Behandeling Versnelling woningbouw en facilitering duurzame ontwikkeling



Verslag van de vergadering van 20 mei 2019 (2018/2019 nr. 29)

Aanvang: 17.02 uur

Status: gecorrigeerd


Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Crisis- en herstelwet in verband met het versnellen van woningbouw en het faciliteren van duurzame ontwikkeling, zoals het verduurzamen van het energiegebruik (35013).

De voorzitter:

Aan de orde is de behandeling van wetsvoorstel 35013, het wetsvoorstel Wijziging van de Crisis- en herstelwet in verband met het versnellen van woningbouw en het faciliteren van duurzame ontwikkeling, zoals het verduurzamen van het energiegebruik. Ik heet de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Aardema.


De heer Aardema (PVV):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Het huidige wetsvoorstel tot wijziging van de Crisis- en herstelwet heeft een tweeledig doel: het versnellen van de woningbouw en het faciliteren van duurzame ontwikkeling. Dat er op korte termijn veel en vooral betaalbare woningen bij komen, is ook een wens van onze fractie. Om te beginnen zou je moeten stoppen met het weggeven van woningen aan statushouders en het huidige voorrangsbeleid, maar dat gaat buiten dit onderwerp. Of je moet zorgen voor vlotte en adequate oplossingen voor de woningproblemen in het Groningse aardbevingsgebied, om maar iets te noemen.

Voorzitter. In het onderhavige voorstel gaat het vooral om de versnelling van het proces, waardoor je in kortere tijd meer woningen kunt gaan bouwen. Met de huidige druk op de woningbehoefte zou onze partij daar een heel eind in mee kunnen gaan. De Crisis- en herstelwet is echter een instrument om van bestaande wetgeving af te kunnen wijken. Het is een overgangswet naar de nieuwe Omgevingswet. Sommige noemen het ook "een transitiewet". Dan moet je oppassen: eerst bedenken we wetten en daarna een nieuwe wet om af te kunnen wijken van die regels. Dat geeft ons te denken. Wat zijn de gevolgen hiervan? Wat blijft er over van het zelfbeschikkingsrecht ten aanzien van een eigen woning of een nog te bouwen woning? We zien dat de bevoegdheid tot het nemen van projectbesluiten komt te liggen bij het college van B en W en wordt weggenomen bij de gemeenteraad. Hiermee kan een gemeentebestuur zelfstandig een nieuwbouwplan doordrukken, zelfs in afwijking van een bestaand bestemmingsplan. Onze fractie vindt dat die bevoegdheid toch echt bij de lokale volksvertegenwoordiging dient te blijven. Geen uitholling van de democratische legitimatie dus. Een amendement daartoe in de Tweede Kamer hebben wij toen gesteund, maar dat werd helaas verworpen. Voor de raad blijft dan alleen het afgeven van een verklaring van geen bedenking nog over. Doch die is nauwelijks te weigeren, want "in het belang van een goede ruimtelijke ordening" is een rekbaar begrip en dat is de enige voorwaarde. Ik lees in het wetsvoorstel zelfs dat het college van B en W straks categorieën kan aanwijzen waarin geen verklaring van geen bedenkingen van de raad meer vereist is. Kennelijk is de nood zo hoog dat je korte klappen moet kunnen maken en de gemeenteraad buitenspel moet kunnen zetten. Dat willen wij zeker niet. Ik vraag de minister nogmaals om uit te leggen waarom ze dat zo belangrijk vindt.

Dan nog iets over de tweede genoemde doelstelling, misschien wel de belangrijkste: het faciliteren van duurzame ontwikkeling. Je kunt ook zeggen: het aanjagen daarvan. Daar komt de nadruk dus op te liggen. Met de wijziging van deze wet wordt de energietransitie straks het kerncriterium, oftewel: het verplicht toepassen van peperdure klimaatmaatregelen bij het bouwen van woningen en woonwijken. Deelt de minister onze mening dat dit een prijsopdrijvend effect zal hebben en het eerder genoemde zelfbeschikkingsrecht over de eigen woning uitholt?

Tevens vraagt onze fractie zich af of de opgelegde peperdure maatregelen klimaateffect zullen opleveren. Het effect van 0,007ºC minder opwarming is totaal te verwaarlozen en natuurkundig gezien zelfs praktisch onmeetbaar. Het is wel zeker dat het veel extra geld gaat kosten. Zo valt bijvoorbeeld al in de stukken te lezen wat de financiële effecten zijn voor het tegenwoordig verplicht gasloos bouwen. Er komt een grotere druk te liggen op de infrastructuur van elektriciteit. Er staat ook onomwonden in dat dit wordt doorberekend in de tarieven van de netbeheerder. Dat betekent dus gewoon dat het allemaal verplicht veel duurder gaat worden; voor de burger welteverstaan.

Voorzitter, ik zal positief afsluiten. Onze fractie wil ook dat er meer en goede woningen worden gebouwd; tot zover gaan we mee. Maar de energietransitie er via deze wetswijziging doordrukken en de bouwers en vooral de potentiële huizenkopers daarmee op kosten jagen, vinden wij ongewenst en willen we niet. Naar de mening van onze fractie zou het veel beter zijn om het geld dat nu in de energietransitie wordt gestoken, in te zetten voor de bouw van nieuwe woningen. Woningen moeten vooral betaalbaar blijven. Wij zijn er door deze minister nog niet van overtuigd dat dit zo zal zijn. Bovendien heb ik eerder gewezen op het uithollen van het democratische proces bij de totstandkoming van de projectbesluiten. Daar zitten wat ons betreft ook nog wel bezwaren. Wellicht kan de minister dat ook meenemen in haar beantwoording.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Aardema. Ik druk nu op de stemmingsbel, want ik ga zo het woord geven aan mevrouw Gout-van Sinderen. Dit is haar maidenspeech. De stemmingsbel betekent dat iedereen wordt opgeroepen om aanwezig te zijn. Ik heb hem nu ingedrukt. Mevrouw Gout, u heeft het woord. U weet dat u tijdens uw maidenspeech niet geïnterrumpeerd mag worden. Dat moet toch een hoop zekerheid geven, zou ik menen.


Mevrouw Gout-van Sinderen (D66):

Mevrouw de voorzitter. Dank u voor het woord. Het is voor mij een eer om vandaag bij het scheiden van markt mijn maidenspeech te mogen houden over onderwerpen die mij na aan het hart liggen. Het versnellen van woningbouw en het faciliteren van duurzame ontwikkeling vormen de aanleiding voor de voorgestelde wijzigingen van de Crisis- en herstelwet.

Allereerst wil ik ingaan op de absolute noodzaak voor het versnellen van woningbouw. In de Staat van de Woningmarkt 2018 worden de feiten op een rij gezet. Om tegemoet te komen aan de groeiende vraag naar woningen moeten er tot 2025 75.000 woningen per jaar worden bijgebouwd. Dit resulteert in een bouwopgave van in totaal 450.000 woningen in de komende zes jaar. In 2030 zal het aantal huishoudens zijn gestegen tot 8,5 miljoen. Voor de provincies resulteert dat in de opgave om de huidige voorraad aan woningen te laten toenemen met ruim 700.000 woningen. Dus na 2025 en voor 2030 moeten er nog eens 250.000 woningen extra bij komen.

De bouwopgave is urgent en divers. Niet in alle provincies is er sprake van voldoende plancapaciteit. Zo staat de provincie Zuid-Holland voor de opgave om de plannen voor de periode na 2024 te vervolmaken voor de middellange en lange termijn. De verduurzaming van de gebouwde omgeving is een belangrijk onderdeel van de energietransitie. De mobiliteit die samengaat met de realisatie van de enorme bouwopgave waarvoor wij staan, is een vraagstuk dat geadresseerd moet worden in de plannen. Ook hier speelt de energietransitie een belangrijke rol.

Voorzitter, omdat het hier gaat om een voorstel tot wijziging van een wet wil ik de verschillende wijzigingsvoorstellen langslopen, maar niet dan nadat ik een opmerking heb gemaakt over de naam van de wet. De Crisis- en herstelwet heeft zijn naam te danken aan de economische crisis waarin ons land verkeerde ten tijde van de behandeling en aanname van de wet. Er werd gesproken over ernstige economische omstandigheden, over recessie en waar mogelijk het nemen van structuurversterkende maatregelen.

De economische crisis lijkt nu, tien jaar later, ver achter ons. We zijn inmiddels na een hoog groeitempo wel beland in een situatie van wat het Centraal Planbureau normale economische groei noemt; van 1,5 % van het bruto binnenlands product voor 2019. Zoals u weet, kijkt het Planbureau vooruit. Het CBS kwam deze week met een groeicijfer van 1,7% voor het eerste kwartaal ten opzichte van van vorig jaar.

Toch is de naam Crisis- en herstelwet nog steeds passend. Veel woningzoekenden in ons land ervaren zeker een gevoel van crisis als er na jaren op wachtlijsten te hebben gestaan in de huursector nog steeds geen passende huisvesting voorhanden is. Of starters die voor hun eerste koophuis voortdurend achter het net vissen, omdat er in grote delen van ons land onvoldoende aanbod is van betaalbare koopwoningen.

De onderhavige wijzigingen van de wet moeten bijdragen aan het herstel van dit ongewenste gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod. Crisis en herstel dus, maar dan anders.

Voorzitter, dan nu de voorgestelde wijzigingen.

Om te beginnen de uitbreiding van gebruiksmogelijkheden van het projectuitvoeringsbesluit. De wijzigingen moeten het gebruik van het projectuitvoeringsbesluit aantrekkelijker maken. Belangrijk is de voorgestelde verschuiving van de bevoegdheid van de raad naar het college van burgemeester en wethouders om een projectbesluit te nemen. Dit gebeurt nadat de raad een verklaring van geen bedenkingen afgeeft. Ook wordt de mogelijkheid geboden om een fasering in het projectuitvoeringsbesluit aan te brengen. Mijn vraag aan de minister betreft de combinatie van deze wijzigingen. Is het juist dat bij een fasering bij iedere fase de raad een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven alvorens het college van burgemeester en wethouders tot besluitvorming kan overgaan? Schuilt in de invoering van de mogelijkheid tot fasering niet het gevaar van vertraging in plaats van de beoogde versnelling?

Ten tweede de technische wijziging van artikel 2.3. In bepaalde gevallen kan het college afzien van het moeten verlenen van een verklaring van geen bedenkingen door de raad, daar waar deze in de reguliere procedure ook niet nodig was geweest. Mijn vraag aan de minister is of deze wijziging voor gemeenten die gebruik willen maken van de Crisis- en herstelwet eenduidig toe te passen is. Blijft de democratische controle door de gemeenteraad gewaarborgd?

Ten derde de versnelling van de aanwijzingsprocedure. In het wetsvoorstel wordt geregeld dat wanneer er een wens is om een nieuw gebied of project toe te voegen aan een bestaand experiment, dit per ministeriële regeling kan plaatsvinden in plaats van de gebruikelijke AMvB. Deze aanpassing levert volgens de memorie van toelichting een versnelling op van ten minste zeven maanden. De Afdeling advisering van de Raad van State is hier negatief over.

In de memorie van antwoord op de vraag van de D66-fractie over dit punt wordt onder meer door de regering gesteld dat het experiment de afwijking van wet- en regelgeving is en niet de toevoeging van het concrete project of het gebied aan de experimenteerregeling. Mijn vraag aan de minister is of overheden die voortvarend aan de slag willen met een experiment, over voldoende kennis en expertise beschikken om de juiste procedure te volgen. Op welke wijze gaat de voorlichting over de wijziging plaatsvinden?

Voorzitter, ik kom tot de laatste twee voorstellen tot wijziging.

De wijziging van de aanwijzingsprocedure. De oorspronkelijke eis van het moeten voldoen aan de cumulatieve criteria wordt aangepast. Waar moet nu aan worden voldaan? Een experiment moet een bijdrage leveren aan duurzaamheid, een bijdrage leveren aan innovatie en bijdragen aan de bestrijding van de economische crisis. Dat deze cumulatie van criteria wordt aangepast is een goede zaak, al is het maar om de eenvoudige reden dat we momenteel — ik zei het al — niet in een economische crisis zitten. De voorgestelde omschrijving dat een experiment moet voldoen aan duurzame ontwikkeling én een bijdrage levert aan economische structuurversterking, óf bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en innovatief is, wordt door de fractie van D66 van harte gesteund.

De urgentie van versnelling van de woningbouw is voor iedereen duidelijk. De combinatie met verduurzaming en de energietransitie maakt de opgave uitdagend, maar niet onmogelijk. Echter ook hier doet de vraag zich voor in hoeverre er voldoende kennis en expertise is op lokaal niveau. Is er voldoende kennis van de regelgeving om goed gebruik te kunnen maken van de nieuwe mogelijkheden voor gemeenten die willen deelnemen aan experimenten die onder de reikwijdte van de Crisis- en herstelwet vallen?

Ten slotte het voorstel tot verbreden van de reikwijdte van de Crisis- en herstelwet. Er worden meer wetten aan de Crisis- en herstelwet toegevoegd waarvan kan worden afgeweken. Dit is nog toekomstmuziek, omdat er uiteraard nog geen experimenten zijn aangevraagd waarop deze verbreding van toepassing is. Uiteraard zal hier de AMvB-procedure op van toepassing zijn.

Mevrouw de voorzitter, ik kom tot een afronding. De experimenten die de Crisis- en herstelwet mogelijk maakt, nu en straks, zijn een goede voorbereiding voor de nieuwe Omgevingswet. Mijn laatste vraag aan de minister is hoe zij denkt de lessen die uit deze oefening kunnen worden geleerd mee te nemen in de implementatie van de Omgevingswet. Met belangstelling wacht de fractie van D66 de reactie van de minister af op onze vragen en opmerkingen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Gout. Wilt u nog even blijven staan?

Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. Voor zover ik heb kunnen nagaan, maken we heel zelden, misschien zelfs wel nooit, mee dat twee weken voor de laatste vergadering van een zittingsperiode nog een maidenspeech plaatsvindt. Het heeft er alles mee te maken dat u pas onlangs, op 12 maart 2019, lid bent geworden van deze Kamer.

Staat u mij toe om iets van uw achtergrond te schetsen. U studeerde algemene economie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Tijdens uw werkzame periode, enkele jaren later, volgde u in Parijs de opleiding cycle spécial étranger aan de École Nationale d'Administration, de ENA. Die ENA wordt momenteel bedreigd met sluiting door de Franse president Macron, maar dat even terzijde.

Uw maatschappelijke carrière staat, gezien die laatste opleiding niet geheel verrassend, in het teken van de publieke sector. Zo was u tussen 1980 en 2011 verbonden aan meerdere departementen: Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat en Defensie. In die periode bent u ook enkele jaren directeur en locogriffier van de provincie Zuid-Holland geweest. Van 2011 tot 2014 was u voorzitter van de raad van bestuur van ProRail. Sinds 2015 bent u algemeen directeur Medisch Specialisten Noord West. Daarnaast bent u voorzitter van de raad van toezicht van Pensioenfonds Vliegend Personeel KLM — dat vind ik altijd zo spannend: vliegend personeel — voorzitter van de raad van toezicht van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde en bestuursvoorzitter van Cultuurpodium Boerderij Zoetermeer. Die laatste functie komt voort uit uw voorliefde voor het bezoeken van popconcerten, omdat — in uw woorden — "je dan voor een moment uit je normale leven vol verplichtingen stapt". U knikt, dus het klopt.

Voor D66 was u eerder lid van de commissie internationale zaken en voorzitter van de afdeling Wassenaar. In maart 2018 bent u gekozen als lid van de gemeenteraad in Wassenaar en sinds maart 2019 bent u, zoals ik reeds vermeldde, lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Nogmaals van harte welkom. Ik schors de vergadering om de collegae de gelegenheid te geven u geluk te wensen met uw maidenspeech, maar niet dan nadat ik dat als eerste heb gedaan.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.


De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Flierman.


De heer Flierman (CDA):

Voorzitter, dank u wel. Van een maidenspeech — ik feliciteer mevrouw Gout-van Sinderen daarmee van harte — gaan we naar een valedictory lecture, want dit wordt met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mijn laatste mondelinge inbreng in een debat in dit huis. Het is in zekere zin een speling van de geschiedenis dat een van de eerste onderwerpen waarmee ik in 2009, toen ik lid van deze Kamer werd, in mijn fractie werd geconfronteerd, de Crisis- en herstelwet was, destijds bedoeld om projecten in de sfeer van bouw en infrastructuur te versnellen, om daarmee de acute werkloosheid in belangrijke sectoren van de economie te bestrijden. Tien jaar later spreken we opnieuw over deze wet, maar nu over een aanpassing om verduurzaming en woningbouw, thans acute maatschappelijke opgaven, te bevorderen.

En dat niet alleen. We debatteren vandaag over de Crisis- en herstelwet en leveren dezer dagen ook nog inbreng voor de behandeling van de invoeringswet van de Omgevingswet. Dat is voor mij na tien jaar Eerste Kamer toch een beetje een eindscriptie en een afstudeerpraatje op één dag, al heb ik begrepen dat sommige collega's pogen voor het inleveren van het eindwerkstuk uitstel te bedingen. Ook in dat opzicht is er niet zo veel nieuws onder de zon. Tot zover een enkele reflectie.

Nu de Crisis- en Herstelwet. Ik spreek in deze bijdrage mede namens de ChristenUnie. Het bestrijden van de economische crisis is gelukkig niet meer aan de orde. Het gaat nu om verduurzaming, energietransitie en versnelling van de woningbouwopgave. Op zich zijn dat doelen — ik gaf het al aan — waar onze fracties achter staan. In die zin hebben we ook geen overwegende bezwaren tegen de wet. Een paar vragen zijn er nog wel.

Er is om te beginnen een verband tussen de voorliggende wet en de Omgevingswet. De Crisis- en herstelwet vervalt bij invoering van de Omgevingswet. Een aantal planvormen en rechtsfiguren uit de Omgevingswet is op grond van de Crisis- en herstelwet al mogelijk. Ik vraag de minister: klopt dat?

Experimenten die met de wijziging van de Crisis- en herstelwet mogelijk worden, krijgen een plek in de Omgevingswet. De regering zegt dat ze hoopt dat er geleerd wordt van deze ervaringen. Nu zijn regeringen en overheden in het algemeen niet zo heel sterk in het snel oppakken van lessen, al was het maar omdat dit een zekere erkenning inhoudt dat het in het verleden wellicht beter of anders had gemoeten. In dat opzicht ben ik dan ook heel benieuwd naar wat er is geleerd van de ervaringen met de Crisis- en herstelwet en hoe die zijn vertaald, of nog vertaald gaan worden, in de Omgevingswet en alles wat daarmee samenhangt. We horen graag een reflectie van de minister daarop.

Voorzitter. Opmerkelijk is dat de regering, sprekend over experimenten, wat cryptisch doet over de controlegroep. Het zou natuurlijk mooi zijn als er, naast projecten of gebieden die onder de werking van de experimenten vallen, een aantal vergelijkbare situaties zouden zijn waarin volgens het huidige, oude RO-recht wordt gewerkt. Dan is er een echte controlegroep, en kun je ervaringen vergelijken en conclusies trekken. Maar is er nu wel of geen controlegroep? En wordt er ook op een wetenschappelijke manier naar experimenten gekeken?

Uit de antwoorden op vragen van mijn fractie in het verslag wordt dat niet duidelijk. In de opeenvolgende zinnen op pagina 3 van de memorie van antwoord wordt eerst gezegd dat er een controlegroep is, maar vervolgens dat er niet expliciet mee wordt gewerkt. Wat heb je er dan aan, zou ik denken. Daarna wordt gezegd dat alle niet-deelnemende gemeenten als de controlegroep gezien kunnen worden. Daar wordt het niet duidelijker van. Is er nou wel of niet een extra controlegroep?

En wordt systematisch vergeleken wat de voor- en nadelen, successen of mislukkingen van de oude en de nieuwe werkwijze zijn? Als we dat niet doen, wat ik vrees, lijkt het er een beetje op dat het woord "experiment" een verhullende term is voor de mogelijkheid om projecten versneld te realiseren, voorbijgaand aan een aantal inspraak-, bezwaar- of beroepsmogelijkheden. Ik vermoed dat bijvoorbeeld rondom de windmolens in Oost-Drenthe en Oost-Groningen dat laatste gevoel bij de bevolking prevaleert.

Het is temeer van betekenis om hier nader over te horen omdat bijvoorbeeld participatie staat of valt met de manier waarop dat gebeurt. Participatie is een heel belangrijk thema uit de Omgevingswet. Zie de opmerkingen in het vandaag of morgen in te dienen verslag. Heel algemene, open of ook wel laisser-faire participatie klinkt mooi, maar levert in het algemeen weinig op, hebben we inmiddels wel begrepen.

Kortom, juist het experimentele karakter van de Crisis- en herstelwet, inclusief de nu voorgestelde wetswijziging, zou goede mogelijkheden kunnen bieden om belangrijke lessen te leren voor de komende Omgevingswet. Maar dan moet je de experimenten wel als zodanig zien, met alle daaraan verbonden voorwaarden, en niet als een dekmantel om projecten sneller te realiseren. We horen hier graag een reactie van de minister op. En voor zover experimenten nog niet echt als experiment worden beschouwd, is de minister bereid dat alsnog te doen, systematisch onderzoek te laten verrichten, en de lessen expliciet in de besluitvorming en invoering van de Omgevingswet mee te nemen?

Met dit voorstel wordt het mogelijk om bij ministeriële regeling projecten of gebieden toe te voegen aan al bestaande experimenten. Er komt dan geen nieuw experiment, maar een al lopend experiment wordt op een andere plek herhaald. Vanuit wetenschappelijk perspectief altijd interessant. Reden te meer overigens om de hiervoor bepleite evaluatie serieus op te pakken, maar dat terzijde. Het gaat in dit geval dus niet om nieuwe vormen van experimenten, want die worden nog altijd via een algemene maatregel van bestuur aan het parlement voorgelegd. Het gaat over de democratische controle bij de uitbreiding van lopende experimenten met nieuwe projecten of gebieden. Daar is de regering niet zo duidelijk over en onze fracties zouden daar toch wel graag wat meer van willen weten. Er geldt bij deze toevoegingen geen plicht tot voorpublicatie van de ministeriële regeling, maar omdat, zo zegt de regering, voor deelname aan een experiment — ik citeer — "veelal nog een besluit van een decentrale overheid nodig is, en daartegen een inspraakreactie, zienswijzen of bezwaar kan worden ingediend, is betrokkenheid van burgers en andere belanghebbenden geborgd bij het concrete besluit".

Dat vinden we mager, in twee opzichten. In de eerste plaats is daarmee dus het besluit om een project aan een lopend experiment toe te voegen, niet expliciet onderhevig aan goedkeuring of een andere vorm van bespreking in een gekozen vertegenwoordiging. En in de tweede plaats vinden we dat woordje "veelal" niet prettig, want dat betekent dus niet "altijd". Op dit punt zouden wij graag zien dat de procedure wordt aangescherpt, bijvoorbeeld zo dat toevoeging aan een experiment altijd expliciet ter goedkeuring aan de betrokken gemeenteraad of Statenvergadering wordt voorgelegd, die daarbij ook kan aangeven hoe ze bij het concrete besluit wil worden betrokken. De minister kan dit dan bijvoorbeeld via een beleidsregel als een criterium bij de beoordeling van haar instemming met de toevoeging aan het experiment betrekken. Graag hoor ik welke mogelijkheden de minister hiervoor ziet.

Tot slot de versnelling van woningprojecten. Onze collega's in de Tweede Kamer hebben bij amendement de ondergrens voor het aantal woningen dat betrokken moet zijn, wil zo'n deelname aan het experiment mogelijk zijn, nog verlaagd naar zes woningen. Dat is een goede zaak; voorspoedige realisatie van kleine woningbouwprojecten komt de leefbaarheid in de landelijke delen van ons land zeker ten goede. Daarover hebben we dus geen vragen. Maar de realisatie van dergelijke projecten zou er in veel gevallen ook bij gebaat zijn als een plaatselijke woningbouwcorporatie daaraan zou kunnen bijdragen, niet alleen door sociale huurwoningen te realiseren — dat mag ze — maar soms ook door net een kleine stap extra te zetten waardoor het project als geheel beter kan worden, of een grotere slagingskans heeft. En dan lopen corporaties nog wel eens op tegen de wel heel strenge regels die in dat veld tegenwoordig gelden.

Nu de minister met wie wij vandaag debatteren ook over de woningcorporaties gaat, kan ik de verleiding niet weerstaan om enigszins buiten de orde van het voorliggend wetsvoorstel de minister te vragen of de tijd niet rijp is om eens na te gaan of we, met behoud van de eisen om zorgvuldig met middelen in de sfeer van de sociale woningbouw om te gaan, enkele knellende regels op dit vlak zouden kunnen schrappen — schrapsessies zijn tegenwoordig populair onder bewindslieden, geloof ik — om daarmee projecten die de leefbaarheid in kleinere kernen zeker ten goede komen, beter mogelijk te maken.

Voorzitter, met deze opmerking buiten het kader van de wet, die u mij hopelijk wilt vergeven als ik u zeg dat ik het nooit meer zal doen, rond ik mijn bijdrage af en wachten wij met belangstelling op de reactie van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Flierman. Ik heb begrepen dat de heer Binnema nog vastzit in een file. Dus ik wacht even met hem het woord te geven. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Klip.


Mevrouw Klip-Martin (VVD):

Mevrouw de voorzitter, dank u wel. De leden van de VVD-fractie zijn al vanaf 2009 een voorstander van de doelstellingen en de voor het behalen daarvan opgenomen juridische mogelijkheden in de Crisis- en herstelwet en de daaropvolgende wijzigingen en aanvullingen van deze wet. Steeds met als doel de trage en ingewikkelde besluitvorming bij infrastructurele en andere grote bouwprojecten en bij projecten op het gebied van duurzaamheid, energie en innovatie te versnellen. Oorspronkelijk bedoeld als tijdelijke wetgeving om de economische en financiële crisisjaren te overbruggen, heeft deze wetgeving met steeds nieuwe aanvullingen ook de laatste jaren haar nut meer dan bewezen. "Bestrijding van de crisis" wordt nu "bijdragen aan economische structuurversterking", met de nadruk op duurzame ontwikkeling en innovatie.

Mevrouw de voorzitter. De economie trekt sterk aan en de ontwikkelingen gaan snel. De huidige wettelijke regels zijn nog onvoldoende gericht op duurzame ontwikkeling, regionale verschillen, maatwerk in concrete gebieden en projecten, participatie, en vroegtijdige betrokkenheid van belanghebbenden. De Omgevingswet gaat hierin voorzien. Het voorliggende wetsvoorstel geeft vooruitlopend daarop alvast een paar extra mogelijkheden op die terreinen, ons inziens vanzelfsprekend met behoud van de rechtsbescherming van burgers en bedrijven. Deze tijdelijke wetgeving heeft dus steeds meer een permanente plaats gekregen in het bestuurs- en omgevingsrecht.

De Crisis- en herstelwet, en velen voor mij zeiden dat ook, wordt daarnaast nu ook gezien en toegepast als transitiewet op weg naar de nieuwe Omgevingswet. De wet zal daar ook in opgaan, volgens de huidige planning op 1 januari 2021. Zo kunnen overheden en met name gemeenten nog beter alvast gereglementeerd experimenteren. De leden van de VVD-fractie ondersteunen deze opzet en daarmee ook de bij dit wetswijzigingsvoorstel voorgelegde punten van aanpassing. Namens de leden van mijn fractie sta ik kort stil bij twee punten die wat meer discussie hebben opgeleverd.

Met als doel de aanwijzingsprocedure te versnellen, kunnen nieuwe gebieden en projecten nu aan bestaande experimenten worden toegevoegd op basis van een ministeriële regeling in plaats van bij AMvB. Het gaat hierbij om gebieden waarin sowieso al geëxperimenteerd mag worden in het kader van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. De bestaande experimenten zijn wél bij AMvB vastgesteld. Deze bestaande experimenten hebben het normale proces van voorpublicatie, voorhang en advies van de Afdeling advisering van de Raad van State doorlopen. Op AMvB-niveau is al vastgelegd van welke onderdelen van de Wro, de Wabo, de Wet milieubeheer et cetera kan worden afgeweken bij de uitvoering van het betreffende experiment. In dit proces kunnen dus ten volle nut en noodzaak van de afwijking van wet- en regelgeving en het voldoen aan de noodzakelijke criteria worden gewogen. Bij de ministeriële regeling wordt getoetst of een aan te wijzen project of gebied past binnen het kader en de doelstelling van het al bestaande experiment. Dat levert een versnelling op van zeker zeven maanden. Dat is zeker voor woningbouwprojecten goed nieuws.

Deze noodzaak wordt bevestigd door het op 13 mei jongstleden verschenen onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouw. Dit concludeert dat er onvoldoende bouwplannen zijn om het tekort op de woningmarkt terug te dringen — we lezen dat natuurlijk bijna dagelijks. De leden van de VVD-fractie steunen de regering op dit punt en zijn dus niet bevreesd voor uitwassen van welke aard dan ook. Op basis van een aangenomen amendement is aan de lijst van criteria van projecten om in aanmerking te komen voor deze mogelijkheid, het criterium van het voldoen aan de structuurvisie of het bestemmingsplan toegevoegd. Ook de rol van de gemeenteraad is geborgd, omdat die bij een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kan besluiten om wel of geen verklaring van geen bedenkingen af te geven.

Dan het tweede punt waar ik graag kort bij stilsta. Een besluit in het kader van de Wet natuurbescherming hoeft nu geen apart besluitvormingstraject meer te doorlopen en wordt opgenomen in het projectuitvoeringsbesluit. De provincie blijft betrokken door het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen. De VVD is ook met deze versnellingsmogelijkheid tevreden.

Mevrouw de voorzitter, afrondend. De leden van de VVD-fractie achten het voorliggende wetsvoorstel rechtmatig, uitvoerbaar, handhaafbaar en — niet onbelangrijk — doelmatig. Deze leden zijn benieuwd naar de reactie van de regering in het debat. Er moeten zich wel hele dramatische ontwikkelingen voordoen, wil de VVD geen steun geven aan dit wetsvoorstel.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Klip. Ik geef het woord aan mevrouw Teunissen.


Mevrouw Teunissen (PvdD):

Voorzitter, dank u wel. Voor ons ligt een wijzigingsvoorstel voor een wet die de Partij voor de Dieren eerder wel heeft geduid als: de Crisis- en versnelwet. Met de Crisis- en herstelwet mocht ten tijde van de financiële crisis worden afgeweken van bestaande nationale wetgeving, met name milieuwetgeving, om economische groei aan te jagen. Ook werden bestuurlijke procedures uitgekleed, zodat plannen sneller konden worden doorgevoerd. De belangen van natuur en milieu, die toch al schaars in de nationale wetgeving geborgd zijn, en de democratische controle werden daardoor verder ondergeschikt gemaakt aan het economische belang. Tijdelijk, weliswaar. Helaas bleek ook de belofte van de tijdelijkheid geen stand te houden, want in 2014 werd de crisis permanent gemaakt door deze wet permanent te maken. Dankzij deze wet won bijvoorbeeld na 63 jaar het asfalt het van de natuurbelangen en de gezondheid van omwonenden in het conflict over het stuk A4 dwars door de natuur in Midden-Delfland.

Voorzitter. Nu ligt er een voorstel dat nog meer afwijking van democratisch tot stand gekomen wetten en nog meer versnelling van bestuurlijke procedures mogelijk maakt, deze keer specifiek om de woningbouw en de duurzame ontwikkelingen aan te jagen. Het wetsvoorstel bevat een aantal drastische aanpassingen. Zo worden de gebruiksmogelijkheden van het projectuitvoeringsbesluit uitgebreid. Zo'n besluit kan gaan om een project van 12 tot 2.000 woningen. Dit besluit vervangt allerlei verschillende toestemmingen, zoals bouwvergunningen, maar bijvoorbeeld ook kapvergunningen die anders vereist zouden zijn geweest. Met dit instrument kan de procedure voor vergunningverlening met een jaar worden bekort, omdat er sprake is van beroep in één instantie. Ook verschuift de bevoegdheid tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit van de gemeenteraad naar het college van burgemeester en wethouders. De gemeenteraad wordt verder buitenspel gezet. Het voorstel regelt verder dat het toevoegen van nieuwe gebieden of projecten aan bestaande experimenten voortaan bij ministeriële regeling in plaats van bij algemene maatregel van bestuur kan plaatsvinden. Ook verruimt het toelatingscriteria voor nieuwe afwijkingen van wetgeving en kan van meer wetten dan voorheen worden afgeweken.

Voorzitter. De bezwaren van de Partij voor de Dieren tegen de manier waarop het omgevingsrecht wordt ingericht, stapelen zich op. Alom is er sprake van een steeds verder gaande economisering van onze leefomgeving. Ecologische waarden zoals soortenrijkdom, bomen en schone lucht, worden niet meer gewaardeerd op zichzelf. Zij delven het onderspit en hebben geen stem, waardoor de kwaliteit van het leven op aarde ook in Nederland achteruit holt. De wijziging van de Crisis- en herstelwet toont een eenzijdige en kortzichtige beleidsvisie met schadelijke gevolgen. Zoals Albert Goudberg opmerkte: "De aarde is ongeveer in al zijn voegen aan het kraken door onze voortreffelijke productieprocessen, en dan toch dat onafgebroken, kortzichtige verheerlijken van en snoeven over economische groei. Wordt u daar ook zo ziek van?"

Voorzitter. Ik zal me verder beperken tot enkele concrete bezwaren van mijn fractie tegen het voorliggende wetsvoorstel. Ons grootste bezwaar is dat de nadelige effecten van alle afwijkingen en procedurele versnellingen op het milieu niet of nauwelijks zijn onderzocht. Luchthavens, stukken snelweg dwars door natuurgebieden, grootschalige woningbouw naast bedrijvigheid, mestvergisters vlakbij woningen: de lijst van experimenten en projecten is zeer verontrustend. Het wordt allemaal makkelijker en sneller gerealiseerd met de Crisis- en herstelwet, met meer geluidshinder, meer stank, meer ongezonde lucht en meer CO2-uitstoot tot gevolg. Om economische groei aan te jagen, worden andere belangen op achterstand gezet.

De regering heeft tot nu toe op geen enkele wijze laten onderzoeken wat de effecten van de huidige Crisis- en herstelwet en van de projecten die onder dit regime zijn uitgevoerd, op het milieu zijn. Er is louter gekeken naar de juridische consequenties van deze wet. Het effect van nog meer verruiming laat zich raden. Nu nog meer afwijkingsmogelijkheden worden voorgesteld, is het verbijsterend dat er geen onafhankelijke analyse is gedaan naar de gevolgen voor — wat de minister noemt — de fysieke leefomgeving. Niet eens een quickscan! Mijn vraag aan de minister luidt: hebben wij onderzoeken over het hoofd gezien? Welke rol ziet de minister voor zichzelf in het beschermen van die fysieke leefomgeving? Hoe pakt zij deze taak op? Is zij met de Partij voor de Dieren van mening dat de gevolgen voor het milieu van deze drastische wijzigingen in de Crisiswet op z'n minst geëvalueerd moeten worden? Graag een reactie.

Specifiek maakt de Partij voor de Dieren zich zorgen over het al dan niet uitvoeren van een milieueffectrapportage in het projectuitvoeringsbesluit. De Commissie voor de m.e.r. wijst er terecht op dat het voor de praktijk onduidelijk is of een projectuitvoeringsbesluit rapportageplichtig of beoordelingsplichtig is. Dit kan betekenen dat ten onrechte geen milieueffectrapportage wordt gedaan bij projecten die toch aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Denk aan extra verkeer, stikstofemissie of geluidsoverlast. Hoe gaat de minister voorkomen dat er geen milieutoets wordt gedaan bij projecten die wel schadelijk zijn voor het milieu?

Voorzitter. De derde zorg van mijn fractie gaat uit naar de verruiming van criteria waar een afwijking van wet- en regelgeving moet voldoen, de wijziging van de aanwijzingsprocedure. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat nieuwe experimenten kunnen worden aangewezen wanneer het experiment bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling, een bijdrage levert aan de economische structuurversterking of bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling en innovatief is. Specifiek vragen wij ons af hoe het begrip "duurzame ontwikkeling" wordt ingevuld. De commissie-Brundtland definieerde het begrip "duurzame ontwikkeling" als het voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheid in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Deze omschrijving van duurzame ontwikkeling is sindsdien wereldwijd aanvaard. De regering sluit in dit wetsvoorstel aan bij deze definitie en zegt verder in de memorie van toelichting dat duurzame ontwikkeling onder meer gaat over een schoon milieu en een duurzame energievoorziening, maar ook over het concurrentievermogen van onze economie, werkgelegenheid en het financiële systeem, in zowel Nederland als elders in de wereld.

Voorzitter. Ik mis de ecologische aspecten in deze toelichting. De regering wekt de indruk dat natuur geen waarde in zichzelf heeft. Interessanter is nog hoe het begrip "duurzaamheid" onder de Crisis- en herstelwet tot nu toe gestalte krijgt. Dat kunnen we zien in de voortgangsrapportage 2016-2017. Veel hangt af van de invulling van het begrip "duurzaamheid" in de uitvoeringspraktijk. Zo is een van de duurzame projecten die in die voortgangsrapportage staan, een nieuwe randweg die ervoor moet zorgen dat het centrum van de gemeente Heeze-Leende minder auto's hoeft te verwerken. Dat klinkt mooi, maar voor de extra weg zijn 35 volwassen eiken gekapt en naar mag worden aangenomen, neemt de stikstofdepositie in de naastgelegen Natura 2000-gebieden toe. Er is sprake van meer asfalt en bomenkap. Dit is dus wat er mogelijk wordt gemaakt onder de Crisis- en herstelwet onder het mom van duurzaamheid.

Voorzitter. Kan de minister helder aangeven hoe zij zelf aankijkt tegen het begrip duurzame ontwikkeling, zoals het nu wordt gehanteerd in het wetsvoorstel? Beoordeelt zij de aanleg van biomassacentrales en mestvergisters, die mogelijk worden gemaakt in de projectcategorielijst, bijlage 1 van de Crisis- en herstelwet, ook als duurzame ontwikkeling? Uit een geheimgehouden rapport van het OM uit 2016 blijkt dat in deze sector juist sprake is van grootschalige milieu- en subsidiefraude, zonder dat ingegrepen wordt, terwijl de situatie volgens het OM nog steeds onverminderd zorgelijk is. Waarom moest dat rapport vertrouwelijk blijven? Is het kabinet bereid dat met de Kamer te delen?

Voorzitter. Het is duidelijk dat ontwikkelaars de term "duurzaamheid" een geheel eigen betekenis hebben gegeven. Op geen enkele wijze worden de doelstellingen uit het akkoord van Parijs bijvoorbeeld gekoppeld aan de nieuwe criteria voor projecten. De vraag is dus zeer of dit wetsvoorstel wel bijdraagt aan duurzame ontwikkeling als we specifiek kijken naar de CO2-uitstoot. Die zou net zo goed kunnen toenemen door toenemende woningbouw. Mijn fractie mist een helder kader in het wetsvoorstel dat ervoor zorgt dat het begrip "duurzame ontwikkeling" geen holle frase wordt. Hoe gaat de minister voorkomen dat dit wetsvoorstel projecten faciliteert die in strijd zijn met internationale afspraken? Ik doel hier op het klimaatakkoord.

Nieuwe gebieden of concrete projecten kunnen voortaan bij ministeriële regeling worden toegevoegd aan eerder bij AMvB geregelde experimenten. Ook over de aanwijzing van ontwikkelingsgebieden en lokale en bovenregionale projecten van nationale betekenis wil het kabinet voortaan bij ministeriële regeling kunnen besluiten. Dit betekent dat de democratische legitimatie en de rechtszekerheid van andere groepen dan projectontwikkelaars eerder verder achteruitgaat.

Voorzitter. Ook de Raad van State heeft dit in zijn advies scherp ontraden. Toetsing zou moeten gebeuren op AMvB-niveau, ook als het gaat om het toevoegen van nieuwe experimenten aan bestaande experimenten. Mijn vraag is waarom wegen de kwalitatieve afwegingen die de Raad van State maakt, voor de minister minder zwaar dan het tijdsargument? Graag een reactie.

Voorzitter. Bij zo'n ingrijpend wetsvoorstel over de fysieke leefomgeving zou een consultatieronde voor burgers, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden geen overbodige luxe zijn en zou zorgvuldigheid voor snelheid moeten gaan. Kan de minister beargumenteren waarom zij niet heeft gekozen voor een consultatieronde?

Voorzitter, ik kijk uit naar de beantwoording door de minister. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Teunissen. Ik zie dat inmiddels de heer Binnema weer binnen is gekomen. Ik geef hem graag het woord.


De heer Binnema (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst excuus voor mijn verlate binnenkomst. Het voordeel van de livestream is overigens wel dat ik een groot deel van de bijdragen tot nu toe onderweg heb kunnen horen. Daaronder ook de maidenspeech van mevrouw Gout-Van Sinderen, waarmee ik haar van harte feliciteer.

De wet die we hier vandaag bespreken, is de afgelopen jaren wat ons betreft regelmatig van kleur en van karakter veranderd. De termen "crisis" en "herstel" herinneren nog altijd aan de financiële en economische crisis die in 2009 de aanleiding was voor het toenmalige kabinet-Balkenende om met deze wet te komen. De heer Flierman verwees er ook naar. Grote ruimtelijke en infrastructurele projecten moesten versneld worden om de weg naar economisch herstel in te slaan. Met de kennis van nu kunnen we vaststellen dat de bijdrage van die wet beperkt was, omdat de oorzaak van de crisis veel dieper en fundamenteler was dan ingewikkelde of langdurige procedures, wat overigens ook al door toenmalig minister Schultz werd erkend, toen in maart 2013 in dit huis het debat was over het permanent maken van de Crisis- en herstelwet.

Dat debat zes jaar geleden ging over de noodzaak om een wet die als tijdelijk was bedoeld — volgens de voorstanders was de wet nodig om tijdelijk af te wijken van wet- en regelgeving om de crisis het hoofd te bieden — alsnog een permanent karakter te geven. Waar destijds in 2013 nog wel gesteld kon worden dat Nederland nog bezig was economisch op te krabbelen, is dat argument in 2019 veel minder van toepassing.

De fractie van GroenLinks realiseert zich dat, zij het tegen onze wens in, die wet permanent gemaakt is en dat het niet veel zin heeft dat vandaag nog ter discussie te stellen. Wat wij wel ter discussie willen stellen, is de wederom nieuwe argumentatie die onder de wijziging ligt die we vandaag bespreken. Een wet waarin afwijken steeds meer de norm is geworden in plaats van de uitzondering.

Het eerste type argument legt de nadruk op de Crisis- en herstelwet als een oefening met en een voorbereiding op de Omgevingswet. Een argument dat ook in 2013 al speelde, toen overigens in de verwachting dat die Omgevingswet er in januari 2017 zou zijn.

Het tweede type argument gaat uit van de verschuiving van de focus op economisch herstel naar duurzame ontwikkeling en het aanjagen van de woningbouw. Bij de wijziging van vandaag betekent dat het toevoegen van nog meer wetten waarvan kan worden afgeweken en de verruiming van experimenteermogelijkheden. Wat betreft de kansen voor gemeenten om alvast kennis te maken met de instrumenten en mogelijkheden van de omgevingswet: er zijn uiteraard veel andere vormen, zoals pilots en proefprojecten denkbaar om te oefenen. Het inzetten van de Crisis- en herstelwet blijft wat gezocht overkomen.

Anderzijds is er, onder de aanname dat de Omgevingswet in werking treedt in 2021 en in een aantal opzichten een vervolg gaat zijn op wat er in de Crisis- en herstelwet gebeurt, weinig op tegen dat overheden vast gaan oefenen en zich goed voorbereiden.

De zwaarwegende bezwaren van mijn fractie zitten dan ook meer in de tweede karakterverandering van de Crisis-en herstelwet: de verschuiving van doelen en de sluipende toename van het aantal wetten waarvan kan worden afgeweken en de verminderde grip van zowel belanghebbenden als de volksvertegenwoordiging op de experimenten, gebieden en projecten.

Er wordt in de memorie van toelichting gewezen op het belang van de bouw van meer woningen. Is de minister het met ons eens dat er veel meer factoren zijn dan regels en procedures — het klinkt een beetje in de schriftelijke beantwoording door — die ervoor zorgen dat woningbouwprojecten niet, moeizaam of laat tot stand komen?

Ten tweede: op basis van welk onderzoek of welke evaluatie is de minister van mening dat de voorgestelde wijzigingen van de Crisis- en herstelwet daadwerkelijk tot meer en sneller bouwen gaan leiden? We lezen steeds dezelfde voorbeelden: Soesterberg-Noord, de Binckhorst en tot voor kort het Hembrugterrein in Zaanstad, dat inmiddels weer van het lijstje af kan. Zoals de heer Flierman zei: van een meer systematische evaluatie lijkt geen sprake te zijn, zeker omdat de meerderheid van de gemeenten geen gebruik maakt van de mogelijkheden van de Crisis- en herstelwet. Zou hier toch inderdaad een prima basis voor een vergelijking liggen?

Als nieuw centraal element wordt het begrip duurzame ontwikkeling geïntroduceerd, in combinatie met innovatie of economische structuurversterking. Mevrouw Teunissen verwees er ook al naar. Op papier klinkt de verbinding die er gelegd wordt met de Brundtlanddefinitie op zich niet verkeerd: een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van huidige generaties, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien, in gevaar te brengen. Maar hoe pakt dat uit in de praktijk? Niet alleen is zo'n definitie, inmiddels ook alweer meer dan 30 jaar oud, erg algemeen, maar bovendien is er in de huidige wet al een groot aantal experimenten opgenomen waarbinnen nieuwe projecten straks een plek kunnen krijgen zonder dat die aan het aspect van duurzame ontwikkeling expliciet getoetst zijn. Graag een reactie van de minister.

Dan de verruiming van de mogelijkheden voor experimenteren. De regering erkent dat in de huidige Crisis- en herstelwet, in de onderliggende uitvoeringsregels en ook in de voortgangsrapportages het onderscheid tussen experimenten, projecten of gebieden niet altijd zo duidelijk is gemaakt. Eigenlijk geldt dat wat ons betreft ook nog steeds voor dit wetsvoorstel en ook voor de negentiende tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, al was het maar omdat het begrip "experiment" op veel verschillende typen afwijking van toepassing is en aan verschillende doelen is gekoppeld. Enerzijds zien we een redelijk algemeen experiment: het bestemmingsplan-plus, een bestemmingsplan met een brede reikwijdte. Anderzijds zien we hele concrete experimenten, gekoppeld aan afval, aan geur of aan milieuprestaties. Er zijn experimenten die over het land of over verschillende provincies verspreid zijn en experimenten die aan één specifiek gebied zijn gekoppeld. Dat zal wat ons betreft en naar onze verwachting ook in de toekomst niet zo snel gaan veranderen.

Het antwoord van de regering op onze vraag hoe het nou precies zit met die experimenten, overtuigt niet. In de wet voegen we wetten toe waarvan mag worden afgeweken. Of daarvan gebruik wordt gemaakt in de vorm van een experiment, vinden we vervolgens in de AMvB. Die AMvB moet nut en noodzaak van het experiment bevatten en ook afwegen hoe de verwachte maatschappelijke opbrengsten zich verhouden tot de mogelijke gevolgen voor betrokkenen. De AMvB geeft het experiment vorm door de mogelijke afwijkingen te begrenzen; althans, dat is de redenering. De Raad van State en middels voorhang ook de Eerste en Tweede Kamer zijn daarbij betrokken.

Problematischer wordt het echter omdat de toevoeging van projecten en gebieden nu per ministeriële regeling gaat en daarmee uit het zicht raakt van Eerste en Tweede Kamer. Maar ook lokaal is het voor de gemeenteraad lastig hier zicht op te houden, zeker als het gaat om toevoeging van gebieden of projecten die vallen binnen bestaande experimenten. Ook omdat uit de beantwoording duidelijk wordt dat het Rijk in een aantal gevallen deze experimenten nadrukkelijk aanmoedigt, voorzien wij een praktijk waarin colleges van B en W projecten gaan voordragen die, gezien de ruimte die al in de wet geboden is, de toets in de AMvB zullen doorstaan en daarmee het aantal afwijkingen eigenlijk steeds groter wordt. Onze fractie blijft dan ook ongelukkig met de keuze die is gemaakt voor de verschuiving van AMvB naar ministeriële regeling.

Een van de doelen van het experimenteren is om inzicht te krijgen in mogelijke knelpunten in bestaande wet- en regelgeving en met de opbrengsten van die experimenten, inderdaad wanneer ze goed geëvalueerd worden, tot betere wetten te komen. Dat is ook de reden om experimenten in de tijd te beperken. Maar dat zien we in de praktijk niet terug. In plaats van experimenten te gebruiken om bestaande wetten te verbeteren, worden steeds meer wetten toegevoegd aan de lijst om mogelijk van af te wijken, bij deze wetswijziging onder andere de Leegstandswet en de Huisvestingswet. Zoals de Raad van State terecht opmerkt, ontbreekt eigenlijk de onderbouwing hiervoor, behalve dan dat deze wetten een relatie zouden kunnen hebben met de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en ze bij een integrale benadering zouden moeten worden meegenomen. Maar concrete problemen waar projecten en gemeenten op dit moment tegen aanlopen bij deze Huisvestings- of Leegstandswet worden niet genoemd. Wat ons betreft zou het streven eerder moeten zijn de lijst van wetten korter te maken dan langer te maken. Immers, idealiter geven de experimenten inzicht in waar de knelpunten zitten in het realiseren van maatschappelijke opgaven. Als die knelpunten binnen de wetgeving worden aangepakt, hoeft ook niet langer afgeweken te worden.

Tot slot wil mijn fractie nog stilstaan bij het projectuitvoeringsbesluit en het lokale project met nationale betekenis. Over het projectuitvoeringsbesluit zijn al verschillende vragen gesteld vanwege het grote aantal aanpassingen dat wordt voorgesteld, zoals het opknippen in meerdere fasen en besluiten, de verschuiving van de raad naar het college en ook de relatie met de Wet natuurbescherming. Ik wil dan ook niet in eerste instantie stilstaan bij de inhoudelijke bezwaren, maar heb een meer feitelijke vraag. Sinds het begin van de Crisis- en herstelwet tien jaar geleden zijn er 265 bijzondere voorzieningen aangewezen. Veruit het grootste deel daarvan, 203 namelijk, betreft duurzame innovatieve experimenten. Slechts in 21 gevallen, oftewel krap 8%, gaat het om projectuitvoeringsbesluiten. De laatste keer was vier jaar geleden, in 2015. Wat is naar de mening van de regering de oorzaak dat, zoals de voortgangsrapportage stelt, dit onderdeel eigenlijk langzamerhand tot stilstand is gekomen? Dat geldt in nog veel sterkere mate voor de slechts driemaal toegepaste voorziening van het lokale project met nationale betekenis, waar na 2010 geen gebruik meer van is gemaakt. De regering geeft in de schriftelijke beantwoording aan dat de gemeenten voldoende andere mogelijkheden zien, maar dat ze ondanks de beperkte toepassing toch de ruimte wil bieden om gebruik te maken van dit instrument. Graag ook op dit punt een nadere uitleg.

We kijken als altijd uit naar de beantwoording van de minister. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Binnema. Ik geef het woord aan mevrouw Meijer.


Mevrouw Meijer (SP):

Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreek ik voor het laatst in deze Kamer. En om maar met de deur in huis te vallen: ik vind het droevig dat ik ten afscheid een wet moet behandelen waarover ik straks zal concluderen dat deze de democratie geen dienst bewijst. Vandaag hebben we het over de Crisis- en herstelwet. Deze wet, in het leven geroepen in 2009, wil deze minister aanvullen met een aantal mogelijkheden waarmee zij zegt de woningbouwproductie te versnellen. Naar verluidt moet deze Crisis- en herstelwet opgaan in de Omgevingswet, en hiermee zou dus geen sprake zijn van een permanente wet. Maar de minister gaat er wel van uit dat die Omgevingswet ook door deze Kamer wordt aangenomen, en zo ver is het natuurlijk nog niet. Kan zij ons duiden wat er gebeurt als deze Kamer niet akkoord gaat met de Omgevingswet?

Dan ga ik naar de inhoud van de wet. Op het eerste gezicht klinkt het natuurlijk heel sympathiek om de woningbouwproductie vlot te trekken. Duizenden mensen wachten op een sociale huurwoning; gemiddeld negen jaar in Nederland, om maar niet te spreken over wat er gebeurt in de grote steden. Jongeren en studenten kunnen niet aan een betaalbaar huis komen en blijven noodgedwongen thuis wonen. Mensen die best zouden willen doorstromen op de woningmarkt, krijgen hiertoe geen kans. Nieuwbouw komt maar moeizaam op gang. Corporaties zouden 31.000 sociale huurwoningen per jaar moeten bijbouwen, maar komen meestal niet verder dan 15.000. De koopmarkt is eveneens oververhit. Mede hierdoor zijn de prijzen torenhoog en is het voor starters haast een onmogelijkheid om een huis te kopen. Redenen genoeg om in te grijpen, daar kunnen we het over eens zijn.

Echter, het wrange aan dit verhaal is dat opeenvolgende kabinetten dat wat ik net beschrijf juist veroorzaakt hebben, bijvoorbeeld met een verhuurderheffing, waardoor corporaties geen middelen meer hadden om woningen te bouwen. Deze heffing liep op van 50 miljoen in 2013, naar 800 miljoen in 2014 en 2 miljard in 2017. Geld dat opgehoest moest worden door huurders. En geld dat corporaties dus niet hebben kunnen stoppen in het verduurzamen van woningen en het bouwen van woningen. Ik zou graag van deze minister horen of zij het met mij eens is dat deze maatregel er mede voor gezorgd heeft dat de bouw stil kwam te liggen.

De oplossing waarmee deze minister komt, nota bene afkomstig van de partij die het woord "democraten" in haar naam draagt, is dan juist het uithollen van diezelfde democratie. Want gemeenteraad en Provinciale Staten wordt een deel van hun zeggenschap ontnomen. Bevoegdheden komen te liggen bij het college van burgemeester en wethouders en bij Gedeputeerde Staten. Dat vindt de SP een uitermate slecht idee en we betwijfelen of het ook daadwerkelijk zal helpen. De vraag aan de minister is dan ook: waarom kiest zij hiervoor, in plaats van de verschillende besluiten waardoor de woningmarkt steeds verder vastliep terug te draaien?

Voorzitter. Kijkend naar de maatregelen die zij wil nemen, lijkt het erop dat de minister het democratisch proces als oorzaak ziet van het feit dat de woningmarkt stilligt. Dat er een ernstig tekort aan woningen zou ontstaan, daar is de afgelopen jaren meer dan eens voor gewaarschuwd. De bouw van betaalbare huurhuizen is de laatste jaren gestokt. En dat is naar onze mening niet gekomen doordat het democratisch proces te lang duurde, of doordat de gemeenteraad te veel de hakken in het zand zette. Tussen 2010 en 2015 lagen er vergunningen voor de bouw van een kleine 23.000 woningen, maar die zijn er niet gekomen. En in 2016 bleek dat bijna de helft van de bouwvakkers hun heil elders had gezocht. Ze werken niet meer in de bouw. Die vertraging heeft heel andere oorzaken dan trage gemeentelijke of provinciale procedures.

Voorzitter. De SP verwacht geen heil van deze wet. Wanneer deze wordt gepubliceerd in het Staatsblad, staan er niet plotseling meer bouwvakkers klaar en is er ook niet opeens meer bouwgrond. Wellicht zorgt het wel voor minder zorgvuldigheid, nu gemeenteraden pas betrokken worden als ze een verklaring van geen bedenkingen moeten afgeven, maar minder invloed zullen hebben op de inhoud van een bouwplan. Een parallel valt te trekken met de Tweede Kamer, die erop moet toezien dat bij bestaande experimenten nieuwe gebieden en projecten worden toegevoegd bij ministeriële regeling, in plaats van met een AMvB waarover de Kamer wel meepraat. Wellicht kan de minister ons uitleggen — voorgaande sprekers vroegen daar ook al naar — waarom zij van mening is dat hier wel sprake is van een zorgvuldig proces waarin alle belangen zijn afgewogen.

Kan zij hierbij ook de vraag betrekken waarom er aan nog maar twee van de oorspronkelijk drie gestelde criteria hoeft te worden voldaan? Waar we met elkaar afspraken dat er sprake moet zijn van een bijdrage aan duurzaamheid, een bijdrage aan innovatie en een bijdrage aan het bestrijden van de economische crisis, is het met de wet die nu voorligt voldoende om aan twee van de drie te voldoen, mits het duurzaamheidsaspect er maar één van is. Als dan ook nog wordt opgemerkt dat het heel ingewikkeld is om aan te tonen dat een project daadwerkelijk aan de criteria voldoet, bekruipt mij toch wel een onbehaaglijk gevoel. We weten namelijk allemaal dat we binnen de kortst mogelijke tijd harde maatregelen moeten nemen om klimaatverandering tegen te gaan. Is het dan niet veel beter om vage criteria te verduidelijken? Waarom stellen we niet als harde eis dat projecten moeten voldoen aan het verdrag van Parijs?

Ook aan de overkant zijn hier vragen over gesteld. Die vragen heeft de minister beantwoordt met de mededeling dat we moeten afwachten wat de bevindingen van de klimaattafels zijn. Dat vind ik echt te weinig. Niet alleen mogen we van onze bewindspersonen visie en maatregelen verwachten, het ontbreekt ons ook eenvoudigweg aan tijd om af te wachten. Ieder uitstel maakt het probleem alleen maar groter. De handen voor de ogen slaan bij het verstoppertje spelen en dan denken dat je niet wordt gezien, maakt het er echt niet beter op.

Voorzitter, u zult begrijpen dat de SP meer heil verwacht van maatregelen als het afschaffen van de verhuurderheffing, waardoor corporaties kunnen gaan doen waarvoor ze zijn bedoeld, namelijk investeren in het bouwen van betaalbare huurhuizen, dan van voorstellen om de samenleving een stukje ondemocratischer te maken. Het afzwakken van criteria, in plaats van ze te verduidelijken, is evenmin een oplossing. Uiteraard ben ik, zoals altijd, benieuwd naar de zienswijze van de minister.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Meijer. Ik geef het woord aan de heer Verheijen.


De heer Verheijen (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ook wij hebben ons afgevraagd of de voorliggende wijziging van de Crisis- en herstelwet beschouwd moet worden als een positieve bijdrage aan de vervolmaking van de Omgevingswet. Ik zal in het eerste deel van mijn bijdrage een aantal vragen aan de minister stellen die ingaan op het rechtsstatelijke element dat hier aan de orde is. In het tweede deel zal ik ingaan op de planologische aspecten.

Het gaat ons bij de politieke beoordeling van het nieuwe omgevingsrecht om een drietal rechtsstatelijke, democratische uitgangspunten. Het eerste is de toegankelijkheid van het stelsel van het omgevingsrecht en de versterking van de participatiemogelijkheden voor burgers. Het tweede is de rol van de gemeenteraad of van de Staten als hoogste orgaan: kaderstellend en toetsend voor B en W en GS. Het derde is de rol van een opennormstelling, die maatwerk mogelijk maakt, versus gesloten normen, die minder flexibel en uitnodigend kunnen zijn, maar die anderzijds rechtsgelijkheid scheppen, zekerheid bieden bij aanvang en een gelijk speelveld creëren.

Om met het eerste te beginnen: de informatiepositie van burgers. De vraag is of burgers en bedrijven op het juiste moment geïnformeerd worden en of zij kunnen anticiperen op besluiten van de overheid als die pas laat in het proces concreet en toetsbaar worden. Wat is volgens de minister het goede moment voor de burger: een nog vage visie met houtskoolschetsen, de aanvraag aan de minister om in aanmerking te komen voor een experiment, c.q. de finale behandeling in de gemeenteraad? Wat is een goed moment en hoe weet de burger dat?

Voorzitter. In principe zal een open overheid haar burgers serieus tegemoet treden. In de onderhavige wijziging van de Crisis- en herstelwet wordt een verschuiving van bevoegdheden van de raden naar de colleges als wenselijk gezien om de snelheid en de slagkracht te versterken. In onze ogen ontstaat er echter als gevolg hiervan een democratisch en participatief tekort. De Raad van State merkte in dit kader op dat de Crisis- en herstelwet zich van een tijdelijke crisiswet ontwikkelt tot een transitiewet Omgevingswet. De Raad van State vroeg zich daarbij af of gemeenten wel voldoende in staat zijn om op een zinvolle wijze invulling te geven aan de mogelijkheden. Ook heeft de Raad van State een opmerking gemaakt over de mogelijkheden om af te wijken van bestaande wetgeving. Naar de mening van de Afdeling zijn die onbegrensd in tijd. Het is immers nog onzeker of de Omgevingswet daadwerkelijk in 2021 in werking zal treden.

Uit de beantwoording van de zijde van de regering blijkt dat er voor de verschillende experimenten ook verschillende eindtermijnen gelden tot 2025. Niet alleen is er qua inhoud een diversiteit aan experimenten, ook zijn er volgens de regering al bijna 147 gemeenten die met een of meer van de experimentele mogelijkheden onder de Crisis- en herstelwet actief zijn. Dat betekent dat in de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet verschillende planvormen ontstaan met elk hun eigen wettelijke grondslag, in het reguliere regime of in de Crisis- en herstelwet. Daardoor kan er juridische verwarring ontstaan en onduidelijkheid voor burgers en bedrijven over welk beoordelingskader precies op hen van toepassing is. Maar ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven besluiten genomen voor 2021 in het kader van het overgangsrecht nog gestoeld op die uiteenlopende rechtsgronden.

Kan de minister duidelijk maken waar burgers en bedrijven dan eenduidige informatie kunnen vinden met betrekking tot de relevante status van planvorming in hun omgeving? Wij stellen dit aan de orde omdat een verwijzing naar www.ruimtelijkeplannen.nl en de Staatscourant niet voldoende lijkt. In een recente uitspraak van de Raad van State werd de gemeente Zaandam letterlijk opgedragen het deel van het bestemmingsplan dat werd vernietigd, op te doen nemen in de landelijke voorziening. Blijkbaar is dat nodig vanuit een oogpunt van rechtszekerheid. Deze vraag speelt des te meer daar bij inwerkingtreding van de Omgevingswet er ook verschillende planologische kaders — het omgekatte bestemmingsplan c.q. omgevingsplan, afwijkingsvergunning, beheerverordening — van toepassing blijven, voordat de gemeenten in Nederland pas in 2029 definitief over een alles overkoepelend omgevingsplan voor hun grondgebied moeten beschikken. Ook de positie van de gemeenteraad in deze tranche wordt dus anders dan bij voorgaande wijzigingen.

Ik wijs hierbij op de kritiek op dit stelsel die doorklinkt in het jaarverslag van de Raad van State over 2018, te vinden op bladzijdes 23 tot 25. Daarin spreekt de Raad van State over een aanbouwsysteem waarop steeds kan worden ingetekend en waarbij de regels per project, locatie en gemeente kunnen verschillen, waarbij de rechtsbescherming varieert en waarbij de wetgever de indruk wekt dat de tekst van de wet nooit vaststaat. De vrees van de Raad van State dat het naast elkaar bestaan van verschillende procedures in het kader van goedkeuring hierbij de positie van de burger raakt, lijkt ons terecht. Ook de fundamentele kritiek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in het rapport "Weten is nog geen doen" op de gebreken in de overheidscommunicatie bij het informeren en in staat stellen van burgers tot adequate reactie op voornemens en regels van de overheid, speelt hierbij volgens ons een grote rol. Wat is hier de reflectie van de minister op?

Voorzitter. Dan de tweede toetssteen: de rol en positie van de gemeenteraad c.q. Staten. Uit de beantwoording van de regering van vragen die wij gesteld hebben, blijkt dat de colleges niet verplicht zijn de aanmelding van experimenten aan de gemeenteraad voor te leggen. In het licht van het belang van de brede betrokkenheid van het hoogste orgaan van de gemeenten bij strategische en duurzaamheidsvraagstukken, heeft mijn fractie de regering gevraagd of zij dit niet als een omissie ziet, gelet op het streven de doelstelling van de Omgevingswet bij aanvang te verankeren bij burgers en de lokale volksvertegenwoordiging. De regering gaf als antwoord: "Voor het toevoegen van nieuwe gebieden en projecten aan bestaande experimenten bij ministeriële regeling geldt geen plicht tot voorpublicatie. Omdat voor de uitvoering van de deelname aan het experiment veelal nog een besluit van een decentrale overheid nodig is, kunnen burgers tegen dat besluit hun bezwaren indienen." Met andere woorden: niet alleen de gemeenteraad, maar ook belanghebbende burgers en bedrijven kunnen pas nadat de planvorming in een conceptbesluit door het college is vastgesteld, hun zienswijzen en bezwaren naar voren brengen over aangemelde gebieden en projecten. Is de minister het met de Partij van de Arbeid-fractie eens dat die werkwijze niet past bij de transitie naar vroegtijdige participatie en het stimuleren van betrokkenheid in de voorfase, zoals toch het uitgangspunt is van de Omgevingswet? Waarom is hier voor een zo krampachtige reactie gekozen?

De motivatie van de regering is dat burgers en bedrijven wel zienswijzen kunnen indienen op de AMvB-experimentenregeling. Mijn fractie meent dat dit een te algemeen en abstract kader is om de gevolgen voor omwonenden van een potentiële locatieontwikkeling en de effecten voor hun directe leefomgeving van af te kunnen leiden. De criteria zijn in principe gebiedsonafhankelijk, maar de regering vindt het niet nodig om een publicatieplicht voor de aanmelding van concrete gebieden te introduceren alvorens deze worden opgenomen in de ministeriële regeling. Ook vindt de regering het niet nodig dat B en W de raad verplicht actief informeert voordat de minister de voordracht opneemt in de ministeriële regeling.

Met betrekking tot de formele aanmelding van gebieden zijn in de nieuwe regeling dus noch de Staten-Generaal, noch de betrokken gemeenteraad rechtstreeks betrokken. Zij kunnen ook geen procedurele pauze instellen ten behoeve van overleg tussen college en raad. Waarom wil de minister geen publicatieplicht opnemen bij aanmelding? Dat zou getuigen van een uitnodigend gebaar in het licht van de versterking van participatie en informatie voor omwonenden. Ik meen dat de CDA-fractie daar zojuist ook om vroeg. Dit zou de gemeenteraad in staat stellen op een vroegtijdig moment met het college te schakelen over kaderstelling, positie van de inspraak et cetera. Dat een aantal gemeenteraden dit uit eigen overtuiging reeds doen, geeft nog niet de zekerheid dat dit criterium breed wordt toegepast. Wij missen dus met andere woorden de ruimte voor een toetsende rol van gemeenteraden in deze regeling.

De regering meent dat door de voorgestelde regeling het college van B en W in meer gevallen bevoegd is tot vaststelling van het projectuitvoeringsbesluit en dat de betrokkenheid van de gemeenteraad toch voldoende is geborgd. Dat is nu juist het punt, want in onze ogen worden de termen "betrokkenheid" en "medebesluitvorming" met elkaar verwisseld of liever gezegd: ingewisseld. Veelvuldige en vergaande delegatie van regelgevende bevoegdheden worden in het standpunt van de regering benadrukt en de positie van de gemeenteraad wordt beperkt.

Dat geldt ook voor de wijziging waardoor het college gevallen kan aanwijzen waarin het geen verklaring van geen bedenkingen hoeft af te geven wanneer een ander bestuursorgaan een vergunning verleent voor een activiteit. In dit geval neemt een ander bestuursorgaan een besluit dat van invloed is op de te optimaliseren en te ontwikkelen milieugebruiksruimte waar het college bevoegd gezag is. Het college toetst dus vervolgens of met het oog op het gebruikmaken van die milieugebruiksruimte een verklaring van geen bedenkingen kan worden verleend. Ook hier wordt de beoordeling van mogelijkheden binnen de aanwezige gebruiksruimte van geluid, geur en verkeer overgelaten aan het college en staat de raad buitenspel. Daarmee ontstaan naar de mening van de PvdA spanning en onduidelijkheid over de positie van de gemeenteraad tussen het tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel en de situatie onder de Omgevingswet vanaf 2021.

Dit klemt des te meer daar de Tweede Kamer onlangs, in maart, bij de behandeling van de Invoeringswet Omgevingswet drie amendementen heeft aangenomen die hierbij van betekenis zijn en die de positie van de gemeenteraad juist wel versterken op de volgende punten. Het gaat hierbij om het amendement op stuk nr. 53 van Ronnes c.s. met betrekking tot een verzwaard adviesrecht bij het verlenen van omgevingsvergunningen, het amendement op stuk nr. 56 van Van Eijs c.s., waardoor de gemeenteraad straks kan aangeven voor welke gebieden en voor welke activiteiten burgerparticipatie moet plaatsvinden, en het amendement op stuk nr. 49 van Smeulders c.s., dat de gemeenteraad in staat stelt om zelfstandig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee inspraak door middel van zienswijzen toe te passen. Wij vinden het onverstandig dat de voorgestelde wijziging van de Crisis- en herstelwet juist beperkingen stelt aan de positie van de gemeenteraad en wij menen dat, gelet op de genoemde amendering in de Invoeringswet, het huidige wetsvoorstel op dit punt achterhaald wordt. Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Dan het derde punt. Een punt van aandacht betreft de juridische kwetsbaarheid van de planologische zoektocht naar locaties voor woningbouw. In antwoord op onze vragen en op vragen van andere Kamerfracties ter zake geeft de regering aan dat een veelheid van factoren verantwoordelijk kan zijn voor de stagnatie in de woningbouw. Die zijn zojuist ook al door collega's genoemd: krapte op de arbeidsmarkt, grondstoffen en wijziging van de woonbehoefte. De regering geeft aan dat uit de meest recente inventarisatie in het najaar van 2018 blijkt dat er op landelijk niveau voldoende bouwplannen zijn om te voldoen aan de woningbehoefte. Onderliggend is er in enkele regio's wel sprake van een tekort aan bouwplannen en is de hardheid van bouwplannen in meerdere regio's een aandachtspunt. Regionale programmering, toepassing van de verstedelijkingsladder, ligt dan ook voor de hand bij aanwijzing van locaties door gemeenten. Voor de onderbouwing van de behoefte aan woningen kan men dan met een verwijzing aantonen dat een ontwikkeling passend is binnen de regionale woningbehoefteraming.

De regering stelt daarbij in haar antwoord dat het niet verplicht is om altijd een bovenliggend planMER te hebben waarin alle locaties al zijn afgewogen en toebedeeld. Dat wil zeggen dat de gemeente haar eigen locatie kan kiezen zonder goede voorafgaande afweging van de voor- en nadelen. De regering stelt bovendien dat een structuurvisie geen hoge mate van detailniveau in bijvoorbeeld aantal, omvang en maatvoering van woningen behoeft te bevatten voor de bevoegdheid die het college heeft.

Om tot de harde plancapaciteit te komen die zo nodig, is, zal het evenwel van belang zijn om tot nadere uitwerking van voorgenomen locatieontwikkelingen te komen. Het benadrukken van het vormvrije karakter van een milieueffectenbeoordeling, zoals de regering doet, helpt dan eigenlijk niet. Vage plannen zijn eerder een sta-in-de-weg. Ook de juridische zekerheid neemt toe wanneer er een afweging heeft plaatsgevonden over meerdere locaties, bijvoorbeeld in een planMER. Deelt de minister deze opvatting? Anders wordt, vrezen wij, de MER-beoordeling op het projectuitvoeringsbesluit, dat dan eventueel in fasen wordt uitgevoerd, de spreekwoordelijke trechter van afzonderlijke besluiten, met elk zijn eigen kwetsbaarheden. De snelheid van uitvoering wordt daar naar onze mening niet vanzelf bevorderd door inpassingsvraagstukken van geluid of geur pas in de laatste fase concreet toetsbaar te maken, omdat elk fasebesluit ook weer openstaat voor juridische toetsing. Zie hiervoor onder andere het recente oordeel van de Raad van State inzake het bestemmingsplan Hembrugterrein in Zaandam, waarbij het gemeentebestuur te ruimhartig was in het toedelen van extra geluidsruimte op een nieuw te bouwen woonwijk van 1.000 woningen. Deelt de minister deze analyse?

Een verkenning van locatiealternatieven kan aan de orde komen via een MER-beoordeling, schrijft de regering in het nader verslag. Spreekt de minister de betrokken regio's hier ook op aan bij het sluiten van de zogenaamde woondeals? Neemt ze hierbij ook de regie? En welke rol verwacht zij eigenlijk van de provincies om hierbij mede sturend te zijn vanuit de afweging op provinciale belangen bij de aanwijzing van grotere locaties, van, zeg, tussen de 100 en 2.000 woningen, waarop het projectuitvoeringsbesluit van toepassing kan zijn?

Voorzitter, ik rond af. Mijn fractie meent dat in deze planologische zoektocht de minister zich nog te afstandelijk in de richting van de regio's opstelt, maar wij zijn als vanzelf benieuwd naar de beantwoording van onze vragen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Verheijen. Ik geef het woord aan mevrouw Baay.


Mevrouw Baay-Timmerman (50PLUS):

Voorzitter. De doelstelling van dit wetsvoorstel is een verruiming van de experimenteermogelijkheden van de Crisis- en herstelwet, in afwachting van de Omgevingswet. De vergunningsprocedure voor gemeenten wordt vereenvoudigd via projectuitvoeringsbesluiten. Dat kan voor woningbouwprojecten een mogelijke versnelling opleveren van zo'n zes tot zeven maanden. Gelet op het nijpende tekort aan woningen klinkt dit natuurlijk als muziek in de oren. Niemand kan voorbijgaan aan de woningbehoefte van starters en het tekort aan senioren- en levensloopbestendige woningen op de huidige woningmarkt.

De vraag is echter of met invoering van deze wet daadwerkelijk een realistische planning ontstaat om zowel tijdig als voldoende te voorzien in deze woningbehoefte. Het gaat immers niet alleen om het aantal woningen, maar ook om het juiste type woningen, welke dan ook nog gelegen moeten zijn in de juiste leefomgeving.

Voorzitter. Ik lees in de nota naar aanleiding van het verslag de dato 18 april jongstleden dat de minister weliswaar de provincies oproept om een actieve rol te nemen in de woningbouw, en zelfs te borgen dat de woningbouwprogrammering goed aansluit bij de woningbehoefte, maar dat bij onvoldoende binnenstedelijke mogelijkheden moet worden uitgeweken naar de randen van de stad. Mijn fractie vraagt aan de minister: zijn er überhaupt voldoende binnenstedelijke mogelijkheden om de diversiteit aan woonbehoeften in de grote steden te realiseren?

Het heeft immers geen zin om seniorenwoningen te bouwen in een leefomgeving waar de toekomstige oudere bewoner dusdanig ver verwijderd is van allerlei noodzakelijke voorzieningen, zoals een apotheek, huisartsenpost, winkels voor dagelijkse boodschappen en toegang tot openbaar vervoer. Deze voorzieningen zijn doorslaggevende randvoorwaarden om ouderen ook daadwerkelijk langer zelfstandig thuis te laten blijven wonen. Dat is immers het uitgangspunt van deze regering? Kan de minister mijn fractie verzekeren dat dit wetsvoorstel daadwerkelijk bijdraagt aan het realiseren van woningbouwexperimenten op maat?

Voorzitter. 50PLUS hecht aan het belang van vroegtijdige betrokkenheid van de burger bij planprocessen voor woningbouw, omdat participatie voor meer draagvlak en betere besluitvorming zorgt. Op het eerste gezicht lijkt dit wetsvoorstel juist afbreuk te doen aan het zorgen voor voldoende draagvlak bij lokale volksvertegenwoordiging en burgers. Immers, voor het bij ministeriële regeling toevoegen van nieuwe gebieden en projecten aan reeds bestaande experimenten geldt geen plicht tot voorpublicatie. Experimenten kunnen een bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke problemen waarbij van de wet afwijkende regelingen moeten worden getroffen, maar deze afwijkende regels moeten bij voorkeur in tijd en bereik beperkt blijven, gelet op het gelijkheids- en rechtzekerheidsbeginsel en ter rechtsbescherming van de burger.

In de nota naar aanleiding van het verslag, op pagina 2, stelt de minister dat het de verantwoordelijkheid is van het college van B en W om burgers en bedrijven op het juiste moment te betrekken bij een experiment. Wat exact verstaat de minister onder "het juiste moment"?

De minister heeft er alle vertrouwen in dat de verschillende colleges op correcte wijze zullen omgaan met dit juiste moment en adviseert zelfs om bij uitwerking van een gemeentelijk experiment of aanmelding van een project of gebied altijd de gemeenteraad, de burgers en de bedrijven vroegtijdig te betrekken. Ik citeer: "Wel strekt het zowel onder de Omgevingswet als onder de Crisis- en herstelwet ter aanbeveling om de gemeenteraad vroegtijdig in te lichten." Gelet op de nadruk die de minister zelf legt op de betrokkenheid en tijdige inlichting van de gemeenteraad bij experimenten, vraagt mijn fractie zich af waarom ze dit dan niet als een wettelijke verplichting in dit wetsvoorstel opneemt. Graag een toelichting van de minister.

Juist het ontbreken van de plicht tot voorpublicatie staat haaks op de doelstelling van de nog te behandelen Omgevingswet, die als oogmerk heeft om meer inspraak en vroegtijdige betrokkenheid van de burger te bewerkstelligen.

Voorzitter. In de onderliggende stukken bij dit wetsvoorstel is veelvuldig gesteld dat de Crisis- en herstelwet, de Chw, een voorloper dan wel opmaat is naar de Omgevingswet. Maar tevens stelt de minister dat de Chw niet alleen een tussenoplossing is maar vooral bedoeld is om onnodige knelpunten op te lossen. Kan de minister 50PLUS nog eens duidelijk uitleggen welke onnodige knelpunten ze bedoelt?

Mijn fractie is nog niet geheel overtuigd of het wegnemen van al dan niet onnodige knelpunten voldoende rechtvaardiging verschaft om de bevoegdheid tot het nemen van projectuitvoeringsbesluiten te verschuiven van de gemeenteraad naar het college van B en W, ondanks het in de Tweede Kamer aangenomen amendement-Van Eijs, dat in ieder geval de positie van de gemeenteraad in bepaalde gevallen versterkt.

Wij kijken uit naar de beantwoording van de gestelde vragen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Baay. Wenst een van de leden in eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

De verdere behandeling van de Crisis- en herstelwet zal morgen, dinsdag dus, plaatsvinden.

De vergadering wordt van 18.25 uur tot 19.47 uur geschorst.