Behandeling Project militair radarstation Herwijnen



Verslag van de vergadering van 2 december 2019 (2019/2020 nr. 9)

Aanvang: 18.30 uur

Status: gecorrigeerd


Aan de orde is de behandeling van:

  • de brief van de staatssecretaris van Defensie d.d. 7 juni 2019 inzake het besluit tot toepassing van de rijkscoördinatieregeling ten behoeve van het project militair radarstation Herwijnen (31936, letter I);

en van:

  • het besluit van de staatssecretaris van Defensie tot toepassing van de rijkscoördinatieregeling ten behoeve van het project militair radarstation Herwijnen.

Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Aan de orde is de brief van de regering 31936, letter I, besluit tot toepassing van de rijkscoördinatieregeling ten behoeve van het project militair radarstation Herwijnen. De staatssecretaris van Defensie heeft het genoemde besluit tot toepassing van de rijkscoördinatieregeling op 7 juni 2019 conform artikel 3.35, negende lid, van de Wet ruimtelijke ordening naar beide Kamers der Staten-Generaal gestuurd.

Ik heet de staatssecretaris van Defensie van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik maak de leden erop attent dat vijf leden tijdens dit debat hun maidenspeech zullen houden. Ik zal voorafgaand aan elke maidenspeech een belsignaal laten klinken. Het is hier gebruik om tijdens de maidenspeech niet te onderbreken. Na elke maidenspeech zal ik de spreker kort toespreken en de vergadering zal ik na de laatste maidenspeech, in dit geval na die van de heer Rietkerk, kort schorsen voor felicitaties.

Ik geef het woord aan de heer Dessing. Omdat het de maidenspeech is van de heer Dessing, zal ik nu een lang belsignaal laten horen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dessing i (FvD):

Voorzitter, dank u wel. Herwijnen, een plaats in Nederland waarvan ik tot het jaar 1990 nog nooit had gehoord. In dat jaar trad ik in dienst bij de Rijksluchtvaartdienst waar ik begon met theorielessen ter voorbereiding van mijn opleiding tot assistent-luchtverkeersleider. Tijdens een van deze lessen werd mij geleerd dat het belangrijkste radarstation waar de luchtverkeersleiding toentertijd gebruik van maakte, al sinds 1971 was gelegen in Herwijnen. Dit was vanwege de gunstige centrale ligging en de beste radardekking om het gehele luchtruim van Nederland te bestrijken. Vandaag, 29 jaar later, sta ik hier in de Eerste Kamer en behandelen wij de brief van de staatssecretaris van Defensie. Daarin kondigt zij het besluit aan voor het toepassen van de rijkscoördinatieregeling ten behoeve van het project militair radarstation Herwijnen.

Voorzitter. De aanloop naar dit besluit, het gevolgde traject en de communicatie over dit besluit verdienen volgens de fractie van Forum voor Democratie geen schoonheidsprijs. Het gaat hierbij om vragen die er leven bij omwonenden over het effect van cumulatieve straling na plaatsing van de nieuwe defensieradar. Deze wordt namelijk geplaatst op de locatie van de voormalige burgerluchtvaartradar nabij de huidige weerradar. Hierdoor is de vrees ontstaan dat cumulatie van straling van beide radarbronnen samen boven een acceptabele norm uit zal komen. Tot op heden is onvoldoende gecommuniceerd aan omwonenden hoe Defensie ervoor gaat zorgen dat deze norm niet wordt overschreden. Ook zijn er vragen over eventuele alternatieve locaties voor deze nieuwe radar onvoldoende helder en niet tijdig opgepakt. Het vertrouwen van omwonenden in een goed participatieproces heeft hierbij een aantal deuken opgelopen.

Voorzitter. De rijkscoördinatieregeling is een zwaar instrument dat niet lichtzinnig moet worden ingezet, anders dan in situaties waarin er geen andere mogelijkheid overblijft. Een zorgvuldig participatie- en informatieproces maken onderdeel uit van deze regeling, evenals onderzoek naar effecten voor de volksgezondheid en gedegen onderzoek naar de beoogde locatie en eventuele alternatieve locaties.

Voorzitter. Ondanks het feit dat Defensie de beoogde locatie van de voormalige radar van Luchtverkeersleiding Nederland al in 2006 heeft aangekocht, waardoor een deel van de onrust bij omwonenden is ontstaan, zien wij dat de staatssecretaris inmiddels goede stappen heeft gezet om haar keuze voor de beoogde locatie aan de Kamer uit te leggen en te onderbouwen. Mede hierdoor en, zoals al eerder aangegeven, vanwege de gunstige centrale ligging van de beoogde locatie is de fractie van Forum voor Democratie van mening dat de voorgenomen locatie voor het nieuwe militaire radarstation in Herwijnen een goede keuze is. Maar nog belangrijker, de noodzaak tot snelle vervanging van de huidige sterk verouderde radar in Nieuw-Milligen noopt tot zorgvuldige spoed en is een zaak van nationaal belang, wat op zich al reden genoeg is voor het instellen van een rijkscoördinatieregeling.

De fractie van Forum voor Democratie hecht zeer aan een adequate verdediging van ons nationale luchtruim en wil niet het risico lopen dat verdere vertraging onze nationale veiligheid onnodig in gevaar brengt. Wel willen wij de staatssecretaris vragen of zij kan toezeggen dat bij de toepassing van de rijkscoördinatieregeling metingen zullen worden uitgevoerd om te garanderen dat het feitelijke cumulatieve stralingsniveau na installatie van de Defensieradar de maximale stralingswaarden niet zullen overschrijden. Kan de staatssecretaris daarnaast de onduidelijkheid wegnemen die recent is ontstaan omtrent de vermeende capaciteit van de beoogde radar, die onder de 100 kilowatt zou zijn, in relatie tot het verwachte cumulatieve stralingsniveau?

Voorzitter. Omdat de rijkscoördinatieregeling volgens ons alle noodzakelijke onderdelen bevat die nodig zijn voor een zorgvuldige afweging van dit besluit, ervan uitgaande dat de staatssecretaris deze regeling zorgvuldig zal toepassen, er tevens van uitgaande dat het daadwerkelijke stralingsniveau onder de maximale toegestane waarde zal blijven en dat zij over deze regeling goed zal communiceren met omwonenden, zal onze fractie vanwege het veiligheidsbelang dan ook onder de hiervoor genoemde voorwaarden instemmen met dit voorgenomen besluit.

Ik dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dessing. Van harte gelukgewenst met uw maidenspeech. Staat u mij toe om iets van uw achtergrond te schetsen.

U studeerde korte tijd wiskunde aan de Universiteit van Amsterdam, maar besloot dat logische inzicht op een andere manier in te zetten, namelijk als luchtverkeersleider. Sinds 1990 werkt u op Luchthaven Schiphol. U bent assistent-luchtverkeersleider, waarbij u uitgaande vluchten plant. Daarnaast bent u al geruime tijd on-the-jobtrainingsinstructeur bij Luchtverkeersleiding Nederland. Vanwege dit werk bent u aanvullend opgeleid in menselijk veiligheidsgedrag en psychologie aan de Universiteit Leiden en volgde u in 2016 een opleiding tot Cogmed Coach — ik hoop dat ik het goed uitspreek — die gericht is op het verbeteren van het geheugen.

U werd lid van Forum voor Democratie vanwege de durf, daadkracht en dynamiek van de partij, zo vertelde u in een kennismakingsinterview. Al snel werd u gevraagd of u geïnteresseerd was actief te worden in de provinciale politiek. Zo werd u eerder dit jaar lijsttrekker voor de Provinciale Statenverkiezingen in Noord-Holland. Tegelijk was u kandidaat voor de Eerste Kamer namens Forum voor Democratie.

In de campagne voor de Provinciale Statenverkiezingen nam u een filmpje op waarin u pleit voor een nationale luchthaven op zee, om zo te kiezen voor innovatie, economische groei en daadkracht. Een actueel thema, zowel op landelijk en provinciaal als lokaal niveau, waarover we hoe dan ook nog veel zullen horen.

Toen u als nieuwkomer direct de derde partij in Provinciale Staten van Noord-Holland werd, zei u: "Ik moest in het begin wel wennen, want in wat voor aparte biotoop was ik terechtgekomen." Ik stel mij zo voor dat die observatie ook kan gelden voor de Eerste Kamer.

Nogmaals van harte welkom en we kijken uit naar uw verdere inbrengen. Dank u wel.

Dan zou ik nu het woord hebben gegeven aan de heer Janssen, ware het niet dat de heer Janssen nog vastzit in het verkeer. Hij komt dus later aan de beurt. Ik geef graag het woord aan de heer Koole.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Koole i (PvdA):

Dank u wel, meneer de voorzitter. Wij buigen ons vandaag over de vraag of de Eerste Kamer kan instemmen met de rijkscoördinatieregeling, die — het is al eerder gezegd — met het oog op een nationaal belang, de veiligheid van Nederland, in feite de lokale democratie opzijzet. De gemeente West Betuwe is immers tegen plaatsing van de militaire radar in Herwijnen.

Als PvdA-fractie zijn we vanzelfsprekend voor een zo groot mogelijke veiligheid voor Nederland en betwisten we de noodzaak van goede radardetectie niet. Over de technische aspecten van de noodzakelijke radardetectie oordelen wij als Kamer niet. Wij oordelen wel over de vraag of het nationale veiligheidsbelang het opzijzetten van de lokale democratie in dit geval rechtvaardigt. Voordat je dat doet, moeten er wat onze fractie betreft zwaarwegende redenen zijn en moet grote zorgvuldigheid zijn betracht, alles in het werk zijn gesteld om de lokale bevolking te informeren en geluisterd zijn naar hun argumenten. Niet voor niets is er een zware borging vereist voor de inzet van de rijkscoördinatieregeling, namelijk de instemming van beide Kamers der Staten-Generaal.

Helaas moeten we met de staatssecretaris constateren dat de communicatie met de inwoners van de gemeente West Betuwe, met name die van Herwijnen, geen schoonheidsprijs verdient, om het met een understatement te zeggen. Inmiddels is het ministerie twee onderzoeken begonnen: een naar de cumulatieve effecten van straling door verschillende radars, en een ander naar mogelijke alternatieve locaties. Deze zijn volgens de brief van de staatssecretaris van 22 november jongstleden "in volle gang". Het onderzoek naar alternatieve locaties wordt volgens dezelfde brief naar alle waarschijnlijkheid medio december, dus over anderhalve week, afgerond.

De fractie van de Partij van de Arbeid gaat ervan uit dat beide onderzoeken aan de hoogste eisen van zorgvuldigheid voldoen. Is de staatssecretaris het daarmee eens en, zo ja, waaruit blijkt die zorgvuldigheid dan? Wanneer dat namelijk niet het geval zou zijn, zou de bewoners een fopspeen worden voorgehouden, en ik kan me niet voorstellen dat de regering dat zou willen.

Neemt de regering ook de zorgen van de inwoners van Herwijnen mee in deze onderzoeken, zoals daar zijn: de twijfel of de militaire radar wel een lager vermogen heeft dan 100 kW, of de milieucategorie van 3.2, waarin de radar wordt geplaatst, wel de juiste is en of in het onderzoek naar cumulatie van straling wel rekening wordt gehouden met een gelijktijdige piekbelasting van de KNMI-radar en de Defensieradar, in combinatie met nog andere straling van onder meer de scheepvaartradar op de Waal? Kan de staatssecretaris bevestigen dat deze en andere zorgen van de bewoners serieus aan de orde komen in deze onderzoeken?

Wanneer de staatssecretaris het met mij eens is dat beide inmiddels gestarte onderzoeken aan de hoogste eisen van zorgvuldigheid dienen te voldoen, kan de staatssecretaris dan ook bevestigen dat deze onderzoeken dus ook mogelijk zijn zonder daarvoor eerst uitvoering te geven aan de rijkscoördinatieregeling, en dat inroeping van de rijkscoördinatieregeling dus niet nodig is om de zorgvuldigheid van beide onderzoeken te garanderen?

Meneer de voorzitter. Voor het beroep op een nationaal veiligheidsbelang om in dit geval, dat van de mogelijk te plaatsen nieuwe militaire radar in Herwijnen, de rijkscoördinatieregeling in te roepen, is een algemene uitspraak dat Nederland goede radardetectie nodig heeft en dat dus een nationaal veiligheidsbelang aan de orde is, onvoldoende. Nogmaals, de noodzaak van goede radardetectie achten wij ook een groot nationaal veiligheidsbelang, maar daarmee is nog niet gezegd dat die radar alleen in Herwijnen geplaatst kan worden. Pas als uit een serieus en zorgvuldig onderzoek naar verschillende alternatieve locaties dwingend zou blijken dat Herwijnen de enige of veruit de beste locatie is voor de nieuwe radar, en de gemeente zich ook in dat geval zou verzetten tegen plaatsing, komt inroeping van de rijkscoördinatieregeling aan de orde. En dan nog geldt dat tevens aan alle vereisten voor een gezonde leefomgeving moet worden voldaan. Een dergelijk serieus en zorgvuldig onderzoek naar de verschillende locaties heeft in de periode 2012-2014 niet plaatsgevonden. Is de staatssecretaris het daarmee eens? In de brief van 22 november wordt de locatie Gilze-Rijen onder meer afgewezen, omdat het noordwestelijk deel van de Randstad niet goed zou worden afgedekt. Begrijpt mijn fractie hieruit goed dat het gehele Nederlandse grondgebied zo compleet mogelijk door militaire radardetectie moet zijn afgedekt, vraag ik de staatssecretaris. Indien dat het geval is, zou zij dan de Kamer de kaarten willen zenden waaruit dat blijkt? Want in de brief van 22 november, waarin kaartjes staan die meegezonden zijn, is alleen de detectiecapaciteit op lage hoogte opgenomen in drie plaatsen: Nieuw-Milligen, Herwijnen en Gilze-Rijen. Het detectiegebied van de radar in Wier, in Friesland, is niet opgenomen. Ik neem aan dat die radar geheel Noord-Nederland afdekt. Is dat juist? Maar in alle geleverde kaartjes in de brief van 22 november valt een belangrijk deel van de provincie Zeeland buiten het detectiegebied. Valt dat deel niet onder de detectiecapaciteit op lage hoogte van militaire radars, zo vraag ik de staatssecretaris. Als dat zo is, is dat minder erg dan het noordwestelijk deel van de Randstad dat er buiten valt? Want dat laatste wordt namelijk gezien als een belangrijke reden waarom de radar in Herwijnen zou moeten worden geplaatst.

Meneer de voorzitter. In de brief van 22 november wordt tevens gesproken over de windmolenparken in de provincie Flevoland, waarvan de bouw niet door kan gaan als de radar in Nieuw-Milligen zou blijven staan. Betekent dit dat nergens in de op de bijgeleverde kaartjes geprojecteerde gebieden kan worden gebouwd, vraagt mijn fractie aan de staatssecretaris, ook niet in het detectiegebied dat door de radar in Wier wordt bestreken? Wanneer het Nederlandse grondgebied, inclusief de Nederlandse territoriale wateren, vanwege het nationale veiligheidsbelang onder militaire radardetectie op lage hoogte zou moeten vallen, hoe zit het dan met de bouw van windenergieparken in dat gebied? Werken die dan niet verstorend op de radardetectie?

Tot slot. Wanneer de staatssecretaris aangeeft dat het onderzoek naar de alternatieve locaties zeer waarschijnlijk medio december gereedkomt, ligt het dan niet voor de hand om de resultaten daarvan af te wachten, alvorens uitvoering te willen geven aan de rijkscoördinatieregeling? Dat is voor een zorgvuldig afwegingsproces in deze Kamer van belang, en het is zeker voor het herstel van vertrouwen bij de mensen in Herwijnen belangrijk. Tijdverlies levert het niet op, want ook binnen de rijkscoördinatieregeling zal op de uitkomsten hiervan moeten worden gewacht. Kan de staatssecretaris bevestigen dat het, wanneer de Kamer wacht tot de onderzoeksresultaten gereed zijn alvorens de Kamer besluit over instemming met de rijkscoördinatieregeling, geen noemenswaardig tijdverlies oplevert?

De nationale veiligheid is van groot belang, maar dat geldt evenzeer voor de mensen in Herwijnen en de lokale democratie in West Betuwe. Mijn fractie ziet dan ook uit naar de antwoorden van de staatssecretaris.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Koole. Dan geef ik graag het woord aan de heer Ganzevoort.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Ganzevoort i (GroenLinks):

Allereerst mijn gelukwensen aan collega Dessing met zijn maidenspeech en, vooruitgrijpend op een succesvol verloop ervan, waar ik op vertrouw, ook maar vast aan de collega's Huizinga, De Vries, Arbouw en Rietkerk. Dan hebben we dat maar vast gehad.

Voorzitter. Ceci n'est pas une pipe. U kent het beroemde onderschrift van René Magritte op zijn schilderij La trahison des images. Een prachtige afbeelding van een pijp, die volgens Magritte verraad pleegt, omdat het werk pretendeert een pijp te zijn, maar dat natuurlijk niet is. De afbeelding is niet de werkelijkheid. Door die werkelijkheid nauwkeurig na te tekenen, doet de surrealistische schilder alsof er een pijp is, die er in werkelijkheid niet is. Als Magritte vandaag zou leven, dan zou de wat saai klinkende titel van het debat van vandaag ongetwijfeld aanleiding zijn geweest voor een nieuw schilderij. Ceci n'est pas ... Dit is geen besluit, althans niet een zorgvuldig en overtuigend besluit. Dit is een afbeelding op de muur van wat in werkelijkheid een goed besluit had kunnen zijn. De toeschouwers, de inwoners van Herwijnen voorop, zien deze maanden een surrealistische film aan zich voorbijtrekken. Waar ging het fout? En hoe kunnen we dit alsnog tot een goed einde brengen? Die vragen staan voor mijn fractie centraal in dit debat. De vraag is niet of er een nieuwe radar moet komen. Dat lijkt genoegzaam aangetoond. Ik vraag de staatssecretaris ook nadrukkelijk om daar niet opnieuw haar spreektijd aan te besteden, want dat heeft ze vaak genoeg gezegd en daar is ook geen discussie over. Door dat te herhalen, leidt ze alleen maar de aandacht af van waar de vragen wel liggen.

De vraag voor vandaag is wat mijn fractie betreft evenmin of er door plaatsing van de radar in Herwijnen naast een al bestaande radar en het vele scheepvaartverkeer geen onacceptabele cumulatie van risico’s optreedt. Dat is een terechte en zeer belangrijke vraag voor de inwoners, en het onderzoek naar die cumulatie zal een prominente plaats moeten hebben in het besluitvormingstraject, ook wanneer dat traject door toepassing van de rijkscoördinatieregeling onder regie van de regering komt.

De vraag is vandaag wel of de bewoners de overheid nog kunnen vertrouwen. En dat heeft alles te maken met de manier waarop het proces verlopen is en met de manier waarop de keuze voor de locatie Herwijnen tot stand is gekomen en met de manier waarop de lokale burgers en democratie zich behandeld voelen. Ik durf de stelling wel aan dat bij een zorgvuldig en transparant proces de regering het paardenmiddel van de rijkscoördinatieregeling helemaal niet uit de kast had hoeven trekken.

Ik ga allereerst in op de locatiekeuze en de manier waarop die tot stand is gekomen. Een- en andermaal probeert de regering het beeld op te roepen dat er een systematische verkenning is geweest van alternatieven, maar evenzovele keren lijkt er een tunnelvisie te zijn ontstaan waarbij Herwijnen als enige optie overbleef. In ons mondeling overleg zei de staatssecretaris letterlijk: "Er is toen ook gekeken naar de beste locatie en daar is Herwijnen uitgekomen." Ik heb de band nog eens geraadpleegd. Alle betrokkenen verhalen van gesprekken waarin duidelijk werd dat het ministerie Herwijnen als een toevalstreffer heeft beleefd, als een cadeautje. Immers, zo heeft men gedacht, waar vind je een plekje op vlak land dat beschikbaar is, al een radar had — fantastisch, meneer Dessing, sinds 1971 zei u geloof ik; lang in ieder geval — enzovoorts, enzovoorts. En alles wijst erop dat men daarna eenvoudigweg gestopt is met zoeken.

Ik weet niet goed of de staatssecretaris vanavond nog steeds wil ontkennen dat de keuze zo op toeval was gebaseerd en of ze nog steeds volhoudt dat het een systematische zoektocht is geweest. In dat geval praat ik graag met haar door over haar laatste brief, waarin ze iets vertelt over die zogenaamde zoektocht. Ze schrijft daarin eerst dat Nieuw-Milligen afviel. Vervolgens schrijft ze dat er gekeken is naar Gilze-Rijen en dat "ter referentie" ook de locatie Herwijnen is meegenomen. Nu weet ik niet wat in dit kader "ter referentie" betekent, maar het zegt in elk geval dat er niet systematisch is gezocht, maar dat men alleen naar de meest voor de hand liggende opties heeft gekeken.

Vervolgens laat ze — de heer Koole wees er al op — in de brief drie mooie plaatjes zien van de detectiecapaciteit op lage hoogte voor Nieuw-Milligen, Gilze-Rijen en Herwijnen. En omdat Gilze-Rijen Amsterdam niet afdekt, verviel die optie. Welnu, niet alleen Zeeland doet het niet goed op de andere plaatjes, ook Maastricht wordt bij geen van de opties afgedekt, maar kennelijk is dat geen argument. Kan de staatssecretaris uitleggen waarom Limburg niet van belang is voor de radardetectiecapaciteit? Deze vraag is niet zomaar een trivialiteit; het is dit soort halfslachtige en schijnbaar voor de gelegenheid geselecteerde informatie die het vertrouwen zo heeft aangetast.

De regering zegt expliciet in de brief van 22 november: "Dit heeft ertoe geleid dat er destijds geen aanleiding was om uitgebreid nader onderzoek te doen naar eventuele andere alternatieve locaties en aldus is de keus voor Herwijnen gemaakt." Er is dus helemaal geen alternatief onderzoek gedaan. En op 16 juli zei ze al: "Omdat de locatie Broekgraaf 1 te Herwijnen aanvankelijk geschikt en beschikbaar was, heeft geen uitgebreid alternatievenonderzoek plaatsgevonden." Vrij duidelijk, dacht ik. Noem het een tunnel, noem het een fuik. Maar duidelijk is inderdaad dat er geen systematische verkenning is geweest. Hoe kijkt de staatssecretaris in dit licht naar eerdere formuleringen, bijvoorbeeld tijdens het mondeling overleg, dat er gekeken is naar de beste locatie en dat Herwijnen daar is uitgekomen? Hoe kijkt zij aan tegen haar stellige ontkenning op mijn vraag tijdens het overleg of er geen tunnelvisie was ontstaan? Ik ben heel benieuwd naar de beantwoording van deze vragen.

Is die verkenning dan iets wat binnen de rijkscoördinatieregeling gaat gebeuren? Ik citeer opnieuw uit het mondeling overleg. De staatssecretaris zei over het alternatieven-onderzoek: "Dat is ook altijd onderdeel van een rijkscoördinatieregeling, dat je voor de vergunningaanvraag voor het ruimtelijk besluit ook moet kunnen aantonen dat de locatie die je hebt gekozen, dat je goed kunt onderbouwen dat dat een geschikte locatie is." Heel knap en heel creatief geformuleerd, want zij zegt daarmee feitelijk dat een alternatievenonderzoek niet tot de rijkscoördinatieregeling behoort, maar alleen de vraag of de locatie geschikt is. En dat is ook logisch, want je hoeft pas een rijkscoördinatieregeling en rijksinpassingsplan in te zetten als een specifieke gemeentelijke of provinciale overheid niet instemt met het verzoek om een specifieke locatie te mogen bestemmen en er dus geen alternatieven zijn. Maar misschien bedoelt de staatssecretaris nog iets anders of heb ik haar verkeerd begrepen. Daarom vraag ik haar op welke wettekst, besluit of regeling zij zich precies beroept als zij zegt dat iets wel of niet tot de rijkscoördinatieregeling behoort. Wij lezen in de Wro, de Barro en de Rarro deze kennelijke stappenplannen niet, dus we laten ons graag inlichten.

Waarom is dat zo’n belangrijk punt? Omdat de rijkscoördinatieregeling tot gevolg heeft dat de lokale democratie geen rol meer kan spelen in een besluit dat direct gevolgen heeft voor de leefomgeving van burgers. Dit overrulen van de gemeentelijke verantwoordelijkheid kan noodzakelijk zijn, maar dat is het pas als het radarstation ook echt alleen op deze plaats en geen andere kan worden gebouwd. Dat het bouwen van een radarstation in algemene zin een nationaal belang dient, is voor ons wel duidelijk. Dat plaatsing in Herwijnen mogelijk is, snappen we ook, op de mogelijke cumulatieproblematiek na. Maar dat de plaatsing in Herwijnen noodzakelijk is, is op grond van de informatie die wij tot op heden hebben gekregen, gewoon niet hard te maken. Dat maakt het overrulen van de lokale democratie op deze derhalve toevallige locatie zo discutabel. En dat betekent simpelweg dat het nu te vroeg is voor een besluit om de rijkscoördinatieregeling in te roepen. Ik sluit op dat punt aan bij wat collega Koole heeft gezegd.

Voorzitter. Dit proces loopt inmiddels een paar jaar en het is er niet zorgvuldiger op geworden. We worden inmiddels bestookt met verzoeken om snel te beslissen omdat er windmolenparken moeten worden gebouwd in Flevoland. Die moeten en kunnen daar komen omdat de radar in Nieuw-Milligen gaat verdwijnen. U weet dat mijn fractie een groot voorstander is van windmolenparken — hoe meer, hoe beter, op de goede plek — maar dit is toch echt het probleem van de regering die haar huiswerk niet goed heeft gedaan en nu in tijdnood komt. Als er netjes en tijdig een alternatievenonderzoek was gedaan, dan hadden we hier niet gezeten met elkaar. De wenselijkheid van het aanleggen van windmolenparken kan en mag geen reden zijn voor rechtsstatelijk gerommel.

De zorgvuldigheid staat ook onder druk in de omgang met burgers. Zo heeft de regering uiteindelijk toegegeven aan de wens om het alternatievenonderzoek uit te voeren. Ze nodigt daarbij burgers uit om suggesties aan te dragen. De deadline daarvoor was 8 november. En rara, op die dag blijkt het zoekgebied waarbinnen de alternatieven gevonden moeten worden, online te worden gezet. Kan de staatssecretaris uitleggen hoe dat past in een zorgvuldig proces, waarin de visies van burgers überhaupt serieus worden genomen? Kan ze uitleggen waarom het zoekgebied zo klein is gekozen, terwijl in een eerder stadium de omgeving van Gilze en Rijen ook een optie was, maar nu kennelijk opeens niet meer? Graag een toelichting van de staatssecretaris, want het lijkt erop dat met deze move de kans dat er überhaupt een alternatief kan worden gevonden, moest worden geminimaliseerd. Dat is nu juist níet het serieus nemen van burgers. Geldt hier ook de termijn van zes weken die de Awbr noemt in artikel 3.16, lid 1 voor het indienen van zienswijzen en adviezen? En als die termijn hier geldt, hoe kan de deadline dan samenvallen met de datum van het bekendmaken van de criteria?

In ons mondeling overleg onderstreepte de staatssecretaris het belang van goede communicatie en het betrekken van de bewoners bij het proces. Ze noemde daarbij ook de website van Defensie waarop alle vragen worden verzameld en beantwoord. Nieuwsgierig als ik ben, heb ik daar natuurlijk naar gekeken en ik trof, zegge en schrijve, inderdaad drie e-mails aan met vragen. Het document waarin dat staat, is gedateerd op 21 oktober. De eerste twee e-mails krijgen letterlijk hetzelfde antwoord. Zijn er niet meer vragen ingestuurd? Dat hebben we namelijk wel gehoord van de mensen uit Herwijnen en omgeving. Waar zijn die vragen dan gebleven? Wat is de inhoud van die andere e-mails? Waar zijn de antwoorden? Is dit nu het voorbeeld van goede communicatie waarover zij het had? En als het over zorgvuldigheid gaat, kan de staatssecretaris de inwoners dan geruststellen waar het gaat over het vermogen van de radartoren? Het gevoel bestaat nu dat met suggestieve beelden en teksten wordt uitgedragen dat het vol vermogen behoorlijk zal meevallen en dat daarom de risico's en voorzorgsmaatregelen ook wel meevallen, terwijl anderzijds wordt gesteld dat het een sterke radar is met een geweldige reikwijdte en daarom van nationaal belang. Wat is nu precies het vermogen van de nieuwe radar? Kan de regering garanderen dat er niet iets zwaarders wordt gebouwd dan zij zegt? Hoe kan de lokale overheid straks controleren dat er niet stiekem toch een radar met nog hoger vermogen verschijnt? Ik geef toe: het is triest dat ik dit aan een staatssecretaris moet vragen. Maar zo klein is het vertrouwen dat de burgers van Herwijnen momenteel hebben.

Voorzitter. Mijn fractie is helemaal niet tegen een nieuwe radartoren. Mijn fractie is zelfs niet op voorhand tegen een nieuwe radartoren in Herwijnen. En mijn fractie is ook niet per definitie tegen het inzetten van de rijkscoördinatieregeling. Maar mijn fractie is wel tegen een manier van handelen van de overheid die ertoe leidt dat mensen het vertrouwen in de overheid verliezen. Mijn fractie is tegen de schijn van een zorgvuldige procedure die alleen gebruikt wordt om te verbloemen dat het ministerie zijn werk niet goed heeft gedaan. Mijn fractie is tegen het bruuskeren van burgers en lagere overheden wanneer die terechte bezwaren en begrijpelijke zorgen inbrengen. "Ceci n'est pas une pipe." Dit is geen zorgvuldige procedure. Dit is een surrealistische afbeelding van een procedure die niet de werkelijkheid is. En daar ging het fout.

Hoe is dit nou alsnog tot een goed einde te brengen? Want we zitten hier niet alleen maar voor de problematiek, maar ook voor de oplossingen. In onze ogen zou het allereerst helpen als de staatssecretaris gewoon helder en transparant is en ruiterlijk toegeeft dat de keuze voor Herwijnen een toevalstreffer was, en dat daar het denken over alternatieven is gestopt. Want als ze dat toegeeft, heeft het alternatieve onderzoek echt zin. Dan beginnen we weer even opnieuw. Het helpt vervolgens als de staatssecretaris gewoon aan het werk gaat, de noodzakelijke onderzoeken gewoon uitvoert en ophoudt te zeggen dat dat pas kan als de rijkscoördinatieregeling kan worden gestart. Want eerlijk gezegd, dat is gewoon onzin. En dat blijkt ook, want de onderzoeken lopen inmiddels. Als de regering zo veel haast heeft, laat ze dan aan het werk gaan.

Wij zullen instemmen met een rijkscoördinatieregeling als een zuivere en overtuigende keuze voor een specifieke locatie voorligt. En we zien daarom vanavond uit naar de antwoorden van de staatssecretaris. Maar het mag duidelijk zijn dat ze niet moet proberen ons te overtuigen. Ze moet erkennen wat er is fout gegaan en ze moet proberen om de bevolking weer een reden te geven de overheid te vertrouwen. "Ceci n'est pas une pipe", voorzitter.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ganzevoort. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Huizinga-Heringa voor haar maidenspeech.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Ik wil allereerst de heer Dessing feliciteren met zijn mooie speech. Voor mij is het ook een maidenspeech; ik hoop er ook wat moois van te maken. Maar het is u in elk geval gelukt.

Voorzitter. Zoals ik al zei: dit is mijn eerste plenaire bijdrage in de Eerste Kamer. Beide Kamers van de Staten-Generaal hebben hun eigen rol. Naar mijn mening is het van groot belang dat wij scherp zijn op de rol die de Eerste Kamer heeft in onze democratie. Wij zullen ervoor moeten waken niet de Tweede Kamer te kopiëren of een verlengstuk te worden van onze Tweede Kamerfracties. Dan doen we onze democratie tekort en maken we onszelf overbodig. Alleen met het zorgvuldig bewaken van de eigen rol van de Eerste Kamer — het toetsen op hoofdlijnen van beleid, op proportionaliteit en de onderlinge samenhang van regeringsplannen — is er complementariteit tussen de beide Kamers en worden de voorstellen van de regering in de volle democratische breedte getoetst. Het onderwerp waarover wij spreken, Herwijnen, was voor mij een goede oefening in het me beperken tot de rol van Eerste Kamerlid.

Voorzitter. De afgelopen maanden hebben wij in de commissie regelmatig gesproken over Herwijnen. Wat aanvankelijk een overzichtelijk onderwerp leek — wel of niet instemmen met een rijkscoördinatieregeling — bleek uiteindelijk een ingewikkelde afweging te zijn. De schriftelijke en mondelinge antwoorden van de staatssecretaris op vragen van de Eerste Kamer vertroebelden haar verzoek eerder dan dat ze het verhelderden. Zo werd niet alleen het nationale belang van het radarstation voor de veiligheid van ons land aangehaald, maar werd ook genoemd dat de gemeente aanvankelijk de plaatsing van de radar wel steunde en dat de grond al gekocht was. Bovendien zou bij het niet plaatsen van de radar in Herwijnen de bouw van een windmolenpark vertraging oplopen. Hoe waar of niet waar deze laatste dingen ook mogen zijn, deze redenen zijn voor mijn fractie geen reden om in te stemmen met het buitenspel zetten van de lokale democratie. Kortom, wij hebben bij dit verzoek van de staatssecretaris een directe heldere onderbouwing gemist.

Bij het wel of niet toestemmen in een RCR is het nationaal belang doorslaggevend. Dat belang moet zo groot en evident zijn dat de lokale democratie ervoor buitenspel gezet kan worden. De afgelopen maanden overziende heeft de staatssecretaris voor ons het belang van een goede radar voor de veiligheid van ons land helder weten te maken. Ook heeft ze duidelijk gemaakt dat het tijdig bouwen van de radar een element van nationale veiligheid is. De staatssecretaris heeft ook goed onderbouwd dat Herwijnen een uitstekende locatie voor een nieuw radarstation is. Maar de staatssecretaris heeft tot nu toe niet onderzocht of Herwijnen de enige goede locatie is waar tijdig een goede radar gebouwd kan worden. Dat lijkt haar aannemelijk, zo parafraseer ik haar woorden. Maar ze heeft het niet onderzocht. Daarop richt zich onze kritiek. Deze kritiek deelt de Tweede Kamer, waardoor de staatssecretaris de Tweede Kamer heeft moeten toezeggen dat zij het locatieonderzoek naar alternatieve locaties dat zij in het kader van de RCR zal doen eerst aan de Tweede Kamer zal voorleggen voordat de Tweede Kamer de uiteindelijke toestemming zal geven om door te gaan met dit proces. Dat is een voorwaardelijke instemming van de Tweede Kamer. Zo lees ik het in ieder geval. Dit is een bijzondere constructie, maar wel tekenend voor het hele ondoorzichtige proces. Klopt deze lezing?

Voorzitter. Mijn fractie is van mening dat wij niet langer moeten wachten met het nemen van een besluit. Het zal niet veel helderder worden. Vanuit de bevolking van Herwijnen horen wij zorgen over de cumulatieve effecten van de eventuele nieuwe radar, gecombineerd met de radar die er al staat. Er is een vraag over de milieucategorie waarbinnen dit radarstation valt. Mag daar überhaupt van afgeweken worden? Er is een rapport boven water gekomen dat een nieuw licht werpt op de gewenste afstand van de bebouwing ten opzichte van de radar. Er is veel onrust. Een goed georganiseerde lokale gemeenschap maakt zich grote zorgen. Als Eerste Kamer kunnen wij deze bevindingen niet onderzoeken en toetsen. Dat is niet onze rol. Maar het is van groot belang dat er duidelijkheid komt en er goede antwoord komen op de vragen die breed in de gemeenschap leven. Binnen de RCR moeten al deze zaken worden onderzocht in een geode, duidelijke en deugdelijke procedure. De vereisten die bij een normale ruimtelijke planningsprocedure gelden, gelden ook hier. Daarom zeg ik met nadruk dat met het starten van de RCR militair radarstation Herwijnen het zeker niet vaststaat dat dit radarstation uiteindelijk ook zal worden gebouwd of in gebruik genomen. Is de staatssecretaris dat met mij eens?

In de communicatie tussen Herwijnen en het ministerie is veel misgegaan en er gaat veel mis. De indruk is bij de bewoners ontstaan dat de staatssecretaris koste wat het kost het radarstation door gaat drukken. Hoe gaat de staatssecretaris gedurende het RCR-proces de bewoners meenemen in het onderzoek? En hoe laat zij zien dat zij hun opmerkingen serieus neemt en deugdelijk onderzoekt? Hier hoor ik graag een helder antwoord op van de staatssecretaris.

Dank u wel.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Huizinga.

Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. Staat u mij toe om iets van uw achtergrond te schetsen.

U behaalde uw kandidaatsbul Nederlands Recht aan de Rijksuniversiteit Utrecht. In 1998 werd u voor de Reformatorische Politieke Federatie, de RPF, met voorkeursstemmen gekozen in de gemeenteraad van Heerenveen.

Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):

De RPF en de GPV.

De voorzitter:

"En de GPV". Dat staat in de regel hierna. Die hoef ik nu niet meer uit te spreken. Dank u wel.

Dat bleef u tot 2002, terwijl de partij inmiddels in 2000 was opgegaan in de ChristenUnie. U was in die periode fractievoorzitter. Voor de duidelijke taal die u bezigde, kreeg u in 1999 de oorkonde "beste raadslid in Heerenveen".

In 2001 was u de eerste vrouw op de kandidatenlijst van de ChristenUnie voor de Tweede Kamer. U werd met voorkeursstemmen gekozen en daarmee het eerste vrouwelijke Kamerlid namens de ChristenUnie en de partijen die in die partij zijn opgegaan. In de Tweede Kamer nam u vrijwel direct zitting in de parlementaire enquêtecommissie die de gebeurtenissen rond de uitzending van militairen naar Srebrenica onderzocht. U hield zich aan de overkant bezig met buitenlandse zaken, vreemdelingen- en integratiebeleid en milieubeheer. In 2006 diende u een initiatiefvoorstel in over de strafbaarstelling van ontkenning van volkerenmoord. Het voorstel is tot op heden in behandeling in de Tweede Kamer.

Vanuit de Kamer maakte u in 2007 de overstap naar het bestuur, toen u staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat werd in het vierde kabinet-Balkenende. Na het uittreden van de PvdA-bewindslieden vanwege het besluit de militaire missie in de Afghaanse provincie Uruzgan te verlengen, was u acht maanden minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu. Van 2015 tot 2018 was u directeur van de stichting Wilde Ganzen.

Naast uw Eerste Kamerlidmaatschap bent u onder meer voorzitter van de raad van commissarissen van Movares, commissaris van de Parnassia Groep en als secretaris lid van het dagelijks bestuur van de Stichting ter bevordering van de Christelijke Pers.

In de geschiedenis van uw partij, wordt u gezien als de wegbereider voor de ChristenUnie-vrouwen in de landelijke politiek. Anno 2019 betekent dat onder anderen een vicepremier en een fractievoorzitter in deze Kamer. Zelf zei u daarover bij uw vertrek als minister in 2010: "Ikzelf heb nooit actie gevoerd, maar je ziet dat het nu helemaal geen kwestie meer is. Met een goede man-vrouwverhouding krijg je de prettigste sfeer en de beste besluiten."

Nogmaals van harte welkom en we kijken uit naar uw verdere inbrengen.

Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Janssen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Janssen i (SP):

Voorzitter, dank u wel. Als eerste excuses aan de staatssecretaris die hier te gast is en de collega's dat ik iets later was, maar niet alles laat zich helaas tot op de minuut plannen op zo'n korte termijn. Ik vind het bijzonder jammer, omdat ik daardoor ook de maidenspeech van de heer Dessing gemist heb, maar ik zal hem vanavond nog terugkijken of morgen, wanneer die te zien is. Dan kan ik u morgen alsnog feliciteren nadat ik hem gezien heb.

Voorzitter, over de inhoud. Met stijgende verbazing heeft de SP het proces rond het nieuw te bouwen radarstation gevolgd. Daar waar de locatie Herwijnen in 2012 is gestart als referentielocatie in het onderzoek naar de bouw van een radarstation in Gilze-Rijen, is het vervolgens verworden tot het lijdend voorwerp van een voorgestelde rijkscoördinatieregeling. De keuze is in 2014 op Herwijnen gevallen zonder nader onderzoek te doen naar alternatieve locaties. Een van de redenen was dat de toenmalige gemeente Lingewaal bereid leek om aan plaatsing mee te werken. Inmiddels is duidelijk dat dit niet langer het geval is.

Niettemin volhardt de staatssecretaris in de houding alsof het nog steeds 2014 was. De afgelopen maanden heeft de Eerste Kamer steeds voorgehouden gekregen dat er geen noodzakelijke onderzoeken plaats zouden kunnen vinden anders dan binnen de rijkscoördinatieregeling. Ook werd Herwijnen gepresenteerd als de locatie waar na zorgvuldige afweging voor gekozen was. Dit alles blijkt toch — laat ik mij voorzichtig uitdrukken — op een aantal punten genuanceerd anders te zijn. Herwijnen leek in 2014 een makkelijke optie. Dat was wat er werkelijk aan de hand was: eenvoudig te verwerven en geen politieke weerstand. Verder onderzoek naar andere locaties bleef achterwege. Het gemak dient te mens.

Ondertussen plukt de staatssecretaris de wrange vruchten van deze eerdere werkwijze. Er zijn veel zorgen onder de bevolking en er is geen politiek-bestuurlijke medewerking. Dat is voor iedereen met enige bestuurlijke sensibiliteit ook niet verwonderlijk, gelet op het feit dat de gemeente Lingewaal de afgelopen jaren onderdeel was van een gemeentelijke herindeling. Daarmee verschuiven in het algemeen politieke verhoudingen en zien we ook vaak een verharding van standpunten optreden. Dat is een bekend en ook voorspelbaar verhaal bij gemeentelijke herindelingen. Dat betekent voor de bestuurlijke partners van zo'n gemeente dat er extra geïnvesteerd moet worden in de verhoudingen en extra in flexibiliteit.

Vasthouden aan eerder ingenomen standpunten werkt dan averechts. Het is geen 2014 meer en de gemeente en haar inwoners leven niet in de wereld van rangen en standen van het ministerie van Defensie. Er wordt niet gesalueerd bij een bevel van bovenaf, maar er worden kritische vragen gesteld. En terechte vragen, wat de SP betreft, bijvoorbeeld over de straling en de milieucategorie, waar de bewoners zich ernstige zorgen over maken. Daarin is Herwijnen niet uniek. We zien dat op dit moment breed in Nederland weer opkomen, bijvoorbeeld bij de uitrol van het 5G-netwerk waar mensen zich zorgen over maken.

Voorzitter. Het heeft er alle schijn van dat er door het ministerie onvoldoende rekening is gehouden met deze nieuwe bestuurlijke werkelijkheid in 2019. Er ontstaan twee werelden. Het ministerie leeft in 2014 en gedraagt zich daarnaar. De sinds 1 januari 2019 nieuwe gemeente West Betuwe gedraagt zich daar niet naar, met als resultaat verstoorde verhoudingen en het terugvallen in een ongewenste bestuurlijke reflex: de macht laten spreken. Daarmee gaan de deuren dicht en komen de bestuurlijke koevoeten uit de kast; oude reflexen in een veranderde wereld.

Voorzitter. De juiste weg lijkt ons om eerst als ministerie je huiswerk te doen, wat in 2014 is nagelaten. Er is geen onderzoek gedaan naar alternatieve locaties en dat zal dus nu alsnog moeten gebeuren. Maar daar heb je geen rijkscoördinatieregeling voor nodig. Collega's zeiden dat ook al. Waarom heeft de staatssecretaris de voorbije maanden steeds volgehouden dat een dergelijk onderzoek alleen binnen een rijkscoördinatieregeling plaats zou kunnen vinden? Dat heeft het ministerie eerder toch ook niet gedaan in 2012 en 2014? Waarom nu wel en toen niet, is mijn vraag aan de staatssecretaris. Het is ons een volslagen raadsel.

Voorzitter. De SP is van mening dat je als rijksoverheid zeer terughoudend om moet gaan met ingrijpen in lokale democratische processen. Het is wat ons betreft: nee, tenzij. Zeker in het licht, zo zeg ik maar, van de anticiperende werking van de Omgevingswet waarbij de lokale overheid de eerste overheid is. Overigens werd voor het inzetten van de rijkscoördinatieregeling — weliswaar voor energieprojecten, maar toch — in 2016 een evaluatie opgeleverd door het bureau Andersson, Elffers, Felix. Deze evaluatie werd uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Economische Zaken. Dat is goed, want mogelijkheden tot verbetering moet je zeker benutten. Eén van de conclusie van die evaluatie uit 2016 — we hebben het over december 2016 — kunnen we wat mij betreft een-op-een op de casus Herwijnen plakken. Ik citeer: "Toepassing leidt tot vergroting van risico's", aldus de kop. "Wanneer er maatschappelijke en/of bestuurlijke discussie is over nut en noodzaak van een initiatief, dan versterkt inzet van de RCR de politisering van de kwestie. De inzet van de regeling wordt gezien als een machtsgreep van het Rijk. Wanneer vervolgens in een dergelijk gepolitiseerd veld te weinig ruimte is voor bestuurlijk overleg, afruil van belangen, politieke escalatie naar de minister (nu is er vaak meer contact met Tweede Kamerleden van de oppositie dan met de minister) en er ook nog eens wordt geopereerd volgens de bureaucratische rationaliteit, dan werkt de regeling als olie op het vuur."

Voorzitter. De staatssecretaris moet wat de SP betreft uit de groef dat een radarstation in Herwijnen een nationaal belang is. Een radarstation is een nationaal belang, niet een radarstation in Herwijnen. Dat valt immers nog te onderzoeken en daarom ook nog te bezien. Ik roep de staatssecretaris daarom ook op om eerst haar huiswerk te doen en dan ook goed beslagen ten ijs te komen, al was het maar om onnodige procedures met de gemeente te voorkomen. De rijkscoördinatieregeling zet je in als je alle argumenten goed onderbouwd op een rij hebt om juist voor die ene locatie te gaan en, na een zorgvuldige afweging, niet voor een andere locatie. Argumenten moeten voor een ieder, en dan niet alleen voor het parlement, maar vooral ook voor de inwoners, navolgbaar zijn. Ook de weging van die argumenten moet navolgbaar zijn. Dat is de kwaliteit van het proces waar het tot nu toe zozeer aan ontbroken heeft. Dan moet ook nog vaststaan dat er geen belemmeringen zijn om die locatie überhaupt te kunnen verwezenlijken. Ik noem de stralingswaarden als voorbeeld.

Voorzitter. Zoals ik zojuist al aangaf, werkt een premature inzet van een rijkscoördinatieregeling als olie op het bestuurlijke en politieke vuur. Dat hoeft niet en het is wat de SP betreft ook onwenselijk. Zonder eerst de onderzoeken te hebben afgerond en vastgesteld te hebben welke locatie de beste is en vastgesteld te hebben dat daar geen belemmering zijn, zou de staatssecretaris geen rijkscoördinatieregeling in moeten willen zetten. Daarbij verbaast het de SP hogelijk dat de gemeente alternatieven aan zou moeten dragen voor deze locatie. Dat is echt onzin. Daardoor moet de gemeente zich verdedigen en dat is ongewenst in een zorgvuldig proces. Eerst het huiswerk. Het ministerie van Defensie in strijd met een defensieve gemeente kan nooit tot een goede uitkomst leiden. Graag hoor ik van de staatssecretaris of zij bereid is nu eerst de onderzoeken af te ronden, zodat een helder beeld ontstaat van locaties en mogelijke belemmeringen.

Voorzitter, afrondend. Het mag uit mijn bijdrage duidelijk zijn dat de SP tegen het op dit moment inzetten van de rijkscoördinatieregeling is, omdat er nog huiswerk ligt dat eerst gedaan moet worden. Daarmee is het op dit moment inzetten van de rijkscoördinatieregeling ontijdig, onnodig en daarmee ongewenst.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Janssen. Ik geef graag het woord aan de heer De Vries namens de fractie-Otten voor zijn maidenspeech.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer De Vries i (Fractie-Otten):

Voorzitter. Allereerst mijn felicitaties aan de heer Dessing en mevrouw Huizinga-Heringa met hun maidenspeeches.

Voorzitter. Dit debat gaat over twee zaken: het gebrekkige huiswerk van staatssecretaris Visser en het door haar willen toepassen van een noodgreep in het landsbelang. Ik zal hier later in mijn speech nader op ingaan, maar ik wil beginnen met het probleem. Wat is hier het probleem? Kort samengevat is hier sprake van een regenteske manier van besturen in dit land. Daar ergeren wij ons al jaren kapot aan. Juist dat was voor mij een grote drijfveer om me in te gaan zetten voor het realiseren van een nieuwe dynamiek in Den Haag en een andere politieke koers voor Nederland.

Ook in de kwestie Herwijnen zien we dit terug. Het besluitvormingsproces, dat al sinds 2016 voortkabbelt, brengt de staatssecretaris op deze maandagavond in de Eerste Kamer om van ons een mandaat te krijgen voor het inzetten van de rijkscoördinatieregeling voor een radar in Herwijnen. Het is het resultaat van de lichtzinnige manier waarop deze staatssecretaris, evenals haar voorgangster, minister van Defensie Hennis, denkt om met alle haar ter beschikking staande bureaucratische machtsmiddelen de lokale democratie buitenspel te zetten. Deze rijkscoördinatieregeling is een paardenmiddel dat door de rijksoverheid wordt gebruikt om beslissingen die in de lokale politiek geen steun krijgen, bij burgers door de strot te duwen. Deze rijkscoördinatieregeling wordt ook regelmatig toegepast voor de aanleg van windmolenparken, waar men lokaal vaak helemaal niet op zit te wachten. In dit geval moet een militaire radarinstallatie worden geplaatst op een locatie waar de benodigde omgevingsvergunning niet is afgegeven. Alle politieke partijen in de gemeenteraad van West Betuwe zijn unaniem tegen de vergunningverlening. En dat is logisch, want vlakbij staat er al een andere radarinstallatie, namelijk een radar van het KNMI. Daardoor zijn de mogelijkheden ter plaatse zeer beperkt en ontstaan door cumulatie van straling onacceptabele gezondheidsrisico's voor de lokale bevolking in Herwijnen. Dit alles is op zich al erg genoeg, maar het dedain waarmee deze staatssecretaris de mensen en bestuurders in Herwijnen en ons allen denkt voor haar karretje te kunnen spannen, is typerend.

De inzet van de rijkscoördinatieregeling wordt gezien als een machtsgreep van het Rijk. Wanneer vervolgens in een dergelijk gepolitiseerd veld te weinig ruimte is voor bestuurlijk overleg, afruil van belangen, politieke escalatie — de staatssecretaris zegt ook nog eens dat er wordt geopereerd volgens bureaucratische rationaliteit — dan werkt de regeling als olie op het vuur. Dit zijn niet mijn woorden, dit was de conclusie van het eindrapport Evaluatie Rijkscoördinatieregeling van het adviesbureau Andersson Elffers Felix uit november 2016.

Precies dit fenomeen zien we ook nu rondom de radar in Herwijnen optreden. Op 4 september jongstleden heeft de staatssecretaris aan de Tweede Kamer toegezegd om alternatieve locaties voor haar radarplannen in Herwijnen te onderzoeken. Ik citeer uit een artikel in het Reformatorisch Dagblad: "Staatssecretaris Barbara Visser laat Defensie alsnog grondig onderzoeken of er alternatieve locaties zijn voor een militaire radartoren in Herwijnen. Dat zegde de bewindsvrouw woensdagmiddag aan de Tweede Kamer toe. De gemeente is tegen de komst van het radarstation dat een groot deel van het Nederlandse luchtruim moet bewaken. Bewoners maken zich zorgen over de gezondheidsrisico's van straling. Als er een andere locatie beschikbaar is, dan komt de radar niet in het Gelderse Herwijnen, verklaarde Visser. Ze vermoedt dat het onderzoek naar een eventuele alternatieve plek over zes tot acht weken kan zijn afgerond. Komt uit dit onderzoek geen nieuwe optie naar voren, dan zet zij de besluitvorming rond de radartoren in Herwijnen door. Via de zogeheten rijkscoördinatieregeling kán de rijksoverheid een gemeentebestuur overrulen. Volgens Visser is deze route in Herwijnen nodig omdat de nationale veiligheid in het geding is. De huidige radartoren in Nieuw-Milligen is veertig jaar oud en hard aan vervanging toe." Klare taal, zou je zeggen. Binnen zes tot acht weken zou het onderzoek naar een alternatieve locatie zijn afgerond. Maar nu, drie maanden later, voeren wij dit debat zonder deze toegezegde lijst, en dus met lege handen. Daarom vraag ik van de staatssecretaris de toezegging dat ze deze Kamer voor de stemming over de toepassing van de RCR in Herwijnen eerst het alternatievenonderzoek ter beschikking stelt.

Voorzitter. Alles wijst erop dat de staatssecretaris beklemd is geraakt door tunnelvisie en niet meer goed wil of kan kijken naar alternatieven en mogelijkheden. Niet goedschiks, dan maar kwaadschiks; dat lijkt het nieuwe mantra van staatssecretaris Visser. In een eerdere commissievergadering zei ik al: deze staatssecretaris is in het drijfzand van Herwijnen terechtgekomen, en bij elke beweging die zij nu maakt, wordt ze verder in het drijfzand gezogen. Het coûte que coûte doorzetten van deze rijkscoördinatieregeling zal daaraan verder bijdragen. Het lijkt onze fractie ondoordacht om hiermee door te gaan. Een andere aanpak is dringend nodig. Gooi het over een andere boeg, is mijn advies aan de staatssecretaris.

Voorzitter. Er zijn al veel vragen gesteld. Een aantal bleven zoals gewoonlijk onbeantwoord. Ik heb nog vier vragen aan de staatssecretaris. Kan de staatssecretaris de gegevens uit het rapport van Thales over onder andere de zogenoemde veilige afstand met deze Kamer delen? Zo nee, kan zij dan indien nodig vertrouwelijk aangeven wat de maximale veilige afstand is tussen deze radar en de omliggende bebouwing? Mijn tweede vraag heeft betrekking op het vermogen van de beoogde SMART-L-radarinstallatie. Kan de staatssecretaris aangeven wat het vermogen van deze radar zal zijn, en met name het piekvermogen? Want dan is de straling het ergst. Zo niet, kan zij dan aangeven of het vermogen hoger of lager is dan het vermogen van de buienradar van het KNMI? Wat is het cumulatieve stralingseffect op het moment dat beide radarinstallaties, dus zowel de militaire radar als die van het KNMI, op piekvermogen straling uitzenden? Dat is mijn derde vraag. Die stel ik ook omdat het voor de hand ligt dat deze piekvermogens vaak tegelijk ingeschakeld zullen worden bij bepaalde weersomstandigheden. Mijn laatste vraag is: heeft de staatssecretaris de mogelijkheden onderzocht om op de locatie van de bestaande buienradar van het KNMI in Herwijnen in het landsbelang in plaats van de buienradar de nieuw voorziene militaire radar te plaatsen? Zo nee, waarom niet? Eén radar is nog altijd acceptabeler dan twee, en de buienradar is voor het landsbelang niet cruciaal.

Voorzitter. De politieke radar van Barbara Visser staat duidelijk niet goed afgesteld in deze kwestie. De aanpak van Visser is een potje paniekvoetbal geworden als gevolg van de door haarzelf gecreëerde tijdsdruk. Dit is totaal de verkeerde aanpak. En het ergste van alles: de belangen van de mensen uit Herwijnen, de gezondheid van de omwonenden, wordt totaal uit het oog verloren door deze aanpak. Ja, natuurlijk gaat het ons allen uiteindelijk om de veiligheid van het luchtruim, maar die zet de staatssecretaris nu zelf op het spel door haar onpraktische en ondoordachte aanpak. Daarom sluit ik mijn betoog af met een welgemeende oproep aan de staatssecretaris. Ga snel en daadkrachtig aan de slag met het vinden van goede alternatieve locaties, in plaats van met grof geweld de radar in Herwijnen door te drammen.

Dank u.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Dank u wel, meneer De Vries. Mag ik u erop attenderen dat wij in deze zaal gewend zijn om de bewindspersonen aan te spreken met "minister" of "staatssecretaris" en niet met hun voor- of achternaam?

Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. Staat u mij toe om iets van uw achtergrond te schetsen.

U studeerde een jaar economie aan de Rijksuniversiteit in Groningen, tevens uw geboorteplaats. Daarna maakte u de overstap naar de Hanzehogeschool, waar u in 1996 de opleiding management, economie en recht op het gebied van vastgoed en makelaardij succesvol afrondde. Een paar jaar later volgde u de leergang projectontwikkeling van NEPROM, de Vereniging van Nederlandse Projectontwikkeling Maatschappijen.

Intussen was u in Amsterdam begonnen als makelaar bij Colliers International. Van 1997 tot 2010 werkte u als financieel specialist, achtereenvolgens bij FGH Bank NV en Personal Finance Amsterdam BV. In 2010 keerde u terug bij de makelaardij en het vastgoed. Zo werkte u als partner makelaardij bij Allington, als makelaar/vastgoedadviseur bij Voorma & Millenaar makelaars, als directeur bij vastgoedbedrijf Binswanger en als partner bij makelaardij Engel & Völkers. Sinds 2015 bent u Private Office Advisor bij Engel & Völkers.

Rond dezelfde tijd maakte u kennis met Henk Otten en Thierry Baudet, en raakte u betrokken bij Forum voor Democratie, dat toen nog een denktank was. Hun enthousiasme en kritische geluid spraken u aan, vertelde u in deze Kamer toen u zich kandideerde voor het ondervoorzitterschap.

Nadat de denktank een politieke partij was geworden en in 2017 twee zetels haalde bij de Tweede Kamerverkiezingen, werd u persvoorlichter van de Tweede Kamerfractie van Forum voor Democratie. In 2019 bent u zelf gekozen als Eerste Kamerlid namens de partij en op 11 juni van dit jaar beëdigd. Nadat de heer Otten de fractie-Otten begon, maakte u in augustus, samen met mevrouw Rookmaker, bekend dat u zich bij hem aansloot. Inmiddels is de politieke partij GO, Groep Otten, opgericht. U bent algemeen bestuurslid van de partij en persvoorlichter.

Ik refereerde al aan uw kandidatuur voor het tweede ondervoorzitterschap. In uw kandidaatstellingsbrief schreef u: "Mijn relatief korte politieke loopbaan geeft ruimte voor verdere ontwikkeling en ontplooiing." Met de bijdrage vandaag aan uw eerste plenaire debat heeft u een nieuwe stap gezet. Nogmaals van harte welkom en we kijken uit naar uw verdere inbrengen.

Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Arbouw voor zijn maidenspeech.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Arbouw i (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik graag benadrukken dat ik het een hele grote eer vind om in deze Kamer zitting te hebben en het woord te mogen voeren in deze historische zaal. Uiteraard wil ik graag de collega's Dessing, mevrouw Huizinga, de heer De Vries en Rietkerk, die zo meteen na mij komt, ook van harte feliciteren met de maidenspeech die zij vandaag houden.

Voorzitter. Het onderwerp van vandaag is nou niet meteen het eerste onderwerp waaraan ik zat te denken om een maidenspeech over te houden. Toch, bij nader inzien, past dit uitstekend bij mijn achtergrond en cv. Dat zal ik uitleggen. Enerzijds mijn Defensieachtergrond: ik heb lang gediend bij het Korps Rijdende Artillerie, opgericht op 21 februari 1793, een korps waar traditie en historie van groot belang zijn, net als in dit huis. Het is ook dezelfde eenheid die jaarlijks saluut- en minuutschoten afschiet op het Malieveld tijdens Prinsjesdag, in van die mooie uniformen. Ik ben zelfs getrouwd in een gouden dolman. Naast de functies op het ministerie heb ik een aantal jaren als militair diplomaat in Brussel gewerkt bij het NAVO-hoofdkwartier en de Europese Unie. Als kolonel buiten dienst kan ik me aldus goed inleven in het voorliggend dossier en ben ik me bewust van de noodzaak om voor dit radarstation een goede nieuwe locatie te vinden. Anderzijds: mijn lange bestuurlijke achtergrond als wethouder van een grote stad, en dan ook nog met een portefeuille in de ruimtelijke ordening en de stedelijke ontwikkeling, waarbij ik ervaring heb met rijks- en provinciale inpassingsplannen en snap wat een rijkscoördinatieregeling inhoudt, maar dus ook begrijp wat dat betekent voor het lokale niveau.

Voorzitter. Mijn fractie was bij de eerste agendering van de Rijkscoördinatieregeling Herwijnen, na de aanbiedingsbrief van de staatssecretaris van 7 juni dit jaar, eigenlijk al overtuigd van de noodzaak tot een snelle besluitvorming. Inmiddels hebben we er vanaf 25 juni vrijwel elke week in onze gecombineerde commissie over gesproken. Zo vaak dat het bijna een traditie is geworden — en u hebt al begrepen dat ik tradities wel mooi vind — een soort vast ritueel op de dinsdagmiddag. We gaan het straks allemaal heel erg missen.

Maar voorzitter, het gaat natuurlijk om het nationaal belang om een goed werkend radarstation te hebben dat dit deel van Nederland en dit deel van het NAVO-luchtruim afdekt. Want het is eigenlijk ook een NAVO-taak. De oude locatie, op Nieuw-Milligen, voldeed daar niet meer aan, was ook niet aan te passen, en is inmiddels ook dermate oud dat uitval niet uit te sluiten is. Vanaf 2012 is een studie gestart en vanaf 2015 is men bezig om deze vervanging, in samenspraak en in eerste instantie met instemming en medewerking van de betreffende gemeente Lingewaal, tot stand te brengen. Nu na de gemeentelijke herindeling de lokale medewerking er niet meer is, is de inzet van een rijkscoördinatieregeling onzes inziens niet meer dan logisch. De Wet ruimtelijke ordening biedt die mogelijkheid ook. De rijkscoördinatieregeling kan volgens de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, artikel 3.35, gestart worden als er sprake is van een nationaal belang, zoals 's lands veiligheid. En dat is hier in het geding. Het hoeft dus niet de beste of enige locatie te zijn. Alleen al het nationaal belang — en die NAVO-taak onderstreept dat nog eens — is voldoende.

Die radar staat namelijk ten dienste van het Air Operations Control Station in Nieuw-Milligen en maakt onderdeel uit van het geïntegreerde luchtverdedigingsstelsel van de NAVO. 24 uur per dag, 7 dagen in de week staat het Quick Reaction Alert Team met twee F-16's op stand-by om indien noodzakelijk op grond van de informatie van onder andere deze radarsystemen onderscheppingen te doen. Dat gebeurt dus ook regelmatig. De operationele noodzaak van deze radar staat aldus buiten kijf.

Voorzitter, natuurlijk begrijp ik ook de zorgen die door andere fracties vandaag naar voren worden gebracht. Dat gaat over een zorgvuldig proces, rechtszekerheid en kwalitatief goede onderzoeken. En de VVD begrijpt uiteraard ook goed de zorgen die door inwoners in Herwijnen naar voren zijn gebracht. Ik heb als wethouder regelmatig afwegingen moeten maken over het plaatsen van antennes in de stad, waarbij inwoners zich grote zorgen maken over de straling, cumulatieve effecten en gezondheidseffecten. En natuurlijk is de straling van een radarstation andersoortig dan antennes voor telefonie. En daarom is het goed dat de staatssecretaris op verzoek van de gemeente en de Tweede Kamer nu solide onderzoeken laat uitvoeren naar mogelijke alternatieve locaties en de cumulatieve effecten van straling. Deze dienen natuurlijk zorgvuldig en in samenspraak met de belanghebbenden uitgevoerd te worden. Onzes inziens is de beste garantie dat dit goed gebeurt de inbedding van de onderzoeken in de rijkscoördinatieregeling. De VVD is blij dat de staatssecretaris regelmatig heeft aangegeven ook geleerd te hebben van het proces tot nu toe en dat in het vervolgproces transparantie en draagvlak veel nadruk zullen krijgen.

Voorzitter. De rijkscoördinatieregeling is bij uitstek een procedure die die zorgvuldigheid, rechtszekerheid en een kwalitatief goed doorlopen proces kan garanderen, onder andere door de samenwerking met het Rijksvastgoedbedrijf van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Bij deze procedure zijn inspraak, informatiebijeenkomsten en bezwaarmogelijkheden ingebouwd. Voor het ministerie van Defensie is het voeren van een rijkscoördinatieregeling een uitzondering en, volgens de brief van de staatssecretaris van 15 oktober, zelfs de eerste keer. Maar bij andere departementen, EZK, BZK, IenW, is dit een veel vaker voorkomende figuur, bijvoorbeeld voor projecten op het gebied van de energie-infrastructuur, zoals de windmolenparken bij Flevoland, die ook via de rijkscoördinatieregeling lopen.

Voorzitter. Tot slot de conclusie. Voor de VVD biedt een besluit tot starten van de rijkscoördinatieregeling dan ook de beste garantie voor een zorgvuldige bestuurlijke weging en een spoedige besluitvorming.

Dank u wel.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Arbouw. Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. Staat u mij toe om ook iets van uw achtergrond te schetsen.

U bent opgeleid tot officier in de landmacht aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda en aan het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie te Brussel. Later in uw carrière heeft u ook de propedeuse van de studie bestuurskunde aan de Rijksuniversiteit Leiden gehaald en hogere militaire vorming aan het Instituut Defensie Leergangen en de Leergang Topmanagement Defensie aan het Instituut Clingendael gevolgd. Gezien deze achtergrond is het dan ook geen verrassing dat u uw maidenspeech tijdens dit debat houdt.

Momenteel bent u kolonel buiten dienst, maar als beroepsmilitair was u onder andere attaché bij de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de NAVO en de Europese Unie in Brussel. Op het ministerie van Defensie in Arnhem en Den Haag heeft u eveneens verschillende functies gehad. Zo was u beleidsadviseur Personeel en Organisatie, hoofd van de afdeling Beleidsevaluatie en plaatsvervangend directeur van de hoofddirectie Financiën en Control. Ook heeft u een tijdelijk uitstapje gemaakt naar een ander departement toen u adviseur Omgevingswet op het ministerie van Infrastructuur en Milieu was. Een dossier dat momenteel ook zeer actueel is in deze Kamer, maar dat terzijde.

In 2002 werd u wethouder voor de VVD in Breda. U was verantwoordelijk voor veiligheid, volkshuisvesting, bouw- en woningtoezicht en stedelijke ontwikkeling. Vier jaar later keerde de partij niet terug in het college van burgemeester en wethouders en werd u fractievoorzitter van de VVD in de gemeenteraad. Tussen 2010 en 2018 was u opnieuw wethouder van Breda, en ditmaal ook locoburgemeester. BN DeStem schreef ooit over u: "een man van afspraak is afspraak, een intelligente onderhandelaar die knopen kan ontwarren en een 'bloedende tegenpartij' het idee kan geven dat hij de pleister plakt." U bent gewaarschuwd.

Sinds 11 juni bent u lid van de Eerste Kamer en zet u deze eigenschappen, samen met uw kennis en ervaring, in dit huis in. Naast het Kamerlidmaatschap bent u lid van de raad van advies van de stichting GO- Delta en lid van de commissie van toezicht van de Internationale School in Breda.

Nogmaals van harte welkom en we kijken uit naar uw verdere inbrengen.

Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Rietkerk voor diens maidenspeech.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Rietkerk i (CDA):

Voorzitter. Allereerst feliciteer ik mijn collega's mevrouw Huizinga-Heringa en de heren Dessing, De Vries en Arbouw met hun maidenspeech. Het voelt goed.

Voorzitter. Het CDA kent vier kernbegrippen: gerechtigheid, solidariteit, rentmeesterschap en een gespreide verantwoordelijkheid. In het toekomstperspectief voor Nederland in 2030, "Zij aan zij", zijn deze kernbegrippen verder uitgewerkt in perspectieven. Bij een gespreide verantwoordelijkheid gaat het om mensen, organisaties, bedrijven en overheden die een eigen en een gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen. Vertrouwen is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Daarbij wordt een lonkend perspectief geschetst, voorbij aan het systeemdenken, op weg naar duurzame instituties.

Cruciaal voor de christendemocratie is de wijze waarop de overheid orde schept in de gemeenschap. Het gaat om een openbaar bestuur dat mee-ademt en meedenkt met de samenleving, die zij als gemeenschap dient en ordent. De overheid — lokaal, provinciaal en landelijk — ordent ook de ruimte: ruimtelijk ordening, of ruimtelijke ontwikkeling zo u wilt. En met plezier en passie heb ik ervaring hiermee op mogen doen: vanaf 1984 tijdens mijn studie Bestuurskunde en rechten, daarna, tot 1998, als adviseur ruimtelijke ordening, daarna als Tweede Kamerlid, van 1998 tot 2003, als lid van de Kamercommissie Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu, en daarna als gedeputeerde VROM in de mooie provincie Overijssel, tot eind 2014.

Het huis van Thorbecke staat bij de ruimtelijke ontwikkeling en in de Wet ruimtelijke ordening als een huis. Het dichtst bij de mensen: de gemeentelijke overheid. Ik heb dat vandaag regelmatig horen langskomen. Voorts zijn er de provinciale en de rijksoverheid.

De gemeente is als eerste verantwoordelijk voor de ruimtelijke ingrepen bij gemeentelijk belang. Dat doet de gemeente via een bestemmingsplanprocedure of via een ruimtelijkecoördinatieregeling. Deze coördinatie biedt een wettelijke basis voor inwoners om hun belangen te waarborgen via inspraak, bezwaar en beroep bij de rechter, en dat is heel belangrijk.

Wanneer een provinciaal belang in het geding is, mag de gemeente de ruimtelijke coördinatie ook op zich nemen. Wil de gemeente dat niet? Dan past de provincie haar ruimtelijkecoördinatieregeling toe. Ik heb dat in mijn bestuurlijke periode ook mogen doen. De Wet op de ruimtelijke ordening geeft naar mijn idee deze opdracht of mogelijkheid.

Wanneer een rijksbelang in het geding is, dan mag de gemeente op haar eigen grondgebied de ruimtelijke coördinatie ook op zich nemen. Maar wil de gemeente dat niet? Dan heeft de rijksoverheid, op basis van de Wet op de ruimtelijke ordening, de opdracht om de rijkscoördinatieregeling toe te passen. De Tweede en de Eerste Kamer moeten instemmen met deze regeling. Een aantal leden heeft daar al op gewezen. Bij het toepassen hiervan heeft het Rijk een wettelijke taak en hebben inwoners waarborgen op het gebied van betrokkenheid, inspraak, bezwaar en beroep op de rechter.

Voorzitter. Vandaag staat het toepassen van de Rijkscoördinatieregeling radarstation Herwijnen op onze agenda. In het verlengde van mijn gehouden betoog merk ik het volgende namens de CDA-fractie op. De gemeente West Betuwe heeft aangegeven de ruimtelijke coördinatie niet op zich te willen nemen. Ik zie hier reactie op. Wanneer het nationaal belang in het geding is, heeft het Rijk dan, gelet op de Wet op de ruimtelijke ordening, de wettelijke opdracht om 's rijkscoördinatieregeling toe te passen. Nu gaat het om een militair radarstation in Herwijnen, dat noodzakelijk wordt geacht, gelet op de betrokken landsbelangen, in het kader van de nationale veiligheid en de nationale klimaatdoelstellingen. Uit de memorie van toelichting van de Wet op de ruimtelijke ordening — dat is Kamerstuk 28916, nr. 3, pagina 52, meneer Ganzevoort — volgt dat "klassieke" nationale projecten en activiteiten, die betrekking hebben op 's lands veiligheid, waaronder 's lands verdediging, onder het criterium een goede, nationale ruimtelijke ordening vallen en daarmee van nationaal belang zijn. Aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing van de rijkscoördinatieregeling wordt zo naar ons idee voldaan.

De CDA-fractie hecht een groot belang aan wettelijke waarborgen, met name voor de inwoners uit de betreffende gebieden, in dit geval West Betuwe, voor inspraak en zorgvuldige belangenafweging. Het proces om te komen tot het toepassen van de rijkscoördinatieregeling heeft lang geduurd — anderen hebben daar ook al op gewezen — en is tot nu toe niet gladjes verlopen. Het beeld uit de wekelijkse mails, die wij als Eerste Kamerleden krijgen, en apps richting onze Kamer past daar een beetje bij. De staatssecretaris zal wat het CDA betreft in het kader van de rijkscoördinatieregeling het ruimtelijk been moeten bijtrekken. De CDA-fractie adviseert om toch meer expertise van Binnenlandse Zaken of Rijksvastgoedbedrijf in te zetten. Het is net ook al door voorgangers gezegd. Hoe ziet de staatssecretaris dat?

Verbeteren is naar ons idee nodig. De CDA-fractie adviseert de staatssecretaris het vertrouwen verder terug te winnen. Ze is op weg, maar er is meer nodig. In het kader van de rijkscoördinatieregeling moeten alternatieve locaties worden afgewogen. Dat moet gepaard gaan met wettelijke waarborgen voor inwoners, zoals openbare voorbereiding. Kan de staatssecretaris toezeggen dat in de fase van voorontwerp de inwoners worden betrokken? Wordt of worden er bijvoorbeeld een inloopavond, een informatiebijeenkomst of beide georganiseerd? Kunnen de inwoners dan ook zienswijzen indienen? En krijgen deze inwoners dan op tijd een ontvangstbevestiging en daarna een inhoudelijke en serieuze reactie van de regering?

De inwoners maken zich overigens nog steeds zorgen over de gezondheidsrisico's. Anderen hebben daar ook op gewezen. Thales, TNO, RIVM en de WHO hebben nader onderzoek verricht of checks gedaan. Toch zijn de zorgen niet weg. Kan de staatssecretaris toezeggen dat de resultaten van onderzoeken, bijvoorbeeld naar flora en fauna, maar ook naar alles wat te maken heeft met gezondheid en milieu, in het kader van de rijkscoördinatieregeling worden weergegeven, zodat er transparant kan worden meegelezen door degenen die dat willen en zeker door de inwoners? En vindt de staatssecretaris met de CDA-fractie dat de omgevingsvergunning qua gezondheid en eventuele cumulatieve effecten moeten voldoen aan de wettelijke normen?

Voorzitter. Zoals u hoort, vindt de CDA-fractie dat de Eerste Kamer bij haar besluitvorming met name gaat over rechtmatigheid, handhaafbaarheid en doelmatigheid van wet- en regelgeving. Ik sluit daarbij aan bij de ChristenUnie-fractie. In casu gaat het dan om het toepassen van de Wet op de ruimtelijke ordening. De Tweede Kamer gaat wat ons betreft over de locatiekeuze. Er is ook een motie aangenomen die we in de stukken terug kunnen lezen. Dat debat hoort wat onze fractie betreft ook daar thuis. De staatssecretaris heeft daar al vragen over gekregen. Ze heeft ook al geantwoord hoe ze daarmee om wil gaan. Wat ons betreft gaan we in onze Eerste Kamer niet dubbelen of dat debat overdoen. Dat helpt namelijk niet om de democratie te versterken en zeker niet om het vertrouwen van inwoners terug te winnen.

Ten slotte, voorzitter. De CDA-fractie denkt onder voorwaarden positief mee over de toepassing van de rijkscoördinatieregeling. Wij wachten daarom de antwoorden en de toezeggingen van de staatssecretaris af om daarna tot een definitief besluit te komen.

Dank u wel.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Rietkerk. Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. Staat u mij toe om iets van uw achtergrond te schetsen.

Na de heao volgde u een opleiding tot bestuursambtenaar aan de Hogere Bestuursacademie in Zwolle, waar u zich specialiseerde in wetgeving en recht op het gebied van ruimte en milieu. Aansluitend studeerde u staats- en bestuursrecht aan de Open Universiteit.

U bent begonnen als projectmedewerker bij het ministerie van Economische Zaken, maar maakte al snel de overstap van rijksoverheid naar de provincie. Tussen 1985 en 1998 had u verschillende functies bij de provincie Overijssel op het gebied van plattelandsontwikkeling en milieu.

In 1998 bent u beëdigd als lid van de Tweede Kamer voor het CDA. Na vijf jaar maakte u opnieuw de overstap van landelijk naar provinciaal toen u in 2003 lid werd van Gedeputeerde Staten van Overijssel. Dat bent u in totaal elf jaar gebleven. In 2007 werd u door dagblad Trouw uitgeroepen tot beste gedeputeerde van Nederland. Sinds 2014 bent u voorzitter van het college van bestuur van onderwijsorganisatie Landstede Groep.

Als CDA-Tweede Kamerlid was u woordvoerder politie, criminaliteitsbestrijding en veiligheid. Samen met collega Dittrich diende u een initiatiefwetsvoorstel in voor het laten vervallen van de verjaringstermijn voor de vervolging van moord. Dat voorstel is later in deze Kamer aanvaard.

Naast uw Eerste Kamerlidmaatschap en uw werk bij Landstede Groep bent u ook voorzitter van de raad van commissarissen van Roelofs Groep en voorzitter van voetbalvereniging Go-Ahead Kampen.

Vroeger wilde u profvoetballer worden. U bent zelfs geselecteerd voor de KNVB-selectie Oost. Ook al werd het de politiek, u bent dus nog altijd betrokken bij de club waarvoor u ook heeft gespeeld. In een interview trok u eens de parallel tussen het voetbal en de politiek: "In de politiek zie je dingen die je in de voetballerij ziet. Je moet doorzettingsvermogen hebben en in een team werken. Je kunt niks alleen, dat geldt ook voor de politiek."

Nogmaals van harte welkom en we kijken uit naar uw verdere inbrengen.

Dan schors ik de vergadering voor enkele ogenblikken, zodat alle leden die in eerste termijn hun maidenspeech hebben gehouden, kunnen worden gefeliciteerd. Ik verzoek de heer Dessing, mevrouw Huizinga-Heringa, de heer De Vries, de heer Arbouw en de heer Rietkerk zich voor het rostrum op te stellen, zodat alle overige collega's u kunnen feliciteren, waarbij ik u als Voorzitter graag als eerste feliciteer.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik geef het woord aan mevrouw Moonen namens de fractie van D66.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Moonen i (D66):

Voorzitter. Allereerst de hartelijke gelukwensen aan de heer Dessing, mevrouw Huizinga-Heringa, de heer De Vries, de heer Arbouw en de heer Rietkerk voor hun mooie maidenspeeches.

Vandaag behandelen we het al dan niet in werking laten treden van de rijkscoördinatieregeling ten behoeve van het project militair radarstation in Herwijnen. Graag neem ik u mee in dat proces. In 2013 is Defensie begonnen met het zoeken van een nieuwe locatie voor een militair radarstation. Deze werd gevonden in de plaats Herwijnen. Aanvankelijk was de gemeenteraad van Lingewaal akkoord in 2015, maar de gemeenteraad van Lingewaal besloot enkele jaren later, in 2018, de wijziging van het bestemmingsplan naar de bestemming maatschappelijk militair zend- en ontvangstinstallatie toch niet vast te stellen.

Dat was dus een wijziging van het aanvankelijke oordeel en daar had de raad twee redenen voor. De eerste was dat men vond dat het plan niet zou leiden tot een goede ruimtelijke ordening, en de tweede was dat de gemeenteraad vond dat onvoldoende inzicht was gegeven in de effecten voor de gezondheid. De huidige gemeenteraad van West Betuwe heeft aangegeven, niet zelf een bestemmingsplanwijziging te willen initiëren. Het enige middel dat dan overblijft, is het inzetten van de rijkscoördinatieregeling. Het Rijk zet dan een rijksinpassingsplan op, maar dat kan alleen als beide Kamers instemmen.

Voorzitter. Het gaat vandaag over de gezondheid van de mensen in West Betuwe. Het gaat over het belang van de veiligheid van de luchtvaart en het gaat over het weer kunnen aanleggen van windmolenparken. Ik licht dat kort toe.

De heer Ganzevoort i (GroenLinks):

Mevrouw Moonen moet het mij maar niet kwalijk nemen dat ik haar interrumpeer op het punt dat zij nu aan de orde stelt. Ik heb dat ook van anderen gehoord, maar die mocht ik niet interrumperen. U mag ook namens die collega's spreken. Mevrouw Moonen zegt dat de gemeente niet wilde besluiten, niet tot een coördinatie wilde komen en dat het Rijk het daarom wel heeft moeten doen. Mijn vraag is of dat wel klopt. Is het niet zo dat de gemeente wel degelijk iets wilde besluiten, namelijk dat het er niet moest komen? Het Rijk kon twee dingen doen. Of zeggen: we drukken het door. Of zeggen: we respecteren de gemeente. Is de boodschap dat de gemeente niet wilde besluiten wel de juiste samenvatting? Of heeft de gemeente wel degelijk iets besloten, alleen was dat iets dat het Rijk onwelgevallig was?

Mevrouw Moonen (D66):

Zoals ik zojuist aangaf wilde West Betuwe niet zelf een bestemmingsplanwijziging initiëren. Dat staat in stukken van de raad. Ik heb aangegeven dat dan, als je het dan toch wilt realiseren, de rijkscoördinatieregeling overblijft. Ik wil graag mijn betoog vervolgen om de afwegingen die wij zien nader uit te leggen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik snap wel dat mevrouw Moonen haar betoog wil vervolgen, maar ik wil toch de vinger bij deze zere plek leggen, want dat is dit wel degelijk. De gemeente heeft formeel gezegd het niet te willen initiëren. Zij heeft dat gedaan omdat zij dit niet wilde. Zij wilde deze radartoren niet. Dat is een uitspraak van de gemeente. Ze heeft niet lapzwanserig aan de kant gestaan zodat het Rijk er wel in moest stappen. Nee, de gemeente wilde het gewoon niet. Zo ligt het toch?

Mevrouw Moonen (D66):

Wat is dan uw vraag? Tot zover is het bekend.

De voorzitter:

De derde interruptie van de heer Ganzevoort.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Mijn vraag is deze. Klopt dan de weergave van mevrouw Moonen wel dat het Rijk er in moest stappen omdat de gemeente haar werk niet deed? Dat is de suggestie die zij deed.

Mevrouw Moonen (D66):

Dan heeft u mij niet goed begrepen. Het Rijk hoeft het niet te doen, maar het Rijk kán een rijkscoördinatieregeling inzetten. Het is niet verplicht om die in te zetten.

Voorzitter. Het gaat over de gezondheid van de mensen in de Betuwe, over het belang van de veiligheid van de luchtvaart en over het weer kunnen aanleggen van windmolenparken. Laten we starten met het gezondheidsaspect, een belangrijk aspect voor de mensen in het gebied. Voor de gezondheid van mensen gaat het om de mogelijke stralingsbelasting. Het zal duidelijk zijn dat D66 vindt dat, wanneer er in dit gebied een nieuwe radar komt, de cumulatie van alle straling binnen de maximale stralingswaarden zal moeten blijven.

Daarnaast gaat het om het nationaal belang van veiligheid voor inkomende mogelijk bedreigende toestellen. De staatssecretaris zegt hier in haar brief aan de Eerste Kamer op 25 oktober het volgende over: "Defensie is vanuit haar grondwettelijke taken onder meer verantwoordelijk voor het bewaken van (een deel van) het NAVO en het nationale luchtruim en het begeleiden van militaire luchtoperaties ...".

Ten slotte gaat het om de aanleg van windmolenparken. Die liggen momenteel voor een groot deel stil in dit land, omdat we eigenlijk geen besluit nemen over het al of niet inzetten van de rijkscoördinatieregeling. Omdat Nieuw-Milligen langer in bedrijf wordt gehouden, krijgen alle windmolenprojecten binnen een straal van 75 kilometer rond Nieuw-Milligen geen verklaring van geen bezwaar. Ook rondom de locatie van Herwijnen en de mogelijke alternatieve locaties ligt een contour van 75 kilometer waar geen windmolenprojecten gerealiseerd kunnen worden. In totaal ligt de aanleg van 900 megawatt aan windenergieprojecten op land hierdoor stil. Dat is 15% van onze totale opgave aan duurzame energie.

De fractie van D66 vindt de gezondheid van de bewoners, de veiligheid van het luchtruim en de aanleg van duurzame energieparken van groot belang. Onze fractie hecht ook zeer aan een ordentelijk proces met de inwoners en de gemeente. Inzet van de rijkscoördinatieregeling betekent dat er volgens de wettelijke regeling onderzoek dient plaats te vinden naar alternatieve locaties. Zodra een alternatieve locatie geschikt wordt gevonden dient de rijkscoördinatieregeling voor de locatie in Herwijnen direct te stoppen. Ook is onderdeel van de RCR dat er onderzoek plaatsvindt naar de cumulatieve effecten van de radar op de gezondheid. Je zou kunnen zeggen dat hiermee wordt verzekerd dat alle benodigde onderzoeken daadwerkelijk gedaan worden. Echter, onze fractie heeft moeite met het proces zoals dat tot nu toe is doorlopen door het ministerie van Defensie. Ik ga niet de hele geschiedenis van het proces doornemen, want door vorige sprekers is er al heel veel over gezegd. Dat hoef ik niet te herhalen. Ik wil wel de recentere procesfailures benadrukken.

De staatssecretaris heeft in haar brief van 22 november 2019 toegezegd dat zij samen met de gemeente en omwonenden een onderzoek naar alternatieve locaties uit zal voeren. Daarnaast heeft de staatssecretaris toegezegd onderzoek te doen naar de cumulatieve effecten van de straling op de gezondheid. Beide onderzoeken zijn nog steeds niet afgerond. Bewoners en gemeente worden dus eigenlijk heel lang in onzekerheid gehouden, maar dat was helemaal niet nodig. Aan de inwoners is erg laat gevraagd om mee te denken over alternatieve geschikte locaties. Toen begin 2019 de gemeente West Betuwe aangaf niet mee te willen werken aan een bestemmingsplanwijziging, had het ministerie van Defensie direct op zoek kunnen gaan naar alternatieve locaties. Dat is niet gebeurd. Hiermee is kostbare tijd verloren gegaan: algauw een maand of tien. Het is hoog tijd om dit te veranderen.

Voorzitter. De fractie van D66 vindt het heel belangrijk om onderscheid te maken tussen voorbereiding, alle voorbereidende onderzoeken, en het besluit tot plaatsing. In onze visie zijn dat twee verschillende trajecten.

De heer Koole i (PvdA):

Ik maak even van de gelegenheid gebruik om de heren Dessing, De Vries, Arbouw en Rietkerk en mevrouw Huizinga te feliciteren met hun maidenspeeches.

Mevrouw Moonen had het zojuist over die onderzoeken en dat proces dat niet goed is verlopen. Het had veel sneller gekund, direct vorig jaar al, toen de gemeente zei: we willen het niet. Zegt mevrouw Moonen hiermee ook dat de onderzoeken die inmiddels zijn gestart maar nog niet zijn afgerond, onderzoeken zijn die zorgvuldig zijn, ook buiten het kader van de rijkscoördinatieregeling? Want die rijkscoördinatieregeling is nog steeds niet in werking getreden. Hoe kwalificeert mevrouw Moonen de zorgvuldigheid van beide onderzoeken die inmiddels zijn gestart maar nog niet zijn afgerond?

Mevrouw Moonen (D66):

Dat is lastig te zeggen, want die onderzoeken vinden momenteel plaats en daar hebben we nog geen kennis van kunnen nemen. Ik kan nu weinig zeggen over de inhoud van de onderzoeken en ik kan al helemaal weinig zeggen over de zorgvuldigheid van de onderzoeken, want ze zijn nog nooit aangeboden, niet aan de Tweede Kamer en ook niet aan de Eerste Kamer. Dat is dus een black box.

De heer Koole (PvdA):

Maar mevrouw Moonen, u zei zonet dat het eerder gestart had moeten worden. Tegelijkertijd zegt u dat u geen oordeel wil hebben over de kwaliteit van de onderzoeken. Betekent dit nu dat u wel wil dat ze snel worden afgerond, maar dat u eigenlijk nog geen vertrouwen kan hebben in de kwaliteit van de onderzoeken omdat u ze nog niet heeft gezien? Wat vindt u er dan van dat ze überhaupt zijn gestart, buiten het kader van de rijkscoördinatieregeling, waarvan u zegt dat die de garantie biedt dat ze wel goed worden uitgevoerd?

Mevrouw Moonen (D66):

Ik vind het heel belangrijk om geen kostbare tijd te verliezen, met het oog op zowel het belang van de nationale veiligheid van ons luchtruim als het belang van het kunnen plaatsen van windmolenparken. Daarom zeg ik in mijn betoog dat ik het buitengewoon jammer en ook wel kwalijk vind dat we tien maanden verloren hebben laten gaan. In die tien maanden had dat alternatieve onderzoek kunnen plaatsvinden en dan waren we nu verder geweest dan we nu zijn.

De voorzitter:

De heer Koole, de derde.

De heer Koole (PvdA):

Maar dat is geen antwoord op mijn vraag. Mijn vraag was: vindt u dat die onderzoeken buiten het kader van de rijkscoördinatieregeling hadden moeten worden gestart, terwijl u vindt dat de garantie voor een zorgvuldig onderzoek binnen de rijkscoördinatieregeling bestaat?

Mevrouw Moonen (D66):

Ze hadden gestart mogen worden buiten het kader van de rijkscoördinatieregeling. Dan waren we nu verder geweest.

De heer Koole (PvdA):

En dan had u er ook vertrouwen in gehad?

Mevrouw Moonen (D66):

Dan had ik ze willen zien. Dan hadden we de oogst kunnen zien en hadden we dat zelf kunnen beoordelen.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Moonen (D66):

De D66-fractie vindt het belangrijk om onderscheid te maken tussen de hele voorbereiding van het onderzoek en de plaatsing. Wat bedoel ik daarmee? De Tweede Kamer heeft de rijkscoördinatieregeling doorgeleid naar de Eerste Kamer. Daarom spreken we hier vanavond ook over. Cruciaal hierbij zijn twee moties die zijn aangenomen in de Tweede Kamer. In de eerste motie, van het lid Voordewind, staat dat er een grondig onderzoek moet komen naar het in kaart brengen van alternatieve locaties voor het radarstation en dat de Kamer daarover geïnformeerd moet worden voordat er "een schop de grond in gaat". Hoe duidelijk kun je zijn? De andere motie stelt dat de staatssecretaris niet alleen eventuele vragen van de inwoners van Herwijnen mee moet nemen bij het onderzoek dat plaatsvindt naar de mogelijke gevolgen van de cumulatieve straling voor de gezondheid, maar ook mogelijke voorstellen om andere wetenschappelijke instituten daarbij te betrekken.

Wij als D66 hebben beide moties gesteund in de Tweede Kamer. Door deze twee moties ontstaat er een onderscheid tussen al het voorbereidende onderzoek en het besluit tot mogelijke plaatsing van de radar. Wanneer alle voorbereidende onderzoeken gereed zijn, moet de staatssecretaris immers met al deze informatie terug naar de Tweede Kamer. Deze dient daar aangeboden te worden. Daar zal dan opnieuw blijken of het nodig is om het inhoudelijke debat hierover voort te zetten. Dan zal blijken of Herwijnen inderdaad de enig overgebleven en meest geschikte locatie is voor plaatsing van de radar. Daar zal blijken of de resultaten van het onderzoek naar de cumulatieve effecten op de gezondheid binnen de juiste normen blijven, bijvoorbeeld voor straling. Dat alles zal blijken voordat er überhaupt een schop de grond in gaat, want dat is de strekking van de motie. Voor onze fractie is het onderscheid tussen het treffen van de voorbereiding en het al of niet plaatsen van de radar van groot belang. Dat is door beide moties geborgd.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik heb een kleine correctie en een vraag. Mevrouw Moonen zei net dat het door de Tweede Kamer is doorgeleid naar de Eerste Kamer. Ik heb het zo begrepen dat de Eerste en de Tweede Kamer beide zelfstandig een reactie te geven hebben op het voorstel om de rijkscoördinatieregeling in te voeren, en dat het dus niet een doorgeleide is vanuit de Tweede Kamer naar de Eerste Kamer, maar dat het parallel loopt. Dat als correctie. Dan mijn vraag. Die gaat over het onderscheid tussen voorbereiden en plaatsen. Ik snap die gedachte wel, maar is mevrouw Moonen niet bang dat je daarmee gewoon een nieuwe fuik creëert, zoals we in dit proces al zoveel gezien hebben? We zien dat we iedere keer weer met voldongen feiten voor iets nieuws geplaatst worden, waardoor we gewoon steeds verder die fuik in zwemmen. Welke ruimte is er, niet alleen voor de Tweede Kamer, maar ook voor de Eerste Kamer in haar eigenstandige verantwoordelijkheid, om dat dan nog te toetsen?

Mevrouw Moonen (D66):

Op het eerste punt: de rijkscoördinatieregeling kan pas worden toegepast wanneer beide Kamers daarvoor toestemming geven. In die zin is het dus juist dat er sprake is van een eigenstandige afweging van beide Kamers. Over het tweede punt, dat van die fuik, ben ik wat minder bezorgd, want als wij allemaal onze eigen collega's in de Tweede Kamer serieus nemen — het lijkt me verstandig om dat te doen — dan laat de motie eigenlijk zien dat onze collega's in de Tweede Kamer alle onderzoeken, zoals dat naar de cumulatieve effecten op de gezondheid, maar ook dat naar alle alternatieve locaties, gaan ontvangen. De motie laat ook zien dat de staatssecretaris niet daadwerkelijk mag beginnen met plaatsing alvorens de Tweede Kamer de gelegenheid te bieden om het debat aan te gaan, als zij dat wensen. Als op enig onderdeel blijkt dat het onvoldoende robuust zou zijn, als er onvoldoende gelet zou zijn op de gezondheidsaspecten, dan kunnen leden van de Tweede Kamer, onze collega's aan de overzijde, dat debat met de staatssecretaris aanvragen. We lopen dus helemaal niet in een fuik; we voeren eigenlijk de moties uit die omwille van zorgvuldigheid zijn aangenomen door onze collega's in de Tweede Kamer.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Hieruit begrijp ik dat mevrouw Moonen vindt dat als wij vandaag, morgen of volgende week tot een besluit zouden komen, de rol van de Eerste Kamer eigenlijk is uitgespeeld en dat we het maar moeten overlaten aan de collega's, die inderdaad altijd heel erg goed werk doen. Welke grond geeft haar in het proces tot nu toe het vertrouwen dat deze staatssecretaris dat zo zorgvuldig doet dat wij als Eerste Kamer ons recht zomaar uit handen moeten geven?

Mevrouw Moonen (D66):

U heeft de vooronderstelling dat ik geen aanvullende toezeggingen zou willen van de staatssecretaris. Dan kan ik beter mijn betoog afmaken, want het is niet zo dat ik geen extra toezeggingen wil; die zitten nog verderop in mijn betoog.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

Mevrouw Moonen (D66):

Ik kom nu op inspraak van de bewoners. Onderdeel van de rijkscoördinatieregeling, wanneer deze wordt ingezet, is dat de bewoners van de gemeente West Betuwe inspraak hebben en ook zelf met geschikte alternatieve locaties kunnen komen. Ook kunnen bewoners en bedrijven een procedure starten bij de Raad van State en blijft bezwaar en beroep mogelijk. De fractie van D66 hecht belang aan een goede communicatie met de bewoners. Kan de staatssecretaris aangeven hoe zij het proces van inspraak inricht? Dat is een gerichte vraag aan de staatssecretaris.

Tot slot wil ik een toezegging vragen aan de staatssecretaris. Omdat het hier gaat over de gezondheid van de mensen in West Betuwe, omdat het hier gaat over het belang van de nationale veiligheid van de luchtvaart en omdat het hier gaat over het weer kunnen aanleggen van windmolenparken, is het belangrijk dat er een ordentelijk proces wordt gevolgd. De rijkscoördinatieregeling en uitvoering van beide moties van de Tweede Kamer voorzien hier in principe in. Dan zal blijken of Herwijnen de enige overgebleven en meest geschikte locatie is voor plaatsing van de radar en of aan alle normen van de gezondheid voldaan wordt. Voor de fractie van D66 is het van belang dat de staatssecretaris toezegt om verantwoording af te leggen over de kwaliteit van het proces tijdens de inzet van de rijkscoördinatieregeling. De staatssecretaris heeft mondeling reeds toegezegd in de commissie dat de resultaten van alle onderzoeken die naar de Tweede Kamer gaan, op hetzelfde moment ook gezonden en aangeboden worden aan alle leden van de Eerste Kamer. De fractie van D66 vraagt hierbij iets extra's. Wij vragen de staatssecretaris een brief waaruit blijkt hoe zij de afgelopen maanden invulling heeft gegeven aan de wijze waarop er is omgegaan met voorstellen voor alternatieve locaties van bewoners en hoe zij is ingegaan op en medewerking heeft verleend aan de inspraak door de bewoners. Deze brief dient tegelijkertijd met het pakket van de resultaten van de onderzoeken gezonden te worden aan de Tweede Kamer en op hetzelfde moment ook aan de Eerste Kamer. Kan de staatssecretaris deze brief over dat proces toezeggen?

Ik rond af. Ik wacht de beantwoording van de staatssecretaris af alvorens met een advies naar de fractie te gaan.

De heer Koole (PvdA):

Mevrouw Moonen heeft heel veel vertrouwen in het rijkscoördinatieproces. Mijn vraag aan mevrouw Moonen is tweeërlei. Acht zij het ook mogelijk, gegeven dat proces waar zij het over heeft binnen de rijkscoördinatieregeling, dat dit leidt tot bijvoorbeeld onderzoeken die wel tot de conclusie moeten leiden dat de bouw van een radar niet in Herwijnen kan plaatsvinden — dat zou een mogelijkheid kunnen zijn — en dat daarmee het proces sowieso een aantal jaren wordt vertraagd? Dat sluit mevrouw Moonen niet uit? Dat is mijn eerste vraag.

De tweede vraag gaat over de brief van de staatssecretaris. Gevraagd is aan de staatssecretaris om uit te leggen hoe er precies wordt omgegaan met de burgers en de democratie in het kader van het goed communiceren met de burgers. Wat betekent dat voor de Eerste Kamer? Wat gaat de Eerste Kamer dan volgens mevrouw Moonen doen met die brief? Leidt dat volgens D66 tot een heropening van het debat of tot iets anders?

Mevrouw Moonen (D66):

Misschien allereerst de vraag of het daarmee nog jaren kan duren. In het betoog zit heel duidelijk dat de onderzoeken nu allemaal dienen plaats te vinden en dat vervolgens binnen de rijkscoördinatieregeling deze onderzoeken worden aangeboden aan de Tweede Kamer. Daar hebben wij vanavond als fractie de nadrukkelijke wens aan toegevoegd om een extra brief te maken die ingaat op hoe met de bewoners wordt gecommuniceerd, zowel als het gaat over hun voorstellen voor mogelijke alternatieve locaties alsook over de wijze van inspraak. Die brief gaat op hetzelfde moment, met het pakket resultaten van de onderzoeken, naar de Tweede Kamer en gelijktijdig naar de Eerste Kamer. Dat is ons voorstel. Vervolgens is het allereerst aan onze collega's in de Tweede Kamer. Zij zijn als eerste aan zet om op basis van de resultaten van alle onderzoeken en op basis van de hele procesbeschrijving te bepalen of zij een debat gaan aanvragen met de staatssecretaris, waarin dan op zich alle opties opnieuw openliggen. Want dat is ook de inhoud van de motie: er kan geen schop de grond ingaan voordat de Tweede Kamer daar daadwerkelijk het fiat voor geeft. Ze kunnen dat debat dus aanvragen.

De heer Koole (PvdA):

Begrijp ik goed dat het mogelijke vervolgproces in de Eerste Kamer door D66 afhankelijk wordt gesteld van initiatieven in de Tweede Kamer?

Mevrouw Moonen (D66):

Het is de taak van de Tweede Kamer om inhoudelijk de moties uit te voeren die ze samen, met unanieme steun en in grote meerderheid, hebben aangenomen. We moeten hen ook in de gelegenheid stellen om die motie uit te voeren. Dat is voor D66 een hele belangrijke motie, omdat precies door deze motie er onderscheid wordt gemaakt tussen de hele voorbereiding, alle voorbereidende onderzoeken, en de plaatsing. De Staat kan dus niet in één keer door met plaatsen. Nee. Wanneer de Tweede Kamerleden het noodzakelijk achten om de staatssecretaris naar de Kamer te roepen, op basis van de resultaten van de onderzoeken, hebben ze daar alle mogelijkheden toe. Daarmee ontstaat de knip tussen voorbereiding en plaatsing, die wij als fractie heel belangrijk vinden.

De voorzitter:

De heer Koole, voor een derde interruptie.

De heer Koole (PvdA):

Ik constateer dat mevrouw Moonen de actie in de Eerste Kamer zeer afhankelijk stelt van de Tweede Kamer. Ik zou er erg voor willen pleiten dat beide Kamers eigenstandig een zelfstandige afweging maken. Dit proces is iets anders dan de wetgeving; de heer Ganzevoort heeft daar al op gewezen. Dan is het volgtijdelijk, hier is het parallel. Ik zou daar echt voor willen pleiten. Maar mijn eerdere vraag was: sluit mevrouw Moonen uit dat als de rijkscoördinatieregeling wordt toegepast, dat tot een vertraging van wellicht enkele jaren zou kunnen leiden?

Mevrouw Moonen (D66):

Dat hangt ervan af. Het werkt als volgt bij een rijkscoördinatieregeling. Wanneer er een alternatieve geschikte locatie wordt geworden, dan stopt op dat moment de rijkscoördinatieregeling, want dan gaat men door met die alternatieve geschikte locatie. Zeker als dat de instemming heeft van de gemeente West Betuwe, is er helemaal geen nut en noodzaak meer om de rijkscoördinatieregeling in te zetten. Die moet dan per direct stoppen. Dat staat ook in de brief van de staatssecretaris. Op dat moment, wanneer er een alternatieve geschikte locatie is, die ook de goedkeuring krijgt van de gemeente West Betuwe, hebben we dus geen rijkscoördinatieregeling meer. Dat zou eigenlijk de meest ideale situatie zijn, want dan heb je geen rijkscoördinatieregeling meer nodig.

De voorzitter:

De heer Koole, nog een korte laatste interruptie.

De heer Koole (PvdA):

Moet die alternatieve locatie per se in de gemeente West Betuwe liggen?

Mevrouw Moonen (D66):

Dat is een goede vraag. Dat lijkt me ook een hele goede vraag om door te geleiden naar de staatssecretaris. Tot nu toe zat dit in het schrijven en de brieven van Defensie, maar ik denk dat het een interessante vraag is om neer te leggen bij de staatssecretaris.

De voorzitter:

Dan de heer Janssen.

De heer Janssen i (SP):

Een hele korte verhelderende vraag, met naar ik hoop een verhelderend antwoord. Vindt mevrouw Moonen het in een zorgvuldig proces een rol van inwoners om zelf alternatieven aan te dragen? Of zegt zij: nee, in een goed zorgvuldig proces hoort objectief gekeken te worden naar mogelijke alternatieven; dat hoort het ministerie te doen, bij zo'n objectief proces, en niet de inwoners zelf, aan wie dan gevraagd wordt "zeg maar waar u het wil hebben, als u het hier niet wil hebben".

Mevrouw Moonen (D66):

Ten eerste is die vraag niet zo gesteld: zeg maar waar je het wilt hebben als je het hier niet wilt hebben. Er is gewoon een open vraag gesteld aan de bewoners. Dat je bewoners vraagt om mee te denken, vind ik op zich prima. Ik heb al aangegeven dat ik het proces heel onzorgvuldig vind. Daar ben ik ook heel kritisch over. Ik vind het ook onjuist dat wij heel kostbare tijd hebben verloren. Met "wij" bedoel ik dan niet zozeer de bewoners, maar ook het ministerie van Defensie zelf. Het ware logisch geweest als het ministerie van Defensie vanaf januari 2019 — dat zat ook in mijn betoog — toen de gemeente West Betuwe aangaf niet te willen meewerken aan de wijziging van het bestemmingsplan, zelf had ingezet op het op zoek gaan naar alternatieve locaties.

De heer Janssen (SP):

Mag ik u dan zo begrijpen dat u zegt dat het eigenlijk de rol van het ministerie was? Het is goed dat bewoners meedoen, ja, maar ik zie dat eerder in de uitvoering dan in een ingewikkelde locatiekeuze, waarbij alles meespeelt wat technisch is. Begrijp ik nu dat u zegt: ik had het liever anders gezien, maar nu het eenmaal zover is, moeten ze maar meedenken?

Mevrouw Moonen (D66):

Niet moeten: ze worden daartoe uitgenodigd. Nogmaals het ware beter geweest als het proces erin had voorzien dat het ministerie vanaf januari dit zelf ook ter hand had genomen. Maar daar zijn ook door andere sprekers veel opmerkingen over gemaakt. Dan nog had het gekund met een participerende aanpak samen met bewoners. Maar dan hadden ze zelf het voortouw en de regie genomen. Dat is niet gebeurd.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Moonen. Dan geef ik graag het woord aan de heer Koffeman namens de Partij voor de Dieren.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Koffeman i (PvdD):

Voorzitter, dank u wel. Ik wil graag de collega's Dessing, Huizinga, de Vries en Rietkerk van harte feliciteren met hun maidenspeech. Ik heb met belangstelling geluisterd.

Voorzitter. Als de plannen van Defensie doorgaan, worden de bewoners van Herwijnen die een fietstochtje maken door het landelijk gebied geconfronteerd met een enorme radar. Mogelijk moeten de fietspaden afgesloten worden, omdat het stralingsniveau niet toelaat dat er op enkele tientallen meters afstand recreatief gefietst of gewandeld wordt. Geiten, koeien schapen in de aangrenzende weiden naderen de radar tot twintig meter.

Het gaat om een ingrijpende inbreuk op de kwaliteit van de omgeving, die de vraag oproept of dat getuigt van een goede ruimtelijke ordening. De plaatselijke bevolking maakt zich grote zorgen over de straling. Uit onderzoeken van het RIVM blijkt dat de bestaande radar van het KNMI reeds een voor mensen zorgwekkende straling veroorzaakt. Herwijnen kent een ooievaarsdorp. De ooievaars vliegen straks boven de radar, wat levensgevaarlijk is. Op nog geen tien meter afstand bevindt zich een unieke vleermuiskolonie in het zogenaamde GeoFort, dat door Staatsbosbeheer geëxploiteerd wordt. Er zijn onderzoeken waaruit blijkt dat radarstraling de vleermuizen kan desoriënteren, zodat de wettelijk verboden verstoring van de nesten van deze beschermde dieren een blokkade kan gaan opwerpen voor de vergunningverlening.

Voorzitter. Het verzet van de plaatselijke bevolking groeit. Onze fractie vraagt zich af of de staatssecretaris niet een juridisch mijnenveld betreedt als de aanpassing van het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning en de milieuvergunning in procedure wordt gebracht. Heeft de staatssecretaris het risico laten onderzoeken dat het plan bij de bestuursrechter onderuit kan gaan? Kan de Kamer kennisnemen van de resultaten van dat onderzoek? Kan de staatssecretaris die met ons delen? Heeft de staatssecretaris een plan B als blijkt dat zij in het bestuursrechtelijke traject vastloopt? Die kans lijkt ons reëel.

Voorzitter. Onze taak als Eerste Kamer is niet om te toetsen of de eventuele aantasting van de ruimtelijke kwaliteit en van de gezondheid en veiligheid van mensen en dieren juridisch in de weg staat aan de uitvoering van het plan van Defensie. De rijkscoördinatieregeling laat onverlet dat belanghebbenden aan de bestuursrechter rechtsbescherming kunnen vragen en dat de staatssecretaris in die procedure zal moeten aantonen dat aan alle eisen wordt voldaan.

Waar wij op dit moment de staatssecretaris op kunnen aanspreken, is de wijze waarop zij met de lokale bevolking communiceert, of liever gezegd niet communiceert. We horen berichten dat de informatie die gegeven is als misleidend wordt ervaren en dat het aan openheid ontbreekt. Wat kan de staatssecretaris doen om dat beeld van misleiding weg te nemen? En wat heeft ze tot nu toe gedaan om dat beeld van misleiding weg te nemen? Dat de indruk van misleiding is ontstaan, is niet onlogisch als je kijkt naar de verstrekte informatie over, bijvoorbeeld, het vermogen van de radar en de richtafstand die uit het oogpunt van veiligheid moet worden gehanteerd. Blijkens de richtafstandenlijst van de VNG-publicatie Handreiking Bedrijven en milieuzonering dient bij radarinstallaties een afstand van 1.500 meter te worden aangehouden, terwijl de staatssecretaris heeft gemeld dat van een afstand van 100 meter wordt uitgegaan.

Ook is het de vraag of de informatie over het vermogen van de radar redelijk denkende mensen kan overtuigen. Volgens de staatssecretaris is het nog geen 100 kW, terwijl specialisten aangeven dat het vermogen van militaire radars tussen 1.000 en 5.000 kW ligt. Kan de staatssecretaris daar nader op ingaan? Wie de gegevens van een vergelijkbare radar opzoekt, bijvoorbeeld de AN/TPS-75, een mobiele militaire radar, vindt dat met een vermogen van 2.800 kW rekening moet worden gehouden, met uitschieters naar 5.000 kW. Dat het vermogen onder de 100 kW zou liggen, is ondenkbaar. De KNMI-radar heeft een vermogen van 500 kW en die kijkt slechts 200 kilometer ver weg. Dat is te weinig voor navelstaren, zou men denken. Graag een reactie. De oude luchtvaartradar, die ooit op de beoogde locatie stond, had een piekvermogen van 1.200 kW. Wellicht is het vermogen in rust van de radar laag, maar het gaat om het exacte vermogen als de radar in gebruik is, met daarbij de piekwaarden die bereikt kunnen worden. De staatssecretaris moet die gegevens verstrekken aan de Eerste Kamer, willen wij een verantwoord besluit kunnen nemen.

Hetzelfde geldt voor de richtwaardenafstand die volgens de staatssecretaris 100 meter zou zijn, terwijl voor radarinstallaties in de VNG-richtlijnen 1.500 meter wordt aangehouden. Nu het dorp op 800 meter afstand ligt en boerenbedrijven op 300 meter, moet de juiste informatie daarover beschikbaar komen om een juist besluit te kunnen nemen.

Op de punten van het vermogen en de te hanteren richtwaarden, verlangt de Partij voor de Dieren een heldere en duidelijke reactie. Aan de orde is of wij als Eerste Kamer ermee kunnen instemmen dat Defensie, om haar plan door te drukken, de plaatselijke overheid, die opkomt voor de bescherming van haar burgers, opzijschuift en inbreekt op de lokale democratie. De wet voorziet erin dat als nationale belangen dat vereisen, op de autonome positie van gemeenten een inbreuk kan worden gedaan. Daartoe moet een goed gemotiveerd besluit worden genomen. De rijkscoördinatieregeling die de staatssecretaris hier toepast, regelt dat de Tweede Kamer en de Eerste Kamer in de besluitvorming worden betrokken. De positie van de Eerste Kamer is een bijzondere. Het gaat er niet om dat zij door de staatssecretaris moet worden geconsulteerd, zoals bij voorgehangen koninklijke besluiten, maar dat zij zelfstandig een goed gemotiveerd besluit tot instemming neemt. Zonder zo'n besluit komt het besluit van de staatssecretaris juridisch niet tot stand.

In het gehele besluitvormingstraject zijn drie besluiten aan de orde: het besluit van de staatssecretaris om in te breken op de lokale democratie, het besluit van de Eerste Kamer én Tweede Kamer om daarmee in te stemmen en uiteindelijk het bestuursrechtelijke besluit in de vorm van aanpassing van het bestemmingsplan en verlening van de vergunningen. De enige vraag waar wij als Eerste Kamer voor staan, is of er goede gronden zijn om in te breken op de lokale democratie. Dat begint ermee dat wij moeten toetsen of het besluit van de staatssecretaris voldoet aan de eisen die worden gesteld aan ieder overheidsbesluit waarbij een wet wordt uitgevoerd. Ligt er een zorgvuldig onderzoek aan ten grondslag? Getuigt het van een redelijke en proportionele afweging van belangen? Wordt het gedragen door deugdelijke argumenten?

Bij de toetsing komt voor de Partij voor de Dieren de vraag op of er voldoende onderzoek naar alternatieve locaties heeft plaatsgevonden. En getuigt het doorzetten van het plan tegen de wil van de lokale bevolking en met een juridisch risicovol traject wel van een juiste belangenafweging? Heeft de staatssecretaris wel echt naar alternatieven gezocht? Uit wat tot op heden aan de Kamer is gepresenteerd, blijkt dat niet. Is er gezocht naar goede alternatieven en waarom neemt de staatssecretaris niet langer de tijd om naar alternatieven te zoeken, als dat nog niet is gebeurd? Kan de staatssecretaris de Kamer een onderzoeksresultaat aanbieden dat getuigt van een eerlijk en transparant onderzoek naar alternatieven en waaruit blijkt dat, gegeven de noodzaak van het plaatsen van een radar, er niet aan valt te ontkomen dat Herwijnen zal moeten worden gekozen? Wij hebben dat onderzoek nog niet gezien. Zonder zo'n onderzoeksresultaat is er onvoldoende rechtsgrond voor het instemmen met het besluit tot inbreuk op de lokale democratie.

Voorzitter. Wij moeten als Kamer een eigen afweging maken. Dat is geen politieke afweging of wij de omgevingskwaliteit en de veiligheid en de gezondheid van mens en dier voldoende gewaarborgd vinden, maar uitsluitend de afweging of wij vinden dat er voldoende onderzoek heeft plaatsgevonden en er voldoende argumenten zijn om de staatssecretaris groen licht te geven. We nodigen de staatssecretaris van harte uit om die bewijslast te leveren, maar we zijn er niet gerust op.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Koffeman. Dan geef ik tot slot het woord aan de heer Van Dijk namens de SGP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Dijk i (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Voor alles is een eerste keer. Dat is vanavond maar liefst weer vijf keer bewezen door de vijf collega's die een maidenspeech hebben gehouden. Ik feliciteer hen vanaf deze plaats daar nogmaals mee. Maak er wat moois van! De publieke zaak is het meer dan waard.

Voorzitter. De voorgenomen plaatsing van een SMART-L-radar van Defensie in het pittoreske Betuwse dorp Herwijnen doet lokaal en regionaal nogal wat stof opwaaien. Dat is begrijpelijk, want het gaat om zeer geavanceerde en krachtige radarapparatuur. Dan kan en mag je niet over een nacht ijs gaan. Dat Defensie aanvankelijk de behoefte van de inwoners aan transparante informatie niet scherp op de radar had, heeft het hele proces bepaald niet vooruit geholpen. Tijdens het debat hierover in de Tweede Kamer kreeg de staatssecretaris een flinke portie huiswerk mee. Per motie is verzocht de gevolgen te onderzoeken van de cumulatieve straling voor de volksgezondheid, en niet alleen de zorgen van de inwoners van Herwijnen mee te nemen, maar ook wetenschappelijke instituten daarbij te betrekken. En daarnaast is een motie overgenomen over een grondig onderzoek naar alternatieve locaties voor het radarstation en over het informeren van het parlement over de uitkomsten voordat de eerste schop in de grond gaat. Hoe worden deze moties uitgevoerd? Kan de staatssecretaris de laatste stand van zaken aanduiden?

Een veelgehoorde zorg is dat de radar, van milieuklasse 6, ook in combinatie met de al bestaande KNMI-radar, zorgt voor een te hoog maximaal stralingsniveau. Erkent de staatssecretaris dat de straling een gevaar vormt voor de volksgezondheid? Of blijft dit binnen de officiële grenzen? Is of wordt er, in het licht van zorgen over de volksgezondheid, aantoonbaar serieus gekeken naar alternatieve locaties? Zo ja, welke kunnen dit zijn?

Met het toepassen van de dwingende rijkscoördinatieregeling lijkt de regering toch de bocht te willen afsnijden, terwijl gevraagd is de koninklijke route te bewandelen. Het lijkt dat Herwijnen straks, ondanks legitieme vragen, voor voldongen feiten staat. Dat is niet de bedoeling. Waarom is gekozen voor het activeren van deze dwingende procedure?

Het is wat de SGP betreft van tweeën één. A: er zijn nog alternatieve locaties denkbaar en dan is een dwingende procedure dus op dit moment niet aan de orde en dan moet die van tafel. Dat gaat uit van de gedachte dat het toepassen van de rijkscoördinatieregeling alleen aan de orde is indien het nationaal belang dwingend vereist dat de radar uitsluitend in Herwijnen een plek kan krijgen. Of B: er zijn geen alternatieve locaties denkbaar. Dan is de rijkscoördinatieregeling in principe gewettigd, maar dan moeten we ook geen mogelijkheid van alternatieve locaties openhouden. En de staatssecretaris houdt een alternatieve locatie nu juist wel open. Zij sluit een alternatieve locatie niet uit, zo heb ik steeds begrepen. Kan de staatssecretaris hier hom of kuit geven?

Ik hoop dat de staatssecretaris onze zorgen en de zorgen van de inwoners van Herwijnen overtuigend weet weg te nemen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Dijk. Wenst een van de leden in eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. De staatssecretaris geeft aan tien minuutjes schorsing te willen. Dan schors ik tien minuten; dat is tot 20.46 uur.

De vergadering wordt van 20.35 uur tot 20.46 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de staatssecretaris.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Staatssecretaris Visser i:

Voorzitter. Voordat ik begin met de inhoudelijke behandeling, wil ik degenen feliciteren die hun maidenspeech hebben gehouden: de heer Dessing, die daar zit, mevrouw Huizinga, die nog binnen komt lopen, denk ik — die is onderweg — de heer De Vries, de heer Arbouw, die er zit, en de heer Rietkerk, die komt aanlopen. Volgens mij heeft u allemaal vanuit uw eigen achtergrond duidelijk aangegeven hoe u uw rol in de Eerste Kamer ziet en wilt gaan invullen. Ik wens u daarbij heel veel succes de komende periode.

Voorzitter. Zoals u allen aangaf, is dit een bijzonder onderwerp om vandaag in de Eerste Kamer te behandelen. Het is een onderwerp dat veel mensen raakt. Die zitten ook op de publieke tribune. Ik heb bij het debat in de Tweede Kamer daar de gemeenteraadsleden welkom mogen heten. Er was toen ook een aantal kinderen uit de gemeente West Betuwe. Het is een belangrijk onderwerp, omdat er veel zorgen zijn. Daar wil ik ook graag mee beginnen. Ik heb een aantal verschillende interpretaties gehoord van hetgeen er de afgelopen periode met elkaar is gewisseld. Ik hecht eraan om toch even terug te gaan in de tijd. De heer Ganzevoort zei dat dat niet helemaal hoeft, gelet op de tijd die we vanavond hebben, maar ik denk dat het goed is om te constateren hoe dit proces nou is gelopen en wat we ervan kunnen leren. Ik denk dat het goed is om te constateren dat we in 2012 — de heer Ganzevoort gaf het ook al in zijn eigen betoog aan — de radars moesten worden vervangen. Zo simpel was het. Ze waren meer dan 40 jaar oud.

De heer Ganzevoort i (GroenLinks):

Ik heb niet gesuggereerd dat we niet terug moeten gaan in de tijd. Ik heb zelfs gevraagd: waar is het fout gegaan? Ik denk dus dat we het daarover moeten hebben. Ik heb gezegd dat zij ons niet hoeft te overtuigen van de noodzaak van een nieuwe radar. Dat is alleen maar zonde van de tijd. Daar zijn we het allemaal wel over eens.

Staatssecretaris Visser:

Dank voor deze onderbouwing. Ik denk dat het dan goed is om aan te geven hoe we in 2012 zijn gestart. Zoals u zelf aangaf liep het traject daarvoor al langere tijd. De radars moesten worden vervangen vanuit het oogpunt van nationale veiligheid. Toen is er gekeken of we de twee radars die we nu hebben, in Wier in Friesland alsook in Nieuw-Milligen, daar konden behouden. Zoals u weet en u zelf ook heeft gezien in het onderzoek dat ik u heb toegestuurd naar aanleiding van ons mondeling overleg, dat ook op de website staat, hebben we een vergelijking gemaakt. We hebben gekeken of Nieuw-Milligen een geschikte locatie was om te blijven of dat we naar een andere locatie zouden moeten gaan. Daarbij hebben we een vergelijking gemaakt met Gilze-Rijen dat als beste militaire locatie naar boven kwam. Daarom is ook de vergelijking met Gilze-Rijen gemaakt. Daarnaast hebben we de vergelijking gemaakt met Herwijnen, omdat daar al radarstations stonden. Dat is niet voor niks, want dat is een zeer geschikte locatie. Dat werd door de heer Dessing in zijn eerste bijdrage ook aangegeven. U heeft ook kunnen zien dat Nieuw-Milligen geen geschikte locatie is, juist vanwege de dreiging met betrekking tot lage hoogtes. Je hebt namelijk aan de ene kant de Veluwe en aan de andere kant de Utrechtse Heuvelrug. Je ligt dus in een kom en hebt geen goed zicht. Dat is de reden dat we op zoek zijn gegaan naar een nieuwe locatie. Daar wilden we vorm aan geven.

Zoals de heer Ganzevoort zei, hebben we toen verder gekeken. Toen kwam inderdaad Herwijnen te koop te staan. Dat kun je toeval noemen. Hoe je dat ook precies wil noemen, het kwam te koop te staan. Er is gekeken of we die grond konden aankopen op basis van het feit dat het voldeed aan alle voorwaarden die we hadden gesteld: een goede combinatie met de radar in Wier, een goede radardekking op zowel hoog als laag niveau, goed bereik over een groot gedeelte van Nederland. Uiteraard doe je dat niet zomaar. Je gaat eerst bij de gemeente toetsen of men überhaupt bereid is om mee te werken. Als men namelijk dan al zegt daartoe niet bereid te zijn, dan kijk je verder of dan kijk je niet verder. Ik kan niet terug in de geesten van 2015. Maar zo is het proces gegaan. De toenmalige gemeente Lingewaal gaf aan bereid te zijn om haar medewerking te verlenen aan een bestemmingsplanwijziging. Er is een anterieure overeenkomst gesloten over de grondaankoop. Zo is het proces ook gegaan. Toen is het bestemmingsplan ter inzage gelegd met vijf zienswijzen, waarvan twee vanuit inwoners en drie vanuit omliggende gemeenten. Die drie zagen toe op de lokale windmolenparken. Twee inwoners spraken terechte zorgen uit. Die zijn beantwoord.

Toen zagen wij dat er in 2017 vanuit de toenmalige gemeente Lingewaal werd aangegeven dat men zich, ook naar aanleiding van vragen vanuit de gemeente, zorgen maakte om gezondheidsvraagstukken. Er werd gevraagd: hoe zit dat; wat kunnen we daarmee? Dat was de aanleiding dat ook de GGD en het RIVM aanschoven. Er kwamen meer vragen en dat waren heel nadrukkelijk vragen over ziektes als bijvoorbeeld ALS: hoe zit dat en kan daar überhaupt antwoord op worden gegeven? Zoals u zelf weet en zoals u zelf ook in de brief van de gemeente West Betuwe heeft kunnen lezen, heeft de toenmalige gemeente Lingewaal tegen de wijziging van het bestemmingsplan gestemd. Het gemeentebestuur heeft de kwestie neutraal voorgelegd; het was zelf namelijk van in eerste instantie positief naar zeer kritisch gegaan en legde de vraag daarom neutraal voor. Toen er een nieuwe gemeente West Betuwe is gevormd, heeft de gemeente West Betuwe mij een brief gestuurd, met afschriften aan uw Kamer en aan de Tweede Kamer, om aan te geven dat men niet bereid was om opnieuw medewerking te verlenen aan een bestemmingsplanwijziging. Wij gaan dat dus niet opnieuw in procedure brengen.

Ten tweede gaven ze aan, nadrukkelijk twee zorgen te hebben. Aan de ene kant betrof het de gezondheid. Hoe zit het met de cumulatieve effecten, want we hebben hier ook al een radar van de KNMI. En twee, hoe zit het met die alternatieve locaties? Kunt u ons nu onderzoek voorleggen waaruit dat blijkt? Ik heb met de waarnemend burgemeester gesproken en ook met de verantwoordelijke wethouder, en gezegd: ik snap die vraag heel erg goed. Uiteraard is er onderzoek gedaan, maar ik kan niets uit de la trekken en zeggen: dit is het alternatievenonderzoek. Als er zo veel commotie is ontstaan, als de voltallige gemeenteraad tegen heeft gestemd en ik ga de rijkscoördinatieregeling inzetten — mits beide Kamers daarmee instemmen — dan vind ik het belangrijk, juist voor het herwinnen van het vertrouwen, dat ik kan aantonen dat het onderzoek naar een alternatief zorgvuldig is uitgevoerd.

Om die reden heb ik gezegd: ik ga dat alternatievenonderzoek met een brede blik ... Er werd net aan mevrouw Moonen de vraag gesteld of het ook buiten West Betuwe kan. Ja, uiteraard kan het ook buiten West Betuwe. Ik heb nooit gezegd dat het alleen binnen de gemeente West Betuwe moest plaatsvinden. Ik voel het dan ook als een verplichting om niet met een tunnelvisie te gaan kijken, zoals de heer Ganzevoort zei, maar dat je juist probeert te kijken met een open blik. Ik heb daartoe ook de afwegingen die Defensie hanteert en die u ook in een brief heeft kunnen lezen, inclusief de tijdsfactor, want die heb ik daar nadrukkelijk bij genoemd.

Die rijkscoördinatieregeling inzetten, dat doen wij echt niet zomaar. Het is de eerste keer dat Defensie de rijkscoördinatieregeling inzet, vanuit nationaal belang. Dat is ook wat de wetgeving vereist van ons. Dan vind ik het belangrijk dat we het zorgvuldig doen en dat we ook richting de gemeente en de provincie waarin het plaatsvindt, laten zien dat we de vragen die er leven — of dat nou vanuit het bestuur is of vanuit de inwoners — serieus nemen.

Dat is ook de reden waarom we dat alternatievenonderzoek al zijn gestart. Ik vind het van groot belang dat we dat open en transparant doen. De heer Janssen vroeg daar ook naar. Als er suggesties zijn die wij kunnen meenemen in dat onderzoek, dan kunnen mensen die aangeven. Dat wil niet zeggen dat ik me niet verantwoordelijk voel en dat ik het werk niet wil doen. Nee, ik vind juist dat we het moeten meenemen als mensen zeggen: we hebben al in het verleden allerlei suggesties voor een alternatieve locatie gedaan, ook ten tijde van de bestemmingsplanprocedure, maar we hebben het idee dat daar nooit iets mee is gebeurd. Dan nemen wij die suggesties mee om te kijken of het kan. Hoe is het afwegingskader gebruikt en waar komen we dan nu op uit?

De heer Koole i (PvdA):

Toch iets over die onderzoeken die inmiddels zijn gestart. Ik heb er zojuist vragen over gesteld en er iets over gezegd in mijn inleiding. De staatssecretaris zegt nu dat die gestart zijn en ze spreekt ook over zorgvuldigheid. Kan de staatssecretaris bevestigen dat deze nu, dus nog voor inwerkingtreding van de rijkscoördinatieregeling lopende onderzoeken, voldoen aan alle vereisten van zorgvuldigheid?

Staatssecretaris Visser:

Ja, voorzitter.

De heer Koole (PvdA):

En daarmee is die rijkscoördinatieregeling niet nodig om zorgvuldig onderzoek over deze onderwerpen te doen?

Staatssecretaris Visser:

Los van een rijkscoördinatieregeling moet je altijd de onderzoeken zorgvuldig doen. De rijkscoördinatieregeling zal er door de Raad van State ook op getoetst worden of de regeling en de procedure zorgvuldig zijn verlopen en of er wordt voldaan aan alle waarborgen. Die regeling is immers vergelijkbaar met een bestemmingsplanprocedure, alleen neem je de besluiten in één keer, vanuit één orgaan. Dan kan het sneller en is ook voor inwoners en bestuurders duidelijk wat er op tafel ligt. Dat de snelheid ook in het belang van de nationale veiligheid nadrukkelijk een aspect is, is ook de reden waarom er voor de rijkscoördinatieregeling is gekozen. Zoals ik al eerder aangaf in een mondeling overleg, kan ik niet instaan voor de werking van de huidige radars, gelet op het feit dat die radars inmiddels zo oud zijn.

De voorzitter:

De heer Koole, voor de derde interruptie.

De heer Koole (PvdA):

Dan constateer ik toch dat de staatssecretaris zegt dat de nu lopende onderzoeken met alle waarborgen zijn omkleed. Dat had integraal gekund in een rijkscoördinatieregeling, maar die was daar kennelijk niet voor nodig. De onderzoeken worden op dit moment uitgevoerd. Ik heb begrepen dat één van die onderzoeken al bijna klaar is. Ze voldoen aan alle vereisten van zorgvuldigheid, ook zonder het in werking treden van de rijkscoördinatieregeling.

Staatssecretaris Visser:

Ja, en die resultaten worden ook meegenomen in de rijkscoördinatieregeling. Het gaat dan om de onderbouwing van de locatie alsmede de vraag naar de gezondheidseffecten en de vraag of je aan de milieuvereisten kunt voldoen. Bij de laatste vraag moet je ook met nadruk ingaan op de gezondheidseffecten in verband met de cumulatieve effecten. Het gaat dan niet alleen om de KNMI-radar die daar staat, maar ook om het vaarverkeer en een aantal andere aspecten die zowel door de gemeente als de inwoners zijn aangedragen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Mooi dat het zorgvuldig gebeurt, maar hoe zorgvuldig is het als de criteria de dag voor de deadline op de website worden gezet? Hoe zorgvuldig is het als het zoekgebied beperkt is, zonder dat wordt uitgelegd waarom dat zo is? Hoe zorgvuldig is dat allemaal?

Staatssecretaris Visser:

Wij hebben geprobeerd om vanaf het moment dat de website in september live ging aan te geven aan welke criteria een locatie moet voldoen. Dat heb ik ook gemeld in de brieven die ik met u heb gedeeld. Ik noem een goede radardekking over Nederland in combinatie met Wier, ook in verband met de lage dekking. Juist met oog op de zorgvuldigheid is gewerkt met trechtering. We gaan niet zelf voor een kaart staan om te kijken wat een goede locatie is. Er wordt gewerkt met modellen van TNO. TNO rekent die door en kijkt wat er afvalt. Als het station naast een hoogspanningsmast komt te staan, heeft het staal van die mast invloed op de radardekking. Windmolenparken hebben invloed op de radardekking, evenals spoorverkeer en wegverkeer. Op grond van al die aspecten wordt er getrechterd en blijft er een zoekgebied over. U heeft gezien dat dit breder is dan alleen de gemeente West Betuwe. Het was niet mogelijk om het eerder te melden dan op de datum dat het is gepubliceerd. Had ik het eerder gewild? Ja, absoluut. Hebben wij ook suggesties van mensen meegenomen? De laatste mails die nog meegenomen konden worden, dateren van 21 november. Ja, we hebben suggesties meegenomen. Het afwegingskader hadden we. We hebben ook gecommuniceerd wat het afwegingskader was. Maar het was niet eerder mogelijk om het plaatje dat na de trechtering overbleef te publiceren, dus begin november.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik snap dat dat met voortschrijdend inzicht gebeurt. Maar wat ik niet snap, is dat mensen op de valreep van de deadline voor de termijn waarop zij nog kunnen reageren, met nieuwe informatie worden geconfronteerd. De boodschap "dit is het zoekgebied" is een andere dan de boodschap "in heel Zuid-Nederland is dit het enige gebied waar het kan". Bij die argumentatie is de zorgvuldigheid ten opzichte van ons en ten opzichte van de inwoners onvoldoende zichtbaar geworden. Mijn vraag naar de zorgvuldigheid blijft.

Ik heb ook nog gevraagd naar de e-mails. U noemt nu een bepaalde datum, maar ook op dat punt vraag ik naar de zorgvuldigheid in de communicatie. Mijn vraag blijft: hoe weten mensen dat dit zorgvuldig is?

Staatssecretaris Visser:

Omdat er uiteindelijk een rapport uitrolt waarin aangegeven is hoe het proces is aangepakt en hoe de afweging is gemaakt, zowel beleidsmatig als in de wijze waarop dit in een model is getrechterd. Er wordt ook aangegeven waarom locaties zijn afgevallen. Tevens wordt gemeld welke locaties zijn aangedragen. Een aantal locaties vallen dan direct af omdat ze niet voldoen, gelet op de combinatie met Wier. Zonder in de techniek te willen duiken, wijs ik erop dat het ook te maken heeft met de kromming van de aarde. Ligt de locatie in een kom of niet? Is er hoogbouw ernaast? Er moet aan allerlei zaken worden voldaan. Dat is ook de reden dat TNO op dit moment, as we speak, nog steeds locaties in het zoekgebied aan het doorrekenen is. Zijn er alternatieve locaties die voldoen aan de voorwaarden die door Defensie zijn gesteld? De tijd speelt met nadruk een rol. Dat heb ik in het gesprek met het bestuur van de gemeente West Betuwe gedeeld. Omdat de tijd begint te dringen is er voor de rijkscoördinatieregeling gekozen en omdat vanuit ons perspectief Herwijnen de geschikte locatie was, juist vanwege de vragen die ik van de gemeente West Betuwe heb gehad. Dat waren er twee. Bij een alternatieve locatie was de vraag: toon het aan. De tweede vraag betrof het gezondheidsonderzoek. Als je zo'n zwaar middel inzet, moet je je ervan bewust zijn waarom je het inzet en welke impact het heeft. Als dit de twee vragen zijn die door de gemeente naar voren zijn gebracht namens de inwoners, dan moet ik daar ook aan voldoen. Ik ben daar al mee gestart. Ik heb eerder in het debat al aangegeven dat je dit normaal gesproken in een rijkscoördinatieregeling doet, maar omdat ik het belangrijk vind om de inwoners en het gemeentebestuur erbij te betrekken en om nadrukkelijk aan hen te vragen of wij in ons onderzoek iets over het hoofd hebben gezien als het gaat om de cumulatieve effecten en alternatieve locaties, vind ik het belangrijk om die vragen gewoon op tafel te leggen. Als daar nee uitkomt, als er geen input komt, dan is dat ook een duidelijk antwoord. Als daar wel iets uitkomt, dan vind ik dat je dat ook moet meenemen in het onderzoek. Dat hoort ook bij het inzetten van een rijkscoördinatieregeling. Daar hoort bij dat je zorg draagt voor zo veel mogelijk betrokkenheid van zowel de gemeente, het gemeentebestuur namens de gemeente, als van de inwoners. Voorzitter, dat ter algemene inleiding.

Ik zie dat de heer Koole een vraag wil stellen.

De heer Koole (PvdA):

Ik weet niet of u er nog nader op ingaat, maar u zegt dat die rijkscoördinatieregeling van belang is om dit te kunnen doen. Tegelijkertijd zegt u dat u vanwege besprekingen, ook met de mensen in West Betuwe, alvast begonnen bent met die twee onderzoeken. U heeft net gezegd dat die volstrekt zorgvuldig zijn en zorgvuldig worden uitgevoerd. Zoals ik in mijn inleiding heb gezegd, wilt u natuurlijk ook niet dat het fopspeenonderzoek is. De hele Kamer wil dat niet, maar de regering wil dat ook niet. Het moet dus zorgvuldig zijn. Dat kan buiten de rijkscoördinatieregeling. As we speak is TNO met een van de onderzoeken bezig. U heeft in uw brief geschreven dat een onderzoek medio december wellicht klaar is. Dat is over anderhalve week. Dat onderzoek wordt dus afgerond buiten het kader van de rijkscoördinatieregeling. Mijn vraag is: waarom wachten we daar niet op?

Staatssecretaris Visser:

Omdat er twee discussies door elkaar lopen in dit debat. Ik heb aangegeven dat we de rijkscoördinatieregeling inzetten vanuit een nationaal belang. Dat mag ook binnen de Wet ruimtelijke ordening. Als je een veiligheidsbelang hebt te dienen — dat is in dit geval de dekking van ons luchtruim in het kader van de nationale veiligheid en ook binnen het bondgenootschap — dan mag je een rijkscoördinatieregeling inzetten. Dat is een apart besluit, waar de Kamer aan de overkant en uw Kamer mee moeten instemmen.

Dan is er een tweede aspect van de rijkscoördinatieregeling. Een onderdeel daarvan is dat je het ruimtelijk besluit wilt onderbouwen. Dat zie je vervolgens terug in een inpassingsplan, dat ook moet worden voorgelegd. Het andere deel heeft te maken met de vergunningen, met alle milieuvergunningen en alles wat je maar kunt bedenken wat noodzakelijk is om tot een integrale vergunningverlening te komen. De gemeente heeft gevraagd om de onderbouwing van die twee aspecten, de alternatieven en de gezondheid, daar ook deel van te laten uitmaken. Hoe dan ook zou het deel uitmaken van de rijkscoördinatieregeling, maar gelet op de onrust die is ontstaan — een aantal van u heeft daar ook op gewezen in de bijdragen — en de wens om betrokken te worden, heb ik gezegd: ik start alvast die onderzoeken en ik vind het belangrijk om zowel de input van de gemeente als van de inwoners daarin mee te nemen. Normaal gesproken zouden deze onderzoeken wellicht zijn gestart zonder dat we ze direct online hadden geplaatst met allerlei zaken erbij, maar ik vind het belangrijk om zo snel mogelijkheid duidelijkheid te geven, ook gelet op de onrust die is ontstaan. Een aantal van u heeft daar ook op aangedrongen. Maar de uitkomsten worden hoe dan ook betrokken bij de rijkscoördinatieregeling, omdat ik ook moet onderbouwen hoe ik tot een zorgvuldig besluit ben gekomen, juist gelet op het feit dat ik de rijkscoördinatieregeling inzet.

De heer Koole (PvdA):

De inzet van mijn fractie is niet dat die rijkscoördinatieregeling er per se niet moet komen. Het zou heel goed kunnen dat wij ermee instemmen dat die er komt, maar dan moeten we wel de goede informatie hebben op basis waarvan we dat besluit kunnen nemen. Nu lopen er twee onderzoeken en een is bijna afgerond. Dat geeft onze fractie, maar ik neem aan de hele Kamer, extra informatie om weloverwogen dat zware besluit van instemming met de rijkscoördinatieregeling, waarmee de lokale democratie opzij wordt gezet, wellicht te nemen. Dan zijn we beter geïnformeerd. Er is geen sprake van tijdverlies, want het komt over anderhalve week. Het is dus niet zo dat ik pleit voor het niet inzetten van de rijkscoördinatieregeling. Ik vraag om even te wachten tot de uitkomsten van die onderzoeken er zijn, zodat wij en ook de mensen in West Betuwe goed geïnformeerd zijn en zodat de Eerste Kamer ook goed geïnformeerd het besluit zou kunnen nemen tot instemming met die rijkscoördinatieregeling.

De voorzitter:

Wat is uw vraag, meneer Koole? Want dit was een pleidooi dat eigenlijk voor uw tweede termijn is bedoeld.

De heer Koole (PvdA):

De vraag is waarom er niet gewacht wordt op de rijkscoördinatieregeling. Dat betekent niet dat je het per se niet wil, maar de vraag is waarom je er niet mee wacht want dan kan die alsnog worden ingezet met alle zorgvuldigheid van dien.

Staatssecretaris Visser:

Blij om te horen van de heer Koole hoe hij in het dossier zit en dat hij nadrukkelijk aangeeft het belangrijk te vinden de juiste informatie te hebben, zodat hij dat besluit ook namens zijn fractie kan nemen. De afweging om het besluit over de rijkscoördinatieregeling in juni van dit jaar te nemen was nadrukkelijk het belang van nationale veiligheid. We hebben twee radars in Nederland waarvan ik niet kan instaan voor de werking, gelet op het feit dat ze al zo oud zijn. Ik hoop dat ze het blijven doen, maar als ze uitvallen weet ik ook niet wat er gebeurt. Op basis van de informatie die we hadden, hebben we het besluit genomen dat Herwijnen voor ons een geschikte locatie is. Dat is de reden waarom ik u de rijkscoördinatieregeling heb voorgelegd. Daarnaast heb ik aangegeven dat ik het belangrijk vind in het kader van het vertrouwen en de betrokkenheid van inwoners en het bestuur van de gemeente West Betuwe om nu al zo veel mogelijk transparantie te geven als het gaat om beide onderzoeken. Normaal gesproken hoort dit ook onderdeel te zijn van de rijkscoördinatieregeling. Omdat deze discussie met uw Kamer loopt, wat uw goed recht is, loopt dit nu parallel. De rijkscoördinatieregeling is nog niet formeel gestart. Dat maakt dat het een soort dubbel proces is, waarbij wij proberen aan de voorkant zo veel mogelijk de informatie die we hebben op de website te plaatsen. Een aantal van u hebben gevraagd wat we ervan kunnen leren. Welnu, dat is het punt van de communicatie en de informatievoorziening. Ik ga echter nog niet communiceren dat wij met iets zijn gestart zonder dat het onderzoek is afgerond. Bovendien moet uw Kamer eerst nog een besluit nemen over de rijkscoördinatieregeling. Dat besluit over de rijkscoördinatieregeling is in juni van dit jaar genomen door het kabinet op basis van het nationaal veiligheidsbelang om zo snel mogelijk die radars te kunnen vervangen. Gelet op de gesprekken met de gemeenten en de inwoners die ze vertegenwoordigen, hebben we gezegd dat we beide onderzoeken nu gaan doen in samenspraak en samenwerking met de gemeenten.

De heer Koole (PvdA):

Hoe erg vindt de staatssecretaris het dat het besluit over instemming met de rijkscoördinatieregeling wellicht een paar weken tot een maand wordt vertraagd?

Staatssecretaris Visser:

U geeft het zelf aan: wellicht een paar weken of een maand. Dat weet ik dus niet. Waar ik voor sta en waar ik aan word gehouden is dat ik het luchtruim moet kunnen verdedigen van Nederland. Ik heb te maken met zeer oude radars. Ik heb u ook aangegeven wat mijn zorgen daarbij zijn. Ik heb ook gezegd — daar ben ik in mijn bijdrage nog niet aan toegekomen — dat ik de rijkscoördinatieregeling Herwijnen stop als er een andere geschikte locatie zou zijn die voldoet aan de voorwaarden die we hebben gesteld. Dus uw vraag aan mij zou moeten zijn: heeft u nou voldoende waarborgen in het proces als uit alternatief onderzoek blijkt dat er een andere geschikte locatie is die voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn? Daarvan zeg ik dan: ja, dan stop ik het. Laat ik dat bij dezen nog een keer uitspreken. Dat heb ik in de Tweede Kamer gedaan en dat wil ik ook hierbij nog een keer doen, omdat ik dan ook andere informatie heb. Wat ik dan ga doen, weet ik nog niet. Dan moet ik mij daarop bezinnen, maar dat is de reden waarom ik met een open blik dit onderzoek doe. Juist in het kader van transparantie en vertrouwen vind ik dat belangrijk.

De heer De Vries i (Fractie-Otten):

Mevrouw de staatssecretaris, ik waardeer uw open blik zeer, maar wat ik nog steeds niet begrijp is dat u nu de rijkscoördinatieregeling per heden in wil laten gaan met daarmee het idee in uw hoofd dat het dan in Herwijnen wel goed komt. Maar vervolgens heeft u helemaal geen uitzicht op de resultaten van de twee onderzoeken. Die kunnen nog maanden op zich laten wachten. Wat is daarop uw antwoord?

De voorzitter:

Meneer De Vries, wilt u via de voorzitter spreken? Dat is goed gebruik in deze Kamer.

Staatssecretaris Visser:

Ik heb nooit gezegd dat alles helemaal goed komt. Dat zult u ook niet uit mijn mond horen. Ik heb u aangegeven hoe het proces tot op heden is verlopen en wat de voornemens zijn als het gaat om de toekomst. Het is mijn intentie absoluut niet om die onderzoeken maanden te laten duren, want ik heb ze nodig wil ik tot een voorontwerp komen. Dat voorontwerp is namelijk de eerste stap in de rijkscoördinatieregeling, in de zin dat ik dat voorontwerp voorleg aan de wettelijke adviseurs als ook aan de provincie en de gemeente die het betreft om aan te tonen dat ik op basis van juiste informatie zorgvuldig het voorontwerp heb ingericht en welke keuze ik daarin maak. Ik heb net aangegeven welke urgentie ik zie en waarom ik de rijkscoördinatieregeling wil inzetten, namelijk omdat ik niet kan instaan voor die radar. Zoals wij het nu hebben ingericht, is Herwijnen de geschikte locatie. Maar ik heb wel aangegeven dat ik met een open blik kijk naar eventuele alternatieve locaties.

De heer De Vries (Fractie-Otten):

Voorzitter. Stel dat u een andere locatie aangedragen krijgt die wel geschikt is, denkt u dan niet dat andere gemeentes uw handelwijze als een behoorlijk schrikbeeld zullen zien? Met andere woorden, is zo'n rijkscoördinatieregeling niet een enorm drukmiddel om nu al in te zetten, terwijl de andere locaties nog helemaal niet in beeld zijn?

De voorzitter:

Ik heb daar geen mening over, meneer De Vries, maar ik geef de vraag graag door aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Visser:

Ik heb u aangegeven waarom wij als kabinet de rijkscoördinatieregeling inzetten, namelijk vanuit het belang van nationale veiligheid. Dat is ook de onderbouwing die je moet hebben voor een rijkscoördinatieregeling. Anders kun je die ook niet inzetten en word je ook — volgens mij vroeg de heer Van Dijk daarnaar — teruggefloten door de Raad van State. Want je moet kunnen onderbouwen op grond waarvan je dit inzet, juist omdat het een zwaar instrument is. In mijn gesprekken met de gemeente West Betuwe waren dit twee nadrukkelijke vragen, zoals ik heb aangegeven.

Hoe herwin je het vertrouwen? Mevrouw Huizinga vroeg daarnaar, net als mevrouw Moonen. Dat vind ik een belangrijke vraag. Allereerst doe je dat door de vragen die er leven, serieus te nemen en gewoon te beantwoorden. Ik heb aangegeven dat dit proces beter moet, ook als we kijken naar de afgelopen periode. In de rijkscoördinatieregeling heb je die procedure in één hand. De CDA-fractie gaf dit net ook nadrukkelijk aan. Dan is er ook zorgvuldigheid en heb je alle waarborgen dat je dit op een zorgvuldige wijze kan doen. We zitten nu in een soort tussenfase. Ik vind het juist belangrijk dat er inspraak wordt geregeld. Ik vind het belangrijk dat wettelijke adviseurs kunnen inspreken. Ik vind het belangrijk dat de gemeente haar rol kan pakken. Ik vind het belangrijk dat de provincie er ook iets over kan zeggen. Dat gebeurt allemaal in het kader van de rijkscoördinatieregeling. Als ik daar iets verkeerd in doe — de Partij voor de Dieren vroeg daar net naar — word ik uiteraard teruggefloten door de Raad van State. En dat is des te meer reden om het nu zorgvuldig te doen en om te onderbouwen hoe ik tot mijn besluitvorming ben gekomen, welke onderzoeken er lopen en welke uitkomsten er zijn.

Voorzitter. Ik wil overgaan tot de beantwoording van de specifieke vragen. Er zijn er veel gesteld. Ik ga proberen op alle vragen antwoord te geven. Een deel is overlappend. De heer Dessing, maar u heeft er eigenlijk allemaal naar gevraagd, vroeg naar de cumulatieve effecten. Er gebeuren twee dingen. Aan de voorkant vindt nu het onderzoek plaats. Ik heb de gemeente en de inwoners gevraagd om eventueel input te leveren voor de onderzoeksvraag die nu bij TNO is uitgezet. De Tweede Kamer heeft gevraagd of ook andere wetenschappelijke experts kunnen meekijken. Die vraag staat ook open. Er wordt gekeken naar de feitelijke eigenschappen van de radar zoals die nu zou worden geplaatst. Er worden ook referentiemetingen uitgevoerd op locatie. Voordat de radar in gebruik wordt genomen, worden er uiteraard ook nog veldmetingen gedaan. Anders mag je de radar ook niet in gebruik nemen.

Belangrijk is dat uit het onderzoek dat nu plaatsvindt, moet blijken dat je voldoet aan de eisen, de ICNIRP-normen. Ik zal de volledige naam niet uitspreken, voorzitter. Dat geldt überhaupt, voordat we starten met welke plaatsing dan ook. Zoals zo mooi werd gezegd: geen schop de grond in. Deze ICNIRP-normen zijn de landelijke normen die in Nederland gelden, die ook door de Raad van State zijn goedgekeurd. Als het gaat om straling, moet je voldoen aan die normen. Anders krijg je de milieuvergunningen gewoon niet rond. Dus dat is de eerste stap. De tweede stap zijn de veldmetingen. De derde stap is dat je voordat de radar überhaupt aan gaat, alsnog moet kunnen aantonen dat de radar voldoet.

De heer Dessing i (FvD):

Er schiet mij net iets te binnen. U heeft het over de beantwoording van mijn vraag over de resultaten van die cumulatieve straling. Voor zover ik weet, wordt de radar in Wier al eerder vervangen. Kunnen we de metingen die we daar doen, als referentie meenemen voor de eventuele toekomstige bouw van de radar in Herwijnen? Kan de staatssecretaris daarop reageren?

Staatssecretaris Visser:

Alleen geldt voor Herwijnen iets anders. Daar is nadrukkelijk gevraagd naar de cumulatieve effecten, in combinatie met de andere radar die daar staat, alsook het verkeer over het water. Er is nadrukkelijk gevraagd naar die twee aspecten die niet spelen in Wier.

Wat wel belangrijk is, dat heeft u kunnen zien, want dat hebben we direct op de website geplaatst, is dat Thales zelf ook een dergelijke radar heeft staan in Hengelo; op eigen terrein. Thales heeft op basis van de metingen die de afgelopen jaren op eigen terrein zijn gedaan, waar werknemers ook werken, gezegd dat er nieuwe input is. Om die reden hebben wij een nieuw rapport gekregen van Thales, met nieuwe waarden. Zij hebben gezegd: dit is op basis van de metingen die daadwerkelijk in Hengelo zijn verricht. Dat is de manier waarop we werken en waarop Thales continu de gegevens aanpast, om ervoor te zorgen dat je dat niet alleen op basis van fabrieksspecificaties maar op basis van daadwerkelijke metingen doet.

Wier is nu in aanbouw, dus ik kan daar nu geen metingen doen. We gaan dat uiteraard gebruiken, alleen heb je dan niet die cumulatieve effecten, waar door iedereen in deze zaal naar is gevraagd. Daarover zijn zorgen, en niet specifiek alleen bij deze radar. Daarover zijn ook vragen; vooral of je bij die combinatie nog binnen de normen blijft die gelden in Nederland. Daarvoor geldt ook dat we aan de voorkant moeten voldoen aan de ICNIRP-normen, want anders kun je geen milieuvergunning aanvragen. Uiteraard zullen we ook veldmetingen doen als de schop de grond in gaat en voordat de radar daadwerkelijk aan gaat. Dan zullen we laten zien dat die aan de normen voldoet. Als die niet aan de normen voldoet, geldt ook dat die niet aan mag, want dan voldoe je niet aan de vereisten in de vergunning waarin dit wordt opgenomen.

Voorzitter. De heer Koole vroeg of ik de zorgen van de inwoners serieus neem. Ik hoop dat ik met mijn inleidende woorden heb aangegeven hoe belangrijk het is om ervoor te zorgen dat mensen aan de voorkant input kunnen leveren. Straks, als de onderzoeken gereed zijn en als het rapport klaar is, wordt dat aan de Kamer, aan de gemeenten zelf, aan de inwoners gegeven door het gewoon direct openbaar te maken, met daaraan gekoppeld een inloopavond of iets dergelijks, zodat je mensen de gelegenheid geeft om vragen te stellen, om te kijken wat daarin kan gebeuren. Het meest belangrijke is dus dat je binnen de ICNIRP-normen blijft.

De heer Koole heeft ook gevraagd naar de rijkscoördinatieregeling. Volgens mij zijn we daar ook op ingegaan in het interruptiedebat.

De heer Koole vroeg ook naar de windmolenparken en of er dan nergens in de omgeving van Wier, Nieuw-Milligen of straks in Herwijnen iets kan. Hoe dan ook, windmolens zijn van invloed op radar. Zelfs met de nieuwe radars die we hebben, zijn windmolens altijd een verstorende factor. Het gaat erom dat je kijkt naar hoe hoog ze zijn en hoeveel er staan. De vraag is dan ook of dat aanvaardbaar is. Heb je dan nog steeds goed zicht, zowel laag als hoog?

Als het gaat om omliggende gemeenten die ook windmolens hadden geplaatst, of de bestemmingsplanprocedure, is hier nadrukkelijk op ingegaan, omdat het maar een aantal windmolens waren. Er is gezegd dat dit aanvaardbaar is, om ervoor te zorgen dat die radar zijn werk zou kunnen doen.

Als het gaat om de windmolenparken die in Flevoland zijn gepland, waar mevrouw Moonen ook op inging, dan is het niet aanvaardbaar als de radar in Nieuw-Milligen zou blijven staan, omdat het dan gaat om 10% van de behoefte op land, zoals net ook is aangegeven. Dat is een fors aantal en dat heeft zwaar verstorende effecten, waardoor de radar in Nieuw-Milligen zijn werk niet zou kunnen doen. Met die blik wordt er gekeken naar al die initiatieven voor windmolenparken. Welke gevolgen hebben zij voor de werking van de radar en daarmee ook voor de dekking binnen het luchtruim?

De heer Koole (PvdA):

Zonder echt diep in de techniek te willen duiken, het is toch de bedoeling, het nationale veiligheidsbelang vereist dat, dat heel Nederland of een zo groot mogelijk deel van Nederland door die lage radardetectie wordt gecoverd? Maar juist die lage radardetectie verhindert die grote windmolenparken. Als heel Nederland gecoverd moet worden door die radardetectie en zelfs de internationale wateren, zoals ik in mijn inbreng zei, want dat hoort er ook bij, in het belang van de nationale veiligheid, waar kunnen dan nog grote windmolenparken worden gebouwd, zowel in Flevoland als in de Noordzee?

Staatssecretaris Visser:

Dat is de reden waarom we in een klein land zoals Nederland steeds moeten kijken naar de ruimte zoals we die met elkaar gebruiken, en of dat naast elkaar kan bestaan. Dat is de reden waarom Herwijnen vanaf 2016 in het Besluit ruimtelijke ordening in die zin al als locatie is aangewezen, zodat daar met windmoleninitiatieven al rekening mee kon worden gehouden en zodat niet op andere plekken grote windmolenparken zouden ontstaan. Het is uiteraard een zoektocht, ook boven de Noordzee, om te kijken hoe je ervoor zorgt dat aan de ene kant de visserij kan voortbestaan en dat we zorgen dat er wind op zee is, alsook dat Defensie haar oefengebied kan hebben en er ook een adequate radardekking is. Dat is continu de vraag. Dat is ook de reden dat wij altijd meekijken en ook een verklaring van geen bezwaar moeten geven als het gaat om een locatie binnen de 75 kilometer vanaf zo'n radar. Wij willen eerst zelf de check doen of het een verstorende werking op de radar heeft. Als dat niet zo is, dan geven wij een verklaring van geen bezwaar. Maar als dat wel zo is, dan zal Defensie geen verklaring van geen bezwaar geven, omdat we die taak hebben. We moeten kijken hoe we beide taken, beide opdrachten, kunnen invullen, dus zowel zorgen dat we duurzaam zijn alsook de veiligheid van Nederland waarborgen.

De heer Koole (PvdA):

Betekent dat ook dat bijvoorbeeld bij de radar in Wier, die tot in Flevoland reikt, er geen interferentie is met de parken in Flevoland en dat daar geen problemen zijn, terwijl dat in Nieuw-Milligen wel het geval zou zijn? Ik krijg een beetje het gevoel dat het er met de haren bij gesleept is. Het geldt wel, maar geldt het dan niet ook voor andere locaties? Waarom is dat hier nu zo van belang en waarom bijvoorbeeld ook niet in Wier?

Staatssecretaris Visser:

Het is ook in Wier van belang, maar ik heb net aangegeven dat het erom gaat hoe groot de windmolens zijn en hoeveel er staan. Overal hebben windmolens impact op de radar. Dit is een van de nieuwste radars die wij hebben, maar ook daarop hebben ze impact. Dat is de reden dat wij bij ieder plan dat wordt ingediend kijken of het acceptabel is voor een adequate dekking, voor een adequate werking van de radar, en daarmee een adequate dekking van het luchtruim. Maar ook in Wier, en overal waar windmolens staan, zul je daar invloed van hebben.

Voor Nieuw-Milligen is het grote argument niet dat het vanwege de windmolenparken is geweest. Het grote argument is geweest dat je daar vanwege de komligging, met aan de ene kant de Veluwe en aan de andere kant de Utrechtse Heuvelrug, geen adequate dekking kunt hebben. Ik heb ook gezegd dat ik het liefst een bestaande Defensielocatie zou willen hebben, want dan heb je alle procedures eigenlijk niet nodig. Maar dat is de reden waarom we op zoek zijn gegaan naar een andere locatie. Daar is later bijgekomen dat, ook gelet op de opgaven uit het energieakkoord van het vorige kabinet, per provincie de opdracht is gegeven om te kijken wat er gerealiseerd kan worden op land. Daar zijn ook de plannen voor Flevoland ontwikkeld, dat een substantieel onderdeel is. Dit is daar toen dit bijgekomen. Vanuit Defensie gezien, was de reden om niet op Nieuw-Milligen te blijven nadrukkelijk de radardekking, nog los van de windmolens en de plannen die er kwamen, want die kwamen namelijk later.

De voorzitter:

De heer Koole, derde interruptie.

De heer Koole (PvdA):

Als ik het goed begrijp, zegt de staatssecretaris dus dat het windmolenargument van secundair belang is ten opzichte van de zichtlijnen op de Utrechtse Heuvelrug, die niet goed zijn? Een toegevoegd criterium.

Staatssecretaris Visser:

Uw vraag was waarom we hier als Defensie überhaupt voor hebben gekozen. Om toch een terugblik te geven: op de vraag van de heer Ganzevoort heb ik aangegeven waarom wij in 2012 het besluit hebben genomen dat Nieuw-Milligen eigenlijk niet een geschikte locatie is. Dat had echt te maken met de radardekking. Wat vervolgens in het proces is gebeurd, is dat daar in de loop van het vorige kabinet het energieakkoord bij kwam. Vervolgens is per provincie gekeken waar wij windmolens op land en op zee kunnen realiseren; al ging de discussie per provincie vooral over windmolens op land. Dit argument speelde daar ook in mee. Als de radar in Nieuw-Milligen zou blijven staan, zouden de windmolenparken in Flevoland niet meer kunnen, vanwege de verstoorde werking van de radar. Vanuit Defensie gesproken — dat is waar ik hiervoor sta en waar u mij vragen over heeft gesteld — was dit de primaire reden en de aanleiding. Daar is later bij gekomen dat alle plannen in de afgelopen periode — want de tijd heeft natuurlijk niet stilgestaan sinds 2012 — ook een nadrukkelijk argument zijn geworden, omdat we daar nu ook rekening mee moeten houden. Er zijn plannen en afspraken gemaakt met Flevoland en er wordt inmiddels hard aan gewerkt om daar invulling aan te geven. Dit is nu ook een gegeven. Alleen was dat niet de primaire aanleiding om te zeggen: we gaan weg uit Nieuw-Milligen. Ik vind het belangrijk om dat te benadrukken. Dat is er later bij het Energieakkoord bij gekomen.

De heer Ganzevoort vroeg waarom het zoekgebied zo klein is. Dat heeft dus te maken met die trechtering. Die vindt nu ook nog steeds plaats. Het wordt allemaal uitgerekend. Het werkt echt via een trechter. We hebben eerst de beleidskaders vastgesteld en vervolgens gaan we doorrekenen. Ik gaf u net ook al aan dat hoogbouw, windmolens en dergelijke een verstorend effect kunnen hebben. Het gaat er steeds om dat je berekent of het aanvaardbaar is, ja of nee. Dat is steeds de afweging die daarin wordt gemaakt.

De heer Koole vroeg naar Zeeland en de heer Ganzevoort vroeg naar Limburg. Het is niet mogelijk om met twee radars Nederland volledig af te dekken. Je moet 400 kilometer naar boven en 180 kilometer boven de Noordzee. Zou je Nederland volledig willen afdekken, dan zou je nog een paar radars erbij moeten hebben. Gelet op het feit dat we deze discussie hebben, heb ik niet het idee dat Nederland staat te popelen als ik kom met het verzoek om nog wat radars te plaatsen. Dat betekent dat we het anders moeten oplossen. Op grote hoogte hebben we wel dekking, maar de kwetsbaarheid blijft in die gebieden die u zelf heeft gezien. Daar zijn we kwetsbaarder en daar proberen we met onze buurlanden België en Duitsland invulling aan te geven. Maar daarin zijn we afhankelijk van hun medewerking. Als zij zeggen "we hebben er even geen zin in en zetten onze eigen radar uit", dan hebben we daarmee te dealen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Het antwoord is verhelderend. Het betekent namelijk dat de argumentatie van de staatssecretaris rond de dekkingscapaciteit een relatieve argumentatie is. Het is wel van belang, maar het is niet zo dat we over het hele land maximale dekkingscapaciteit moeten hebben, want die hebben we gewoon niet.

Staatssecretaris Visser:

Zo maximaal mogelijk, met twee radars. Ik heb net aangegeven dat ik het liefst één radar zou hebben. Het liefst zou ik willen dat Wier alles zou kunnen bestieren, maar dan heb je beperkt zicht. Dat is de reden waarom je een tweede erbij wilt. Ik heb net aangegeven dat je voor een volledige dekking over heel Nederland een derde radar erbij moet hebben. Ik zie daar op dit moment niet direct draagvlak voor, zo zal ik me maar diplomatiek uitdrukken. Dat betekent dat er beperking is, maar het is daarom juist wel relevant dat de radar in Wier en de radar op een andere locatie zo optimaal mogelijke dekking geven en dat ze op elkaar zijn aangesloten, zodat je een zo breed mogelijk gedeelte van Nederland weet te bestrijken. Ik heb de heer Koole door middel van die plaatjes laten zien welk deel van Nederland je nou wel dekt. Uiteraard ben ik bereid om Wier daaraan toe te voegen, zodat u dat plaatje ook heeft.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Meer woorden maken het niet altijd helderder. Ik begrijp uit de argumentatie van de staatssecretaris dat zij zegt: wij proberen maximaal het land te bestrijken, maar dat lukt niet volledig. Dat betekent dat het argument dat de staatssecretaris in haar brief noemt — het moet Herwijnen worden, want Gilze-Rijen mist een deel van het land — dus een relatief argument is, want Herwijnen mist een ander deel van het land.

Staatssecretaris Visser:

Nee, u heeft in het plaatje kunnen zien dat Herwijnen meer dekking geeft dan Gilze-Rijen, vooral over de Randstad. Een stad als Amsterdam wordt niet gedekt vanuit Gilze-Rijen. Dat geldt ook voor Schiphol en nog een aantal locaties.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

En bij een aantal andere steden ligt het andersom, dus het is een relatief argument.

Ik heb nog één vraag waar de staatssecretaris misschien nog wel op kan ingaan, namelijk over dat trechteren. De argumentatie die zij daarbij geeft, is eigenlijk op microgebied. Waar staan de hoogspanningsmasten? Waar staat de hoogbouw? Et cetera. Ik ben zo benieuwd naar het trechteren op macrogebied. Waarom is ze uitgekomen in het gebied Herwijnen en niet op andere plekken in het zuiden van Nederland? Wordt die trechtering ook verhelderd?

Staatssecretaris Visser:

Die trechtering zal sowieso verhelderd worden in het alternatieve onderzoek. Daarin kunt u het zoekgebied ook zien, alsook dat er met een bredere blik wordt gekeken dan alleen de gemeente West Betuwe. Ik heb aangegeven — dat kunt u ook in het zoekgebied zien — dat we op basis van een zo optimaal mogelijke radardekking en de goede zichtlijnen, in combinatie met Wier, op deze locatie zijn terechtgekomen. In het rapport van het alternatieve onderzoek kunt u ook zien of andere locaties beter scoren, of niet. Op de inleidende vraag hoe ik tot Herwijnen ben gekomen, is het antwoord dat de locatie vrijkwam op het moment dat wij op zoek waren naar een gebied. Zo kwamen twee dingen tezamen. Daarom is er ook niet verder onderzoek gedaan en is gekozen voor de aankoop, ook omdat de toenmalige gemeente Lingewaal daar positief op reageerde. Als de toenmalige gemeente Lingewaal niet positief had gereageerd, was er wellicht iets heel anders gebeurd. Maar dat is een als-danvraag waarop ik u het antwoord schuldig moet blijven. Maar daarom vind ik het wel belangrijk om het nu inzichtelijk te maken.

De heer Ganzevoort vroeg op welke wettekst ik me beroep. De heer Rietkerk heeft daar net nadrukkelijk antwoord op gegeven: artikel 335, lid 1, Wet ruimtelijke ordening. Dat bepaalt dat je een rijkscoördinatieregeling kan inzetten op grond van nationale belangen. Een nationaal veiligheidsbelang wordt daartoe gerekend. Dat is de reden waarom de rijkscoördinatieregeling is toegevoegd.

Voorzitter. De heer Ganzevoort en ook de heer Koole vroegen naar het daadwerkelijke vermogen van de radar. Ik heb aangegeven dat dat, als het gaat om de gemiddelde radarstraling, onder de 100 kW is. Er werd een hele specifieke vraag gesteld over de piekbelasting. Ik kan daar in de openbaarheid niks over zeggen, maar waar het om gaat is dat in het onderzoek van TNO, als het gaat om de cumulatieve effecten, zowel de gemiddelde waarde als de piekbelasting wordt doorgerekend. Beide moeten binnen die waarden blijven, want anders kan je er ook niet aan voldoen. Het wordt ook meegenomen in de doorberekening die nu plaatsvindt in het kader van het onderzoek naar de cumulatieve effecten, waarbij wordt meegekeken door derden.

Verder vroeg de heer Ganzevoort naar het proces. Ik heb net aangegeven dat dit beter had gemoeten. Als ik terugkijk op het proces, was dat in eerste instantie positief. Vervolgens kwamen er medio 2017 vragen naar voren. Ik kan me heel goed voorstellen dat die vragen naar voren kwamen. Ik vind het ook belangrijk dat de informatievoorziening — waar hebben we het over en wat zijn die onderzoeken waar we het over hebben — zo maximaal mogelijk transparant is. Dat is ook de reden waarom we de website hebben opgesteld. We proberen zo veel mogelijk de informatie die we hebben beschikbaar te stellen. Ik noemde als voorbeeld de herberekening van het Thales-rapport om te laten zien dat dat soort zaken ook plaatsvindt. Ik kijk daarop terug en trek daar absoluut als lering uit dat het belangrijk is om aan de voorkant zo transparant mogelijk te zijn en, als tweede, om aan de voorkant ook zo maximaal mogelijke betrokkenheid te realiseren.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Heel fijn dat de voorzitter zo veel leert van het proces, maar het gaat een beetje langzaam. Dit is eerder besproken in de brieven en bij het mondeling overleg. Toen had ze deze lering ook al getrokken. Ik heb in mijn vragen bijvoorbeeld gewezen op het document van 21 oktober, als laatste overzicht van mails die gestuurd zijn. As we speak, want we doen het hier heel transparant met livestreams en dergelijke, krijg ik vanavond mails binnen van mensen die zeggen dat ze op hun mails geen antwoord van het ministerie hebben gekregen. Nu kan het naar een verkeerd mailadres zijn gestuurd, maar ik constateer dat er na 21 oktober geen antwoorden meer zijn gegeven. Wat heeft de staatssecretaris dus precies geleerd als het gaat om zorgvuldige communicatie?

Staatssecretaris Visser:

De informatie die mij bekend is, is dat er tot op heden 26 mailers zijn geweest, dus 26 mensen die een mail hebben gestuurd. Sommige mensen hebben meerdere mails gestuurd. In principe hebben die allemaal antwoord of in ieder geval een ontvangstbevestiging gekregen. Het kan zijn dat er meer mails zijn gestuurd; die signalen heb ik ook gekregen. Ik weet niet waarom die niet zijn aangekomen. Misschien is het een ongebruikelijke oproep, maar als u mails heeft van mensen die zeggen geen antwoord te hebben gekregen, dan ontvang ik die graag. Maar "radarstation" of "radarstations" kan net het verschil zijn als het gaat om het mailadres. Dat kan best een verklaring zijn. Ik ontvang die mails dus graag. Iedereen heeft een ontvangstbevestiging gekregen. Heel veel gestelde vragen gingen vooral over cumulatie en over alternatieven. Daarom hebben we gezegd: we komen daarop terug als beide onderzoeken er liggen. Dan kunnen we namelijk een gevalideerde uitspraak doen en de onderbouwing geven van die uitspraak.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Maar hoe moet ik dan het verschil zien tussen de 26 mails die u erkent binnengekregen te hebben en de 3 mails die beantwoord zijn in het document van 21 oktober? En hoe moet ik zien dat er daarna, terwijl het zo leeft bij mensen, niks gebeurt?

Staatssecretaris Visser:

De mails die u heeft gezien, zijn de inhoudelijke beantwoording van de mails. De mails die daarna binnenkwamen, gingen bijna allemaal over cumulatieve effecten en over gezondheidsrisico's. Daarom is gezegd: die behandelen we in een keer, als die onderzoeken er liggen. Alle mensen die ons hebben gemaild, hebben een ontvangstbevestiging gekregen. Als dat niet zo is, hoor ik het graag, want dat is wel de bedoeling. Als er al eerder informatie bekend zou zijn over bepaalde onderwerpen die we wel kunnen beantwoorden, nog los van de onderzoeken, dan gaan we dat uiteraard doen. Maar voor zover bij mij de informatie strekt, zijn er tot op heden 26 mailers geweest en is de laatste mail van 21 november.

De voorzitter:

Meneer Koffeman, gaat uw vraag over hetzelfde onderwerp als de heer Ganzevoort noemde? Anders wil meneer Rietkerk aansluiten bij de heer Ganzevoort. Als u dat goed vindt, meneer Koffeman, want u was eerst. Ja. Dan is de heer Rietkerk.

De heer Rietkerk i (CDA):

Ik heb een aanvullende vraag. In dit digitale tijdperk, zeker ook bij een rijkscoördinatieregeling, is het gepast dat er antwoorden komen als er mails komen. Zo doet een gemeente het ook. U treedt in de plaats van een gemeente als we straks een positief besluit nemen. Kunt u toezeggen dat in dat kader de mails die aankomen in een reactienota komen, met een reactie, zodat de mensen weten dat het is ontvangen en zodat ze ook weten dat het inhoudelijk misschien nog even duurt voordat ze antwoord krijgen over de piekbelasting, zoals u net aangaf? Daar wil ik graag een duidelijke toezegging op hebben.

Staatssecretaris Visser:

Ja. Dat is een terecht punt van de heer Rietkerk. De rijkscoördinatieregeling is niet gestart. We hebben wel de onderzoeken gestart. Het is een terecht punt. Dat zullen we doen.

De heer Koffeman i (PvdD):

De staatssecretaris heeft in eerdere brieven aangegeven dat er een vermogen is van 100 kilowatt. Ik begrijp nu dat het vermogen van de radar geheim is geworden. Kan de staatssecretaris aangeven waar en op welk moment het geheim geworden is en of dat geheim afwijkt van die 100 kilowatt die eerder genoemd is? Die 100 kilowatt zit namelijk nogal ver af van alle andere vermogens van radars in de buurt en radars in andere toepassingen.

Staatssecretaris Visser:

Die 100 kilowatt ziet toe op de gemiddelde waarde. U vroeg naar de piekbelasting. Dat was de reden waarom ik zei dat ik die informatie niet kan verstrekken. Die informatie is van degene die de radar maakt. Daar heb ik nu net navraag naar gedaan, naar aanleiding van uw vragen. De kern is dat wij moeten voldoen aan zowel de piekbelasting als de gemiddelde waarde. Die worden meegenomen in de berekening. Ik weet niet wie van u net in een bijdrage aangaf dat bijvoorbeeld de KNMI-radar vele malen groter is. Ik heb u aangegeven wat de gemiddelde waarde is. Het antwoord op de vraag over de piekbelasting kan ik niet in openbaarheid melden. Maar ik kan wel toezeggen dat die wordt meegenomen in het onderzoek naar de cumulatieve effecten. Zowel de piekbelasting als de gemiddelde waarde wordt meegenomen.

De heer Koffeman (PvdD):

Kan de staatssecretaris aangeven waarom de gemiddelde waarde niet geheim is en de piekbelasting wel?

Staatssecretaris Visser:

Dan moet ik u verwijzen naar degene die de radar produceert. Dat wil ik voor u navragen. Ik kan er nu geen antwoord op geven.

De heer Koffeman (PvdD):

Als de Kamer een weloverwogen besluit moet nemen, moet ze die informatie hebben. Als je niet weet over welke piekbelasting het gaat, betekent dat dat je op basis van "geen informatie" een besluit moet nemen. Dat lijkt me niet wenselijk.

Staatssecretaris Visser:

Heel veel bronnen hebben stralingseffecten. U moet mij vragen of al die stralingseffecten bij elkaar voldoen aan de waarden die we in Nederland hebben vastgesteld met betrekking tot de gezondheid. Dat onderzoek voer ik nu uit. Daarbij wordt gekeken of zowel de piekbelasting als de gemiddelde waarden binnen de geldende normen blijven. Het gaat niet alleen om de radar, maar bijvoorbeeld ook om het scheepsverkeer. Iemand noemde dat. Vele zaken hebben radarstraling. De heer Janssen noemde net al 5G. Dat is daarbij ook een belangrijk onderwerp. Die zaken hebben daar allemaal mee te maken. Met 5G hebben we nog geen ervaring. Dat kunnen we nu dus niet meenemen in het onderzoek. Daar heeft staatssecretaris Keijzer iets over toegezegd met betrekking tot nader onderzoek. Maar als dat uitgerold wordt, dan zal dat worden meegewogen om te zien of we voldoen aan de geldende normen.

De heer Koole (PvdA):

Een kleine aanvullende vraag. Ik ben blij dat de piekbelastingen worden meegenomen. Kan de staatssecretaris ook toezeggen dat gelijktijdige piekbelastingen van de verschillende radars in dat onderzoek worden meegenomen?

Staatssecretaris Visser:

Dat ga ik voor u navragen. Ik zal er in tweede termijn op terugkomen. Ik ga er wel van uit, omdat TNO beide doet. Maar ik kan u niet toezeggen dat het ook gaat om de piekbelasting als wij allemaal tegelijk gaan telefoneren. Ik zal het in ieder geval navragen als het gaat om de radar, want ik denk dat dat belangrijk is.

Ik ga verder, voorzitter. De heer Koole vroeg niet alleen naar de provincie Zeeland, maar ook of noordelijk Nederland met Wier wordt gedekt. Ja. Ik heb net aangegeven dat een deel van Nederland minder dekking heeft, maar dat zowel noordelijk Nederland als de Randstad gedekt worden. U heeft de kaartjes kunnen zien. Ik zal u naar aanleiding van uw vragen ook Wier doen toekomen, zodat u het totaalbeeld heeft.

De heer Rietkerk vroeg net naar alle antwoorden op de vragen van de bewoners. Daar zullen we inzicht in geven. Uitdrukkelijk stellen we wel de vraag of degenen die de vraag hebben ingediend er bezwaar tegen hebben dat zowel de vraag als het antwoord wordt gedeeld.

Volgens mij ben ik ingegaan op alle vragen rondom windenergieparken van de heer Koole. Ook op de vraag of er in 2012-2014 geen locatieonderzoek heeft plaatsgevonden ben ik ingegaan, volgens mij, ook naar aanleiding van een vraag van de heer Ganzevoort.

De heer Koole vroeg naar de hoogste eisen. Ja, we voldoen aan de eisen die we in Nederland hebben gesteld met betrekking tot gezondheid. Dat zijn internationale eisen, de ICNIRP-normen, waarvan de Raad van State heeft gezegd dat die gangbaar zijn en kunt en moet gebruiken bij de toetsing van de gezondheidsrisico's van straling. Ik heb net aangegeven dat in het kader van een dossier als 5G er nadrukkelijk verder wordt gekeken naar wat dat betekent. De ICNIRP, de internationale organisatie, is momenteel bezig met de herziening van haar normen. Die zou dit jaar gereed zijn. Ik heb navraag gedaan. Die is nog niet gereed. Ik weet niet waarom, maar die is in ieder geval nog niet gereed. Daarvoor geldt dat we gewoon aan de laatste normen moeten voldoen. Als die normen worden aangepast, gelden dus de dan geldende normen. Die gelden dan voor ieder, dus ook voor Defensie.

Voorzitter. Volgens mij heb ik de vragen van de heer Koole hiermee beantwoord. Ook de vragen van de heer Ganzevoort heb ik grotendeels beantwoord. Anders ga ik daar zo nog naar kijken. De heer Nicolai van de Partij voor de Dieren vroeg naar alternatieve locaties. Die vraag heb ik volgens mij beantwoord.

Over transparantie werden net een aantal vragen gesteld. Alle onderzoeken die openbaar kunnen worden gemaakt, maken we nu al openbaar op de website. We wachten dus niet tot de formele regeling start, maar we geven nu al zo veel mogelijk informatie. De heer Rietkerk vroeg ook bij het mondeling overleg al om zo snel mogelijk inloopavonden te organiseren, zodat mensen gericht een vraag kunnen stellen. Ik denk dat dat een belangrijk gegeven is. Dat kan ook als bijvoorbeeld het ontwerp inpassingsplan ter inzage ligt. De heer Rietkerk vroeg of we niet ook al wat konden doen bij het voorontwerp. Ik denk dat dat een goede suggestie is. Formeel doen we het altijd later in het proces, maar gelet op de commotie en de onrust die is ontstaan, is het goed om zo snel als mogelijk toelichting te geven.

Dan de vragen van de heer Nicolai of dit een goed ruimtelijke-ordeningsproces is.

De voorzitter:

Mag ik u even onderbreken, staatssecretaris? Dat is de heer Koffeman.

Staatssecretaris Visser:

Excuus, voorzitter. Dat spijt mij zeer. Dat is niet goed. De heer Koffeman. Bij dezen doe ik het goed.

Een goed ruimtelijke-ordeningsproces? Ja, want ik heb net aangegeven op welke grond we de ruimtelijke coördinatieregeling starten. Ten tweede heb je, gegeven de ruimtelijke coördinatieregeling, gewoon de voorwaarden waaraan je moet voldoen. Dat begint met het voorontwerp. Vervolgens heb je het ontwerpinpassingsplan en vervolgens moet je aan het omgevingsbesluit voldoen. De vraag was of ik een plan B heb. De Raad van State zal mij toetsen. Die zal aangeven of ik het goed heb gedaan. In die zin is het dus des te meer aan mij om te zorgen dat ik de onderbouwing op een zorgvuldige wijze lever en het onderzoek op een zorgvuldige wijze doe.

De heer Koffeman vroeg ook naar de VNG-richtlijn. De VNG-richtlijn is in 2009 opgesteld met als argumentatie: als je voldoet aan die 1.500 meter, hoef je geen nadere onderbouwing te doen. Dan hoef je dus geen nader onderzoek te leveren. Als je afwijkt van de 1.500 meter moet je nader onderzoek verrichten, want dan moet je kunnen aantonen waarom je afwijkt van die 1.500 meternorm. Dat zullen we zowel bij het bestemmingsplan als in de procedure inbrengen. Dat zullen we beargumenteerd doen, want je kijkt of de stralingseffecten binnen de normen vallen en of dat voldoet. Dan mag je, zoals de Raad van State in diverse procedures heeft uitgesproken, gemotiveerd afwijken van de 1.500-norm. Dat is een richtlijn, bedoeld om het voor gemeente, provincie en rijksoverheid makkelijk te maken om te bepalen wanneer men wel of niet nader onderzoek zou moeten doen.

Voorzitter. Door de Partij voor de Dieren is de vraag gesteld waarom niet langer de tijd nemen voor open en zorgvuldig onderzoek. Wat mij betreft zijn we dat nu aan het doen door de input aan de voorkant mee te vragen en door, als het klaar is, te laten zien wat er uit is gekomen. Het is dus geen geheim onderzoek of wat dan ook.

Voorzitter. Een aantal leden vroeg naar de 1.500 meter. Daarvan zei ik al dat we gewoon aan de norm moeten voldoen. Dat moeten we ook onderbouwen. Er zijn verschillende normen van toepassing, afhankelijk van de modus waar de radar in opereert. Er zijn bepaalde normen voor als de radar roteert, en weer andere voor de radar in een andere modus. Dat heeft ermee te maken dat je, als er daadwerkelijk een dreiging is, als ergens een raket komt, die ook snel moet kunnen detecteren. Dat zal niet dagelijks gebeuren, maar daarvoor gelden andere normen, ook op het gebied van stralingseffecten. U heeft ook in het Thalesrapport kunnen zien dat er verschillende effecten zijn, maar dat er hoe dan ook aan de ICNIRP-normen moet worden voldaan.

Mevrouw Moonen gaf aan het belangrijk te vinden om na afronding van de onderzoeken een terugkoppeling te krijgen van hoe het proces is verlopen. Het lijkt mij goed om daar een toelichting op te geven. De daadwerkelijke participatie zal plaatsvinden tijdens de daadwerkelijke procedure. Dan zijn de onderzoeken klaar, dan vinden inloopavonden plaats en dan liggen er ook de zienswijzen en alles wat er speelt. Maar het lijkt me goed om in ieder geval terug te komen op hoeveel mails we hebben gekregen, wat daar de grote lijn in is geweest en hoe daarmee om te gaan is, ook waar het gaat om aangedragen alternatieven.

Mevrouw Moonen i (D66):

Mij gaat het erom dat de staatssecretaris echt toezegt dat ze ordentelijk weergeeft hoe precies is omgegaan met alle voorstellen van de bewoners voor alternatieve locaties, ongeacht waar die liggen. Het zoekgebied is immers groter dan de gemeente West Betuwe, dus ook als ze daarbuiten liggen, willen wij weten hoe er is omgegaan met deze voorstellen en ook hoe er is omgegaan met de inspraak door bewoners. Dat is dus meer dan alleen een lijst van "ik heb twintig of dertig mails gehad". Wij willen graag dat men in de Tweede en de Eerste Kamer kan afleiden dat het proces ordentelijk is verlopen.

Staatssecretaris Visser:

Ik trek de twee dingen even uit elkaar, want zienswijzen komen er pas in de daadwerkelijke procedure. Dat is ook de reden waarom ik zei dat ik dat pas op een veel later moment kan doen, als de daadwerkelijke procedure is gestart, mits u ertoe zou besluiten om de rijkscoördinatieregeling te starten of misschien later, maar zienswijzen gelden dan pas. Wat ik u wel kan geven, zo moet u mijn toezegging zien, is dit. Wanneer ik u de onderzoeken aanbied, zowel over alternatieven als over gezondheidskwesties, kan ik u aangeven hoeveel reacties er zijn geweest en hoe die zijn meegenomen in het onderzoek. Mocht blijken dat die aan het begin niet voldeden aan bijvoorbeeld de afwegingen met betrekking tot de dekking in Nederland, dan kan ik ook melden waarom ze zijn afgevallen. Dat kan ik u toezeggen, maar de zienswijzen komen later in het proces pas. Die kan ik u nu niet toezeggen.

De heer Rietkerk (CDA):

Toch nog een vraag ter verduidelijking, als het mag. Ik hoor de staatssecretaris net positief reageren op iets wat bij ingewikkelde kwesties weleens gebeurt in het land, namelijk om een voorontwerp zowel met de betrokken overheden — gemeente, waterschap en eventueel provincies — alsook met de inwoners te bespreken. Zo'n voorontwerp kan tot reactie van de inwoners leiden. Als u die suggestie positief beoordeelt, kunt u dan op dat moment ook in beeld brengen welke reacties in het kader van het voorontwerp worden meegenomen? Dat helpt wellicht ook om het proces voor de betrokken inwoners transparant te laten verlopen.

Staatssecretaris Visser:

Dat vind ik een goede suggestie. Ik denk ook dat de gemeente West Betuwe zelf, mocht er sprake van zijn dat we dit traject ingaan, dat zou doen, maar het lijkt mij goed om dat zo veel mogelijk te verzamelen, te bundelen en inzichtelijk te maken.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik denk dat de toezeggingen die de staatssecretaris doet waardevol zijn om te kijken wat er allemaal langskomt en hoe dat zorgvuldig wordt afgewogen. Kan de staatssecretaris ons ook uitleggen wat wij als Eerste Kamer op dat moment nog kunnen doen?

Staatssecretaris Visser:

U kunt mij, zoals ik ook vanavond hier sta, altijd vragen om een nadere toelichting. Dat is altijd uw goed recht. Hetzelfde geldt voor de Tweede Kamer. Die kan dat uiteraard ook doen. Als de rijkscoördinatieregeling start, dan treedt ook de procedure in werking. Vooral de gemeente en de provincie zijn dan aan zet, samen met de inwoners en alle betrokkenen. Ik noem ook de wettelijke adviseurs.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Dat betekent feitelijk het volgende. Als we nu instemmen met de rijkscoördinatieregeling, kunnen we nog wel informatie krijgen, maar we hebben daar geen inspraak meer op.

Staatssecretaris Visser:

De vraag aan u is: geeft u mij toestemming om met de rijkscoördinatieregeling te starten? Dat doet u op grond van het criterium of het nationaal belang voldoende beargumenteerd is. Dat is wat de Wet ruimtelijke ordening vraagt als het gaat om de inzet van de rijkscoördinatieregeling. Dat is ook de vraag die voorligt. Mevrouw Moonen heeft gevraagd of ik bereid ben om aanvullende informatie te verstrekken. Uiteraard, en dat geldt ook voor de onderzoeken. De vraag aan u betreft de inzet van de rijkscoördinatieregeling. Dat is inderdaad ja of nee.

De voorzitter:

Meneer Ganzevoort voor de derde interruptie.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Dan is het mij helder. De toezegging die u aan een aantal collega's hier gedaan heeft, is voor ons een doekje voor het bloeden. Daarna hebben we als Kamer niets meer te zeggen.

Staatssecretaris Visser:

Het is goed om je te realiseren wie er aan zet is bij de rijkscoördinatieregeling. Dat zijn de gemeente, de provincie en de inwoners. Die hebben alle waarborgen als het gaat om inspraak, om een zorgvuldig proces en om toetsing door de Raad van State. Dat is hoe we het in Nederland bij de ruimtelijke ordening met elkaar hebben geregeld. De vraag die voorligt, is of ik een beroep op het nationaal belang kan doen. In dit geval gaat het om het nationaal veiligheidsbelang. De radars zijn zwaar over hun tijd. Ik kan niet instaan voor een adequate dekking van het luchtruim. Als de radar kapotgaat, kan ik mijn eerste grondwettelijk taak niet in volledigheid uitoefenen. Ik weet niet wanneer dat het geval is. Ik hoop dat hij het nog een tijdje doet. Dat is de vraag die nu voorligt. U kunt mij altijd om nadere informatie vragen. Ik heb die ook toegezegd, bijvoorbeeld naar aanleiding van een vraag van mevrouw Moonen.

Mevrouw Moonen (D66):

Ik wil graag de motie-Voordewind in de Tweede Kamer in herinnering roepen. Met brede steun van de Tweede Kamer is de afspraak gemaakt dat er een grondig onderzoek moet komen naar het in kaart brengen van de alternatieve locaties van het radarstation. Beide Kamers moeten daarover geïnformeerd worden. Aanvankelijk was het alleen de Tweede Kamer, maar mondeling is toegezegd dat de informatie parallel aan de Eerste Kamer wordt gezonden voordat er een schop de grond ingaat. Daarmee ontstaat er de facto een onderscheid tussen het voorbereidend onderzoek en de daadwerkelijke plaatsing. Zowel de Tweede als de Eerste Kamer kan u vragen om naar de Kamer te komen voordat er een schop de grond ingaat. Mijn vraag is om daar een brief over het doorlopen proces aan toe te voegen. Hoe is er met alle alternatieve locaties omgegaan? Mijn collega Rietkerk zei terecht dat er ook naar de inspraak op het voorontwerp moet worden gekeken. Dat komt voor de zienswijze. Daar moet de brief over het proces ook over gaan. De brief over het proces maakt onderdeel uit van het pakket dat naar de Tweede Kamer gaat ter uitvoering van de motie-Voordewind. Zo heb ik de toezegging begrepen.

Staatssecretaris Visser:

Ik heb zelf ook even het verslag van het algemeen overleg erbij gepakt om te kijken wat er precies is toegezegd. Ik heb net aangegeven wat ik kan toezeggen over de brief en de onderzoeken. Daarbij gaat het vooral om de vraag hoe met de alternatieve locaties en dergelijke is omgegaan. De heer Rietkerk vroeg om ook het voorontwerp erbij te betrekken. Daar kunnen we op een later moment op terugkomen. Dat zal niet tegelijkertijd gebeuren. De motie die in de Tweede Kamer is aangenomen was gebaseerd op de inzet van de rijkscoördinatieregeling. De heer Van Helvert van de CDA-fractie en de heer Voordewind willen echt zekerheid voordat de schop de grond ingaat. Als het voorontwerp en dergelijke zijn afgerond, en de procedure wordt gestart, moeten zij de zekerheid hebben dat alles op tafel ligt. Die toezegging heb ik gedaan, ook in het kader van de rijkscoördinatieregeling. U refereerde ook aan de motie van de heer Kerstens. U kunt lezen dat ik daarop heb gereageerd in de context van de rijkscoördinatieregeling. U heeft een terecht punt. Voordat de schop de grond ingaat, ook al is een deel van de procedure afgerond, kan de Kamer mij altijd vragen stellen of ter verantwoording roepen.

Voorzitter. Mevrouw Huizinga vroeg naar de milieucategorie. Mag daarvan worden afgeweken? Dat hangt eigenlijk samen met de vraag van de heer Koffeman over de 1.500 meter. Zoals u weet, valt een radarstation in dezelfde categorie als een olieraffinaderij en een kerncentrale. Alleen zijn de gevaren zeer divers, zoals u kunt begrijpen. Bij de plaatsing van beide radars die in Herwijnen hebben gestaan — want er hebben daar altijd twee radars van LVNL gestaan, die ook tegelijkertijd hebben gewerkt — gold dat er een aparte bestemming voor was in het bestemmingsplan. Althans, dat is de informatie die ik van LVNL heb ontvangen, maar ik zie daar een LVNL-medewerker. Dat was dus niet op grond van een milieucategorie, maar daar is altijd een aparte bestemming aan gegeven. Om die reden is er later, toen de radar te koop stond, ook een andere categorie aan gegeven.

Mevrouw Huizinga vroeg of ik het ermee eens ben dat het er niet doorgedrukt kan worden. Dat ben ik, zoals ik net ook heb aangegeven. Ik vind het juist in het kader van het herstellen van het vertrouwen belangrijk dat je laat zien dat je de afwegingen die gemaakt zijn kunt onderbouwen en dat je dan dus kunt laten zien op grond waarvan je tot je besluitvorming komt. Dus ja. Als uit het alternatievenonderzoek blijkt dat er een veel betere locatie zou zijn binnen de kaders die gesteld zijn door Defensie, dan zou ik, oneerbiedig gezegd, gek zijn om het er toch doorheen te drukken.

Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):

Dan toch één opmerking. De staatssecretaris zegt: als er een veel betere locatie zou zijn. Maar ik zou zeggen: als er een even goede locatie is, dan zou dat ook een reden moeten zijn om die te overwegen. Het hoeft toch geen betere locatie te zijn?

Staatssecretaris Visser:

Een belangrijke afweging die ik heb meegegeven in de brief over de radardekking is de tijd. Uit mijn hoofd gezegd is dat het tweede van de vijf aspecten die daarin worden genoemd. Ik heb dat ook nadrukkelijk met de gemeente West Betuwe besproken. Dat geheel zal de afweging zijn bij de vraag of er alternatieve locaties zijn die geschikt zijn, zeg ik in de richting van mevrouw Huizinga.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

Dat begrijp ik, maar ik sloeg even aan op uw formulering "wanneer er een veel betere locatie is". Ik begrijp dat al deze elementen meewegen als je gaat kijken of een locatie geschikt is of niet. Daarbij spelen veel elementen een rol, maar als u een locatie vindt die even goed is, dan moet dat toch voldoende zijn? Dat is het enige wat ik wilde zeggen. Het gaat dus om de formulering "een veel betere".

Staatssecretaris Visser:

Met de context die ik er net bij gaf. Als er een slechtere locatie is, dan snapt u ook dat die hoe dan ook afvalt, maar ik heb net aangegeven wat de afweging daarbij zal zijn.

Mevrouw Huizinga vroeg verder of de Tweede Kamer er wel of niet mee heeft ingestemd. De moties die het radarstation in Herwijnen of de rijkscoördinatieregeling afwezen, hebben het niet gehaald in de Tweede Kamer. Daarmee heeft de Tweede Kamer haar uitspraak gedaan, maar er zijn wel nadrukkelijk vragen aan mij gesteld en voorwaarden meegegeven, ook met betrekking tot de terugkoppeling aan de Kamer. Dat zeg ik niet alleen in antwoord op uw vraag, maar ook in antwoord op de vraag van mevrouw Moonen. Ik heb wel in de Kamer steeds gezegd, onder andere bij de behandeling van de moties, dat ik er ook in het kader van de rijkscoördinatieregeling alles aan doe om die helderheid te geven, ook aan de Tweede Kamer.

Voorzitter. Op het punt van mevrouw Huizinga over de zorgen van de inwoners ben ik al ingegaan in antwoord op vragen van mevrouw Moonen, de heer Rietkerk en de heer Koole. Mevrouw Huizinga vroeg ook: bent u bereid om inloopavonden en dergelijke te organiseren om meer informatie te kunnen geven? Wat mij betreft gebeurt dat ook een laagdrempelige manier, zodat mensen ook gewoon hun vragen kunnen stellen. Bij dezen doe ik die toezegging dus ook nog als het gaat om het voorontwerp.

Voorzitter. Volgens mij heb ik het merendeel van de vragen van de heer Van Dijk al beantwoord, want de meeste vragen waren al gesteld door zijn collega's. De heer Van Dijk vroeg naar cumulatie en naar de stand van zaken van het laatste alternatievenonderzoek. Zoals ik heb gezegd, hopen we dat medio december af te kunnen ronden. Daar wordt gewoon hard aan gewerkt. De computers, de servers van TNO, werken hard door om alle berekeningen te doen. Hoe eerder die duidelijkheid kan worden gegeven, hoe beter, maar het moet wel zorgvuldig gebeuren.

Uw vraag naar de RCR-procedure heb ik volgens mij toegelicht. Uit de brief van de gemeente West Betuwe en ook uit het gesprek met mij bleek duidelijk dat zij niet bereid waren om opnieuw medewerking te verlenen aan het bestemmingsplan. Dat is natuurlijk hun goed recht, gelet op de uitspraak van de gemeenteraad. Daarmee heb ik die vragen beantwoord.

Voorzitter. De vraag van de heer Rietkerk over het voorontwerp heb ik volgens mij behandeld. Hetzelfde geldt voor uw vraag of ze kunnen worden meegenomen, zowel bij de vraagstelling als later. Daar heb ik ook antwoord op gegeven. Dat geldt ook voor de vraag of de onderzoeken naar de gezondheid openbaar worden.

U deed de suggestie om de expertise van Binnenlandse Zaken en het Rijksvastgoedbedrijf vooral te benutten. Dat gaan we uiteraard doen. Als het gaat om deze rijkscoördinatieregeling werken we niet alleen samen met Binnenlandse Zaken, met de heer Knops, nu collega Ollongren helaas tijdelijk uitgeschakeld is, maar ook met Economische Zaken, omdat zij de rijkscoördinatieregeling vaker hebben toegepast. Zij zitten ook in de projectorganisatie. We zullen hun expertise dus ook gebruiken. Dat loopt op dit moment.

U vroeg nog een keer of ik het ermee eens ben dat de omgevingsvergunning aan de wettelijke normen moet voldoen. Dat ben ik absoluut, want anders krijgen we de omgevingsvergunning gewoon niet. Zo simpel is het.

De heer De Vries vroeg ook naar het vermogen. Daar ben ik op ingegaan. Op het cumulatieve effect ben ik ook ingegaan. Ik heb gezegd dat het onderzoek loopt. Over de inzet van de onderzoeken heb ik aangegeven dat er vanuit het nationaal veiligheidsbelang snelheid moet worden gemaakt, maar uiteraard binnen de geldende normen. Het alternatievenonderzoek loopt. Ik weet niet wanneer u de stemming heeft, maar ik heb het nu nog niet af, dus ik kan daar geen uitspraken over doen.

Dan de KNMI-radar. Heb ik dat onderzocht? Het KNMI heeft gewoon een vergunning. Het heeft een vergunning aangevraagd voor zijn radar en die staat daar. Ik kan daar niet zomaar langskomen en zeggen: hierbij trek ik uw vergunning in; het wordt een Defensievergunning. Dan hebben we hier volgens mij ook een debat over de handelswijze van Defensie, die ineens zomaar vergunningen aan het intrekken is.

De heer Janssen stelde dat ik eerder heb gezegd dat alternatievenonderzoeken alleen maar in het kader van de rijkscoördinatieregeling konden plaatsvinden. Ik heb gezegd dat ik het zelf in het kader van de rijkscoördinatieregeling doe, omdat ik het belangrijk vind om die snelheid te kunnen maken. Ik ben er uiteraard wel alvast mee begonnen, want anders had ik nu niet het alternatievenonderzoek gestart. Maar de uitkomsten moeten hoe dan ook in de rijkscoördinatieregeling landen. Tot zover.

Voorzitter. Volgens mij heb ik de vragen grotendeels beantwoord, of ik ben iets vergeten. De heer Arbouw gaf nadrukkelijk aan dat de zorgvuldigheid van het proces vooropstaat en dat alles aan de normen moet voldoen. Volgens mij ben ik in de verschillende antwoorden ook ingegaan op uw vragen daaromtrent. Als ik een vraag ben vergeten, hoor ik dat graag.

Mevrouw Faber-van de Klashorst i (PVV):

De staatssecretaris is weliswaar geen vraag vergeten, volgens mij, maar ik heb toch nog even een andere vraag. Stel dat we bijvoorbeeld niet te maken zouden hebben met windparken. Zou Nieuw-Milligen dan gewoon nog als locatie in aanmerking kunnen komen?

Staatssecretaris Visser:

Nee.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Dat is dus geen showstopper?

Staatssecretaris Visser:

Nee. Dat heb ik in het begin aangegeven. Het feit dat Nieuw-Milligen in een kom ligt en uitkijkt op de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe, was voor Defensie de reden om te zeggen: wij gaan naar een andere plek. Daar is later de discussie over wind op land bij gekomen. Maar de primaire reden was juist de ligging. Dat werd 40 jaar geleden iets minder relevant geacht, omdat de lage dreiging iets minder groot werd geacht. Het ging ons toen om bescherming tegen een andersoortige dreiging. Inmiddels weten we dat je, met alles wat te maken heeft met drones en dergelijke in de lucht, jezelf ook moet beschermen tegen andersoortige dreiging. Dat is ook de reden waarom die lage dreiging van belang is en waarom Nieuw-Milligen is afgevallen.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Volgens mij ligt Milligen op 36 meter hoogte. We zitten natuuriljk niet in de Alpen of zo. Dus in hoeverre is dat dan zo relevant? Eigenlijk is het toch wel een beetje vreemd. De staatssecretaris zegt dat het radarsysteem is verouderd en dat ze er niet voor kan instaan. Maar het is toch niet van de ene dag op de andere dag gebeurd? Dat is toch een proces van jaren? Dan hebben we toch eigenlijk te maken met onbehoorlijk bestuur?

Staatssecretaris Visser:

Dit proces loopt ook al een tijd. Dit proces is al in 2008 gestart met de verkenning of er nieuwe radars moesten komen. Vervolgens zijn er locatieonderzoeken gedaan. Dit is dus niet iets wat het afgelopen jaar heeft plaatsgevonden. Dit is een proces dat al langere tijd liep, waarbij er voldoende is gekeken naar de locaties. Bij Wier is aangegeven dat die voldoet, waar de heer Koole ook om vroeg. Verder is er de uitkomst van het onderzoek ten aanzien van Nieuw-Milligen. Naar aanleiding van een vraag van de heer Van Ganzevoort of de heer Koole tijdens het mondeling overleg over dat onderzoek, heb ik u dat ook gestuurd om aan te geven hoe Nieuw-Milligen scoort en waarom dat afgevallen is. Dat laatste heeft niet te maken met de hoogte maar hoe het is gelegen als het gaat om de kromming en het feit dat de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug hoger gelegen zijn, terwijl bijvoorbeeld Herwijnen vlak is. Dat is de reden waarom Herwijnen goed scoorde met ook nog een aantal andere argumenten erbij. Dus dat is de reden waarom Nieuw-Milligen afviel en dat had toentertijd niet zozeer te maken met windmolenparken want die discussie kwam pas later.

De voorzitter:

Dank u wel, staatssecretaris. Dan kijk ik even of de Kamer nog het woord wenst in eerste termijn. Dat is het geval bij de heer Janssen.

De heer Janssen i (SP):

Even vooruitlopend op morgen. Ik zou de staatsseccretaris nog een vraag willen meegeven waar ik nu geen antwoord op hoef te hebben maar die ik wel graag morgen beantwoord zou willen hebben. En die vraag is hoe de combinatie is met de wind-op-landopgave en deze radar die nu gepland staat. Ik hoorde de staatssecretaris zo-even in het debat zeggen dat als het straks in de weg van de radar is, er geen verklaring van geen bedenkingen wordt afgegeven. Ik kan mij voorstellen dat met alles wat nu in de pijplijn zit en waar ook al SDE-subsidies voor verleend zijn, waarbij er misschien nog niet gebouwd wordt maar er wel allemaal plannen gemaakt worden, dit iets is om dat even tegen elkaar af te zetten. Dat is weliswaar niet uw portefeuille maar die van uw collega. Het gaat mij dus om alles wat nu in de wind-op-landopgave loopt versus als de radar er eenmaal is of gepland gaat worden, wat dan niet meer kan. Want anders krijgen we straks een hele rare situatie met twee overheden die elkaar aan het bestrijden zijn. Misschien dat ik daar morgen in tweede termijn een antwoord op kan krijgen.

Staatssecretaris Visser:

Ik probeer uw vraag te begrijpen. Er is geenszins sprake van het willen bestrijden van elkaar. Het is nadrukkelijk wel zo dat alle plannen die gemaakt worden rondom windmolens die bij een locatie van Defensie liggen, los van deze discussie rond Herwijnen, altijd getoetst worden bij Defensie. Wij vliegen en oefenen en doen een aantal dingen die consequenties kunnen hebben. Dan stellen we de vraag of dat consequenties heeft voor de plaatsing van die windmolens. Dat is dan waar we de vraag krijgen over een verklaring van geen bezwaar, los van het dossier Herwijnen. Dat doen we normaal gesproken in goed overleg.

De heer Janssen (SP):

Maar dit is een nieuw radarstation dat gepland wordt. Er zijn al heel veel lopende opgaves waar op dit moment plannen voor gemaakt worden. Er wordt ook keurig gemonitord. De laatste monitor over wind-op-landopgaven was van eind april. Er loopt echter heel veel meer. Nogmaals, die discussie hoeven we nu niet te voeren maar ik zou dit morgen graag wel graag wat verder beantwoord willen zien. Het gaat dus om de vraag over wat er gepland is in de wind-op-landopgave — al die plannen liggen er en er is misschien overcapaciteit waarbij dingen af zullen moeten gaan vallen — in relatie tot het nieuw geplande radarstation en of dat problemen gaat opleveren, wat betekent dat het wellicht aan de andere kant iets minder zal moeten worden als Defensie er niet een verklaring van geen bedenkingen voor zal afgeven.

Staatssecretaris Visser:

De heer Janssen stelt een hele brede vraag. Hij trekt het breder. Maar misschien begrijp ik uw vraag verkeerd. Zolang dit onderzoek naar een alternatief loopt, kunnen we over bepaalde aanvragen geen uitspraak doen. Want stel je voor dat er iets anders uitkomt. Als we dit serieus nemen, hoort dat er dan ook bij. Ik vind ook dat je dan niet iets kunt zeggen tegen een medeoverheid, welke dat dan ook is, op lokaal niveau, provinciaal niveau of rijksniveau. Dit hoort gewoon zorgvuldig te worden afgerond. Dan pas kun je een uitspraak doen over of je kunt instemmen met de projecten die er zijn, of die nu op land, op zee of waar dan ook zijn.

De voorzitter:

Dank u wel, staatssecretaris. Wenst een van de leden nog het woord in eerste termijn? Dat is niet het geval. We lopen weliswaar iets vooruit op de tijd, maar ik heb het gevoel dat een aantal leden behoefte hebben aan een voorbereiding op het debat morgen. Dus ik schors de beraadslaging voor de nacht, tot dinsdag 3 december 2019 om 10.00 uur.

De beraadslaging wordt geschorst.