Rappelabele toezeggingen Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Vooruitblik juli 2020)



Dit is het rappel vanaf 02-07-20 tot 02-01-21.

 




Toezegging Betrekken Eerste Kamer bij monitoring wet (34.035) (T02055)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bruijn (VVD), toe de Eerste Kamer te betrekken bij het proces van monitoring van de effecten van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, in het bijzonder voor wat betreft studie-uitval en extra-curriculaire activiteiten.


Kerngegevens

Nummer T02055
Status voldaan
Datum toezegging 20 januari 2015
Deadline 1 januari 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Kamerleden prof. dr. J.A. Bruijn (VVD)
Commissie commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen monitoring
studievoorschot
Kamerstukken Wet studievoorschot hoger onderwijs (34.035)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2014/15, 34 035, D, p. 16

Kan de regering aangeven waar voor haar de toelaatbare grens ligt van uitval ten gevolge van deze wet en welke maatregelen zij in voorkomend geval zal treffen, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Ook vragen zij of de regering bij haar evaluatie ook kan monitoren wat de effecten van het wetsvoorstel zijn op studie-uitval en in hoeverre de mogelijke «afhakers» diegenen zijn die zouden zijn uitgevallen als zij toch aan de studie waren begonnen. Is het mogelijk om bij de evaluatie ook de effecten van de wetswijziging op de participatie van studenten in extra-curriculaire activiteiten te betrekken, zoals bestuursjaren, verenigingsleven en onderzoek en zo ja, is ze bereid dit toe te zeggen, zo vragen deze leden.

De regering ziet met de leden van de VVD-fractie het belang van een goede monitoring, die inzicht biedt in alle relevante elementen. De regering zal na invoering van het wetsvoorstel de effecten op de toegankelijkheid goed blijven monitoren, zodat zo nodig tijdig bijgestuurd kan worden. Vanuit deze overweging zullen de breed gesteunde moties van de Tweede Kamerleden Slob c.s,18 Klaver c.s,19 en Van Meenen c.s.20 worden uitgevoerd. Daarin wordt de regering opgeroepen de gevolgen van de maatregelen voor studenten in kaart te brengen, met name voor degenen die afkomstig zijn uit gezinnen met lage inkomens (motie Slob), wordt de regering verzocht om na vier jaar een tussentijdse monitoring uit te voeren en daarbij de onderwijsinstellingen en studentenbonden actief te betrekken (motie Klaver) en om studenten een rol te geven in het vaststellen van de opzet en wijze van uitvoering van de monitoring (motie Van Meenen). Dit zal de regering onder andere doen aan de hand van instroom-, doorstroom- en uitvalcijfers, en door leengedrag, studievoortgang en studietempo te monitoren.

De regering wil conform de voorstellen van de leden van de VVD-fractie ook in kaart brengen in hoeverre de mogelijke uitvallers diegenen zijn, die ook zouden zijn uitgevallen als zij toch aan de studie waren begonnen. Ook wil de regering de effecten onderzoeken op de participatie van studenten in extra-curriculaire activiteiten. Dit ziet de regering als een doorlopend proces bij de invoering van de voorstellen. Of, hoe en wanneer zal worden bijgestuurd, hangt af van de effecten die optreden en de vraag waarop zal moeten worden bijgestuurd. De regering zal na invoering van het studievoorschot starten met een effectmeting onder de eerste studenten die onder het studievoorschot gaan vallen. Dit zal onderdeel zijn van de jaarlijkse beleidsmaatregelenmonitor van ResearchNed. Dit zal na studiejaar 2015/2016 kunnen leiden tot een eerste inzicht in de effecten van het studievoorschot. Dit is dan echter pas een eerste stap; structurele effecten zijn pas op langere termijn zichtbaar, zo blijkt uit ervaringen uit andere landen.

(...)

Handelingen I 2014-2015, nr. 17, item 3 - blz. 7

De heer Bruijn (VVD): Het CPB heeft op basis van internationale ervaringen een tijdelijke daling van de deelname geraamd van rond de 2%, ofwel voor hbo en wo samen 2.700 per jaar. Als de door het CPB genoemde studenten die tijdelijk niet meer zullen instromen vallen binnen de groep van 13.000 hbo- en 2.000 wo-studenten die toch al in het eerste jaar zouden zijn uitgevallen — en dat is niet uitgesloten, ook niet door het CPB — dan wordt met dit wetsvoorstel een belangrijke stap gezet naar een meer bewuste studiekeuze. Dit is alleen achteraf vast te stellen. Je kunt natuurlijk niet gaan enquêteren met de vraag of iemand later een uitvaller wordt. De VVD-fractie dankt de minister dan ook voor haar toezegging in de memorie van antwoord dat zij dit in kaart zal brengen, alsmede wat de effecten zijn op de participatie in extracurriculaire activiteiten zoals bestuursjaren. Mijn fractie verzoekt de minister, deze Kamer van de bevindingen ter zake op de hoogte te stellen. Graag een toezegging.

(...)

Handelingen I 2014-2015, nr. 17, item 3 - blz. 8

De heer Bruijn (VVD): Graag zouden de leden van mijn fractie willen weten of de minister bereid is ook deze Kamer op de hoogte te houden van ten eerste haar bevindingen uit het monitoren en de diverse aangekondigde effectmetingen van het studievoorschot, zoals aangekondigd in de memorie van antwoord, inclusief de opbrengst ervan.

(...)

Handelingen I 2014-2015, nr. 17, item 8 - blz. 28

Minister Bussemaker (PvdA): Het CPB heeft veel mogelijkheden, maar ook beperkingen. Het CPB werkt met een economisch model, een rekenregel. Wij hebben al die onderzoeken — het was meer dan een halve meter aan rapporten — gezamenlijk op ons laten inwerken. Wij hebben daarvan gezegd dat wij het niet beter zullen weten dan dit. Wij moeten het hiermee doen en wij moeten nu goed gaan monitoren. De Tweede Kamer heeft dit ook gevraagd, blijkens de moties van Slob c.s., Klaver c.s. en Van Meenen. Ik neem deze zeer serieus. Met name de motie-Klaver c.s. vraagt om direct te monitoren, ook na de instroom en de doorstroom en ook van kwetsbare groepen. Wij gaan dat doen door de huidige instroom op basis van een nulmeting te vergelijken met de instroom na de invoering van het wetsvoorstel. Ik zeg er echter direct bij dat een paar maatregelen die ik net noemde, ook in 2015 ingaan. Wij moeten daarmee rekening houden. Ik breng in kaart in welke mate de opbouw van de populatie verandert en welke factoren hiervoor verantwoordelijk zijn.

Conform de moties van de leden Slob en Klaver zal ik in ieder geval kijken naar de sociaaleconomische achtergrond, de vooropleiding — mavo, havo of vwo — de instroom van studenten in tweejarige mastertrajecten en studenten met een functiebeperking. Ik ga het beroep op en de effectiviteit van maatregelen monitoren, zoals de opgehoogde aanvullende beurs en de tegemoetkoming voor studenten met een functiebeperking.

Naast dit kwantitatieve deel van de monitoring zal ik ook kwalitatief onderzoek optuigen: wat zijn de motieven van niet-doorstromende mensen met een mbo-, havo- of vwo-diploma? Ik denk dat dit erg belangrijk is om meer zicht te krijgen op de argumenten. Liggen deze in de organisatie van het leenstelsel of in het bieden van gebrekkige informatie? In dit laatste geval heb ik een extra taak in de voorlichting. Als ze liggen in het niet goed verlopen van de overgang van mbo naar hbo, dan moeten we de schakelprogramma's intensiveren.

Ik kan nu niet zeggen bij welk percentage ik dat ga doen. Ik kan wel zeggen dat ik heel intensief jaarlijks een beleidsreactie naar de Tweede Kamer zal sturen, zoals ik de Tweede Kamer al heb toegezegd, en dat ik met studenten, instellingen en het parlement in gesprek zal gaan over de feiten die te zijner tijd uit de monitoring blijken. Die monitoring zal dus intensief zijn. Ik zeg de heer Bruijn toe dat ik bereid ben om ook de Eerste Kamer bij dit proces te betrekken.

(...)

Handelingen I 2014-2015, nr. 17, item 8 - blz. 58

De heer Bruijn (VVD): Ik dank de minister voor de toezegging om de Eerste Kamer te betrekken bij de serieuze monitoring.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Bekostiging collectie musea (34.109) (T02204)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Atsma (CDA) en Schnabel (D66), toe om samen met de Museumvereniging en de musea te evalueren of de gekozen aanpak voldoende recht doet aan de bekostiging van de collectie. Indien nodig kan de bekostiging per 2021 worden aangepast. De ervaringen uit 2017-2020 worden daarbij betrokken.


Kerngegevens

Nummer T02204
Status voldaan
Datum toezegging 8 december 2015
Deadline 1 januari 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Kamerleden J.J. Atsma (CDA)
Prof.dr. P. Schnabel (D66)
Commissie commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen collectie
musea
Museumvereniging
Kamerstukken Erfgoedwet (34.109)


Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr. 11, item 7 - blz. 8-9

Minister Bussemaker: Er zijn nog enkele andere vragen gesteld. De heer Atsma heeft gevraagd of er wel sprake is van adequaat beheer en onderhoud. Hij stelt dat een aantal musea klaagt over de verhouding tussen de middelen voor beheer en onderhoud. Is er wel sprake van een level playing field? Ik heb uitgebreid gesproken met de musea over deze kwestie, evenals over het onderbrengen van de collectie bij de Erfgoedwet en de middelen voor beheer die men houdt. Voor alle musea zijn de door hen zelf begrote posten in de subsidieaanvraag 2013-2016 voor behoud van de collectie als uitgangspunt genomen. Dat vind ik geen vreemd uitgangspunt. Dat doen we bij gemeenten ook heel vaak. Wij nemen historisch bepaalde gegevens als uitgangspunt voor een nieuwe situatie. Dat is wat we hier ook hebben gedaan.

Ik heb daarover zeer intensief overleg gevoerd met de Museumvereniging, die mij in een brief van 21 mei 2015 heeft aangegeven dat de aanpak breed wordt gedragen. Het is mij bekend dat enkele musea van mening zijn dat de kosten van behoud van de collectie hoger zijn dan de toegekende bekostiging. Ik ben het niet eens met de leden Schnabel en Atsma dat het daarbij om veel musea zou gaan. De musea waarvan ik weet dat wij daarmee in gesprek zijn of hierover gesproken hebben, zijn het Catharijneconvent, Naturalis, het Teylers Museum, Museum Meermanno, het Zuiderzeemuseum en het Nationaal Glasmuseum. Daar staat de Museumvereniging tegenover die namens alle musea heeft gezegd: wij vinden dat wij nu een uitgebalanceerd systeem hebben dat breed wordt gedragen.

De heer Schnabel (D66): Ik weet dat het om deze musea gaat. Dit speelt ook bij het Openluchtmuseum, maar op een wat andere manier omdat de collectie daar natuurlijk een wat ander karakter heeft dan in een gemiddeld Nederlands museum. Bij die musea — ik denk dat het buiten kijf staat dat dit vrij grote en belangrijke musea zijn — zijn er grote zorgen over het feit dat zij in een aantal opzichten, naar hun mening en ook gezien de cijfers die mij daarover gepresenteerd zijn, op achterstand komen te staan. Daarom doe ik toch het dringende verzoek om daar rekening mee te houden. Ook al gaat het niet om grote aantallen, dit betreft wel de kring van rijksmusea. Het Rijksmuseum zelf zit in een andere positie. Dat is zeker duidelijk. Voor dat museum werkt het eigenlijk heel positief uit. De andere musea hebben daardoor een extra reden om te zeggen: wij willen niet op achterstand gezet worden. Het is natuurlijk de bevoegdheid van de minister om daarnaar te kijken, maar ik wil haar toch dringend vragen om daar nog eens goed aandacht aan te besteden.

De voorzitter: De heer Atsma wil aansluitend hierop reageren.

De heer Atsma (CDA): Ik wil mij daar graag bij aansluiten. De minister noemde zes of zeven musea, maar ik heb begrepen dat het is toegenomen tot tien of zelfs meer musea. Het probleem zou het referentiejaar zijn. Ik meen dat dat 2013 is. Dat zou de musea in de problemen brengen. Ik sluit me graag aan bij de vraag van de heer Schnabel om de vinger aan de pols te houden. Het kan immers niet zo zijn dat er verschillende opvattingen zijn, terwijl iedereen zeer lovenswaardige intenties heeft.

Minister Bussemaker: Vanzelfsprekend houd ik graag de vinger aan de pols, maar op een gegeven moment moeten we ook een keer een besluit nemen. Ik constateer dat daar zeer uitgebreid overleg over is geweest en dat de Museumvereniging namens de musea in Nederland in zijn algemeenheid en al die andere musea heeft aangegeven dat zij dit werkbaar vindt. Ik heb de indruk dat wij goed geborgd hebben dat musea hierdoor geen ernstige problemen zullen ondervinden.

Hoe zit het nu? Gemiddeld heeft 66% van de totale subsidie betrekking op de huisvesting en de collectie. Over het resterende deel, voor publieksactiviteiten en overige activiteiten, ontvangen de musea ten minste 90% van de subsidie 2013-2016. Ook de Museumvereniging zelf concludeert in haar brief dat het risico dat musea benadeeld worden minimaal is. Het maximale percentage waarmee musea theoretisch gezien benadeeld zouden kunnen worden, is 3. Per saldo betekent dit immers dat 97% van de subsidie van 2013 in ieder geval ook in 2017-2020 wordt verleend. Het wordt een wat technisch verhaal, maar daar komt nog bij dat de collectiemiddelen en de overige middelen feitelijk communicerende vaten zijn.

Ik snap dat musea zo veel mogelijk vast budget willen hebben, maar wij willen enige dynamiek in het systeem introduceren door bijvoorbeeld ook te bekijken hoe men omgaat met publieksactiviteiten. Nogmaals, ik denk dat dit gezien de huidige situatie verantwoord is en dat het behoud van de collectie daarmee zowel op de korte termijn als op de langere termijn verzekerd is. Het is nog een voornemen. Het ligt nu bij de musea. Zij kunnen hun zienswijze voor 1-1-2016 aan mij bekendmaken. Los van het feit dat ik toch al graag een vinger aan de pols houd, kunnen de musea die daar aanleiding toe zien, hun zienswijze voor het eind van het jaar naar voren brengen. Ik zeg ook toe om samen met de Museumvereniging en de musea te evalueren of de gekozen aanpak voldoende recht doet aan de bekostiging van de collectie. Indien nodig kan de bekostiging per 2021 worden aangepast. Ik zal daarbij ook kijken naar de zaken waar de genoemde musea bang voor zijn.

De heer Atsma (CDA): Ik neem aan dat dit betekent dat er voor 2018-2019 een evaluatiemoment wordt ingepland.

Minister Bussemaker: De eerste periode is 2017-2020. Daarna gaat de volgende periode lopen. Dat is het moment waarop er geëvalueerd wordt, althans waarop wij weer een nieuw besluit zouden kunnen nemen. De ervaringen uit 2017-2020 zullen daarbij worden betrokken.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evaluatie wet (34.251) (T02330)

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bruijn (VVD), toe dat in 2020/2021 een evaluatie zal plaatsvinden waarin in ieder geval worden meegenomen de praktische uitwerking van het instemmingsrecht van de opleidingscommissie op de Onderwijs en Examenregeling (OER) en hoe dit recht zich verhoudt tot de rechten van andere medezeggenschapsorganen waaronder die van de faculteitsraad, tot het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting in het mbo en tot het collegegeldvrij besturen.


Kerngegevens

Nummer T02330
Status voldaan
Datum toezegging 7 juni 2016
Deadline 1 januari 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Kamerleden prof. dr. J.A. Bruijn (VVD)
Commissie commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen bestuurskracht
evaluaties
Kamerstukken Versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen (34.251)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2015/16, 34 251, E, p. 2-3

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat er geen horizonbepaling in het wetsvoorstel zit. De leden vragen of de regering in het geval van een bevestiging bereid is toe te zeggen dat op de door hen genoemde onderdelen een evaluatie of monitoring plaats zal vinden. Er is in het wetsvoorstel geen horizonbepaling opgenomen, maar de regering vindt het niettemin belangrijk dat er goed wordt gekeken naar de uitwerking van de maatregelen in het wetsvoorstel in de praktijk. Zoals de regering in de memorie van antwoord heeft aangegeven gaat het er niet alleen om dat op papier de «checks and balances» in orde zijn, maar dat deze ook in de praktijk goed functioneren. Daarom zegt de regering toe dat in 2020/2021 een evaluatie zal plaatsvinden waarin in ieder geval worden meegenomen: de praktische uitwerking van het instemmingsrecht van de opleidingscommissie op de Onderwijs en Examenregeling (OER) en hoe dit recht zich verhoudt tot de rechten van andere medezeggenschapsorganen waaronder die van de faculteitsraad, tot het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting in het mbo en tot het collegegeldvrij besturen. De regering zal de beide Kamers der Staten-Generaal daarnaast op de hoogte houden van de voortgang van de professionalisering van bestuurders en toezichthouders. In de tussentijd houdt de regering een vinger aan de pols, bijvoorbeeld met de Medezeggenschapsmonitor in het hoger onderwijs. Voor het mbo zal de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) gevraagd worden om aandacht aan dit onderwerp te besteden in de tweejaarlijkse JOB-monitor. Dergelijke instrumenten kunnen ook input leveren voor de evaluatie.

(...)

Handelingen I 2015-2016, nr. 33, item 10 - blz. 7

De heer Bruijn (VVD): Mijn fractie heeft er goede nota van genomen dat de minister heeft aangegeven dat het niet de bedoeling is dat studenten meebeslissen over eindtermen. De minister kan zich voorstellen, zo schrijft zij, dat het lijkt alsof de opleidingscommissies

instemming hebben op de vakinhoudelijke aspecten van de opleiding. De minister zegt toe om hier apart op te monitoren en te evalueren bij de evaluatie van de wet. Mocht het tot ongewenste situaties leiden, dan kan zij dit aanpassen. Dat is winst, maar neemt niet al onze zorgen weg. De evaluatie zal immers plaatsvinden in 2020-2021. Mijn vraag is of de minister kan toezeggen dat zij bereid is in te grijpen bij eventuele zorgelijke tussentijdse signalen, dus eerder dan bij de evaluatie van de wet?

(...)

Handelingen I 2015-2016, nr. 33, item 10 - blz. 9

De heer Bruijn (VVD): Ten slotte vraag ik de minister om de toezeggingen uit de schriftelijke gedachtewisseling die ik genoemd heb, voor de Handelingen te bevestigen.

(...)

Handelingen I 2015-2016, nr. 33, item 12 - blz. 3

Minister Bussemaker: Tegen de heer Bruijn zeg ik alvast dat ik hierbij de toezeggingen bevestig uit het schriftelijk verslag. Ik geloof dat mevrouw Martens daar ook naar had gevraagd. Die hebben we dan in ieder geval gehad.

(...)

Handelingen I 2015-2016, nr. 33, item 12 - blz. 17

Minister Bussemaker: De heer Bruijn en mevrouw Martens vroegen wat ik nu precies heb toegezegd. Ik heb in de nota naar aanleiding van het verslag drie dingen toegezegd. Ten eerste dat het instemmingsrecht van de opleidingscommissie op de Onderwijs- en Examenregeling en de wijze waarop dit instemmingsrecht zich verhoudt tot de rechten van andere medezeggenschapsorganen, waaronder die van de faculteitsraad, terugkomt in de evaluatie. Ten tweede: het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting in het mbo. Ten derde: een evaluatie van het collegegeldvrij besturen. De toezeggingen van vanavond laat ik maar even achterwege, want die heeft iedereen vast nog scherp in beeld.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evaluatie wetswijziging (34.355) (T02448)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Martens (CDA), Bruijn (VVD) en Nooren (PvdA), toe over twee jaar met de VSNU en het Rectoren College te overleggen over de uitbreiding van het ius promovendi, over vijf jaar de wetswijziging te evalueren en die mee te nemen bij de Balans van de wetenschap in 2022. De naleving van de handreiking, het transnationale aspect, het toenemende aantal Engelstalige masteropleidingen en de aansluiting van die opleidingen op de beroepspraktijk worden daarbij betrokken.


Kerngegevens

Nummer T02448
Status deels voldaan
Datum toezegging 6 juni 2017
Deadline 1 januari 2027
Verantwoordelijke(n) Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Kamerleden prof. dr. J.A. Bruijn (VVD)
Drs. M.J.Th. Martens (CDA)
Drs. J.E.A.M. Nooren (PvdA)
Commissie commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen hoogleraren
internationalisering
ius promovendi
Kamerstukken Bevordering internationalisering hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (34.355)


Uit de stukken

Handelingen I 2016-2017, nr. 30, item 7 - blz. 1

Mevrouw Martens (CDA): Uiteraard hebben de leden kennisgenomen van de antwoorden van de minister. Zij stelt dat de kwaliteit gewaarborgd wordt door het college voor promoties, dat volgens de wet alleen uit hoogleraren kan bestaan en dat de exclusieve bevoegdheid heeft om een promotor aan te wijzen. Daarmee kunnen dus alleen hoogleraren vaststellen of een personeelslid van de universiteit voldoende bekwaam is. Dit college heeft bovendien de plicht een promotiereglement op te stellen waarin de taak en de bevoegdheden van bij promoties betrokkenen worden geregeld. Toch vernemen de leden graag nog eens van de minister hoe het wetsvoorstel borgt dat er geen sprake zal zijn van een glijdende schaal, zoals elders in het onderwijs is gebeurd bij de eerste en tweedegraders. We zien daarbij dat er steeds minder eerstegraders en steeds meer onbevoegden voor de klassen staan.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 30, item 7 - blz. 2

De heer Bruijn (VVD): Mijn fractie heeft begrip voor de wens van niet-hoogleraren om in voorkomende gevallen te kunnen optreden als promotor in plaats van als copromotor. De schriftelijke gedachtewisseling daarover tussen deze Kamer en de regering heeft de aandacht getrokken van veldpartijen. Er is steun voor het wetsvoorstel uitgesproken door de KNAW en De Jonge Akademie. Mijn fractie heeft ook met instemming kennisgenomen van de aangepaste handreiking voor de colleges voor promoties van de VSNU op voorstel van het rectorencollege. Deze gewijzigde handreiking komt, in combinatie met de antwoorden van de regering, in belangrijke mate tegemoet aan de eerder geuite zorgen van mijn fractie. Zo worden aan de promotor robuuste kwaliteitseisen gesteld en wordt de verantwoordelijke hoogleraar betrokken bij de benoeming van de promotor. Toch is mijn fractie nog niet geheel gerustgesteld en resteren er enkele vragen.

Ten eerste is dat de vraag of, en in welke mate, deze handreiking ook zal worden nageleefd. Kan de minister aangeven in hoeverre de handreiking tot nu toe daadwerkelijk door de universiteiten werd gebruikt? Hoe gaat de minister erop toezien dat de gewijzigde handreiking wordt nageleefd?

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 30, item 7 - blz. 13

Mevrouw Nooren (PvdA): De regering had aanvankelijk gekozen voor een zeer ruime benadering van de verbreding van het promotierecht. Op initiatief van de Tweede Kamer is deze ruimte beperkt tot gepromoveerde medewerkers. De VSNU gaat in haar handreiking uit van uitsluitend universitair hoofddocenten. Deze beperking roept bij mijn fractie wel een vraag op. Hoe kijkt de minister aan tegen de gekozen inperking in het licht van haar ambitie om de internationale carrièremogelijkheden van getalenteerde wetenschappers te verruimen? Is het op deze manier niet een druppel op een gloeiende plaat wat betreft het verbeteren van het carrièreperspectief voor talentvolle medewerkers in het hoger onderwijs? Of anders gezegd: verdienen universitaire docenten dan geen internationaal carrièreperspectief? Graag een reactie van de minister.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 30, item 7 - blz. 23-25

Minister Bussemaker: Dat zijn wat mij betreft allemaal redenen om tot die uitbreiding te komen, maar wel met een kwaliteitswaarborg. Een deel daarvan is gerealiseerd met amendementen van de Tweede Kamer. Alleen degenen die zelf gepromoveerd zijn, mogen begeleiden. Dat was een goede toevoeging door de Tweede Kamer. Tegen de heer Bruijn zeg ik nog maar een keer dat ook ongewijzigd blijft dat het college voor promoties zorg draagt voor de kwaliteitsborging van het ius promovendi. Dat college bestaat uit hoogleraren. Alleen hoogleraren bepalen dus welke hoogleraar als promotor kan optreden of welk personeelslid van een universiteit, niet zijnde een hoogleraar, desalniettemin over voldoende bekwaamheid beschikt om als promotor op te treden. Daarom zeg ik tegen mevrouw Martens dat ik door deze manier van borgen niet zo bang ben voor een glijdende schaal.

Mevrouw Nooren vroeg of dit geen druppel op een gloeiende plaat is. Dat denk ik ook niet, maar het moet wel keer op keer beargumenteerd worden. We zullen de komende jaren zien of dit echt betekenisvol is.

(...)

Met betrekking tot de handreiking vroeg de heer Bruijn naar de ervaringen tot nu toe. Die zijn er dus nog niet, want die handreiking is net gemaakt door de VSNU en het Rectorencollege. Het feit dat die nu gemaakt is, geeft mij het vertrouwen dat men hier serieus mee bezig is.

De heer Bruijn (VVD): Nee, de handreiking is net gewijzigd. Mijn vraag was of de al bestaande handreiking eigenlijk wel gebruikt werd. Ik kan mij overigens voorstellen dat daar geen informatie over is, maar het was gewoon een vraag. Het is echter dus niet zo dat er geen handreiking was. Mijn eerste vraag was of die eigenlijk wel werd gebruikt. De andere vraag was wat de verwachtingen zijn en of we misschien in een evaluatie gaan monitoren of de gewijzigde handreiking ook gebruikt gaat worden. Nogmaals, als er geen informatie is over het gebruik van de al bestaande handleiding, zou ik dat goed begrijpen, maar ik was gewoon benieuwd of die er was.

Minister Bussemaker: Dan heb ik de vraag van de heer Bruijn verkeerd begrepen. Ik dacht dat hij wilde weten hoe de handreiking werkt waarin nu dus komt te staan dat van een uhd voldoende aangetoond moet zijn dat hij zowel een goed onderzoeker als een goede begeleider is, dat decanen de uhd voor kunnen dragen en dat nu een procedurele tussenstap mogelijk is, waarbij de decaan een voordracht doet van een uhd als promotor en waarbij de hoogleraar in het betreffende vakgebied ook is geraadpleegd. Dat kunnen we dus niet aangeven; dat kan ik ook niet aangeven van de huidige handreiking. Ik kan wel toezeggen dat ik graag bereid ben om een en ander te evalueren; dat zei ik zojuist al in de richting van mevrouw Nooren.

Mevrouw Martens is bang voor een glijdende schaal. Daar ben ik echt niet bang voor, omdat we dit met waarborgen hebben omkleed. Is het dan een druppel op een gloeiende plaat? Dat zijn eigenlijk twee uitersten van een mogelijke inschatting. Ik denk dat wij hiermee de balans die wij allemaal willen, redelijk vinden. Ik zeg toe dat we na vijf jaar zullen evalueren of dat zo is. Ook de naleving van de handreiking betrekken we daar dan bij. Dat zal dan meelopen in de Balans van de wetenschap in 2022.

(...)

De heer Bruijn (VVD): Ik dank de minister voor de door mij gevraagde toezegging om de wetswijziging te evalueren na vijf jaar. Ik had gevraagd om daarbij niet alleen de naleving van de handreiking mee te nemen — we kunnen bekijken of die wordt toegepast — maar ook de betrokkenheid van de verantwoordelijke hoogleraar en de eventuele behoefte in het veld tegen die tijd aan een instemmingsrecht.

Minister Bussemaker: Ik heb toegezegd dat ik de handreiking erbij wil betrekken en daarmee dus ook het voorstel in die handreiking dat de decaan advies kan vragen aan de betreffende hoogleraar. Als dat niet gebeurt, komt dat vanzelf wel naar voren bij de evaluatie. Ik zou het echter verkeerd vinden om de suggestie te wekken dat een hoogleraar altijd de eindverantwoordelijkheid moet dragen. Dat ben ik echt niet met de heer Bruijn eens, want die verantwoordelijkheid draagt wat mij betreft het college voor promoties.

(...)

Tegen mevrouw Nooren en de heer Bruijn zei ik al dat ik over twee jaar nog eens het gesprek zal aangaan met de VSNU en het Rectoren College. Ook zal ik een evaluatie na vijf jaar uitvoeren en die meenemen bij de Balans van de wetenschap.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 30, item 7 - blz. 33

De heer Bruijn (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor de heldere beantwoording en het debat. De minister heeft het belang van een internationale attitude voor de nieuwe generatie nog eens benadrukt, zowel op sociaal-cultureel als economisch gebied, en daar kan mijn fractie zich goed in vinden. Internationalisering is ook een feitelijke ontwikkeling, en die is wellicht gewenst, maar we moeten ernaar kijken, we moeten erin mee, want de wereld internationaliseert. Ik kan me dus zeer goed vinden in de beantwoording. Ik ben blij met de toezegging van een evaluatie na vijf jaar van deze wet, waarin ook het transnationale aspect meegenomen wordt, als ik het goed begrijp.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 30, item 7 - blz. 35

Mevrouw Nooren (PvdA): Mijn fractie is blij met de helderheid over de rolverdeling tussen de promotor, het college van promotoren en de zittende hoogleraren. Mijn fractie vindt het ook een goede zaak dat de minister heeft toegezegd dat zij bij de evaluatie zal bekijken hoe een en ander zich ontwikkelt. Het gaat dan om vragen als "wat betekent dit voor de kwaliteit van het onderzoek?" en "welke gevolgen heeft dit voor de rolverdeling binnen de universiteit?". De minister heeft toegezegd dat zij over twee jaar met het college van promoties gaat praten en dat er over vijf jaar een brede evaluatie zal plaatsvinden. Wil de minister in die evaluatie ook de invloed van het toenemende aantal Engelstalige masteropleidingen en de aansluiting van die opleidingen op de beroepspraktijk meenemen?

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 30, item 7 - blz. 36

Minister Bussemaker: Mevrouw Nooren vroeg ook om de Engelstalige masteropleiding mee te nemen bij de evaluatie van het KNAW-rapport, alsook de relatie met de beroepspraktijk. Daar kan ik ja op zeggen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging De Kamer de evaluatie inzake de subsidieregeling van de Wet fiscale maatregel rijksmonumenten aanbieden (34.556) (T02685)

De Minister van Onderwijs zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bruijn (VVD), toe de Kamer de evaluatie inzake de subsidieregeling van de Wet fiscale maatregel rijksmonumenten aan te bieden.


Kerngegevens

Nummer T02685
Status voldaan
Datum toezegging 11 december 2018
Deadline 1 januari 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Kamerleden prof. dr. J.A. Bruijn (VVD)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen Subsidieregeling Instandhouding Monumenten (SIM)
Kamerstukken Wet fiscale maatregel rijksmonumenten (34.556)


Uit de stukken

Handelingen I 2018-2019, nr. 11 item 12 - blz. 3

Minister Van Engelshoven:

Mevrouw Sent had een vraag over de financiële zekerheid. Om die zekerheid te geven, is er gekozen voor een systematiek met een subsidieplafond van 200 miljoen voor vier jaar, in plaats van 50 miljoen per jaar. Eventuele onder- en overschrijdingen kunnen dan worden gecompenseerd over de jaargrenzen heen. Zo weten we in ieder geval dat we de komende jaren aan alle subsidieaanvragen tegemoet kunnen komen. In 2020 wordt de regeling geëvalueerd. Dat is één van de toezeggingen die ik aan de Tweede Kamer heb gedaan. Dan kunnen we ook bekijken of we uitkomen met dat subsidieplafond. Op basis van de uitgaven voor de aftrek verwachten we met het huidige budget goed uit te komen. Maar bij de evaluatie in 2020 kunnen we zien of die verwachting werkelijkheid is.

Handelingen I 2018-2019, nr. 11 item 12 - blz. 14

De heer Bruijn (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Graag dank ik de minister voor de heldere beantwoording over de Monumentenwet. Die hebben wij zeer gewaardeerd. De verschillende toelichtingen en toezeggingen ook. Wij hebben duidelijk begrepen dat de aanvankelijke bezuiniging van 25 miljoen van een tijd geleden van de baan is en dat het budget voor particuliere eigenaren onveranderd blijft. Wij hebben ook de toezegging gehoord aangaande de andere rechtsvormen. Ik noem ook de toezegging dat in 2020 deze wet geëvalueerd wordt. Misschien wil de minister nog toezeggen om die evaluatie te zijner tijd ook aan deze Kamer te laten toekomen. En dan is er de toezegging om een oplossing te zoeken in termen van nadere compensatie in verband met de vervallen aftrek voor niet-monumentale onderzoeken.

Handelingen I 2018-2019, nr. 11 item 12 - blz. 20

Minister Van Engelshoven:

Voorzitter. Tot slot nog twee vragen. De heer Bruijn vroeg of, als de wet geëvalueerd wordt —het is geen wet, maar een subsidieregeling die geëvalueerd wordt — die evaluatie ook aan deze Kamer kan worden gezonden. Dat zeg ik u graag toe.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Stand van zaken kwaliteitsafspraken en betrokkenheid medezeggenschap (35.007) (T02722)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Rinnooy Kan (D66), toe haar te informeren over de stand van zaken van de kwaliteitsafspraken en de mate van betrokkenheid van de medezeggenschap bij de hoger onderwijsinstellingen.


Kerngegevens

Nummer T02722
Status voldaan
Datum toezegging 28 mei 2019
Deadline 1 januari 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Kamerleden Prof.dr. A.H.G. Rinnooy Kan (D66)
Commissie commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen kwaliteitsafspraken
Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie
Kamerstukken Wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs (35.007)


Uit de stukken

Handelingen I 2018-2019, nr. 31, item 3 – blz. 15

De heer Rinnooy Kan (D66): De fractie van D66 heeft nog een derde zorg. Bij de invoering van het leenstelsel was de mogelijkheid om de opbrengsten ervan ten goede te laten komen aan de kwaliteit van het hoger onderwijs een belangrijk argument voor de voorstanders. Bij de studenten leven, zo begrijp ik, twijfels over de mate waarin dat gebeurt. Die zorg verdient weggenomen te worden, zeker nu dit wetsvoorstel zo snel volgt op de stelselwijziging. Kan de minister deze Kamer op dat punt nu al direct met feitelijke informatie geruststellen? Is er voorzien in een goede entree voor de medezeggenschap bij de voortgangscontrole? Zou de minister willen toezeggen ook deze Kamer daarover met enige regelmaat te willen blijven informeren?

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 32, item 16 - blz. 1-2

Minister Van Engelshoven: Ten tweede wil ik ook nog wel even ingaan op de destijds gemaakte afspraken over de aanwending van de opbrengsten van het studievoorschot en hoe dit wetsvoorstel zich daartoe verhoudt. De heer Bruijn, de heer Rinnooy Kan en mevrouw Duthler vroegen hiernaar. Vorig jaar zomer hebben de Vereniging Hogescholen, de VSNU, het ISO en de LSVb mij laten weten dat alle medezeggenschapsraden voor 2018 hebben ingestemd met de besteding van de studievoorschotmiddelen op het terrein van onderwijskwaliteit. En vorig jaar heb ik met deze partijen een akkoord gesloten voor 2019 en verder. De twee belangrijke uitgangspunten zijn daarbij dat alle studievoorschotmiddelen altijd ten goede komen aan onderwijskwaliteit en dat studenten bij de planvorming en gedurende de uitvoering worden betrokken. Dan gaat het dus om alle opbrengsten uit het studievoorschotwetsvoorstel. En studenten hebben instemmingsrecht op de besteding van de studievoorschotmiddelen.

Instellingen maken nu volop plannen en de NVAO is begonnen met de toetsing van de plannen. Dragen die plannen niet beredeneerd bij aan de kwaliteitsverbetering of is de medezeggenschap onvoldoende betrokken, dan wordt de instelling teruggestuurd naar de tekentafel. Zij krijgt dan nog een herkansing. Een instelling zal zich jaarlijks verantwoorden over de voortgang ten aanzien van de inhoud en het proces. Ook krijgt de medezeggenschap de gelegenheid zelfstandig te rapporteren over de besteding van de studievoorschotmiddelen in een bijlage bij het jaarverslag. In 2022 zal de NVAO toetsen of de instelling de voornemens in voldoende mate heeft gerealiseerd en of de medezeggenschap gedurende de uitvoering voldoende betrokken is gebleven. De NVAO maakt daarnaast eind 2020 en eind 2022 een landelijk beeld op van de stand van zaken van die kwaliteitsafspraken. Ik zeg graag toe dat ik ook uw Kamer zal informeren over die uitkomsten.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Psychische problematiek onder studenten (35.007) (T02723)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Nooren (PvdA), Martens (CDA), Baay-Timmerman (50PLUS), Rinnooy Kan (D66) en Bikker (ChristenUnie), toe een grootschaliger vervolgonderzoek over de psychische problematiek onder studenten uit te laten voeren. Hierbij wordt rekening gehouden met de specifieke vereisten van het kwantitatief bevragen van deze doelgroep.


Kerngegevens

Nummer T02723
Status voldaan
Datum toezegging 28 mei 2019
Deadline 1 januari 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Kamerleden Mr. M.H.H. Baay-Timmerman (50PLUS)
Mr. M.H. Bikker (ChristenUnie)
Drs. M.J.Th. Martens (CDA)
Drs. J.E.A.M. Nooren (PvdA)
Prof.dr. A.H.G. Rinnooy Kan (D66)
Commissie commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen leenstelsel
psychische problemen
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne
Kamerstukken Wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs (35.007)


Uit de stukken

Handelingen I 2018-2019, nr. 31, item 3 – blz. 4

Mevrouw Nooren (PvdA): Vlak voor het weekend hebben we kennis kunnen nemen van dit onderzoek van het RIVM. Ik heb er geen startpunt in gezien als het gaat om te begrijpen wat er onder jongeren speelt, wat de oorzaken van de stress zijn en wat er gedaan kan worden om te zorgen dat ze goed in hun vel zitten, met plezier leven en studeren. Hoe kijkt de minister aan tegen de resultaten van dit onderzoek? Heeft het nu niet de hoogste urgentie om beter grip te krijgen op de mentale druk van studenten, jongeren en jongvolwassenen en maatregelen te nemen om maatschappelijke kosten als studie-uitval en vertraging, gezondheidsklachten, werkuitval en de levenslange gevolgen van een burn-out tegen te gaan, zo vragen we de minister nogmaals.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 31, item 3 – blz. 8

Mevrouw Martens (CDA): De minister stelt ook dat met dit wetsvoorstel de toegankelijkheid gewaarborgd blijft. Graag horen de leden van de minister nog eens de motivering van deze stellingname, mede in het licht van de zorgen die te horen zijn bij de studenten en mede in het licht van het RIVM-rapport van afgelopen week over de mentale druk onder studenten.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 31, item 3 – blz. 10

Mevrouw Baay-Timmerman: Voorzitter. Het actuele rapport van het RIVM van 24 mei 2019 over de mentale druk bij jongeren is inmiddels afgerond en vrijgegeven. Wat mijn fractie grote zorgen baart, zijn de uitkomsten uit de diverse onderzoeken over de mentale druk waaronder studenten staan. Ruim 60% van de lenende studenten ervaart regelmatig stress door hun studieschuld. Ook het laatste onderzoek door het RIVM en het CBS spreekt van toename van psychische problemen onder jongeren. Bovendien was uit eerder onderzoek al gebleken dat deze druk kan leiden tot gezondheidsklachten en gebruik van medicatie. Het presteren onder zware druk zal de studieresultaten niet bevorderen, waardoor de kans op uitval in de toekomst zal gaan toenemen.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 31, item 3 – blz. 15

De heer Rinnooy Kan: Voorzitter. Gerust is de D66-fractie ook niet op de ontwikkelingen in het mentale welzijn van studenten. Al te vaak wordt bericht over toenemende spanning en stress in de studentenpopulatie en niet valt uit te sluiten dat financiële zorgen daarbij een rol spelen. De cijfers rond vroege burn-out zijn ronduit verontrustend. Deelt de minister deze zorgen? De leden verwelkomen de zojuist verschenen RIVM-rapportage over dit onderwerp en de erop aansluitende toegezegde welzijnsnulmeting, maar denken nu al te weten dat een vervolg daarop weer onvermijdelijk zal zijn. Zij vragen de minister in dat vervolg speciaal aandacht te blijven schenken aan de mogelijke welzijnseffecten van de studiefinanciering en in het bijzonder aan de mogelijke effecten bij invoering van de voorliggende wet. Is zij er gerust op dat laatstgenoemde effecten verwaarloosbaar zullen zijn en zo ja, waarop baseert zij dat vertrouwen? Zou de voorlichting vooraf aan studenten over studieschuldeffecten ook niet beter kunnen en beter moeten? Zijn de voorzieningen, getroffen op universiteiten en hogescholen om studenten met psychologische problemen te begeleiden, naar het oordeel van de minister adequaat? Kan de Kamer erop vertrouwen van haar een spoedige reactie te ontvangen op de RIVM-rapportage, bij het opstellen waarvan de studentenorganisaties betrokken zullen worden?

(…)

Handelingen I 2018=2019, nr. 32, item 16 - blz. 14-15

Minister Van Engelshoven: Voorzitter. Er waren ook verschillende vragen over de mentale druk onder studenten. Een aantal van u heeft mij ook gevraagd naar mijn visie op het recent verschenen RIVM-onderzoek. Dat verscheen afgelopen week. In dat RIVM-onderzoek zien we dat stress en prestatiedruk een rol spelen. In zekere mate horen die ook wel bij studeren: een zekere mate van druk hoort daar ook wel een beetje bij. Dat RIVM-onderzoek zegt dat het vooral gaat om de balans tussen de druk en de stress die je ervaart en de weerbaarheid die je daartegen hebt. Het RIVM-onderzoek zegt heel duidelijk dat er niet één factor is die zorgt voor stress en psychische klachten. Het gaat altijd om een stapeling van factoren. Ik had gehoopt dat het RIVM-onderzoek wat meer duidelijkheid zou geven over waar het precies aan ligt bij studenten, zodat we het konden aanpakken. Ik vond het onderzoek in dat opzicht een beetje teleurstellend. Een aantal van u zei dat ook. Ik had er meer van verwacht. Daarom zullen we een vervolgopdracht geven voor een grootschaliger kwantitatieve nulmeting over de psychische problematiek onder studenten. Bij dat onderzoek zullen we ook de studenten zelf betrekken.

(…)

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Dank dat de minister verdiepend onderzoek gaat uitvoeren. Tegelijk is dat razend lastig, want als je pas meet op het moment dat iemand een burn-out heeft, dan is hij helemaal aan het eind. Je wilt juist eerder weten wanneer die mentale druk is. Vraagt de minister ook om juist op dat punt tot instrumenten te komen om die druk meer in beeld te krijgen? Ik weet dat het razend ingewikkeld is, maar wil de minister ook daarnaar kijken, vraag ik via de voorzitter.

Minister Van Engelshoven: Ja voorzitter, daar willen we natuurlijk naar kijken. Liefst voorkom je natuurlijk dat er problemen ontstaan. We moeten dus juist op zoek naar de aangrijpingspunten om dit soort problemen bij studenten te voorkomen.

Mevrouw Nooren (PvdA): Aanvullend daarop. Ik schrik een beetje van het woord "kwantitatief onderzoek". Het eerste wat mensen met werkdruk en stress niet meer doen, is hun mail lezen en aan onderzoek meedoen. Dat adviseert ook de bedrijfsarts: stoppen met contacten die je regulier hebt. Dus er is kans op systematische uitval van degenen die het betreft. Ik wil de minister vragen om bij de opzet van het onderzoek niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief onderzoek te overwegen en nadrukkelijk rekening te houden met het leefpatroon van mensen die werkdruk ervaren.

Minister Van Engelshoven: Overigens doe ik dat kwantitatief onderzoek op nadrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer. Een verzoek daartoe werd daar door de Partij van de Arbeid-fractie gesteund. Natuurlijk zullen wij ervoor zorgen dat we de groep goed in beeld hebben. We zullen deskundigen vragen om een goed onderzoek te doen en vragen of zij rekening willen houden met de specifieke vereisten van het kwantitatief bevragen van deze doelgroep.


Brondocumenten


Historie