35.431

Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten



Dit voorstel voor een tijdelijke wet heeft tot doel om het, in verband met de de maatschappelijke beperkingen na de uitbraak van het coronavirus, mogelijk te maken voor verhuurders en huurders om een tijdelijke verlenging van een tijdelijke huurovereenkomst overeen te komen en zo te voorkomen dat huurders op straat komen te staan.

Deze voorgestelde tijdelijke wet biedt verhuurders en huurders voor de periode tot en met 1 juli 2020 een mogelijkheid om een tijdelijke huurovereenkomst in de zin van 7:271 eerste lid, tweede zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, tijdelijk te verlengen met maximaal drie maanden en tot uiterlijk 1 september 2020.

Indien de maatschappelijke beperkingen na 1 juli 2020 nog voortduren, kan de voorgestelde tijdelijke wet bij algemene maatregel van bestuur worden verlengd. Daarmee wordt het mogelijk om een tweede tijdelijke verlenging van de huurovereenkomst overeen te komen. Ook wordt het dan mogelijk om huurovereenkomsten die binnen de periode van verlenging eindigen, te verlengen.

Deze samenvatting is gebaseerd op het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zoals ingediend bij de Tweede Kamer.


Stand van zaken

Het voorstel (EK, A) is op 16 april 2020 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer.

De Eerste Kamer heeft het voorstel op 21 april 2020 na stemming bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen.

De tijdens de plenaire behandeling van het voorstel op 21 april 2020 ingediende motie-Kox (SP) c.s. over een tijdelijke huurstop voor zowel de sociale sector als de vrije sector (EK, D) is na stemming bij zitten en opstaan aangenomen. PVV, SP, GroenLinks, PvdD, PvdA, SGP, OSF, FVD en 50PLUS stemden voor.

De Eerste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) heeft op 22 september 2020 kennisgenomen van de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 september 2020 inzake gerichte huurmaatregelen om de betaalbaarheid voor huurders te verbeteren (EK, N). Zij wacht de behandeling van het wetsvoorstel 'Eenmalige huurverlaging huurders met een lager inkomen' (35.578) in de Tweede Kamer af, maar wil het t.z.t. samen met de commissie Financiën in een separaat traject (los van de geplande behandeling van het pakket Belastingplan 2021) behandelen. Daarmee sluit de commissie overigens niet uit dat het voorstel ook tijdens andere debatten ter sprake wordt gebracht. Het lid Kox (SP) merkt terzake op dat de commissie dit jaar de begroting voor BZK (35.570 VII) inhoudelijk zou kunnen behandelen, in verband met woningmarkt en huurbeleid.

Het Lid Kox had op 2 juni 2020 van de Kamer verlof gekregen voor het houden van een interpellatie over de uitvoering van zijn motie. De interpellant had vooraf interpellatievragen aangeboden. De interpellatie van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vond ook op 2 juni 2020 plaats. Tijdens deze interpellatie werd de motie-Kox (SP) c.s. over het alsnog op enigerlei wijze uitvoeren van de motie-Kox c.s. over een tijdelijke huurstop voor zowel de sociale sector als de vrije sector (EK, H) ingediend. Deze motie werd op 9 juni 2020 aangenomen.

De commissie had op 2 juni 2020 kennisgenomen van het verslag van een schriftelijk overleg met de minister van BZK van 29 mei 2020 (EK, G) over de uitvoering van de motie-Kox c.s. over een tijdelijke huurstop voor zowel de sociale sector als de vrije sector.

De commissie was met de minister in overleg getreden naar aanleiding van de brief van de minister van 20 mei 2020 (EK, F) over huurbeleid in tijden van corona. Met die brief had de minister gereageerd op een brief van de commissie van 13 mei 2020 (EK, E) over de uitvoering van de motie.

De Eerste Kamer had op 16 juni 2020 ingestemd met het verzoek van het Lid Kox om op dezelfde dag een derde termijn te houden van zijn interpellatie van 2 juni 2020 over de uitvoering van zijn motie over een tijdelijke huurstop. Tijdens deze derde termijn werd de motie-Kox (SP) c.s. over de afkeuring van het gevoerde beleid van de minister van BZK inzake een gevraagde tijdelijke huurstop (EK, K) ingediend. De Eerste Kamer heeft deze motie op 23 juni 2020 na een hoofdelijke stemming aangenomen (voor: 39 Leden (PvdA, SP, PVV, FVD, GroenLinks, 50PLUS, PvdD en OSF), tegen: 36 Leden (ChristenUnie, D66, VVD, CDA, SGP en Fractie-Otten)).


Kerngegevens

ingediend

6 april 2020

titel

Tijdelijke regels omtrent het kunnen verlengen van huurovereenkomsten voor bepaalde tijd (Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten)

schriftelijke voorbereiding

inbreng geleverd door

ondertekening

inwerkingtreding

  • 1. 
    Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2020, met uitzondering van artikel 6, eerste lid.
  • 2. 
    Deze wet vervalt met ingang van 1 september 2020.

Documenten

Bladeren:
[1-50] [51-76] documenten
Bladeren:
[1-50] [51-76] documenten