Rappelabele toezeggingen Justitie (1813-2010) (Rappel Januari 2009)



Dit is het rappel tot 01-07-09.


Toezegging Aanpassing telecommunicatiewet (29.834) (T00364)

De Minister van EZ zegt toe over een eventuele wetsaanpassing overleg te voeren met de Minister van Justitie. Als mocht blijken dat een aanpassing mogelijk is die niet conflicteert met het amendement-Hessels, dan is de minister bereid tot een aanpassing die eerder dan over 2 jaar in werking treedt. De minister zegt een wetsaanpassing van twee jaar in ieder geval toe. Het contact met de KNB zal daartoe op 5 december 2006 worden gelegd.


Kerngegevens

Nummer T00364
Oorspronkelijke nummer tz_EZ_2007_6
Status voldaan
Datum toezegging 4 december 2006
Deadline 1 januari 2009
Verantwoordelijke(n) Minister van Economische Zaken (2012-2017) (Hoofdverantwoordelijke)
Minister van Justitie
Kamerleden prof. mr. H. Franken (CDA)
Commissie commissie voor Economische Zaken (EZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen telecommunicatie
Kamerstukken Inschrijving in openbare registers van netwerken (31.974)
Aanleg, instandhouding en opruiming elektronische communicatiekabels (29.834)


Uit de stukken

Handelingen Eerste Kamer 2005-2006, [11]

Blz. 11-466

De heer Franken: Ik vraag de minister daarom, een overgangsregeling te treffen die erop neerkomt, dat in situaties die dateren van vóór de kabelarresten van 2003 mag worden aangenomen dat degene die zich vijf jaar als eigenaar heeft gedragen, geacht wordt eigenaar te zijn. Als een aanknopingspunt voor het feit dat een exploitant zich als eigenaar heeft gedragen, zou een overdracht als roerende zaak kunnen dienen. Mijn gedachten gaan dus uit naar óf een fictie van eigendom óf een korte verjaringstermijn.

Blz. 11-478

(...)

Minister Wijn: Over die eventuele wetsaanpassing zal ik eerst overleggen met de minister van Justitie. Ik voel mij als minister van Economische Zaken enigszins bezwaard om zo in de diepte van het BW te duiken. Over de exacte inhoud van die wetsaanpassing zal ik ook zo spoedig mogelijk met de notariële beroepsgroep praten om vanuit de praktijk juist die gevallen aangereikt te krijgen die tot potentiële problemen leiden. Wij moeten wel de periode van twee jaar uit het amendement-Hessels c.s. respecteren, anders is er sprake van tegengestelde bewegingen. Mocht de notariële beroepsgroep een oplossing kunnen vinden die niet conflicteert met het amendement-Hessels c.s., dan ben ik bereid de wet al eerder aan te passen. Ik doe graag de toezegging voor een wetsaanpassing na twee jaar.

(...)

Blz. 11-479

(...)

De heer Franken: Daarom heb ik gezegd dat wij dat moeten repareren met een heel korte verjaringstermijn. De minister heeft dat een constructieve gedachte genoemd. (...) Daarom zou ik het waarderen, wanneer de minister de constructieve gedachte in die zin verder uitbouwt dat hij een termijn noemt waarbinnen hij gevolg zal geven aan die gedachte of in ieder geval tot uitvoering ervan zal overgaan. (...) Een evaluatie binnen vier jaar lijkt mij prima. Mij rest dan alleen nog het eerste punt. Dat is de vraag of de minister de constructieve gedachte ook echt body wil geven.

Minister Wijn: Mevrouw de voorzitter. Dat zeg ik graag toe. Ik zeg zelfs toe dat ik de KNB morgen nog zal uitnodigen voor een gesprek met onze specialisten, die u allemaal zo goed kent.


Brondocumenten


Historie

  • 8 september 2009
    nieuwe status: voldaan
    Voortgang:
    Opmerking: omtrent de toezegging over natrekkings-problematiek van netwerken kan gemeld worden dat de Minister van Justitie op 10-06-2009 een wetsvoorstel hierover heeft ingediend, Kamerstukken 31 974. Het wetsvoorstel is in samenwerking met de Koninklijke Notariële
    Beroepsorganisatie (KNB), het Platform Netbeheerders vertegenwoordigd door Netbeheer Nederland, Velin, Vewin, NLkabel, KPN en Groep Graafrechten en het Ministerie van Economische Zaken tot stand gekomen. Alle betrokkenen hebben verklaard zich achter het wetsvoorstel te scharen. Hiermee is de parlementaire behandeling van
    dit wetsvoorstel begonnen en is de toezegging door het kabinet ingevuld.
  • 20 maart 2009
    nieuwe status: openstaand
    Opmerking: Primair EZ
  • 27 februari 2008
    Voortgang:
    Opmerking: Begin 2007 is er overleg geweest tussen de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Economische Zaken. Afgesproken is toen dat de KNB enkele case studies zou verrichten om te verhelderen of de door de KNB voorgestane verkorting van de verjaringstermijn voor verkrijgen van netwerken gewenst en noodzakelijk is. Medio 2007 is een vervolggesprek geweest, waarbij ook vertegenwoordigers van de energie-, telecommunicatie- en watersector aanwezig waren. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in een aantal case studies, waarover de KNB in oktober 2007 advies heeft gevraagd aan prof. mr. W.J. Huijgen. Dit advies is onlangs in conceptvorm gereed gekomen. Hierover zal in maart een vervolgoverleg plaatsvinden. Daarna zal worden bezien in hoeverre een wijziging van wet- en regelgeving aan de orde is.
  • 4 december 2006
    toezegging gedaan






Toezegging Monistisch bestuursstelsel (29.298) (T00443)

Minister Donner hoopt dat hij in elk geval nog dit jaar de voorstellen betreffende het monistische stelsel zal kunnen indienen.


Kerngegevens

Nummer T00443
Oorspronkelijke nummer tz_JUST_2005_16
Status voldaan
Datum toezegging 15 maart 2005
Deadline 1 januari 2009
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie
Kamerleden mr. A. Broekers-Knol (VVD)
Commissie commissie voor Justitie (Just.)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen bestuurders
bestuursstructuur
vennootschappen
Kamerstukken Wet rol werknemers bij de Europese vennootschap (29.298)


Uit de stukken

Handelingen EK 2004-2005, 19- 825

[...]

(blz.819)

Mevrouw Broekers-Knol (VVD): [...] Vervolgens stelt de minister dat de aansprakelijkheid van toezichthoudende bestuurders nader kán worden bezien in het kader van de uitvoering van de nota modernisering ondernemingsrecht. Mijn fractie zou graag zien dát de minister het regelt, omdat Nederland er een zeker belang bij heeft een interessant vestigingsland voor SE's te zijn of te worden, en naar verwachting voor het merendeel van de SE's voor een monistisch bestuursmodel zal worden gekozen. Graag een reactie van de minister.

[...]

(blz.825)

Minister Donner: [...]

Tegen mevrouw Broekers zeg ik dat ik hoop dat wij de voorstellen betreffende het monistische stelsel in elk geval nog dit jaar bij de Kamer kunnen indienen.

[...]


Brondocumenten


Historie

  • 20 maart 2009
    nieuwe status: voldaan
    Opmerking: Op 6 november 2008 is het Wetsvoorstel bestuur en toezicht (Monistisch bestuursstelsel, (31.763) ingediend. Dit voorstel is inmiddels gereed voor plenaire behandeling door de Tweede Kamer.
  • 13 februari 2008
    nieuwe deadline: 1 januari 2009
    nieuwe status: deels voldaan
    Voortgang:
    Opmerking: Een conceptwetsvoorstel is voor advies voorgelegd aan de SER inzake evenwichtig ondernemingsbestuur. Dit wordt verwacht in februari 2008.
  • 15 maart 2005
    toezegging gedaan






Toezegging Advies Raad van State bij knelpunten (29.977) (T00482)

Minister Hirsch Ballin zegt toe dat wanneer knelpunten in de bestaande regelgeving blijken te bestaan, de gelegenheid te baat wordt genomen voor advies naar de Raad van State te gaan. Indien noodzakelijk zal een oplossing te zijner tijd worden gevonden in een wettelijke regeling.


Kerngegevens

Nummer T00482
Oorspronkelijke nummer tz_JUST_2007_12
Status voldaan
Datum toezegging 17 oktober 2006
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie (Hoofdverantwoordelijke)
Minister van Verkeer en Waterstaat
Kamerleden mr. A. Broekers-Knol (VVD)
Commissie commissie voor Justitie (Just.)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen burgerluchtvaart
knelpunten
Kamerstukken Melding voorvallen in de burgerluchtvaart (29.977)


Uit de stukken

Handelingen 2006-2007, [3] 108 -115

Blz. 115

Mevrouw Broekers-Knol (VVD): U zegt te verwachten dat niet heel veel knelpunten zullen ontstaan, gelet ook op wat in de aanwijzing staat en wat verder is geregeld. Dan zeg ik: minister, regel alles toch gewoon legaal. Daar zitten wij hiervoor. Dat is ons vak.

Minister Hirsch Ballin: Ik ga niet voorstellen om dit illegaal te regelen. Ik heb al gezegd dat er tweeërlei redenen zijn voor onze opstelling. Onze verwachting dat als eenmaal het overleg op gang is gekomen en duidelijker wordt dan in de afgelopen jaren het geval was dat niet alleen de politie, maar ook het Openbaar Ministerie de beste vriend is van de bonafide luchtvaartsector, zal blijken dat met deze aanwijzing, deze toepassing het goede volk zal weten te leven en het op de goede manier zal weten te handelen, terwijl ons de mogelijkheid niet wordt ontnomen om het kwade volk aan te pakken. Die mogelijkheid zou ons kunnen worden ontnomen met een weinig doordachte wetswijziging. Zou je niet bij voorbaat met een wetsvoorstel een regeling moeten treffen om te voorkomen dat de inschatting dat de knelpunten zich niet zullen voordoen verkeerd is? Dit blijft de vraag van mevrouw Broekers. Ik voel mij hiermee toch wat overvraagd. Ik heb geleerd dat zodra je begint aan de opstelling van een wetsvoorstel, je een beeld moet hebben van het probleem waarvoor het een oplossing moet bieden. Dus als zich bij de toepassing, in het overleg problemen aftekenen, wordt duidelijker wat de inhoud van een wettelijke regeling zou moeten zijn.

Mevrouw Broekers-Knol (VVD): Maar dan is mij niet duidelijk waarom u een aanwijzing opstelt. Daarbij geldt namelijk dezelfde redengeving.

Minister Hirsch Ballin: Een aanwijzing heeft een ander karakter dan een wettelijke regeling. Een aanwijzing biedt de mogelijkheid van een betere toepassing bij het onderhavige geval. Die laat verder de mogelijkheid bestaan om in het geval van bijzondere omstandigheden – daarvoor moet in de rechtszaal verantwoording worden afgelegd – strafrechtelijk op te treden. Voordat wij een eventuele wetswijziging ter hand nemen, wil ik ook meer weten over de wijze waarop deze richtlijn bij andere lidstaten is geïmplementeerd. Wij kunnen ons nu wel blindstaren op de situatie in Denemarken en op enkele andere voorbeelden, maar ik wil meer weten. Vanmiddag heb ik al gezegd dat ik de deur niet dichtgooi als het gaat om de mogelijkheid van een wetswijziging. Die opmerking kunt u serieus nemen, maar ik vind niet dat ik nu moet toezeggen dat wij aan een wetswijziging gaan werken. Wij hebben namelijk nog geen beeld van de werking en de bruikbaarheid van de aanwijzing. Bij die wetswijziging zouden wij op vragen kunnen stuiten over de inpasbaarheid en over de systematiek van de implementatie van de EG-richtlijn. Als aanvullende toezegging en niet om iets af te doen aan wat ik eerder heb gezegd, herhaal ik dat wanneer blijkt dat er knelpunten zijn, wij in de gelegenheid zijn om als het ware met open vizier naar de Raad van State te gaan. De Raad van State zal dan de beleidsanalytische toetsing doen. Ik verwijs naar het laatste jaarverslag van die raad. De Raad van State wil weten wat het probleem is en of het wetsvoorstel bijdraagt aan de oplossing van het probleem. Als dus de probleemdefinitie er is, kunnen wij gaan werken aan een wetsvoorstel. Het opstellen van de probleemdefinitie kan in de werkgroep gebeuren. Ik meen dat ik hiermee een solide basis heb gelegd voor de aanvaarding van het wetsvoorstel dat nu voor ons ligt. Ten slotte wil ik graag nogmaals onderschrijven dat de vertrouwens-relatie onze inzet moet zijn. Dat gaat verder dan de juridische formulering. De leden kunnen ervan verzekerd zijn dat wij het vermogen tot leren zullen tonen. Wij vragen degenen die deelnemen aan de te vormen overleggroep dit ook te doen. Dat past bij dit belangrijke onderwerp.


Brondocumenten


Historie

  • 20 maart 2009
    nieuwe status: voldaan
    Opmerking: Afgedaan in de zevende Voortgangsrapportage Terrorismebestrijding aan de Tweede Kamer (27 november 2007).
  • 3 maart 2009
    nieuwe status: openstaand
    Opmerking: De commissie besluit de beoordeling over te laten aan de vaste commissie voor justitie
  • 13 februari 2008
    nieuwe deadline: 1 januari 2009
    Voortgang:
    Opmerking: Sinds de vorige rapportage aan de EK is de meldingenstroom aan de IVW constant gebleven, ongeveer 150 per week. In totaal zijn nu ongeveer 8000 meldingen ontvangen (stand van zaken ultimo 2007). Er is nog geen melding aan het OM doorgegeven. Zodoende is ook nog geen sprake geweest van een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van een aan de IVW gedane incidentmelding. Er zijn, evenals bij de vorige rapportage, nog geen belemmeringen voor het incidentmeldingensysteem geconstateerd met betrekking tot wet- en regelgeving of het optreden van het OM. In aanvulling hierop kan worden gemeld dat in het najaar van 2007 een overleg is gestart tussen luchtvaartsector, OM en IVW. Tijdens dit overleg, dat tot nu toe drie keer heeft plaatsgevonden, wordt informatie gedeeld en worden gedachten gewisseld over de wijze waar sector, OM en IVW met incidentmeldingen omgaan. Vanuit het OM wordt daarbij, aan de hand van fictieve casussen, met name ingegaan op het onderscheid tussen onachtzaamheid en grove nalatigheid dat bepalend is voor de vraag of vervolging opportuun is. Het overleg, dat in een constructieve sfeer plaatsvindt, zal de komende tijd worden voortgezet.
  • 11 mei 2007
    nieuwe deadline: 1 januari 2008
    Voortgang:
  • 17 oktober 2006
    toezegging gedaan






Toezegging Uitvoering gewijzigde Ar 33a en 34 (21.109, nr. 159) (T00492)

De minister van Justitie zegt de Eerste Kamer toe, na ommekomst van advisering door de Raad van State, een brief te sturen waarin de regering de Kamer informeert over de manier waarop zij uitvoering zal geven aan hetgeen wordt gesteld in de nieuwe aanwijzing 33a en de gewijzigde aanwijzing 34 in de Aanwijzingen voor de regelgeving. In diezelfde brief zal de minister ingaan op de bevoegdheden tot het maken van algemene maatregelen van bestuur die doorkruisen wat de wetgever eerder heeft besloten. Tevens zal in deze brief een termijn worden opgenomen waarna de balans zal worden opgemaakt en geëvalueerd van hetgeen nu wordt voorgesteld.


Kerngegevens

Nummer T00492
Oorspronkelijke nummer tz_JUST_2007_21
Status voldaan
Datum toezegging 15 mei 2007
Deadline 1 januari 2009
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie
Kamerleden mr. A. Broekers-Knol (VVD)
Commissie commissie voor Justitie (Just.)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen aanwijzingen voor de regelgeving
delegatiegrondslagen
Kamerstukken Brief versnelde implementatie EU-richtlijnen (21.109, nr. 159)


Opmerking

De brief van de minister van Justitie inzake de bijzondere totstandkomingsprocedures voor en parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving;
De brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een kabinetsstandpunt ten aanzien van het rapport “De Nederlandse Grondwet en de Europese Unie”;
De brief van de minister van Justitie inzake versnelde implementatie EU-richtlijnen.

Uit de stukken

Handelingen Eerste Kamer 2006 – 2007, 29 – 905-906

Blz. 905

Mevrouw Broekers-Knol (VVD)

(…)

Het is niet de bedoeling van mijn partij om te komen tot een voorhangprocedure voor de Aanwijzingen voor de regelgeving en alle wijzigingen die daarin plaatsvinden. Ik heb als een belangrijk element van de discussie van vandaag genoemd dat wij moeten vaststellen of de leden 2 en 3 van artikel 34 wel zo moeten worden geformuleerd of moeten worden verhelderd. Ik begrijp dat u wilt voorkomen dat wij het probleem krijgen dat deze Kamer ’’nee’’ moet zeggen tegen wetgeving, zoals ik de minister van Binnenlandse Zaken heb horen zeggen. Dat wil niemand van ons en dat betekent dat de Aanwijzingen voor de regelgeving cruciaal zijn.

(…)

Blz. 905-906

Minister Hirsch Ballin

(…)

Ik heb van mevrouw Broekers-Knol goed begrepen dat het niet de bedoeling is om voorhangprocedures te introduceren bij de Aanwijzingen voor de regelgeving. Nadat wij het advies van de Raad van State hebben ontvangen over de voorgenomen wijziging, zal ik de Kamer graag informeren over de manier waarop wij uitvoering geven aan wat daarin in het vooruitzicht is gesteld.

(…)

Ik zeg dan ook graag toe dat ik de Kamer zal informeren over de manier waarop wij te werk gaan bij het herijken van bestaande wetgeving. Het zou buitengewoonn ondoelmatig zijn om daarin allerlei redacties te betrekken die buiten de doelstelling van de Kamer in dit debat vallen.  Over de bevoegdheden tot het maken van algemene maatregelen van bestuur die doorkruisen wat de wetgever eerder heeft besloten, wat de vorm kan aannemen van buiten werking stellen of direct doorkruisen door andere regels dan waartoe de wetgever eerst heeft besloten, zal ik graag een brief aan de Kamer zenden. Misschien kunnen wij daar dan op ingaan bij gelegenheid van de brief die ik u heb toegezegd als de Raad van State heeft geadviseerd, met inachtneming van de gedachte om daarin ook aan te geven dat wij bijvoorbeeld na een jaar of twee de balans opmaken van wat er sindsdien is gebeurd. Dat is een discipline die wij graag aanvaarden.


Brondocumenten


Historie

  • 20 maart 2009
    nieuwe status: voldaan
    Opmerking: Brief ‘Uitvoering moties Jurgens’ is naar de Eerste Kamer gestuurd.
    (01-09-2008)
  • 13 februari 2008
    nieuwe deadline: 1 januari 2009
    Voortgang:
    Opmerking: De 8ste wijziging van de Aanwijzingen voor de regelgeving (waarin de aanwijzingen 33a en 34 worden meegenomen) is geagendeerd voor de Raad voor de Veiligheid en Rechtsorde van maart 2008. Na accordering door de ministerraad zal de wijziging voor advies worden aangeboden aan de Raad van State. Voorts is een brief inzake de voortgang de motie- Jurgens (21109, A) in het Interdepartementaal wetgevingsberaad (IWB) van 17 januari jl. behandeld. De planning is om deze brief na behandeling in de ministerraad in maart 2008 aan de Kamer te zenden.
  • 15 mei 2007
    toezegging gedaan






Toezegging Ontwikkeling rechtstaat (30164/30327) (T00500)

De minister van Justitie zegt toe bij een komende gelegenheid, wellicht bij de behandeling van de begroting, te proberen de ontwikkeling in het denken over de rechtsstaat, verder uit te werken.


Kerngegevens

Nummer T00500
Oorspronkelijke nummer tz_JUST_2007_29
Status voldaan
Datum toezegging 3 juli 2007
Deadline 1 januari 2009
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie
Kamerleden M.J.M. Kox (SP)
Commissie commissie voor Justitie (Just.)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Wet politiegegevens
Kamerstukken Wet politiegegevens (30.327)
Verruiming mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven (30.164)


Opmerking

31200 VI, D. De Wet is per 1 januari 2008 in werking getreden. Bij de begrotingsbehandeling in 2008 zal de Minister van Justitie hier op terugkomen.

Uit de stukken

Handelingen Eerste Kamer 2006 – 2007, 36 – 1123

De minister van Justitie Hirsch Ballin:

Ik was het zeer eens met wat de heer Kox zei over de uitgangspunten, de spanningen die wij moeten onderkennen en waarin wij het evenwicht moeten vinden. De ontwikkeling van rechtsstaat oude stijl naar rechtsstaat nieuwe stijl vond ik een interessante gedachte. Ik denk dat dit inderdaad het geval is en dat wij ons vanuit een meer antithetisch denken – het is of de rechtsstaat of het ontbreken daarvan – moeten ontwikkelen. Ik denk dat de benadering die wij zo-even met elkaar hebben gedeeld hieraan een bijdrage levert door met voldoende waarborgen ten aanzien van het concrete toepassingsveld een beoordeling te geven, niet alleen in abstracto maar ook in concreto in redelijke verhouding tot behoefte, maatschappelijke noden en aard van de bedreiging van fundamentele waarden van de rechtsstaat. Ik zal niet uitgebreid ingaan op deze gedachte, maar een ontwikkeling in het denken over de rechtsstaat lijkt mij een interessante benadering. Ik zal bij een komende gelegenheid, wellicht bij de behandeling van de begroting, proberen die verder uit te werken.


Brondocumenten


Historie

  • 20 maart 2009
    nieuwe status: voldaan
    Opmerking: Aan deze toezegging is gevolg gegeven in de Justitie begroting 2009 (31700 VI, nr. 2, blz. 7-9) door opneming van de passages over het vertrouwen in de rechtsstaat. Verder is de ontwikkeling in het denken over de rechtsstaat uitgewerkt in de nota Vertrouwen in wetgeving, waarover de Eerste Kamer op 10 februari 2009 (Handelingen I 2008/09 blz. 1067 e.v.) heeft gedebatteerd.
  • 19 februari 2008
    nieuwe deadline: 1 januari 2009
    Voortgang:
  • 3 juli 2007
    toezegging gedaan






Toezegging Definitie terrorismebegrip (30.164) (T00510)

Minister Hirsch Ballin zegt toe met de AIVD te zullen spreken over de te hanteren definitie van het begrip terrorisme.


Kerngegevens

Nummer T00510
Oorspronkelijke nummer tz_JUST_2007_6
Status voldaan
Datum toezegging 7 november 2006
Deadline 1 januari 2009
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie
Kamerleden mr. R.H. van de Beeten (CDA)
Commissie commissie voor Justitie (Just.)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen terrorisme
Kamerstukken Verruiming mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven (30.164)


Uit de stukken

Handelingen Eerste Kamer 2006 – 2007, 5 – 216

Blz. 220

(…)

Minister Hirsch Ballin: Een meer algemeen punt dat de heer Van de Beeten in relatie tot het begrip aanwijzingen aan de orde stelde, betrof het verschil in werkdefinities die men tegenkomt in de verschillende wettelijke regelingen in de context van de AIVD en van de opsporings- en vervolgingsautoriteiten.

De heer Van de Beeten (CDA): Ik heb de minister erop gewezen dat de definitie die in het Wetboek van Strafrecht wordt gehanteerd afwijkt van de definitie die de AIVD in zijn jongste rapport over de jihadistische dreigingen hanteert. Dat lijkt mij een belangrijk punt. (…) Het gaat mij erom dat de AIVD voor haar werkzaamheden blijkens het jongste rapport een definitie van het begrip ’’terrorisme’’ hanteert die inhoudelijk afwijkt van het begrip dat wij hanteren in het Wetboek van Strafrecht. Wanneer wij zeggen dat wij strafvorderlijk van aanwijzingen uit de hoek van de AIVD gebruik gaan maken die behelzen dat er een terroristisch misdrijf is of zal worden gepleegd, moet dat natuurlijk wel gerelateerd zijn aan de definitie van het begrip ’’terrorisme’’ in het Wetboek van Strafrecht. Anders krijgen wij voor een deel informatie niet die wel relevant is voor het strafvorderlijk onderzoek en krijgen wij voor een deel informatie waarvan wij denken dat die terroristisch van aard is, terwijl de AIVD een ruimer begrip hanteert dan het Wetboek van Strafrecht. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Vandaar mijn vraag aan de minister om dit met zijn collega van BZK te bespreken en om nog eens in een brief aan ons uit te leggen hoe dit probleem zal worden opgelost. Anders hebben wij te maken met een lastig probleem voor de hanteerbaarheid van dit wetsvoorstel.

Minister Hirsch Ballin: Ik begrijp het punt. Het gaat dus niet om de wettelijke  omschrijvingen waaraan men zich moet houden maar om de werkdefinitie, die blijkens uitgegeven publicaties door de AIVD wordt gehanteerd. Ik zal op dit punt bij de eerstkomende gelegenheid de aandacht vestigen. Om de nadere vraag van de heer Van de Beeten voor te zijn wanneer die eerstkomende gelegenheid zich zal voordoen, voeg ik hieraan toe dat dat binnen het komend etmaal zal zijn.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Rechtsbescherming onterecht geplaatsten (28.764) (T00516)

Minister Verhagen zegt de Kamer naar aanleiding van een vraag van de heer Kox toe dat de Nederlandse regering het altijd zal opnemen voor degenen die onterecht op een terrorismelijst staan. In concreto zal dit betekenen dat indien in het Verenigd Koninkrijk wordt bepaald dat de MKO geen terroristische organisatie is, dit gevolgen zal hebben voor de plaatsing op de EU-terrorismelijst.


Kerngegevens

Nummer T00516
Oorspronkelijke nummer tz_JUST_2008_3
Status voldaan
Datum toezegging 11 maart 2008
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie
Kamerleden M.J.M. Kox (SP)
Commissie commissie voor Justitie (Just.)
Soort activiteit Mondeling overleg
Categorie legisprudentie
Onderwerpen Mujahedin-e Khalq Organisation
Kamerstukken Goedkeuring Europees Verdrag inzake de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van internationale niet-gouvernementele organisaties (28.764)


Uit de stukken

28764, K - Blz. 15

De heer Kox (SP): De minister zegt terecht dat wij moeten afwachten hoe het in Engeland loopt. Als de zaak is afgehandeld en het blijft bij het vonnis dat er nu ligt, moet dat volgens hem consequenties hebben voor de EU-lijst. Ik kan zijn woorden niet anders begrijpen dan: als je in Engeland niet op de lijst kan staan, dan hoor je ook niet op de EU-lijst. Mogen wij dan van de Nederlandse regering verwachten dat zij de positie inneemt zoals collega Franken die verwoordde? Dan moet Nederland staan naast degenen die onterecht op die lijst voorkomen.

Minister Verhagen: Ten eerste ontvalt in dat geval een rechtsbasis. Ten tweede is het dan duidelijk dat een belangrijk, zo niet het belangrijkste deel van de motivering van het Verenigd Koninkrijk voor plaatsing op de lijst wegvalt. Omdat het nog niet definitief is, is dat nu nog niet het geval. Indien de uitspraak definitief is, heeft dat wat de regering betreft gevolgen voor de listing.

De heer Kox (SP): De Nederlandse regering zal het dan dus opnemen voor degenen die onterecht op de lijst staan.

Minister Verhagen: Wij nemen het altijd op voor degenen die onterecht op de lijst staan. Die staan dan ook niet op de lijst. 


Brondocumenten


Historie







Toezegging Voortgangsrapportage (28.764) (T00518)

Minister Hirsch Ballin zegt op verzoek van de heer Van de Beeten toe dat de regering de Kamer over een jaar opnieuw zal informeren over haar inspanningen en de geboekte resultaten met betrekking tot de EU- en VN-terrorismelijsten.


Kerngegevens

Nummer T00518
Oorspronkelijke nummer tz_JUST_2008_5
Status voldaan
Datum toezegging 11 maart 2008
Deadline 1 april 2009
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie
Kamerleden mr. R.H. van de Beeten (CDA)
Commissie commissie voor Justitie (Just.)
Soort activiteit Mondeling overleg
Categorie brief/nota
Onderwerpen Mujahedin-e Khalq Organisation
Kamerstukken Goedkeuring Europees Verdrag inzake de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van internationale niet-gouvernementele organisaties (28.764)


Uit de stukken

28764, K

Blz. 20

Minister Hirsch Ballin: De heer Franken weet dat als wij het over rechtsbescherming hebben, wij een toetsing aan procedurele en materiële regels bedoelen. De brief waarin onze inzet op dit terrein is aangekondigd, vormt voor ons permanent werk in uitvoering.

De voorzitter [de heer Van de Beeten (CDA)]: Wij kunnen vaststellen dat wij op dit punt dezelfde zorgen delen. In dit verband wil ik de minister vragen of hij bereid is de Kamer over een jaar te informeren over de inspanningen van de regering en over de resultaten die dan hopelijk zijn bereikt zijn zowel binnen VN-kader als binnen Europa, zodat wij hierover nader met elkaar van gedachten kunnen wisselen.

Minister Hirsch Ballin: Dat zullen wij graag doen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Interpretatie richtlijn vluchtelingenstatus (30.925) (T00519)

De staatssecretaris van Justitie zegt de heer Franken toe dat zij zal overgaan tot aanpassing van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000, wanneer zou blijken dat het Hof van Justitie aan artikel 15c van richtlijn 2004/83/EG een ruimere interpretatie toekent en deze onvoldoende duidelijk zou blijken uit genoemd artikel 29.


Kerngegevens

Nummer T00519
Oorspronkelijke nummer tz_JUST_2008_6
Status voldaan
Datum toezegging 1 april 2008
Deadline 1 januari 2009
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Justitie
Kamerleden prof. mr. H. Franken (CDA)
Commissie commissie voor Justitie (Just.)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Vreemdelingenwet 2000
Kamerstukken Implementatie van de richtlijn betreffende minimumnormen voor de erkenning en status van onderdanen derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft (30.925)


Uit de stukken

Handelingen I 2007-2008, nr. 25 – blz. 1047

Franken (CDA):

Allereerst het wetgevingstechnische punt omtrent de implementatie van artikel 3, sub c uit de richtlijn in relatie tot de tekst van artikel 29, eerste lid onder b van de Vreemdelingenwet. De staatssecretaris verwijst voor de uitleg daarvan naar de parlementaire geschiedenis, namelijk de memorie van toelichting, en stelt dat aldus

uitgelegd artikel 29 al artikel 3, sub c van de richtlijn dekt. Het komt erop neer dat de enkele verwijzing in de memorie van toelichting naar artikel 3 EVRM en andere – let wel, dat is een ander artikel dan artikel 3 uit de richtlijn – afdoende zou zijn om ook de in artikel 3, sub c van de richtlijn bedoelde gevallen te dekken. De staatssecretaris is echter niet helemaal zeker van haar zaak en wil in het Vreemdelingenbesluit alsnog artikel 3,

sub c van de richtlijn implementeren. Dat gebeurt dan kennelijk via lid 2 van artikel 29. Het antwoord en de argumentatie in de memorie van antwoord zijn niets anders dan een compilatie van wat in het nader rapport bij het onderhavige wetsvoorstel en de memorie van toelichting op de Vreemdelingenwet 2000 valt te lezen en overtuigen derhalve niet. Voor de CDA-fractie gaat het hierbij om twee aspecten. In de eerste plaats kan niet bij latere parlementaire behandeling van een wijziging in de Vreemdelingenwet een niet in die wijziging betrokken artikel een uitleg meekrijgen die niet strookt met de tekst van de wet en waarvoor de oorspronkelijke parlementaire behandeling ook geen grondslag biedt. De enkele verwijzing in de memorie van toelichting op de oorspronkelijke Vreemdelingenwet 2000 naar artikel 3 EVRM is onvoldoende, omdat niet is gebleken dat regering en parlement toen ook het oog hadden op de gevallen genoemd in artikel 3, sub c van de richtlijn. Het lijkt mij dan ook dat de regering vandaag simpelweg zou kunnen erkennen dat het in de stukken verdedigde standpunt staatsrechtelijk niet houdt. Het tweede aspect betreft de status van de wet in formele zin en de kenbaarheid van de regelgeving. Het gevolg van de door de staatssecretaris beoogde oplossing, te weten niet artikel 29 van de Vreemdelingenwet aanpassen maar wel het Vreemdelingenbesluit, is dat het Vreemdelingenbesluit meer bescherming biedt dan de tekst van de wet alhoewel volgens de regering de wet hetzelfde beoogt. Dat klinkt toch niet zo mooi. Mijn verzoek aan de staatssecretaris is om dit bij de eerstvolgende gelegenheid te corrigeren.

Staatssecretaris Albayrak:

Dat is onder meer de reden dat er prejudiciële vragen zijn gesteld, de Europese Commissie vragen inmiddels een standpunt heeft ingenomen, en andere lidstaten vragen wat artikel 15c nu eigenlijk behelst. Is dit nu wel of niet ruimer dan de bestaande bescherming op basis van artikel 3 van het EVRM?

Het is nooit de bedoeling geweest van de lidstaten om een nieuwe toelatingsgrond in het leven te roepen. Uit de voorbereiding van de richtlijn bleek dat die erop is gericht om het bestaande beleid te harmoniseren, niet om een extra toelatingsgrond aan de nationale bescherming in de lidstaten toe te voegen. Daarom heb ik ervoor gekozen om te zeggen dat artikel 15c in principe al in onze Vreemdelingenwet is opgenomen, in artikel 29, lid b. Dit artikel biedt de bescherming die artikel 15c beoogt. Ik heb ook in de behandeling in de Tweede Kamer gemerkt dat er behoefte bestond aan een verdere verduidelijking en een onderbouwing van die stelling. Om die reden heb ik dit nog eens zwart op wit gezet. Naar mijn indruk is dit nu wel voldoende duidelijk. Ik voeg hieraan toe dat de prejudiciële vragen nog door het Hof moeten worden beantwoord. Als blijkt dat het Europese Hof een ruimere interpretatie geeft van artikel 15c dan Nederland en andere lidstaten tot nu toe doen – ik heb daar overigens geen enkele aanwijzing voor – is door de manier waarop wij deze richtlijn implementeren al gewaarborgd dat ook die ruimere interpretatie van artikel 15c onder de Vreemdelingenwet valt. Ik heb al een automatisme ingebouwd. Als artikel 15c ruimer wordt geïnterpreteerd, heb ik door te zeggen dat dit gelijk is aan artikel 29b, al geregeld dat ook die ruimere interpretatie past. Als het voor de duidelijkheid nodig mocht zijn dat artikel 29 wordt aangepast, dan zal ik daartoe overgaan.


Brondocumenten


Historie

  • 20 maart 2009
    nieuwe status: voldaan
    Opmerking: Brief inzake vrijstelling van het wettelijke mvv-vereiste is naar het Parlement gestuurd.
    (29-10-2008)
  • 1 april 2008
    toezegging gedaan






Toezegging Gemeenschappelijk Europees Asielbeleid (30.925) (T00521)

De staatssecretaris van Justitie zegt mevrouw Broekers-Knol en de heer Franken toe dat zij met inachtneming van de vragen van beiden de nieuwe plannen van de Europese Commissie inzake het gemeenschappelijk Europees asielbeleid zal behandelen en daarover een debat, onder betrokkenheid van Eerste en Tweede Kamer, zal entameren. Over de precieze inrichting daarvan zal zij de Eerste Kamer later informeren.


Kerngegevens

Nummer T00521
Oorspronkelijke nummer tz_JUST_2008_8
Status voldaan
Datum toezegging 1 april 2008
Deadline 1 januari 2009
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Justitie
Kamerleden mr. A. Broekers-Knol (VVD)
prof. mr. H. Franken (CDA)
Commissie commissie voor Justitie (Just.)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen asielbeleid
EU
Vreemdelingenwet 2000
Kamerstukken Implementatie van de richtlijn betreffende minimumnormen voor de erkenning en status van onderdanen derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft (30.925)


Uit de stukken

Handelingen I 2007-2008, nr. 25 – blz. 1048

Mevrouw Broekers-Knol (VVD):

Voorzitter. Voor de VVD-fractie is rechtszekerheid en dus heldere wetgeving van groot belang. Naar het oordeel van mijn fractie biedt de Vreemdelingenwet 2000 met de implementatie van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 die helderheid niet meer in voldoende mate, omdat té veel bij té belangrijke onderwerpen gebruik wordt gemaakt van delegatiebepalingen. Is de staatssecretaris bereid om ondanks wat zij daarover opmerkt in de nadere memorie van antwoord actief na te denken over en te werken aan aanpassingen en verbeteringen van de Vreemdelingenwet 2000? Niet alleen met het oog op de huidige wetgeving, maar juist ook om geprepareerd te zijn voor de toekomst, namelijk de tweede fase van een gemeenschappelijk Europees asielbeleid.

Franken (CDA):

Welnu, deze niet onbelangrijke rechtspolitieke vragen waarop ik vandaag van de regering uiteraard geen alomvattend antwoord verwacht, geven aanleiding voor te stellen dat de regering na bekendwording van de plannen van de Commissie, over die plannen een standpunt inneemt en de hiervoor geformuleerde vragen daarbij betrekt. Vervolgens zou de Kamer daarover met de minister dan wel de staatssecretaris van gedachten kunnen wisselen in het najaar. Als motief voor deze aanpak verwijs ik naar eerdere discussies over de rol van de Kamer in het Europees wetgevingsproces, het meest recent het overleg dat hierover is gevoerd met de Raad van State. De breed gedragen conclusie is immers dat de senaat zich enerzijds moet beperken tot wezenlijke onderwerpen die de rechtsgrondslagen van onze samenleving raken en anderzijds al in een vroeg stadium met de regering over de strekking en vormgeving van Europese voorstellen zou moeten beraadslagen. Hoe beoordeelt de staatssecretaris de geschetste problematiek en wat is haar reactie op het meer procedurele voorstel dat wij hier hebben gedaan?

Staatssecretaris Albayrak:

De heer Franken heeft veel relevante vragen gesteld, maar zoals ik al zei, kan ik die op dit moment niet allemaal beantwoorden. Hij vroeg mij echter ook om zijn vragen te betrekken bij de verdere gang van zaken na de bekendwording van de voorstellen. Ik zou daarover vervolgens een debat moeten entameren. Ik neem deze goede suggestie graag over. Ik zal de voorstellen, die naar verwachting voor de zomer bekend worden, mede aan de hand van de vragen van de heer Franken, behandelen. Ik zal later preciezer aangeven hoe ik dat voor mij zie, maar waarschijnlijk zal dat debat zich deels afspelen in de Tweede Kamer.

Het is inderdaad een goede zaak om het parlement in een vroeg stadium bij Europese voorstellen te betrekken, want alleen dan kan het parlement werk maken van zijn controlerende taak. Ik heb daarom zelf de Kamer gestimuleerd om in een vroeg stadium niet alleen de agenda van de JBZ-raad te volgen, maar ook een principieel debat te voeren over de richting die met voorstellen wordt ingeslagen. De heer Franken en mevrouw Broekers vroegen hier expliciet om, maar ik denk dat het een breed gedeelde wens is. Wij willen immers allemaal weten of wij wel de richting op willen die met Europese voorstellen wordt ingeslagen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Vervanging bestuurlijke boete (28.494/29.359) (T00820)

De minister van VWS is bereid in overleg met de minister van Justitie te bezien of de bestuurlijke boete in de VWS wetgeving gefaseerd kunnen worden vervangen door OM-afdoening.


Kerngegevens

Nummer T00820
Oorspronkelijke nummer tz_VWS_2007_5
Status voldaan
Datum toezegging 6 februari 2007
Deadline 1 januari 2009
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Hoofdverantwoordelijke)
Minister van Justitie
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport / Jeugd en Gezin (VWS/JG)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen bestuurlijke boeten
volksgezondheid
Kamerstukken Geneesmiddelenwet (29.359)
Wijziging van Hoofdstuk III Wet op de Geneesmiddelenvoorziening en van afdeling 5 van titel 7 van Boek 7 Burgerlijk Wetboek (28.494)


Uit de stukken

Handelingen Eerste Kamer 2006 – 2007, [18]

Blz. 18-623

Minister Hoogervorst: (...) Verdient het niet de voorkeur om in nieuwe wetgeving bestuurlijke boetes terug te dringen en de Wet OM-afdoening toe te passen? Als die wet in dit wetsvoorstel was verwerkt, zou het probleem van artikel 101 tweede lid van dat wetsvoorstel zich niet voordoen. Ik ben bereid om in overleg met de minister van Justitie te bezien of de bestuurlijke boetes in de VWS-wetgeving gefaseerd kunnen worden vervangen door OM-afdoening.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Inwerkingtreding wetsvoorstel (29.353) (T00854)

De minister van Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen en een motie van het lid Broekers-Knol toe de inwerkingtreding van het wetsvoorstel uit te stellen tot na aanvaarding van wetsvoorstel 31227 door Tweede én Eerste Kamer.


Kerngegevens

Nummer T00854
Status voldaan
Datum toezegging 7 oktober 2008
Deadline 1 januari 2009
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie
Kamerleden mr. A. Broekers-Knol (VVD)
Commissie commissie voor Justitie (Just.)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen geregistreerd partnerschap
geslachtsnamen
gezamenlijk gezag
Kamerstukken Geregistreerd partnerschap, geslachtsnaam en gezamenlijk gezag (29.353)


Uit de stukken

Handelingen I 2008-2009, nr. 3 - blz. 164

Blz. 167

Mevrouw Broekers-Knol (VVD): (...) De minister heeft duidelijk begrepen dat voor mijn fractie de kwestie van het kantongerecht in plaats van de rechtbank een moeilijk punt is. Volgens  de wet die op 1 mei 2007 in werking is getreden komt de gezagsbeslissing van artikel 253c, lid 1, niet toe aan het kantongerecht, maar aan de rechtbank. Dat staat gewoon in de wet. Bovendien is het een zeer recente wet, want hij is pas op 1 mei 2007 in werking getreden. Kortom, die gezagsbeslissingen zijn dus geen kantonzaken, maar rechtbankzaken. Nu zegt de minister dat er inmiddels een wetswijziging ligt van artikel 253c, lid 1, bij de Tweede Kamer die geïncorporeerd is in een ander wetsvoorstel namelijk 31227. Totdat dat is aangenomen, zouden wij kunnen zeggen dat de kantonrechter de  bevoegde rechter is. Eerlijk gezegd kan ik dat niet helemaal bevatten. Er is een wet die zegt dat gezagsbeslissingen toekomen aan de rechtbank en de minister zegt: neem nu maar rustig een wet aan waarin staat dat het kantongerecht die heeft, want ik ga dat wel veranderen. Intussen moeten jullie maar even lezen dat het de kantonrechter is die die bevoegdheid heeft. Daar komen wij wel uit. Wij lossen dit dus op met de mogelijkheden die de minister heeft genoemd. De minister vraagt ons om gewoon met open ogen een wet aan te nemen die in strijd is met een recent aangenomen andere wet. Je kunt dit inderdaad bagatelliseren en zeggen dat het maar van procesrechtelijke aard is. Wat doet het er eigenlijk toe, wij passen er wel die mouw aan. Deze Kamer heeft echter de taak om wetten te beoordelen op rechtmatigheid, op uitvoerbaarheid en op handhaafbaarheid. Het gaat hier over de rechtmatigheid van deze wet, van artikel 253c, lid 1, van dit wetsartikel. Voor ons is de vraag of dit lid in strijd is met andere wetten of niet. Eerlijk gezegd kan mijn fractie daarop geen andere blik werpen dan dat er iets staat wat er eigenlijk niet kan staan. Het is niet een vergissing waarvan wij achteraf kunnen zeggen dat wij het niet hebben gezien.

(...)

Blz. 169

Minister Hirsch Ballin: (...) Alles afwegende, lijkt het mij niet zo bezwaarlijk om de inwerkingtreding van die wet, van de wet die is voortgekomen uit 30584 en van het wetsvoorstel dat wij vanavond behandelen, op te houden tot het moment dat de Tweede Kamer en uw Kamer het wetsvoorstel 31227 hebben afgehandeld. Dat leek ook de snelste weg tot correctie. Dat vergde geen apart wetsvoorstel, met een gang via de Raad van State, Tweede Kamer en Eerste Kamer, maar kon worden meegenomen in een nota van wijziging. Ik hoop dat de Tweede Kamer dit wetsvoorstel spoedig zal afhandelen. De Tweede Kamer zal morgen over de procedure beslissen. Gelet op de inhoud van dat wetsvoorstel, flexibilisering, heb ik er vertrouwen in dat ook de totstandkoming van dit wetsvoorstel geen langdurig proces hoeft te zijn. Dit in aanmerking genomen en alles afwegend, lijkt het mij het beste dat ik nu toezeg dat dit wetsvoorstel, indien wet geworden na aanneming in uw Kamer, gelijktijdig in werking zal treden met de wet die voortkomt uit 31227. Dat zal weer vooraf moeten gaan aan de inwerkingtreding van de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap, waarover ik zojuist sprak. Daar hoeft niet meer dan een dag tussen te liggen. Bij dezen doe ik dus de toezegging dat aan de inwerkingtredingsbepaling deze toepassing zal worden gegeven, dat deze wet pas in werking treedt op het moment dat ook de correctie via het wetsvoorstel 31227 in werking treedt. Daarmee is naar mijn inzicht de motie van mevrouw Broekers-Knol overbodig, omdat daarmee de interimsituatie wordt uitgesloten.


Brondocumenten


Historie

  • 20 maart 2009
    nieuwe status: voldaan
    Opmerking: De wet is op 28 februari 2009 inwerking getreden
    (Stb. 2009, 56).
  • 7 oktober 2008
    toezegging gedaan






Toezegging Kabinetsreactie rapport commissie-Brouwer-Korf (31.700) (T00934)

De minister-president zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Werner, toe dat in het voorjaar van 2009 een kabinetsreactie op het nog te verschijnen rapport van de commissie-Brouwer-Korf zal worden uitgebracht. Daarbij zullen de uitkomsten van de expertbijeenkomst gegevensbescherming van de Eerste Kamer worden betrokken.


Kerngegevens

Nummer T00934
Status voldaan
Datum toezegging 4 november 2008
Deadline 1 april 2009
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie (Hoofdverantwoordelijke)
Minister van Algemene Zaken
Kamerleden drs. F.J.M. Werner (CDA)
Commissie commissie voor Justitie (Just.)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koningin (BZK/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen bescherming van persoonsgegevens
Kamerstukken Miljoenennota 2009 (31.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2008-2009, nr. 6 - blz. 270-271

(...)

Werner: Zoekend naar criteria op basis waarvan in de wetgeving de balans tussen veiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer beoordeeld moet worden, heeft de vaste commissie van Justitie van deze Kamer dit voorjaar een expertbijeenkomst gehouden, waaraan ook Tweede Kamerleden deelnamen. Daar zijn vijf criteria voor beoordeling vastgesteld. 1. De noodzaak van de dataverzameling, daarbij inbegrepen effectiviteit en uitvoerbaarheid. 2. De proportionaliteit. Staat het doel in een redelijke verhouding tot de inspanning? 3. De privacy impact assistent. Is tijdens de voorbereiding van de wetgeving voldoende gekeken naar de mogelijke problemen die de wetgeving zal geven voor de privacybescherming? 4. De controlemogelijkheden, door onafhankelijke organen of rechtsbescherming, in een of andere vorm te bieden aan de burger. 5. Een horizonbepaling, zodat er na korte tijd eventueel een herzieningsmogelijkheid is. Deze criteria moeten waarborgen dat voldoende checks and balances in de wetgeving zijn ingebouwd, waardoor toestanden als de eerdergenoemde worden geminimaliseerd. Wil de regering haar visie geven op het kader dat tijdens de genoemde expertmeeting is geformuleerd? Is de regering bereid de Kamer een notitie te doen toekomen over zijn visie op de vraag in hoeverre inbreuken op grondrechten gerechtvaardigd zijn omwille van een grotere veiligheid of andere doelen? Welke criteria worden daarbij gehanteerd? Welke checks and balances waarborgen dat ongewenste bijeffecten in de toepassing van de instrumenten en bevoegdheden minimaal blijven? Wij stellen deze vragen om de hier en ook in mijn fractie steeds weer terugkerende discussie te beslechten en een goed beoordelingskader voor de wetgeving op dit punt te ontwikkelen.

(...)

Blz. 316

Minister Balkenende: Ook hier dient een balans te worden gevonden tussen de rechten van de burger en de behoefte om met moderne middelen de veiligheid te waarborgen. Het kabinet is zich bewust van dat spanningsveld. Het heeft de commissie-Brouwer-Korf gevraagd advies uit te brengen over de verhouding tussen veiligheid en de persoonlijke levenssfeer. Het rapport van de commissie wordt voor het eind van het jaar verwacht. De Tweede Kamer kan in het voorjaar van 2009 een reactie van het kabinet over dit belangrijke onderwerp tegemoet zien. De uitkomsten van de expertbijeenkomst van beide Kamers, waar de heer Werner naar verwijst, zullen zeker worden betrokken bij het formuleren van de beleidsconsequenties. Overigens is de commissie gevraagd de registratie van etniciteit bij criminaliteit in het advies te betrekken. In de reactie van het kabinet zal ook dit onderwerp aan de orde komen.


Brondocumenten


Historie

  • 23 maart 2010
    nieuwe status: voldaan
    Voortgang:
    Opmerking: De bewuste kabinetsreactie is op 3 november 2009 naar zowel de Eerste als de Tweede Kamer gestuurd (nr. 5625087/09). Deze toezegging kan derhalve als afgedaan worden beschouwd. (Inmiddels wordt gewerkt aan beantwoording van het verslag van het schriftelijk overleg).
    documenten:
  • 3 november 2009
    nieuwe status: deels voldaan
    Opmerking: Op 3 november 2009 is de gevraagde Kabinetsreactie aangeboden. Aangezien de commissie aanleiding heeft gezien er nader op door te vragen is de toezegging deels voldaan.
  • 29 september 2009
    nieuwe status: openstaand
    Voortgang:
    Opmerking: In het kabinetsstandpunt op het advies van de Adviescommissie veiligheid en de persoonlijke levenssfeer zullen de uitkomsten van de expertbijeenkomst worden betrokken. Dit kabinetsstandpunt zal de Eerste en Tweede Kamer uiterlijk dit najaar bereiken. Daarnaast wordt in een door het ministerie
    van Justitie voorgezeten ambtelijke werkgroep die een leidraad opstelt voor de afstemming van andere wetgeving op de Wet bescherming persoonsgegevens expliciet aandacht geschonken aan de vijf door de Kamer geformuleerde uitgangspunten.
  • 20 januari 2009
    Voortgang:
    documenten:
  • 4 november 2008
    toezegging gedaan