Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
T01333

Toezegging Monitoren gevolgen verhoging BTW podiumkunsten (32.504/32.505/32.401)



De staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Biermans, De Boer, Böhler, Engels, Essers, Ten Hoeve, Koffeman, Leijnse, Reuten en Yildirim, toe het kabinet de gevolgen van de verhoging van het BTW-tarief voor de podiumkunsten nauwlettend in de gaten zal houden en de Kamer hierover zal informeren. Als er aanleiding voor is, zal het kabinet het besluit om de BTW-tarief op de podiumkunsten heroverwegen (mede in het kader van de uitwerking van de Fiscale Agenda 2011 - 2015).


Kerngegevens


Uit de stukken

Handelingen I 2010-2011, nr. 12 – blz. 10-11

De heer Leijnse (PvdA):

Moties van het parlement dienen te worden uitgevoerd, door welke van de twee Kamers zij ook zijn aanvaard. De Koninklijke weg zou hier zijn geweest dat de regering afgelopen week een wetsvoorstel aan de Tweede Kamer had voorgelegd strekkende tot schrapping van de verplaatsing van de podiumkunsten naar het algemene btw-tarief uit het voorliggende Belastingplan. De Tweede Kamer had dan, rekening houdend met het gevoelen in deze Kamer, haar positie kunnen bepalen. Gezien de opstelling van de VVD in de media en zelfs bij de stemverklaringen hier vorige week, zou aanname van een dergelijk voorstel niet bij voorbaat uitgesloten zijn. In dat geval hadden wij het vandaag over dit onderwerp kort kunnen maken.

De regering heeft deze weg niet willen gaan. Dat de Tweede Kamer de novelle mogelijk zou hebben verworpen is daarvoor geen excuus. Wij kunnen slechts vaststellen dat de regering geen poging heeft gedaan om de uitspraak van deze Kamer uit te voeren. Maar het is nog niet te laat. De eerder aangehaalde verlaging per 1 oktober jongstleden van het btw-tarief op arbeidskosten bij renovatie en onderhoud laat zien dat zulks kennelijk bij beleidsbesluit kan worden geregeld. Wel vereist het legaliteitsbeginsel dat wetswijziging achteraf met terugwerkende kracht noodzakelijk is, maar de legalisering is niet aan een termijn gebonden, noch staat dit de inwerkingtreding van het besluit in de weg. Zo kan men dus bij ministerieel besluit zelfs halverwege het jaar een btw-tarief effectief verlagen. Indien het Belastingplan door deze Kamer wordt aanvaard, zal voor de podiumkunsten per 1 januari het algemene tarief van 19% van kracht worden. Het staat de regering vrij nog dezelfde dag een besluit te nemen om het tarief tijdelijk weer op 6% te stellen en vervolgens een wijziging van de Wet op de omzetbelasting voor te bereiden waarin dit "gelegaliseerd" wordt. Effectief zou daarmee de wens van deze Kamer worden uitgevoerd.

De Kamer kan niet volstaan met kennis te nemen van het feit dat de regering weigert, de uitdrukkelijke wens van deze Kamer uit te voeren. Haar uitspraken zijn niet vrijblijvend. Ik zou daarom de regering nog een kans willen geven om de motie-Noten naar de geest uit te voeren. De reactie van de staatssecretaris op mijn suggestie, dit naar analogie van de btw op renovatie en onderhoud te regelen bij beleidsbesluit, wacht ik met bijzondere belangstelling af.

Handelingen I 2010-2011, nr. 12 – blz. 13

De heer Essers (CDA):

Uit de brief van de minister-president van heden blijkt dat de regering geen politieke ruimte ziet om te schuiven met de invoeringsdatum. Het lijkt er dan ook op dat dit onderdeel van het regeerakkoord een zodanig sterke politiek-symbolische betekenis heeft gekregen dat versoepelingen zoals door ons zijn voorgesteld, niet mogelijk zijn. In deze brief wordt ook opgemerkt dat opschorting in strijd zou zijn met het legaliteitsbeginsel en op gespannen voet zou staan met de strekking van de motie-Jurgens. Kan de staatssecretaris ons dit uitleggen? Hoe kan strijd ontstaan met het legaliteitsbeginsel of met de motie-Jurgens als deze Kamer als medewetgever met de regering zou overeenkomen dat opschorting tot 1 september 2011 uit een oogpunt van rechtszekerheid op zijn plaats is? In de brief merkt de minister-president zelf op dat een opschorting zonder wettelijke bepaling in theorie mogelijk is in situaties waarin sprake is van een tegemoetkoming.

Handelingen I 2010-2011, nr. 12 – blz. 19

De heer Reuten (SP):

Ten zesde ligt er een aanvaarde motie waarin de Kamer zich verzet tegen verhoging van het btw-tarief op podiumkunsten. Ik ga er uiteraard van uit dat de staatssecretaris in het debat van morgen met ons een manier gaat vinden om deze motie uit te voeren; daar zijn ook voldoende mogelijkheden toe. Dat zullen we morgen zien.

Handelingen I 2010-2011, nr. 12 – blz. 21

De heer De Boer (ChristenUnie):

Ik kom bij de brief die ons vandaag is toegestuurd waarin staat dat het kabinet dat eigenlijk ook wel wil doen, met dien verstande dat het de gevolgen van de maatregel wil monitoren. Het kabinet schrijft: "Wanneer blijkt dat de maatregel onevenredig schade toebrengt aan de sector, dan zal het kabinet dit nadrukkelijk bezien, mede in het kader van de uitwerking van de Fiscale Agenda 2011-2015 (de zogenaamde startbrief), die zoals u bekend, in het volgend voorjaar aan de Tweede Kamer wordt gezonden." Ik wil graag een toelichting hebben op wat "onevenredig schade toebrengen" is. Je kunt niet monitoren en maatregelen aanzeggen als je niet weet wat je wilt monitoren en op welke wijze je dat wilt doen. Hoe wil de staatssecretaris monitoren? Wat is "onevenredige schade"? Dat moet dit voorjaar 2011 – dat is over ongeveer drie à vier maanden – bekend zijn. Het voorjaar duurt wel tot juni, maar laten we zeggen dat eind maart ook al voorjaar is. Dat is op korte termijn. Ik nodig de staatssecretaris echt uit om de laatste alinea van deze brief van de minister-president, die ondertekend is door minister Opstelten, nadrukkelijk toe te lichten en te zeggen wat de mogelijkheden zijn. Daar zeg ik ook bij dat monitoring ertoe kan leiden dat maatregelen moeten worden aangepast en gecorrigeerd. Ik denk daarbij aan de maatregel die we enkele jaren geleden ook gecorrigeerd hebben, namelijk de vliegbelasting. Ik vond die correctie overigens niet correct, maar het is wel gebeurd. Er is toen gezegd dat de gevolgen zodanig waren dat de maatregel werd ingetrokken. Ik weet niet waarom dat dit nu ook niet het geval zou kunnen zijn. Nogmaals, graag een uitbundige toelichting.

Handelingen I 2010-2011, nr. 12 – blz. 23

De heer Koffeman (PvdD):

Ik breek graag ook een lans voor het behoud van het lage btw-tarief in de kunst- en cultuursector. De btw-verhoging schept veel fiscale onduidelijkheden en juridische problemen voor de overheid.

Handelingen I 2010-2011, nr. 12 – blz. 25

De heer Ten Hoeve (OSF):

Ik was het wel eens met de heer Leijnse die naar aanleiding van de brief van de regering concludeerde dat zij eigenlijk geen echte poging lijkt te hebben gedaan om aan de motie te voldoen. Niet door het indienen van een novelle. Misschien dat er wel wat gesondeerd is, maar dat zien wij niet. Ik was ook onder de indruk van de nog vragenderwijs gestelde conclusies en argumenten van collega Essers met betrekking tot het legaliteitsbeginsel en de consequenties van de motie-Jurgens. Als op deze vragend gestelde argumenten "ja" gezegd mag worden, rechtvaardigt dat een beleidsbesluit. Dat kan dan niet meer in strijd met het legaliteitsbeginsel genoemd worden. Als wij het goed vinden, wat zou de motie-Jurgens dan nog! Als de invoering van deze btw-verhoging uitgesteld zou kunnen worden met een beleidsbeslissing, dan geeft dat tegelijk de tijd om over de btw na te denken. De startnotitie moet ook begin volgend jaar komen. Wanneer deze btw-verhoging beter ingebed zou kunnen worden in een totaal btw-beleid, zou zij daar aanzienlijk acceptabeler van kunnen worden.

Handelingen I 2010-2011, nr. 12 – blz. 27

De heer Engels (D66):

Mijn fractie heeft het kabinet om die reden nadrukkelijk gevraagd de maatregel in deze vorm te heroverwegen en een aangepast voorstel te ontwikkelen. Formeel is dat mogelijk door het nemen van een ministerieel beleidsbesluit; het is eerder aan de orde geweest. In het debat met de Tweede Kamer zijn voldoende, op zichzelf valide dekkingsmogelijkheden voor een alternatief voorbijgekomen. De politieke en staatsrechtelijke betekenis van de hier vorige week aangenomen motie-Noten c.s. is in dit verband evident. Uiteindelijk ligt hier de vraag naar de politieke wil van kabinet en coalitie.

In de brief van het kabinet die wij aan het begin van de avond ontvingen, meldt de waarnemend minister-president dat aan de motie-Noten slechts tegemoetgekomen kan worden door middel van een novelle. Een ministerieel besluit om de btw-maatregel op te schorten of anders in te vullen zou vanwege de gelding van het legaliteitsbeginsel slechts genomen kunnen worden op basis van een formele wet. Het kabinet geeft vervolgens aan dat de daarvoor benodigde novelle door de Tweede Kamer niet aanvaard zal worden, zodat een formeelwettelijke grondslag voor besluiten over andere modaliteiten ontbreekt. Om die reden zou de motie niet kunnen worden uitgevoerd.

Het is de vraag of deze benadering sluitend is. Strikt formeel behoeven bindende regels van lagere wetgevers inderdaad een wettelijke grondslag. Deze rechtsstatelijke eis geldt naar mijn oordeel op voorhand echter niet voor bijvoorbeeld een ministerieel beleidsbesluit om een maatregel uit het Belastingplan per 1 januari niet in te voeren. Dat is een besluit met interne werking, niet naar buiten gericht of burgers bindend. Het levert evenmin een afwijking op van een formele wet. Een dergelijk ministerieel besluit kan tot doel hebben, al dan niet via de lijn van formele wetgeving achteraf of op termijn, tot een eventueel aangepast regime op het punt van de btw-maatregel te komen. Ik meen dat dit staatsrechtelijk niet ongeoorloofd is. De verwijzing van het kabinet naar het obstakel van de motie-Jurgens is op zich plezierig, want het laat zien dat het kabinet moties van de Eerste Kamer niet negeert. Die motie staat echter in de context van de implementatie van bindende Europese regelgeving bij AMvB of ministeriële verordening die afwijkt van geldende formele wetgeving, zonder nadrukkelijke tussenkomst van de formele wetgever. Dat probleem is hierbij niet aan de orde. In dat licht vraag ik de staatssecretaris binnen de ministerraad nog eens te bezien of de hierbij genoemde route staatsrechtelijk begaanbaar is – wij denken dat dit zo is – en of een dergelijke route politiek ook acceptabel is.

Handelingen I 2010-2011, nr. 12 – blz. 28

Mevrouw Böhler (GroenLinks):

Dan de btw-verhoging op de podiumkunsten. Er is al veel over gezegd en met name ook over de reactie van de regering op de motie-Noten. De weigering van de regering om hiermee ook maar iets te doen, heeft de verhouding met de Eerste Kamer meteen op scherp gezet, en dat is jammer. Er is geen sprake van een uitgestoken hand van de regering naar de oppositie of de Eerste Kamer toe, maar van een klap in het gezicht. Dat belooft niets goeds voor de verhoudingen in de toekomst. Ik wil de staatssecretaris net als de andere collega’s die dat ook hebben gedaan toch nog eens nadrukkelijk verzoeken om te bekijken of het niet mogelijk is om via een beleidsbeslissing toch tegemoet te komen aan deze door de Kamer aangenomen motie.

Handelingen I 2010-2011, nr. 12 – blz. 30

De heer Biermans (VVD):

Mijn fractie heeft wel grote moeite met de termijn waarop de maatregel wordt ingevoerd. Midden in het theaterseizoen wordt de sector opgezadeld met een btw-verhoging, die vrijwel niet meer doorberekend kan worden aan de bezoekers. Dat betekent een opbrengstenvermindering, die veelal een-op-een tot een verlies bij de sector leidt. Wij hebben ons de vraag gesteld of hier sprake is van een fatsoenlijk wetgevingstraject en zijn tot de conclusie gekomen dat daarvan geen sprake is. Naar onze mening zou deze op zich gewenste maatregel aan het begin van het volgende seizoen moeten ingaan. In de memorie van antwoord lezen we dat het invoeren van de maatregel per 1 september 2011 32 mln. kost. Wij twijfelen aan de hoogte van dit bedrag. Het zal naar onze mening aanmerkelijk lager zijn ten gevolge van de vóór 1 januari 2011 verkochte kaartjes. Tot nog toe weigert de regering om een andere ingangsdatum te kiezen en te verdedigen. In de kabinetsbrief van vandaag wordt de motivatie van die houding gegeven. Begrijpelijk maar tevens erg teleurstellend.

Handelingen I 2010-2011, nr. 12 – blz. 32

De heer Yildirim (Fractie-Yildirim):

Maar tegelijkertijd vraagt mijn fractie zich af waarom het kabinet het btw-tarief op de cultuursector drastisch verhoogt. Immers, ook de cultuursector heeft in deze economisch barre tijden extra steun nodig. Aan de ene kant wordt drastisch bezuinigd, aan de andere kant verhoogt het kabinet het btw-tarief drastisch. Daarmee wordt de cultuursector dubbel aangepakt.

Handelingen I 2010-2011, nr. 13 – blz. 9

Staatssecretaris Weekers:

Ik begrijp de zorgen in de Eerste Kamer goed. Die zorgen spitsen zich toe op de vraag hoe het straks gaat met de bezoekersaantallen. Het hangt ook samen met de vragen die zowel door de heer Engels als door de heer Leijnse aan de orde zijn gesteld. Heeft het te maken met rancune? Wil je de zalen soms leeg hebben? Nee, natuurlijk niet! Ik ben zelf een groot cultuurliefhebber. Dat geldt voor het hele kabinet. Het geldt ook voor iedereen in dit huis en voor veel leden aan de overkant. Ik zeg toe dat ik de komende maanden de vinger aan de pols houd, de zaak monitor. De heer De Boer heeft gisteren een mooie definitie gegeven van monitoren: het is niet alleen bekijken hoe het zich ontwikkelt, maar ook bij voorbaat de bereidheid uitspreken om tot heroverweging over te gaan als je dramatischer effecten ziet ontstaan dan je nu voorziet op basis van de gegevens waar je het besluit op baseert. Die toezegging doe ik hier nadrukkelijk. Als zich de komende maanden iets voordoet of als de praktijk aantoont dat we ons ernstige zorgen moeten maken, ga ik natuurlijk terug naar de tekentafel. Ook dat is natuurlijk in de afgelopen weken besproken. Je moet niet blind zijn voor de gevolgen van het beleid.

Handelingen I 2010-2011, nr. 13 – blz. 13

Staatssecretaris Weekers:

Er zit zo veel in het Belastingplan 2011 waarover de Eerste Kamer een eigenstandige afweging moet maken. Het is terecht dat de heer Ten Hoeve zegt dat het kabinet ook een eigenstandige afweging moet maken over wat in dit kader wijsheid is. Ik kan op dit moment niet verdergaan dan de toezegging dat ik het buitengewoon goed wil monitoren. In die zin probeer ik de zorgen weg te nemen.

Handelingen I 2010-2011, nr. 13 – blz. 13

Staatssecretaris Weekers:

De regering is er sowieso mee gediend dat het Belastingplan wordt aanvaard. Dat geldt trouwens voor heel het land. Er staan namelijk heel grote belangen op het spel. Tegelijkertijd moeten wij constateren dat de Tweede Kamer en de Eerste Kamer op dit punt diametraal tegenover elkaar staan. Het is tot nu toe niet gelukt om daar een of andere vorm van compromis voor te vinden, anders dan mijn toezegging dat ik de zaak heel goed monitor en dat ik, als het nodig is, op de afspraak in het regeerakkoord terugkom. Ik wil namelijk niet verantwoordelijk zijn voor dramatische effecten voor de sector. Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat die dramatische effecten zich zullen voordoen. Daarom hoop ik dat wij de maatregel inhoudelijk op zijn merites kunnen beoordelen en dat het niet louter een machtsstrijd wordt tussen de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

Nota over de toestand van ’s Rijks financiën, EK 32500 S, blz. 1

Tot slot heeft het kabinet kennisgenomen van de aanvaarding van de motie van het lid Noten c.s. (32 500, I). In deze motie wordt de regering verzocht af te zien van het voornemen om de podiumkunsten per 1 januari 2011 onder het algemene btw-tarief te brengen. Bij de schriftelijke en mondelinge behandeling van het Belastingplan 2011 in de Tweede Kamer is dit onderwerp, mede naar aanleiding van de diverse maatschappelijk signalen, uitgebreid aan de orde geweest. Er zijn toen uiteindelijk drie amendementen en één motie over dit onderwerp in stemming gebracht, die alle werden verworpen. Uitvoering van de motie Noten zou – zelfs in de vorm van uitstel tot bijvoorbeeld 1 juli of 1 september – slechts dan mogelijk zijn indien het kabinet met succes een novelle op het Belastingplan 2011 door de Tweede Kamer zou weten te loodsen, die dan samen met het Belastingplan 2011 behandeld kan worden in de Eerste Kamer. Niet alleen gezien de stemverhoudingen in de Tweede Kamer bij de amendementen en de motie op dit onderwerp, maar ook na sondering afgelopen week is de kans dat deze novelle uiteindelijk uw Kamer bereikt nihil gebleken. Bij de schriftelijke behandeling van het Belastingplan 2011 in uw Kamer is gevraagd of het mogelijk is onderdelen van het wetsvoorstel, bijvoorbeeld deze btw-maatregel, niet in werking te laten treden zonder dat daarvoor een expliciete bepaling in het wetsvoorstel zelf is opgenomen. Hoewel dit in situaties waarin dit een tegemoetkoming betreft in theorie mogelijk is, stuit dit op belangrijke bezwaren. Een dergelijk afwijking zou strijdig zijn met het legaliteitsbeginsel. Ook zou zo’n afwijking op gespannen voet staan met de strekking van de motie Jurgens c.s.

Daarin is nadrukkelijk gevraagd om de wetgever lagere wetgevers niet langer te machtigen om regels te stellen die afwijken van de wet. In dit licht acht het kabinet uitvoering van het gevraagde derhalve niet mogelijk. Dit neemt niet weg dat het kabinet gevoelig is voor de zorgen die door uw Kamer zijn uitgesproken met betrekking tot de effecten van de btw-verhoging op de bezoekersaantallen. Het kabinet doet nadrukkelijk de toezegging de ontwikkelingen de komende periode nauwgezet te volgen. Het kabinet zal die afzetten tegen de veronderstellingen die zijn gehanteerd. Het kabinet zal nauw contact houden met de sector en daarbij alle beschikbare informatie benutten. Wanneer blijkt dat de maatregel onevenredig schade toebrengt aan de sector, dan zal het kabinet dit nadrukkelijk bezien mede in het kader van de uitwerking van de Fiscale Agenda 2011- 2015 (de zgn. startbrief), die zoals u bekend, in het volgend voorjaar aan de Tweede Kamer wordt gezonden.


Brondocumenten


Historie