van de PVV, de PvdD en De Lange wordt conform artikel 121 van het Reglement van Orde aantekening verleend dat zij geacht willen worden zich niet met het wetsvoorstel Samenvoeging van de gemeenten Bussum, Muiden en Naarden en wijziging van de grens met de gemeente Weesp (34075) te hebben kunnen verenigen.

De aanwezige leden van de fractie van de ChristenUnie wordt conform artikel 121 van het Reglement van Orde aantekening verleend dat zij geacht willen worden zich niet met het wetsvoorstel Aanpassing van het sanctiemechanisme voor decentrale overheden van de Wet houdbare overheidsfinanciën (33961) te hebben kunnen verenigen.


Stemmingen

Stemming Modernisering vennootschapsbelasting overheidsondernemingen

Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen (Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen) (34003).


De voorzitter:

Ik heet de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die namens de regering bij de stemmingen aanwezig is, van harte welkom in de Eerste Kamer.

Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen vooraf.


De heer Reuten (SP):

Voorzitter. Met dit wetsvoorstel neemt de complexiteit van de wetgeving opnieuw verder toe. De regering noemt het een "nog net acceptabele" toename van de complexiteit. Daarbij worden zowel de belastingsubjecten als de Belastingdienst geconfronteerd met relatief hoge uitvoeringskosten, die de regering volgens mijn fractie ook nog eens veel te optimistisch inschat.

Los daarvan brengt de vormgeving van het wetsvoorstel een aanzienlijke budgettaire herverdeling van lagere overheden ten gunste van de centrale overheid met zich mee. Wederom schoont dit kabinet het budget van de centrale overheid ten laste van voornamelijk de gemeentes. Terwijl voor de regering dit wetsvoorstel "nog net acceptabel" is, acht de SP-fractie het, in combinatie met de genoemde budgettaire herverdeling, niet acceptabel.


De heer Bröcker (VVD):

Voorzitter. Namens de fracties van de PvdA, het CDA en de VVD een korte stemverklaring van mijn kant. De drie fracties onderschrijven de doelstellingen van dit wetsvoorstel: het creëren van een gelijk speelveld in de Vpb voor private ondernemingen en daarmee concurrerende overheidsondernemingen, waarbij zo min mogelijk onderscheid wordt gemaakt naar de juridische wijze, waarop overheidsondernemingen zijn georganiseerd en waarbij de samenwerking tussen overheidslichamen zo min mogelijk fiscaal wordt belemmerd. Wij danken de staatssecretaris voor de zorgvuldige beantwoording van onze vragen in de commissiebehandeling. Overleg met de koepelorganisaties, te weten de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen, zal en moet bijdragen aan een zorgvuldige en efficiënte implementatie van de wet. We gaan er dan ook van uit dat de staatssecretaris de Kamer op de hoogte zal houden van dit overleg. Wij zullen voor de wet stemmen.

De voorzitter:

Zijn er nog anderen die een stemverklaring wensen af te leggen? Dat is niet het geval. Ik stel voor, te stemmen bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt het wetsvoorstel.

De voorzitter:

Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de PVV, de VVD, de PvdA, het CDA, de ChristenUnie, de SGP, GroenLinks, D66 en 50PLUS voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de aanwezige leden van de fracties van de SP, de PvdD en De Lange ertegen, zodat het is aangenomen.

Stemming Modernisering universele postdienstverlening

Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Wijziging van de Postwet 2009 tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening (modernisering UPD) (34024).

(Zie vergadering van 19 mei 2015.)

De voorzitter:

Ik geef gelegenheid tot het afleggen van een stemverklaring vooraf.


De heer Reuten (SP):

Voorzitter. De afname van het fysieke brievenverkeer is een onontkoombaar feit. Maar de reactie van afbouw van de netwerkinfrastructuur werkt averechts. De SP-fractie is voor de volledige instandhouding ervan, doch in twee verwerkingssnelheden. De minister heeft toegezegd dit serieus te willen overwegen. Hij heeft ook toegezegd een eventuele meer fundamentele herziening van de status van de netwerkinfrastructuur bij de evaluatie van het wetsvoorstel te betrekken. Anticiperend op toekomstige wijsheid zal mijn fractie vóór het wetsvoorstel stemmen.

De voorzitter:

Zijn er nog andere leden die een stemverklaring wensen af te leggen? Dat is niet het geval. Ik stel voor, te stemmen bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt het wetsvoorstel.

De voorzitter:

Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de PVV, de VVD, de PvdA, het CDA, de SGP, GroenLinks, de SP, D66, 50PLUS, de PvdD en De Lange voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de aanwezige leden van de fractie van de ChristenUnie ertegen, zodat het is aangenomen.

Stemming moties Modernisering universele postdienstverlening

Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Postwet 2009 tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening (modernisering UPD),

te weten:

de motie-Koning c.s. over inzage in kosten- en batenopbouw en rendement van de UPD (34024, letter G).

(Zie vergadering van 19 mei 2015.)


De voorzitter:

Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is niet het geval. Ik stel voor, te stemmen bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt de motie-Koning c.s. (34024, letter G).

De voorzitter:

Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de PVV, de PvdA, de ChristenUnie, GroenLinks, de SP, 50PLUS, de PvdD en De Lange voor deze motie hebben gestemd en de aanwezige leden van de fracties van de VVD, het CDA, de SGP en D66 ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemmingen moties Algemene Europese Beschouwingen

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij de Algemene Europese Beschouwingen,

te weten:

- de motie-De Vries c.s. over intensivering van de bestrijding van georganiseerde criminaliteit (34166, letter C);

- de motie-Strik c.s. over de verdeling van asielzoekers en vluchtelingen over de lidstaten van de EU (34166, letter D);

- de motie-Strik c.s. over het nakomen van de search- en rescueverplichtingen bij de bestrijding van mensensmokkel (34166, letter E).

(Zie vergadering van 19 mei 2015.)

De voorzitter:

Ik geef gelegenheid tot het afleggen van een stemverklaring vooraf over de motie-De Vries c.s. onder letter C.


De heer Reynaers (PVV):

Voorzitter. Het zal deze Kamer niet verbazen dat mijn fractie de hele ochtend heeft vergaderd over de motie onder letter C. Daarbij stonden twee vragen centraal. Ten eerste: wie heeft het afgelopen jaar dit land nu zo bestuurd dat er überhaupt behoefte bestaat aan deze motie? Ten tweede: zou vier jaar PVV in deze Kamer nu echt geholpen hebben? Natuurlijk moet de georganiseerde misdaad keihard worden aangepakt, nog liever gisteren dan vandaag. Wij zullen dan ook van harte voor deze motie stemmen.

De voorzitter:

Zijn er nog andere leden die een stemverklaring wensen af te leggen? Dat is niet het geval. Ik stel voor, te stemmen bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt de motie-De Vries c.s. (34166, letter C).

De voorzitter:

Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

Ik geef gelegenheid tot het afleggen van een stemverklaring vooraf.


De heer Fred de Graaf (VVD):

Voorzitter. Collega De Vries kan met opgeheven hoofd vertrekken, want zijn motie is unaniem aangenomen.

Wij zullen de twee moties van collega Strik niet steunen. De eerste motie steunen wij niet, omdat het een zodanig ingewikkelde kwestie betreft dat wij vinden dat de Europese Commissie, de Raad van Ministers en onze vertegenwoordigers in beide organen, alle ruimte moeten hebben om tot een acceptabele uitkomst te komen. Wij zullen die vervolgens uiteraard beoordelen en kunnen daar dan ook een mening over uitspreken. Wij hebben dus geen behoefte aan de motie.

De tweede motie zullen wij niet steunen, omdat die een beetje getuigt van wat wantrouwen jegens Europa, terwijl wij met onze inzet in het Europadebat nu juist vertrouwen hebben uitgesproken. Wij gaan ervan uit dat zo iemand zich aan de regels, het Vluchtelingenverdrag en met name het EVRM, houdt, dat dit Europa en de Europese organen zijn. Ook aan deze motie hebben wij dus geen behoefte.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer De Graaf. U hebt een stemverklaring afgelegd over beide moties, zowel over de motie-Strik c.s onder letter D als over de motie-Strik c.s. onder letter E. Die tweede motie ging over het nakomen van de search- en rescueverplichtingen bij de bestrijding van mensensmokkel.

Zijn er nog andere leden die een stemverklaring willen afleggen, ook over de tweede motie-Strik c.s.? Dat is niet het geval. Ik stel voor te stemmen bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt de motie-Strik c.s. (34166, letter D).

De voorzitter:

Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, de ChristenUnie, GroenLinks, de SP, D66, 50PLUS en de PvdD voor deze motie hebben gestemd en de aanwezige leden van de fracties van de PVV, de VVD, het CDA, de SGP en De Lange ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Strik c.s. (34166, letter E).

De voorzitter:

Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, de ChristenUnie, GroenLinks, de SP, D66, 50PLUS en de PvdD voor deze motie hebben gestemd en de aanwezige leden van de fracties van de PVV, de VVD, het CDA, de SGP en De Lange ertegen, zodat zij is verworpen.


Mededelingen


De voorzitter:

De minister van Binnenlandse Zaken heeft per brief gevraagd om het wetsvoorstel Wijziging van de Wet veiligheidsonderzoeken in verband met het opnemen van een grondslag voor het doorberekenen van kosten verbonden aan het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken alsmede enkele andere wijzigingen (33673) in stemming te brengen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel heeft hij gevraagd om het aan te houden, maar hij heeft nu een brief gestuurd met het verzoek om het wetsvoorstel in stemming te brengen. Ik stel voor, daar volgende week over te stemmen, met dien verstande dat eerst over de motie-Thom de Graaf gestemd zal worden en daarna over het wetsvoorstel.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.


Aanpak schijnconstructies

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten ter verbetering van de naleving en handhaving van arbeidsrechtelijke wetgeving in verband met de aanpak van schijnconstructies door werkgevers (Wet aanpak schijnconstructies) (34108).


De voorzitter:

Ik heb de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid reeds welkom geheten in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.


De heer Terpstra (CDA):

Voorzitter. Bij de Algemene Europese Beschouwingen vorige week hebben zowel de regering alsook de meerderheid in de Kamer, waaronder het CDA, zich uitgesproken voor het belang van het handhaven van het vrije verkeer van werknemers in de Europese Unie, een van de basisprincipes van het proces van Europese integratie.

Daarvoor is het naar onze mening wel van groot belang dat de rechten van zowel de immigrerende werknemers als de reeds aanwezige werknemers in een bepaald land worden gehandhaafd. In dit kader steunen wij de doelen van het kabinet gericht op het bestrijden van onderbetaling, oneerlijke concurrentie en schijnconstructies. Dit betekent niet dat wij blindelings elk voorstel van het kabinet zullen steunen. Daarom behandelen wij vanmiddag wel het wetsvoorstel Wet aanpak schijnconstructies, maar niet het wetsvoorstel om het minimumloon van toepassing te verklaren op overeenkomsten van opdracht (ovo's).

Voor de bestrijding van wantoestanden op de arbeidsmarkt is beleid nodig op Europees en op nationaal niveau. In Europa gaat het dan om de Detacheringsrichtlijn en de Handhavingsrichtlijn. Het idee van de minister om tijdens het Nederlandse voorzitterschap stappen in de goede richting te zetten kan op onze steun rekenen. Dat geldt met name voor het meer gelijkschakelen van de systemen van de ketenaansprakelijkheid. In het voorliggende wetsvoorstel wordt de ketenaansprakelijkheid uitgebreid naar de opdrachtgevers en andere schakels in het proces, tevens naar sectoren buiten de bouwnijverheid.

Vragen hebben wij nog wel over de gevolgen van het niet-verwijtbaar gedrag van werkgevers of opdrachtgevers. Daar wij ons in het verslag op dit punt hebben aangesloten bij de Partij van de Arbeid wachten wij de bijdrage van mevrouw Sent af. Zoals ook verwoord in het verslag zijn wij er nog niet zeker van dat het verbod om de zorgpremie en de huisvestingskosten op het minimumloon in te houden, een goed idee is. De regering verdedigt dit verbod met de wens dat de betrokken werknemers vrij over hun nettominimumloon moeten kunnen beschikken. Naar onze mening zou door het verbod de belangstelling van bonafide werkgevers kunnen dalen om voor goede zorgverzekeringen en goede huisvesting te zorgen. Tevens lijkt het ons dat het bij een verbod op inhoudingen moeilijker wordt voor zowel de vakbonden als de inspectie om na te gaan wat er echt gebeurt op dit gebied. Voor 1 juni zal de regering een definitief standpunt mededelen, maar het leek ons goed onze zorgen op dit punt hier vanmiddag nog eens naar voren te brengen.

Bij nota van wijziging is ook een probleem opgelost bij de transitievergoeding voor seizoenarbeiders. Veel partijen hebben laten merken tevreden te zijn met deze oplossing. Dit is niet het geval met de LTO. Vragen van ons in het verslag over dit punt heeft de minister naar onze mening naar tevredenheid beantwoord. Wij hebben ook begrip voor het feit dat in de Tweede Kamer een einde is gekomen aan de flexibiliteit om hier weer iets aan te doen. Wel willen wij de minister nog de vraag voorleggen of hij mogelijkheden ziet om ook voor de seizoensarbeid in de landbouwsectoren te streven naar een aparte oplossing per cao. Het antwoord op deze vraag van ons en de vragen van onze collega's wachten wij met belangstelling af.


Mevrouw Sent (PvdA):

Voorzitter. De arbeidsmarkt van de eenentwintigste eeuw kenmerkt zich door een sterke dynamiek en een door de vergrijzing naar achter schuivende pensioendatum. Mensen zullen langer doorwerken en daarbij vaker wisselen van baan. Dit vraagt om een stevig fundament van hechte en solide arbeidsrelaties, waarbij werkgevers en werknemers bereid zijn in elkaar te investeren. Het sociaal akkoord en de daaruit voortvloeiende Wet werk en zekerheid zijn een belangrijke stap naar een eerlijkere arbeidsmarkt. Mensen met flexibele contracten krijgen meer zekerheid en werknemers krijgen een betere bescherming. Voor werkgevers wordt het aantrekkelijker om iemand in vaste dienst te nemen, mede omdat het ontslagrecht sneller, eenvoudiger en eerlijker wordt.

Vandaag bespreken we een volgende stap naar eerlijk werk tegen fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden: de Wet aanpak schijnconstructies. Deze bevat een aantal concrete maatregelen om misstanden tegen te gaan. Zo worden de bevoegdheden van de inspectie uitgebreid, mag het salaris niet meer "contant" worden uitbetaald — controle was daardoor onmogelijk — en is het "verrekenen" van allerlei vaak vage betalingen en toelagen met het salaris niet langer toegestaan. Daardoor hield een werknemer vaak veel minder dan het wettelijk minimumloon over.

Het voorliggende wetsvoorstel introduceert ook een uitgebreide ketenaansprakelijkheid. Die maakt het makkelijker om bij ingewikkelde constructies, waarbij vaak een keten van bedrijven is betrokken, meer schakels dan alleen de directe werkgever aan te spreken. Ten slotte worden bedrijven die bewust de fout ingaan, met naam en toenaam bekend gemaakt.

De PvdA steunt de voortvarende aanpak door de regering van uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing op de arbeidsmarkt. Wij zijn verheugd over de inzet van de regering op het terrein van handhaving, voorlichting en internationale afspraken. Wij zijn blij met de uitbreiding van het aantal arbeidsinspecteurs, het verstevigen van de aanpak malafide uitzendbureaus (AMU) en een nauwere samenwerking tussen inspectie en sectoren. Ook zien wij het voorliggende wetsvoorstel als een volgende noodzakelijke stap tegen misstanden. Teneinde ons ervan te verzekeren dat dit ook daadwerkelijk een stap in de goede richting is, leg ik graag een aantal vragen voor aan de minister.

Een potentieel knelpunt is de termijn waarbinnen het wetsvoorstel in werking kan treden. De beoogde invoeringsdatum van het voorliggende wetsvoorstel is 1 juli aanstaande. Daarmee krijgen sectoren naar het oordeel van mijn fractie onvoldoende tijd om een sectoraal keurmerk te ontwikkelen. De minister meent dat een dergelijk keurmerk een "nice to have" en geen "need to have" is. Echter, het ontbreken van een dergelijk keurmerk brengt in de tussenperiode additionele administratieve lasten met zich mee. Voorts dragen de keurmerken bij aan de rechtszekerheid en de handhaving. Naar onze mening dient dit zeer serieus meegewogen te worden bij de inwerkingtredingstermijn van het voorliggende wetsvoorstel. Graag vragen wij de minister of hij deze mening met ons deelt en welke consequenties hij bereid is daaraan te verbinden.

Ook tijdens de behandeling van het voorliggende wetsvoorstel in de Tweede Kamer is gewezen op de mogelijke gevolgen van het feit dat verrekeningen met en inhoudingen op het loon als gevolg van het voorliggende wetsvoorstel niet zijn toegestaan. Denk aan de zorgverzekering van arbeidsmigranten. Zo zou het aantal onverzekerden, wanbetalers en onterecht verzekerden binnen de groep arbeidsmigranten als gevolg van het voorliggende wetsvoorstel kunnen toenemen. Of denk aan de naleving van wetgeving op gebied van werken en wonen. Zo zou het minder transparant worden van de betaling van huisvestingskosten door de tijdelijke arbeidsmigrant deze naleving kunnen belemmeren. De minister heeft de Tweede Kamer toegezegd om voor 1 juni aanstaande de voors en tegens van het toestaan van inhoudingen op het wettelijk minimumloon op basis van een schriftelijke volmacht van de werknemer voor betalingsverplichtingen van de werknemer voor huisvesting en ziektekostenverzekering in beeld te brengen. De minister zal deze brief ook naar onze Kamer sturen. Kan hij ons toezeggen dat deze ons zal bereiken voorafgaand aan de verwachte stemming over het voorliggende wetsvoorstel op 2 juni aanstaande?

Voorzitter. Graag vraagt de PvdA aandacht voor constructies om te ontsnappen aan de Wet aanpak schijnconstructies. Zo is er een uitzondering op de verplichting het loon giraal te betalen als er sprake is van dienstverlening aan huis op basis van een arbeidsovereenkomst. Dit valt onder de Regeling dienstverlening aan huis, waarin de zorgverlener minder recht heeft terwijl de opdrachtgever geen premies en belastingen hoeft af te dragen. Bestaat hier eigenlijk niet nog meer het gevaar van een schijnconstructie? Immers, men kan zich afvragen of thuiszorginstellingen of andere bemiddelingsinstanties niet doorgaans zo veel werkgeverstaken vervullen dat zij en niet de zorgvrager moeten worden aangemerkt als werkgever. Graag horen wij een beoordeling van de minister en vernemen wij zijn voornemens op dit terrein.

Ook is er een uitzondering voor vervoers- en expeditieovereenkomsten. Immers, vervoer van personen en goederen is bij wet uitgezonderd van de overeenkomst van opdracht en vervoer valt niet onder de overeenkomst van aanneming van werk. Vooralsnog is de ketenaansprakelijkheid derhalve niet van toepassing op vervoers- en expeditieovereenkomsten. Acht de minister dit wenselijk? Toegegeven, gezien de specifieke aard van dergelijke overeenkomsten en gegeven de omstandigheden waaronder werknemers werkzaamheden verrichten in deze ketens, zou het in de praktijk niet eenvoudig zijn voor werknemers om hun recht te effectueren. Desalniettemin vragen wij de minister te bezien of dergelijke overeenkomsten ook onder het toepassingsbereik van de ketenaansprakelijkheid voor het loon kunnen vallen.

De regering meent dat de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer — artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden — gerechtvaardigd wordt door het belang van openbaarmaking. Immers, het bereiken van transparantie vergt altijd de openbaarheid van stukken. De minister geeft in de memorie van antwoord aan dat de inmenging in de persoonlijke levenssfeer steeds zal worden meegewogen in de nader te maken keuzes in de lagere regelgeving. Maar wat nu als de gewenste openheid alleen gecreëerd kan worden met ongewenste inmenging? Dat behoeft naar de mening van mijn fractie nadere toelichting. Graag nodigen wij de minister uit dit te doen tijdens dit plenaire debat.

De situatie in de landen rondom ons mag ook niet onbesproken blijven waar het gaat om de aanpak van schijnconstructies. Zo is de Europese handhavingsrichtlijn een belangrijke stap om op EU-niveau schijnconstructies te voorkomen en aan te pakken. Daarnaast streeft de regering naar een aanpassing van de Detacheringsrichtlijn, zo schrijft de minister in de memorie van antwoord. Deze richtlijn garandeert alleen de minimumarbeidsvoorwaarden voor werknemers die vanuit een andere lidstaat worden gedetacheerd, maar sociale zekerheid en pensioenen bijvoorbeeld niet. Het gevolg is een verschil in arbeidsvoorwaarden tussen werknemers in dienst bij Nederlandse werkgevers en vanuit het buitenland gedetacheerde werknemers die voor de Nederlandse werkgevers werken. De minister schrijft in de memorie van antwoord dat dit verschil in arbeidsvoorwaarden leidt tot een ongewenste vorm van concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Wat doet hij op Europees niveau om dit tegen te gaan? Wij vernemen dit graag van de minister.

Graag wil ik, ter afsluiting, de hoop uitspreken dat het wetsvoorstel dat regelt dat het wettelijk minimumloon en de minimumvakantiebijslag ook gaan gelden voor personen die tegen beloning arbeid verrichten op basis van een overeenkomst van opdracht, door de Kamer aangenomen zal worden.

Met de regering acht de PvdA-fractie het ontoelaatbaar dat de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt omzeild bij degenen die onder vergelijkbare omstandigheden arbeid verrichten op basis van een overeenkomst van opdracht. Met de regering vindt mijn fractie het van belang om de positie van kwetsbare opdrachtnemers te versterken door oneigenlijk gebruik van de overeenkomst van opdracht aan te pakken.

De heer Backer (D66):

Ik was even bezorgd, maar het wetsvoorstel dat mevrouw Sent nu benoemt, staat niet op de agenda vandaag. Dit is dus een vooruitblik van mevrouw Sent?

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik vind het belangrijk om wetsvoorstellen in een breder perspectief te plaatsen. Dat hoort bij onze taak als Eerste Kamer. Om die reden vormt het plenaire debat een aanleiding om het nog even kort over dat wetsvoorstel te hebben.

De heer Backer (D66):

Dat zal ik straks ook doen.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik verheug me erop.

Het voornoemde wetsvoorstel zet hiertoe een belangrijke stap. Dat neemt niet weg dat wij geen zorgen hadden met betrekking tot het wetsvoorstel, over de relatie met andere wetgeving, over de groep waarop het wetsvoorstel betrekking heeft, over de aantallen die het betreft, over de benodigde financiële middelen, over de handhaving van het wetsvoorstel en over additionele mogelijkheden. In zijn mondelinge beantwoording en schriftelijke reactie heeft de minister onze zorgen op overtuigende wijze weggenomen. De PvdA-fractie meent dan ook dat uitbreiding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zoals deze in het verleden heeft voorgelegen en binnenkort weer voor ons ligt, een belangrijke aanvullende stap is in de aanpak van schijnconstructies.

Ten slotte spreek ik graag de hoop uit dat de fiscale prikkels die aanzetten tot schijnzelfstandigheid, door de regering worden aangepakt. De PvdA staat voor een eerlijke en evenwichtige fiscale behandeling van werknemers ten opzichte van zelfstandigen. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de risico's die ondernemers lopen en met de kosten van verzekering voor ziekte en ouderdom. Anderzijds dient schijnzelfstandigheid te worden tegengegaan en moet worden voorkomen dat louter fiscaal gedreven "ondernemerschap" het draagvlak onder onze sociale zekerheid uitholt. De keuze tussen loondienst of zelfstandigheid dient een reële keuze te zijn. Is de minister dat met ons eens? Zo ja, tot welke initiatieven leidt dit van zijn kant en die van de regering?

Na deze afsluitende woorden kijk ik met mijn fractie uit naar de antwoorden van de minister.


Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

Voorzitter. Vandaag is de laatste normale vergaderdag van de Kamer in haar huidige samenstelling. Vandaag is het ook de laatste keer dat ik als senator namens mijn fractie in deze mooie plenaire zaal het woord mag voeren. Ik doe dat, ook al was het mijn eigen keuze om niet terug te keren, met enige weemoed. Wij kennen in de Kamer wel een inaugurele rede — hier "maidenspeech" genoemd — maar niet een afscheidsrede. Ik beschouw mijn bijdrage van vandaag als mijn afscheidswoord. Een "rede" is teveel gezegd. Het is een afscheidswoord dat evenals mijn maidenspeech gaat over een onderwerp op het terrein van sociale zaken.

De Wet aanpak schijnconstructies, die we vandaag behandelen, bevat geen omschrijving van wat een schijnconstructie is. De minister heeft eerder een schijnconstructie omschreven als "een constructie waar de feitelijke situatie afwijkt van de situatie zoals die wordt voorgespiegeld". Het doel van schijnconstructies is het omzeilen van wet- en regelgeving op het terrein van de arbeidsvoorwaarden, sociale verzekeringen, pensioenen en fiscale wetgeving. De gevolgen zijn ongewenst voor werknemers, voor bonafide werkgevers die oneerlijke concurrentie ondervinden en voor de overheid, die premies en belastingen misloopt. De Wet aanpak schijnconstructies beoogt uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing op de arbeidsmarkt, die daar het gevolg van is, tegen te gaan door betaling van werknemers onder het minimumloon dan wel onder het cao-loon te bestrijden. Daar kan niemand tegen zijn.

Met een aantal maatregelen in het wetsvoorstel is de VVD-fractie het dan ook eens, zoals de verplichting om het verschuldigde minimumloon giraal te betalen en transparante loonstroken te verstrekken. Deze maatregelen hebben als neveneffect dat zij de controle vergemakkelijken en informatie-uitwisseling mogelijk maken tussen de inspectie en de privaatrechtelijke handhavers, de cao-partijen. Ook de verplichting om het minimumloon volledig uit te betalen en daarop geen inhoudingen onder het minimumloon te verrichten, heeft als doel de handhaving te vergemakkelijken. De VVD vindt uitvoering en handhaving van wetgeving zeer belangrijk en heeft dan ook begrip voor dit verbod, waar het in de praktijk voorkomende onzinnige inhoudingen betreft. De VVD-fractie maakt zich er wel zorgen over dat het kind met het badwater wordt weggegooid waar het gaat om inhoudingen van de zorgpremies. In elk geval ligt wanbetaling op de loer, maar bestaat daarmee tevens het risico dat mensen straks niet of niet meer verzekerd blijken te zijn voor de Zorgverzekeringswet?

Ook de zorgen van de uitzendsector met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten delen wij. We moeten niet uit het oog verliezen dat er gelukkig veel goedwillende werkgevers zijn die goede huisvesting aanbieden aan hun tijdelijke werknemers, maar die nu overwegen daarmee te stoppen omdat zij het debiteurenrisico niet willen en kunnen lopen. Deze punten zijn ook in de Tweede Kamer aan de orde geweest, maar de minister wilde daar niet ingaan op een amendement van de SGP daaromtrent. Wij zouden dan ook graag van de minister vernemen welke oplossingen hij ziet ingeval de zorgen met betrekking tot de zorgpremies en de huisvesting in de toekomst terecht blijken te zijn, want anders draaien anderen voor die kosten op. Of komt hij nog met een AMvB voor 1 juni, zoals hij heeft toegezegd maar waarvan hij tot voor kort nog niet wist wat hij daarin wil regelen? Naast AMvB's die definities bevatten die eigenlijk in de wet hadden gemoeten en die iets nieuws introduceren in plaats van de wet uitwerken, zoals het geval is met de Wet verantwoorde groei melkveehouderij en de Wet dieren, is er nu sprake van een nieuw fenomeen: een lege AMvB, waarbij de Eerste Kamer op de dag van de behandeling en een maand voor de door de regering beoogde inwerkingtreding van de wet niet weet wat erin komt te staan.

Het inhoudingsverbod gaat per 1 januari 2016 in, terwijl de minister de wet per 1 juli in wil laten gaan. In de memorie van antwoord op vragen van mijn fractie hierover heeft de minister gezegd dat werkgevers en werknemers enige tijd moet worden gegund om bestaande betalingsverplichtingen op een andere wijze te regelen. Dit begrijpt mijn fractie. Naar onze mening geldt dit echter ook voor afspraken die opdrachtgevers en opdrachtnemers moeten maken om te komen tot niet-verwijtbaarheid en het inrichten van de administratie om al die afspraken bij te houden. Waarom wordt er wel tijd gegund voor de ene verplichting en niet voor de andere? Zou dit niet betekenen dat het beter is als de gehele wet per 1 januari 2016 in werking treedt?

De kern van de wet is de ketenaansprakelijkheid, tevens ook het lastigste onderdeel van deze wet omdat die tamelijk ingewikkeld is. De minister hoopt vooral op een preventieve werking. Laten we hopen dat hij daar gelijk in heeft. Een correctieve werking, voor zover die afhangt van gewone werknemers, is niet te verwachten, zeker niet als het gaat om buitenlandse werknemers. Welke dappere werknemer staat op om de angst van "voor jou tien anderen" te weerstaan en zelfs met steun van de bonden misschien deze slag te winnen maar de oorlog te verliezen door het kwijtraken van zijn baan en het niet meer voor een volgende klus worden ingehuurd? De buitenlandse werknemers, als ze al weten dat ze naar Nederlandse normen worden onderbetaald, zijn tevreden omdat ze altijd nog meer verdienen dan in hun thuisland. Wij horen graag de zienswijze van de minister.

De ketenaansprakelijkheid houdt in dat, als arbeid wordt verricht in dienst van een werkgever, ter uitvoering van een overeenkomst van opdracht of een overeenkomst van aanneming van werk, de werkgever en diens opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het voldoen van het aan de werknemer verschuldigde loon. Het betreft dus minimaal een driehoeksrelatie tussen werknemer, zijn werkgever en diens opdrachtgever. De werknemer kan de opdrachtgever tegelijk met zijn werkgever hoofdelijk aansprakelijk stellen als hij het verschuldigde loon — dat is iets anders dan het minimumloon — niet krijgt. Opdrachtgevers verderop in de keten kunnen, als de vordering niet slaagt, vervolgens volgtijdelijk aansprakelijk gesteld worden.

Daarmee kom ik meteen ook aan een kernpunt van de wet, namelijk dat die op werknemers betrekking heeft, terwijl mijn fractie toch de indruk heeft dat de grootste schijnconstructies die zijn waar gewerkt wordt met schijnzelfstandigen. In het mondeling overleg dat wij met de minister op 28 april hebben gehad, heb ik namens de VVD-fractie de vraag gesteld of een schijnzelfstandige van de voorliggende wet gebruik kan maken als hij van mening is dat hij eigenlijk geen zelfstandige is maar een werknemer. Kan hij dan ook, naast degene voor wie hij werkt, zijn werkgever dus eigenlijk, de opdrachtgever/aanbesteder van zijn werkgever aansprakelijk stellen? De minister heeft deze vraag bevestigend beantwoord. De preventieve werking van de wet is nou juist, volgens de minister, dat de opdrachtgevers in de keten gaan opletten of hun opdrachtnemers onderbetalen door gebruik te maken van schijnconstructies. De ketenaansprakelijkheid geldt niet indien door een echte zelfstandige werkzaamheden worden verricht onder aan een keten. Dat is nu juist het probleem waar ik mee blijf zitten. Hoe kan de opdrachtgever/aanbesteder nagaan of degene onder aan de keten een echte zelfstandige of een schijnzelfstandige is? Hetzelfde geldt voor de Inspectie SZW, die de wet moet handhaven. De minister heeft in het genoemde overleg verwezen naar de toen net verschenen brief van staatssecretaris Wiebes van 20 april aan de Tweede Kamer. Daarin schetst de staatssecretaris hoe we naar een systeem toegaan waarbij gebruik gemaakt wordt van een modelovereenkomst waarin duidelijk wordt of er sprake is van zelfstandigheid. De minister heeft onder verwijzing naar de brief zich toen geëxcuseerd omdat de informatie zeer recent was. Ik heb de brief gelezen. In plaats van de BGL-webmodule komen er modelovereenkomsten die de Belastingdienst uitsluitend toetst op de loonheffingsplicht en op niets anders. Aan zo'n overeenkomst is niet af te lezen of degene die het werk verricht een ondernemer is. Hoe kan een opdrachtgever in de keten of de hoofdopdrachtgever die zich aan de wet wil houden en de Inspectie SZW straks, zonder VAR of BGL-webmodule, vaststellen wie er werkzaam is in het kader van een beroep of bedrijf, als zelfstandige dus, en derhalve buiten de werkingssfeer van de WAS en de WML valt? Heeft er afstemming plaatsgevonden met het ministerie van Financiën over de verhouding tussen de modelovereenkomst en de minimumloonwetgeving c. q. de WAS? Hier moet duidelijkheid over komen voor de inwerkingtreding. Ook om deze reden vindt mijn fractie dat de wet per 1 januari in werking moet treden in plaats van per 1 juli aanstaande. Het artikel over de transitievergoeding kan wat ons betreft met inachtneming van artikel XII per 1 juli in werking treden.

De minister heeft het ook herhaaldelijk over misstanden in de vervoerssector. Is de minister het met de VVD-fractie eens dat, als een vervoerder werk uitbesteedt aan een andere vervoerder, omdat hij bijvoorbeeld op dat moment geen wagens en of chauffeurs ter beschikking heeft, de ketenaansprakelijkheid niet van toepassing is? Het werk van de chauffeurs wordt immers niet verricht ter uitvoering van een overeenkomst van aanneming van werk — daar valt vervoer niet onder — of een overeenkomst van opdracht, want artikel 7:400 BW zondert het vervoer van zowel personen als goederen met zoveel woorden uit van de overeenkomst van opdracht. Is de minister het met deze conclusie eens? Hetzelfde geldt volgens de VVD-fractie als de hoofdopdrachtgever een verlader is die een vervoersovereenkomst met een vervoerder sluit. De WAS is wel van toepassing als een vervoerder een uitzendbureau opdracht geeft om chauffeurs ter beschikking te stellen. Die vervoerder sluit een overeenkomst van opdracht met het uitzendbureau die onder artikel 616a en volgende valt.

Afgelopen week ploften de preadviezen van de Nederlandse Juristen-Vereniging bij mij op de mat met als onderwerp "kwaliteit als keuze" in onder andere wetgeving. De preadviseur constateert dat er zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer plenair nog vragen worden gesteld, ondanks schriftelijke voorbereidingsrondes, en dat het stellen van die vragen niet fungeert in de aanloop tot een standpunt. Er is dan ook, zo concludeert hij, weinig interactie en dialoog tussen regering en Eerste Kamer. Ook uit antwoorden van de regering zou blijken dat het niet om een debat of dialoog gaat, maar om het beantwoorden van vragen, aldus de preadviseur. Toen ik in 1999 voor de eerste keer in deze Kamer kwam, leerden mijn leermeesters in de fractie mij dat ik vragen moest stellen en geen betoog moest houden, wat ik in eerste instantie deed, omdat ministers dan zouden denken: dat is makkelijk, daar hoef ik niet op te reageren. Times change and we with them. Toch heb ik vandaag nog vragen gesteld. Ik vond het niet het moment om in mijn laatste bijdrage de strategie te wijzigen. Niettemin hoop ik naar aanleiding van mijn vragen op een dialoog met de minister, omdat wij het erover eens zijn dat er een probleem is dat moet worden opgelost en van mening verschillen of het doel van de wet op deze manier wordt bereikt.


Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter. Vandaag behandelen we een belangrijke wet, een wet die kan zorgen voor een betere bescherming van werknemers tegen uitbuiting. GroenLinks is een voorstander van het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen, maar daarbij hoort ook verantwoordelijkheid nemen voor de arbeidsrechtelijke positie van EU-burgers uit een andere lidstaat die hier komen werken. Als je in een ander land werkt, de taal niet spreekt en de wegen en je rechten niet kent, ben je vatbaarder voor uitbuiting. Dat blijkt elke keer weer. Mijn fractie is om die reden blij met de wet die het aanpakken van verantwoordelijken voor uitbuiting gemakkelijker maakt.

Er is nog een andere reden om de aanpak van schijnconstructies toe te juichen en die houdt verband met de positie van onze eigen werknemers en werkzoekenden. Het toestaan van werk tegen een lager loon en te lange werkdagen betekent onherroepelijk een bedreiging voor ingezetenen in Nederland, die daarmee duurder en onaantrekkelijker worden. Terwijl zij juist werken tegen de standaarden die wij in Nederland zijn overeengekomen via het wettelijk minimumloon en via de cao, krijgen zij te maken met oneigenlijke concurrentie. Dat heeft alles te maken met het gebrek aan handhaving.

Beide groepen werkzoekenden en werknemers kunnen dus profiteren van deze wet, die het gemakkelijker maakt om werkgevers en opdrachtgevers die zich niet aan de regels houden, aan te pakken. Complimenten dus, maar ook enkele vragen.

Een wettelijke werkelijkheid is nog niet altijd een praktische werkelijkheid. We kunnen er niet van uitgaan dat alle actoren op de arbeidsmarkt en in de verschillende sectoren zich vanzelf gaan voegen naar deze nieuwe wettelijke realiteit. Effectieve handhaving vormt een onmisbare en cruciale voorwaarde om dit te laten slagen. Is de minister het hiermee eens? De minister heeft aangegeven het met de huidige formatie te moeten doen, plus 35 extra fte's. Meent hij nu echt dat dit voldoende is? Kan hij dat nader onderbouwen? Op mij komt het niet sterk over en dat is een zorg voor onze fractie. Als we inderdaad een papieren tijger hebben gemaakt, zullen we zien dat die tijger wellicht minder beet heeft dan we zouden willen.

Het gaat bij de uitbuiters, die toch al gemakkelijk wettelijke regels of handhavers te slim af zijn, om heel veel geld. Daarom ook een vraag naar de escapemogelijkheden van de mogelijke daders. Onlangs zond ZEMBLA een verbijsterende documentaire uit, waaruit bleek dat een Iers malafide bedrijf, dat in veel Europese landen in het vizier is en in procedures verwikkeld is, al jarenlang hier arbeiders organiseert voor grote Nederlandse bouwbedrijven. Het bedrijf houdt grote bedragen voor huisvesting en vervoer in, evenals sociale premies, die vervolgens niet worden afgedragen. Op het moment dat het dit bedrijf te heet onder de voeten wordt, houdt het op te bestaan en gaat het verder onder een andere naam. Ook hier speelt het belang van een effectieve handhaving. De wet werkt natuurlijk alleen als niet met slimme constructies de ketenaansprakelijkheid kan worden omzeild. Hoe kan de minister ervoor zorgen dat er ook aan dergelijke schijnconstructies een einde komt?

Een ander punt is de verantwoordelijkheid van werknemers. Die is groot in dit wetsvoorstel. Het is de werknemer die zijn werkgever aansprakelijk moet stellen. Bij zulke grote uitbuiters is angst de grote troef. Werknemers durven vaak geen stappen te zetten omdat ze weten dat ze meteen hun baan kwijtraken en binnen de kortste keren zonder salaris thuis in Portugal of Polen zitten. Hoe helpt de overheid om hun meer bescherming te bieden bij het aansprakelijk stellen zelf? En is er een mogelijkheid voor hen om gebruik te maken van een klokkenluidersregeling? Gaat de Arbeidsinspectie gegarandeerd aan de slag met anonieme meldingen over situaties van misbruik en uitbuiting? Ik krijg graag een nadere toelichting over de mogelijkheden en ondersteuning van werknemers bij het te gelde maken van hun rechten uit deze wet.

Ik kom op de morele verantwoordelijkheid van de overheid. In de zojuist genoemde uitzending van ZEMBLA kwam naar voren dat Rijkswaterstaat als grote opdrachtgever indirect met schavuiten als Atlanco Rimec werkt. Op een vraag aan de Arbeidsinspectie wat die daarvan vindt of daarmee doet, was het korte antwoord: dat is de eigen verantwoordelijkheid van het ministerie. Ik schrok daarvan. Het zou toch op zijn minst zo moeten zijn dat de overheid zelf het goede voorbeeld geeft. Of het nu gaat om ministeries of gemeenten, zij zullen zich er bij een aanbesteding van moeten vergewissen dat de werknemers volgens de regels worden behandeld, ook als het gaat om vele lagen daaronder. Hebben die overheden nu ook meer in handen met deze wet of worden zij pas aangesproken als de werknemers zelf de stap zetten om hen aansprakelijk te stellen? Wat doet de minister eraan om zelf te zorgen dat de overheid, al dan niet via de Arbeidsinspectie, op geen enkel niveau medeverantwoordelijk is voor dergelijke misstanden?

Gemeenten vervullen een belangrijke rol bij het toezien op adequate huisvesting. Hier zijn duidelijke normen en effectieve handhaving cruciaal. Hoe ziet de minister zijn regierol ten aanzien van die centrale overheden daarin?

Ik sluit mij voorts aan bij de vragen van mevrouw Kneppers over de zelfstandigen. Op welke wijze kan door opdrachtgevers of de Arbeidsinspectie een onderscheid worden gemaakt tussen schijnzelfstandigen en zelfstandigen?

Ik heb slot nog een vraag ter verheldering. Lidstaten kunnen op grond van artikel 12 van Richtlijn 2009/52 besluiten om een lijst van werkgevers die rechtspersonen zijn en die zijn beboet, openbaar te maken, om op die manier door naming-and-shaming de samenleving te informeren en bedrijven in hun reputatie te raken. In het onderhavige wetsvoorstel gaat het om bestuursrechtelijke openbaarmaking, maar is het niet net zo goed te kwalificeren als een punitieve sanctie zoals bedoeld in de richtlijn? Die beschouwt bekendmaking van bestraffing in verband met het overtreden van het verbod op illegale tewerkstelling onder verzwaarde omstandigheden als een straf. Ik krijg hierop graag een antwoord van de minister.

Kortom: we zijn blij dat deze wet nu voorligt en we hopen op een brede aanvaarding. We zijn er hiermee nog niet. We zullen echt aandacht moeten hebben voor de effectiviteit ervan en daarom de vinger aan de pols moeten houden. We hopen hierover dus ook nog vaker met de minister te spreken. Wij steunen de minister bij het zetten van verdere stappen op EU-niveau om het systeem sluitender te maken door omwegen te blokkeren. Een andere aanvullende stap is wat ons betreft ook de aanneming van de gewijzigde Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht. Ik roep mijn collega's in deze Kamer op om hier snel goedkeuring aan te geven.


De heer Elzinga (SP):

Voorzitter. De SP-fractie vindt het een goede zaak dat wij vandaag het wetsvoorstel Wet aanpak schijnconstructies bespreken. Het is hoog tijd dat we schijnconstructies stevig aanpakken. Wettelijke afspraken over beloning, alsook loonafspraken in cao-verband en op individuele contractbasis, worden helaas steeds vaker omzeild door zowel legale als illegale schijnconstructies. Dat leidt in directe zin tot verdringing, onderbetaling en uitbuiting, maar zet ook via oneerlijke concurrentie een negatieve druk op arbeidsvoorwaarden in een breder verband. Het leidt daarnaast ook tot ondermijning van solidariteit omdat schijnconstructies worden gebruikt om lagere belastingen en minder of geen sociale premies te betalen.

Het onderhavige wetsvoorstel is een niet onbelangrijke eerste stap in de aanpak van schijnconstructies. Hopelijk kunnen we het voorstel dan ook snel aannemen, want het geeft werknemers en vakbonden een belangrijk instrument in handen om ontduiking van beloningsafspraken tegen te gaan, al zijn we er ook na aanname van dit wetsvoorstel nog lang niet.

Sinds drie decennia, in sommige landen al iets langer, staan de rechten van werknemers en hun organisaties internationaal onder toenemende druk, en daarmee ook de arbeidsvoorwaarden. Deels komt dat door globalisering en technologische ontwikkelingen, als gevolg waarvan de internationale concurrentie is verhevigd en bedrijven meer en eerder werk verplaatsen en uitbesteden. Maar voor een aanzienlijk deel komt het ook door veranderingen in beleid van regeringen overal ter wereld. Het resultaat is dat wereldwijd de arbeidsinkomensquote stelselmatig daalt en bijna overal de inkomens- en vermogensongelijkheid is toegenomen. De OESO wijt dat in een recent onderzoek voor een niet te onderschatten deel aan de opmars van flexibele arbeid, zoals tijdelijke contracten, uitzendwerk en schijnzelfstandigheid. Arbeidsmarkten die te rigide zijn, hinderen de economische ontwikkeling, zo leert vergelijkend onderzoek van de OESO ons, maar arbeidsmarkten die te flexibel zijn eveneens. Dat is voor velen wellicht een nieuw inzicht. In Nederland is de flexibilisering naar de inschatting van mijn fractie doorgeschoten. Sinds 1995 is meer dan de helft van de werkgelegenheidsgroei in OESO-landen flexibel, maar waar een aantal landen sinds 2007 ook nog groei van vaste contracten laat zien, is in Nederland vooral een verschuiving van vast naar flexibel waarneembaar. Er is sprake van toename van flexwerk en afname van reguliere banen met een vast contract.

We kennen vele, misschien dus wel te veel, flexibele vormen van arbeid, en in elk geval een te groot gebruik hiervan. Een beperkte flexibele schil is goed om sneller te kunnen reageren op veranderende omstandigheden op de arbeidsmarkt. Als deze schil relatief klein is, dan bieden de flexibele banen bovendien aan nieuwkomers op de arbeidsmarkt een opstapje naar banen met meer zekerheid. Als de flexibele schil daarentegen groot is, blijven te veel — en in ons geval steeds meer — mensen gevangen in deze schil, met weinig contractzekerheden en met veelal beduidend slechtere arbeidsvoorwaarden. Dat zal de minister toch ook zo zien?

Een van de redenen van de grote omvang van deze schil is niet alleen het legitieme gebruik van flexibele constructies, maar ook het misbruik ervan. Ook in dat licht is het van groot belang het gebruik van schijnconstructies hard aan te pakken. Er zijn vele soorten schijnconstructies: misbruik van de uitzend-cao en ontduiking van de arbeidsvoorwaarden uit de cao die geldt voor de sector waarin gewerkt wordt, werk via een op papier buitenlands uitzendbureau of een buitenlandse dochter van een Nederlands uitzendbureau, bedoeld om in Nederland alleen het minimumloon te betalen en sociale premies op een veel lager niveau, misbruik van regelingen voor extraterritoriale kosten, contracting en uitbesteding aan een uitzendbureau, of payrolling in plaats van alleen het personeel in te huren, om zo de cao te ontduiken, payrolling in het algemeen en doorleen- of ketenconstructies.

Tegen dergelijke misbruikconstructies en tegen illegale ontduiking van het wettelijk minimumloon is voorliggend wetsvoorstel een relevant instrument. De SP-fractie verwelkomt het daarom zeer, al was het mogelijk sneller en efficiënter geweest om direct de eindopdrachtgever aansprakelijk te kunnen stellen. Maar goed, zo zal het uiteindelijk ook wel werken. Het probleem zal er echter niet mee verdwijnen, want de kern van het probleem wordt met dit voorstel nog niet aangepakt en niet alle schijnconstructies worden bestreden.

Op de kern van de zaak kom ik zo terug, maar eerst ga ik in op misschien wel de belangrijkste schijnconstructie, te weten de schijnzelfstandigheid. Dit voorstel laat de schijnzelfstandigheid geheel buiten beschouwing. Wanneer mogen we op dat punt van de minister verdere actie verwachten? Dit is niet onbelangrijk, omdat schijnzelfstandigheid een aanzienlijk deel van het probleem met schijnconstructies betreft en nu heel wat mensen met een overeenkomst van opdracht feitelijk aan het werk worden gezet tegen een beloning onder het minimumloon. Het niet respecteren van wettelijke minimumnormen valt zeker in de categorie "uitbuiting" en het tegengaan ervan zou prioriteit nummer één moeten zijn van elk fatsoenlijk kabinet en bijbehorende coalitiepartijen.

Toen het respecteren van de wettelijkminimumloonvoorwaarde door werkgevers die mensen onder een overeenkomst van opdracht willen laten werken hier ruim een jaar geleden werd besproken, bleek de minister echter niet op steun vanuit de eigen coalitie te kunnen rekenen en werd het wetsvoorstel op zijn verzoek aangehouden. Hij zei op 1 april 2014 heel hard te gaan werken om bij de behandeling van de bredere Wet aanpak schijnconstructies in deze Kamer de bezwaren tegen zijn aanpak van schijnzelfstandigheid te hebben weggenomen. Dat is vandaag. Moeten we inmiddels constateren dat hij er nog niet hard genoeg voor heeft gewerkt? Welke pogingen heeft de minister precies ondernomen? Toen hier drie leden van de coalitie een dissident standpunt hadden, sloeg minister Schippers in het torentje met haar vuist op tafel. Heeft deze minister dat ook gedaan toen hier vorig jaar een hele fractie dissident bleek te gaan worden? lk hoor graag hoe de minister alsnog de ontduiking van het wettelijk minimumloon door middel van schijnzelfstandigheid wil tackelen.

lk keer terug naar het voorstel dat we vandaag wel behandelen en naar wat ik daarin nog mis. De snelle opmars van de flexibele arbeid in Nederland is niet, zoals vaak is betoogd, te wijten aan de rigiditeit van het vaste contract. Dat valt namelijk wel mee. De oorzaak is veel meer gelegen in het grote verschil in kosten. Voor het gemak van flexibiliteit wordt door werkgevers niet extra betaald. Nee, daar wordt juist een scala aan extra kortingen op gegeven, zoals mindere arbeidsvoorwaarden en aftrekposten voor schijnzelfstandigen. En juist die kostenvoordelen voor werkgevers leiden tot het massale misbruik via schijnconstructies.

Het voorliggende wetsvoorstel geeft wel handvatten om onderbetaling op het loon aan te pakken, maar laat ontduiking van secundaire arbeidsvoorwaarden buiten schot. Het laat mede daardoor het principe onaangetast dat flex in veel gevallen goedkoper is dan vast. Zolang er op grote schaal kosten gedrukt kunnen worden door flexkrachten, in welke vorm dan ook, in te zetten in plaats van vaste krachten, zullen steeds nieuwe schijnconstructies gezocht en gevonden worden. Ziet de minister dat ook? Welke mogelijkheden ziet hij nog om schijnconstructies verder te ontmoedigen? Vindt hij niet ook dat flexibiliteit een prijs mag hebben?

Mijn fractie kijkt uit naar de antwoorden.


De heer Backer (D66):

Voorzitter. De fractie van D66 is niet minder dan de minister of de SP-fractie begaan met de misstanden in sommige sectoren en met de weerloze positie waarin met name migranten aan het uiteinde van een keten kunnen geraken. De fractie van D66 is er echter niet van overtuigd dat het wetgevingsoffensief van de minister, met de Wwz, de aanpassing van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en dit voorstel, de zegeningen gaat brengen die hij ervan verwacht. Het concept van de wet als kunstwerk, een titel van onze betreurde collega Witteveen, wordt misschien iets te letterlijk genomen. Want, en dat is eigenlijk mijn hoofdpunt, is wetgeving wel de oplossing? Of, en nu sluit ik een beetje aan bij het punt van collega Strik, is de handhaving van de bestaande situatie niet iets wat de voorkeur zou moeten hebben? Ik bedoel dan de handhaving door de inspectie, niet de handhaving van misstanden. De gevarieerde werkelijkheid ondervindt vaak evenveel verstoringen van de verbeteringen die sommige wetgevende interventies teweegbrengen. Er moet met dit voorstel nu ook al een kleine reparatie plaatsvinden van de Wvz. Dat zou toch te denken moeten geven.

Niet voor niets dringen wij, en ook de collega's aan de overkant, al langer aan op intensivering van de inspecties. Er zijn misstanden, maar het dreigt ook een beetje een slang te worden die in zijn eigen staart probeert te bijten. Omdat er betrekkelijk weinig mankracht is — de inspectie wordt wel versterkt, maar toch te weinig — ontbreken de harde cijfers over de werkelijke omvang van de misstanden vaak. Daardoor krijg je ook weer kritiek op een wetsvoorstel zoals het onderhavige. Men leze het kritische advies van de Raad van State. Dat roept dan weer de proportionaliteitsvraag bij wetgeving op.

Het is Verantwoordingsdag geweest in de Tweede Kamer. Er zijn waarschijnlijk nieuwe cijfers bekend. Ik zou aan de minister willen vragen om die met ons te delen, zodat wij die kunnen meenemen in het debat. Ik doel op cijfers over de inspecties en de effecten daarvan: wat heeft men aangetroffen?

Het is al eerder ter sprake geweest: de minister had vandaag plenair, samen met de behandeling van het voorliggende wetsvoorstel, de behandeling van het geparkeerde wetsvoorstel 33623 willen voortzetten. Dat betreft de wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; ik noem het maar even de "wet-ovo". Wij hebben hierover op 18 februari 2014 gesproken. In dat debat kwam de keuze aan de orde of de grens tussen de figuur van de arbeidsovereenkomst en die van de overeenkomst van opdracht in het Burgerlijk Wetboek, die nu helder onderscheiden is, via de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zou moeten worden vertroebeld of verbeterd of verruimd. Mijn fractie vond dat bezwaarlijk. Er is sindsdien eigenlijk niets aan het voorstel veranderd. Een hervatting van de behandeling daarvan zouden wij niet hebben gesteund. Wij vinden dat ook geen goede gedachte, anders dan een aantal collega's zojuist hebben betoogd. Dat wordt nog een interessant debat in de toekomst.

Bij de bestudering van dit voorstel heb ik mij wel gerealiseerd waarom de minister deze beide wetsvoorstellen in één beweging had willen behandelen. Zij zijn geschreven vanuit dezelfde bewogenheid om misstanden te corrigeren. Het zijn ook interventies vanuit de overheid die, anders dan vaak in de publiekrechtelijke sfeer, met bijvoorbeeld boetes, ketenaansprakelijkheid of premies, in de privaatrechtelijke relaties ingrijpen. In beide relaties wordt er een "construct" ingevoerd waarbij de contractvrijheid tussen partijen beperkt wordt ten behoeve van een goede zaak. Er zijn echter wel verschillen. De goede zaak bestaat in het voorstel dat wij vandaag hebben geagendeerd uit een opdrachtketen waarin de laatste werknemer in de keten voor zijn loonvordering toch verhaal kan vinden bij de opdrachtgever. In het geval van de schijnconstructies zou de bevoegdheid bij de inspectie worden gelegd om, kort gezegd, te beslissen wat de aard van de contractuele relatie is. In het voorstel dat wij vandaag bespreken, krijgt van rechtswege de werknemer een recht dat hij al dan niet kan inroepen. Maar dat is dan tenminste nog een partijbeslissing en niet een inspectiebeslissing. Dat vind ik systematisch, vanuit het burgerlijk recht, beter te verdedigen.

De techniek van die verhaalsmogelijkheid is in de stukken uitvoerig besproken. Ik wil daar nu niet te ver op ingaan. De kern is dat krachtens art. 616a BW, zoals voorgesteld, indien de arbeid wordt verricht in dienst van de werkgever ter uitvoering van een overeenkomst van opdracht of een overeenkomst van aanneming van werk, de werkgever en diens opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de voldoening van het aan de werknemer verschuldigde loon. Elk beding om een dergelijk verhaal op een contractspartij in de keten buiten werking te stellen is krachtens art. 616f nietig. De praktijk is natuurlijk nu al dat partijen vrijwaringen overeenkomen in hun aanbesteding of hun opdracht. Ik lees en begrijp het zo dat die vrijwaring geen derdenwerking heeft. Met andere woorden, de werknemer wordt verhaal geboden op basis van de wet via het construct van de hoofdelijkheid. Als de wet wordt aangenomen, zou hij dat kunnen effectueren. In de praktijk zijn daar natuurlijk nog tal van problemen bij; ik geloof dat de heer Elzinga dat ook al aangaf. Maar goed, het recht is er in ieder geval wel.

Waarom is dit in de wetgevingstechnische kant nog wel een issue waar ik een tijd op heb zitten studeren? Dat is omdat het naar de aard van de gevarieerdheid van de bedrijvigheid in het land nog best ingewikkeld is om dat te activeren. Maar goed, het is voldoende besproken. Het zal trap-op, via de werkgever en tussenliggende schakels bij de opdrachtgever terechtkomen. Daarmee zijn ook frivolous claims op diepe zakken voorkomen. Dat was een reële zorg aan de kant van werkgevers, want de specialisatie in ketens, en soms in lange ketens, is niet altijd gebouwd om iets te ontduiken — je zou het nu bijna denken als ik naar collega Elzinga luister — maar heeft ook gewoon te maken met specialisatie en de organisatie van werk. Het is niet altijd eenvoudig voor bonafide bedrijven, die alle inspecties uitvoeren en alle eisen in hun contracten stellen, om precies te weten wat er enkele verdiepingen lager in de keten gebeurt. Ik denk dat collega Kneppers terecht een vraag stelde op dat punt. Het is ook nog niet zo eenvoudig om te kunnen vaststellen wat de relatie daar dan is. Is het een werkelijke werknemer-werkgeversopdracht, of is het een reële zelfstandigheidsrelatie?

De disculpatiegrond voor de opdrachtgever op wie verhaal genomen wordt, is naar aanleiding van vragen van onder andere onze fractie in de schriftelijke voorbereiding al goed en uitvoerig besproken. Ik vat het maar even voor mijzelf als volgt samen: er is geen richtsnoer voor de disculpatie anders dan een open norm en alle omstandigheden van het geval tellen mee om verwijtbaarheid vast te stellen. Eén ding is helder: het is geen risicoaansprakelijkheid van de opdrachtnemer. Er is ook een balans, omdat — ik keer terug naar mijn openingsparagraaf — de werknemer in de praktijk zal moeten aantonen dat het hier echt aan de orde is. Dan zal hij kunnen slagen. Ik vrees echter wel dat het een lastige, uphill battle zal zijn.

Ter afronding stel ik vast dat er ook een paar praktische verbeteringen in het wetsvoorstel staan, zoals voorschriften voor loonstrookjes, giraal betalen van het minimumloon en informatie-uitwisseling van de cao-handhavers. Het spreekt mij ook zeer aan dat de minister de ambitie heeft om dit bij het Europees voorzitterschap aan de orde te stellen. Over een uphill battle gesproken … Ik ga ervan uit dat mocht dit wet worden, dat ook het niveau is dat hij Europees wil bereiken. Dat zou goed zijn voor de harmonisatie van de interne markt. Ook daarmee kunnen weer misstanden worden voorkomen.

Ik heb een aantal reserves uitgesproken. Mijn fractie is benieuwd naar de toelichting van de minister. Ik zie ook een aantal uitvoeringsproblemen, die al aan de orde zijn gesteld. Ik denk dat wij met name moeten leren van de invoering van een aantal complexe wetgevingsvoorstellen van de laatste maanden. Laten we proberen om het zorgvuldig en zo goed mogelijk te doen. Als we daar een wat langere termijn voor nodig hebben, zou dat de voorkeur moeten hebben. Daar is mijn fractie voor. Het is nuttig en wenselijk om dat te doen, wellicht met uitzondering van de flexparagraaf, want die betreft eigenlijk een reparatiestukje.

Tot slot. We hebben vandaag geen maidenspeeches maar wel farewell speeches. Ik ben de laatste spreker, dus ik kan het mij veroorloven om nog mijn collega Terpstra te danken voor zijn zeer collegiale en leerzame interventies, waarbij zijn zelfrelativering voor mij altijd een voorbeeld is geweest. Ook dank ik collega Kneppers voor de vele zaken die wij samen hebben bepleit en de moeizame afwegingen die wij hebben gemaakt in deze Kamer. Voor degenen die dit vak niet beoefenen zeg ik dat je met elkaar een heleboel werk in een heel korte tijd moet doen. Dan is collegialiteit belangrijk.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Backer. Dat waren wijze woorden.

De vergadering wordt van 14.52 uur tot 15.18 uur geschorst.


Meldplicht datalekken

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens en enige andere wetten in verband met de invoering van een meldplicht bij de doorbreking van maatregelen voor de beveiliging van persoonsgegevens alsmede uitbreiding van de bevoegdheid van het College bescherming persoonsgegevens om bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de Wet bescherming persoonsgegevens een bestuurlijke boete op te leggen (meldplicht datalekken en uitbreiding bestuurlijke boetebevoegdheid Cbp) (33662).


De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van harte welkom in de Eerste Kamer. Ik heb hem helaas nog niet persoonlijk mogen ontvangen, terwijl dat gebruikelijk is als tijdens een kabinetsperiode een nieuwe bewindspersoon aantreedt. Het is de eerste keer dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in deze functie hier aanwezig is en een wetsvoorstel verdedigt. Ik feliciteer hem nogmaals met zijn benoeming en wens hem veel wijsheid toe bij de uitoefening van zijn functie en bij het debat dat nu volgt.

De beraadslaging wordt geopend.


De heer Franken (CDA):

Voorzitter. Wij hebben de staatssecretaris als leden van de commissie voor I&A/JBZ en voor V&J, zoals die hier heet, al eens mogen ontmoeten, maar ik feliciteer hem namens mijn fractie graag in deze plenaire zaal met zijn benoeming en wens hem succes met de werkzaamheden die hij op zich heeft genomen.

Wat betreft het wetsvoorstel dat nu aan de orde is, onderschrijft de CDA-fractie het doel van de voorgestelde meldplicht en van andere plichten met betrekking tot datalekken of ernstige incidenten op het vlak van iedere bedrijfsvoering waarbij van elektronische gegevensverwerking sprake is. Wij zien dit doel als het vergroten van het vertrouwen van het publiek in digitale gegevensverwerking. Daarnaast moet het met behulp van de voorgestelde bepalingen mogelijk zijn om lering te trekken uit opgetreden datalekken.

Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is een uitgebreid traject gevolgd met twee keer een advies van de Raad van State. Naar aanleiding daarvan zijn diverse knopen doorgehakt. Wij vinden de uitkomsten daarvan niet altijd de mooiste, maar accepteren dat er dit keer is gekozen voor bestuursrechtelijke handhaving. De toezichthouder kan zware sancties opleggen, die de voorzitter van het College bescherming persoonsgegevens weleens, niet ten onrechte, "Neelie Kroesachtige boetes" heeft genoemd. Mijn fractie is er in het algemeen geen voorstander van om aan toezichthouders zware sanctiebevoegdheden toe te kennen, maar gezien het feit dat deze bevoegdheden in de lijn liggen van wat andere toezichthouders, zoals de Autoriteit Consument & Markt, mogen doen, dat het overtreden van de norm mogelijk zeer grote schade ten gevolge heeft en er binnenkort Europese regelgeving is te verwachten waardoor dergelijke sancties in de gehele Europese Unie kunnen worden opgelegd, gaat zij met dit voorstel mee.

In het voorlopig verslag hebben wij een vijftal vragen gesteld, waarop goed uitgewerkte antwoorden zijn gekomen. Hulde daarvoor. Op een van die vragen, die met betrekking tot de "onbepaaldheid" van de door de burger in acht te nemen norm, gaan wij graag nog eens in. We weten allen dat een met behulp van sancties te handhaven norm voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar moet zijn overeenkomstig het lex certa-beginsel. Wij zijn er vooralsnog niet van overtuigd dat hiervan in het voorgestelde artikel 34a sprake is. De norm houdt immers in dat het gaat om "een inbreuk op de beveiliging die leidt tot de aanzienlijke kans op ernstige nadelige gevolgen dan wel ernstige nadelige gevolgen heeft voor de bescherming van persoonsgegevens". Nu kan het College bescherming persoonsgegevens voor het opleggen van de hiermee samenhangende bestuurlijke boete weliswaar eerst bindende aanwijzingen geven voor het geval dat de overtreding niet opzettelijk is gepleegd, maar feit blijft dat er voor de burger onzekerheid bestaat over de vraag wanneer er precies sprake is van een normovertreding. Dit kan tot een overreactie van de burger leiden. De burger gaat dan, "better safe than sorry", bij ieder twijfelgeval maar melden of hij gaat er "gewoon" aan voorbij, zoals we bij de cookiemeldingen ook vaak zien. Dan geeft de norm aanleiding tot het tegendeel, dus tot "undercompliance". De staatssecretaris is daar optimistisch over. Hij gaat ervan uit dat de burger wel een beredeneerde overweging zal maken over de vraag of een concreet datalek dat hem ter kennis komt, onder het bereik van de meldplicht valt. Mijn fractie is van mening dat hier vooraf meer duidelijkheid over moet worden gegeven. Daarom vraagt zij de staatssecretaris om een interpretatie van in ieder geval de "aanzienlijke kans op ernstige nadelige gevolgen", zoals omschreven in artikel 34a, lid 1, die meer helderheid en houvast biedt. Wat wordt hier nu precies bedoeld?

In wet en jurisprudentie zien we bij vragen van onzekerheid onderscheid tussen "met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid", de "aanmerkelijke kans", welke formulering wordt gebruikt bij voorwaardelijk opzet, of "wat er redelijkerwijs te verwachten is". Bij bewijsstandaarden worden om een mate van waarschijnlijkheid uit te drukken begrippen gebruikt zoals "aannemelijkheid", "een redelijke mate van zekerheid", dat je vooral in kortgedingvonnissen leest, of "boven redelijke twijfel verheven". Op welk niveau moeten we nu uitkomen? Met de opvatting dat iedere vage norm interpretatie behoeft, kan de staatssecretaris hier niet wegkomen. Het gaat immers om een met een punitieve sanctie te handhaven wettelijke bepaling. Wij vragen de staatssecretaris daarom, een soort interpretatieve verklaring te geven over hoe deze vage begrippen in artikel 34a moeten worden gehanteerd. De burger heeft een concreet handvat nodig. Dat ontbreekt nu ten enenmale. Wij zien het antwoord van de minister op deze vraag met belangstelling tegemoet.


Mevrouw Ter Horst (PvdA):

Voorzitter. Ik dank mevrouw Gerkens dat ik vóór haar mag spreken. Ook feliciteer ik de staatssecretaris namens mijn fractie. Ik wens hem veel succes.

De PvdA-fractie dankt de staatssecretaris voor de in de memorie van antwoord opgenomen reacties op haar vragen. In het voorlopig verslag heeft zij aangegeven dat zij het bieden van de mogelijkheid aan het College bescherming persoonsgegevens om een bestuurlijke boete op te leggen, positief beoordeelt. De verplichting om een overzicht bij te houden van potentiële of echt ernstige lekken, die de melder zelf aan de toezichthouder heeft gemeld, en de meldplicht zelve vindt zij een goede zaak. Wel heeft zij beargumenteerd dat het geven van een eventueel bindende aanwijzing vooraf in de meeste gevallen geïndiceerd is. Deze noodzaak wordt vooral ingegeven door de onduidelijkheid over de vraag of een datalek daadwerkelijk aan het College bescherming persoonsgegevens dan wel aan betrokkenen moet worden gemeld. Hierin schuilt naar de mening van mijn fractie de zwakte van het wetsvoorstel. Haar vragen hadden dan ook daarop betrekking. Daarom is het nu aan haar om te beoordelen of de antwoorden van de staatssecretaris haar verder hebben geholpen. Eerlijk gezegd is dat niet het geval geweest.

Het soort datalek waarvan verplicht melding wordt gemaakt, wordt in het wetsvoorstel als volgt omschreven. Ik citeer dezelfde woorden als de heer Franken: "een inbreuk op de beveiliging die leidt tot de aanzienlijke kans op ernstige nadelige gevolgen dan wel ernstige nadelige gevolgen heeft voor de bescherming van persoonsgegevens". Zowel de term "aanzienlijk" als de term "ernstige" behoeft operationalisatie. In de memorie van antwoord hebben wij helaas niets kunnen aantreffen wat tot een nadere specificatie van deze termen leidt, anders dan de opmerking dat het College bescherming persoonsgegevens richtsnoeren gaat opstellen. Wij kennen die richtsnoeren niet, dus kunnen niet beoordelen of deze de beoordeling vergemakkelijken om wel of niet te melden. Graag vragen wij de staatssecretaris of hij ons al iets over die richtsnoeren en de omvang ervan kan meedelen en of hij die aan de Eerste Kamer wil zenden, zodra ze bekend zijn, zodat zij zich daar te zijner tijd een oordeel over kan vormen. De staatssecretaris geeft overigens in reactie op vragen van D66 wel een aantal voorbeelden van gevallen waarin wel en wanneer niet moet worden gemeld. Die heb ik natuurlijk goed bekeken, maar mijn constatering was dat de nuances voor wanneer wel of wanneer niet moet worden gemeld, zo gering zijn dat de vrees bij de Partij van de Arbeid alleen maar is toegenomen dat — ook hier mijn excuses aan de heer Franken — "better safe than sorry" de praktijk zal worden. Immers, op wel melden staat geen straf en op niet melden staat wel een straf. Wij vrezen dat dit tot een hausse aan meldingen zal leiden. De PvdA-fractie zou graag zien dat aan het College bescherming persoonsgegevens wordt gevraagd om jaarlijks over de aard en omvang van de meldingen van datalekken te rapporteren.

Tot slot. De staatssecretaris heeft in reactie op een vraag van een collega van het CDA een overzicht opgenomen van thans of binnenkort geldende meldplichten die betrekking hebben op de bedrijfsvoering in de private of publieke sector. Als ik goed geteld heb, zijn dat er elf. Er zijn dus elf meldplichten. De staatssecretaris geeft dat overzicht, waarvoor dank, maar verbindt daaraan geen conclusies. De PvdA-fractie zou graag van de staatssecretaris vernemen of hij verrast was door dit aantal. Er zit immers een nieuwe staatssecretaris. Misschien dacht hij ook: oei, dat zijn er wel erg veel! Was hij verrast door dit aantal? Meent hij dat het voor bedrijven nog doenlijk is om al deze meldplichten bij en uit elkaar te houden?

Ik sluit positief af. De overige punten die door de PvdA-fractie aan de orde zijn gesteld, zoals bestuurlijke strafbeschikking in plaats van of naast een bestuurlijke boete, strafbaarstelling in plaats van een bestuurlijke boete en de hoogte van de boete, zijn door de staatssecretaris naar grote tevredenheid beantwoord. Wij wachten gespannen op zijn beantwoording van de vragen die wij nu hebben gesteld.


Mevrouw Gerkens (SP):

Voorzitter. Ik lever mijn inbreng mede namens de fractie van GroenLinks. Ook ik wil de nieuwe staatssecretaris welkom heten in de Eerste Kamer. Ik hoop dat ik met hem net zo goed kan samenwerken als met zijn voorganger, de heer Teeven.

Allereerst bedank ik de staatssecretaris voor de beantwoording van onze vragen. De fractie van de SP is blij met dit wetsvoorstel, dat in onze ogen veel te lang op zich heeft laten wachten. Die lange wachttijd heeft ons ook wat bevreemd: zo'n lastig onderwerp is het niet en voor de bescherming van de internetgebruiker is het van groot belang dat datalekken gemeld worden. Uit de beantwoording van de staatssecretaris mag ik voorzichtig concluderen dat ook hij vindt dat deze weg lang is geweest.

Toch wilde mijn fractie nog mondeling met de staatssecretaris hierover van gedachten wisselen. Het gaat in dit debat om de kwaliteit van de uitvoering van dit wetsvoorstel. Laten we daarvoor eerst eens kijken naar het waarom van dit wetsvoorstel. In 2007 werden door een lek bij Tel Sell de creditcardgegevens van ruim 30.000 klanten gestolen. Maanden later werd dit pas bekend. Het bedrijf had zijn klanten niet op de hoogte gesteld omdat het niet zijn verantwoordelijkheid was, zo vond het bedrijf. Dit was een van de eerste grote lekken die bekend werden. Eigenlijk is iedereen het erover eens dat wanneer er een lek is, dit gemeld dient te worden, maar over het hoe en wat verschilt mijn fractie van mening met dit kabinet.

De vertraging is hierom wel te begrijpen. Het wetsvoorstel moet uitvoerbaar zijn en het moet kunnen rekenen op draagvlak in de uitvoering. En laten we eerlijk zijn, het is momenteel voor geen enkele organisatie prettig om te melden dat er ingebroken is in het digitale systeem, laat staan om dan ook nog eens te vertellen dat er gegevens zijn gestolen. Er heerst bij velen nog een taboe op het gegeven dat inbraak mogelijk is.

Tijdens het afgelopen paasweekend werd er bij het opslagbedrijf Hatton Garden Safe Deposit 270 miljoen euro buitgemaakt. Dat was spectaculair, want dit stond bekend als een van de beste beveiligde bedrijven. Metersdik gestaald beton werd doorboord. Offline en online bestaat er dus niet zoiets als absolute veiligheid, maar het besef daarvan is nog altijd laag. Er zijn bedrijven die hun best doen om de beveiliging hoog te houden, maar er zijn er ook die beschamend met de veiligheid omgaan. Ik noemde in het verslag al de grote pensioenuitvoerder die de volledige pensioenoverdracht online aanbood, inclusief bsn, inkomen van deelnemer, inkomen van partner, adresgegevens en noem maar op, allemaal over een onbeveiligde lijn. Kinderdagverblijven gebruiken onlineformulieren voor de inschrijving met een bsn over een onbeveiligde lijn. Dan heb ik het nog niet eens over de informatie die van mij gevraagd wordt als ik een simpele nieuwsbrief wil ontvangen of mijn gegevens achterlaat bij een webshop of op een contactformulier. Vaak zijn dat onnodige gegevens, zoals geboortedata et cetera, met daardoor extra risico op nog meer datalekken.

Ik zie drie mindsets die gewijzigd moeten worden. Allereerst is dat de mindset van de aanbieder van de dienst op het gebied van de Wet bescherming persoonsgegevens. Deze wet is nog onvoldoende in beeld bij de aanbieders. Zeker het mkb heeft hier nog een slag te maken, maar helaas ook de grotere organisaties. Ik zou hier vele voorbeelden kunnen noemen.

Ten tweede gaat het om de mindset van dezelfde aanbieders op het gebied van veiligheid. Omdat het hier om techniek gaat, vragen aanbieders nog veel te weinig expliciet naar de beveiliging. Zij gaan er namelijk vanzelfsprekend van uit dat de websitebouwer die wel in de gaten houdt, maar dat is over het algemeen niet zo. Zelfs als dit wel gebeurt, is het voor een aanbieder lastig te bepalen of de gevraagde veiligheid ook geboden wordt. Ik maak het mee dat hosts hun software op de server niet updaten. Dan denkt de aanbieder dat hij veilig is, maar blijkt dat niet zo te zijn.

Ten derde gaat het om de mindset van de gebruiker, die moet beseffen dat een lek geen onwil is van een organisatie en dat hij altijd zijn wachtwoord dient te wijzigen bij de melding van een lek, en liefst nog wat vaker. Wanneer ik echt een dienst wil afnemen, maar de beveiliging onvoldoende is, dan mail ik het bedrijf met die opmerking. Een veilig internet is ook samenwerken.

In het verslag vertelde mijn fractie over het Heartbleed-lek van afgelopen zomer en de wijze waarop de gebruiker daarover werd geïnformeerd. Zo wist ik dat mijn e-mailadres tot de hack behoorde, maar niet waar het lek zat en of ik passende maatregelen moest nemen. Er werd mij alleen geadviseerd om mijn wachtwoorden te wijzigen. Ik heb er veel, heel veel, en zou niet eens weten of ik dan alle wachtwoorden zou hebben gehad. Deze impasse leidde ertoe dat ik niets deed, een soort Catch-22. Hier raken wij een kwetsbaar punt van de uitvoering. Mijn fractie is het met de regering eens dat er alleen gewaarschuwd dient te worden als er sprake is van mogelijke diefstal van persoonlijke gegevens, maar op welke wijze dat gebeurt en wanneer daarvan precies sprake is, is onduidelijk en wordt aan de aanbieder overgelaten. Deze moet wel altijd de hack melden bij het CBP, maar het wetsvoorstel biedt geen garantie dat de aanbieder ook op de juiste wijze zijn klanten informeert. Zo werd bij het Heartbleed-lek geen adequate waarschuwing gegeven omdat dan bekend zou worden welke websites op dat moment kwetsbaar waren, maar naar ik mag aannemen is zo'n lek snel gedicht en had men de gebruikers vervolgens alsnog kunnen waarschuwen.

Het wetsvoorstel verbetert dus wel de mogelijkheden van het CBP en in zekere mate de bewustwording bij de aanbieder, maar beschermt nog veel te weinig de eindgebruiker om wie het in dit wetsvoorstel uiteindelijk te doen is. In het verslag verwijst de staatssecretaris naar een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 oktober 2014 inzake de Hold-casus. In die brief heeft de minister van Veiligheid en Justitie toegezegd dat voorts zal worden verkend "hoe de ervaringen uit deze casus geborgd kunnen worden in een te ontwikkelen structurele voorziening met de daarbij benodigde juridische waarborgen". Kan de staatssecretaris mij vertellen wanneer deze structurele voorziening en de daarbij behorende waarborgen worden ontwikkeld? Dit lijkt mij een welkome aanvulling op het wetsvoorstel. Zou een dergelijk voorstel voor het eind van dit jaar naar de Tweede Kamer gezonden kunnen worden? Graag krijg ik een reactie van de staatssecretaris.

Ik wil graag nog even terugkomen op de awareness. Het ECP is inderdaad volop met het mkb bezig om de digitale veiligheid daar te verbeteren. Ik ken het programma en dat is gedegen en succesvol, maar het bereik blijft klein. De gemiddelde aanbieder heeft echt geen flauw benul van de Wet bescherming persoonsgegevens. Voor aanbieders is het niet meer dan logisch dat ze voor de verzending van hun artikelen naw-gegevens nodig hebben. "Waarom zijn die nou zo privacygevoelig?", zo redeneren zij. Is de staatssecretaris bereid om eenmalig aan alle bedrijven en organisaties die bij de Kamer van Koophandel zijn ingeschreven, een brief te zenden waarin hij wijst op deze wet en op de Wet bescherming persoonsgegevens? Vervolgens kan hij in deze brief ook verwijzen naar het programma van ECP. Hiermee zouden we een enorm grote slag kunnen slaan. Graag verneem ik de reactie van de staatssecretaris.

Mij rest nog een klein vraagje. In de beantwoording zegt de staatssecretaris dat het aan de beoordeling van de aanbieder zelf is hoelang hij het overzicht van inbreuken moet bewaren. Hierop staat dezelfde boete als op het niet naleven van de meldplicht. Dat kan echt niet. Er staat een behoorlijke boete op het spel. Het bewaren van documenten loopt van twee jaar tot levenslang. Mijn fractie zou willen voorstellen dat in ieder geval het CBP aangeeft hoelang deze informatie bewaard dient te worden, zodat dat bij ingang van deze wet voor iedereen helder is. Ik kijk uit naar de beantwoording.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 15.39 uur tot 15.43 uur geschorst.


Aanpak schijnconstructies

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten ter verbetering van de naleving en handhaving van arbeidsrechtelijke wetgeving in verband met de aanpak van schijnconstructies door werkgevers (Wet aanpak schijnconstructies) (34108).


De voorzitter:

Minister Asscher, ik nodig u uit om aan uw betoog te beginnen.

De beraadslaging wordt hervat.


Minister Asscher:

Voorzitter. Het is mij een groot genoegen om de Wet aanpak schijnconstructies met de Kamer te mogen bespreken. Ik dank de Kamer hartelijk voor de uitnodiging om dat op zo'n korte termijn te doen en voor het feit dat dit onderwerp vandaag voor plenaire behandeling in aanmerking komt.

De kern van het wetsvoorstel is dat werknemers meer mogelijkheden krijgen om het loon te ontvangen waar zij recht op hebben. Terecht is aan alle kanten gesteld dat een wet op zichzelf nooit alle problemen zal oplossen en dat er daarom dus veel meer moet geschieden dan invoering van deze wet alleen. De behandeling van het voorstel biedt een goede gelegenheid om in te gaan op de ambities van het kabinet voor een bredere aanpak van schijnconstructies.

Bij het sociaal akkoord in 2013 hebben we afgesproken om niet alleen te kijken naar het arbeidsrecht, de verhouding tussen vast en flex en het ontslagrecht, maar ook om schijnconstructies aan te pakken. Aanleiding was en is het toenemend aantal signalen van de Inspectie SZW en van cao-handhavers over misstanden waarbij allerlei constructies leidden tot onderbetaling. Met sociale partners is intensief gesproken over de aanpak van schijnconstructies en de maatregelen die daartegen kunnen worden getroffen, zoals de invoering van ketenaansprakelijkheid voor loon.

De inzet van het kabinet voor de aanpak van schijnconstructies omvat veel meer dan deze nieuwe wet. Het gaat ook om extra inzet op handhaving, om betere samenwerking tussen publieke en private handhavers, om afspraken en samenwerking met andere lidstaten in de Europese Unie en om voorlichting. Zowel in nationaal als in Europees verband is meer nodig. Daarom zetten we in op een herziening van de WML. Destijds is bij de behandeling van de WML overal, en ook hier, aangekondigd dat deze herziening nodig zou zijn, mede op instigatie van verschillende leden van deze Kamer. De Europese discussie over bijvoorbeeld de Detacheringsrichtlijn, de Handhavingsrichtlijn die in Nederland geïmplementeerd moet worden en de aanpak van schijnzelfstandigheid, die hier door verschillende fracties aan de orde is gesteld, hebben hoge prioriteit voor het kabinet. Na het beantwoorden van een aantal vragen over dit voorstel zal ik ze alle kort aanstippen.

Het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies bevat maatregelen om onderbetaling tegen te gaan en beter te kunnen handhaven. In de eerste plaats gaat het daarbij om maatregelen waarmee de inspectie de bestaande wettelijke normen beter kan handhaven. De betaling van het wettelijk minimumloon kan worden gehandhaafd omdat er eisen worden gesteld aan de loonstrook. Werkgevers worden verplicht giraal het minimumloon uit te betalen. Daardoor kan gemakkelijk worden vastgesteld of al dan niet wordt betaald en of werknemers de volledige beschikking krijgen over het wettelijk minimumloon. Ook de voorschriften rond verrekening en inhouding, de verbodsbepalingen, dienen daartoe.

In de tweede plaats bevat het wetsvoorstel maatregelen waarmee private handhavers de naleving en handhaving van de collectieve arbeidsovereenkomst kunnen verbeteren. Het wetsvoorstel geeft cao-partijen handvatten om periodes zonder algemeenverbindendverklaring te voorkomen. Dat is van belang omdat de cao zonder zo'n avv niet kan worden gehandhaafd. Met de ketenaansprakelijkheid voor loon is er een stimulans om cao's beter na te leven en niet-naleving aan te pakken.

In de derde plaats bevat het wetsvoorstel instrumenten voor publiek-private samenwerking bij handhaving. Zo mag de Inspectie SZW straks vermoedens van niet-naleving van de cao doorgeven aan private cao-handhavers. Bij het cao-nalevingsonderzoek dat de inspectie op verzoek van cao-partijen kan uitvoeren, mogen straks bestaande inspectiegegevens worden betrokken. Met al dit soort maatregelen vergemakkelijkt het wetsvoorstel publieke en private handhaving van arbeidsvoorwaarden en de publiek-private samenwerking daartoe.

Naast effectiviteit is uiteraard de capaciteit van belang. Ik heb tijdelijk extra middelen beschikbaar kunnen stellen, oplopend tot 35 fte's. De inspectie heeft daarmee sinds twee jaar een speciaal team voor de aanpak van schijnconstructies. In de laatste voortgangsrapportage, die ik de Kamer in februari heb toegezonden, heb ik verslag gedaan van de resultaten vanuit die extra capaciteit. Op dat moment waren 76 onderzoeken naar schijnconstructies ondernomen en 27 verzoeken van cao-partijen ingediend voor cao-nalevingsonderzoek ter ondersteuning van private handhaving. Ik zal straks de nog recentere cijfers geven waar de heer Backer mij in de eerste termijn om vroeg.

GroenLinks vroeg of er mogelijkheden zijn om de verdere effectiviteit en inzet van de inspecteurs te verbeteren.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

De minister heeft het over een tijdelijke versterking van handhaving door 35 fte's. Kan hij ingaan op de vraag waarom dit tijdelijk is, hoelang die tijdelijkheid duurt en wat er daarna gaat gebeuren?

Minister Asscher:

Destijds zijn er tot 2017 middelen gevonden voor de versterking, juist om de aanpak van schijnconstructies een stimulans te geven. Het zal mevrouw Strik niet verbazen dat ik verwacht dat wij ook daarna behoefte zullen hebben aan die extra capaciteit. Toen, in de periode waarin we eigenlijk extra aan het bezuinigen waren, is extra geld gevonden voor 35 fte's en dus nog wat meer inspecteurs. Zij laten nu zien dat hun werk zeer de moeite waard is. Daarna moeten wij weer bezien hoe wij met de middelen omgaan. Ik ben ervan overtuigd dat dit de komende jaren een prioriteit moet blijven.

Mevrouw Strik vroeg ook naar mogelijkheden om de effectiviteit en de inzet verder te verbeteren. Dat is heel belangrijk. Het gaat niet alleen om de absolute capaciteit in het totale aantal werknemers van de inspectie, maar ook om hoe we hen inzetten. Juist dit jaar gaan we weer verder in het informatiegestuurd en risicogericht inspecteren, waardoor de pakkans groter wordt en je dus ook meer kunt bereiken in de aanpak van misstanden. Daar horen moderne informatiemiddelen bij en goede afspraken over uitwisseling, ook met andere rijksinspecties en andere handhavende diensten. Daardoor kunnen we de eerlijke, bonafide ondernemer veel meer met rust laten en de pakkans bij anderen vergroten.

In dat licht is het belangrijk dat wij de samenwerking en de gegevensuitwisseling met een aantal andere lidstaten verder verbeteren. Met Bulgarije, Roemenië en Polen hebben we bilaterale afspraken gemaakt die we nu verder intensiveren. Dat maakt het voor onze inspectie weer gemakkelijker om te kunnen handhaven. Door wet- en regelgeving aan te passen zodat er beter gehandhaafd kan worden, vergroten we eveneens de effectiviteit van de inspectie. De inzet van het strafrecht wordt als ultimum remedium gehanteerd. Dat betekent dat steeds gekeken wordt of het toegevoegde waarde heeft ten opzichte van andere instrumenten, en of toepassing mogelijk is. Door goed overleg met het Openbaar Ministerie kun je soms een heel krachtig signaal afgeven door inzet van het strafrecht. Het is echter niet altijd de meest effectieve keuze. Toch is het wel degelijk een van de dingen die we in het oog hebben om meer te gaan bereiken met de bestaande capaciteit.

GroenLinks en D66 vroegen of je niet de bestaande wetten beter moet handhaven in plaats van nu met dit voorstel te komen. De toonzetting van de introductie van de heer Backer riep ook die vraag op: er zijn veel goede intenties, maar voer nu eerst maar eens gewoon de oude wet uit. Ik denk dat het allebei moet. Ik denk dat je voor de aanpak van dit probleem serieuze handhaving nodig hebt en een inspectie met tanden die op een goede en moderne manier haar werk doet. Ik denk echter dat dit vraagstuk er ook om vraagt de bestaande wetgeving tegen het licht te houden. Dat is precies wat we hebben gedaan. Dat heeft tot dit voorstel geleid. Extra aandacht voor schijnconstructies is vereist, omdat je ziet dat er partijen zijn die steeds complexere constructies hanteren en ontwerpen. Het is ook vereist omdat de inspectie bij het bestaande wettelijke kader tegen vrij serieuze handhavingsproblemen oploopt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de verrekening. Een aantal zaken van de inspectie is door de rechter terugverwezen en op basis van de huidige wetgeving op de plank beland, terwijl we eigenlijk vinden dat de betreffende bedrijven, in strijd met de bedoeling van de wet, het minimumloon niet betaalden door allerlei verrekeningen. Het moet dus allebei: voldoende en moderne handhaving, maar ook bekijken hoe de wet verbeterd kan worden. Dat gaat deze wet doen. Het verbod op inhoudingen en verrekeningen maakt het makkelijker vast te stellen, en ook voor de rechter aan te tonen, of het minimumloon is betaald of niet. De verplichte specificatie van onkostenvergoedingen op de loonstrook en de verplichte girale betalingen dienen datzelfde doel. Ik noemde net al in mijn inleiding de private handhaving, die signalen kan krijgen vanuit de inspectie. Het is allemaal cruciaal, maar dat doet niets af aan de op zichzelf terechte opmerking dat ook de bestaande wetten afdoende en goed moeten worden gehandhaafd.

D66 vroeg naar de stand van zaken rond het aantal inspecties op het domein van arbeidsmarktfraude. De cijfers zijn net vrijgegeven. De inspectie heeft in 2014 5.054 inspecties uitgevoerd op het domein van arbeidsmarktfraude, met een handhavingspercentage van 18,6. In het jaarplan voor dit jaar is het te realiseren aantal inspecties in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen, de WML en de WAADI gesteld op 4.000 zaken met een bandbreedte tot 5.000. Dat betekent dat die zaken vaak wat complexer en wat groter zijn, juist omdat wij het risicogericht aanpakken, maar wij denken wel degelijk een heel stevig aantal zaken te kunnen halen in dit jaar. Ik heb het jaarverslag van de inspectie vorige week aan de Kamer toegezonden, op 18 mei om precies te zijn.

De heer Backer (D66):

De minister moet mij even helpen. Hoe moet ik die 18,6% interpreteren?

Minister Asscher:

Het gaat om het aantal inspecties dat heeft geleid tot vormen van handhaving. Dat kan een zaak, een boete of een waarschuwing zijn. Een op de vijf inspecties heeft daartoe geleid. Naarmate dat percentage hoger wordt, kun je zeggen dat de inspectie effectiever wordt. 100% is echter ook niet goed, want dan heb je weer het gevoel dat je heel veel mist. Het streven is naar een optimum, waarbij wij ons ook moeten realiseren dat er ten dele een wapenwedloop is en zal blijven.

Een van de belangrijke elementen die in het debat in eerste termijn veel aandacht hebben gekregen, is de ketenaansprakelijkheid voor loon. Ook in de gesprekken met sociale partners en met de Tweede Kamer is er uiteraard veel discussie over geweest. De maatregel is met name gericht op het voorkomen van onderbetaling in ketens van aanbesteding. Werknemers krijgen meer mogelijkheden om in geval van onderbetaling het loon te kunnen ontvangen waarop zij recht hebben. Dit benadrukt de verantwoordelijkheid van opdrachtgevers voor een correcte naleving van arbeidsvoorwaarden in hun keten. Die verantwoordelijkheid ligt ook voor de hand, omdat het werk immers voor opdrachtgevers wordt verricht. Het wetsvoorstel, meer specifiek het risico aansprakelijk te kunnen worden gesteld voor onderbetaling, stimuleert opdrachtgevers om die verantwoordelijkheid actief op te pakken. Daarom biedt het wetsvoorstel in de memorie van toelichting ook handvatten voor opdrachtgevers. Beschreven is op welke manier je onderbetaling in de keten kunt voorkomen. Dat is het preventieve effect waarnaar ik ook in de schriftelijke behandeling heb verwezen. Dat is precies wat het kabinet wil. Wij willen dat opdrachtgevers, met deze wet in de hand, zich afvragen: hebben we het netjes geregeld, doen we voldoende, zijn onze ketens en onze contracten zo georganiseerd dat mensen betaald krijgen waar zij recht op hebben? Verschillende sectoren bereiden zich reeds voor op de mogelijkheden die de ketenaansprakelijkheid biedt. Dat bevordert dan ook dat private afspraken over de arbeidsvoorwaarden worden nagekomen en dat werknemers het geldende loon ontvangen.

De VVD en de Partij van de Arbeid vroegen naar de toepasselijkheid van de ketenaansprakelijkheid op de transportsector. Als in de transportsector de opdrachtgever gebruikmaakt van overeenkomsten van opdracht of van aanneming van werk, kan de werknemer op vergelijkbare manieren als in andere sectoren gebruikmaken van de ketenaansprakelijkheid. De gebruikelijke contractvormen voor het laten verrichten van arbeid komen daarvoor in aanmerking. De ketenaansprakelijkheid voor loon is gericht op correcte loonbetaling aan werknemers en ziet niet op het introduceren van extra aansprakelijkheden voor vervoerders of degenen die vervoeren of laten vervoeren. Vooralsnog is er daarom van afgezien, de aansprakelijkheid ook van toepassing te laten zijn op transport- of expeditieovereenkomsten. Daarnaast zien wij dat de complexiteit van situaties waarin de vervoers- of expeditieovereenkomst bewust wordt gebruikt een rol speelt. Complicerende factor is dat een werknemer op een vrachtwagen, schip, trein of vliegtuig vaak voor meerdere opdrachtgevers tegelijk werkzaamheden verricht. Een vrachtauto bevat bijvoorbeeld vaak ladingen van meerdere opdrachtgevers. In een betaalperiode van bijvoorbeeld een maand rijdt de werknemer vaak voor een groot aantal opdrachtgevers. Dat leidt tot een veelheid van ketens, waardoor het op dit moment te ver zou gaan om iedere opdrachtgever daarvoor aansprakelijk te stellen. Het voordeel van die ketens is dat de werknemer voor zijn inkomsten niet afhankelijk is van een of enkele opdrachtgevers en minder gevoelig is voor neerwaartse prijsdruk. Daarmee is het risico op onderbetaling in dergelijke situaties minder groot.

De SP heeft gevraagd of de ketenaansprakelijkheid niet breder toepasbaar zou moeten zijn dan alleen op loon. Het is niet bij voorbaat uitgesloten dat wij dat in de toekomst zullen doen. Wij introduceren nu de ketenaansprakelijkheid voor loon voor de hier aangegeven categorieën. Wij moeten de praktijk daarmee zijn werk laten doen. Het is echter niet uitgesloten dat de ketenaansprakelijkheid in de toekomst wordt uitgebreid. Wij gaan dat natuurlijk bezien, zoals ik ook heb afgesproken in het kader van deze wet.

Mevrouw Sent (PvdA):

Kan de minister aangeven wat een aanleiding zou zijn om die ketenaansprakelijkheid uit te breiden, of er berichtgeving of een evaluatie naar de Kamers komt en op welke termijn een en ander zal plaatsvinden?

Minister Asscher:

Afgesproken is om de wet vrij snel te evalueren, al na een periode van drie jaar als ik mij niet vergis. Misschien kan iemand knikken? Ja, er wordt geknikt. Na drie jaar wordt de wet al geëvalueerd. Je bekijkt dan vooral hoe de praktijk zich heeft ontwikkeld en of de doelstellingen zijn verwezenlijkt die het kabinet met dit wetsvoorstel nastreeft. Je bekijkt dus of de aannames die ten grondslag liggen aan de keuzes die wij nu hebben gemaakt — geen ketenaansprakelijkheid bij de expeditieovereenkomst — geldig zijn gebleken. Op het moment dat daar alsnog een groot probleem ontstaat, zou het kabinet kunnen overwegen om de ketenaansprakelijkheid uit te breiden. Op dit moment maken wij een bewuste keuze voor de overeenkomsten die vooral worden gebruikt voor het doen verrichten van arbeid. Wij denken daarbij een grote meerwaarde te kunnen bereiken. Je moet niet uitsluiten dat het in de toekomst wordt uitgebreid, maar ik vind dat echt een onderwerp voor de evaluatie. Ik vind dat je ervoor moet waken om tussentijds hals-over-kop categorieën toe te voegen. Zo'n wet moet in de praktijk wel even een kans krijgen om zijn meerwaarde te bewijzen en om de beoogde effecten te bereiken.

Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

Bedoelt de minister met "uitbreiden" het uitbreiden tot andere soorten overeenkomsten?

Minister Asscher:

Ja.

Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

Hij bedoelt niet het uitbreiden tot andere elementen dan loon bijvoorbeeld?

Minister Asscher:

Dat zou ook kunnen. Die discussie zou je dan ook kunnen voeren, maar ik doelde nu op andere overeenkomsten naar aanleiding van de vraag van mevrouw Sent.

De Partij van de Arbeid en andere partijen hebben gevraagd of de sectoren wel voldoende tijd hebben om het sectoraal keurmerk te kunnen ontwikkelen in verband met de inwerkingtreding van de wet per 1 juli. Dat is natuurlijk een belangrijke vraag, maar het is ook een ongelooflijk belangrijke kwestie, omdat je die wet zo snel mogelijk wilt introduceren om misstanden te kunnen aanpakken. Het wetsvoorstel vraagt van werkgevers en opdrachtgevers vooral om zich als fatsoenlijk werkgever of opdrachtgever te gedragen. Dat is op zichzelf niets nieuws en het zou ook niets nieuws moeten zijn. Ook de betekenis van het keurmerk moet in dat licht niet overdreven worden. Het keurmerk is een mogelijkheid voor opdrachtgevers dan wel werkgevers om de niet-verwijtbaarheid, de disculpatie, vorm te geven en om op die manier elkaar meer duidelijkheid te verschaffen. Echter, ook met dat keurmerk, ook met die vorm van duidelijkheid blijft een werkgever of een opdrachtgever — de heer Backer omschreef dat net heel precies — bij een mogelijke rechtsgang in de positie dat hij nog steeds verwijtbaar geacht kan worden. Immers, als zo'n keurmerk alleen een papieren tijger is, als je er niet naar handelt of als er andere omstandigheden zijn waardoor een rechter alles afwegende jou verwijtbaar acht, kun je je niet verschuilen achter zo'n keurmerk. Op dezelfde manier is het ook voordat er zo'n keurmerk is, mogelijk om niet verwijtbaar te zijn, om je te disculperen als je je als werkgever of opdrachtgever fatsoenlijk hebt gedragen en dat kunt laten zien. Bovendien is, juist omdat het van belang is de wet snel van kracht te laten worden, al met de voorlichting begonnen. Er is uitgebreid gesproken met verschillende sectoren. Ik zal zo een overzicht daarvan geven, zodat iedereen weet waarop hij kan rekenen. Ik denk dat veel werkgevers en opdrachtgevers, toen deze wet in de Tweede Kamer met algemene stemmen werd aanvaard, rekening zijn gaan gehouden met de mogelijkheid dat de wet het dan ook hier wellicht zou gaan halen.

Mevrouw Sent (PvdA):

Staatsrechtelijk is de wet er natuurlijk pas doorheen als deze Kamer voorstemt. Dan is er pas zekerheid voor de werkgevers. Het gaat niet alleen om de invoering van een keurmerk, maar ook om de hele lijst handvatten die heel behulpzaam in de memorie van toelichting is aangereikt. Is er wel voldoende tijd om die allemaal in de administraties te verwerken om op die manier aan de wet te voldoen zodra die ingaat?

Minister Asscher:

Dat is inderdaad waar. Juist bij de ketenaansprakelijkheid hebben we een enorm belang om die per 1 juli te laten ingaan. We hebben bij het inhoudingsverbod niet voor niets gekozen voor een latere inwerkingtreding, omdat we ons realiseren dat dat ook in de administratie consequenties kan hebben. Ik hecht er dus zeer aan om die ketenaansprakelijkheid niet afhankelijk te laten zijn van de keurmerken. Maar als de Kamer aangeeft, met name zorgen te hebben over de administratieve aspecten van een aantal van die handvatten rond de technische verwerking van het wettelijk minimumloon, wil ik me daar wel degelijk nog eens over buigen om te zien of die wetsbepalingen in aanmerking komen voor latere inwerkingtreding. Ik heb de Kamer wat dat betreft goed gehoord. Het politieke hoofdpunt, de verplichting om je te gedragen als fatsoenlijk werkgever en opdrachtgever, duldt geen uitstel. Als ik uw betoog zo mag opvatten dat u bezorgd bent over de technische verwerking van een aantal voorschriften voor loonstrookjes et cetera, moet ik erkennen dat daar een zekere mate van redelijkheid in zit.

Er is ook gevraagd hoe het zit met de ketenaansprakelijkheid en de rol van de overheid als opdrachtgever. De overheid heeft als opdrachtgever een bijzondere verantwoordelijkheid, juist vanwege de publieke functie. Op alle opdrachtgevers en overheidsopdrachtgevers, zoals Rijkswaterstaat, rust de taak, de verantwoordelijkheid om misstanden, zoals onderbetaling in de aanbestedingsketen, te voorkomen of in voorkomende gevallen te corrigeren. In geval van aansprakelijkheidsstelling kan ook de overheidsopdrachtgever een beroep doen op niet-verwijtbaarheid. Als de overheidsopdrachtgever voldoende inspanningen levert om bonafide gedrag te stimuleren en malafide gedrag af te schrikken, zal het niet zo zijn dat die opdrachtgever opdraait voor tekortkomingen van een ondernemer in de keten. Maar de wet is bedoeld voor alle opdrachtgevers, of ze nou tot de publieke sector behoren of niet.

De VVD vraagt hoe onderscheid wordt gemaakt tussen een werknemer en een zzp'er. Een opdrachtgever kan niet altijd zien of hij met een werknemer of zzp'er te maken heeft, merkte mevrouw Kneppers op. Alleen werknemers kunnen inderdaad gebruikmaken van de ketenaansprakelijkheid voor loon. Dat is de kern van de voorgestelde regeling. Alleen als sprake is van een arbeidsovereenkomst en van onderbetaling kan er aansprakelijk gesteld worden. Een zzp'er kan dat niet. De aard van de arbeidsrelatie is op dit moment nog vast te stellen aan de hand van de verklaring arbeidsrelatie. Als die systematiek is aangepast, wordt gewerkt met modelovereenkomsten. Daarbij heeft de Belastingdienst een rol, waaraan opdrachtgevers houvast kunnen hebben. Maar eigenlijk — dat zat in het betoog van mevrouw Kneppers — is dat misschien wel minder van belang. Het is de werknemer die een werkgever of opdrachtgever aansprakelijk stelt. De rechter zal in voorkomend geval een oordeel vellen over de mate van onderbetaling. Indien er twijfel is over de aard van de arbeidsrelatie kan de rechter ook een oordeel vellen over de aard van het dienstverband. De rechter kijkt dan naar de specifieke omstandigheden van het geval. Ook in het mondeling overleg dat ik met de Eerste Kamer heb mogen voeren, kwam dat aan de orde.

Nu kan het zijn dat een zzp'er bij de rechter een beroep doet op het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Indien de rechter oordeelt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, kan die persoon wel gebruikmaken van de ketenaansprakelijkheid voor loon. Als de rechter oordeelt dat sprake is van zelfstandig ondernemerschap, zijn er andere manieren beschikbaar om niet het loon maar het tarief of de aanneemsom te innen. Betrokkenen kunnen zich bijvoorbeeld verzekeren tegen wanbetalende opdrachtgevers of een deel van de opdrachtsom als voorschot vragen.

GroenLinks vraagt hoe we werknemers kunnen helpen die worden onderbetaald. In het kader van het toezicht op de naleving legt de inspectie bij onderbetaling een last onder dwangsom op om nabetaling af te dwingen. Dat is een vrij sterk drukmiddel om alsnog te betalen. Daarnaast wordt het door dit wetsvoorstel mogelijk gemaakt dat aan cao-handhavers naam en vestigingsplaats van de werkgever worden geleverd als bij de uitoefening van het toezicht informatie wordt verkregen die noodzakelijk is voor het toezicht op de cao-naleving. Als onze inspectie waarneemt dat er niet conform de cao wordt betaald, kunnen we naam en rugnummer doorgeven aan de verantwoordelijke cao-handhavers, om ook daar te zorgen dat er betaald wordt. De Wet aanpak schijnconstructies geeft ook meer mogelijkheden om zelf je recht te halen. Het gaat om de onderste twee schakels in de keten, direct via hoofdelijke aansprakelijkheid en daarna trapsgewijs. Daar kunnen ook vakbonden een rol bij spelen.

Ik maak geen enkel bezwaar tegen de staatsrechtelijke duiding van mevrouw Sent. Daarom sta ik hier vandaag ook met vuur deze wet te verdedigen. Ik realiseer me en heb al eerder ervaren — ik kom zo op de WML en de opdrachtovereenkomst — dat als een wetsvoorstel hier niet wordt aanvaard, het er ook niet is. Juist omdat dit zo'n groot maatschappelijk belang dient en er rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de wet het haalt, zijn we gaan voorlichten via de website rijksoverheid.nl, het Ondernemersplein, een nieuwsbrief en sociale media. Als de Eerste Kamer instemt, wordt dat nog uitgebreid. Met de verschillende sectoren en brancheverenigingen is gewerkt aan een reeks van artikelen in vakbladen, tijdschriften van brancheorganisaties, huis-aan-huisbladen en andere relevante bladen. Dit alles ten behoeve van het kweken van een goed begrip van de werking van de wet om zo te bevorderen dat ze op een goede manier wordt gebruikt.

De heer Backer (D66):

Deze Kamer kan wel eens stekelig zijn als er al voorlichtingscampagnes beginnen voordat een wet is aangenomen. In consistentie met mijn betoog geloof ik dat de werking van deze wet vooral effect zal hebben doordat men weet dat de wet er is en niet zozeer door de werkelijke systematiek ervan. In dit geval zou de Kamer dat dus door de vingers moeten zien. Dat is iets anders dan voor de technische voorbereiding van loonstrookjes en al die dingen meer. Immers, zoals ik de minister net beluisterde, 80% van de werkgevers is bonafide, maar 100% moet het voorbereiden. In dat licht is, los van de voorbereidende activiteiten nu, die datum van 1 juli toch wel heel krap.

Minister Asscher:

Om te beginnen dank voor de erkenning van het feit dat in sommige gevallen enige vorm van voorlichting gebillijkt kan worden, teneinde het effect van een wet te vergroten. Ik ben het eens met de heer Backer dat dat hier zeker aan de orde is. Dat is ook niet uniek voor deze wet. Niet voor niets hebben we diefstal verboden in de wet en we hopen dat mensen zich daaraan houden. Het artikel is echt niet alleen bedoeld om de dief te kunnen straffen, maar ook om een norm te stellen. Ook opdrachtgevers en werkgevers hebben te maken met een normstelling van de wetgever. Daar is helemaal niets mis mee. Verder is het cruciaal dat we per 1 juli duidelijk maken dat die verantwoordelijkheid er is. In het interruptiedebatje met mevrouw Sent gaf ik al aan, gevoelig te zijn voor die onderdelen van de wet die inderdaad een technische aanpassing vergen in de loonadministraties. Ik zal in tweede termijn de Kamer op dat punt een meer precieze toezegging doen om die legitieme zorg bij de Kamer weg te nemen. Want inderdaad, werkgevers en opdrachtgevers moeten zich hierop kunnen voorbereiden, wat niets afdoet aan de verantwoordelijkheid die ze eigenlijk nu ook al hebben om zich op te stellen als fatsoenlijk werkgever en opdrachtgever. Juist wat betreft de salarisadministraties heeft mevrouw Sent een punt. Ik ga dat straks iets preciezer formuleren, zodat ik dat ook voor de betrokkenen zelf in één keer duidelijk kan verwoorden. Maar het zal neerkomen op het van kracht laten worden van die bepalingen met voorschriften over de technische aspecten van loonkostenspecificaties rond het WML per 1 januari in plaats van per 1 juli.

Ik was niet toegekomen aan het verbod op de inhoudingen, een veelbesproken onderwerp, ook omdat er heel verschillend gekeken wordt naar wat het in de praktijk teweeg zal brengen. Dat ziet natuurlijk aan de ene kant op krankzinnige, ja afzichtelijke voorbeelden van inhoudingen die we hebben gezien, waarbij mensen betaalden voor de slijtage van de weg waar ze overheen reden en waarbij mensen uitzinnige bedragen betaalden voor voedsel dat ze verplicht waren om af te nemen. Aan de andere kant is terecht opgemerkt dat er ook fatsoenlijke werkgevers zijn, die fatsoenlijke huisvesting of een fatsoenlijke zorgverzekering willen regelen voor hun werknemers. Wij willen met dit wetsvoorstel garanderen dat men ten minste het wettelijk minimumloon krijgt. Daarom moet er geen onduidelijkheid zijn over bedragen die worden ingehouden. Het is natuurlijk niet acceptabel als ten koste van werknemers financieel voordeel wordt behaald door onredelijke bedragen in te houden of door bedragen op onredelijke gronden in te houden, terwijl een werknemer daardoor in feite minder loon krijgt. Natuurlijk kunnen werkgevers wel bemiddelen bij de totstandkoming van de zorgverzekering. Dat kan ook doordat de werkgever met de werknemer afspreekt dat de werknemer de kosten van de premie per automatische incasso voldoet. De wet biedt de mogelijkheid om bij AMvB inhoudingen op het minimumloon toe te staan. Ik heb de Tweede Kamer toegezegd voor 1 juni een brief te sturen met de mitsen en de maren en de voors en de tegens. Ik heb ook aangegeven een aantal elementen te betrekken bij de beoordeling daarvan. Wat zou een maximumbedrag zijn? Wat is de kwaliteit van de huisvesting en de zorgverzekering die je zou willen vastleggen? Hoe zorg je voor transparantie om te voorkomen dat er toch allerlei dingen gebeuren die het daglicht niet kunnen verdragen? Hoe kun je garanderen dat bijvoorbeeld de huisvester en de locatie bekend zijn zodat die ook vatbaar zijn voor toezicht?

Een aandachtspunt bij de uitwerking is de recente Europese jurisprudentie over de beloning aan gedetacheerde werknemers en de vergoeding van kosten voor huisvesting. De uitspraak van het Europese Hof van afgelopen februari maakt nog eens duidelijk dat de werkgever ten aanzien van gedetacheerde werknemers geen huisvestingsbedragen mag inhouden op het minimumloon indien hij gehouden is dat soort kosten te vergoeden, bijvoorbeeld op grond van de cao. Aan de ene kant laat dit zien dat ook het Europese Hof het recht van de werknemer om toch altijd het minimumloon uitbetaald te krijgen, zwaar laat wegen. Aan de andere kant wijst het op de complexiteit waar je mee te maken krijgt als je het in een AMvB zou willen regelen.

Zoals de VVD heeft gesteld, is het echter ook een risico als werknemers onverzekerd zouden rondlopen aangezien de premie voor de ziektekostenverzekering niet meer mag worden ingehouden. Als werkgevers zich betrokken voelen bij het verblijf van de werknemers en hun op een eerlijke manier behulpzaam zijn bij het regelen van de ziektekostenverzekering, dan mag verwacht worden dat zij dat blijven doen. Zij kunnen met werknemers duidelijke afspraken maken over de betaling van de premie, bijvoorbeeld door dat via een automatische incasso te innen. Daarnaast is er de mogelijkheid om bedragen in te houden op het bedrag boven het minimumloon. Dit zal in ieder geval gaan om de minimum vakantiebijslag, die ten minste 8% bedraagt van het loon. Dat is in verreweg de meeste gevallen voldoende voor het dekken van de premies van de ziektekostenverzekering. Toch sluit dit niet uit dat de minimum vakantiebijslag in sommige gevallen onvoldoende is om de premie te dekken, bijvoorbeeld bij een aantal jeugdloonmedewerkers of bij mensen die heel weinig uren werken. Dat is een van de redenen waarom ik de toezegging aan de Kamer heb gedaan. Ik ga dit specifieke punt daarin meenemen. Vanzelfsprekend zal ik de Kamer die brief doen toekomen en alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat die er voor de stemmingen ligt. Ik wil ook de uitkomst van dit debat en de inbreng van deze fracties in die brief laten meewegen zodat daar optimaal rekening mee kan worden gehouden.

Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

Juist in deze sectoren is vaak sprake van tijdelijk werk en tijdelijke projecten. Als je bijvoorbeeld een halfjaar werkt, is je vakantietoeslag ook maar gebaseerd op een halfjaar. Ik denk dat je dan al gauw in de problemen komt doordat het niet genoeg is. Ik kan me voorstellen dat werkgevers dat debiteurenrisico niet willen lopen.

Minister Asscher:

Daarom gaf ik aan dat het niet in alle gevallen voldoende is om het bij inhouding te kunnen doen. Het is wel belangrijk om erop te wijzen dat inhouding, in ieder geval van het vakantiegeld, mogelijk is en dat daarmee niet in alle maar wel in veel gevallen een deel van het debiteurenrisico kan worden afgewend. Maar, nogmaals, het is een legitiem argument dat je vanuit de zorg voor de verzekerde werknemer discussie kunt voeren over de vraag of op dat punt toch niet zou moeten worden ingehouden.

Laat ik naar aanleiding van de interruptie van mevrouw Kneppers daar nog een opmerking over maken. Er is nog geen AMvB voor het wetsvoorstel in stemming komt. Dat is ook een punt waar mevrouw Kneppers op wees in haar inbreng. Dat is waar. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat er op dit punt een AMvB komt waarin bepaalde betalingsverplichtingen staan die ook bij schriftelijke volmacht zouden kunnen. Daarbij wordt aangetekend dat het inhoudelijke oordeel over het al dan niet benutten van die mogelijkheid, losstaat van het wetsvoorstel op grond waarvan inhoudingen op en verrekeningen met de WML in principe niet meer mogelijk zijn. De wet stelt dit dus als een principe. Zo wordt dit nu vastgelegd. Hij heeft echter een uitzonderingsmogelijkheid bij AMvB. Voor de stemming wil ik proberen duidelijk te maken of en op welke manier van die AMvB gebruik zal worden gemaakt. Mocht dat nog niet naar tevredenheid zijn — de AMvB zelf zal er zeker nog niet liggen — dan blijft overeind dat dit het principe is en dat we dit naar mijn mening nu om goede redenen vastleggen.

Daar komt nog het volgende bij. Als we zouden kiezen voor een AMvB, zouden we, vanwege de latere inwerkingtreding van dit onderdeel van de wet, nog voldoende tijd hebben om het voor de inwerkingtreding alsnog bij AMvB mogelijk te maken. Dat is immers pas per 1 januari.

Mevrouw Kneppers heeft er ook op gewezen dat vertegenwoordigers van de uitzendbranche hebben aangegeven dat het verbod op inhoudingen ertoe zal leiden dat zij minder geneigd zullen zijn om huisvesting te verzorgen, juist vanwege dat debiteurenrisico. De WML is er natuurlijk om werknemers te ondersteunen en hun dat minimuminkomen te garanderen. Voorkomen moet worden dat zij door onredelijke inhoudingen en verrekeningen feitelijk worden onderbetaald. De werknemer moet krijgen waar hij recht op heeft. Dat is toch wel het doel van de Wet aanpak schijnconstructies. Ik vind het een merkwaardige stelling dat bonafide huisvesters hun ondersteuning bij de huisvesting zomaar zouden opschorten als zij de inhouding op het wettelijk minimumloon niet meer ter beschikking hebben. Zij kunnen huurontvangsten bijvoorbeeld via een automatische incasso zeker stellen. Zij kunnen er behulpzaam bij zijn dat de werknemer de huurkosten via incasso aan de verhuurder betaalt, want dat is de meest normale situatie, ook verder in het maatschappelijk verkeer. Het is natuurlijk ook zo dat arbeidsmigranten best bereid zijn om huur te betalen indien dat een redelijk bedrag is en het gaat om fatsoenlijke huisvesting. Zij hebben daar zelf een heel groot belang bij. Je ziet nu soms juist — ik zeg met nadruk "soms"; de goeden niet te na gesproken — een afhankelijkheidsrelatie ontstaan doordat men zowel voor de huisvesting als voor het werk afhankelijk is van een werkgever. Je kunt dan je mond niet opendoen tegen de werkgever, want dan ben je niet alleen je baan maar ook je huis kwijt en vice versa. Die afhankelijkheid willen we doorbreken. Vooralsnog ben ik er dus nog niet zo heel bang voor dat werkgevers op grote schaal hun handen zullen aftrekken van het ondersteunen van werknemers bij het huren van woonruimte.

Mevrouw Sent heeft gevraagd of de uitzondering op de verplichting tot giraal betalen bij dienstverlening aan huis niet tot nieuwe constructies zou kunnen leiden. De verplichting om het minimumloon giraal te betalen is bedoeld om uitbetaling van het loon waar men minimaal recht op heeft, beter te garanderen dan nu het geval is. We moeten er wel oog voor houden dat die verplichting proportioneel blijft gelet op de onderlinge verhouding tussen werkgever en werknemer, de arbeidsverhouding. Juist bij de uitzondering voor de persoonlijke diensten aan huis gaat het om natuurlijke personen die deze diensten verrichten en afnemen. Het betreft betalingsverkeer tussen particulieren onderling. Sinds jaar en dag is het daarbij gebruik en toegestaan dat het ook contant geschiedt. Denk aan de hulp in de huishouding en de oppas die 's avonds komt. In dat soort situaties is girale betaling als verplichting mijns inziens te ingewikkeld voor de betrokkenen. Een dergelijke verplichting is administratief ook te bewerkelijk en valt niet goed te handhaven via het toezicht. Dat neemt niet weg dat mevrouw Sent in haar betoog vooruitliep op mogelijke gevolgen als gevolg van de inzet van dienstverlening aan huis bij zorg, bijvoorbeeld rond het pgb. Daar kan een andere kwestie aan de orde zijn. Dat klopt. Dat is niet voor niets een van de redenen waarom staatssecretaris Van Rijn heeft aangekondigd de wettelijke bepalingen die daarop zien, mogelijk aan te scherpen. Dit soort constructies mag immers niet worden gebruikt om rechten van werknemers af te nemen of om hun minder rechten te geven. Mijns inziens zou het te ver gaan om via deze wet de verplichting tot girale betaling op al die andere arbeidsverhoudingen — denk aan de oppas, de werkster en wat dies meer zij — van toepassing te laten zijn, maar we hebben wel degelijk aandacht voor het risico dat de woordvoerder van de Partij van de Arbeid zojuist aanstipte.

Een belangrijk onderwerp ook in relatie tot dit wetsvoorstel is de aanpak van schijnzelfstandigheid. Veel woordvoerders hebben dit onderwerp genoemd. Met het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies wordt bevorderd dat werknemers geldend loon krijgen. Ze worden daar dus niet duurder van, zeg ik maar even tegen degenen die die suggestie hebben gewekt. Ik ga er ook daarom niet van uit dat mensen als gevolg van deze wet veel meer schijnzelfstandigen in dienst zouden nemen. Wel zal er worden gekeken naar de druk om op een oneigenlijke manier zzp'ers in te schakelen. Op talloze terreinen zien we immers dat die druk bestaat. Dit wetsvoorstel bevat geen maatregelen die schijnzelfstandigheid als zodanig aanpakken. Buiten dit wetsvoorstel loopt daarvoor een aantal trajecten, die eveneens zeer belangrijk zijn.

Het wetsvoorstel voor de vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht van V en J zal het bijvoorbeeld eenvoudiger maken om bij de rechter een beroep te doen op het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Met de vervanging van de VAR wordt een belangrijk nadeel van het huidige systeem rond de vrijwaring van opdrachtgevers weggenomen, waardoor de Belastingdienst beter kan handhaven op schijnzelfstandigheid. In het nieuwe systeem kunnen opdrachtgevers een overeenkomst voorleggen aan de Belastingdienst met de vraag of die op grond van de jurisprudentie kan worden gekwalificeerd als werk buiten de dienstbetrekking. Dat soort overeenkomsten kan ook in modelvorm op sectoraal niveau worden ontwikkeld en worden beoordeeld op handhaving en op de vraag of conform de overeenkomst wordt gewerkt. Als dat het geval is, is er voor de opdrachtgever vrijwaring voor loonheffing, anders niet.

Daarnaast gaat de Belastingdienst een verkenning uitvoeren naar de marktpraktijken in de pakketdienstensector. Die verkenning zal worden gebruikt voor de beoogde beoordeling van contracten in het kader van de vraag of zij wel of geen inhouding van loonheffing met zich meebrengen en er dus sprake is van zelfstandig ondernemerschap of een dienstbetrekking.

Daarnaast, en misschien wel daarenboven, komt het kabinet met een reactie op het ibo over zzp. Ook daarin wordt gekeken naar het verschil in loonkosten tussen werknemers en zzp'ers, ook rekening houdend met de fiscale faciliteiten voor zelfstandigen. Dat was ook onderdeel van het betoog van de SP, wijzend op de enorme kostenverschillen die je nu ziet tussen enerzijds zelfstandigen en anderzijds werknemers. Dat is iets wat we onder de loep nemen in dat ibo zzp. Dat is niet zozeer een kwestie van schijnzelfstandigheid maar gewoon van een enorm kostenverschil. Dat maakt het ook wel heel lastig om in alle gevallen van een werk- of opdrachtgever te eisen dat hij daarvan geen gebruikmaakt.

Het is heel belangrijk dat het kabinet op de korte termijn met voorstellen komt die aan de ene kant recht doen aan de fiscaal eerlijke behandeling van werkenden en aan de andere kant rekening houden met daadwerkelijke en gepercipieerde risico's van werkgevers bij het in dienst nemen van werknemers. Denk bijvoorbeeld aan het onderwerp loondoorbetaling bij ziekte, dat met name bij kleinere bedrijven een enorm risico is. Het is enerzijds een balans tussen de goede kanten van zelfstandig ondernemerschap, de vrijheid en flexibiliteit die het met zich meebrengt en de innovatie die ervan kan uitgaan, en doet anderzijds iets aan de nu wel erg ver uit elkaar lopende kosten en percepties rond dienstverband en zelfstandigheid. Naast een aantal maatregelen gericht tegen schijnzelfstandigheid moeten we dus ook gewoon kijken naar de economische werkelijkheid tussen zelfstandigheid en werknemerschap.

De heer Terpstra vraagt of ik nog mogelijkheden zie om problemen rond het overgangsrecht bij seizoensgebonden arbeid met sociale partners nader op te lossen. In de Tweede Kamer is de vraag aan de orde geweest of het overgangsrecht transitievergoeding niet ook bij cao had moeten worden geregeld. Dat leek mij toen niet de aangewezen weg, omdat snelheid was geboden. Dat zou een waanzinnige druk op het afsluiten van die cao's hebben gelegd. Immers, per 1 juli gaat dat deel van de Wet werk en zekerheid van kracht worden; het blijft niet onopgemerkt. Dat betekent dat ik, wil je iets doen aan die terugwerkende kracht, het een te groot risico vond om te zeggen: dat is dan iets voor cao's. Werknemersgeledingen hadden daar de voorkeur aan gegeven, zo moet ik erbij vermelden, maar in dit geval heb ik het werkgeversbelang op tijdige duidelijkheid laten prevaleren. Dat neemt niet weg dat er bij de verdere toepassing van de wet natuurlijk allerlei vormen van driekwart bindend recht zijn, allerlei mogelijkheden om als werkgevers en werknemers samen op te trekken, bijvoorbeeld wat betreft de ketenbepaling. Indien werknemers en werkgevers een gemeenschappelijk belang hebben en dat ook uiten in mijn richting, kunnen zij dus samen optrekken. Ik heb ook laten weten daar altijd voor open te staan en daar goed naar te zullen kijken, indien mij dat soort verzoeken zouden bereiken. Dat heb ik ook aan de voorman van LTO laten weten.

De voorzitter:

Mijnheer de minister, mag ik u vragen hoelang u nog nodig denkt te hebben?

Minister Asscher:

Ik denk nog zesenhalve minuut.

De voorzitter:

Geweldig. Dat is de "fallacy of concreteness".

Minister Asscher:

Ik weet ook dat u het mij vergeeft als het 6 minuten en 40 seconden wordt. Althans, daar ga ik nu even van uit.

Mevrouw Sent vraagt wat te doen bij ongewenste inmenging in de persoonlijke levenssfeer bij openbaarmaking. Daar gaan wij in de AMvB specifiek naar kijken. Er is ook aangekondigd dat belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen; dit is een relevant belang dat dient te worden afgewogen en dus moet worden omschreven in de AMvB die op die openbaarmaking ziet.

Mevrouw Strik vraagt of de in de wet geregelde openbaarmaking de punitieve sanctie uit de illegalenrichtlijn betreft. Het gaat hier wel om het bekendmaken van bestuurlijke boetes die als zodanig punitieve sancties zijn. De openbaarmaking vindt plaats als onderdeel van die boetebesluiten en daarmee zijn de besluiten tot openbaarmaking zelf geen punitieve besluiten. De effecten zijn natuurlijk wel vergelijkbaar. We regelen in deze wet openmaking van een hoeveelheid aan besluiten, ook rond aangetroffen arbeidsmarktdiscriminatie. We weten allemaal dat dat een preventief effect kan hebben doordat het openbaar wordt gemaakt. Het heeft echter geen punitieve bedoeling als zodanig. Ik realiseer me dat dat door de betrokkene wel als zodanig kan worden ervaren.

Een laatste breder onderdeel is de Europese inzet tegen schijnconstructies. En inderdaad, het is het streven van het kabinet om ook een gelijk Europees speelveld te creëren, opdat we zien dat schijnconstructies, de ontduiking van de minimumloonbepaling en het ondermijnen van collectieve arbeidsovereenkomsten ook internationaal effectief kunnen worden tegengegaan. Dat is ook in het belang van ons bedrijfsleven. Daarbij komt in de eerste plaats de Detacheringsrichtlijn aan de orde, die in mijn ogen onvoldoende bescherming biedt tegen oneigenlijke loonconcurrentie bij grensoverschrijdende arbeid. Het principe "gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plek" moet beter tot uitdrukking komen in die richtlijn, die al van lang geleden stamt, uit een periode dat de loonverschillen binnen de Europese Unie niet zo formidabel waren als tegenwoordig. Gelijke arbeidsvoorwaarden bij grensoverschrijdende arbeid zijn belangrijk om te voorkomen dat werknemers tegen elkaar worden uitgespeeld. Nu kan detachering over de grens te simpel worden ingezet puur om loonkosten te drukken, zoals ook blijkt uit recent onderzoek van Regioplan. Om die reden moeten we sterk inzetten op gelijke arbeidsvoorwaarden in Europa. Dat wil niet zeggen "gelijk loon in heel Europa" maar "gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plek". Dat is een voorwaarde om ervoor te zorgen dat de Europese droom gaat over meer welvaart, meer voorspoed en meer kwaliteit van arbeid in plaats van dat het om een race naar de bodem gaat. Dat laatste was nooit het doel van de Europese samenwerking en dat moet het ook niet zijn.

Ik kom tot een afronding. Met de Wet aanpak schijnconstructies leveren we een bouwsteen, en zetten we een belangrijke stap op weg naar het bevorderen van een fatsoenlijke arbeidsmarkt en eerlijke concurrentie tussen ondernemers. Naast de maatregelen die het kabinet in wetgevende zin maar ook daarbuiten neemt en die ik aan de Kamer heb geschetst, past dit in een brede aanpak van schijnconstructies in Nederland en in de Europese context. In de Tweede Kamer hebben alle daar vertegenwoordigde partijen het wetsvoorstel kunnen steunen. Ik hoop zeer dat dat ook in deze Kamer het geval mag zijn. De wet zal zeker niet alle problemen oplossen maar is wel degelijk erg belangrijk voor het verbeteren van de balans, voor het bestrijden van dit soort constructies en voor het vergroten van het rechtvaardigheidsgevoel van heel veel Nederlandse ondernemers en werknemers.

De voorzitter:

Daarmee zijn wij toegekomen aan de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik geef het woord aan de heer Terpstra, die had laten weten dat hij anderhalf uur nodig had voor zijn tweede termijn. Maar ik denk dat het toch iets korter blijkt te zijn.


De heer Terpstra (CDA):

Voorzitter. Ik hoop iets korter te kunnen zijn.

Allereerst bied ik de minister mijn welgemeende verontschuldigingen aan. Ik zeg namelijk eerst de heer Backer dank voor zijn schitterende woorden aan het slot van zijn eerste termijn. Ik dank de minister voor zijn antwoorden. Wij waren overtuigd van het idee om voor deze wet te stemmen en deze overtuiging is door de beantwoording van de minister in omvang gestegen.

In de discussie over de inhoudingen op het minimumloon is het ons alleen maar gegaan om de inhouding met betrekking tot zorg en huisvesting. Wat er in de Algemene Maatregel van Bestuur staat, wachten wij af, in het volste vertrouwen dat zowel de Tweede Kamer als de nieuwe Eerste Kamer daar goed mee zullen omgaan. Indien de coalitiepartijen vasthouden aan het idee om de wet of delen van de wet per 1 januari in te laten gaan, gaat mijn oppositierol niet zover dat ik mij daartegen zal verzetten.

Verder dank ik alle woordvoerders voor de collegiale samenwerking. Ik dank de voorzitter voor de prettige leiding, de stenografische dienst voor het feit dat alles eigenlijk mooier verwoord was dan ikzelf ooit gezegd heb en de griffier voor alles, en dat "alles" slaat op het gehele apparaat. De minister wens ik alle goeds in het algemeen, maar met name ook in het streven naar een faire arbeidsmarkt op nationaal en Europees niveau.

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Terpstra. Wij zullen u missen.


Mevrouw Sent (PvdA):

Voorzitter. Ik sluit mij daar graag bij aan. Ik dank collega Terpstra en mevrouw Kneppers voor de fijne samenwerking in de afgelopen vier jaar. Graag dank ik de minister voor de uitvoerige beantwoording van de vragen in eerste termijn. Het probleem van schijnconstructies en onderbetaling vraagt om een brede aanpak op het terrein van handhaving, internationale samenwerking en wetgeving. Het wetsvoorstel waarover wij vandaag debatteren, levert een belangrijke bijdrage aan dat laatste. Tijdens mijn eerste termijn heb ik aandacht gevraagd voor alle terreinen en graag wil ik de vijf hoofdpunten samen met de reactie van de minister langslopen.

Het eerste punt betrof de invoeringsdatum. Daarbij hebben wij aangegeven dat een te korte termijn niet bijdraagt aan de rechtszekerheid en de handhaving. Wij begrijpen het doel om zo snel mogelijk in te voeren om de preventieve werking te benutten, maar wij steunen ook de minister, die aangeeft begrip te hebben voor de uitvoeringsaspecten. Wij kijken vooral uit naar zijn formulering in tweede termijn over de onderdelen van de wet die vragen om aanpassing van de salarisadministraties per 1 januari 2016 in te laten gaan. Wij zullen dat afwachten.

Het tweede hoofdpunt betrof verrekeningen en inhoudingen. Wij hadden zorgen over onverzekerden, wanbetalers en onterecht verzekerden op het terrein van de zorg, zorgen over naleving van de wetgeving op het gebied van werken en wonen. Op dat punt kijken wij uit naar de brief van de minister, die onze Kamer, zoals hij heeft aangegeven, zal bereiken nog voordat wij over het voorliggende wetsvoorstel zullen stemmen.

Het derde hoofdpunt betrof de ontsnappingsconstructies op het terrein van dienstverlening aan huis en op het terrein van vervoers- en expeditieovereenkomsten. Wij vroegen ons af of de minister onze beoordeling deelt en, zo ja, welke consequenties hij daaraan verbindt. Daarbij zijn wij tevreden met het feit dat er een evaluatie van de wet plaatsvindt, mits deze wordt aangenomen door de Kamer, en dat die evaluatie reeds over drie jaar plaatsvindt. Wij hopen dat suggesties voor het dichten van gaten en voor mogelijke uitbreiding van de wet onderdeel van die evaluatie zullen zijn. Meer in het algemeen zijn wij blij met de aandacht van het kabinet voor de algemene risico's rondom dienstverlening aan huis.

Ons vierde punt betrof het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van een goede balans tussen gewenste openheid en ongewenste inmenging. Op dat punt heeft de minister aangegeven dat dit in de AMvB de nodige aandacht zal krijgen. Daar kijken wij dan ook naar uit.

Het laatste hoofdpunt uit ons betoog betrof de internationale aanpak, zorg om ongewenste concurrentie op arbeidsvoorwaarden en een verzoek om aanpassing van de Detacheringsrichtlijn. Wij steunen het streven van het kabinet om op dit punt op Europees niveau een gelijk speelveld te creëren en kijken vooral uit naar de initiatieven op dat terrein.

Hoewel het voorliggende wetsvoorstel een belangrijke stap is bij de aanpak van het probleem van schijnconstructies en onderbetaling, kijkt mijn fractie tevens uit naar additionele initiatieven op dit terrein. Wij denken daarbij met name aan het regelen van het wettelijk minimumloon en de minimumvakantiebijslag, ook voor personen die tegen beloning arbeid verrichten op basis van een overeenkomst van opdracht. Wij denken daarbij aan het aanpakken van de fiscale prikkels die aanzetten tot schijnzelfstandigheid. Voor nu kijken wij vooral uit naar de reacties van de minister op de resterende punten in tweede termijn.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Sent. Ik begrijp dat we u terugzien als het meezit.

Mevrouw Sent (PvdA):

Naar verwachting wel, maar het is even spannend.


Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

Voorzitter. Aan de formulering van het dankwoord van de heer Terpstra kan ik niet tippen; ik sluit mij graag daarbij aan. De minister wil ik danken, niet alleen voor de beantwoording van onze vragen maar ook voor het feit dat hij en ik het contact altijd open hebben gehouden, ondanks het feit dat we niet altijd dezelfde mening hadden.

Ik heb nog twee punten die ik naar voren wil brengen. Wat betreft de datum van inwerkingtreding wil ik graag afwachten wat de minister in tweede termijn zegt over de onderdelen van de wet die technische aanpassingen vereisen. Ik wil graag weten wat hij daar precies mee bedoelt. Het inhoudingsverbod gaat al in per 1 januari 2016 en dan krijgen we de technische aanpassingen. Wat is dan het gedeelte dat dan eventueel niet per 1 januari 2016 in werking zou treden, maar wat de minister dan nog per 1 juli in werking wil laten treden?

Het onderscheid tussen zzp'ers en werknemers heb ik niet helemaal begrepen. De minister zei dat de werknemer naar de rechter kan stappen als er twijfel is over de aard van de arbeidsrelatie. Dat begrijp ik. Maar ik probeer het te zien vanuit de opdrachtgever hoger in de keten. Deze heeft de plicht om te kijken of onder in de keten de dingen wel gaan zoals ze moeten gaan. Hoe kan die opdrachtgever nu weten of hij daar te maken heeft met een zelfstandige of met een werknemer? Dat blijf ik lastig vinden. De minister zei dat de Belastingdienst op schijnzelfstandigheid kan controleren en dat de modelovereenkomst eventueel vrijwaring geeft voor de loonheffing. Ook dat begrijp ik, maar dat zegt verder niets over de rest van de zelfstandigheid. Ik citeer uit de brief van staatssecretaris Wiebes op pagina 8: "Aan een overeenkomst is niet af te lezen of de opdrachtnemer een ondernemer is. Het alternatief voor de BGL betreft de zekerheid over het ontbreken van de verplichting van de opdrachtgever om loonheffingen af te dragen of te voldoen, geen uitsluitsel over de fiscale status van de opdrachtnemer in de inkomstenbelasting, geen uitspraken over een eventueel ondernemerschap van de opdrachtnemer, dus ook geen gevolgen wat betreft de fiscale ondernemersfaciliteiten." Maar als daar al geen uitsluitsel over bestaat, bestaat die er naar mijn mening ook niet over de aard van de arbeidsrelatie, dus de civiele arbeidsrelatie. Hoe weet de opdrachtgever boven in de keten nu of hij te maken heeft met een "echte" werknemer of met een schijnzelfstandige of een echte zelfstandige? Ik hoop dat ik duidelijk heb gemaakt waar mijn probleem zit. Ik begrijp het dus wel vanuit het gezichtspunt van de werknemer, dus dat hij naar de rechter kan en dat de rechter uiteindelijk degene is die op basis van feiten en omstandigheden bepaalt of er al dan niet een arbeidsrelatie is, maar de opdrachtgever moet voordat hij een contract aangaat, weten of het onder in de keten goed zit, ja of nee. Ik krijg daarop graag een reactie van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Kneppers. Ook u zullen wij node missen.


Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter. Ook ik wil de heer Terpstra en mevrouw Kneppers graag danken voor de samenwerking. Ik dank de heer Terpstra voor de vrolijke noot die hij vaak aanbracht. Ik dank mevrouw Kneppers voor haar deskundige en doorwrochte inbreng. Wij zullen ons daar in de toekomst ook op moeten richten. Ik hoop mevrouw Sent straks weer terug te zien als collega.

Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Wij waren al voorstander van dit wetsvoorstel. Dat zijn wij alleen nog maar meer geworden. We zijn het ook erg eens met de minister dat het een eerste belangrijke stap is maar dat die slechts onderdeel is van een grotere aanpak waarbij verschillende andere stappen moeten worden gezet om onderbetaling en uitbuiting voor zover mogelijk uit te bannen.

Ik heb nog enkele puntjes. Ik had nog aandacht gevraagd voor de rol van de overheid zelf in de rol van opdrachtgever bij grote aanbestedingen. De minister zegt vrij laconiek dat de overheid zich natuurlijk ook aan de wet moet houden, net als ieder ander. Ik wil er toch graag een iets uitgebreider antwoord op, want als de overheid zichzelf schuldig maakt aan dit soort praktijken, al is het op indirecte wijze, is zij natuurlijk niet meer geloofwaardig bij de handhaving van dit soort constructies bij andere werkgevers of opdrachtgevers. Ik denk wel degelijk dat hier sprake is van een grotere verantwoordelijkheid. Ik zou ook graag zien dat de minister zijn collega's hier hard op aanspreekt en zorgt voor voldoende zicht op preventieve maatregelen. Dit soort zaken mag niet voorkomen bij de overheid. Datzelfde geldt voor gemeenten. Wat betreft de gemeenten heb ik ook nog gevraagd naar de regierol die de minister voor zichzelf ziet richting de decentrale overheden als het gaat om het aanpakken van zaken als huisvesting en andere kwesties in relatie tot arbeidsmigranten, want zij zijn vaak ook afhankelijk van de handhavende rol van de decentrale overheid.

Er wordt al na drie jaar geëvalueerd. Daar zijn wij blij mee. De handhaving zal daar waarschijnlijk onderdeel van zijn. We kunnen op dat moment zien of de handhaving voldoende effectief is dan wel of het nodig is die eventueel uit te breiden. Ik ben wel blij dat de minister nu al zegt: zo lang het nodig is om de extra fte's ervoor in te zetten, doen wij dat. Wellicht is het over drie jaar een goed moment om te bekijken of we daarmee kunnen volstaan of dat er misschien nog extra stappen moeten worden gezet. Tegelijkertijd zijn wij blij dat er nadere stappen worden gezet op het punt van de schijnzelfstandigheid, al dan niet via fiscale mogelijkheden. We zien ook uit naar de voorstellen die de minister in Brussel gaat doen voor het via de richtlijnen aldaar nog verder aanpakken van schijnconstructies.


De heer Elzinga (SP):

Voorzitter. Het is helemaal niet erg om stevig oppositie te voeren. De SP zal dat zeker blijven doen bij alle wetsvoorstellen die daar naar onze mening om vragen. Maar het is ook wel eens leuk om de regering vanuit de oppositie complimenten te maken met een goede wet. Mogelijk smaakt deze SP-steun naar meer. Ik hoop het. Dan kunnen wij wellicht in de toekomst samen werk maken van het terugdringen van de omvang van de flexibele schil en de versterking van gewoon goed werk met goede arbeidsvoorwaarden en meer zekerheid. Ik heb ook goed gehoord dat de minister de introductie van de ketenaansprakelijkheid voor loon als onderdeel van de driejaarsevaluatie in het licht wil zetten van een mogelijke uitbreiding van de aansprakelijkheid voor meer dan loon alleen. Dat zou mijn fractie vanzelfsprekend ook zeer waarderen. Ook kijkt de SP uit naar de discussie omtrent het grote verschil in kosten en rechten tussen werknemers en zzp'ers. Ten slotte kom ik de minister ook graag te hulp bij het alsnog bieden van het wettelijk minimumloon voor iedereen die met een ovo werkt. We wachten zijn brief met het verzoek om de behandeling weer ter hand te nemen in dat kader af.

De senatoren Terpstra van het CDA en mevrouw Kneppers van de VVD hebben zo-even hun tweede termijn in hun laatste debat in deze Kamer, in ieder geval voorlopig hun laatste debat, gesproken. De heer Terpstra was de eerste spreker die mij destijds, een kleine acht jaar geleden, na de voorzitter feliciteerde met mijn maidenspeech in dit huis. Ik dank hem daar nogmaals voor. Ik dank hem en mevrouw Kneppers voor de vele debatten die zij sindsdien ook met mij hier hebben gevoerd. Ik dank hen ook voor al het goede werk in de commissies waar ik ook lid van mocht zijn. We gaan hen missen. Ik hoop de andere sprekers in dit debat te blijven zien in de nieuwe Eerste Kamer. We gaan het zien.


De heer Backer (D66):

Voorzitter. De toon van het debat reflecteert ook waarom er zo veel camera's hier in het gangetje staan, want buiten deze Kamer gebeurt er van alles wat ons aangaat. Ik doel op de stemming voor de nieuwe Eerste Kamer.

Als ik de minister goed beluister, zegt hij: grof gesproken, is 80% bonafide en is 20% malafide, en we hebben daar 35 extra fte's voor. Als het waar is dat de wet gaat doen wat de minister beoogt — daar is nu al voorlichting over en dan zou het effect misschien nu al meetbaar zijn — zou er met minder fte's meer kunnen worden bereikt, want meer werkgevers worden bonafide. Dat zou een mooi effect zijn. Het omgekeerde zou ook het geval kunnen zijn, namelijk dat die percentages niet zo gevoelig zijn voor wettelijke interventie en dat er extra bij zal moeten. Ik vertrouw erop dat, als dat inderdaad de uitkomst na anderhalf of twee jaar is, de minister dan actie onderneemt. Ik wacht de beantwoording over de precieze invulling van de invoeringsdata van de diverse onderdelen af, maar het lijkt mij dat de minister de kant opgaat die in ieder geval mijn fractie maar ook een aantal andere fracties hebben betoogd, rekening houdend met de invoeringsproblemen.

De minister heeft het ibo een zzp genoemd maar ik weet inmiddels dat het om een interdepartementaal beleidsoverleg gaat. Als ik hem zo beluister, gaat het om het zoeken naar de kwadratuur van de cirkel, maar dat is geen reden om het niet te doen want het gaat hier om een van de allergrootste arbeidsmarktvraagstukken van de komende tien jaar. De vraag is hoe wij vormen kunnen vinden om het verschil in kosten tussen zzp'er en werknemer, het verschil in risico van loonderving in de verschillende situaties, het verschil in pensioenverzekeringen en voorzieningen op te lossen en daarmee een nieuwe vorm te geven aan flex en vast. Daardoor wordt de arbeidsmarkt naar mijn mening duurzamer dan die nu is. Ik dacht nog even na over de vraag van mevrouw Kneppers hoe je als opdrachtgever weet of er sprake is van een werkelijke relatie tussen werkgever en werknemer of van een schijnconstructie. Ik probeer voor mijzelf het antwoord daarop te formuleren, ook voor de Handelingen van dit debat. Het komt bij de opdrachtgever pas aan de orde in de vorm van een werkelijke loonvordering als de rechter heeft vastgesteld dat er loon is verschuldigd. Dan moet die relatie zijn vastgesteld. Het kan voor de opdrachtgever ook relevant zijn op het moment dat hij wordt aangesproken op de verwijtbaarheidsvraag. Heeft hij voldoende onderzoek gedaan? Naar mijn idee gaat zijn onderzoeksplicht dan niet zover dat hij alles zal moeten onderzoeken wat hier aan de orde is geweest over schijnzekerheid en werknemers. Dat lijkt mij te ver verwijderd van zijn inspanningsverplichting. De opdrachtgever moet wel alles doen in de sfeer van audits, opdracht, contractuele eisen en inspecties, maar ik denk niet dat het de plicht is van de opdrachtgever om een positief eindoordeel te geven. Dan gaat het wel erg ver.

Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

Dat zou kunnen, maar dan zou ik graag van de minister willen weten of dat niet de preventieve werking is waar hij het over heeft.

De heer Backer (D66):

Uiteraard. Ik heb een eigen interpretatie gegeven, maar de minister is op dit punt de enige gezaghebbende. Ik rond daarmee af.


Minister Asscher:

Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de positieve houding die ik bespeur ten aanzien van dit wetsvoorstel. Het is goed dat de verschillende elementen in het debat hebben geleid tot een daadwerkelijke dialoog. Ik zal straks ingaan op de toezegging die ik zojuist aankondigde.

Bij de evaluatie kunnen wat mij betreft ook aanvullingen en andere suggesties worden meegenomen. Als gebleken is dat het huidige wetsvoorstel beter kan worden door het aantal overeenkomsten uit te breiden waarop het ziet of door andere elementen aan aansprakelijkheid toe te voegen, is dat een geëigend moment om de discussie met elkaar te voeren.

Ik ben zeker niet laconiek over de rol van de overheid, zo zeg ik in de richting van GroenLinks. Integendeel, dat was niet de strekking van mijn betoog in eerste termijn. Er is wel degelijk een coördinerende rol voor de gemeenten rond het vraagstuk van arbeidsmigratie, huisvesting en wat dies meer zij. Daartoe bestaat er een vast bestuurlijk overleg met gemeenten waar veel arbeidsmigranten wonen of zich vestigen. Daar kan die kwestie aan de orde komen en kunnen eventuele signalen over misstanden worden besproken. Dat is nu ook al zo. Dat gaat vice versa. Signalen waarover ik beschik, kunnen met de gemeenten worden gedeeld en gemeenten die zorgen hebben over ontwikkelingen, bijvoorbeeld rond huisvesting, kunnen dat bij ons melden. De nieuwe wet wordt door de gemeenten van harte ondersteund, omdat zij ook willen dat arbeidsmigranten in hun gemeente op een eerlijke manier worden behandeld en niet zorgen voor oneerlijke concurrentie. De nieuwe wet kan dat alleen maar versterken.

Als de wet geëvalueerd wordt, kunnen wij zien hoe wij zijn gevaren met de handhaving en de capaciteit daarvoor. Het doel is dat je met dezelfde hoeveelheid mensen meer bereikt. Daarvoor heeft de wet een aantal ingrediënten. Ik moet er wel eerlijk bij zeggen dat steeds complexere constructies heel veel werk en uren van onze inspecteurs vergen voordat zij een zaak hebben. Zij hebben de afgelopen tijd te maken met complexe constructies uit verschillende landen met allerlei juridische vormgeving en toeters en bellen. Zo'n kerstboom neerhalen kost onze inspecteurs heel veel werk. Wij hebben die mensen heel hard nodig. Ik zeg dat ook voor iemand die meeluistert en die denkt dat het misschien wel met minder inspecteurs zou kunnen.

De SP ben ik het antwoord schuldig op de vraag over het wetsvoorstel inzake minimumloon voor werken onder overeenkomst van opdracht. Het kabinet heeft de moed nog niet opgegeven. Wij blijven zeer hechten aan dat wetsvoorstel. Wel heb ik er, na ampel beraad, niet voor gekozen om dat bij deze behandeling te betrekken, omdat ik wil proberen om deze behandeling succesvol te laten eindigen. Het meest geëigende moment om dat wetsvoorstel hier terug te brengen, is, zoals ik in de oktoberbrief al heb geïnsinueerd, bij de herziening van de WML. Wij moeten een flink aantal aspecten van de WML tegen het licht houden. Mevrouw Kneppers heeft er destijds een aantal genoemd, evenals de heer Backer. Hij refereerde daar zojuist aan. Wij hopen in het najaar met voorstellen te komen om de WML te herzien. Dan past het om na te gaan hoe wij de overeenkomst van opdracht onder het wettelijk minimumloon kunnen brengen. U hoort nog van mij op dat punt.

Ik zou niet zeggen dat 20% van de bedrijven malafide is. Wij weten dat natuurlijk niet. Wij zien de afgelopen jaren een zorgwekkend aantal signalen over misstanden en schijnconstructies. Deels zijn die anekdotisch, deels door de statistiek van de inspectie. Wij weten dat er enorm veel bonafide ondernemers in Nederland zijn, die netjes omgaan met hun werknemers en die dus belang hebben bij een eerlijk speelveld. Ik wijs op de vele brieven van bijvoorbeeld de Aannemersfederatie Nederland Bouw en Infra, die expliciet heeft gelobbyd voor deze wet, opdat de vaak kleinere bouwbedrijven niet worden weggeconcurreerd door dit soort constructies.

Ik kom op het verzoek van D66, de VVD en de PvdA betreffende de inwerkingtreding van de bepalingen die meer technische aanpassing vergen. Ik heb gezegd dat in de ogen van het kabinet voor de ketenaansprakelijkheid, maar ook voor de openbaarmaking van de inspectiegegevens, geen lange voorbereidingstijd noodzakelijk is. Ik kan mij echter, gehoord het debat, voorstellen dat voor andere onderdelen van met name de WML er extra tijd nodig is om de administraties aan te passen. Ik ben bereid om de verplichtingen rond girale betalingen, inhoudingen en verrekeningen en de eisen aan de loonstrook, in het bijzonder de specificatie rond de onkostenvergoeding, pas per 1 januari 2016 te laten ingaan, zodat wij de snelheid erin houden voor wat betreft de belangrijke norm van de verantwoordelijkheid voor wat er in de keten gebeurt. Dan hebben alle bedrijven, ook de bonafide, net iets meer tijd om hun administratie aan te passen op die specifieke elementen.

Hoe weet een opdrachtgever of hij te maken heeft met een zelfstandige? Dat ziet op een veelheid van factoren. De uitleg van de heer Backer klopt. Dat is één element. Een ander element is dat een zelfstandige de opdrachtgever helemaal niet aansprakelijk kan stellen op grond van deze wet. Een opdrachtgever kan eisen dat met werknemers wordt gewerkt. Als hij daarover zorgen heeft en niet wil dat het via zelfstandigen gaat, kan hij dat eisen en het onderdeel maken van een kettingbeding. De standaardovereenkomst geeft straks ook meer duidelijkheid over de relatie tussen werkgever en werknemer dan wel opdrachtgever en zelfstandige.

Hoe dit ook zij, kenmerk van de meer open norm van goed opdrachtgeverschap en goed werkgeverschap is niet de verplichting om van iedere relatie vast te stellen of het een werknemersrelatie of een opdrachtgeversrelatie is. Die administratieve en juridische verplichting komt er niet. Wel moet men op drie punten iets doen. In de eerste plaats moet in de contracten, in het standaardwerk, duidelijk worden gemaakt dat je verwacht dat verdere schakels in de keten netjes aan hun loonverplichtingen voldoen. In de tweede plaats moet je daar zo nu en dan steekproefsgewijs naar kijken. Voor een heel groot bedrijf is die verplichting zwaarder dan voor een kleine mkb'er. Als je zo'n contract hebt, moet je zorgen dat het wat voorstelt. In de derde plaats moet je, als er signalen komen over misstanden of onderbetaling, daarop reageren. Als je het eerste en het tweede goed doet, kom je het probleem of het een werknemer of een zelfstandige is, niet zo snel tegen, behalve als er dingen misgaan, zoals misstanden of daadwerkelijke onderbetaling. Dan komt het erop aan dat je je als opdrachtgever ervan vergewist dat men zich heeft gehouden aan de afspraken en aan de wet. Het hoeft dus niet in alle gevallen en niet standaard. Op zo'n signaal moet je echter goed reageren. Je kunt nooit van tevoren helemaal uitschrijven wanneer dat voor een bepaalde sector in een bepaald geval zo is, maar de verplichting brengt met zich mee dat je kunt laten zien dat je niet verwijtbaar bent als een rechter zegt dat je helemaal niets hebt gedaan toen dat telefoontje kwam.

Tot slot kom ik bij de rol van Rijkswaterstaat en de uitspraak in de recente televisie-uitzending. Rijkswaterstaat heeft aan het ontwerpen van de wet meegeholpen en geeft aan dat de wet meer handvatten biedt om vanuit de verantwoordelijkheid van de overheid ervoor te zorgen dat er in die keten geen dingen plaatsvinden die je niet zou willen. Wij zullen de wet niet alleen evalueren maar ook monitoren. Die monitoring richt zich ook specifiek op rijksopdrachtgevers. De wet geldt voor iedereen en alles, want een werknemer werkt de ene keer in een opdracht waar een overheid achter zit en een andere keer voor een groot bedrijf. Dat zou niet moeten uitmaken. Wij gaan wel bezien wat er in de praktijk gebeurt en specifiek ook bij de rijksopdrachtgevers.

Voorzitter, ik sluit af. Ik realiseer mij dat het voor de Eerste Kamer een bijzondere dag is. Het past helemaal niet om daar bespiegelingen over te geven van de zijde van de regering, maar het past misschien wel om de Eerste Kamerleden met wie ik heb mogen werken — nu die samenwerking in ieder geval in deze vorm tot een einde komt — vanuit de regering zeer hartelijk te danken voor de manier van samenwerken en de bereidheid om naar argumenten te luisteren, soms vanuit een ideologisch heel andere invalshoek. Voor de constructieve wijze waarop de constructieve en niet-constructieve oppositiepartijen mij hier tegemoet zijn getreden zeg ik heel veel dank.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik kom tot afhandeling van het wetsvoorstel. Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel? Ik stel vast dat dat het geval is. Dan stel ik voor, volgende week dinsdag over het wetsvoorstel te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt van 17.04 uur tot 17.25 uur geschorst.


Meldplicht datalekken

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens en enige andere wetten in verband met de invoering van een meldplicht bij de doorbreking van maatregelen voor de beveiliging van persoonsgegevens alsmede uitbreiding van de bevoegdheid van het College bescherming persoonsgegevens om bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de Wet bescherming persoonsgegevens een bestuurlijke boete op te leggen (meldplicht datalekken en uitbreiding bestuurlijke boetebevoegdheid Cbp) (33662).

De beraadslaging wordt hervat.


Staatssecretaris Dijkhoff:

Mevrouw de voorzitter. Ik dank u en de andere leden dat u dit wetsvoorstel zo voortvarend hebt willen behandelen, en dat op een voor de senaat zo belangrijke en interessante dag.

De bescherming van de persoonsgegevens gaat de overheid aan het hart. Die gaat ook het kabinet aan het hart. Ik heb gemerkt dat die ook de Eerste Kamer aan het hart gaat. De Kamer ziet het belang in van een betere bescherming van de gegevens van personen, ook waar het gaat om de databescherming online. Het wetsvoorstel zoals het nu voorligt kent twee hoofdonderwerpen. Enerzijds is er die algemene meldplicht voor datalekken. Daarnaast is er sprake van een uitbreiding van de bevoegdheid van het CBP — dat gaat straks, als het wetsvoorstel is aanvaard, Autoriteit Persoonsgegevens heten — om bij overtreding een bestuurlijke boete op te leggen.

Over beide elementen is veel gezegd en geschreven. Dat is terecht, omdat het steeds zoeken is naar een balans tussen enerzijds de bepaaldheid van de wetgeving en anderzijds de reikwijdte van de bescherming van de persoonsgegevens van burgers. De nieuwe verplichtingen beogen de Autoriteit Persoonsgegevens, het huidige CBP, in staat te stellen om op te treden waar dat nodig is en, indien informatie op straat komt te liggen of mogelijk in verkeerde handen komt, zo snel mogelijk maatregelen te treffen om het lekken te beperken en de impact daarvan de verkleinen en te beperken.

De Kamer heeft hierover de nodige vragen gesteld. Ook schriftelijk is er al een uitgebreide wisseling van vragen en antwoorden geweest. Ik stel het op prijs om nu hier de vragen te beantwoorden, allereerst de vraag van mevrouw Ter Horst, die niet de validiteit van deze meldplicht in twijfel trok, maar zich wel afvroeg hoe het met al die andere meldplichten staat. Ik ga niet de rekensom herhalen die hierbij mogelijk is. Een aantal meldplichten bestaat en een aantal is in wording. Het aantal dat in wording is, vervangt bestaande. Het is zelfs zo dat deze meldplicht die in wording is, op termijn alweer zal worden vervangen door een andere die in wording is, namelijk op Europees niveau. Het is niet alleen maar cumulatief, maar ik kan het ook niet zo wegredeneren dat er maar drie overblijven; wij hebben straks gewoon een flink aantal meldplichten over. Dat heeft vooral te maken met een poging om toch enige differentiatie aan te brengen. Het gaat om de erkenning dat het wel uitmaakt of het de overheid zelf is, een justitiële dienst of de politie, of een net beginnende webwinkel. Wij leggen iedereen een algemene meldplicht op, die hier nu voorligt. Daarnaast zeggen wij dat voor specifieke sectoren, zoals telecom of overheid, zwaardere eisen gelden. Voor die sectoren geldt dus ook een verzwaarde meldplicht en een ander regime.

Je hebt dus verschillende plichten; het is niet een stelsel met een algemene plicht en daarvan afgeleide plichten. De meldplichten zijn in de tijd ontstaan. Het is niet geheel onlogisch dat het bij de telecom begonnen is en dat de meldplicht daar dus ook al wat langer bestaat. Nederland loopt op dit terrein niet achter, maar je ziet dat na verloop van tijd ook op Europees niveau de behoefte ontstaat om het breder, gemeenschappelijk en geharmoniseerd te regelen. Daardoor wordt daarin weer een stap gezet. Wij proberen het wel te stroomlijnen, maar wij gaan niet ons eigen niveau van bescherming lager maken omwille van de harmonisatie.

Mevrouw Gerkens heeft een vraag gesteld over de exacte bewaartermijn. Dat is lastig. De termijn is gesanctioneerd. Het gaat natuurlijk niet om het bewaren van al die gegevens of de privacy rond al die data. Het gaat echt om het lek. Wij vinden het dan wat te mager om de gedachte te laten postvatten: ik heb het bij de autoriteit gemeld, die bewaart het wel. Je hebt een eigen verantwoordelijkheid om te kunnen terugzien in de ontwikkeling van het bedrijf wat de voorgeschiedenis was. Was het de eerste keer? Is het een herhaalprobleem? Zit het in het falen van het beleid of is er niet genoeg aandacht voor? Heel bepaald vinden wij het dan ook lastig om het heel exact te doen, vooral omdat vanwege de technologie de bezwaarlijkheid van het bewaren van dit soort gegevens is afgenomen. Wij hebben het immers waarschijnlijk niet over rijen ordners die je tien jaar lang moet bewaren. Er zit een gradatie in het belang en de ernst van de zaak. Als we dit aan de verantwoordelijkheid laten van de ondernemer zelf, kan er ook intern lang genoeg worden teruggeblikt en kunnen er lessen worden geleerd uit wat er is gedaan met een vorig probleem.

De bewaarplicht op termijn zou ook nog het effect kunnen hebben dat de gegevens automatisch verwijderd worden na die termijn. Dat kan natuurlijk jammer zijn, in die gevallen waar het informatie betreft die nuttig kan zijn voor het voorkomen en verhelpen van toekomstige problemen.

Mevrouw Gerkens (SP):

Maar ik wil juist voorkomen dat mensen gegevens veel te snel weggooien. Misschien kan de staatssecretaris ons aangeven dat dergelijke gegevens minimaal een aantal jaar bewaard moeten worden. Op den duur zijn ze toch verouderd, want de systemen verouderen, maar ik kan mij voorstellen dat een minimale bewaartermijn van vijf jaar al behoorlijk redelijk is.

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ik zoek dan een beetje aansluiting bij de Telecommunicatiewet, niet omdat daar wel een termijn in staat, maar omdat ook daar geen termijn in staat en de systematiek hetzelfde is. In de telecomsector gaan de ontwikkelingen erg snel, waardoor men zelf doorgaans een termijn van twee tot drie jaar hanteert. Dat heeft ook te maken met wat mevrouw Gerkens al aangaf: de omloopsnelheid van systemen. Het lijkt me daarom verstandig dat een bedrijf zelf dat beleid voert en zelf bekijkt welke informatie erg systeemgebonden is en welke meer gebonden is aan de bedrijfscultuur. We denken echter wel in jaren en niet in maanden, al was het maar omdat, als er een sanctie aan gekoppeld is of als het proces van het informeren van burgers van wie de data potentieel in verkeerde handen zijn gevallen nog loopt, er tijd overheen gaat en je een jaarlijkse verantwoordingscyclus hebt. Je moet kunnen terugblikken om verantwoording af te kunnen leggen. Een exacte bewaartermijn, generiek, voorzie ik dus niet. Ik acht het heel wel mogelijk dat het CBP bij het vaststellen van de richtsnoeren en meer specifiek bij het type probleem een indicatie kan geven van de bewaartermijn. De Kamer kan daar dan over geïnformeerd worden.

Een andere vraag betrof de richtsnoeren. Deze worden samen met het kabinet vastgesteld. Er wordt vooraf over overlegd. Ze worden ook gepubliceerd. Wij zullen ervoor zorgen dat ze bij de Kamer terechtkomen, zodat de leden de richtsnoeren kunnen zien en er een mening over kunnen vormen. Als daar behoefte aan is, kunnen de leden er daarna over in overleg treden.

Mevrouw Gerkens vroeg ook om iedereen te informeren als de wet er is. Wij erkennen dat naast de gebruikelijke publiciteit rondom een nieuwe wet die van kracht is geworden, deze wet expliciete aandacht behoeft, al was het maar omdat het vaak om een datum gaat waarop ook veel andere wetten van kracht worden. Wij voorzien dat wij in overleg zullen treden met het CBP maar ook met de Kamer van Koophandel om te bekijken op welke manier we dit het beste kunnen doen. We moeten het niet laten bij alleen de publicatie van de wet zelf. Ik wil niet zover gaan dat ik nu toezeg dat het instrument van een brief op papier gericht aan het adres van inschrijving de meest geëigende weg is. Maar ik wil wel toezeggen dat wij voor ogen hebben om hier een brede bekendheid aan te geven, en dat niet slechts middels een eenmalige actie, zodat vooral ook in de sectoren waar het relevant is er brede aandacht is voor dit punt, hetzij rechtstreeks vanuit het ministerie, hetzij vanuit het CBP. Dat moet zich dan natuurlijk meteen presenteren als een instantie die deze bevoegdheid heeft. Ik permitteer mij even de vrijheid om voor het CBP te bedenken dat het zou kunnen zeggen dat het niet zal aarzelen om deze bevoegdheid te gebruiken.

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik had de staatssecretaris nog de suggestie gegeven om daarbij te verwijzen naar het programma voor het mkb dat bij het ECP loopt. Is de staatssecretaris voornemens om dat te doen?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ja, zeker als wij zelf de communicatie ter hand nemen. Als wij de lead in de communicatie hebben, zullen wij ook onder de aandacht van het CBP brengen dat het niet alleen moet zeggen "er is een plicht; u moet het melden en als u dat niet doet, dan zwaait er wat", maar ook moet zeggen "hebt u hulp nodig, dan kan dat bij het CBP zelf, maar we hebben ook allerlei programma's lopen voor de implementatie".

Mevrouw Ter Horst had een vraag over een jaarlijkse rapportage van de aantallen gemelde datalekken. Zeker. Het CBP gaat ook de effecten monitoren, juist omdat we bij de behandeling hebben gemerkt dat er twee risico's zijn. Het eerste is het risico dat men denkt: het zal wel loslopen, dus we melden het niet. Het tweede is het risico dat men denkt: ik heb een brief gehad en het is mij ook anderszins duidelijk dat er iets zwaait, dus ik ga aan overcompliance doen. "Overcompliance" is een mooie managementterm om te beschrijven dat mensen zich te veel aan de regels houden. We willen die risico's kunnen voorzien en ze waar nodig bijsturen. Het jaarverslag zal die monitoring bevatten. Dat wordt ook gepubliceerd en aan het parlement aangeboden. Dan kan het dus verder onderwerp van gesprek zijn.

Ik kom op de vraag van mevrouw Gerkens over de structurele voorziening, een brief inzake de Hold-casus. Dit betreft een andere meldplicht dan waar mevrouw Ter Horst naar verwees in haar vraag, in de cybersecurityhoek, bij het NCSC. Die voorziening is opgenomen in het wetsvoorstel inzake de cybersecurity. Ik verwacht dat dit binnenkort in de ministerraad zal worden behandeld en dan naar de Raad van State zal worden verzonden voor advies.

De meeste vragen zijn gesteld over het lastigste onderwerp. Ik heb dat tot het einde bewaard, om er eerst even in te kunnen komen. Dat onderwerp betreft de spanning die er is tussen de bepaaldheid van de norm en de reikwijdte van de meldplicht. Maken we de wet heel specifiek, dan weet iedereen precies waar hij aan toe is, maar dan lopen we ook het risico dat binnen de kortste keren de ontwikkelingen in de praktijk en in de techniek ervoor zorgen dat we hier weer staan met een nieuw wetsvoorstel, omdat het oude net niet voorzag in die nieuwe ontwikkelingen. Het doel van de uitbreiding van de bevoegdheid van het CBP was dat het CBP de bevoegdheid kreeg om overtredingen van de gegevensbeschermingsbepalingen te kunnen bestraffen met boetes. Zo hoeft het niet alleen in het toezicht een waarschuwend vingertje te heffen, maar kan het ook een flinke boete opleggen, als dat echt nodig is en als er echt aanleiding toe is. Zo wordt de verantwoordelijke ter verantwoording geroepen en ervaart deze de consequenties. Een ander doel bij het inrichten van de systemen is altijd geweest om de verantwoordelijke niet een onmogelijke inspanning op te leggen. Hij moet niet uit hoeven puzzelen of hij wel of niet aan de wet voldoet. Die twee doelen leiden tot een spanning waarin je een balans moet vinden.

Een ander doel is om zo veel mogelijk mensen te beschermen en om de samenleving zo veel mogelijk ervan te doordringen dat het niet zo is dat het helemaal niet erg is als data ergens weglekken of dreigen weg te lekken. Uit de evaluatie van de Wet bescherming persoonsgegevens is naar voren gekomen dat dit punt steeds terugkomt en dat het vaak gaat om algemeen geformuleerde normen. Dat is een wat neutrale term, een ander noemt het "open" en weer een ander zelfs "vaag". Dat is het systeem, vooral ook omdat het vaak problemen zijn waar we nu voor het eerst tegenaan lopen en die zich nog moeten zetten in de samenleving. Dat maakt het lastig. Bedrijven kunnen niet meteen zien of hun gedrag wel of niet strafbaar dan wel beboetbaar is.

Een andere zaak waar wij als wetgever mee te kampen hebben, is de sterke afhankelijkheid van de context om te kunnen bepalen of iets daadwerkelijk een probleem is. De precieze omstandigheden van het geval zijn daar nogal leidend in. Zeker, bij de toepassing van de richtlijnen moet rekening worden gehouden met het rechtszekerheidsbeginsel. We zien bij de ontwikkeling van het wetsvoorstel dat de checks-and-balances verschoven zijn. Het is niet letterlijk dezelfde tekst als die ooit als eerste werd ingediend. Dat heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat de Afdeling advisering van de Raad van State erop gewezen heeft dat hier nog wel iets aan mocht gebeuren. Ook is erop gewezen dat als tussenstap een bindende aanwijzing gegeven moet worden. Er is inmiddels voor gekozen om de onbepaaldheid, het moeten inwerken en het moeten leren omgaan met deze materie niet terug te draaien, maar te compenseren door de stap van de bindende aanwijzing voordat er wordt overgegaan tot boetes. Ook is er gekozen voor de verplichting om de richtsnoeren niet alleen maar door het CBP zelf te laten ontwikkelen, maar het CBP ook op te dragen om hiervoor voorafgaand aan de vaststelling overleg te voeren met het kabinet, en wel met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, zodat het proces meer begeleid wordt. Er is dus voor gekozen om de onbepaaldheid op die manier te ondervangen.

Een interpretatieve verklaring daarvan, waar de heer Franken naar vroeg, vind ik op dit moment niet op zijn plaats, omdat wij juist hebben besloten om het samenstellen van de richtsnoeren in samenspel met het CBP te gaan doen en daarin de expertise uit het veld mee te nemen. Een andere reden waarom het gevraagde voor mij lastig is, is de volgende. Samenspel is mogelijk. Dat gebeurt ook op advies van de Raad van State. Maar we hebben ook de onafhankelijkheid van het CBP in acht te nemen. De Europese privacyrichtlijn schrijft dat nadrukkelijk voor. De ruimte om de wettelijke normen nader uit te werken tot op detailniveau is dus beperkt.

De heer Franken (CDA):

Ik vraag de staatssecretaris dan om eens duidelijk aan te geven wat de woorden "een aanzienlijke kans" betekenen. Ik heb een aantal voorbeelden gegeven van dergelijke redelijk vage formuleringen die in het recht voorkomen, op diverse rechtsgebieden. Maar zeg het nou eens in gewoon Nederlands. De burgers kennen die juridische abracadabra niet. Zegt u nou eens in gewoon Nederlands wat u "een aanzienlijke kans" vindt, staatssecretaris. Een kans van 60% dat het niet zal gebeuren? Of 100%? Probeer het nou eens gewoon te omschrijven, in gewone taal.

Staatssecretaris Dijkhoff:

Daarvoor is technologie te lastig. De kans dat er iets gestolen is bij een inbraak is aanzienlijk. Dat kan ik schatten. Ik ga dan gewoon naar de plek waar de deur open heeft gestaan en kijk of er iets weg is. Ik weet misschien niet precies wat er stond, maar ik weet het wel ongeveer. Ik weet dan dus of er iets weg is. Bij data is het anders. Dan kun je beter de vergelijking maken met iemand die een fysiek pand binnen is gegaan en er foto's heeft gemaakt. Dat kan ik niet zien. Een datalek betekent niet dat de weggelekte data verdwenen zijn. Daarvan is een kopie gemaakt. Technologisch hangt de kans af van de mogelijkheid om de in het systeem ontdekte kwetsbaarheid uit te nutten. Daarbij kan voor een hacker bijvoorbeeld de laagdrempeligheid om binnen te komen een rol spelen. De vraag is dan of nog niemand op deze kwetsbaarheid gestuit is of dat een ethische hacker die al in het kader van de "responsible disclosure" heeft aangemeld. Het kan ook gaan om een probleem waarover in de literatuur al tien jaar wordt geschreven en waarvoor heel veel updates, patches en reparatiewerk zijn geweest of ter verhelping waarvan juist niets is uitgevoerd. Er kunnen inmiddels al tooltjes zijn die niet alleen hackers maar ook wij in deze zaal voor een paar dollar kunnen kopen, om daarmee te scannen of een netwerk een dergelijke kwetsbaarheid vertoont. Naarmate de kwetsbaarheid groter is, stijgt de kans dat iets ontvreemd is. De inhoud van de data die aan kopiëren of hacken ten prooi zijn gevallen, draagt bij aan de mate waarin het gemeld moet worden. Als het gaat om een systeem met enkel de naam en het e-mailadres van een sportvereniging en het een heel gangbare sport is, is de kwetsbaarheid van de gegevens die in het geding zijn een stuk kleiner dan indien het gaat om misschien wel dezelfde combinatie van naam en e-mailadres, maar dan van een vereniging die maatschappelijk omstreden is, om maar iets te noemen, en waarvan het niet per se gangbaar is om lid te zijn. Het kan ook gaan om een webwinkel die producten verkoopt waarvan de gebruiker of de consument niet wil dat iedereen dat weet. Als je weet dat je dergelijke producten verkoopt, is je verantwoordelijkheid groter. De technische kans op een lek moet dan worden vermenigvuldigd met de kwetsbaarheid van de informatie om te kunnen analyseren of er sprake is van een verplicht te melden lekkage of risico op lekkage. Ook daar hebben wij het over. Als een vat olie lekt, kun je meten of er iets uit is, maar in dit geval kan er iets uit zijn zonder dat je het weet. Ook als je niet kunt vaststellen of er iemand is langsgekomen die gebruik heeft gemaakt van het lek om data te kopiëren, kan de kwetsbaarheid van de data er wel toe leiden dat het verplicht is om er melding van te maken. Dat heeft de Tweede Kamer zo geamendeerd.

De heer Franken (CDA):

Vindt de staatssecretaris de risicofactor bepalend? Ik zeg niet dat ik het daarmee niet eens zou zijn, maar dan geeft de staatssecretaris een bepaalde handreiking.

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ja, risicofactor maal ernst. Risico is natuurlijk altijd de kans dat iets gebeurt maal de ernst van het gebeurde. Dat zit al in het woord "risico" ingebakken. In dit wetsvoorstel is inderdaad gekozen voor de risicobenadering.

In veel gevallen zal meteen duidelijk zijn dat melding verplicht is. In een aantal gevallen, waarvan de Kamer enkele voorbeelden heeft genoemd, is dat niet het geval. Waarop sturen wij nu? Wij sturen natuurlijk op melding van precies al die gevallen die binnen de bandbreedte vallen. Als we risico moeten nemen, met name in het begin, is het "better safe than sorry" niet alleen een risico in de samenleving, maar iets wat we vooral in het begin liever hebben dan dat er maatschappelijke ophef is doordat we moeten constateren dat er vanwege de reikwijdte en door een belangrijk en cruciaal lek gegevens op straat zijn komen te liggen zonder follow-up of melding aan de mensen die het betreft. Met deze instrumenten en dit kader van wetgeving heb ik er vertrouwen in dat het College bescherming persoonsgegevens de nieuwe door de wet geboden mogelijkheden goed kan benutten en mede een werkbare praktijk kan vormen, waarin bedrijven weten waar zij aan toe zijn en waarin vooral onze data goed beschermd worden.

Mevrouw Gerkens gaf mooi aan dat het hierbij natuurlijk niet alleen om bewuste fouten en wetsovertredingen gaat die als een crimineel nagejaagd moeten worden. Daarom zit het ook in het bestuurlijke regime. Criminelen maken misbruik van lekken die ontstaan. Het voorkomen van die lekken is natuurlijk veel beter dan het moeten melden ervan. Bewustwording in de samenleving is dus van cruciaal belang. Het is niet alleen zaak dat mensen een lek melden waarvan ze zelf weet hebben, maar ook dat zij mondig worden zodra zij zich afvragen waarom mensen iets willen weten overeenkomstig het voorbeeld van mevrouw Gerkens. Een dergelijke mondigheid zou ook moeten ontstaan als we denken dat er iets mis kan zijn. Als telkens wanneer ik iets zeg mensen ook maar één wachtwoord aanpassen, neemt de veiligheid al toe. Dat is mijn mantra. Het netwerk aan informatievoorzieningen dat we in Nederland hebben, valt of staat met de veiligheid in de gehele keten en niet alleen met de dingen die we kunnen vatten onder wettelijke bepalingen.

Hiermee kom ik aan de afronding van de beantwoording van de vragen. Indien de Eerste Kamer zich in het voorliggende wetsvoorstel kan vinden, zullen wij de uitwerking ervan met spoed ter hand nemen, richtsnoeren ontwikkelen en de wet in werking laten treden om de data van ons allen beter te beschermen.


De heer Franken (CDA):

Voorzitter. Ik zal staccato een paar opmerkingen maken. De eerste is dat ik mijn positieve opmerkingen in de eerste termijn enigszins omfloerst heb gebracht, omdat de bestuurlijke aanpak van die heel hoge boete door niet-rechters waar wij meestal nogal tegenaan hikken, in een wat abstract kader geplaatst wordt. Voor alle duidelijkheid merk ik nog eens op dat wij blij zijn dat deze wet tot stand komt, waar het aan dit college is toegekend om dergelijke bevoegdheden uit te dragen en waar te maken. Ten tweede had ik toegezegd dat ik in tweede termijn nog met een enkele praktische vraag zou komen. Mevrouw Gerkens heeft die vraag al gesteld. Deze betreft het overzicht dat een verantwoordelijke moet bijhouden van de gemelde inbreuken. De bewaartermijn is niet voorgeschreven. In de memorie van antwoord is duidelijk gemotiveerd waarom dat niet zou moeten. De staatssecretaris is daarop nog eens ingegaan. Mevrouw Gerkens heeft gezegd dat je toch aan minstens vijf jaar moet denken. Mij lijkt dat erg veel. Ik zou als criterium aan willen houden dat de gegevens zolang bewaard moeten worden dat er voor het College bescherming persoonsgegevens een redelijke mate of misschien zelfs aanzienlijke mate, om maar een bekende kreet uit artikel 34 over te nemen, is om goed onderzoek te verrichten. Als zij niet gedurende een jaar worden opgeslagen, lijkt mij de kans voor het CBP gering. Het overzicht zal dus minimaal een jaar moeten worden bijgehouden en bewaard. Hierover hoor ik graag een toezegging van de staatssecretaris.

Mijn derde punt betreft de hoofdmoot van mijn inbreng, dus de interpretatieve verklaring van artikel 34a. De staatssecretaris heeft geprobeerd om tussen Scylla en Charybdis door te varen. Dat kan ik mij wel voorstellen, maar het punt is dat de gewone burger met deze vraag zit. Het lijkt mij dat het al iets duidelijker is als die erop is gewezen dat er een bepaald risico aan de orde moet zijn, te meer daar er zelfs een handel in lekken plaatsvindt, zoals de staatssecretaris misschien bekend is. Die heet "zero-day exploits". Zij schijnt nogal lucratief te zijn. Er wordt dan een bepaald risico van een ander verkocht. Ik zou dat bijna een criminele daad noemen, maar zo kunnen wij dit nog niet kwalificeren.

Mijn vierde punt betreft het Engelse woord "awareness", waarvan ik denk dat het zo langzamerhand een Nederlands woord moet worden. Wij moeten ons zo bewust zijn van de schade die men kan lijden door het verkeerd gebruiken van informatietechnologie of door het feit dat anderen die verkeerd gaan gebruiken, dat ik dat woord ingelijst en wel boven het bed van eenieder wil hangen. Dan ziet iedereen dat bij het slapen gaan en bij het opstaan wederom.

Het melden van datalekken is een onderdeel van de borging van het vertrouwen dat mensen nodig hebben om te communiceren. Vertrouwen is de basis van onze samenleving. Ik ben verheugd dat wij deze middag een bijdrage hebben kunnen leveren aan de borging daarvan.

De voorzitter:

Dank u, mijnheer Franken. Voordat ik mevrouw Ter Horst het woord geef voor haar bijdrage in tweede termijn, merk ik op dat ik begrepen heb dat dit uw laatste woorden in deze samenstelling van de Eerste Kamer waren. Bij een vorig debat hebben wij het ook al gezegd, maar ik herhaal het bij dezen: wij zullen u node missen.

(Geroffel op de bankjes)


Mevrouw Ter Horst (PvdA):

Ik ben benieuwd wat de voorzitter gaat zeggen als ik ben uitgesproken!

De voorzitter:

Dat wij u ook zullen missen!

Mevrouw Ter Horst (PvdA):

Maar niet node! Ik hoor het al!

De voorzitter:

Dat is met name vanwege de expertise van de heer Franken op dit terrein.

Mevrouw Ter Horst (PvdA):

Absoluut. U hoeft het niet uit te leggen, hoor.

Voorzitter. Ik had eigenlijk niet zo vreselijk veel behoefte aan een tweede termijn. Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording. Ik begrijp uit zijn woorden dat niet alle organisaties aan alle meldplichten moeten voldoen. Je mag ze dus niet allemaal bij elkaar optellen. Ik denk dat wij de staatssecretaris wel mogen zien als iemand die er alles aan zal doen om ervoor te zorgen dat de druk om te melden die op organisaties wordt gelegd, zo gering mogelijk is. Ik heb daar alle vertrouwen in.

Ik heb de staatssecretaris ook horen zeggen dat het College bescherming persoonsgegevens de effecten gaat monitoren en die in een jaarverslag zal vastleggen. Ik hoop dat ik het niet gemist heb, maar volgens mij is de staatssecretaris niet ingegaan op mijn verzoek om nu al iets te zeggen over de richtsnoeren waarmee het College bescherming persoonsgegevens komt. Heeft hij daar al een beeld van? Mocht die vraag te ingewikkeld zijn, aangezien hij daarop in eerste termijn niet is ingegaan, dan zou ik graag horen of hij de bereidheid heeft om de richtsnoeren aan de Kamer ter beoordeling te zenden als ze daadwerkelijk tot stand zijn gekomen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Ter Horst. Wij zullen u missen! Het woordje "node" sla ik inderdaad over. Wij zullen u — en dat meen ik oprecht — missen!

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:

Ik heb begrepen dat u geen behoefte had aan een bijdrage in tweede termijn, mevrouw Gerkens? Wij zien u tenslotte ook nog terug in de Kamer in haar volgende samenstelling.

Dan geef ik nu het woord aan de staatssecretaris.


Staatssecretaris Dijkhoff:

Voorzitter. Ik voel bij de sprekers steun voor en vertrouwen in het wetsvoorstel. Ik hoop dat dit uiteindelijk zal blijken, zodat wij snel aan de slag kunnen gaan.

De heer Franken heeft gevraagd of ik kan toezeggen dat de termijn minimaal een jaar is. Ik kan toezeggen dat ik deze wens zal overbrengen in het gesprek met het College bescherming persoonsgegevens, dat zijn richtsnoeren hieromtrent zelfstandig maar wel in overleg moet vaststellen. Ik deel deze wens ook; een jaar is wel het minste. Zoals ik al zei, wordt in de sector zelf vaak twee à drie jaar logisch gevonden. Wel wil ik dit in richtsnoeren ook brengen als een eigenstandige verplichting voor de organisatie, niet alleen gekoppeld aan de mogelijkheid tot het doen van onderzoek, om te voorkomen dat een organisatie denkt: ik heb het gemeld, dus neem aan dat ze het zelf bewaren. Het gaat namelijk om het bewaren van aan het CBP gemelde datalekken.

Wat de heer Franken heeft opgemerkt over de handel in lekken is allemaal waar. Awareness en bewustwording zijn belangrijk. Dat ben ik geheel met de heer Franken eens. Ik voeg daaraan toe dat het dan ook aan ons is om aan te vullen waarvan wij ons bewust moeten worden. In dit geval is dat zeker ook de eigen bijdrage die wij allemaal moeten leveren aan een veiligere communicatie onderling.

Mevrouw Ter Horst vroeg of ik een beeld had van de richtsnoeren. Ik heb haar eerdere vraag te impliciet behandeld, dus het lag aan mij. Ik heb namelijk wel gezegd dat ik de richtsnoeren naar de Kamer zal sturen zodra ze er zijn en gepubliceerd worden. Daarmee impliceerde ik inderdaad dat ik er op dit moment geen zicht op heb en dat ik nog geen informatie kan geven over de inhoud van de richtsnoeren in ontwikkeling. Het college heeft in het overleg met het kabinet aangegeven dat het hiervoor goed de tijd wil krijgen om dit de komende maanden uit te voeren, zodat de richtsnoeren duidelijk zijn zodra het wetsvoorstel van kracht wordt en zodat wij geen tijd hebben waarin er wel een wet is maar nog geen duidelijkheid voor burgers en bedrijven over de precieze bedoelingen daarvan.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.

Ik complimenteer de staatssecretaris met de prachtige winst, waarmee ik deze vergadering kan afsluiten.


Sluiting

Sluiting 17.59 uur.


Bijlages

Lijst van besluiten en ingekomen stukken

Lijst van besluiten:

De Voorzitter heeft na overleg met het College van Senioren besloten om:

a. de plenaire behandeling van de volgende wetsvoorstellen te doen plaatsvinden op 26 mei 2015:

Wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens en enige andere wetten in verband met de invoering van een meldplicht bij de doorbreking van maatregelen voor de beveiliging van persoonsgegevens alsmede uitbreiding van de bevoegdheid van het College bescherming persoonsgegevens om bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de Wet bescherming persoonsgegevens een bestuurlijke boete op te leggen (meldplicht datalekken en uitbreiding bestuurlijke boetebevoegdheid Cbp) (33662);

Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten ter verbetering van de naleving en handhaving van arbeidsrechtelijke wetgeving in verband met de aanpak van schijnconstructies door werkgevers (Wet aanpak schijnconstructies) (34108);

b. de stemmingen over het volgende wetsvoorstel en de volgende moties te doen plaatsvinden op 26 mei 2015:

Wijziging van de Postwet 2009 tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening (modernisering UPD) (34024);

Motie van het lid Koning (PvdA) c.s. over inzage in kosten- en batenopbouw en rendement van de UPD (34024, G);

Motie van het lid K.G. de Vries (PvdA) c.s. over intensivering van de bestrijding van georganiseerde criminaliteit (34166, C);

Motie van het lid Strik (GroenLinks) c.s. over de verdeling van de asielzoekers en vluchtelingen over de lidstaten van de EU (34166, D);

Motie van het lid Strik (GroenLinks) c.s. over het nakomen van de search- en rescueverplichtingen bij de bestrijding van mensensmokkel (34166, E);

c. de plenaire behandeling van de volgende hamerstukken te doen plaatsvinden op 26 mei 2015:

Wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in verband met een uitbreiding van de meldingsplicht van ernstige ongewenste voorvallen (33646);

Aanpassing van het sanctiemechanisme voor decentrale overheden van de Wet houdbare overheidsfinanciën (33961);

Wijziging van enige onderwijswetten in verband met het invoeren van de verplichting voor scholen zorg te dragen voor de sociale veiligheid op school (34130);

Aanpassing van diverse BES-onderwijswetten inzake het vervallen van de RMC-functie met betrekking tot voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (34144);

d. de hoofdelijke stemming over het volgende wetsvoorstel en de volgende moties te doen plaatsvinden op 2 juni 2015:

Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd in verband met de versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd (34083);

Motie van het lid Reuten (SP) over compensatie voor gemeenten bij verdringing van werkgelegenheid voor werklozen (34083, F);

Motie van het lid De Boer (GroenLinks) c.s. over het aanpassen van de Overbruggingsregeling (OBR) (34083, G);

e. het voorbereidend onderzoek van het volgende wetsvoorstel door de vaste commissie voor Economische Zaken te doen plaatsvinden op 16 juni 2015:

Wijziging van de Mijnbouwwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met implementatie van richtlijn nr. 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178), en wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de omkering van de bewijslast bij schade binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk (34041);

f. het voorbereidend onderzoek door de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad te doen plaatsvinden op 16 juni 2015 in plaats van op 23 juni 2015:

Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) (34088).

Lijst van ingekomen stukken, met de door de Voorzitter ter zake gedane voorstellen:

1. het volgende door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangenomen wetsvoorstel:

Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten ter implementatie van Richtlijn 2014/60/EU betreffende teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (herschikking) (PbEU 2014, L 159) (34097).

Dit wetsvoorstel zal in handen worden gesteld van de desbetreffende commissie;

2. de volgende regeringsmissives:

een, van de minister-president, minister van Algemene Zaken, ten geleide van een afschrift van een brief d.d. 20 mei 2015 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake jaarevaluatie 2014 (griffienr. 157267);

een, van de minister van Buitenlandse Zaken, ten geleide van de geannoteerde agenda Raad Algemene Zaken van 19 mei 2015 (griffienr. 157244);

een, van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, ten geleide van de geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken OS van 26 mei 2015 (griffienr. 157243);

een, van alsvoren, ten geleide van het Verslag Raad Buitenlandse Zaken Handel op 7 mei 2015 (griffienr. 157171.02);

een, van alsvoren, inzake schriftelijk overleg Raad Buitenlandse Zaken van 18 mei 2015 (griffienr. 157222.01);

een, van alsvoren, ten geleide van het verslag van het schriftelijk overleg informatievoorziening (griffienr. 157249);

een, van alsvoren, inzake schriftelijk overleg Raad Algemene Zaken van 19 mei 2015 (griffienr. 157244.01);

een, van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, ten geleide van de geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken OS van 26 mei 2015 (griffienr. 157266);

een, van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, inzake gemeentelijke indeling van Nederland (griffienr. 157231);

een, van de minister voor Wonen en Rijksdienst, inzake Jaarbrief 2015 beleid met betrekking tot zbo's (griffienr. 157259);

een, van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, inzake ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels omtrent experimenten met regelluwe scholen in het primair en voortgezet onderwijs (Besluit experiment regelluwe scholen PO/VO) (griffienr. 157271);

een, van de minister van Financiën, inzake beantwoording van het groenboek kapitaalmarktunie, de consultatie herziening prospectusrichtlijn en de consultatie securitisatie (griffienr. 157241);

een, van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en de minister van Economische Zaken, inzake consultatieve revisie Europese emissiehandelssysteem (griffienr. 157269);

een, van de minister en staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ten geleide van SUWI-jaarverslagen 2014 (griffienr. 157255);

een, van alsvoren, inzake aanbieden van meertalige opvang in de kinderopvang (griffienr. 157254);

een, van alsvoren, ten geleide van het Jaarverslag 2014 Inspectie SZW (griffienr. 157256);

een, van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, inzake voorhangbrief bekostiging wijkverpleging (griffienr. 157268).

De Voorzitter stelt voor deze missives voor kennisgeving aan te nemen. De bijlagen zijn neergelegd op de afdeling inhoudelijke ondersteuning ter inzage voor de leden;

3. de volgende missives:

een, van de Algemene Rekenkamer, ten geleide van het Rapport Bezuinigingen en intensiveringen bij de AIVD; Gevolgen van de budgettaire turbulentie in de periode 2012-2015 (griffienr. 1571263);

een, van alsvoren, inzake publicaties Verantwoordingsdag 2015 op www.rekenkamer.nl/verantwoordingsonderzoek (griffienr. 157260).

De Voorzitter stelt voor deze missives voor kennisgeving aan te nemen. De bijlagen zijn neergelegd op de afdeling inhoudelijke ondersteuning ter inzage voor de leden;

4. de volgende geschriften:

een, van M.F.W. en N.L.S.J., inzake rechtsgang Alkmaar laat te wensen over (griffienr. 157236).

Dit geschrift wordt van belang geacht voor de leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie;

een, van L.D., inzake het afschaffen van de jaarlijkse huurverhogingen (griffienr. 157258).

Dit geschrift wordt van belang geacht voor de leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning;

een, van N.Y., inzake klacht verplichte winkelnering Drager en communicatie CBR (griffienr. 153982.29);

een, van L.v.d.H., inzake politieke enquête fyradebacle (griffienr. 157250).

Deze geschriften worden van belang geacht voor de leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Milieu en Ruimtelijke Ordening;

een, van K.v.O., inzake balanceren tussen hoop en vrees met het UWV (griffienr. 157232).

Dit geschrift wordt van belang geacht voor de leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

een, van L.J., inzake passyndroom (griffienr. 157238).

Dit geschrift wordt van belang geacht voor de leden van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De Voorzitter stelt voor deze geschriften voor kennisgeving aan te nemen.