Behandeling Huisvesting vergunninghouders



Verslag van de vergadering van 6 december 2016 (2016/2017 nr. 10)

Aanvang: 15.42 uur

Status: gecorrigeerd


Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake de huisvesting van vergunninghouders (34454).


De voorzitter:

Ik heet de minister voor Wonen en Rijksdienst van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.


Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Op dit moment erkent de wet drie categorieën personen als woningzoekenden die voorrang moeten hebben bij het toewijzen van een sociale huurwoning. We hebben het dan over vreemdelingen die in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning hebben ontvangen, over woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang en die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten, en, last but not least, woningzoekenden die mantelzorg verlenen en/of ontvangen.

Met dit wetsvoorstel wordt de wettelijk verplichte voorrangspositie van vergunninghouders opgeheven. Dit voorstel heeft als gevolg dat gemeenten na aanvaarding van deze wet zelf kunnen bepalen welke positie vergunninghouders ten opzichte van andere woningzoekenden innemen. Dit kan dus per gemeente verschillen. Aangezien Nederland geen eenheidsworst is en de situatie per regio kan verschillen, beschouwt de CDA-fractie deze decentralisatie van de aanwijzingsbevoegdheid op zich als maatwerk. En voor maatwerk zijn wij altijd. Gemeenten kunnen er na invoering van deze wetswijziging voor kiezen om vergunninghouders als urgente groep te blijven aanwijzen in de gemeentelijke huisvestingsverordening. Kiest de gemeente ervoor om vergunninghouders niet op te nemen als urgentiecategorie, dan hebben de groepen die daar wel in zijn opgenomen, voorrang op andere woningzoekenden.

Zo gezegd oogt het voorliggende wetsvoorstel vrij eenvoudig. Het onderliggende probleem blijft echter dat er in sommige regio's gewoon te weinig woningen zijn voor te veel woningzoekenden. De maatregelen die de minister heeft genomen voor tijdelijke huisvesting van vergunninghouders verhelpen dit probleem op zijn best alleen tijdelijk. Structureel zijn andere maatregelen nodig, ook gezien het feit dat de verplichte aantallen te huisvesten statushouders per gemeente blijven bestaan. Ook het probleem dat mensen in sommige regio's jarenlang op een wachtlijst voor een woning staan, wordt hiermee niet opgelost. Je zult maar degene zijn die al zo lang wacht; daar word je niet vrolijk van.

Vaak hebben wij deze regering erop gewezen dat hun strenge en inkomsten genererende volkshuisvestingsbeleid ook een keerzijde kan hebben. Uit de beantwoording van de schriftelijke vragen blijkt, in getallen uitgedrukt, dat er geen probleem zou zijn met onze woningvoorraad. De werkelijkheid laat echter iets anders zien. Wij wijzen daarbij op de reactie van onze 32 grote steden. Aangezien deze gemeenten ook de grootste taakstelling voor huisvesting van vergunninghouders hebben, is daar het probleem groot.

Dit weekend lazen we in de krant dat corporaties volgens de minister zouden lijden aan het "Dagobert Duck"-complex. Kort gezegd: ze blijven op hun centen zitten. Graag horen de leden van de CDA-fractie of deze quote juist weergegeven is. De leden van de CDA-fractie benadrukken dat zij vinden dat, conform onze Grondwet, het zorgen voor voldoende volkshuisvesting een taak is van de overheid. Je kunt niet alle heil van de markt verwachten. Het gaat om mensen die een dak boven hun hoofd nodig hebben. In een beschaafd land als Nederland is dat het basisprincipe. Er moet meer oog zijn voor mensen die tussen wal en schip dreigen te vallen doordat ze hetzij geen huis kunnen krijgen, hetzij de huren zo stijgen dat ze die niet of bijna niet meer kunnen betalen.

Juist nu de economie aantrekt, wordt goed zichtbaar dat de woningmarkt nog lang niet op orde is. Er zijn lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen door de te hoge verhuurderheffing. Er zijn veel te weinig huurwoningen voor mensen die niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoning, het zogenaamde middensegment. En nog steeds zijn er veel te veel mensen die met hun inkomen geen recht meer zouden hebben op een sociale huurwoning. Om de woningmarkt weer in beweging te krijgen zal het nodig zijn om corporaties weer in staat te stellen huizen te bouwen en de vrije huurmarkt te stimuleren om huurwoningen te bouwen voor een huur tussen €700 en €900. Desnoods moeten we corporaties die woningen laten bouwen als de markt het laat afweten. Met name rond de grotere steden moeten voldoende huur- en koopwoningen beschikbaar zijn. Ook de particuliere markt of beleggers kunnen daarbij helpen, maar dan moeten ze niet als straf de verhuurdersheffing boven het hoofd hebben hangen. Oftewel: er moet gebouwd gaan worden! Met het vingertje naar corporaties wijzen zou in de ogen van de CDA-fractie moeten veranderen in het zoeken van de verbinding. Men moet bondgenoten worden. Wij ondersteunen van harte de oproep van de Woonbond, vrij vertaald: hou nu eens op met kibbelen en doe wat!

De leden van de CDA-fractie horen graag de reactie van onze minister voor Wonen en Rijksdienst.


De heer Pijlman (D66):

Voorzitter. In artikel 12, derde lid van de Huisvestingswet 2014 is vastgelegd dat vergunninghouders die voor de eerste keer een woning zoeken in een gemeente met een huisvestingsverordening in ieder geval als urgent woningzoekende moeten worden aangewezen. In het voorgestelde wetsontwerp wordt deze bepaling geschrapt. Volgens het kabinet legt de huisvesting van vergunninghouders een onevenredige druk op het stelsel van sociale huisvesting waardoor reguliere woningzoekenden erg lang moeten wachten op een toegewezen woning. Het voorstel strekt ertoe een wettelijk verplichte voorrangspositie van vergunninghouders op te heffen.

Het voorstel laat onverlet dat gemeenten een taakstelling vergunninghouders zoals vastgelegd in artikel 28 van de Huisvestingswet behouden en dat het kabinet hen daarop aanspreekt. Het schrappen van de bepaling in artikel 12, derde lid dwingt de gemeenten, zo meent het kabinet, tot creativiteit om de huisvesting van vergunninghouders aan te pakken.

Het voorliggende voorstel heeft tot buitengewoon kritische reacties geleid buiten de volksvertegenwoordiging. Kritiek was er van de Raad van State, de VNG, het IPO en de G32, de grootste gemeenten in ons land. De kritiek komt steeds op hetzelfde neer: het kabinet lost met dit voorstel geen enkel probleem op en het kabinet helpt gemeenten niet een groot en belangrijk maatschappelijk vraagstuk op te lossen.

Allereerst is het goed om vast te stellen waarom het voorrangsartikel destijds is ingevoerd, niet alleen voor deze groep maar voor allen die feitelijk dakloos zijn. Mensen die vanuit een oorlogsgebied naar Nederland zijn gevlucht en hier na een strenge procedure als statushouder zijn erkend, moeten zo snel mogelijk onze taal leren en door middel van werk een bijdrage aan onze samenleving leveren. Daar hebben zij, en wij allemaal, een groot belang bij. Het voorkomt veel problemen. Adequate huisvesting helpt daarbij en bespaart kosten. Immers, de opvang in asielzoekerscentra is duur. Zonder voorrangspositie is het verkrijgen van adequate huisvesting in veel gemeenten onmogelijk. Een statushouder heeft geen "punten" en komt onderaan de wachtlijst, hetgeen de noodzakelijke inburgering verzwaart en moeilijker maakt. Tegelijkertijd — en dat probleem is zeer reëel — zet de komst van nieuwkomers op de urgentielijst kwaad bloed bij mensen die al een lange tijd op zoek zijn naar een betaalbare woning. De D66-fractie meent dan ook dat de huisvesting van statushouders niet ten koste mag gaan van andere kwetsbare groepen. Er staan op dit moment — dat was althans de stand van november — 14.000 statushouders op de wachtlijst voor een woning. Op welke wijze wil het kabinet, afgezien van dit wetsvoorstel, dit probleem oplossen zonder dat dit ten koste gaat van de huidige mensen op de wachtlijst? Ik kom er straks nog op wat dit wetsvoorstel hieraan bijdraagt.

Uiteindelijk is er maar één oplossing: de instroom van statushouders in de Nederlandse samenleving moet gepaard gaan met flankerend beleid. Geef mensen de mogelijkheid om zo snel mogelijk het Nederlands te leren en zich voor te bereiden op de arbeidsmarkt en bouw goede en goedkope woningen voor allen die dat nodig hebben.

Wat draagt dit wetsvoorstel nu bij aan de oplossing van het huisvestings- en inburgeringsvraagstuk van statushouders en anderen op de huisvestingswachtlijsten? De D66-fractie heeft het nog niet kunnen ontdekken. Op onze vraag voor welk probleem dit nu een oplossing is, hebben wij in het voorlopig verslag geen antwoord gekregen. Het kabinet herhaalt in de memorie van antwoord dat gemeenten met dit voorstel lokaal maatwerk kunnen leveren en dat zij door dit voorstel worden gestimuleerd de woningvoorraad uit te breiden. Ik wil de minister vragen om daarop nader in te gaan. Gemeenten — ik noem de G32 — zien dit zelf immers geheel anders. Volgens hen worden zij door dit voorstel volstrekt niet gesteund om een groot probleem op te lossen.

In de Tweede Kamer betoogde een van de regeringspartijen — en het debat begon daarmee — dat men wel met het voorstel in kon stemmen omdat het hier uitsluitend om symboolwetgeving gaat. Ik hoor graag van het kabinet hoe het zich verhoudt tot deze beschuldiging van symboolpolitiek door een van de regeringspartijen. Kan de minister dit huis uitleggen waarom hij meent, tegen alle maatschappelijke organisaties in, dat het hier om een noodzakelijk instrument gaat om de problemen waar de gemeenten mee worstelen, op te lossen? Wat zal volgens het kabinet de opbrengst van dit wetsvoorstel zijn? Om het concreter te maken: hoeveel mensen kunnen er volgens het kabinet door dit voorstel eerder starten met hun inburgering, doordat hun huisvesting wordt geregeld? Hoeveel wachtenden op de huidige wachtlijst zullen nu eerder gehuisvest worden? De D66-fractie hoort het graag van het kabinet.

In de huidige wet is het beginsel van proportionaliteit opgenomen. Het geeft de gemeenten de mogelijkheid om samen met de woningbouwcoöperaties maatwerk te leveren om die groepen een woning te bieden die dat het meest nodig hebben. Daarvoor is het huidige voorstel ook niet nodig. Het punt is dat het aantal benodigde woningen niet beschikbaar is en dat de maatregelen die het kabinet tot dusver nam niet tot voldoende oplossingen hebben geleid. Deze maatregelen leidden juist vooral tot meningsverschillen tussen de woningbouwcoöperaties en het kabinet, die niet begrepen zullen worden door de burgers die dit aangaat. Ook de afgelopen week was er weer volop sprake van het zwartepietenspel tussen de minister en de woningbouwcoöperaties.

De Raad van State is uitermate kritisch over het beoogde voorstel. De Raad van State refereert zelfs aan artikel 1 van de Grondwet. Onder het kopje "gelijke behandeling" schrijft de Raad het volgende: "Wel heeft dit tot gevolg dat een onderscheid lijkt te worden gemaakt tussen vergunninghouders en reguliere woningzoekenden wat betreft de aard van de huisvesting die ter beschikking wordt gesteld. Dit onderscheid is direct gebaseerd op de verblijfstitel van de betrokken persoon en indirect op de nationaliteit van de vergunninghouder. Eigen aan de categorie van vergunninghouders is immers dat zij uitsluitend vreemdelingen betreft. (...) Daarbij merkt de Afdeling op dat een toename van een aantal vergunninghouders op zichzelf onvoldoende reden vormt voor een ongelijke behandeling tussen vergunninghouders en anderen wat betreft de soort van huisvesting die hen ter beschikking wordt gesteld."

Het kabinet deelt de kritiek niet en meent dat het onderhavige voorstel niet tot onderscheid leidt tussen vergunninghouders en reguliere woningzoekenden. Immers, het kabinet heeft sobere huisvestingsvoorzieningen toegevoegd aan de woningvoorraad en die zijn niet alleen voor statushouders toegankelijk maar ook voor reguliere woningzoekenden. De vraag is of het kabinet niet refereert aan een papieren en juridische werkelijkheid. Ik vraag de minister daarom ook hoeveel van de in het bestuursakkoord toegevoegde woningen inmiddels gerealiseerd zijn en hoeveel daarvan bewoond worden door niet-statushouders.

Interessant is, meen ik, de motivatie die het kabinet geeft voor dit voorstel in de reactie aan de Raad van State. Het kabinet acht het afschaffen van dit wettelijk verplichte onderscheid gerechtvaardigd, gelet op de grote toename van het aantal vergunninghouders. Met het oog op de maatschappelijke acceptatie van de grote groep vergunninghouders is het volgens het kabinet van groot belang om te voorkomen dat reguliere woningzoekenden niet of slechts na zeer lange tijd een sociale huurwoning kunnen betrekken.

Geeft het kabinet hier eigenlijk niet aan dat het er niet in geslaagd is om voldoende goedkope huurwoningen te realiseren voor de burgers die op de sociale woningvoorraad zijn aangewezen en dat dit probleem nijpender is geworden door de instroom van een aantal asielzoekers dat statushouder is geworden? Graag krijg ik hierop een reactie van het kabinet.

Nederland heeft in 2015 asielzoekers opgevangen die door oorlog en ellende verdreven zijn uit eigen land. Een groot aantal van hen kreeg na een strenge procedure een status. Het is in het algemeen belang dat deze mensen snel onze taal leren, onderwijs krijgen, ingeburgerd raken en door werk een bijdrage leveren aan onze samenleving. De consequenties van het opvangen van deze nieuwe burgers moeten naar de mening van de D66-fractie door de gehele samenleving worden gedragen en niet worden afgewenteld op een groep Nederlanders die het zelf op de huisvestingsmarkt of anderszins al moeilijk heeft. In gezamenlijkheid met gemeenten en woningbouwcoöperaties zullen we de huisvestingsconsequenties daarvan onder ogen moeten zien. Het is daarom dat de D66-fractie de antwoorden van de regering met veel belangstelling tegemoet ziet.


De heer Sietsma (ChristenUnie):

Mevrouw de voorzitter. In West-Europa, en meer in het bijzonder in Nederland, leven we in een zeer bevoorrechte positie als het gaat om vrede, veiligheid en voorspoed. Natuurlijk kan je hier ook van alles overkomen, maar in principe kunnen we zo goed mogelijk voldoen aan onze eigen individuele ontplooiing. Die situatie van vrede, veiligheid en voorspoed brengt naar onze overtuiging ook een goddelijke verantwoordelijkheid mee om mensen die daar niet over beschikken, die het vege lijf moeten redden, ter wille te zijn en huisvesting te bieden. Rechtvaardigheid brengt mee dat we een ruimhartig vluchtelingenbeleid voeren en dat de mensen die voor hun leven moesten vrezen, een vorm van opvang vinden. Dat is historisch gezien altijd de rol van Nederland geweest. Ik heb het dan over de zestiende en de zeventiende eeuw. In die zin sluit dit aan bij onze beste historische tradities.

Tegelijkertijd zijn er duizenden woningzoekenden die soms al jaren op een wachtlijst staan, die nu minder gemakkelijk aan een woning komen. In dit voorstel gaat het niet over de toelating van vluchtelingen, maar om de manier waarop we omgaan met de huisvesting in ons land, onder anderen van de mensen die de asielzoekerscentra uitstromen. Het voorstel is om de wettelijke gelijkschakeling als het gaat over de prioriteit voor vergunninghouders boven andere prioritaire categorieën te beëindigen en aan te geven dat er maar één ding telt voor de rijksoverheid: op een kwalitatief toereikende manier voldoen aan de geldende taakstellingen, waarbij de manier waarop de gemeenten dat doen aan henzelf wordt overgelaten. Voor mijn fractie is de kern dat die taakstelling centraal staat en moet blijven staan. Verder wordt gemeenten van harte aanbevolen om dat op de beste manier te doen. Er is namelijk niet één model waarop dat kan, dat kan op een wijze zoals in het bestuursakkoord is aangegeven bijvoorbeeld met behulp van de Tijdelijke regeling stimulering huisvesting vergunninghouders, of op andere manieren. Als die voldoen aan de eisen die gelden voor kwalitatieve woonruimte mogen gemeenten dat zelf beslissen.

Het motief voor dit wetsvoorstel is dat de wachttijden voor reguliere woningzoekenden zo lang worden. Dit is niet goed te begrijpen, volgens de toelichting, want daarmee zou het draagvlak voor opvang van vergunninghouders kunnen verdampen, als er tenminste voor hen andere mogelijkheden zijn. Dat is niet waar dit voorstel over gaat. Mag van dit voorstel verwacht worden dat daarvan een stimulans uitgaat, waardoor andere methoden van huisvesting dan alleen maar het staan op de voorrangslijst voor sociale huurwoningen, positief worden beïnvloed? Gemeenten wordt overigens niets in de weg gelegd om zelf de voorrangspositie te handhaven. Als een stad in de woonruimteverordening deze categorie, net als de wettelijk verplichte categorieën, prioritair wil houden, dan mag dat. Het enige wat telt, is dat de rijksoverheid dat niet meer voorschrijft. De minister verwacht dat daarvan een stimulans uitgaat om de aantallen te verhogen.

In dit verband heb ik dezelfde vraag als de heer Pijlman. Ook ik verbaasde me over de bewoordingen van de heer De Vries van de fractie van de Partij van de Arbeid aan de overzijde over symboolwetgeving. Daar hebben we niet zozeer behoefte aan, en dat stond ook niet in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel. Wij gaan er dus van uit dat het waar is wat de minister zegt en dat van dit wetvoorstel effectiviteit mag worden verwacht. Maar kan hij dan wel uitleggen waarom een coalitiegenoot die aangaf dat alleen maar is meegewerkt aan dit wetsvoorstel omdat dat nou eenmaal was afgesproken, dit symboolwetgeving noemt? Dat is voor ons belangrijk om onszelf serieus te nemen. Het zou namelijk wel heel vreemd zijn als een coalitiepartij terecht over symboolwetgeving spreekt, en wij hier achter het wetsvoorstel aanlopen in de veronderstelling dat de argumentatie die in de toelichting staat, klopt.

Kan de minister iets concreter zijn over het verwachte effect van de wet? Kan hij aantonen dat van het veranderen van de wet door de verplichte categorie eruit te halen, daadwerkelijk een stimulans op de gemeenten uitgaat? Ons doel is immers dat die ik meen 15.000 vergunninghouders in asielzoekerscentra zo spoedig mogelijk op een reguliere manier worden gehuisvest. Alleen dan kan hun integratie in de samenleving tot stand komen. Mijn fractie is in dit opzicht enigszins verrast door de opstelling van de leden van de G32, die op een bijzondere manier aantoont dat ze liever minder dan meer beleidsvrijheid krijgen. Ik gaf net aan dat niets de gemeenten verbiedt om die voorkeur in hun eigen verordening te handhaven. De minister geeft gemeenten de vrijheid, maar ze smeken ons nu om hen niet die mogelijkheid te laten. Mijn antwoord zou zijn: aan het hoofd van een gemeente staat de raad, en niet de Eerste Kamer of de wetgever. B en W kunnen, als ze dat willen, met die raad afspreken dat ze doen wat ze willen, namelijk die voorrangspositie handhaven. Ik ben verrast door die brief. Wil de minister daar nog enigszins op reflecteren?

Ik heb nog een vraag over de andere categorieën die overblijven in de Huisvestingswet. Je kunt misschien wel met evenveel reden als waarmee de minister nu aangeeft dat er positieve effecten worden verwacht van het schrappen van deze categorie vergunninghouders, volhouden dat die andere categorieën, namelijk degenen in blijf-van-m'n-lijfhuizen en mantelzorgers, ook beter af zijn als ze uit de wet gaan. Gemeenten gaan dan immers meer verantwoordelijkheid voelen en de problemen zelf oplossen. Kan de minister daarop ingaan? In dat geval zijn we immers met deregulering bezig. Dat is prachtig, want minder regels en meer effect wil iedereen wel.

De stroom van vluchtelingen is minder groot dan voorheen, maar dat betekent niet dat alle oplossingen voorhanden zijn. Ik zeg ook niet per se dat het beter gaat met het vluchtelingenbeleid. Dat is niet zozeer kritiek op Nederland, maar op de algemene internationale situatie. Ik denk dat wij als Europese samenleving een enorm probleem hebben met het grote morele vraagstuk van de vluchtelingen. Dat betekent niet dat hier maar een soort framing of fixatie ons in de weg moet staan bij het nemen van de meest adequate maatregelen die dat centrale woord "rechtvaardigheid" bewerkstelligen. Ik geef de regering mee dat, als met dit wetsvoorstel de rechtvaardigheid gediend is, wij dat zullen steunen. Mocht dat niet zo zijn, dan wordt het voor ons moeilijk om het te steunen. Ik wacht daartoe graag de antwoorden van de minister af.


De heer Lintmeijer (GroenLinks):

Voorzitter. De aanpassing van de Huisvestingswet 2014 die de positie van vergunninghouders wijzigt bij het toewijzen van woningen, leidt tot weinig vreugde. En behalve dat leidt het wetsvoorstel ook niet tot een oplossing van het tekort aan beschikbare woningen, niet voor statushouders en niet voor andere mensen in Nederland die op zoek zijn naar een betaalbare huurwoning. Maar het kan wel leiden tot stigmatisering van een toch al kwetsbare groep. Onder de kabinetten-Rutte I en II is het aandeel goedkope en betaalbare huurwoningen in de woningvoorraad fors afgenomen. Dat is geen natuurverschijnsel, maar de uitkomst van bewust liberalisatiebeleid en het trapsgewijs verhogen van de verhuurderheffing. Liberalisatie leidt ertoe dat de betere woningen uit de sociale sector naar marktpartijen worden overgeheveld, waardoor ze in de praktijk alleen maar duurder worden. De verhuurderheffing brengt corporaties ertoe om hun bezit te gelde te maken door een combinatie van verkoop en hogere huren. Het gevolg voor woningzoekenden laat zich raden: met name in de grote steden staan mensen acht tot tien jaar op de wachtlijst voor een betaalbare woning en het aantal mensen dat te duur woont voor hun inkomen heeft tijdens deze kabinetsperiode het aantal mensen dat te goedkoop woont ingehaald. Scheefwonen is steeds meer te duur wonen geworden. De structurele scheefgroei op de woningmarkt is een gevolg van bewust ingezette liberalisatie door het kabinet-Rutte/Asscher. De instroom van asielzoekers en het verlenen van statussen aan vluchtelingen is in dit beleid slechts van marginale invloed. En wat doet het kabinet? Het wijzigt de wet zodat statushouders, zo ongeveer de meest kwetsbare groep op de woningmarkt, niet meer beschouwd hoeven te worden als urgent woningzoekenden. Het is alsof we in de winter op het station staan en tegen de mensen die op de trein staan te wachten zeggen: we hebben te weinig plek en iedereen met alleen een zomerjas aan kan bij ons geen kaartje meer kopen; probeert u het eens bij de gemeente.

Niet voor niks zetten tal van betrokken organisaties grote vraagtekens bij dit wetsvoorstel. VNG en IPO zien geen toegevoegde waarde en noemen het wetsvoorstel niet opportuun en niet gewenst. De G32 noemt het kabinetsargument van de grote instroom van asielzoekers een drogredenering en het wetsvoorstel zelf volstrekt overbodig en ongewenst. In het debat in de Tweede Kamer noemde coalitiepartij PvdA het wetsvoorstel dom. De koepel van woningcorporaties Aedes vindt het voorstel onverstandig. Het Verwey-Jonker Instituut pleit op basis van onderzoek bij twintig grote gemeenten voor het vasthouden van het besef van urgentie voor woningzoekende vergunninghouders. Het Verwey-Jonker Instituut vraagt specifiek aandacht voor minderjarige vreemdelingen en voor het bestendigen van bestaande maatregelen. Het zijn allemaal niet de woorden van mijn fractie, ik citeer alleen maar uit wat uit het maatschappelijk veld aan kwalificaties langskomt. Voor de fractie van GroenLinks weegt zwaar wat de effecten op de woningmarkt voor vergunninghouders zijn. Vooralsnog lijken die op de woningmarkt nihil. Voor statushouders zijn de effecten alleen maar negatief, in positie en in de beeldvorming. De GroenLinksfractie ziet niets in het aanwijzen van één specifieke groep in de samenleving waarvan de urgentie als woningzoekende wordt afgenomen, zeker niet als dat een groep is die door zijn recente inkomst in het land kwetsbaar is. De instroom van vluchtelingen is niet de oorzaak van het stijgende tekort aan betaalbare woningen in met name de steden. Dat heeft, hebben wij net betoogd, andere oorzaken. Met deze wetgeving lijkt het kabinet impliciet de schuld voor het oplopen van wachtlijsten te leggen bij een groep mensen met een moeilijke startpositie en nauwelijks een sociaal vangnet in de Nederlandse samenleving. Dat vinden wij politiek onwenselijk en het brengt het risico met zich mee dat een kwetsbare groep ten onrechte als oorzaak van een probleem wordt aangewezen, zonder dat er een begin van een oplossing wordt aangedragen. Daar doen wij niet aan mee.

Vanuit de rol van de Eerste Kamer kijkt mijn fractie ook naar de rechtsstatelijke kant van de wet. En ook dan zijn er aanmerkelijke bedenkingen. De Raad van State is in zijn advies zeer kritisch over de motivatie van het kabinet om af te stappen van de gelijke behandeling van verschillende groepen urgente woningzoekenden. Net als mijn fractie ziet de Raad van State een grote spanning met het gelijkheidsbeginsel zoals dat is geregeld in de Grondwet en in het EVRM. Nu zijn grondrechten nooit absoluut en kunnen er zwaarwegende redenen en legitieme afwegingen zijn om af te wijken van een grondrecht als het gelijkheidsbeginsel. Dan moet daar wel een voldoende en onweerlegbare motivatie onder liggen. Mijn fractie heeft die tot nog toe niet gevonden. Dat knelt des te meer omdat betrokken partijen geen effect zien van de wet in het verkorten van wachtlijsten en het sneller helpen van mensen met urgente behoefte aan betaalbare woonruimte. Wij vragen de minister dan ook nog eens om ondubbelzinnig aan te geven welke motivatie er ten grondslag ligt aan het afwijken van het gelijkheidsbeginsel.

Het College voor de Rechten van de Mens wijst erop dat het wetsvoorstel schuurt met het Vluchtelingenverdrag en met artikel 32 van de EU-Kwalificatierichtlijn. Die schrijft voor dat lidstaten zich moeten inspannen om vluchtelingen op het gebied van toegang tot huisvesting gelijke kansen te bieden. Onder sub 2 staat: "De lidstaten spannen zich in, onverminderd de ruimte die wordt gelaten voor nationale spreiding van de personen die internationale bescherming genieten, een beleid te voeren dat erop gericht is discriminatie van personen die internationale bescherming genieten, te voorkomen en hun op het gebied van toegang tot huisvesting gelijke kansen te bieden." Wij vragen de minister hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot deze antidiscriminatiebepaling.

Dit wetsvoorstel lijkt ingegeven door de suggestie dat vluchtelingen een voorkeursbehandeling krijgen. Mijn fractie kijkt daar anders tegenaan. Erkende vluchtelingen niet als urgent woningzoekende behandelen maar hen op een gewone wachtlijst zetten, leidt niet tot gelijke behandeling met andere woningzoekenden. Statushouders verkeren in een andere positie dan mensen die hier altijd al gewoond hebben. Zij hebben nog geen wortels en netwerken. Ze kunnen op niemand terugvallen en hebben wel direct huisvesting nodig. Sterker nog: hoe langer het duurt, hoe langer het Rijk voor de opvang moet zorgen, des te meer komt de centrale opvang onder druk te staan. En hoe meer de wachttijden toenemen, hoe slechter dit is voor de integratie van vergunninghouders, want die begint pas echt met de vestiging in een gemeente, waar met taal en arbeidsmarkttoeleiding kan worden begonnen. En wat zijn de consequenties voor gezinshereniging? Vluchtelingen moeten binnen drie maanden na statusverlening om gezinshereniging verzoeken, juist omdat een snelle termijn de integratie zou bevorderen. Dat heeft echter alleen zin als er voor het gezin ook een woning beschikbaar is. Wie neemt daarvoor de verantwoordelijkheid? Graag een reactie van de minister.

Met dit wetsvoorstel neemt het kabinet afstand van een lange historie waarin het Rijk zich actief inzette om door de jaren heen steeds wisselende groepen migranten verantwoord over het land te helpen verdelen. De fractie van de ChristenUnie begon in 1600. Ik begin iets later, namelijk vlak na de Tweede Wereldoorlog: van Indische Nederlanders tot Molukkers, later Surinamers en nu vluchtelingen met een status. Huisvesten van nieuwe groepen mensen in de samenleving leidde ook in het verleden tot weerstand. Daarom was en is het van belang — en veelal ook succesvol — dat het Rijk ook zijn verantwoordelijkheid neemt en gemeenten en woningzoekenden met een buitenlandse achtergrond niet alleen laat staan. Met deze wet komt daar nu een kentering in. Symboolwetgeving is het begrip dat wij nog het meest zijn tegengekomen in de opinies over deze wet. Wij vinden dat nog te zacht uitgedrukt. Het signaal dat het kabinet afgeeft richting statushouders is negatief. Het signaal naar de samenleving dat we hiermee een probleem oplossen is betekenisloos. Het signaal naar gemeenten is: los het zelf maar op. Op deze manier zet het kabinet stappen terug in de opvang en integratie van vluchtelingen die een erkende status hebben gekregen. Dat is iets wat wij niet willen steunen.


De heer Schouwenaar (VVD):

Voorzitter. We zien in Europa een enorme migratie met grote aantallen vluchtelingen. Ons opvangsysteem piept en kraakt. Nederland pakt dit goed aan. Mijn fractie spreekt grote waardering daarvoor uit voor alle vrijwilligers, gemeenten, het COA en vluchtelingenorganisaties; voor iedereen die meehelpt. Toch komen er telkens nieuwe problemen. Een daarvan bespreken wij vandaag: de wettelijke automatische voorrang voor vergunninghouders.

Het probleem met deze voorrang is tweeledig. Deze nodigt niet uit om naar alternatieven te zoeken en is niet bevorderlijk voor het draagvlak voor de opvang in het algemeen. Dat is nu juist wat zo nodig is. Daarom wordt voorgesteld om de wettelijke automatische voorrang te schrappen en de toekenning van voorrang bij de gemeenten te laten. Mijn fractie vindt dat een goed voorstel. Van verschillende kanten is er kritiek op gekomen, kort samengevat in een zestal punten:

het voorstel belemmert de uitstroom;

voorrang is onmisbaar om de taakstelling te halen;

we moeten meer bouwen;

het is symboolwetgeving;

het leidt tot uitsluiting;

de financiële ondersteuning is te weinig.

Dat is nogal wat. Daarom zou ik er ook iets over willen zeggen.

Allereerst: het belemmert de uitstroom. Vergunninghouders hebben recht op huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en werk. Dat bevordert hun integratie. Mijn fractie onderschrijft dit. Reguliere woningzoekenden hebben echter ook belangen. Deze belangen worden bij de nu geldende wet niet afgewogen. Ze worden ongezien en categoraal afgewezen. Dat is moeilijk te accepteren en het maakt het draagvlak niet groter.

Ten tweede: de voorrang is nodig om de taakstelling te halen.

De heer Pijlman (D66):

Ik zou de heer Schouwenaar willen vragen wat hij nu concreet van dit wetsontwerp verwacht als het gaat om de positie van mensen op de wachtlijst.

De heer Schouwenaar (VVD):

Bedoelt de heer Pijlman de mensen op de reguliere wachtlijsten?

De heer Pijlman (D66):

Ja, zeker.

De heer Schouwenaar (VVD):

Wij verwachten dat er door een verhoogde bouwinspanning meer woonruimte ontstaat om aan de taakstelling te voldoen, maar ook meer woonruimte ontstaat voor woningzoekenden die op de reguliere wachtlijsten staan. Met nadruk moet gezegd worden dat de tijdelijke subsidieregeling, andere regelingen voor woonruimte die er zijn, of gemeentelijke versnellingsarrangementen, niet alleen voor statushouders zijn maar ook voor mensen die al langer op de wachtlijst stonden.

De heer Pijlman (D66):

Dat is zo, maar die tijdelijke regeling is er al. Toch verwacht de heer Schouwenaar dat het wetsvoorstel waar we het vandaag over hebben ertoe zal leiden dat er meer gebouwd wordt. Ik zou toch heel graag willen dat hij dat nog eens duidt.

De heer Schouwenaar (VVD):

Ik kan me niet herinneren dat ik dat gezegd heb.

De heer Pijlman (D66):

We zouden het na kunnen slaan. Ik dacht dat hij net zei …

De heer Schouwenaar (VVD):

Dat er meer gebruikt gemaakt wordt van alternatieve bouw als het ombouwen van kantoren. Zo zal ik het maar noemen. Ik bedoel niet de corporatiesector.

De heer Pijlman (D66):

Oké. Bedoelt de heer Schouwenaar dat door dit wetsvoorstel de tijdelijke uitbreidingsmogelijkheden meer zullen worden benut?

De heer Schouwenaar (VVD):

Ja.

De heer Pijlman (D66):

Ook als gemeenten er geen gebruik van maken, omdat ze het om andere redenen geen goede instrumenten vinden, zoals door velen al betoogd is?

De heer Schouwenaar (VVD):

Nee, de taakstelling blijft. Dan moeten gemeenten op een andere wijze voorzien in de huisvesting. Dat is namelijk hun opdracht. Dat staat geloof ik in artikel 13, lid 4. Ik was gebleven bij het tweede punt, namelijk dat voorrang nodig is om de taakstelling te halen. Deze kritiek komt mijn fractie wat ongenuanceerd voor. De taakstelling laat namelijk toe dat we eerst naar alternatieven zoeken; daarna, voor zover alternatieve bouw te weinig oplevert, kunnen gemeenten zelf besluiten om voorrang te geven. Daar is geen wettelijk automatisme voor nodig. Overigens, iets meer dan de helft van de gemeenten kan zonder voorrang de taakstelling halen.

Het derde kritiekpunt is dat we te weinig bouwen. We moeten dus meer bouwen. Of, zoals sommigen zeggen: bouwen, bouwen, bouwen. Mijn fractie vraagt zich af: wat gaan we dan bouwen? Alternatieve bouw, omzetten van kantoren in woonruimte: dat is prima. En reguliere woningzoekenden kunnen er ook gebruik van maken. Maar moeten we ook versneld meer sociale woningen gaan bijbouwen? Het zou kunnen. Misschien helpt het, maar dat valt te betwisten. De sector is nu al te groot ...

Excuses, mijn telefoon gaat af; nu ben ik helemaal van mijn à propos.

De voorzitter:

Dat is uw eigen schuld.

De heer Schouwenaar (VVD):

Dat is inderdaad mijn eigen schuld. Dat kost tijd; dat weet ik.

De heer Lintmeijer (GroenLinks):

Ik dacht even dat het een corporatie was die met een aanbod belt.

Ik vroeg me af wat de heer Schouwenaar wilde betogen. Hij begon hoopvol: misschien moeten er meer sociale woningen worden bijgebouwd. Dat zou wellicht een brug slaan naar onze mening. Waar ziet hij daarvoor kansen? Dan hebben we misschien iets waar we het gezamenlijk over eens zouden kunnen zijn.

De heer Schouwenaar (VVD):

De sector is nu al te groot met 2,4 miljoen woningen voor een doelgroep van 1,8 miljoen huishoudens. En bijbouwen kost tijd. De corporaties lopen achter terwijl we nu een probleem hebben. Ingaande op de vraag van de heer Lintmeijer: in zijn algemeenheid staan wij voor een beleid waarbij minder groot gebouwd wordt dan in de afgelopen decennia. Een groot deel van de woningzoekenden betreft geen gezinnen bestaande uit man en vrouw of man en man en een aantal kinderen, maar betreft alleenstaanden of starters; laatstgenoemden zijn met zijn tweeën. Wat dat betreft is er een groot aanbod aan wat grotere woningen en te weinig aanbod aan kleinere …

Nu gaat mijn telefoon weer af!

De voorzitter:

Het zit niet mee, hè?

De heer Schouwenaar (VVD):

Nee, het zit niet mee. Dank voor de morele ondersteuning. Nu ben ik weer van mijn à propos.

Het beleid zou wat ons betreft gericht moeten zijn — en misschien ook wel een tijd lang gericht moeten blijven, want dat is een kwestie van jaren — op het afstoten van grote woningen. Die genereren een opbrengst en daarvan kan kleiner teruggebouwd worden. Misschien kan het ook op een andere manier. Wij hebben gelezen dat de corporaties veel geld tot hun beschikking hebben, dus ook dat zou kunnen worden ingezet voor bijbouwen, maar dan wel van kleinere woningen dan we tot nu toe gewoon waren.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Ik heb die getallen ook gelezen in de schriftelijke beantwoording van de minister. Ik ben er heilig van overtuigd dat hij gelijk heeft qua getallen, maar dit lijkt een beetje op de stelling dat iedereen in Nederland rijk is als je het hele kapitaal van iedereen bij elkaar optelt en deelt door het aantal inwoners van Nederland; dan is iedereen rijk. Alleen, je zult in verschillende delen van Nederland verschillende woningbehoeftes hebben. Dat betekent dus dat je op een gegeven moment, of je nu wilt of niet, zult moeten bijbouwen. Dat moeten corporaties doen. Daar kun je niet altijd weer een andere woning voor verkopen; dat moet je in bepaalde regio's gewoon doen. En de ene corporatie is de andere niet. Dus je kunt dit niet veralgemeniseren in de zin van: er is genoeg, dus je kunt verkopen en dan doe je maar wat anders.

De heer Schouwenaar (VVD):

Ik denk dat het goed is als we de zaken hier wel in zijn algemeenheid bekijken. De minister bouwt geen woningen. Hij is ook geen corporatiedirecteur, zo heb ik zaterdag gelezen, maar hij is wel systeemverantwoordelijk. Voor ons brengt dat met zich mee dat ook wij naar het systeem als geheel kijken. Het afstoten van grotere woningen heeft nog een ander voordeel: primair dat het een opbrengst genereert waarvoor sociale, gereguleerde woningen met een wat kleiner volume en dus ook een wat lagere huur in verband met het passend toewijzen kunnen worden teruggebouwd. Bovendien kunnen die grotere woningen dienen om straks geliberaliseerd te worden, om op die manier bij te dragen tot de vulling van dat middensegment, waar mevrouw De Vries-Leggedoor ook over gesproken heeft.

Het vierde kritiekpunt is dat het symboolwetgeving betreft. Mijn fractie deelt die kritiek niet. Het voorstel leidt tot decentralisatie. De gemeente beslist zelf over voorrang in plaats van dat er sprake is van een wettelijk automatische voorrang vanuit Den Haag. Deze gemeentelijke bevoegdheid is een incentive, een stimulans om te zoeken naar alternatieve bouw. Het voordeel daarvan is minder verdringing, dus meer draagvlak.

Het vijfde kritiekpunt betreft uitsluiting. Mijn fractie stelt daar tegenover dat het voorstel juist een ongelijkheid opheft. Iedereen wordt gelijk behandeld op ons grondgebied. Dat betekent dat we vluchtelingen wel opvang, huisvesting en onderwijs bieden. Dat is allemaal geheel in lijn met artikel 1 van de Grondwet, maar we verlenen geen voorrang.

Als laatste kritiekpunt wordt gezegd dat de financiële regelingen tekortschieten. Mijn fractie wil niet uitsluiten dat regelingen voor verbetering vatbaar zijn.

De heer Pijlman (D66):

Ik heb een vraag over het vorige punt van de voorrangspositie. Is het in lijn met wat de heer Schouwenaar voorstelt niet logisch om iedereen die tot dusverre een voorrangspositie had, te skippen? Dat zijn mensen die feitelijk dakloos zijn. Ook een vergunninghouder is feitelijk dakloos wanneer hij het asielzoekerscentrum moet verlaten. In de redenering van de heer Schouwenaar zouden al die groepen dus geskipt moeten worden. Waarom neemt de heer Schouwenaar juist die ene groep eruit, terwijl zijn redenering voor al die groepen geldt?

De heer Schouwenaar (VVD):

Laten we vooropstellen dat bij dit wetsvoorstel één van de drie groepen die volgens de wet kunnen rekenen op urgentietoekenning, ter discussie staat. Beide andere groepen staan nu niet ter discussie. Maar ik geef toe dat de heer Pijlman een punt heeft. Zoals wij aankijken tegen voorrang in het algemeen, zou je je kunnen afvragen of je dat op deze manier moet doen. Je kunt je afvragen of niet ook een economische, maatschappelijke binding reden moet zijn voor urgentietoekenning en voorrang. Dat zou een heel interessante discussie kunnen zijn. Ik zeg dat vanuit het besef dat het bij het toewijzen van woningen om iets heel essentieels gaat. Dat pleit er aan de ene kant voor om extra naar noden van mensen te kijken en aan de andere kant om niet te gauw te beslissen dat de een voor de ander gaat. Dat mensen feitelijk dakloos worden gemaakt, bestrijd ik. Het kan namelijk nooit zo zijn dat vergunninghouders door het COA buiten de deur worden gezet en maar moeten zien waar ze blijven. De taakstelling blijft gelden, dus de gemeenten blijven verantwoordelijk en heel druk met ervoor zorgen dat dat goed komt.

De heer Pijlman (D66):

De heer Schouwenaar zei net dat ik wel een punt had met mijn opmerking en dat het een overweging waard is om te bekijken of al die groepen misschien wel hun voorrangsstatus zouden moeten verliezen.

De voorzitter:

Mijnheer Schouwenaar, nu gaat uw telefoon weer af.

De heer Schouwenaar (VVD):

Ik probeer hem uit te zetten, maar dat lukt niet zo goed.

De voorzitter:

Cursus, cursus!

De heer Pijlman (D66):

Ik denk dat het een fan is.

De heer Schouwenaar zegt: al die groepen zouden hun status kunnen verliezen. Maar waarom pakt het kabinet nu juist deze groep eruit?

De heer Schouwenaar (VVD):

U vraagt dat aan het kabinet, neem ik aan.

De heer Pijlman (D66):

Ik vraag het aan u, omdat u het stellig verdedigt.

De heer Schouwenaar (VVD):

Omdat hier dit punt nu voorligt. Het is natuurlijk heel interessant om dit onderwerp uit te breiden tot aanpalende gebieden, maar dat lijkt me nu te ver gaan. Bovendien is er in Nederland kennelijk grote consensus over dat we ook bij de woningtoewijzing willen differentiëren in de mate van urgentie van de een en van de ander. Maar nogmaals: daarover kun je discussiëren; dat is de afgelopen decennia ook gebleken, want er is heel veel over gediscussieerd, met name over het punt van de economische en maatschappelijke binding. Het laatste kritiekpunt is dat financiële regelingen tekortschieten. Mijn fractie wil niet uitsluiten dat de regelingen voor verbetering vatbaar zijn, maar financiële knelpunten zouden naar onze opvatting geen grondslag moeten zijn voor een wettelijke automatische voorrang. Voorrang bij toewijzing van een woning is een zwaar middel, zeker voor de gegadigde die afgewezen wordt. Daar behoort een gedegen lokale afweging aan ten grondslag te liggen.

Al met al erkent mijn fractie dat er kritiek mogelijk is, maar wij kennen daaraan niet een doorslaggevend gewicht toe. Voorop staat bij ons dat de mogelijkheden van alternatieve bouw beter benut worden en dat het draagvlak in stand blijft. Daarom steunen wij dit voorstel.

Ik bied nogmaals mijn excuses aan voor het feit dat mijn telefoon afging.

De voorzitter:

Misschien bent u er inmiddels achter hoe u hem op stil kunt zetten.


De heer Verheijen (PvdA):

Voorzitter. De volkshuisvesting is in Nederland in hoge mate gedecentraliseerd. Gemeenten en corporaties hebben daarin een dominante rol gekregen naast het Rijk. De noodzaak van een hogere bouwproductie en aandacht voor de sociale huursector wordt door eenieder onderschreven. Dat veronderstelde ik, maar ik heb zojuist in het betoog van de heer Schouwenaar gehoord dat hij nog twijfelde. Uit recente evaluaties van de verhuurderheffing blijkt toch dat de sociale woningvoorraad is afgenomen en dat er weliswaar een landelijk theoretisch evenwicht in vraag en aanbod bestaat, maar dat er reële spanningen bestaan in regionale huisvestingsmarkten. De CDA-fractie heeft er ook al op gewezen in haar bijdrage. Dat vraagt dus extra aandacht voor de instrumenten die het Rijk kan inzetten in regio's met oplopende spanningen, maar ook in regio's met krimpverschijnselen. Met andere woorden: er blijft nationale regie nodig.

Daarom heeft de Partij van de Arbeid in de Tweede Kamer bij dit wetsvoorstel bedongen dat er een extra inzet van minimaal 14.000 wooneenheden wordt gerealiseerd middels afspraken van het kabinet met de gemeenten om hen beter in staat te stellen om aan hun taakstelling te voldoen. Dat deed de balans in positieve zin omslaan ten gunste van dit wetsvoorstel. Daarna is er in twee schriftelijke ronden door deze Kamer met de regering van gedachten gewisseld over de proportionaliteit van het wettelijk laten vervallen van de urgentiestatus en over de vraag in hoeverre de regering nu materieel de gemeenten in voldoende mate ondersteunt bij hun opgave. Naar aanleiding van deze nadere verslaglegging hebben wij nog de volgende vragen aan het kabinet.

Ook wij hebben kennisgenomen van de recente brief van de VNG en vragen de minister een duiding te geven van de conclusie dat het wetsvoorstel geen materiële betekenis zou hebben. In zijn antwoord zei hij zelf door aanname van dit wetsvoorstel een verruiming van huisvestingsmogelijkheden te verwachten en geen extra risico's te zien voor de huisvestingstaakstelling inzake urgentie. Kan de minister hier helderheid verschaffen? Kan hij ook aangeven hoe hij de handhavingsmaatregelen, of eventueel de handhavingslast, inschat die het gevolg zijn van het loslaten van de urgentiestatus door het Rijk en of de noodzaak van handhaving zal toenemen als gevolg van dit wetsvoorstel?

De fractie van de Partij van de Arbeid hecht sterk aan een goede werkrelatie tussen Rijk, gemeenten en corporaties om de huisvestingstaakstelling in goede banen te leiden. Decentralisatie betekent onzes inziens niet afstand creëren tussen bestuurslagen die juist eensgezind en in goede harmonie met inzet van wederzijds beschikbaar instrumentarium een belangrijke opgave hebben te bewerkstelligen.

De stemming die uit de brief van de VNG naar voren komt, had wellicht kunnen worden voorkomen als de regering ruimhartiger had voorzien in regelingen ter versterking van de ontwikkeling van alternatieve huisvestingsmogelijkheden en gepast en sneller had gereageerd op de aanwezigheid van knelpunten, zoals die blijken uit de evaluatie van het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut over de exploitatieproblematiek. De minister betoogt in een nader verslag — ik citeer — dat het gebruik van de subsidieregeling geen doel op zich is en de voorwaarden die hij eraan heeft gesteld de maatschappij kosten bespaart. Wij achten deze argumentatie twijfelachtig, omdat zij niet in de eerste plaats het doel van de regeling beoogt: een ruimere ondersteuning van gemeenten bij de creatie van huisvestingsmogelijkheden bevorderen. Deze kosten zullen altijd afgewogen moeten worden tegen de maatschappelijke kosten en verliezen die optreden bij de stagnatie van de huisvesting van statushouders en andere woningzoekenden.

Het is evident dat er extra investeringen gedaan moeten worden om de huisvesting geschikt te maken. De voorwaarden die nu gelden, sluiten blijkbaar niet voldoende aan bij de creativiteit die nodig is om passende plekken te realiseren. Het past de regering om hier voortvarend ondersteuning aan te bieden in plaats van slechts te constateren dat het gebruik van de regeling geen doel op zich is. Graag horen wij een reactie van de zijde van de regering op deze en andere gestelde punten.


De heer Köhler (SP):

Voorzitter. Vaak begin ik mijn inbreng over een wetsontwerp met een korte weergave van de strekking van het voorstel. Dat is bij dit wetsontwerp bijna niet te doen, want het beoogt iets te wijzigen aan de manier waarop vergunninghouders in de gemeenten gehuisvest worden, maar doet dat niet. Treffend is de reactie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, die ons vrijdag een brief toestuurde. Ik citeer het slot van hun brief. "Van het wetsvoorstel gaat nog steeds de suggestie uit dat urgentie voor statushouders niet nodig is. Dat beïnvloedt het hele klimaat rondom huisvesting van vergunninghouders. Dat is ongelukkig, omdat het wetsvoorstel alleen regelt dat als een gemeente een urgentieregeling vaststelt, het op voorhand niet meer bij wet is voorgeschreven dat vergunninghouders behoren tot de urgent woningzoekenden. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen materiële betekenis." Ik herhaal deze zin van de VNG-brief: "Het wetsvoorstel heeft daarmee geen materiële betekenis. Het biedt gemeenten niet meer mogelijkheden om lokaal maatwerk te leveren, biedt ook niet meer keuzevrijheid in het huisvesten van vergunninghouders, noch biedt het meer instrumenten om verdringing op de woningmarkt tegen te gaan. Het wetsvoorstel levert aldus geen bijdrage aan de oplossing van de problematiek."

Dit citaat zou de tekst kunnen zijn van een gezamenlijke stemverklaring, waarmee deze Kamer het wetsontwerp afwijst. De feiten die de VNG opsomt, zijn namelijk onweerlegbaar. Helaas lijken ook in deze Kamer sommige partijen zichzelf echter te bedriegen met het idee dat deze wet toch ergens goed voor is.

Vergunninghouders moeten zo snel mogelijk in een gemeente worden gehuisvest om daar hun leven in onze maatschappij verder vorm te kunnen geven. In gemeenten met te weinig beschikbare betaalbare woningen is in de huisvestingsverordening geregeld dat urgent woningzoekenden voorgaan op mensen die nu niet passend wonen, maar al wel gehuisvest zijn. Vergunninghouders horen bij de groep urgenten, net als alle anderen die technisch gesproken dakloos zijn. Er is dus geen sprake van bevoorrechting van vergunninghouders. Zij worden net zo behandeld als andere urgent woningzoekenden. In gelijke gevallen wordt men gelijk behandeld.

De heer Schouwenaar (VVD):

We hebben recent een onderzoek van het RIGO kunnen lezen. Ook van WoON hebben we cijfers gekregen. Daarin zijn de wachtlijsten onderzocht en het blijkt inderdaad dat het grootste deel van de wachtlijsten, twee derde, niet hard is. Die wachtenden staan erop om tijd te sparen. Er is echter een gedeelte dat wel hard is en er is ook een gedeelte urgent. In het wetsvoorstel worden die reguliere woningzoekenden genoemd. Waarom zouden nu die urgente woningzoekenden, die op korte termijn een woning nodig hebben om niet in de problemen te komen — dat geven ze zelf aan — achtergesteld moeten worden ten opzichte van mensen die met voorrang urgentie krijgen?

De heer Köhler (SP):

Zij worden helemaal niet achtergesteld. Ook in de huidige wet en in de huidige huisvestingsverordeningen is vastgelegd dat mensen met een verblijfsstatus — dat zijn de mensen over wie we het hier hebben — urgent zijn, net als al die andere urgenten, die er in sommige gemeenten zijn. Zij hebben onder de huidige wetgeving geen voorrang op die andere urgenten, maar wel op anderen die op de wachtlijst staan, net als alle andere urgenten, die technisch dakloos zijn.

De heer Schouwenaar (VVD):

Daarmee is het probleem niet opgelost. Er zijn te weinig woningen, er is te weinig huisvesting; dan kun je dus niet zonder meer zeggen dat al die urgenten aan de beurt komen omdat ze urgent zijn. Er zal op een gegeven moment toch een keuze moeten worden gemaakt in een concrete situatie. Je kunt een woning maar één keer toewijzen op dat laagste gemeentelijke niveau; dan is het toch: of de ene of de andere urgente.

De heer Köhler (SP):

Uiteraard. Gelukkig is het nu, ondanks de lange wachtlijsten en de grote tekorten aan sociale woningen, zo dat er in alle gemeenten naast alle urgenten, onder wie de vergunninghouders, gelukkig nog een heleboel anderen aan de beurt komen. Van de toegewezen woningen gaat misschien 10% of 20% — dat scheelt per gemeente — naar deze groep toe. De andere 80% à 90% gaat gelukkig nog naar anderen. Dat is allemaal onder de huidige wet. Maar de heer Schouwenaar heeft gelijk: je kunt een woning, althans dezelfde woning op hetzelfde moment, maar één keer toewijzen, dus waar de één in komt, kan de ander nog niet in. Het probleem is dat er, gemeten naar de woningbehoefte, te weinig woningen zijn, althans in heel grote delen van het land. Dat probleem blijft bestaan, ook als we deze wet aannemen. Ik kom daar zo nog op, maar dat probleem verandert in het geheel niet. Datzelfde geldt voor de toewijzing aan vergunninghouders, zoals al bleek uit het citaat van de VNG. Ik kom daar dadelijk op terug.

Mijn eerste punt was dat er onder de huidige wet wel degelijk sprake is van een gelijke behandeling van vergunninghouders en andere urgent woningzoekenden die in dezelfde positie verkeren. Toch wilde de VVD in haar verbeten strijd met de PVV om kiezers, met de motie-Van der Linde in de Tweede Kamer — die motie ligt ten grondslag aan dit wetsvoorstel — de indruk wekken dat men vergunninghouders minder rechten zou moeten toekennen en dat dat gunstig zou zijn voor andere woningzoekenden. De verplichting voor gemeenten om vergunninghouders snel van woonruimte te voorzien, blijft echter ook in dit wetsvoorstel, wat ons betreft terecht, bestaan. Dat zal dus ook in de toekomstige situatie, als dit wetsvoorstel wet zou worden, in de meeste gevallen de toewijzing van een speciale huurwoning betreffen. Aangezien dat snel moet gebeuren, is dat dan bij voorrang. In sommige gevallen zal er in alternatieve huisvesting worden voorzien, nu deze huisvesting, ondersteund door subsidie, hier en daar op beperkte schaal tot stand komt. Daarmee zal echter slechts een beperkte groep vergunninghouders in huisvesting kunnen worden voorzien. Het toewijzen van vergunninghouders aan die alternatieve huisvesting kan ook als deze groep in de huisvestingsverordening als urgent woningzoekende is opgenomen; dat kan dus ook onder de huidige wet. Waar er dus wel voorzien wordt in alternatieve huisvesting, waarmee het probleem slechts deels kan worden verholpen, kan de urgent woningzoekende of de verblijfsgerechtigde daarnaar worden verwezen. Dan nog resteert een overgroot deel dat gewoon, en wel bij voorrang, in een sociale woning zal moeten worden geplaatst, ook als dit wetsvoorstel wordt aangenomen.

Materieel verandert er dus niets, ook niet als een gemeente onder de nieuwe wet met betrekking tot vergunninghouders niet meer als urgente groep benoemd wordt. De gemeenten moeten volgens het andere artikel — dat is het artikel dat de heer Schouwenaar net zo goed kon opsommen; ik geloof dat het om artikel 14, lid zoveel gaat — de vergunninghouders nog steeds bij voorrang, namelijk binnen een halfjaar, in een sociale woning plaatsen. Dat blijft. Dat leidt dus ook dan nog tot verdringing van ander woningzoekenden; dat is onvermijdelijk. Het geamendeerde wetsontwerp dat hier nu voorligt — daar heeft de PvdA-fractie aan de overkant gelijk in — is dus niet meer dan symboolwetgeving. Het heeft op het punt van de plaatsing van asielgerechtigden in huisvesting in de gemeenten geen enkel materieel gevolg.

Het is dan ook logisch dat zowel de betrokken gemeenten als de betrokken woningcorporaties zeggen dat zij geen behoefte hebben aan deze wetswijziging. Zouden alle fracties in deze Kamer, die immers allemaal de wetgeving op haar deugdelijkheid beoordelen, die conclusie eigenlijk niet moeten delen?

De minister noemt als voordeel van de nieuwe wet dat gemeenten meer zullen gaan nadenken over alternatieve huisvesting voor vergunninghouders, omdat de automatische urgentie voor deze groep bij de toewijzing van een sociale huurwoning vervalt. Dat lijkt mij een illusie. De gemeenten denken daar nu ook over na. Wat dacht u? Alle gemeenten met te weinig sociale woningen — daar hebben we het hier over — waarin er nu wachtlijsten ontstaan, hebben een huisvestingsverordening waarin de voorrang geregeld is. Al die gemeenten krijgen dan ook nog een grote toewijzing van asielgerechtigden. Zij hebben de mogelijkheid om te kijken naar vragen als "kunnen we misschien meer bouwen?" en "kunnen we misschien meer alternatieve huisvesting bieden?", en zij kijken daar nu al naar. Waarom zouden ze erover gaan nadenken als deze automatische voorrang verdwijnt, althans deze automatische benoeming tot "urgent woningzoekende", als zij dat nu nog niet deden? Kan de minister daar één rationeel argument voor noemen? De reactie van de G30, of de G32, lijkt daar helemaal niet op te wijzen. Die steden zeggen allemaal: voor ons gaat dat niets veranderen. Waar haalt de minister het idee vandaan dat men nu vaker zal denken dat er misschien toch zou moeten worden bijgebouwd, al dan niet in de vorm van alternatieve huisvesting? De gemeenten voelen zich kennelijk niet daartoe aangespoord. Zij zien deze wet niet als iets waarmee zij concreet iets kunnen veranderen of verbeteren aan de situatie. Zij vragen ons dan ook massaal om dit wetsontwerp af te wijzen.

Wat wel zin zou hebben om het probleem van de groeiende wachtlijsten en de verdringing van woningzoekenden aan te pakken, is een behoorlijke uitbreiding van de sociale huurvoorraad.

De heer Sietsma (ChristenUnie):

Het is logisch dat alle problemen snel zullen verminderen als we meer woningen zouden kunnen bouwen. Maar zou de heer Köhler, ook als ex-wethouder van een grote stad, eens kunnen reflecteren op het feit dat de gemeenten meer bevoegdheden krijgen in plaats van minder, ook gegeven de bestaande woningvoorraad en de bestaande regelgeving voor alternatieve voorzieningen voor vergunninghouders? Gemeenten pleiten altijd voor meer bevoegdheden ten opzichte van het Rijk, voor gemeentelijke autonomie, vooral met betrekking tot lokale vraagstukken. Hoe kan het dan dat gemeenten, als moment dat zij zelf mogen beslissen om deze categorie gewoon te handhaven, ons toch massaal vragen om dat te doen? Wat zou daarachter zitten? Heeft de heer Köhler daar een idee van?

De heer Köhler (SP):

Ja, daar heb ik wel een idee van. Ik denk dat dat idee ook niet zo heel origineel is. Onder de bestaande wet moeten gemeenten honderd vergunninghouders — laat ik dat getal voor het gemak noemen- - in hun schaarse woningvoorraad plaatsen. Vervolgens komt er een nieuwe wet waarin in één artikel wordt geschrapt dat ze die mensen met voorrang moeten plaatsen, terwijl in een ander artikel staat dat ze die mensen wel snel moeten inplaatsen. Gemeenten krijgen daar helemaal niet meer beleidsvrijheid door; zij komen daardoor in een schimmengevecht terecht. Zij kunnen hun huisvestingsverordening gaan veranderen, maar dat zullen ze meestal niet doen, want dat is heel onpraktisch. Maar ook als ze het wel doen, dan heeft het geen enkel materieel gevolg, want ook als die groep in de huisvestingsverordening niet meer als urgent wordt aangeduid, moeten ze die honderd mensen toch allemaal met voorrang, namelijk het liefst binnen een halfjaar en in ieder geval binnen een jaar, in diezelfde even kleine of even grote woningvoorraad plaatsen. Gemeenten krijgen materieel dus niet meer beleidsvrijheid. Ze krijgen ook niet meer mogelijkheden om in alternatieve huisvesting te voorzien, want die mogelijkheid hebben ze al. Daar er al een subsidieregeling voor en die wordt hier evenmin door verbeterd, maar dat is een ander discussiepunt.

Naast het beter of nog meer benutten van de alternatieve huisvesting, waarmee slechts een heel klein deel van het probleem zou kunnen worden opgelost, gaat het dus om een substantiële uitbreiding van de sociale huurvoorraad, maar die is juist door het beleid van deze regering en dat van haar voorgangers alleen maar kleiner geworden. In die situatie vind ik het dan ook een gotspe dat de minister vorige week de woningcorporaties ervan beschuldigde te weinig sociale huurwoningen te bouwen, in een doorzichtige poging om de schuld van zijn falend beleid bij een ander te leggen. Minister, als het sneeuwt, is het goed dat je je straatje schoonveegt, maar dan moet je de prut niet voor de deur van de buren deponeren.

Ten slotte nog een opmerking over de mogelijkheden voor doorstroming op de woningmarkt voor vergunninghouders die in alternatieve vormen van huisvesting terechtkomen. Soms zal dat om tijdelijke huisvesting gaan, soms om onzelfstandige woonruimte, soms om beide. Bewoners van dat soort huisvesting moeten daarna op zoek naar blijvende, liefst zelfstandige huisvesting. De minister zegt in het schriftelijk overleg over dit wetsontwerp dat deze vergunninghouders, net als anderen die een passende woning zoeken, op de wachtlijst mogen gaan staan, maar dan kan het in sommige gemeenten nog wel tien jaar duren voordat men aan de beurt is voor een zelfstandige huisvesting. Ik vraag de minister dan ook of dat wat hem betreft de bedoeling kan zijn. Is het de bedoeling dat mensen tien jaar in die alternatieve huisvesting blijven hangen?

Het probleem van doorstroming naar een reguliere woning kan nog erger worden nu in het wetsvoorstel de bepaling wordt geschrapt dat vergunninghouders niet mogen worden achtergesteld bij woningzoekenden met een economische of maatschappelijke binding aan de gemeente. Waartoe dient dit ondergeschoven punt uit het wetsvoorstel eigenlijk?

De fractie van de SP is, zoals altijd, benieuwd naar de reactie van de minister.


De heer Van Hattem (PVV):

Voorzitter. Het is een regelrechte gotspe dat asielzoekers met een verblijfsvergunning, zogenaamde statushouders, al jarenlang met urgentie voorrang krijgen bij de toewijzing van een sociale huurwoning. Dat is een verplichte voorrangspositie ten opzichte van veel andere woningzoekenden in dit land. Statushouder is in de praktijk niet alleen een verblijfsstatus, maar ook een bevoorrechte status. Naast het voorrecht op een sociale huurwoning verstrekken gemeenten royale vergoedingen voor het inrichten van deze woningen, soms zelfs tot €10.000, zoals de gemeente Oisterwijk. Ook zijn er voorbeelden van gemeenten die woningen toewijzen aan statushouders waar een normale Nederlandse huurder alleen maar van kan dromen. Als voorbeeld noem ik de gemeente Waalre, die een Syrisch statushoudersgezin met zes kinderen huisvestte in een kapitale villa met een WOZ-waarde van ruim een half miljoen euro. De gulheid van deze gemeente werd door deze statushouder schaamteloos misbruikt door er subiet een hennepkwekerij te vestigen. Dit kwam aan het licht toen de villa onlangs door deze hennepkwekerij tot de grond toe afbrandde. De gemeente zorgde vervolgens ook nog voor een vervangende woonruimte voor dit gezin. Deze voorbeelden zijn kenmerkend voor de asielwaanzin waaraan de overheden in dit land lijden.

Met deze wet, die de wettelijk verplichte urgentiebepaling voor huisvesting van statushouders schrapt, wordt de bevoorrechte status van asielzoekers formeel beperkt. Formeel, want het is de vraag in hoeverre dit in de praktijk het geval zal zijn. Nog altijd kunnen gemeenten een urgentiebepaling voor statushouders in hun huisvestingsverordening opnemen. Mogelijk zullen veel gemeenten dat nog steeds doen, omdat de door het Rijk opgelegde wettelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders onverminderd van kracht blijft. Sterker nog: op grond van het Bestuursakkoord verhoogde asielinstroom wil het kabinet nu met het conceptwetsvoorstel Wet kostenverhaal huisvesting vergunninghouders kosten in rekening brengen aan gemeenten die niet snel genoeg, binnen twaalf weken, een eigen woning aanbieden aan de aan deze gemeente toegewezen statushouders. Dit vanwege extra kosten voor het COA door het langere verblijf in een asielzoekerscentrum, waarbij nu wordt uitgegaan van €1.850 per maand per statushouder. En dit dan nog naast de eventuele indeplaatsstellingsmaatregel van de provincie indien de gemeente tekortschiet in het behalen van de taakstelling van het aantal te vestigen statushouders, wat in de praktijk betekent dat de provincie een huis huurt voor statushouders op kosten van die gemeente. Door deze maatregelen als een zwaard van Damocles boven de gemeenten te laten hangen, is de kans groot dat in de praktijk nog steeds veel gemeenten woningen met urgentie aan statushouders zullen toewijzen. Ziet de minister dit effect ook?

Terwijl het kabinet nu dreigt om de kosten van het COA door te berekenen aan gemeenten, zitten veel gemeenten al opgezadeld met hoge kosten, veroorzaakt door hetzelfde Bestuursakkoord verhoogde asielinstroom. Afgelopen jaar moesten halsoverkop in praktisch iedere gemeente asielzoekerscentra worden opgericht. Het kabinet had de Commissarissen van de Koning in hun functie als rijksheer de instructie gegeven om de massale asielinvasie optimaal te faciliteren. Met een ongeëvenaarde "wir schaffen das"-mentaliteit zijn veel provincies hiermee aan de slag gegaan, zo overijverig dat, nu het COA van sommige azc-locaties heeft afgezien, gemeenten met grote kostenposten zitten. Als voorbeeld noem ik de gemeente Deurne, waar al €134.000 was uitgegeven aan voorbereidingskosten voor een voormalig klooster, kosten die door de gemeente niet bij het COA kunnen worden teruggevorderd. Ook worden gemeenten geconfronteerd met andere samenhangende kosten voor het huisvesten van statushouders, zoals kosten voor bijstand, zorg en inburgering. Uiteindelijk zijn die kosten voor de belastingbetalende burger, die niet over een bevoorrechte status beschikt.

De voorliggende wet beoogt met het schrappen van de verplichte voorrangspositie voor statushouders de woningtoewijzingsmogelijkheden van gemeenten te verruimen. Ook deze mogelijkheden zijn echter niet eindeloos, laat staan te verantwoorden ten opzichte van andere woningzoekenden en de belastingbetaler.

De heer Köhler (SP):

Als ik de heer Van Hattem goed begrijp, is hij tegen alle regelingen die bevorderen dat asielgerechtigden uit het asielzoekerscentrum doorstromen naar woonplekken, in welke gemeente dan ook. Als hij consequent is, deelt hij dan ook het standpunt dat de asielgerechtigden maar beter allemaal in de asielzoekerscentra kunnen blijven zitten, ook nadat zij een verblijfsvergunning hebben gekregen?

De heer Van Hattem (PVV):

De beste oplossing is opvang in de eigen regio en niet in Nederland.

De heer Köhler (SP):

Daar ging mijn vraag niet over, dat weet de heer Van Hattem wel.

De heer Van Hattem (PVV):

Maar dat is wel mijn oplossing.

De heer Köhler (SP):

Ongeacht of Nederland nu de grenzen sluit …

De heer Van Hattem (PVV):

Dat moeten we doen inderdaad.

De heer Köhler (SP):

… en of dat zou kunnen, is er nu een aantal asielzoekers in Nederland. Zij zitten in asielzoekerscentra. Een aantal daarvan wordt erkend als vluchteling en krijgt hier asiel en een tijdelijke verblijfsvergunning. Die mensen moeten ergens gehuisvest worden. De heer Van Hattem is tegen alle regelingen om die mensen ergens te huisvesten. Dan is de consequentie van het standpunt van de heer Van Hattem toch dat ze dan maar in die asielzoekerscentra moeten zitten à de kosten voor de belastingbetaler van €1.850 per maand?

De heer Van Hattem (PVV):

Het is heel duidelijk. Wij kiezen voor opvang in de eigen regio. Ik kom er later in mijn betoog nog op terug. Heel veel lieden die naar Nederland komen, komen via illegale routes. Dat is al een reden waarom wij hier zo veel mensen niet moeten en willen opvangen.

De heer Köhler (SP):

Dit debat gaat niet over mensen die geen recht hebben op asiel, maar over mensen die wel recht hebben op asiel en een verblijfsstatus krijgen, die al in Nederland zijn en over de vraag hoe wij die huisvesten. Daar gaat deze wetswijziging over en daarover gaan ook mijn vragen aan de heer Van Hattem. Hij weigert kennelijk om te erkennen dat, als je daar geen enkele faciliteit voor treft, het enige mogelijke gevolg is dat mensen in die asielzoekerscentra blijven zitten, iets wat de Nederlandse belastingbetaler heel veel meer kost dan ze ergens te huisvesten.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik concludeer dat de SP zich meer zorgen maakt om de huisvesting van die zogenaamde asielzoekers dan om de huisvesting van onze Nederlandse burgers.

Nu het bouwen van nieuwe huurwoningen veel tijd, geld en inspanning vergt, gaan sommige gemeenten over tot het aankopen van bestaande woningen. De gemeente Bladel trekt hiervoor bijvoorbeeld 3 miljoen euro aanvullend krediet uit. Eerder dit jaar kocht deze gemeente al voor 1,8 miljoen euro tien woningen aan voor statushouders om zo aan haar taakstelling te kunnen voldoen. Door het beleid van open grenzen komen de financiële grenzen snel in zicht. Zolang we de grenzen niet sluiten, is het dweilen met de kraan open.

Want wat krijgen de gemeenten nog meer voor de kiezen? Gisteren werd bekend dat in de maand november een recordaantal van 5.000 statushouders een woning toegewezen heeft gekregen. Alleen al in één maand, dus. In dat tempo komen we uit op 60.000 personen op jaarbasis, een complete stad die gehuisvest moet worden. Hoe denkt de minister dat Nederland dit vol kan houden? Is hij ervan overtuigd dat met de zogenaamd verruimde mogelijkheden de voorrangspositie van statushouders in de praktijk verdwijnt en dat Nederlandse huurders niet verdrongen worden op de woningmarkt en geconfronteerd worden met steeds langer wordende wachtlijsten? Graag een reactie.

En dan zijn er nog nareizigers, de familieleden van statushouders die via gezinshereniging naar Nederland komen. Deze week schreef de NRC dat in dat kader ten minste 20.000 Syriërs vanuit Turkije en Libanon de komende maanden naar Nederland zullen komen, dit in navolging van asieleisers die veelal via illegale routes, via Turkije, Griekenland en de Balkan, naar Nederland zijn gekomen, daarmee dus al door tal van veilige landen, vaak vrouw en kinderen achterlatend. Deze gelukzoekers zijn niet in de eerste plaats op zoek naar veiligheid, maar naar onze welvaart. Vindt de minister het te verantwoorden dat voor hen massaal huizen beschikbaar moeten worden gesteld? Graag een reactie.

Helemaal van den zotte is dat sommige van deze asieleisers ook nog klagen, wanneer ze met meerdere statushouders onder één dak moeten wonen. Afgelopen juli deden de Eritrese Hissen en de Syrische Mazin in de Volkskrant hun beklag dat zij geen zelfstandige woning hadden, maar een huis dat zij met z'n zessen moesten delen. De bijgevoegde foto toonde een kapitale vrijstaande woning, met grote tuin, aan de groene dorpsrand van Veldhoven. In dat pand werden voorheen gehandicapte kinderen opgevangen. Het is een pand met een status die voor veel Nederlandse woningzoekenden niet is weggelegd, noch voor buren van asielzoekers, die vaak buitengewoon veel overlast ondervinden en wier klachten niet serieus worden genomen. Bijvoorbeeld in Ter Apel, waar de omwonenden van het azc geen touwtje meer uit de brievenbus kunnen laten hangen.

Nog niet zo heel lang geleden, in de wederopbouwjaren, in de tijd waarin volgens Jan Terlouw de touwtjes nog wel uit de brievenbus hingen, leefden vele Nederlandse gezinnen met anderen onder één dak in relatief kleine woningen. Jonge stellen moesten bij ouders of schoonouders introuwen. Vaak woonde opoe of opa ook nog in en soms ook nog een kostganger. En voor asieleisers zou dit nu te veel gevraagd zijn? De generaties die Nederland toen hebben opgebouwd, en hun kinderen en kleinkinderen, krijgen nu weer te maken met jarenlange wachtlijsten en onbetaalbare huurwoningen in de particuliere sector. Voor hen zegt de PVV: genoeg is genoeg. Voor hen gaan we Nederland terugveroveren. Het stoppen van de voorrangspositie van asieleisers voor huurwoningen is maar een kleine, maar noodzakelijke stap. Daarom zal de PVV voor dit wetsvoorstel stemmen.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.