Verslag van de plenaire vergadering van dinsdag 5 december 2017



Parlementair jaar 2017/2018, 11e vergadering

Aanvang: 09.30 uur
Sluiting: 15.50 uur
Status: gecorrigeerd

Bekijk de video van dit verslagpunt

Opening

Voorzitter: Broekers-Knol

Tegenwoordig zijn 74 leden, te weten:

Aardema, Van Apeldoorn, Atsma, Baay-Timmerman, Backer, Barth, Beuving, Van Bijsterveld, Bikker, Bredenoord, Brinkman, Broekers-Knol, Bruijn, De Bruijn-Wezeman, Dercksen, Peter van Dijk, Diederik van Dijk, Don, Duthler, Engels, Ester, Faber-van de Klashorst, Flierman, Ganzevoort, Gerkens, De Graaf, De Grave, Van Hattem, Ten Hoeve, Huijbregts-Schiedon, Jorritsma-Lebbink, Van Kappen, Niek Jan van Kesteren, Ton van Kesteren, Klip-Martin, Knapen, Knip, Koffeman, Köhler, Kox, Kuiper, Lintmeijer, Lokin-Sassen, Martens, Meijer, Nagel, Nooren, Oomen-Ruijten, Overbeek, Pijlman, Postema, Prast, Van Rij, Rinnooy Kan, Rombouts, Ruers, Schaap, Schalk, Schaper, Schnabel, Schouwenaar, Sent, Sini, Van der Sluijs, Stienen, Van Strien, Strik, Teunissen, Van de Ven, Verheijen, Vlietstra, Vos, De Vries-Leggedoor en Wezel,

en mevrouw Van Ark, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw Bijleveld, minister van Defensie, de heer Blokhuis, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de heer Bruins, minister voor Medische Zorg, de heer Dekker, minister voor Rechtsbescherming, mevrouw Van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de heer Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid, de heer Harbers, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de heer De Jonge, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, viceminister-president, mevrouw Keijzer, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, de heer Knops, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de heer Koolmees, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga, minister van Infrastructuur en Waterstaat, mevrouw Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, viceminister-president, de heer Rutte, minister-president, minister van Algemene Zaken, mevrouw Schouten, minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, viceminister-president, de heer Slob, minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, mevrouw Van Veldhoven, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, mevrouw Visser, staatssecretaris van Defensie, en de heer Wiebes, minister van Economische Zaken en Klimaat.


Bekijk de video van dit verslagpunt

Mededelingen

De voorzitter:

Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Ingekomen en door mij aanvaard zijn berichten van verhindering van de volgende bewindspersonen:

de heer Zijlstra, minister van Buitenlandse Zaken, wegens deelname aan de NAVO-Ministeriële te Brussel;

mevrouw Kaag, minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, wegens deelname aan de conferentie "European Trade Policy Day. Trade Policy in a Turbulent World" te Brussel;

de heer Hoekstra, minister van Financiën, en de heer Snel, staatssecretaris van Financiën, in verband met deelname aan de Raad voor Economische en Financiële Zaken (Ecofin-Raad) te Brussel;

de heer Wiebes, minister van Economische Zaken en Klimaat, en mevrouw Keijzer, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, zijn gedeeltelijk afwezig, wegens een afspraak met H.M. de Koningin in haar functie als lid van het Nederlands Comité voor Ondernemerschap en Financiering;

mevrouw Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zal rond 10.15 uur aanwezig zijn en in verband met een ontvangst van de Deense minister van Justitie afwezig zijn tussen 12.45 uur en 14.00 uur;

mevrouw Bijleveld, minister van Defensie, zal de vergadering om 15.30 uur verlaten wegens verplichtingen in de Tweede Kamer.

Ik stel voor deze berichten voor kennisgeving aan te nemen.

Daartoe wordt besloten.


Bekijk de video van dit verslagpunt

Algemene Politieke Beschouwingen

Aan de orde is de voortzetting van de Algemene Politieke Beschouwingen,

en de behandeling van:

het dossier Kabinetsformatie 2017 (34700);

de Nota over de toestand van 's Rijks financiën (Miljoenennota 2018) (34775);

het regeerakkoord 2017-2021 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie: Vertrouwen in de toekomst.

(Zie vergadering van 4 december 2017.)


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen het beraad met het hele kabinet

opdat de politieke visie kan worden uiteengezet.

De mp zal reageren in het algemeen politiek debat,

zodat eenieder kan reflecteren: heb ik daaraan nu wat gehad?

Om dat oordeel te kunnen vellen

geef ik thans het woord aan de mp.

Misschien geeft het inspiratie voor novellen,

maar dat zien we dan wel t.z.t.

Mp, ik draal niet langer. U heeft nu alleen het woord

in antwoord op wat u in eerste termijn van de Kamer heeft gehoord.

(Applaus)

De beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Het woord is aan de minister-president.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Minister Rutte:

Voorzitter, ik ben onder de indruk! Want het rijmt niet alleen, maar het heeft ook een ritme. Het is prachtig!

Voorzitter, misschien mag ik meteen dat 5-decemberthema dat in uw slotwoorden besloten lag, aanhalen door te zeggen dat ik mij — ik doe het dan maar niet in dichtvorm maar wel refererend aan het thema — de professionaliteit en de inhoudelijke gedrevenheid van de senaat, van de leden van de Eerste Kamer, realiseer; die heb ik gisteren weer gehoord. Maar ik weet dat er ook bij hoort dat u geen cadeautjes weggeeft. Zelfs niet op 5 december, en dat stelt mij zeer teleur. Tegelijkertijd merkte ik ook gisteren weer dat er in het hele debat een kritisch opbouwende sfeer heerste, en daar wil ik ook graag mijn dank voor uitspreken in de richting van alle sprekers, alhoewel die kritisch opbouwende sfeer hier en daar wat meer verborgen lag onder vooral een kritische laag en hier en daar onder een wat meer opbouwende laag. Dat zijn natuurlijk de accentverschillen die kunnen duiden op het feit dat men hetzij lid is van de regeringscoalitie hetzij van de oppositie, maar soms past het ook meer in de specifiekere traditie van een specifieke politieke partij. En dat maakt het parlement ook weer zo mooi.

Voorzitter, als u het mij toestaat, zou ik een paar algemene opmerkingen willen maken voordat ik bij de verschillende vragen kom. Ik zal de vragen dadelijk behandelen aan de hand van zes thema's. Voordat ik dat doe maak ik een paar algemene opmerkingen. Ik zal niet de regeringsverklaring overdoen, maar ik wil wel een paar dingen zeggen voordat ik bij de concrete beantwoording kom.

De verkiezingsuitslag van 15 maart werd, zo moet ik toegeven, niet gevolgd door de kortste formatie uit de Nederlandse geschiedenis. Inmiddels is helaas gebleken dat het de langste formatie uit de Nederlandse geschiedenis is geweest. Het is ook de eerste keer dat een kabinet van meer dan drie partijen nodig is voor de meerderheid. Er zijn wel vaker kabinetten geweest van vier, zelfs van vijf partijen. Dat geldt voor het kabinet-Den Uyl, en ook in de jaren vijftig en zestig is het voorgekomen. Maar dat was een tijd waarin niet al die partijen nodig waren voor de meerderheid. De Russische president heeft mij laatst in Hamburg gevraagd hoe het staat met de Nederlandse formatie. Ja, zo'n vraag kun je dan krijgen. Toen legde ik hem uit dat wij in Nederland met vier partijen in gesprek zijn en dat dat, als het lukt, leidt tot een meerderheid van één zetel in het parlement. Ik zag een groot vraagteken op het gezicht van de Russische president, en ik heb hem uitgelegd dat dit misschien ook wel de verschillen tussen onze beide politieke stelsels, die uiteraard wel meer kenmerkende verschillen kennen, onderstreept.

Voorzitter. Voordat ik hierop verderga, merk ik allereerst op dat ik al degenen steun die gisteren vriendelijke woorden hebben gericht aan het vorige kabinet, al was dat maar omdat ik daar zelf in zat. Maar los daarvan, vind ik het ook zeer terecht dat door u hulde is gebracht aan de bewindslieden van het vorige kabinet. Ik doe dat zelf ook; ze hebben zich met hart en ziel ingezet voor Nederland om de plannen uit het vorige regeerakkoord te realiseren. Ik denk dat mevrouw Barth gelijk had — ook anderen hebben daaraan gerefereerd — dat het gevolg van dat beleid wel is dat in ieder geval gepoogd is alle randvoorwaarden aan te brengen om maximaal te profiteren van het economische herstel. We moeten niet de indruk wekken dat de politiek Nederland uit de crisis haalt — dat doen de mensen in Nederland — maar je kunt er als politiek wel voor zorgen dat je de randvoorwaarden creëert waarbinnen het herstel ook maximaal ruimte krijgt. We zijn op dit moment de snelst groeiende economie van Europa na Spanje. Dat heeft waarschijnlijk ook iets te maken met het feit dat we zoveel gedaan hebben in die afgelopen jaren, waarvoor ook in deze Kamer, in steeds wisselende samenstellingen, niet zozeer veel maar in ieder geval genoeg steun is geweest.

We mogen vaststellen dat het de ambitie van het kabinet is om een sterk land op vele terreinen nog sterker te maken voor alle mensen in dit land. Die ambitie uit het regeerakkoord is gisteren ook door een aantal van u geciteerd: lagere lasten, een beter functionerende arbeidsmarkt, investeringen in het onderwijs, in de ouderenzorg en in de veiligheid, en inderdaad een zeer ambitieus klimaatbeleid. Ik werk nu een paar weken met deze nieuwe ploeg, en ik kan u zeggen dat ze enthousiast zijn en dat er enorm veel energie in zit. Ook mooi is de samenwerking op de verschillende departementen, in koppeltjes, tussen verschillende ministers of tussen ministers en staatssecretarissen, of tussen alledrie. Dat gaat heel erg goed. Ook dat is van belang, want als er problemen ontstaan in een coalitie is dat vaak juist op zo'n departement, en ik heb in ieder geval die problemen nog niet kunnen herkennen. Dat betekent ook minder werk voor mij, dus dat is fijn. Maar het is ook gewoon belangrijk voor de algehele slagkracht van het nieuwe kabinet.

Tegelijkertijd, met een meerderheid van één zetel realiseren we ons dat de meerderheid buitengewoon krap is; de krapst mogelijke meerderheid die denkbaar is. Zelfs senator De Graaf refereerde eraan. Ik mag nog twee uurtjes in de week lesgeven en dan probeer ik het aan die kinderen uit te leggen: als je 150 Tweede Kamerleden hebt of 75 in de senaat, hoeveel heb je er dan nodig voor de meerderheid? Dan zeggen ze altijd: 75 in de Tweede Kamer. In de Eerste Kamer wordt het ingewikkelder, maar uiteindelijk komen ze dan wel op 38. Dan moet ik uitleggen dat 75 in de Tweede Kamer net niet genoeg is, omdat het er 76 versus 74 moeten zijn, en dat dat wel een heel spannende, krappe meerderheid is. Maar daar zitten we nu wel op, en hetzelfde geldt natuurlijk voor de Eerste Kamer, met 38 versus 37. Dus wij gaan opnieuw ons best doen om ook steun te krijgen van andere partijen. Dan doen wij vanzelfsprekend niet alleen vanwege de krappe meerderheid maar ook omdat we als coalitie en kabinet vinden dat het van belang is om voor de grotere hervormingen die eraan komen, weer breed draagvlak te zoeken.

Daar zit misschien ook wel een, om het op zijn Van Mierlo's te zeggen, paradox: hoe meer de polarisatie dreigt, des te belangrijker het is dat de partijen ook bereid zijn om over hun eigen schaduw heen te stappen en het algemeen belang boven het partijbelang te stellen. Als ik dat zeg, dan geldt dat natuurlijk in de eerste plaats voor de coalitie. Van de oppositie kunt u dat alleen verwachten als de coalitie dat zelf doet. Dat proberen we overigens in het coalitieakkoord tot uitdrukking te brengen, bijvoorbeeld door op heel veel plekken te zoeken naar samenwerking met anderen, in de politiek — hier en in de Tweede Kamer aan de overzijde — maar ook daarbuiten. Ik kom er later nog over te spreken wat het betekent voor de bestuurlijke verhoudingen in het land als je met zo veel mensen probeert afspraken te maken. Ik snap natuurlijk dat dat ook weer risico's met zich meebrengt. Gisteren viel het woord corporatisme; ik zal daarop ingaan. Maar ik denk dat het van grote waarde is dat we die samenwerking, dat brede draagvlak, zoeken. Dat past ook bij Nederland. Denk bijvoorbeeld aan het klimaatvraagstuk en aan de modernisering van de arbeidsmarkt, maar denk ook aan de samenwerking met onze internationale partners. We kunnen niet zonder de inbreng van al die mensen buiten de politiek en zeker ook in de politiek.

Dat hebben we ook in de regeringsverklaring tot uitdrukking proberen te brengen: verschillen zijn er om te koesteren en tegenstellingen zijn er om te overbruggen, ook hier in het parlement, waar we het debat voeren en waar we tegelijkertijd ook zitten om concrete oplossingen te bereiken voor de mensen in het land. Nogmaals, als ik dat allemaal zeg, is dat niet om u uit te leggen hoe de politiek in elkaar zit. Als er één vinger naar u wijst, wijzen er drie naar mij. Als ik dit allemaal zeg, betekent dat in de eerste plaats een verplichting aan deze coalitie om daarin zelf het goede voorbeeld te geven, dat realiseer ik mij. Als we dat een enkele keer doen en als dat lukt, misschien zelfs vaak, dan hoop ik een open houding en een luisterend oor bij u te vinden. Dat is mijn vraag aan u. Mevrouw Barth zal natuurlijk de eerste zijn die dat doet, want zij weet uit de afgelopen vijf jaar hoe belangrijk het is om die steun te krijgen van anderen. Ik reken dus in het bijzonder op haar.

Dit alles gezegd hebbend als inleidend tekstje … Dit is een voorbeeld van wat de fractievoorzitter van de SP gisteren zei, namelijk dat je mensen mee moet proberen te krijgen, maar dit lukt niet helemaal, zie ik.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik begrijp het signaal van de minister-president, maar hij heeft er misschien ook wel begrip voor dat de Partij van de Arbeidfractie zich heel ontspannen en ontketend voelt en dus met gepaste afstand zal kijken naar de voorstellen van het kabinet.

Minister Rutte:

Daar was ik al bang voor. Dat betekent dat ik extra mijn best ga doen.

Voorzitter, als u mij toestaat wil ik mijn beantwoording doen aan de hand van zes onderwerpen: openbaar bestuur, veiligheid, het sociaal-economisch beleid, de zorg en het onderwijs, vervolgens de Europese Unie, migratie en defensie — het hele buitenland — en tot slot energie, klimaat, milieu en leefomgeving. Ik zal het steeds zeggen als ik bij een volgend onderwerp ben. Ik wil beginnen met het openbaar bestuur. Daar lag direct een uitdaging van de ChristenUnie aan mijn adres om nog eens even te schetsen hoe we aankijken tegen een aantal vraagstukken, zoals burgerbetrokkenheid en waarden. Of het vraagstuk dat is neergelegd door de VVD: hoe ga je om met wetten en uitvoeringsregels? Hoe zorg je ervoor dat iedereen nog snapt wat we doen? Mij is ook gevraagd om een reflectie op een overheid die op afstand komt te staan.

Mag ik beginnen met niet zozeer het citeren van, maar het refereren aan de inleiding op het regeerakkoord? Daarin komt namelijk de tegenstelling ter sprake die soms te zien is tussen de mensen met wie het goed gaat en de mensen die zich zorgen maken. Het bijzondere is dat het soms dezelfde mensen zijn die zeggen "met mij gaat het goed maar met ons als land niet". Soms zeggen mensen echter ook "met mij gaat het niet goed en met ons land gaat het niet goed". Er zijn natuurlijk verschillende mogelijkheden. Wij hebben geprobeerd in de inleiding van het regeerakkoord daar iets over te zeggen in de passage over jongeren en mensen met een middeninkomen die moeite hebben om vaste grond onder de voeten te krijgen. Ze zijn bijvoorbeeld flexwerker of kunnen moeilijk een hypotheek afsluiten. Mensen hebben soms het gevoel de eigen buurt niet meer te herkennen en vervreemden daar soms zelfs van. Dat wijten ze soms aan gebrekkige integratie van nieuwkomers. Daarover komen we nog te spreken vandaag. Tegelijkertijd hebben de mensen die van buiten zijn gekomen het gevoel onvoldoende kans te maken in dit land om aansluiting te vinden bij onze samenleving.

We doen een poging in de inleiding van het regeerakkoord om te schetsen dat we, als we het land terugbrengen tot een optelsom van grafieken en inkomensplaatjes, geen recht doen aan de enorme opgave die er ligt en die de politiek, zo zeg ik er meteen bij, ook maar in beperkte mate kan oplossen. We kunnen als politiek, ook zoals we hier vandaag zitten als Eerste Kamer, en dat geldt ook voor de overzijde en voor het kabinet, daar maar in beperkte mate iets aan doen. Daar moeten we dus ook heel specifiek in zijn en ons best voor doen.

Dat raakt ook wel weer aan de samenstelling van het kabinet. Dat was een thema waaraan de heer Kuiper refereerde, terugverwijzend naar de periode Cort van der Linden waarin het ook de confessionelen en de liberalen waren die samen probeerden om een aantal grote maatschappelijke tegenstellingen te overbruggen. Aanvankelijk, in 1913, zag het er nog naar uit dat de SDAP voor het eerst deel zou gaan nemen aan de regering. Dat heeft in die formatie nog vrij lang gespeeld. Uiteindelijk heeft het geduurd tot 1939 voordat zij ook echt regeringsmacht kregen, maar in 1913 speelde dat wel degelijk. Dat was overigens kort na het bezoek van Troelstra aan Koningin Wilhelmina. Daar zou ik nog weleens een mooie film over gemaakt zien worden, over die ontmoeting tussen Troelstra en het toenmalig staatshoofd! Uiteindelijk leidde het tot een kabinet van confessionelen en liberalen. Die zijn in staat gebleken om een paar grote maatschappelijke tegenstellingen te overbruggen.

Nu liggen er ook grote vraagstukken op tafel. Die speelden ook in de formatie, bijvoorbeeld op het terrein van de medisch-ethische vraagstukken. Ik denk dat we erin geslaagd zijn om de problemen te overbruggen door goed naar elkaar te luisteren, door echt te horen wat de ander zegt. Maar het geldt ook voor andere zaken, bijvoorbeeld het vraagstuk van de eenverdieners waarover ik nog kom te spreken. Hoe ga je daarmee om? Tegelijkertijd is het de wens van veel partijen om ruimte te laten voor economische ontwikkeling en voor de keuzes die mensen maken om op een andere manier het gezinsleven of überhaupt het leven in te richten. Ik denk dat we in deze coalitie al een poging hebben gedaan om de maatschappelijke verschillen en tegenstellingen te overbruggen. Dat is ook wel de reden dat deze formatie zo lang duurde.

Wat betreft de relatie tussen de overheid en onze bewoners, in de woorden van Hans Wiegel "de mensen in het land": uiteindelijk is het onze overtuiging dat mensen zelf heel goed weten wat voor hen het beste is en dat zij ook ruimte willen hebben om hun leven te leven. Gisteren refereerden velen aan de vakmensen. Hoe zorgen we ervoor dat de vakmensen daadwerkelijk in staat zijn om hun vak op een goede manier uit te oefenen? Tegen mevrouw Jorritsma zeg ik: inderdaad betekent dit voor het kabinet en voor de politiek dat wij erin moeten slagen om de regelgeving zo vorm te geven dat die begrijpelijk is, dat die voorstelbaar en ook voorspelbaar is en dat de regels die we maken effect hebben. We komen later nog te spreken over de zaak die de heer Brinkman van het CDA gisteren inbracht: het arbeiderszelfbestuur dat soms lijkt te ontstaan in sommige sectoren, waarmee bepaalde uitgaven afgedwongen kunnen worden. Ik vertaal zijn woorden even kort door de bocht. Dat is weer iets dat voortkomt uit het geheel van ons regelcomplex. We zullen daar kritisch naar moeten kijken. Uiteindelijk moeten de regels eenduidig en voorstelbaar zijn en moeten we de regelgeving daarop ook steeds aanpassen.

Een ander aspect dat daar niet meteen mee samenhangt, maar wel hetzelfde beoogt, is het thema burgerschap. Afgelopen zaterdag had ik op het congres van de Europese Partij van Liberalen een discussie over identiteit versus de waarden in een samenleving, de onderliggende overtuigingen die we met elkaar delen. Mijn stelling was dat mensen heel veel identiteiten hebben. Het laatste dat ik zou willen, is iemand aanspreken op één identiteit. Ik zei ook dat ik me zo ergerde aan de toespraak van president Obama in 2009, die het in Caïro had over dé islamitische wereld en die een hele groep mensen aansprak als dé moslims. Inderdaad is de kans dat mensen in een islamitische wereld de islam angehaucht zijn, heel groot. Maar het is maar één identiteit. Mensen hebben heel veel identiteiten en dat zijn keuzes die ze zelf maken. Wat daar naar mijn overtuiging onderligt, zijn de waarden die onze samenleving verbinden: de gelijkwaardigheid van man en vrouw, van homo en hetero, van blank en zwart, de democratische rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst. Dat zijn onderliggende waarden. Ik zou willen bereiken, dit kabinet zou willen bereiken, ook op het thema burgerschap, dat wij veel duidelijker zijn over wat die onderliggende waarden zijn in deze samenleving, dat wij dat in het onderwijs veel meer uitdragen en overbrengen en dat wij ook duidelijk maken dat dat niet betekent dat iedereen per se altijd die waarden hoeft te onderschrijven — we zouden dat wel wensen, maar uiteindelijk is dat een persoonlijke keuze — maar dat wij als samenleving met al onze macht ons tegen die mensen zullen keren die deze waarden openlijk bestrijden en daarmee anderen het leven onmogelijk maken. Die scherpe keuze ligt volgens mij sterk verankerd in het regeerakkoord.

De heer Kox (SP):

De minister-president zegt naar mijn mening terecht dat hij zich geërgerd heeft aan een toespraak in 2009 van een Amerikaanse president waarin deze mensen als één grote groep beschouwde en ze daar ook op beoordeelde. Nu hoeven we niet terug naar 2009 en naar Amerika. Gisteren heeft in deze Kamer een van mijn collega's één specifieke groep genoemd en daarvan gezegd: voor die groep moeten de grenzen dicht. Sterker nog: ze moeten het land uit. En: hun Heilige Boek moet verboden worden, hun kerken moeten gesloten worden, hun eetstijl is niet langer toegestaan. En als dat in strijd is met de mensenrechten, so what, mensenrechten? Zou het niet goed zijn als de minister-president behalve een naar mijn mening terecht oordeel over de beoordeling van de Amerikaanse president te geven, in deze Kamer zegt wat hij vindt van zo'n benadering van de politiek? Ik begrijp dat het idee vaak is: laten we er maar aan voorbijgaan, want het sop is de kool niet waard. Dat is ook een redelijk idee, maar in dit geval hebben we het over een groot deel van de Nederlandse bevolking die systematisch hier wordt weggezet als de groep die ons bedreigt en die er daarom eigenlijk uit zou moeten. Ik zou graag willen dat de minister-president daar ook op reageert.

De voorzitter:

Ik geef aansluitend even het woord aan mevrouw Faber, minister-president.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Dit is niet zozeer aan de minister-president, maar aan meneer Kox. Ik wil hier toch wel eventjes iets rechtzetten. Ik heb namelijk niet gezegd dat de islamieten het land uit moeten. Die woorden heeft u mij in de mond gelegd. U heeft het ook op uw Facebook gezet. U staat gewoon keihard te liegen. Ik heb vanmorgen vroeg de Handelingen nagelezen. Daarin heb ik niet gezegd dat alle islamieten het land uit moeten. Dus, meneer Kox, wat u zegt, klopt niet. U spreekt niet de waarheid. Kortom, u staat te liegen.

Minister Rutte:

Mevrouw Faber is natuurlijk zeer van de genuanceerde debatstijl, dus ik begrijp dat zij eraan hecht om haar woorden heel precies geciteerd te krijgen. Laat ik toch proberen om de vraag van de heer Kox te beantwoorden. Ik ben inderdaad geneigd om niet iedere provocatie uit de hoek van de partij van mevrouw Faber te beantwoorden. Ik heb die discussie ook vaak met vrienden, op school en in de samenleving, ook met mensen met een islamitische achtergrond die zich heel erg ergeren aan de stijl van de PVV. Ik zeg dan het volgende. Dat kan zo zijn, maar we hebben vrijheid van meningsuiting en we hebben een open democratie. Dit is ook een partij die in het parlement zit. Uiteindelijk gaat het in Nederland om een beperkt aantal zetels en is het overgrote deel van de mensen in het parlement het daar niet mee eens. Ik denk zelfs dat de meeste kiezers van die partij het er niet mee eens zijn en dat ze om een heel andere reden op die partij stemmen. Die diepe reden moeten we serieus nemen. Dat zijn zorgen die bij mensen leven, waardoor ze uiteindelijk bij een partij als de PVV uitkomen. Naar mijn overtuiging is dat niet vanwege dat virulente anti-islamgeluid — dat geloof ik echt niet — maar de partij uit dat wel.

Ik ben het met de heer Kox eens dat dit natuurlijk volledig de contramal is van wat ik hier net zei. We kijken niet naar de afkomst van mensen. We kijken naar waarnaartoe ze op weg zijn. We kijken niet naar het geloof van mensen. Dat is niet relevant. Dat is een privékeuze. Dat is een identiteit waar je zelf een keuze in maakt, naast misschien ook andere identiteiten, zoals ik net zei. Daar gaat de overheid niet over. We hebben vrijheid van godsdienst. We willen een kabinet zijn voor de gewone Nederlander. Daarmee bedoelen we het normale Nederlandse gezin, de normale Nederlander die probeert om vooruit te komen. We willen een kabinet zijn voor iedereen die iets van zijn leven wil maken en voor iedereen die daar door tegenslag niet toe in staat is, maar die wel vooruit wil. Voor die mensen willen we er zijn.

De heer Kox (SP):

Ik denk dat de minister-president en ik en velen hier het daar erg over eens zijn. Het is belangrijk om vast te stellen dat het geluid in deze senaat niet is dat we dat zouden vinden, maar juist dat we daar afstand van nemen. Ik heb gisteren aan mevrouw Faber gevraagd: als u al deze dingen die u zegt te willen door wilt voeren, begrijpt u dan dat dit gaat raken aan onze Grondwet en de wetten van dit land? Dat is nou net de grens waar je niet overheen mag gaan als politieke partij, tenminste niet als je hier een eed of belofte hebt afgelegd. Kan de minister-president ook op dat punt duidelijkheid verschaffen? Je mag inderdaad alles zeggen in dit huis. Dat is uitstekend. Je mag alles vinden in dit land. Dat staat namelijk in onze Grondwet. Maar als je als volksvertegenwoordiger gaat zeggen "ik wil deze dingen hoe dan ook, tegen elke prijs", dan kom je in botsing met het systeem dat ons allemaal moet beschermen, namelijk het systeem van de Grondwet en de wetten, inclusief onze mensenrechten.

Minister Rutte:

Ja, maar die redenering is ook risicovol, want we kunnen wetten en grondwetten wijzigen. Ik weet niet of je daarmee de mensen geruststelt. Ik zou liever nog een laagje dieper gaan en kijken naar vragen als "wat drijft deze samenleving?" en "wat zijn de onderliggende waarden waaruit deze wetten voortkomen?". Die onderliggende waarden zitten zo diep verankerd in ons land. Ik heb ze net genoemd. Dat is ook altijd mijn boodschap aan mensen die bang zijn voor deze geluiden, voor dat virulente anti-islamgeluid van sommige partijen. Dan zeg ik: ja, maar kijk even naar de grote, grote, grote meerderheid in dit land. En ja, er zijn ook problemen. Laten we die ook blijven benoemen. Ook in de groep allochtonen zijn er problemen, maar die hangen niet met de islam samen. Die hebben te maken met een gebrekkige integratie en met oververtegenwoordiging in de verkeerde statistieken.

We moeten ook niet dat niet bespreken omdat we dan bang zijn te worden beticht van een soort anti-islamgeluid. Ik zie dat er op dit moment bij de generatie die nu opgroeit — laten we zeggen: de derde generatie van mensen die in de jaren zestig en zeventig naar Nederland zijn gekomen en mensen die recent hier als vluchteling zijn gekomen — in toenemende mate sprake van een vorm bemusement is. Ik noem het maar even zo, want zij hebben meer fascinatie voor dit geluid dan dat ze er echt nog van schrikken. Mensen raken er in die zin dus ook aan gewend. Ze zien ook dat deze samenleving weerbaar is tegen die tendensen.

De voorzitter:

Meneer Kox, dit is echt tot slot op dit punt, hè?

De heer Kox (SP):

Tot slot op dit punt. Dit is de derde opmerking over iets wat volgens mij erg belangrijk is. Ik ben het erg met de minister-president eens dat het verzwijgen van problemen het allerfoutste is wat we zouden kunnen doen. Ik herinner me nog dat ik ergens in de jaren tachtig in de gemeenteraad van Tilburg voorstelde om werkloze migranten die toen moeilijk aan de slag konden komen, een brief te schrijven en aan te bieden dat ze de Nederlandse taal konden leren. Er werd toen in de gemeenteraad van Tilburg een motie ingediend waarin stond dat ik toch cryptofascistische neigingen had. Ik ben er dus erg voor om problemen te benoemen, maar er werd hier gisteren geen probleem benoemd en er werd ook niet gezegd: mensen krijgen een brief met de boodschap "gaat u eens Nederlands leren en gaat u eens meedoen". Nee, er werd gezegd: u moet uw religie kwijtraken, want wij vinden dat geen religie en zolang u aan die religie vasthoudt, bent u hier een tweederangsburger en hoort u hier eigenlijk niet thuis. Het doet mij werkelijk pijn dat dit geluid hier honderd jaar na de invoering van de algemene democratie in dit land verwoord wordt. Ik vind dat het weersproken moet worden. We kunnen het niet hebben dat we over tien, twintig jaar de Handelingen van deze Kamer nalezen en dat we dan zeggen: het kon allemaal gezegd worden en we zeiden er niks op terug.

Minister Rutte:

Eens. Ik bevestig overigens ook dat de traditie waarin de SP staat, met Jan Marijnissen, er een is van problemen benoemen en van het staan voor deze fundamentele vrijheden.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Wat ik heb gehoord van de minister-president spreekt mij zeer aan. Dat geldt ook voor de inzet van het kabinet om waarden die in de samenleving leven en die onze samenleving dragen te benoemen en om daar ook aandacht voor te hebben. Veel dank daarvoor. Het is ook belangrijk om dat te koppelen aan de verantwoordelijkheid van burgers, maar de vinger wijst dan nog steeds naar de samenleving toe. Dat is belangrijk, maar bij al die tegenstellingen die u noemt — dat kunnen tegenstellingen op het materiële vlak, maar ook culturele tegenstellingen zijn — gaat het ook om de attitude van de overheid zelf. Als de burger iets ervaart, bijvoorbeeld het onbehagen waar u zelf over schrijft in het regeerakkoord, dan wil die een overheid vinden die ook snapt wat bij hem leeft. De burger wil dan geen loket vinden; hij wil een overheid die dichtbij is en die er ook zelf voor zorgt dat de regels die wij hebben worden nageleefd. Dat is fundamenteel voor het gevoel van veiligheid en comfort van de burger. Dat gaat ook echt om de attitude van de overheid. Ik zie verspreid over het regeerakkoord wel dingen daarover staan, bijvoorbeeld over de toezichthoudende de diensten en dat we daar precies in zijn, maar is er een samenhangend beleid van het kabinet op dit punt?

Minister Rutte:

Ja, ik meen dat dat er is. Misschien is het in het regeerakkoord te scattered of te verspreid opgenomen, maar vanuit de formatie zou ik daar twee dingen over willen zeggen, eerst micro en dan macro. Ik was een tijdje geleden, alweer vrij lang geleden, voor het eerst op bezoek bij de Ombudsman. Hij liet mij zien hoe ze daar proberen om de manier waarop wij als overheid praten met mensen die klachten en zorgen hebben, weg te brengen van zeer legalistisch opgestelde brieven die niemand snapt naar normale taal. Dat houdt in dat je ook eens belt en dat je kijkt of je een probleem misschien kunt oplossen door even contact te zoeken met een gemeente en door te mensen aan elkaar te koppelen, waardoor het dan ineens over is. Het houdt dus in dat je soms ook een beetje probeert te mediaten. Dat is het microniveau. Zo wil ik de overheid zien: niet als een soort grote moloch met een wachtmenu, zo van "kies nul of kies één of kies twee", maar benaderbaar en menselijk, zoals wij allemaal zijn. Wij zetten ook allemaal zelf, neem ik aan, ons vuilnis aan de straat of we gooien dat tegenwoordig in zo'n grote bak, althans dat is in mijn buurt nu ingevoerd. Wij doen dat allemaal zelf. We zijn gewoon allemaal ook mensen in deze samenleving. Het kan ons allemaal overkomen dat de overheid ons in de weg zit. Dat is op microniveau. Dat is het persoonlijke. Het gaat dan om de vraag "hoe vinden wij dat onze attitude of houding moet zijn?". Dat voel ik bij dezen vanuit de gesprekken in de formatie terug. Je ziet het inderdaad ook terug, zoals de heer Kuiper terecht zegt, op een aantal plekken in het regeerakkoord. Het gaat er dan bijvoorbeeld over dat toezichtsdiensten, de overheid zelf de regels moet naleven. Als wij inherent inconsistent zijn of als wij de macht van de staat op een niet-democratische, niet uit te leggen manier gebruiken in het contact met de mensen in het land, dan hebben wij ons daarover te beraden. Want uiteindelijk heeft de overheid die macht, van de Belastingdienst tot en met de politie. Het gaat dan om de zwaardmacht, maar ook om de veel subtielere macht die bij toezichtsorganisaties zit. Die hebben een belangrijke functie. Daar werken allemaal geweldige mensen. Maar soms kan er ook met de beste bedoelingen een Kafka-achtig gevoel ontstaan. Ik vind dat deze coalitie de ambitie heeft om dat op te lossen waar zich dat voordoet. Dat is ook echt iets wat confessioneel en liberaal verbindt.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Mee eens, ook in algemene zin zeer mee eens. Nu is de vraag of dat ook belegd is. Hier zitten diverse ministers achter de tafel die allemaal diensten en inspecties hebben die in de samenleving aan het werk zijn. Daar worden vragen bij gesteld, zoals: hoe gaat dat nu precies? Mag ik u vragen of dat generiek beleid wordt? Is het signaal nu op alle ministeries dat we dat gaan oppakken op de manier zoals u nu zegt? Ik ben het daar zeer mee eens, maar dat is mijn vraag. Als u zelf zegt dat het verspreid staat in het regeerakkoord, is mijn vraag of u daar met elkaar iets structurelers van kunt maken nu we echt in staat zijn om de dingen op orde te brengen in dit land.

Minister Rutte:

Dat is het mooie van deze beschouwingen. Nu ik dit gezegd heb, is dit ook echt kabinetsbeleid voor zover dat niet duidelijk was. Mijn collega's horen dat allemaal en gaan dat dus ook doen. Nu ben ik inmiddels na zeven jaar ook niet meer naïef in die zin dat ik denk dat het gebeurt omdat ik het zeg. Ik ga uw uitdagingen dus oppakken en bekijken hoe we dat wat meer kunnen verankeren binnen het kabinet. In principe en in eerste instantie is de minister van Binnenlandse Zaken daar in het bijzonder verantwoordelijk voor. Maar ik snap uw punt.

De voorzitter:

Kort, meneer Kuiper. Kort.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

We hebben groot vertrouwen in u, meneer de minister-president, alleen heeft u minder tijd dan Cort van der Linden. Hij had vijf jaar. Zolang duurde uw vorige kabinet, maar dit is confessioneel en liberaal samen voor drieënhalf jaar. Wij hebben groot vertrouwen in u.

Minister Rutte:

Dat hangt van de formatie van het volgende kabinet af.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Misschien kunnen we in de loop van deze dag nog iets duidelijker maken dat het niet alleen management by speech is, maar ook hoe de minister van Binnenlandse Zaken dat dan precies gaat doen. Want Binnenlandse Zaken heeft altijd de taak om al die diensten te coördineren.

Minister Rutte:

Ik ga dat nog even checken. Mijn eerste reactie zou zijn: Binnenlandse Zaken. Maar klopt dat ook? Daar kom ik in tweede termijn op terug.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik wil even doorgaan in de zin van de vragen van de heer Kuiper over de voorbeeldfunctie en de manier waarop het kabinet zelf de uitgangspunten heeft verinnerlijkt. Het kabinetsakkoord spreekt veel over inclusieve samenleving. Dat sluit ook aan bij wat u net heeft gezegd, namelijk dat u wilt dat waarden gezamenlijk worden gedragen en dat iedereen een rol heeft in de samenleving. Dat spreekt ons erg aan. Ik heb gisteren in mijn termijn op verschillende punten laten zien dat onze vrees is dat het kabinetsbeleid zelf niet bijdraagt aan de inclusieve samenleving. Denkt u maar aan vast minder vast maken, de drempel om te gaan studeren hoger maken en de inburgeringseisen verhogen. Misschien kunt u iets zeggen over hoe het kabinet heeft getracht om in dat akkoord juist de inclusiviteit te versterken en te vergroten.

Minister Rutte:

Ja, dat zal ik op een iets abstracter niveau doen, want die onderwerpen komen zo nog langs in het meer samenhangende betoog. Laat ik eerst zeggen: dat is natuurlijk altijd een politieke afweging. Het is een politieke keuze waar je precies de grens trekt bij bescherming. Waar wordt bescherming zo groot dat die uiteindelijk leidt tot onvoldoende activiteit, dus dat mensen onvoldoende ruimte voelen om zelf nog initiatieven te nemen? Neem inderdaad het voorbeeld van de arbeidsmarkt. Wij zoeken naar een balans die misschien net weer iets afwijkt van die van de vorige coalitie. Dat mag ik er wel bij zeggen. Daar moeten we, denk ik, eerlijk over zijn. We leggen die grens toch ietsjes anders dan de vorige coalitie. Deze coalitie — laat ik daarover praten — stelt zich ten doel om de vaste banen nog steeds veel bescherming te bieden. Maar we willen een arbeidsmarkt die voor iedereen werkt, waarin er voldoende vaste banen zijn, maar waarin er ook mogelijkheden zijn voor mensen die een bedrijf willen starten of een eenmansbedrijf in een zpp-achtige constructie. Dat vereist een ander soort kijken, een opnieuw kijken naar de verschillende arrangementen. Dat zullen politieke keuzes zijn van partijen.

Dan zal de Socialistische Partij misschien op een gegeven moment vanuit haar politieke traditie zeggen: wij willen toch meer bescherming houden voor de vaste baan. Dat zou kunnen. We moeten dit voorstel nog verder uitwerken en zijn ook nog in gesprek met allerlei maatschappelijke partijen. Maar dat zou kunnen. Dan zou de conclusie kunnen zijn: Rutte had mooie woorden over inclusiviteit en nu biedt dat vaste contract toch net iets minder zekerheid dan vroeger. Dan zou mijn antwoord zijn dat dat een zienswijze is, maar dat je ook zou kunnen redeneren dat hierdoor voor meer mensen een mogelijkheid ontstaat om een vaste baan te krijgen en dat de economie daardoor meer groei heeft. Daardoor kunnen meer mensen die nu aan de kant staan, aan de slag komen. Dat is dan het tegenargument. Maar dat is de maatschappelijke discussie. We zijn het eens over inclusiviteit en dat type termen, maar je zult altijd een maatschappelijke en zeker ook een politieke discussie houden over de onderliggende keuzes.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Wat mijn fractie opvalt, is dat het kabinet eerder kiest voor bijna negatieve prikkels dan voor positieve prikkels. Het gaat ook uit van bepaalde premisses: bijvoorbeeld dat er meer werkgelegenheid is als je minder vast werk hebt. Wat mijn fractie in dit akkoord mist, is heel duidelijk de handreiking naar mensen die juist iets meer steun nodig hebben. Zij komen er op een aantal punten juist bekaaider vanaf. Dan mis je juist het streven naar inclusiviteit, want dan laat je het mensen die juist een overheid nodig hebben die hen steunt, alleen doen. Als ze het dan niet redden, versterk je de segregatie juist.

Minister Rutte:

Ja, maar daar zou ik, hardop denkend, twee dingen tegenover kunnen plaatsen. We zien tegelijkertijd dat de inkomensverschillen nog wat verder afnemen in dit kabinet en die waren al niet zo groot in Nederland. De giniscore vermindert iets. Je ziet ook dat de effecten van het beleidspakket van dit kabinet aan de onderkant leiden tot iets meer koopkrachtstijging dan aan de bovenkant. Dat zou één zijn. Dan twee. Als het gaat om negatieve en positieve prikkels zou je ook kunnen redeneren dat het werkgevers zal stimuleren om mensen een vaste baan aan te bieden, als de arbeidsmarkt wat meer in de balans komt die het kabinet zoekt. Dan is er meer werkgelegenheid voor mensen die graag vast werk willen. Het is dus maar net waar je uiteindelijk de lamp neerzet.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Strik.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dit is dan weer de premisse die ik te weinig onderbouwd zie. Mijn punt gaat vooral over de mensen die iets meer steun nodig hebben. Ik vind dat het kabinet te veel uitgaat van: doe je best maar, zie maar uit je situatie te komen en dan tel je pas mee. Ik mis de uitgestoken hand van de overheid naar die mensen.

Minister Rutte:

Daar ben ik het toch niet mee eens. Want je ziet dat aan de onderkant de koopkrachtstijging iets groter is dan aan de bovenkant. Tegelijkertijd zie je dat we de ambitie hebben om 20.000 extra beschutte werkplekken te willen de komende jaren. Dat zijn allemaal maatregelen die bedoeld zijn om de mensen die zwak staan en die aangewezen zijn op ons als schild voor de zwakken, te helpen. Ik vind dat daar een fatsoenlijke balans zit. Maar daar zullen we het debat zeker nog over voeren. Tegelijkertijd moeten we proberen om de bescherming ook niet zo groot te maken dat die uiteindelijk leidt tot minder maatschappelijke dynamiek met als gevolg minder economische groei en als gevolg daarvan weer minder banen, juist voor mensen die zwak staan.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik heb toch ook sterk de indruk dat het kabinet op heel veel onderwerpen een tegengestelde beweging tegelijkertijd maakt. Ik hoor de minister-president nu iets zeggen over het koopkrachtbeeld. Ik citeer maar weer even uit de brief die de heer Koolmees op 27 oktober naar ons gestuurd heeft. Als je in die brief kijkt naar de groep die er 2% tot 0% op achteruitgaat, zie je dat het bij de mensen met minder dan 175% van het minimumloon 6% is en bij mensen met meer dan 500% van het minimumloon 4%. Ik kan nog wel wat meer cijfers uit die brief citeren, maar dat ga ik niet doen vanwege de lengte van het debat. Ik zie het koopkrachtbeleid dat de minister-president net schetst, voorlopig niet terug.

Er zitten ook meer tegengestelde bewegingen tegelijkertijd in het regeerakkoord. Het kabinet zegt dat het stapelen in het onderwijs makkelijker gaat maken, maar er komt ook selectie aan de poort in het hoger onderwijs. Het kabinet zegt dat het de cultuur wil stimuleren en daarin wil investeren, maar het verhoogt ook de btw. Het kabinet zegt dat het gezond gedrag wil stimuleren, maar verhoogt ook de btw op sporten, groente en fruit. Voorzitter, ik ken mijn klassiekers en mij deed dit erg denken aan de Zwitsers uit Asterix en de Helvetiërs, die de Romeinen eerst in elkaar timmeren en daarna gaan verbinden. Dat levert netto volgens mij uiteindelijk stilstand op.

Minister Rutte:

Ik herinner mij vooral de kaasfondue bij Asterix, Obelix en de Zwitsers.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dat is heel goed, want dan kan ik de minister-president de komende jaren af en toe herinneren aan de zweep, de stok en in het meer met een gewicht aan zijn voeten.

Minister Rutte:

O ja, dat aspect had ik dan even wat minder scherp paraat.

De voorzitter:

Meneer Schalk, aansluitend of niet? Nee?

Minister Rutte:

Anders geef ik even mijn reactie op dit punt. Ik kom eerst even op het inkomensbeeld. Ik hoorde dat gisteren en ik vond dat daar twee gekke dingen in zitten. Je ziet dat 94% van de mensen die in Nederland minder dan 175% van het wettelijke minimumloon krijgen, erop vooruitgaan. 94%! Als je kijkt naar heel Nederland, gaat 5% erop achteruit. 95% gaat erop vooruit. Dat is dus 94% van de mensen beneden 175% WML. Als je dan kijkt naar de 5% die erop achteruitgaat, dan zie je dat het overgrote deel daarvan, bijna twee derde, bestaat uit mensen met een aanvullend pensioen. Het zijn dus niet de mensen met een laag inkomen, het zijn middengroepen of wat hogere ouderen met een aanvullend pensioen. Waarom is dat? Vanwege de achterblijvende indexaties vanwege de achterblijvende rendementen van de pensioenfondsen.

Dan over de btw. Dat vond ik eerlijk gezegd niet het sterkste deel van het debat gisteren. Wat daar gebeurde is een klassieke debattruc: je haalt er één maatregel uit, die behandel je geïsoleerd en die heeft allemaal verschrikkelijke effecten. Ja, dat klopt als wij alleen de btw zouden verhogen. Punt. Dan was ik het volledig eens geweest met het betoog van mevrouw Barth, maar dat doen wij niet. Dat gaat helemaal terug naar lagere lasten. Sterker nog, daar bovenop gaan de lasten ook verder omlaag en dat heeft natuurlijk vergaande effecten juist ook voor het midden- en kleinbedrijf dat er groot belang bij heeft dat mensen meer te besteden hebben.

Ik heb het nog eens nagekeken. Het is een grappig feitje dat toen de btw verlaagd werd, er niet meer mensen naar de kapper gingen. Misschien ook omdat het haar nu eenmaal in een bepaald tempo blijft groeien, ongeacht de btw-verhoging. Ja, dat is zo, behalve bij de heer Grapperhaus.

(Hilariteit)

Minister Rutte:

Pijnlijk onderwerp. Het scheelt voor u, het is een behoorlijk inkomensvoordeel. Btw-neutraal haar? Wij gaan het verwerken in uw salaris.

Zonder gekheid, een btw-verhoging die helemaal wordt teruggegeven, leidt natuurlijk ook tot meer bestedingen in het midden- en kleinbedrijf, zeker als er daar bovenop ook nog eens forse extra lastenverlichtingen zijn. Met andere woorden, wij moeten hier wel het hele verhaal blijven vertellen.

De voorzitter:

Mevrouw Barth, kort op dit punt.

Mevrouw Barth (PvdA):

Voorzitter. Als het gaat om de koopkrachtontwikkeling dan is er een duidelijk verschil, want de Partij van de Arbeid heeft er de afgelopen jaren, samen met de VVD overigens, in het kabinet voor geijverd dat 100% van de Nederlanders tenminste koopkrachtbehoud zou hebben. Zeker de laatste twee jaar hebben wij veel bijgeplust, met name voor ouderen. Maar goed, even terug naar de btw. Ik heb gisteren in mijn bijdrage niet alleen gelet op de koopkrachteffecten van de btw, al heb ik de minister-president wel gevraagd om ons duidelijk te maken wat de effecten van de btw-verhoging op de koopkracht zijn. Ik zou het buitengewoon op prijs stellen als hij bereid was ons als Kamer in ieder geval dat inzicht te geven, want in het regeerakkoord wordt daarover niets vermeld. Ik heb echter ook aangegeven dat zelfs als je zegt dat de koopkrachtplaatjes op papier uiteindelijk allemaal kloppen, je niet weet wat er gebeurt met de concurrentiepositie van kleine winkeliers. Kleine winkeliers hebben het ook om andere redenen dan de koopkrachtontwikkeling in Nederland moeilijk. Zij hebben het moeilijk vanwege de crisis die nog na-ijlt, zeker in de grensgebieden, zeker in de krimpregio's. Zij hebben het moeilijk nu steeds meer kleine winkeliers te maken hebben met heftige concurrentie van kopen via internet. Die kleine winkeliers zijn wel heel belangrijk om de leefbaarheid in de steden en de dorpen overeind te houden. En hun positie wordt verslechterd als zij worden gedwongen hun prijzen te verhogen of een inkomensverlaging voor hun rekening te nemen.

Minister Rutte:

Dat is echt niet waar, dit betoog klopt niet. Ik mag ook even scherp zijn. Dit zou waar zijn als wij de btw zouden verhogen. Punt. Maar eerst terug naar de inkomensverhoudingen. Het kabinet neemt allemaal maatregelen de komende jaren. Al die maatregelen leiden ertoe dat de lagere inkomens er 0,6% gemiddeld per jaar op vooruitgaan en de hoogste inkomens 0,5%. Er is dus meer inkomensstijging bij de inkomens onder 175% dan bij de hoogste. Dat is het effect van het beleidspakket van dit kabinet. 95% van alle Nederlanders gaat er op vooruit. Alle inkomensgroepen gaan erop vooruit. Ja, het is waar dat Partij van de Arbeid en VVD dat steeds hebben gepoogd te doen in de vorige coalitie, maar ook toen is het nooit 100% gelukt. Helemaal nooit. Altijd zijn er groepen die in de koopkrachtwolken, in de puntentabellen … Zoals Diederik Samsom zo mooi zei: "in al die uithoeken staan keukentafels met gezinnen." Het is nooit 100% te garanderen dat zij er allemaal op vooruitgaan. Wij zien dat gemiddeld genomen de inkomensverschillen in Nederland in de komende jaren weer ietsjes afnemen.

Dan naar die btw. Daarvoor geldt dat die direct neerslaat bij de huishoudens. Dat onderzoek waar mevrouw Barth om vraagt, hoeft niet meer, want ik kan nu al antwoorden. De verhoging van het lage btw-tarief wordt in de koopkrachtplaatjes meegenomen. Het zit gewoon in de hogere inflatie, het zit dus in het koopkrachtbeeld. Dat raakt alle groepen in gelijke mate. De cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over indirecte belastingen en bestedingen laten zien dat uitgaven onder het lage btw-tarief gelijkmatig zijn verdeeld over de inkomensgroepen. Iemand met een laag inkomen besteedt gemiddeld ongeveer hetzelfde deel van het inkomen aan goederen met een laag btw-tarief als iemand met een hoog inkomen. De maatregel is dus geen wezenlijke verklaring voor eventuele koopkrachtverschillen tussen inkomensgroepen. Dat ten aanzien van de inkomensgroepen.

Dan naar de effecten op bedrijven die goederen en diensten verkopen. Ik zei al dat de opbrengst van het hogere btw-tarief helemaal teruggaat naar lagere lasten op arbeid en inkomen. Dat leidt dus tot lastenverlaging. Dat leidt tot meer koopkracht voor gezinnen, om een boek te kopen, om misschien nog wat vaker naar de kapper te gaan, et cetera, et cetera. Het Centraal Planbureau heeft deze maand toevallig ook een onderzoek gepubliceerd naar de effecten van de btw-verhoging in 2000; ik refereerde daar net al aan. Daaruit blijkt — er is in het bijzonder naar kappers gekeken — dat er geen significant effect is van een btw-verlaging op het gebruikmaken van deze diensten.

Nu kom ik bij de vraag van mevrouw Barth. De maatregel wordt nog omgezet in wetgeving. Daarbij zal natuurlijk worden ingegaan op effecten. De staatssecretaris van Financiën zal daarbij ook spreken met specifieke sectoren om te bekijken of daar nog bijzondere zorgen zijn. Dat komt allemaal terug en dat kan eventueel ook bij de financiële beschouwingen aan de orde worden gesteld. Op hoofdlijnen kan ik de vraag hier beantwoorden en het komt meer gedetailleerd terug bij het wetsvoorstel waarin dit hele belastingpakket dadelijk hier terugkeert in de senaat.

De heer Schalk (SGP):

Ik heb zo lang gewacht dat ik bijna weer naar de kapper moet.

Minister Rutte:

Uw haar zit foutloos.

De heer Schalk (SGP):

Dank u wel. Ik wil graag terug naar het onderwerp waarover wij het hadden, want anders duiken wij nu de btw en de vast en flex in en zijn die blokjes zo meteen uitgehold. Dat zou jammer zijn. Ik had de indruk dat wij het hadden over de vraag hoe wij het vertrouwen van de burger in de samenleving terugkrijgen. Dat werkt niet met Gini en dergelijke, btw enzovoort. Ik heb het hier gisteren een paar keer aan de orde gesteld. Ik heb dat bij mevrouw Faber gevraagd, maar ik wil daar nu niet op terugkomen. Er was één antwoord: de-islamisering. Ik heb dat getoonzet als: dan kom je in een volslagen leegte. Ik heb die vraag ook aan de heer De Graaf gesteld en hij noemde dit de 1.000-dollarvraag. Hoe krijgen wij het vertrouwen terug, anders dan met allemaal mooie woorden en dergelijke? Is er een begin van een antwoord van het kabinet op de vraag hoe wij betrouwbaar kunnen zijn zodat onze burger echt denkt: deze overheid is er voor ons?

Minister Rutte:

Allereerst is dat een gedeelde ambitie. Wij hebben een analyse gemaakt, ook als formerende partijen, dat er groepen mensen in Nederland zijn — en die groep groeit eerder dan dat hij kleiner wordt — die zich afvragen: is de politiek er wel voor mij, zijn "ze" daar in Den Haag er wel voor mij? Het is onze analyse dat dit voor een deel samenhangt met de economische crisis en het feit dat wij heel veel hebben gevraagd van mensen in het land. Een deel van het antwoord is ervoor te zorgen dat nu die crisis voorbij is, mensen ook in hun persoonlijk leven ervaren dat het beter gaat. Dat is een deel van het antwoord en dat zit in de lastenverlichting, in de noodzakelijke investeringen in defensie en in zaken die mensen belangrijk vinden zoals veiligheid, het onderwijs et cetera. Maar het is niet het hele antwoord. Daarnaast heeft het ook te maken met de attitude die wij als overheid aannemen in relatie tot de mensen in het land. Dat heeft te maken met voorspelbaarheid, of onze regels begrijpbaar zijn en of ze ook voor iedereen gelijk zijn, dat mensen in gelijke gevallen gelijk worden behandeld, dat de overheid geen moloch is. De overheid is niet dienstbaar, daar geloof ik niet in, want wij zijn geen winkel waar je iets koopt. Maar wij moeten ons hier in Den Haag wel realiseren dat wij er voor het hele land zijn, voor iedereen, ongeacht afkomst of toekomst. Dat is ook waar de heer Kuiper mij zo net op wees. Mevrouw Ollongren was er niet en ik kon haar een taakje toeschuiven dat zij waarschijnlijk toch al gaat doen, namelijk nog eens heel precies kijken hoe je omgaat met consistentie in de omgang met onze controlediensten bijvoorbeeld en welk effect zij hebben op mensen. Het is dus en-en-en. Het is uit de crisis komen en laten voelen dat wij eruit zijn. Het is een attitude hebben waarin wij ons niet opstellen als winkeltje met klanten, want dat zijn wij niet, maar wij ons wel realiseren dat wij hier werk doen voor iedereen in dit land. Als mensen kritisch zijn, hebben wij daarnaar te luisteren.

De heer Schalk (SGP):

Ik denk dat de minister-president een paar mooie dingen noemt, maar vooral als je kijkt naar de economische crisis die erbij komt … Ik heb gisteren betoogd dat vertrouwen begint met relatie. Dat heb je al in je gezin nodig, bij wijze van spreken. Maar als het een keer slecht gaat in het gezin, is het niet zo dat de kinderen meteen vol wantrouwen naar de ouders kijken. We moeten dus niet de schuld leggen bij de crisis. We moeten niet zeggen dat mensen het daardoor moeilijk hebben gekregen en dat we daardoor onbetrouwbaar zijn geworden. Ik denk dat het inderdaad zoeken is naar hetgeen u zei in het tweede deel van uw betoog, namelijk op welke manier we een relatie kunnen leggen. De overheid is dienaresse Gods, om het maar op een heel mooie manier te zeggen. In de Bijbel staat: dienares van God, u ten goede. Dat zouden mensen dus moeten voelen, dat we het goede zoeken voor mensen.

Minister Rutte:

Eens. Gegeven dat betoog van de heer Schalk ben ik het er ook mee eens dat een crisis niet hoeft te betekenen dat het vertrouwen afneemt, maar het zou wel bijdragen aan het afnemen van het vertrouwen in de overheid als de crisis voorbij is en je dan niet de maatregelen neemt die ervoor zorgen dat mensen voelen dat de crisis voorbij is, nadat ze eerder zwaar hebben moeten bijdragen aan het oplossen van die crisis. Dat we de lasten kunnen verlagen en kunnen investeren in essentiële diensten, is naar mijn overtuiging cruciaal. Als we dat niet goed doen, leidt dat tot een verder afnemend vertrouwen. Maar dit is niet het hele antwoord. We hebben ook al gesproken over falende integratie, de rol van burgerschap en de rol van de overheid zelf als regelgever, die dit ook in consistentie doet. Dit zijn een aantal heel belangrijke zaken, waarbij wij als coalitie de ambitie hebben om een consistente koers te varen. Daarmee laten wij zien dat wij hier niet voor onszelf zitten, maar dat de senaat, de Tweede Kamer en het kabinet er zijn voor deze samenleving.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik heb een vraag aan de minister-president over de achterblijvende koopkracht van mensen met een klein pensioen. De minister-president geeft aan dat dit komt door het achterblijvende rendement van de pensioenen. De pensioenen worden bepaald door de dekkingsgraad en die wordt weer bepaald door de overheid. De overheid rekent nog steeds met een rekenrente van bijna 0%. Ondertussen hebben de pensioenfondsen in de afgelopen jaren gewoon een rendement behaald van 8% tot 10%. Hoe hoog moet het rendement van de pensioenfondsen dan zijn voordat de pensioenen eens een keertje meegaan?

Minister Rutte:

Dit betoog is levensgevaarlijk, althans levensgevaarlijk, het is financieel gevaarlijk voor heel veel gezinnen. Stel dat mevrouw Faber aan de knoppen zou zitten, dan zou de lijn wat gevierd worden. Dan is er wat meer beschikbaar voor de mensen die thans gepensioneerd zijn, maar haal je echt de hele solidariteit uit het pensioenstelsel. Waarom zouden jongere mensen dan nog een pensioen opbouwen? Deze cijfers worden hier natuurlijk heel eenzijdig gepresenteerd. We weten dat er de komende jaren heel veel extra verplichtingen op de pensioenfondsen afkomen, door de vergrijzing, het financiële toetsingskader en de hele onderliggende systematiek van hoe wij met dekkingsgraden omgaan. Hoe dit in de praktijk uitpakt, is uiteindelijk een zaak tussen werkgevers en werknemers. Het is geen zaak van de overheid. Wij gaan alleen over de randvoorwaarden. Wij willen dat een pensioenfonds ook kan leveren als het iets belooft. Anders moet het het niet beloven. Als het pensioenfonds het niet belooft, hoeft het het ook niet te leveren. Dat is verder aan werkgevers en werknemers. Als je alleen kijkt naar de wat hogere rendementen en niet naar wat er allemaal nog op ons afkomt et cetera, hol je het hele stelsel uit. Dat hebben jonge mensen snel door en dan ben je de hele solidariteit kwijt. Dan hebben we het best functionerende pensioenstelsel van de wereld om zeep geholpen.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Dan rest mij toch nog de vraag aan de minister-president hoe hoog de rendementen moeten zijn voordat de pensioenen meegaan. Dat antwoord heb ik nog niet gekregen. Moeten ze dan een rendement van 100% of 200% halen? 10% is al niet genoeg, maar dat is toch gewoon niet uit te leggen aan de mensen die momenteel een pensioen hebben?

Minister Rutte:

Op de vraag of pensioenen überhaupt geïndexeerd kunnen worden of, als ze niet geïndexeerd kunnen worden, desnoods enigszins kunnen mee-ademen met de inflatie, zonder volledige indexatie, antwoord ik dat dit in de eerste plaats afhangt van de dekkingsgraden. Wat het vaststellen van alle parameters in het pensioenstelsel betreft: het is niet zo dat wij dit met een prik in de lucht doen. Dit gebeurt natuurlijk op basis van gedegen adviezen van De Nederlandsche Bank en anderen. Zij adviseren ons over wat verstandig is gegeven de ontwikkelingen in de kapitaalmarkten, de beleggingen et cetera, zodat ouderen een goed pensioen hebben en ook jongeren op een goed pensioen kunnen rekenen. Feit is dat in de afgelopen jaren veel pensioenfondsen meer hebben beloofd dan ze konden waarmaken waardoor ze niet een volledige indexatie hebben kunnen doen. Dit komt ook door de tegenvallende beleggingsresultaten. Dat is nu eenmaal zo.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Faber.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Zoals de minister-president weet hebben we heel lang gerekend met een rekenrente van 4%. We hebben nu een rendement van 8% tot 10%. Ik vind het verschil nog steeds heel groot. Ik vind het niet uit te leggen aan de mensen met een pensioen.

Minister Rutte:

Dit laat zien hoe belangrijk het is dat niet mevrouw Faber of ik, of wij met zijn tweetjes die prik in de lucht doen voor de goede parameters, maar dat wij het aan de deskundigen overlaten. Dit zou echt heel gevaarlijk zijn.

De heer Kox (SP):

De minister-president is nog bij het onderdeel "vertrouwen in de overheid en in de politiek". Volgens mij is dit wezenlijk. Daar moeten wij, honderd jaar nadat wij hebben besloten om alle kiezers in dit land invloed te geven op het landsbestuur, op reflecteren. Het probleem is niet de vraag of de bevolking van dit land vertrouwen heeft in de regering of in de oppositie. Daar hebben we verkiezingen voor. Het probleem is dat mensen het stelsel als zodanig niet meer vertrouwen. Dat zou werkelijk de betonrot in het stelsel zijn. Ik heb de volgende vraag aan de minister-president. Is hij het met mij eens dat het in dit soort situaties vooral erg belangrijk is dat we op zijn minst proberen zo veel mogelijk de waarheid te zeggen en over de werkelijkheid te praten? Hij zegt namelijk in antwoord op vragen van collega's dat het goede nieuws voor de bevolking is dat de inkomensverschillen de komende tijd wat kleiner worden. Nu zijn er twee dingen mogelijk. De minister-president heeft gelijk en ik heb gisteren ongelijk gehad, of ik heb gelijk en de minister-president moet zijn uitspraak nuanceren. Ik heb de cijfers van het Nibud genoemd. Een moeder met een kind die in de bijstand zit, gaat er de komende vier jaar €15 op vooruit. Een moeder met een kind met een inkomen van €25.000 gaat er €74 op vooruit. Een moeder met een kind met een inkomen van €60.000 of meer gaat er €168 per maand op vooruit. Het kan niet allebei waar zijn. Of de inkomensverschillen nemen af, zoals de minister-president zegt, of ze nemen niet af. In ieder geval nemen ze voor moeders met kinderen niet af, maar nemen ze toe. Dat kan het gevolg zijn van beleid. Het kan zelfs ook nog gelegitimeerd worden, maar ik denk dat het wel zaak is dat we, als we het over vertrouwen hebben, proberen zo eerlijk mogelijk informatie aan burgers te geven.

Minister Rutte:

Er is de laatste paar jaren wel een tendens gaande om niet meer te kijken naar de percentuele stijgingen maar naar de absolute bedragen. 1% op €50.000 is meer dan 1% op €15.000. Dat is waar. Als de heer Kox dat bedoelt, heeft hij gelijk. Als we nu overschakelen naar stijgingen in absolute bedragen en niet meer in percentages, laten we wel een manier van werken los die ons sinds, ik mag wel zeggen, Joop den Uyl, heeft geholpen.

De voorzitter:

Meneer Kox, graag een korte vraag.

De heer Kox (SP):

Zou dat niet een reden zijn om er inderdaad over na te denken? De minister-president zegt dat we dit al doen sinds Joop den Uyl. Sinds Joop den Uyl zijn er denk ik een hele hoop mensen in dit land die zeggen dat ze niet worden betaald in procenten maar in centen. Als de minister-president tegen een moeder in de bijstand zegt dat ze er net zo veel op vooruitgaat als een moeder met een kind die €60.000 verdient en deze mevrouw daarna hoort dat dit in haar geval €15 is en in het andere geval €168, denkt zij: hier klopt iets niet. Misschien moeten we dan inderdaad nadenken over de kwestie dat we alles uitdrukken in procenten. Dit zou een hulpmiddel moeten zijn, maar het is niet de werkelijkheid. Kan de minister-president daarop reageren? Anders blijven we in de situatie zitten van een gelijk inkomensbeleid. Dat betekent dat de mensen met heel veel geld er heel veel bij krijgen en de mensen met heel weinig geld er weinig bij krijgen. Mensen kunnen niet leven van procenten. Ze leven van en moeten betalen in centen.

Minister Rutte:

Er zitten twee elementen in het antwoord. In de eerste plaats hebben we in Nederland het wettelijk minimumloon en het sociaal minimum, om ervoor te zorgen dat niemand door het ijs zakt en dat mensen in heel moeilijke omstandigheden ten minste voldoende te besteden hebben voor de basisbehoeften. Het tweede is dat je, als je zou doen wat de heer Kox zegt, naar een ander politiek stelsel moet. Dat is toch meer het stelsel dat in Oost-Europa tot 1989 functioneerde: het ideaal van het bezit is collectief en we verdienen allemaal hetzelfde. Dat is niet zo. We hebben in Nederland inkomensverschillen. Daar zijn overigens ook goede redenen voor. Onze samenleving vindt haar basis in een vrije ondernemingsgewijze productie en een aantal in het Rijnlandse model geaccepteerde vormen van economische ordening. Daar horen ook inkomensverschillen bij. Als je daar vanaf wilt, wat een politieke keuze is die ik niet zou maken, dan heeft de heer Kox gelijk. Je kunt niet zeggen dat je inkomensverschillen accepteert, maar dat je de koopkrachtstijging in absolute euro's gaat uitdrukken. Dat is gek.

De voorzitter:

Meneer Kox, echt tot slot op dit punt.

De heer Kox (SP):

Als de minister-president meent zijn betoog te moeten ondersteunen door te zeggen dat als je koopkrachtontwikkeling uitgedrukt wil hebben in centen in plaats van procenten, je dan terug wil naar Oost-Europa, dan wil ik hem eraan herinneren dat zijn partij relaties had in Oost-Europa en mijn partij opgericht werd uit onvrede over wat er in Oost-Europa gebeurde. Maar dat is allemaal erg, erg lang geleden. Ja, uw liberalen zaten daar ook.

Minister Rutte:

De JOVD had heel goede contacten met de Kompol. Ik ben er nog geweest. Dat was heel leuk.

De heer Kox (SP):

Ja, precies. Alles mag, maar u hoeft daar niet Oost-Europa bij te halen want ik heb daar niets mee. Waar het over gaat, is het volgende. Als we een stelsel hebben waarin we inkomensontwikkelingen steeds in procenten uitdrukken maar de werkelijkheid dan betekent dat mensen met heel weinig geld er heel weinig op vooruitgaan en mensen met heel veel geld er heel veel op vooruitgaan, moeten we er dan niet over na gaan denken of dat wel een valide stelsel is en of dat niet het vertrouwen van burgers kan aantasten? Die worden namelijk niet betaald in procenten maar in centen. Daar hoeft u dan toch niet voor naar Oost-Europa toe, of naar het verleden of naar het collectieve bezit van productiemiddelen? Daar kan u toch gewoon een antwoord op geven?

Minister Rutte:

Ja, dan laten we Oost-Europa even Oost-Europa en de geschiedenis de geschiedenis. Maar ik handhaaf wel mijn stelling. In een land waarin we accepteren dat er inkomensverschillen zijn en overigens de traditie hebben om die beheersbaar te houden omdat we menen dat inkomensverschillen op zichzelf erbij horen en dat mensen die hard werken, een bedrijf starten of succesvol zijn en vooruitkomen en dat ook mogen voelen in hun portemonnee, vind ik dat een waardevol element in onze samenleving. Tegelijkertijd hebben we ook de traditie dat we de inkomensverschillen een beetje beperkt houden. We weten ook dat als ze te groot worden, het in zijn tegendeel leidt tot een toename van maatschappelijke spanning. Ik denk dat we dat in Nederland op een heel mooie manier doen in een bijna Noord-Europese traditie. Gegeven het feit dat we accepteren dat er inkomensverschillen zijn, is het wel gek om loonstijgingen of inkomensstijgingen uit te drukken in absolute bedragen. Dat zal je toch altijd moeten uitdrukken in percentages van het inkomen.

De voorzitter:

Mevrouw Strik, een korte opmerking.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Daar heb ik dan toch wel een vraag over. Als je naar de doorrekening van het CPB kijkt, zie je dat percentagegewijs de laagste inkomensgroepen er minder op vooruitgaan. Misschien zou de premier daar in de tweede termijn nog even nader op terug kunnen komen, als hij daar al niet in het komende blokje op terugkomt.

Minister Rutte:

Nee, ik kan dat nu meteen beantwoorden. Dit kabinet maakt beleid. Als je vraagt naar de doorrekening van dat beleid, dan zie je dat de laagste inkomens door het kabinetsbeleid er meer op vooruitgaan dan de hoogste inkomens, 0,6% versus 0,5%. Als je daarin ook het gehele effect van de economie verwerkt, dan zie je dat de hoogste inkomens er meer op vooruitgaan dan de laagste inkomens. Ik kijk natuurlijk naar wat wij als politiek doen en hoe wij als politiek interfereren in de economie. Dan zie je dat het effect van het beleidspakket is, dat de laagste inkomens er iets meer op vooruitgaan dan de hoogste inkomens.

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mevrouw Strik.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dan begrijp ik deze tabel van het CPB niet en ik vind dat ook niet rijmen met wat de premier hier zegt, want in die tabel staat toch echt dat de laagste inkomensgroepen er 0,8% op vooruitgaan en de andere 1,3 tot 1,4%. Dat lijkt mij toch lager, ook percentagegewijs.

Minister Rutte:

Dat is de hele economie, maar we zijn hier natuurlijk om te praten over hoe we als politiek de economie beïnvloeden, waarbij het ook gaat om de effecten van alle maatregelen die het kabinet neemt. Dan zie je dat de laagste inkomens met 0,6% stijgen en de hoogste inkomens met 0,5%.

De voorzitter:

Ik vraag aan de mensen in de zaal om de minister-president de gelegenheid te geven om even meters te maken met zijn antwoord.

Minister Rutte:

Ja. Als je naar een concert gaat, kijk je altijd hoe dik de partituur nog is die de dirigent heeft liggen. En die is best nog dik, aan de verkeerde kant, zeg ik erbij voor zij die op tijd thuis voor sinterklaas willen zijn.

Het voordeel van al die interrupties is overigens wel dat ik stiekem al meters heb gemaakt in mijn beantwoording, maar ik wil toch nog wel een paar dingen zeggen over het bestuur. Dat gaat bijvoorbeeld over het vraagstuk hoe we ervoor zorgen dat voldoende mensen ook echt de handen aan de ploeg kunnen slaan en aan het werk kunnen. CDA, VVD en andere partijen hebben daarover vragen gesteld. Voor ons is het belangrijk dat vakmensen hun werk goed kunnen uitoefenen. Daarvoor hebben ook vorige kabinetten heel veel gedaan. Dat heeft ook tot concrete resultaten geleid. Je ziet bijvoorbeeld bij de politie dat er een heel forse toename is van het aantal mensen dat echt aan het werk kan binnen de bestaande formatie en niet meer administratief werk doet maar echt nu is vrijgespeeld voor het politiewerk, simpelweg door daar heel veel bureaucratie weg te halen, maar daarmee is het probleem nog niet opgelost. Het betekent dat wij door zullen gaan met heel kritisch kijken bij de politie, in het onderwijs en in de gezondheidszorg hoe we verder kunnen zorgen dat vakmensen ook echt aan de slag kunnen.

Een vraag die onder andere in de kring van de SGP leeft, bij de heer Schalk en anderen, is hoe we ervoor zorgen dat sectoren niet in diskrediet komen. Het is waar dat we een aantal dingen hebben gezien de laatste tijd, zoals bij de cor bij de politie. We zagen berichten uit de Defensieorganisatie. Laat ik daarover zeggen dat voor dit kabinet geldt dat incidenten en misstanden onacceptabel zijn en dat als medewerkers over de schreef gaan, er dan ook maatregelen moeten worden genomen en ook genomen worden. Als het echt ernstig is dat het ook strafrechtelijk effecten heeft, dan zal uiteraard het Openbaar Ministerie zich er ook mee bemoeien. Ik wil wel zeggen hier — ik heb die zaken ook goed gevolgd — dat het niet representatief is voor de publieke sector. We hebben in Nederland een prachtige publieke sector, zowel politie, Defensie en de mensen in het onderwijs en de gezondheidszorg die misschien wat indirecter publiek werken maar die ook belangrijke taken hebben, als ook de overheid zelf. Echt, we mogen gezegend zijn dat daar zo veel talent is vanuit het belang dat ze stellen om in hun leven dingen te doen die direct effect hebben op andere mensen — meaning heet dat in goed Nederlands — en dat zo veel mensen nog steeds kiezen voor een functie in die publieke sector en daar fantastisch werk doen. Maar er gaan ook dingen niet goed en die moeten we ook aanpakken. Ik heb hier allerlei teksten over wat er dan verder bij Defensie en bij de politie is gebeurd, maar die brieven zijn naar de Kamer gestuurd over hoe we daarmee om zijn gegaan. Ik denk dat ik hier mag volstaan met de opmerking dat ik het eens ben met de heer Schalk maar dat hij het hopelijk met mij eens is — ik zie hem instemmend knikken — dat wij een fantastische publieke sector hebben en we juist daarom misstanden moeten aanpakken om te laten zien dat we staan voor het over-, overgrote deel van de mensen dat wel een positieve bijdrage levert.

Dan was er nog de vraag wat de akkoorden die worden gesloten nu precies betekenen voor het publieke domein. Het is waar dat er in het regeerakkoord op een enkele plek wel gesproken wordt over overleg met de samenleving. Daar ben ik ook niet tegen. Tegelijkertijd vaart dit kabinet op het kompas van territoriale decentralisatie en geen functionele decentralisatie. Voor functionele decentralisatie zien we minder ruimte. Ik meen dat als je akkoorden sluit met allerlei maatschappelijke partijen maar uiteindelijk budgettair en politiek de besluitvorming laat waar die hoort en die niet uit handen geeft, er dan geen sprake is van functionele decentralisatie en dus ook niet van elementen van toenemend corporatisme, zoals hier en daar in bijdragen werd gesuggereerd.

Dan over de herindelingen. Het kabinet is van mening — ik ben het uiteraard met het kabinet eens — dat het primair de verantwoordelijkheid is van de gemeenten om zelf te beoordelen of een herindeling nodig is. We hebben daar in de formatie lang over gesproken want er wordt natuurlijk best onderscheiden over gedacht door de vier partijen die dit kabinet vormen. Daarbij hebben we ook met elkaar vastgesteld dat de provincies hierin een bijzondere taak hebben. Ik kijk maar even naar mevrouw Bijleveld die dat in haar vorige leven heeft gedaan. De provincies hebben een bovenlokale verantwoordelijkheid die ook weer uitgaat boven de afzonderlijke belangen van gemeenten. Er kan op provinciaal niveau aanleiding zijn om het initiatief te nemen tot herindeling, waarbij die herindeling geen doel op zichzelf is maar een middel om de bestuurskracht te versterken. De passage over herindelingen in het regeerakkoord is ook aanleiding om tot een herziening te komen van het Beleidskader Gemeentelijke Herindeling. Daarover is overigens overleg door de minister van Binnenlandse Zaken met gemeenten en provincies. Wij willen proberen dat de eerste helft van het volgend jaar, in ieder geval voor de zomer van 2018 af te ronden.

Dan de staatscommissie, een gevoelig onderwerp in deze Kamer. Er zijn een aantal vragen over gesteld. Ik lees de passage in het regeerakkoord zo dat er geen uitbreiding is van de onderzoeksopdracht van de commissie maar dat het meer een suggestie is. Mijn vermoeden is dat de commissie daar zelf niet heel anders naar kijkt, aangezien zij het vraagstuk van de constitutionele toetsing evenals vernieuwingen in het kiesstelsel in haar probleemverklaring ook benoemt, overigens zonder daarbij specifiek in te gaan op de regionale functies van kiesstelsels in de ons omringende landen. Er zijn twee vragen die ook de commissie in haar probleemverkenning aan de orde stelt en die de achtergrond zijn van die suggesties. Dat betreft het representatieve karakter van onze democratie aan de ene kant en de vormgeving van ons wetgevingsproces en de checks-and-balances in dat proces aan de andere kant. Zoals bekend wordt het advies het komend jaar verwacht. De minister van Binnenlandse Zaken zal er dan uitgebreid over komen te spreken met de Kamer. Dus dat wordt een relevant debat. Maar wij menen als kabinet hiermee niet geprobeerd te hebben — dat is in ieder geval niet onze bedoeling geweest — om de commissie stiekem extra taakjes te geven.

Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):

Ik stond even de precieze zin op te zoeken. Misschien zou u die precieze zin toch nog eens even willen uitleggen, want ik snap hem niet helemaal.

Minister Rutte:

Lees hem even voor, de precieze zin, want ik ken uiteraard alles uit mijn hoofd, maar net dat stukje niet.

Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):

De laatste zin, in de eerste bullet onder "Kiesstelsel". Daar staat: "mede in het licht van de regionale functie van kiesstelsels in de omringende landen en over het initiatiefvoorstel tot grondwetsherziening in tweede lezing inzake artikel 120 Grondwet, mede in relatie tot de positie van de Eerste Kamer." Dat vonden wij een bijzondere zin. Leg nou eens uit, wat bedoelen jullie daar nou mee als kabinet? Of beter gezegd, wat bedoelt uw nieuwe coalitie daar nou mee?

Minister Rutte:

Wij bedoelen daar niet mee dat wij de Eerste Kamer weg willen, integendeel, dat leeft bij ons niet in het kabinet. In ieder geval is het geen kabinetsbeleid, om dat meteen maar even hier uit te spreken en de sfeer goed te houden. In ieder geval, dat geldt zeker niet voor mij, maar ik meen ook niet dat het kabinetsbeleid is, integendeel. Maar feit is wel dat er natuurlijk nog een wetsvoorstel vigerend is rondom constitutionele toetsing, en dat ook de commissie zelf dat vraagstuk van de constitutionele toetsing althans in haar verkenning benoemt. Maar het is waar, ik zei het net ook al, dat die regionale functie van kiesstelsels en de positie van de Eerste Kamer niet expliciet door de commissie genoemd worden. Die ligt natuurlijk wel voor de hand, want als je praat over constitutionele toetsing zijn er natuurlijk scholen in Nederland. Dat zal de commissie nu ook echt verder moeten onderzoeken, maar er zijn natuurlijk scholen in Nederland die zeggen: als je dat zou hebben, is er dan ook nog behoefte aan een aparte Eerste Kamer? Of kun je het allebei doen? Of wil je helemaal geen constitutionele toetsing en wil je volstaan met het stelsel zoals we dat nu hebben? Dat is het bikamerstelsel, wat het uitgangspunt is op dit moment en waarover het kabinet ook geen enkel plan heeft om daarvoor wijzigingsvoorstellen in te dienen.

Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):

Als ik u dat laatste hoor zeggen, dan word ik dus verbaasder. Want waarom staat dan dat zinnetje "mede in relatie tot de positie van de Eerste Kamer" erbij? Als u dat niet ter discussie wilt stellen, dan snap ik daar gewoon niets van.

Minister Rutte:

Omdat het als de politieke conclusie zou zijn "er moet constitutionele toetsing komen" mij eerlijk gezegd zou verbazen, gegeven de politieke verhoudingen. Maar stel dat dat de uitkomst zou zijn — er ligt nog van een aantal jaren geleden op dat vlak een initiatief, ik dacht van GroenLinks, waar de commissie naar kijkt — dan is het niet gek dat je zegt: als je een Tweede Kamer hebt, een Eerste Kamer en constitutionele toetsing, moet je dan naast die constitutionele toetsing ook nog een aparte senaat hebben?

Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):

U maakt er dus weer een vraag van, terwijl wij zeggen: u zegt aan de ene kant "nee, de Eerste Kamer staat totaal niet ter discussie", en vervolgens zegt u erachteraan "maar stel nou dat ze met dat voorstel komen, dan komt die dus toch ter discussie". Wat is het nou? Als het niet ter discussie komt, dan hoeft die vraag dus eigenlijk ook niet naar de commissie toe. Dan hoeft u dus de relatie met de Eerste Kamer ook niet te leggen. En als u dat niet wilt, dan zou ik die zin gewoon vergeten.

Minister Rutte:

Dit vind ik gek, want dat zou betekenen dat je zegt, waar ik van mevrouw Jorritsma geen bezwaar tegen hoor: wil ook in uw werkzaamheden betrekken, zoals de commissie ook in een verkenning aangeeft, het vraagstuk van de constitutionele toetsing. En zou je dan niet mogen zeggen: dan willen we ook wel eens weten wat dat dan betekent voor het verdere parlementaire stelsel? Dat hangt toch met elkaar samen? Je kunt toch niet ontkennen dat als je tot de conclusie zou komen over de constitutionele toetsing die ik op dit moment niet voorzie, dat dan ook een discussie zou uitlokken over de vraag wat dat betekent voor het bikamerstelsel?

De voorzitter:

Mevrouw Jorritsma, tot slot.

Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):

Ik heb u gevraagd: waarom dit nu in een regeerakkoord neerleggen terwijl er gewoon een klip en klare opdracht aan de commissie is gegeven door Tweede en Eerste Kamer? Het suggereert minstens iets. Die suggestie neemt u met deze woorden niet weg.

Minister Rutte:

Nee, maar dat kan ik hier echt doen, want er is aan de formatietafel op geen enkele manier een besluit genomen, of een intentie of onderliggende behoefte uitgesproken "dan kunnen we wel even via een omweg van de senaat af". Nee, integendeel. Als u kijkt naar de constituerende partijen van het kabinet en hun tradities, denk ik dat er breed in deze coalitie gehecht wordt aan het instituut senaat. Maar feit is wel dat als je die commissie vraagt te kijken — dat doet ze zelf ook al — naar de constitutionele toetsing, ik het vreemd zou vinden om dan je ogen te sluiten voor het gevolg dat constitutionele toetsing zou hebben voor het bikamerstelsel. Als je dat niet doet, is dat gek, want dan sluit je een deel van de discussie uit. Dan moet je ook tegen de commissie zeggen "kijk niet naar de constitutionele toetsing, laat dat helemaal zitten". Dat is een andere optie, maar de commissie heeft zelf gezegd in haar verkenning dat ze ernaar gaat kijken. Dan zou je moeten zeggen "u noemt het in de verkenning, maar dat willen we niet". Maar als je het wel doet, vind ik dat je ook bereid moet zijn om te kijken hoe zich dat dan verhoudt tot het stelsel zoals we dat hebben. Dat vind ik logisch.

De heer Kox (SP):

Als ik de minister-president mag proberen te helpen met de uitdrukking "eerlijk duurt het langst", ik snap dat mevrouw Jorritsma verbaasd is over deze zin. Iedereen is daar verbaasd over, maar volgens mij staat er iets anders. Naast het feit dat we het ene referendum afschaffen en het andere niet door laten gaan en zo, staat hier ook nog "de constitutionele toetsing, dat wordt het ook niet, want dat heeft dan gevolgen voor de Eerste Kamer en dat willen we niet hebben". Volgens mij vindt de minister-president dat. Maar kunt u dan niet beter zeggen dat dit kabinet eigenlijk tot de conclusie is gekomen "we gaan niet verder met dat wetsvoorstel dat al deze Kamer gepasseerd heeft, dat is passé, want anders moeten we gaan praten over de Eerste Kamer". Ik denk dat dat erachter zit maar dat de viceminister-president van Binnenlandse Zaken ook het advies heeft gekregen "dadelijk moet je alles al afschaffen, laten we dit dan op een andere manier formuleren". Volgens mij staat er "de constitutionele toetsing, daar gaan we ook niet mee verder".

Minister Rutte:

Nee, in de volgorde van de formatie is het verzoek aan mevrouw Ollongren om vicepremier te worden gekomen na afronding van het regeerakkoord. In de formatie en na de formatie. Partijen in deze coalitie kunnen verschillend denken over allerlei aspecten van staatkundige hervorming. Mijn partij heeft daar opvattingen over, andere partijen hebben daar hun opvatting over. Hier is geen Vorentscheidung de ene of de andere kant op. Maar wel vind ik de inherent logische conclusie dat als de commissie kijkt naar constitutionele toetsing, je dan ook moet zeggen "hoe verhoudt zich dat dan tot je bestaande parlementaire stelsel"? Als je dat niet doet, moet je misschien ook die hele vraag niet stellen. Dan moet je tegen de commissie zeggen "kijk niet naar de constitutionele toetsing". Maar als je dat wel doet — en de commissie erkent in haar eigen verkenning dat ze dat gaat doen — dan is het raar om te zeggen "dat mag op geen enkele manier reflecteren op het bestaande parlementaire stelsel". Dat vind ik ook gek.

De heer De Graaf (D66):

In zo'n hele partituur is één nootje dat niet helemaal zuiver klinkt natuurlijk ook wel lastig. In dit geval was het misschien verstandiger geweest als de beide Kamers waren genoemd in het regeerakkoord in plaats van alleen de Eerste Kamer. Dat wekt in ieder geval bij deze Kamer toch wat gevoeligheid op. Maar los daarvan, ik hoorde u goed zeggen — en ik hoop dat u dat even wilt herhalen — dat het kabinet dus niet de taakstelling en het instellingsbesluit van de staatscommissie gaat aanpassen. In dat geval is dat een nuttige wenk voor de staatscommissie, maar het is niet een uitbreiding of een herformulering van de opdracht van de staatscommissie.

Minister Rutte:

Zo is het. En overigens vind ik de suggestie van de heer De Graaf helemaal niet verkeerd om, waar het in het regeerakkoord gaat om kijken wat voor effecten dat heeft op de senaat, daarbij te betrekken, dat — niet in het regeerakkoord, want dat is er nu eenmaal — te veranderen in, of te lezen als "de effecten op het bikamerstelsel".

De heer De Graaf (D66):

En de regering.

Minister Rutte:

Ja, maar daar wil ik geen discussie over, voorzitter! This is taking things too far!

De voorzitter:

Nog anderen? Tot slot, mevrouw Jorritsma.

Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):

Ik concludeer dat het dus eigenlijk een loze zin is. Het is een opmerking in het regeerakkoord, maar er komt geen nieuwe opdracht. Als dat de conclusie mag zijn, dan ben ik tevreden.

Minister Rutte:

Er komt geen uitbreiding van de onderzoeksopdracht. De commissie zelf heeft overigens in haar verkenning gezegd dat ze hiernaar gaat kijken. En wellicht dat de heer De Graaf hier de angel uit het debat haalt door waar "senaat" staat af te spreken dat we daar lezen "het bikamerstelsel".

De voorzitter:

Mijnheer Kuiper, tot slot op dit punt, want we zijn hier nu wel mee klaar, denk ik.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik hoop dat ik nog een nieuw element kan toevoegen, want de zin begint met het kiesstelsel en betrekt dan eigenlijk die passage op de verkiezing van de Tweede Kamer. Nu is in dit huis ook gedebatteerd over de verkiezing van de Eerste Kamer. Voor mij was de zin dus ook niet duidelijk, ik zie trouwens ook niet het noodzakelijk verband tussen constitutionele toetsing en de betekenis voor het tweekamerstelsel. Maar de hele discussie begon doordat in een vorige kabinetsperiode vanuit de VVD-fractie in de Tweede Kamer werd gezegd: moeten we niet eens nadenken over het opheffen van de Eerste Kamer? Mijn fractie heeft er steeds voor gewaarschuwd dat dat een soort connotatie zou worden bij de hele operatie van de staatscommissie. En u drukt hier inderdaad wel op een zeer gevoelig punt. Maar ik zou u willen vragen wat u dan hier bedoelt met wijziging van het kiesstelsel, terwijl u dat beperkt tot de Tweede Kamer, maar de positie van de Eerste Kamer ook wordt genoemd.

Minister Rutte:

Ik ga hier exegese doen en kom erop terug, want ik heb de precieze teksten zo gauw niet paraat. Ambtelijk is de vraag goed verstaan. Ik kom er in tweede termijn op terug. U ziet overigens dat de zorgvuldig behouden eenheid in de VVD het niet altijd helemaal houdt, gegeven de interventie van mevrouw Jorritsma van zonet. Dat is interessant en ook goed voor de democratie.

Dan het referendum. Daarover heb ik niet zo heel veel meer te melden dan dat we in het regeerakkoord afspraken hebben gemaakt over de Wrr, de Wet raadplegend referendum. Een en ander ligt nu bij de Raad van State. Zodra het stuk terug is, zullen wij er uiteraard een nader rapport bij schrijven, waarna het naar de Tweede Kamer gaat. Ik begrijp de verwijten niet dat het parlement had moeten weten dat dit stuk nu naar de Raad van State is, want dat doen we nooit bij een wetsvoorstel. Ik heb op school altijd geleerd dat de regering of een Tweede Kamerlid een wet maakt. Die gaat dan eerst naar de Raad van State, waarna hij wordt ingediend bij de Raad van State. Volgens mij is de volgorde dus nog steeds staatsrechtelijk juist.

De heer Nagel (50PLUS):

Kan de premier bevestigen dat er een spoedprocedure is aangevraagd? Is het oogmerk eventueel om de wet dan te doen afhandelen voor 15 maart, wanneer het volgende referendum gepland staat?

Minister Rutte:

Het eerste is ja, het tweede is nee. Het eerste is ja omdat het kabinet meent dat spoedadvies hier geboden is, aangezien de samenloop van het intrekken van de Wet raadplegend referendum zich slecht verhoudt tot de referendabiliteit van andere wetsvoorstellen die nog in wording zijn. We willen wat dat betreft dus spoed betrachten, maar het doel is niet om dat voor 15 maart te doen, nee. Het doel is trouwens evenmin om het voor 21 maart te doen. Dat is waarschijnlijk een nog gevoeliger datum; misschien bedoelde de spreker die datum ook.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik wil graag een nadere toelichting op dit punt. De minister-president zegt dat de bedoeling van de spoedeisendheid van de ingediende wet vooral te maken heeft met de referendabiliteit van andere wetten. Betekent dat ook dat het niet te maken heeft met het referendabel zijn van deze wet? Betekent het ook dat het kabinet niet voor ogen heeft om de referendumwet niet referendabel te maken?

Minister Rutte:

Ik hoop dat u mij zult toestaan om op dit punt te zeggen dat het goed gebruik is dat een wetsvoorstel pas af is als het af is en wanneer het wordt ingediend bij de Tweede Kamer. Dat is na advisering van de Raad van State. Ik heb dat ook herhaald tijdens mijn persconferentie van vrijdag. Nog even los van de vraag of het nou precies in het wetsvoorstel staat, want dat wordt pas later bekend, zien de minister van Binnenlandse Zaken en ik dat het onlogisch is om de Wet raadgevend referendum in te trekken en daarna een raadgevend referendum te houden over de Wet raadgevend referendum, die dan al is ingetrokken. Dat wordt een beetje een Drosteblikje.

De heer Koffeman (PvdD):

Hoewel collega De Graaf natuurlijk gelijk heeft dat er nog geen advies van de Raad van State kan liggen, heeft de Raad van State zich wel van tevoren hierover uitgelaten. Dat is heel uitzonderlijk. Een woordvoerder van de Raad van State heeft gezegd dat het evident is dat deze intrekkingswet normaliter referendabel is en dat men, als het kabinet een spoedelement introduceert, daar zeer kritisch naar gaat kijken. Dat zijn eigenlijk geen bewoordingen waarmee de Raad van State normaal naar buiten treedt. Heeft de minister-president daar ook een appreciatie van?

Minister Rutte:

Nou, dat zou mij niet passen. Ik stel voor dat wij de staatsrechtelijk juiste volgorde in acht nemen.

Dan kom ik bij Sint-Maarten, waarover een paar opmerkingen zijn gemaakt. Staatssecretaris Knops heeft hier de afgelopen dagen goed werk gedaan. De situatie op Sint-Maarten is nu zo dat wij hopen snel te kunnen overgaan, naast de noodhulp die loopt, tot het meer structureel bijdragen aan de wederopbouw van het eiland. Er waren wel een paar steentjes uit de schoen te verwijderen voordat dat kon. Het is belangrijk dat het vele geld dat Nederland bereid is erin te steken, goed wordt besteed. Daarvoor is nodig dat alle noodzakelijke randvoorwaarden op het gebied van integriteit er zijn en dat ook het grenstoezicht goed is geregeld. Die wensen waren overigens niet politiek gemotiveerd, maar inhoudelijk, om te verzekeren dat wij ook aan de Nederlandse belastingbetaler kunnen uitleggen wat we daar aan het doen zijn. Ik denk dat het goed is om vast te stellen dat het daar nu de goede kant uit gaat met de interim-regering en met de berichten dat deze week, ik geloof donderdag, de regelgeving over de integriteitskamer hopelijk in behandeling komt.

Dan de kwestie van Aruba en het kunnen gebruikmaken van de Nederlandse rentestand, dus lenen met inachtneming van de Nederlandse positie op de financiële markten. Ik kan melden dat hier afspraken over zijn gemaakt. Mogelijkheden voor lenen via de lopende inschrijving zullen worden beoordeeld aan de hand van de nationaal en internationaal gehanteerde criteria voor houdbare overheidsfinanciën. Het College Aruba financieel toezicht heeft thans nog steeds grote zorgen over het behalen van de normen die zijn benoemd in de Landsverordening Aruba tijdelijk financieel toezicht. Op dit moment moet de conclusie zijn dat de overheidsfinanciën nog verdere verbeteringen behoeven. Er is een nieuwe regering aangetreden, die daar verder mee aan de slag gaat. De regering-Eman heeft al goede dingen gedaan, maar het is nog niet helemaal af. De nieuwe regering gaat daarmee verder, dus met zichtbare stappen in de richting van duurzame overheidsfinanciën. Als dat gebeurt, kunnen we kijken hoe Aruba kan meedoen aan lopende inschrijvingen, maar het moet dan wel voldoen aan de minimumvereisten.

De heer Ten Hoeve (OSF):

Ik begrijp die redenering. Ik constateer echter dat wanneer wij wel bereid zouden zijn goedkope leningen te verstrekken, het voor Aruba aanzienlijk makkelijker en sneller zou zijn het vereiste punt te bereiken. Dat maken wij wel extra moeilijk op deze manier.

Minister Rutte:

Dat punt zie ik. Ik heb daar ook over gesproken met de onlangs vertrokken gevolmachtigd minister, die mij dit ook voorlegde. Ik zie dat punt helemaal, maar hier doet zich natuurlijk het lastige kip-en-eiprobleem voor, waarbij de kip toch voor moet gaan. Basaal moeten de plannen voor de financiën op orde zijn. Als dat zo is, kan onder voorwaarden worden gebruikgemaakt van lopende inschrijvingen. Feit is dat Aruba op dit moment nog een staatsschuld heeft van boven de 80%. Dat is voor een small island state echt ongeveer 50% hoger dan ze mogen hebben. Ze kunnen eigenlijk niet veel meer aan dan 30% tot 40%, terwijl ze een staatsschuld hebben van boven de 80%. In die zin zijn de overheidsfinanciën op dit moment dus nog niet langetermijngezond.

Er is gisteren het een en ander gezegd over het aantal ministers. Ik heb hier ook nog allerlei cijfertjes. De heer De Graaf wees er terecht op dat wij een veel kleiner aantal ministers hebben. Het plan was om meer staatssecretarissen te hebben. Bij de onderhandelingen over Paars-plus in 2010 hebben we daar ook nog naar gekeken, zoals ik hem gisteren sms'te. Ik denk dat wij nu een goede balans hebben in deze ploeg tussen het aantal ministers en staatssecretarissen. Of dat ook echt zo is, zal moeten blijken uit ons functioneren, maar de eerste maanden geven in ieder geval de verwachting dat dat gelukt is.

Dan over de ontwikkelingen in Groningen met de dwangboetes. Het is waar dat in een heel enkel geval — gelukkig zijn het enkele gevallen — winkeliersverenigingen boetes opleggen wanneer de winkels op zondag niet open zijn. Wij zijn daar niet voor. Ik heb overigens begrepen dat de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, mevrouw Keijzer, zeer binnenkort een brief over deze kwestie stuurt aan de Tweede Kamer. Ik zal haar vragen om een afschrift van die brief aan de Eerste Kamer te sturen.

Voorzitter. Dan kom ik bij het tweede onderwerp, veiligheid, waarover ik een aantal zaken zal zeggen. Een van de punten die zijn gemaakt in eerste termijn ging over de balans stad/regio/platteland. De politiecapaciteit moet optimaal worden ingezet. Dat vereist dus ook goede keuzes, waar de minister van Justitie en Veiligheid ook aan werkt. Er komt een forse extra investering aan opdat we alle ambities uit het regeerakkoord kunnen realiseren. Daarbij zullen we die balans uiteraard goed in de gaten houden. De voortgangsbrief realisatie nationale politie 2017 zal binnenkort verschijnen. Daarin zal minister Grapperhaus de Eerste Kamer en Tweede Kamer informeren over de verdeling van de operationele sterkte.

Gisteren is ook veel gesproken over de commissie-Kuiken. Zij heeft op 16 november via de minister van Justitie en Veiligheid het eindrapport aangeboden aan de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Zoals we allemaal weten, heeft de evaluatiecommissie in het rapport ruim aandacht geschonken aan het vormingsproces en het wetgevingstraject. Er worden kritische noten gekraakt over het vormingsproces. Zo is onder andere geconcludeerd dat de herijking weliswaar positieve elementen had, bijvoorbeeld doordat de broodnodige reset — zoals dat in jargon heet — heeft plaatsgevonden, maar dat daarbij ook kritische noten te kraken zijn. De hoofdconclusie van het rapport is dat er geen verdere grote verbouwingen nodig zijn, maar wel een weloverwogen stap-voor-stap doorontwikkeling van de nationale politie. Daarom heet het rapport niet voor niets "Evaluatie Politiewet 2012 Doorontwikkelen en verbeteren". Het plan is nu dat de minister van Justitie en Veiligheid in het eerste trimester van 2018 een kabinetsstandpunt zal aanbieden aan de beide Kamers, aan de Staten-Generaal. Verder ontvangt de Kamer nog in december de voortgangsbrief van de minister over de stand van zaken bij de vorming van de nationale politie. Gegeven dat alles gaat het kabinet natuurlijk niet over evaluatiecommissies, maar mijn zorg zou wel zijn dat, als de Kamer een groot parlementair onderzoek gaat doen, dit het risico met zich brengt — dat mag ik hier toch wel zeggen, al gaan wij er verder niet over — dat er vertraging optreedt bij de politie, want het risico bestaat toch dat daarnaar gaat worden gekeken en dat dingen dan gaan wachten. Ik zeg dat even hier omdat het mijn gevoel is dat de commissie-Kuijken juist een goede balans heeft gevonden en kritisch is. We kunnen er ook lessen uit trekken, dus misschien is het een optie, zeg ik heel beleefd — maar nogmaals, ik kan hier alleen maar een suggestie doen — dat een besluit over een parlementair onderzoek even wacht op de reactie van het kabinet op het rapport-Kuiken en het debat daarover. Mocht er dan nog aanleiding zijn voor een parlementair onderzoek, is dat wellicht een moment om een besluit te nemen. Maar goed, ik ga nu ver over mijn bevoegdheden heen, want nogmaals, dat is aan de Kamer zelf.

De heer De Graaf (D66):

De Kamer moet inderdaad zelf beslissen of het een parlementair onderzoek instelt. Ik zou de minister-president wel willen meegeven dat, indien de Kamer daartoe zou besluiten, een parlementair onderzoek in de Eerste Kamer van een heel andere snit is en een heel ander karakter heeft dan het bekende parlementaire onderzoek of de enquête van de Tweede Kamer. Ik denk dat de minister-president daar vooral wat bevreesd voor is, in die zin dat dat een enorm verlammende werking zou hebben op de politie. Ik geloof niet dat er een zelfstandig bestuursorgaan is dat verlamd van schrik niet heeft kunnen functioneren omdat de commissie-Kuiper uit deze Kamer over de privatiseringen en verzelfstandigingen in de publieke sector heeft geadviseerd. Dat valt denk ik wel mee. Mijn vraag zou zijn, los van de specifieke reactie op het rapport-Kuijken: als de minister-president zelf op de afgelopen zeven jaar terugkijkt, vanaf het moment dat werd besloten tot de nationale politie, heeft hij dan niet het gevoel dat het misschien iets te snel is gegaan?

Minister Rutte:

Ja, ik denk dat het op onderdelen sneller is gegaan dan achteraf verstandig was. Ik ben wel heel blij dat wij de nationale politie hebben ingevoerd. Ik ben ook blij dat Kuijken zijn rapport heeft geschreven. Ik dank hem en zijn commissie daar zeer voor omdat die ons ook veel handvaten biedt voor de verdere doorontwikkeling. Ik zou de reflectie op de invoering van de nationale politie tot die opmerking willen beperken omdat ik anders heel erg vooruitloop op wat, vind ik, de minister moet kunnen doen, ook omdat hij er met een verse blik naar kan kijken. Hij was niet betrokken bij de invoering, dus hij kan er bij uitstek op reflecteren.

De heer Kox (SP):

In aansluiting op wat collega De Graaf zegt, denk ik dat het redelijk is en voor de hand liggend dat wij de kabinetsappreciatie van het rapport-Kuijken krijgen. Dat lijkt mij goed, maar we moeten deze zaken niet te veel met elkaar verknopen. De regering, zoals ik gisteren ook heb gezegd, moet vooral doorgaan met het op orde krijgen van de politie. Dat is een zaak van landsbelang, mag ik toch wel zeggen. Daar is dat rapport buitengewoon nuttig bij. Wat deze Kamer zou moeten gaan doen — althans dat is het voorstel van mijn fractie dat door meerdere fracties wordt gesteund — is kijken hoe wij deze wet zo hebben gemaakt, met zo veel bemoeienis van beide huizen en van de regering en hoe het kan dat het eindresultaat dan niet is wat wij wilden hebben, althans nog niet. Dat is ter lering van het parlement, zoals dat ook gold voor het eerste onderzoek. In die zin hoeft de minister-president inderdaad niet bevreesd te zijn dat ons onderzoek de doorontwikkeling van de politie in de weg zou gaan staan. Nee, het moet er juist een ondersteuning voor zijn.

Minister Rutte:

Ik verstout mij daar twee opmerkingen bij. Het betoog van de heer Kox onderstreept misschien juist de gedachte dat het dienstig kan zijn pas een besluit te nemen als de kabinetsreactie er is omdat die integraal onderdeel uitmaakt van de evaluatie. Het verschil met het onderzoek van Kuijken naar de privatiseringen is dat dat een breed onderzoek was, terwijl dit zich heel erg richt op één overheidsdienst. De Eerste Kamer moet niet onderschatten dat zo'n onderzoek ook effecten zal hebben op de organisatie, maar nogmaals, dat is uiteindelijk aan de Kamer.

Mevrouw Barth (PvdA):

De minister-president geeft aan dat hij nu niet al te uitgebreid wil ingaan op het onderwerp omdat het kabinet op een later moment terugkomt op het rapport van de commissie-Kuijken. Tegelijkertijd heeft hij best een mening over wat wij er als Kamer wel of niet mee zouden moeten doen, en dat roept toch een aantal vragen op. Ik hoor de minister-president zeggen dat de commissie-Kuijken niet pleit voor een totale reset. Dat doet men inderdaad niet in de zin dat de commissie ervoor pleit om de nationale politie weer terug te draaien of heel fundamentele nieuwe reorganisaties in te zetten, maar de minister van Justitie krijgt wel maar liefst twaalf forse aanbevelingen mee in het rapport, net zo veel als er indertijd novelles nodig waren om in de Eerste Kamer de kleinst mogelijke meerderheid achter de wet te krijgen. Daar zitten best forse aanbevelingen tussen, bijvoorbeeld dat de bevoegdheid voor het cao-overleg moet worden overgedragen aan de korpschef. Eén van de aanbevelingen is ook — ik citeer die even: "Centraal- decentraal in evenwicht - Beleids- en beheerskaders die voldoende ruimte geven voor lokaal en regionaal maatwerk en differentiatie en die consequent en op alle niveaus worden aangevuld met gezamenlijk geformuleerde regionale en lokale veiligheidsdoelen." Dat is nu precies het onderwerp waar onze fractie gisteren aandacht voor heeft gevraagd: de lokale inbedding van de politie, de mate waarin burgemeesters in staat zijn om hun verantwoordelijkheid voor de lokale openbare orde waar te maken. Dat is toch best een heel serieus zorgpunt. Ik zo het zeer op prijs stellen als de minister-president daar vandaag alvast wat nader op zou willen ingaan.

Minister Rutte:

Daar heb ik twee opmerkingen over. De politie heeft natuurlijk twee taken, opsporing en openbare orde. Wat betreft de openbare orde is de relatie in de driehoek met de burgemeester van grote relevantie. Op zichzelf is die opmerking terecht, maar juist omdat dit zo is, lijkt het mij verstandig dat de minister van Justitie en Veiligheid deze aanbevelingen gaat bespreken met de burgemeesters, voordat ik daar nu op ga reflecteren. Ik zou echt de volgorde willen hanteren die ik suggereerde.

Mevrouw Barth (PvdA):

Oké, dat wachten wij af, maar dan zou ik het wel op prijs stellen als de minister-president nog zou willen ingaan op de vraag waarom de motie-De Graaf niet is uitgevoerd en waarom de relatie tussen het lokaal bestuur en de politie niet is versterkt door de verantwoordelijkheid voor de politie weer over te hevelen naar de minister van Binnenlandse Zaken.

Minister Rutte:

Hier zie je de samenwerking die mevrouw Barth en ik vijf jaar lang hebben opgebouwd, want dat is precies de volgende vraag op mijn stapeltje. Waarom heeft het kabinet ervoor gekozen de motie-De Graaf niet uit te voeren? Dat is PvdA-vraag 6, mondeling gesteld. Het antwoord is dat wij een andere politieke afweging hebben gemaakt. Dat is het eerlijke antwoord. Overigens hebben wij intern wel in kaart gebracht wat je zou moeten doen om de politie weer onder BZK te brengen. Daar is technisch naar gekeken, maar uiteindelijk hebben wij er in de formatie en in deze coalitie toe besloten om Justitie en Veiligheid toch bijeen te houden. Na een lange discussie is dat gebeurd. Het was echt een inhoudelijke discussie, waarbij ervoor is gezorgd dat openbaar ministerie, politie en rechterlijke macht onder één ministerie ressorteren. Er is wel een knip gemaakt in het takenpakket tussen de minister van Justitie en Veiligheid en minister Dekker voor de rechtshandhaving. Daaraan zie je dat er wel bepaalde keuzen zijn gemaakt, ook in de portefeuilleverdeling. Uiteindelijk vonden wij het verstandig om de openbare-ordetaak, de opsporingstaak, justitie en politie bij elkaar te houden. Dat is een politieke afweging in de formatie geweest.

Dan iets over wat er in het regeerakkoord staat over een aantal zaken rond de cao van de politie. Dat zijn punten waarvan wij graag zouden willen dat die worden gemoderniseerd, ook in het licht van het arbeidsvoorwaardenoverleg. Er is ook een vraag gesteld over de strafrechtketen. In het regeerakkoord is een bedrag opgenomen, oplopend tot 20 miljoen structureel, voor de keteneffecten van de investeringen bij de nationale politie. Die worden ook nader onderzocht. Er vindt een verdeling plaats tussen de ketenorganisaties, waaronder het openbaar ministerie. Zo kunnen we ook de nodige passende maatregelen nemen op ICT-gebied.

Dan de vraag over de rechtsstaat als zodanig. Ik was het met de heer Kox niet eens dat onze rechtsstaat door de bodem dreigt te zakken. We zitten, geloof ik, in de top drie van de wereld, vlak achter Zweden en Zwitserland. We mogen echt trots zijn op onze rechtstaat en op hoe die functioneert.

De heer Kox (SP):

Als ik dat zo gezegd heb, dan is dat fout gezegd. Ik zei volgens mij — ik kan het in mijn tekst van toen nalezen — dat we op een aantal punten door de bodem dreigen te zakken. Dat is eerder een citaat van een hoorzitting die we hier hebben gehad met eminente mensen als de oud-voorzitter van de Hoge Raad en anderen. Met onze rechtsstaat is het prima gesteld, maar op onderdelen dreigen we door de bodem te zakken. En dat is niet míjn conclusie, maar de conclusie van een panel dat we in deze Kamer hierover aan het woord hebben gehad.

Minister Rutte:

Oké, onmiddellijk aangenomen. Akkoord. Wat overigens de inhoud ervan betreft, formuleert het regeerakkoord een duidelijke opdracht inzake de rechtsbijstand. Het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand wordt herzien en vormgegeven langs de lijnen van de commissies-Wolfsen en -Van der Meer. De bestaande budgettaire kaders worden gehandhaafd. Er worden geen rechtsgebieden uitgesloten. Het doel is een stelsel waarbinnen kwalitatief goede rechtsbijstand wordt geleverd daar waar dat nodig is, door de rechtsbijstandsverlener die daarvoor het meest is aangewezen. Soms kan dat een juridisch loket zijn, soms is het een gespecialiseerde advocaat of een mediator. En daar gaan we dus nu aan werken langs de lijnen die uiteengezet zijn in het regeerakkoord. Het plan is dat de minister voor Rechtsbescherming zo rond de zomer van 2018 de Kamer daarover zal informeren.

De heer De Graaf (D66):

Die tekst uit het regeerakkoord is bekend. Ik heb niet voor niets net gezegd dat die wat ons betreft wel wat zuinig is, juist omdat er staat "de bestaande budgettaire kaders". Eigenlijk moet je concluderen dat het rapport-Van der Meer moeilijk uitvoerbaar is binnen de bestaande kaders. Daar zit nou net de angel. Ik zou in ieder geval het kabinet willen vragen, in het bijzonder de minister voor Rechtsbescherming ... Ik zei net rechtshandhaving, maar dat zit volgens mij nou net bij die andere minister.

Minister Rutte:

Rechtsbescherming.

De heer De Graaf (D66):

Ja, Rechtsbescherming. De vraag ik om toch nog even ook naar deze Kamer een brief te sturen hoe hij denkt dat de commissie-Van der Meer wel kan worden uitgevoerd binnen dat bestaande kader.

Minister Rutte:

Of dat we het betrekken bij het wetsvoorstel of bij de uitwerking van de plannen. Ik hoor wat de heer De Graaf zegt, maar ik kan hier natuurlijk niet ... De minister voor Rechtsbescherming en ik denk ook de minister van Justitie en Veiligheid zullen dolblij zijn met deze oproep voor meer geld, maar ik moet natuurlijk ook even de financiële balans in het hele kabinet in de gaten houden, zeker nu de penningmeester er niet is. Dus ik snap dit verzoek. Ik kan daar nu niets over zeggen, maar ik heb er goed naar geluisterd.

De heer De Graaf (D66):

Ik ben blij dat de minister-president mijn woorden zo interpreteert dat het al gelijk een oproep voor meer geld was. Dat was eigenlijk niet eens de bedoeling.

Minister Rutte:

Oh.

De heer De Graaf (D66):

Ik vroeg alleen maar of het kabinet, bij monde van de minister voor Rechtsbescherming, nog eens kan uitleggen of binnen die bestaande kaders dat rapport-Van der Meer daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. Als je nu al op voorhand tot de conclusie komt dat dat niet kan, dan ben ik het helemaal met u eens dat er meer geld bij moet.

Minister Rutte:

Dit is nog verstandiger, voorzitter. Ik ruik een tweetrapsraket, waarbij stufe 1 is om te kijken hoe de bestaande budgettaire kaders zich verhouden tot de onderzoeken, zonder al vooruit te lopen op een tweede stap. Dat is nog beter en nog verstandiger, maar goed: de minister heeft geluisterd. Bij gelegenheid.

Dan is er een vraag gesteld over mensenhandel. We hebben in het regeerakkoord maatregelen aangekondigd, waaronder het ook door de ChristenUnie genoemde pooierverbod. Er worden, denk ik, een aantal belangrijke stappen gezet ter voorkoming van misstanden in de prostitutie en in de strijd tegen mensenhandel. Daar hebben we overigens de gemeenten verschrikkelijk hard bij nodig. Over de aanpak van mensenhandel, waaronder ook de aandacht voor signalering, wordt met verschillende partijen gesproken: politie, openbaar ministerie, uiteraard de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en het strategisch overleg hierover. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is bezig met een plan van aanpak voor verdere intensivering, in lijn met de ambitie uit het regeerakkoord, en daarbij worden dus ook die gesprekken met de gemeenten aangegaan.

Dan was er een opmerking over kantonrechters en mediation. Dat zou dan leiden tot de invoering, zo was dacht ik de suggestie, van shariarechtbanken. Nou, dat is in ieder geval niet het plan. Er zitten een paar onjuist aannames in die stelling. Het is niet zo dat in de pilot buurtrechters de buurtrechters ontlast moeten worden door mediation. Bij de pilot met buurtrechters zullen professionele rechters worden ingezet. De reden waarom we dat willen doen, is dat we het belangrijk vinden dat de rechtspraak zichtbaar en toegankelijk is voor iedereen en dat de rechtspraak snel kan bijdragen aan daadwerkelijke probleemoplossing.

Dan was er de vraag over ...

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

De vraag ging meer over de mediation. We hadden het over de buurtrechters en die zouden ondersteund worden door mediation. Mijn vraag was aan de minister-president of hij kan uitsluiten dat moskeebesturen hier geen rol in gaan spelen.

Minister Rutte:

Nou ja, ehm ...

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Uitsluiten dát ze een rol gaan spelen. Dank u wel mevrouw Barth, ik zei het verkeerd.

Minister Rutte:

En kerkbesturen mogen wel een rol spelen?

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik heb het niet over kerkbesturen. Ik heb het over moskeebesturen. Kerkbesturen mogen trouwens ook geen rol spelen daarin. Mijn vraag is, nogmaals, bij deze mediation: kunt u uitsluiten dat moskeebesturen daar een rol in gaan spelen?

Minister Rutte:

Nou, voorzitter, ik ben niet zo deskundig op het gebied van mediation dat ik precies weet wie daar allemaal bij betrokken zijn, maar volgens mij zat hier een suggestie achter dat er — zo zei mevrouw Faber het in eerste termijn — via een achterdeur de sharia wordt ingevoerd. Dat kunnen we uitsluiten. Maar wie er precies allemaal een rol spelen bij mediation en wie ik op voorhand wel of niet kan uitsluiten, daar kom ik nog even op terug.

Dan was er een vraag over uiteraard de hennepteelt. Ja, daar is die. Daar zijn een paar vragen over gesteld door verschillende sprekers. De minister van Veiligheid en Justitie — Justitie en Veiligheid, sorry, daar gaat weer een euro — en de minister voor Medische Zorg zijn momenteel bezig om de opdracht uit het regeerakkoord ten aanzien van de experimenten met wietteelt vorm te geven. Ze bereiden samen de wet- en regelgeving voor. Het doel is om te bezien of en hoe wiet gedecriminaliseerd toegeleverd kan worden, en of en hoe op kwaliteit gecontroleerde wiet gedecriminaliseerd aan coffeeshops geleverd kan worden. Er is dus geen sprake van het legaliseren van de wietteelt, maar van een beperkt experiment met het telen van wiet voor recreatief gebruik. Dat betekent dat buiten de experimenten, dus in het overgrote deel van Nederland, alle wietteelt verboden blijft.

Daarnaast is natuurlijk een groot belang dat we de drugscriminaliteit aanpakken. Dat wordt ook geïntensiveerd. Ik onderschrijf het belang daarvan, evenals de ketenpartners dat doen van het ministerie van Justitie en Veiligheid, OM, politie, gemeenten, Belastingdienst, Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en Financiën. Daarom is ook de Toekomstagenda Ondermijning opgesteld voor de bestrijding van ondermijning. De missie van dit kabinet is om deze partijen bij hun aanpak te faciliteren, financieel, maar ook door de noodzakelijke wetgeving om onnodige knelpunten bij de aanpak weg te nemen. Daarom is er ook eenmalig 100 miljoen vrijgemaakt en 10 miljoen structureel. Minister Grapperhuis van Justitie en Veiligheid bekijkt op dit moment hoe dit beleid samen met alle partijen bestendig gemaakt kan worden.

De heer Schalk (SGP):

Met die laatste zinnen had de minister-president van mij kunnen doorgaan, want dat moet natuurlijk gebeuren, die aanpak van drugs en drugscriminaliteit. Ik kan alleen nog steeds niet begrijpen hoe dat zich ertoe verhoudt dat de Staat toch iets gaat doen met wietteelt. Zou hij nog willen proberen om mij ervan te overtuigen dat dat nuttig is?

Minister Rutte:

Ik ga de heer Schalk niet overtuigen. Ik weet zeker dat dat niet gaat lukken, want hij denkt daar echt anders over dan dit kabinet en dat respecteer ik. Wij hoorden ook zijn collega aan de overzijde daar mooie dingen over zeggen, althans debattechnisch knappe dingen. Niet inhoudelijk natuurlijk, maar wel debattechnisch. Daar ga ik de SGP niet van overtuigen denk ik. Waarom wij dat willen, is heel simpel dat wij daar heel lang over hebben gesproken aan tafel. Er waren partijen die helemaal willen stoppen met coffeeshops en andere partijen die zeggen: geef het helemaal vrij. We hebben elkaar lang gesproken over de bizarre situatie dat er op zichzelf een gedoogbeleid is, maar dat tegelijkertijd de kaboutertjes het toeleveren en het vervolgens aan de voorzijde van de winkel wel verkrijgbaar is. Daar zit een heel complex van vraagstukken aan vast, ook over de kwaliteit en over de criminalisering die eromheen zit. Er is aan de overzijde heel goed aan gewerkt door een aantal Kamerleden van D66 en CDA om dat heel precies te formuleren en dat is uiteindelijk geland in het regeerakkoord. We hebben heel precieze afspraken gemaakt hoe we die proeven vorm willen geven, zodanig dat we daar ook conclusies uit kunnen trekken over hoe je in de toekomst om moet gaan met het hele drugsbeleid.

Ik zie nu al dat ik de heer Schalk niet heb overtuigd.

De heer Schalk (SGP):

Op geen enkele manier zelfs, nee. Omdat u aan de ene kant zegt: we moeten de drugsoverlast of de drugs terugdringen. Dat is logisch. Ik denk dat iedereen in deze Kamer die maar op een of andere manier ergens te maken heeft gehad met mensen in zijn directe omgeving die met drugs in aanraking zijn geweest, zegt: dit moeten we natuurlijk niet willen. En dan komen we met een wietwet! Ik kan dat gewoon niet matchen met elkaar.

Minister Rutte:

Vanuit de inhoud strijden hier natuurlijk verschillende scholen, mogelijk ook in de coalitie. Kijk alleen maar naar de verkiezingsprogramma's van de partijen die hier aan tafel zitten. Het mooie is dat we hier niet een soort midden hebben gevonden, maar echt op basis van de discussie tot een eigenstandige conclusie zijn gekomen. De discussie vond plaats tussen partijen die zeggen dat je de coffeeshops helemaal zou moeten verbieden, zoals de heer Schalk ook suggereert, en partijen die zeggen dat je dan het risico loopt dat mensen die rotzooi toch zoeken en dan in milieus en circuits terechtkomen waar ook veel hardere vormen van drugs worden verkocht. Je hebt daar dan veel minder controle op en de overgang van softdrugs naar harddrugs wordt makkelijker. Dat is de andere school. Dus de ene school zegt: hard handhaven, niet doen, geen gedoogbeleid, stop er helemaal mee. De andere school zegt: als je dat doet, loop je het risico dat mensen overstappen op zwaardere drugs. Dat wil je voorkomen, en dat ligt eigenlijk ook ten grondslag aan het Nederlandse gedoogbeleid. Het is in zijn geheel allemaal troep. We weten ook dat het allemaal niet zonder risico is wat er gebruikt wordt. Maar het is een gegeven dat die vraag er is en dat een verbod inderdaad zou kunnen leiden — dat is ook niet te bestrijden — tot het overschakelen op harddrugs. Tegelijkertijd is ook niet met zekerheid vast te stellen dat je er helemaal vanaf komt als je het helemaal verbiedt, zoals andere partijen suggereren. We hebben hier lang over gesproken en dit alles afwegend, hebben we gezegd: laten we nu in ieder geval kijken hoe je heel specifiek alles rondom de coffeeshop kunt decriminaliseren. Kan dat? Laten we daar eens een aantal proeven en testen mee doen. Dat wordt nu vormgegeven door de ministers Bruins en Grapperhaus, om hier informatie uit te halen en inzichten op te doen. Dit is een lastig dossier, want mijn conclusie na vijftien jaar in de politiek is dat dit geen dossier is waarin de ene of de andere school per definitie gelijk heeft. Dit is zo ingewikkeld en heeft zo veel aspecten! Voor de aanhangers van de theorie "waar een vraag is, is een markt" heeft het ook wel een soort inherente logica dat je er niet zomaar helemaal vanaf komt. Daarom denk ik dat het zin heeft om deze proeven te doen.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Schalk, want het punt is wel duidelijk.

De heer Schalk (SGP):

Heel kort. Zeker, het is heel duidelijk. Zodra die onderzoeken of die testen gedaan zijn, lijkt het me heel goed dat die in ieder geval ook volledig naar deze Kamer komen, zodat we ons ervan kunnen vergewissen wat er precies onderzocht is.

Minister Rutte:

Dat lijkt mij inderdaad logisch. Ik zie geen reden waarom we dat niet zouden doen, want dit is juist bedoeld om inzichten op te doen. Dat moeten we dan niet geheim gaan houden.

Dan komt er natuurlijk altijd de pijnlijke vraag: leuk, al die experimenten, maar je wilde toch van het roken af? Ja, dat is ook weer waar. Dat is dan het antwoord. De heer Kuiper heeft daar natuurlijk gelijk in, maar het is allebei waar. De ambitie is een rookvrije generatie, maar feit is ook dat tussen droom en daad in ieder geval enige tijd zit.

Voorzitter. Ik kom bij het sociaal-economisch beleid. Ik ben al ingegaan op een aantal vragen over de btw en de koopkracht; dat is dan weer het voordeel van de interrupties.

De voorzitter:

Mevrouw Barth, nog even over de wiet? Of is het klaar met de wiet?

Mevrouw Barth (PvdA):

Nee, voorzitter, maar kennelijk sluit de minister-president hiermee het blokje over rechtsstaat en veiligheid af.

Minister Rutte:

Klopt.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik had hem in mijn eerste termijn nog een aantal vragen gesteld over de situatie in de strafrechtketen in brede zin. Ik heb hem vragen gesteld over ziekteverzuim bij Openbaar Ministerie en rechterlijke macht, de toestroom en de interesse voor het beroep. Ik heb gevraagd hoe het staat met ICT-projecten, communicatie en uitwisseling tussen politie, Openbaar Ministerie en rechters en hoe het staat met de oplegging en executie van taakstraffen. Wij hebben geconstateerd dat er wel in de nationale politie wordt geïnvesteerd, maar niet of nauwelijks in de zittende en staande magistratuur en wij maken ons zorgen over de kwaliteit van de strafrechtketen als geheel.

Minister Rutte:

Ik heb een deel van de vragen beantwoord, over de bedragen oplopend tot 20 miljoen structureel voor de keten. Op basis daarvan zullen ook de nodige passende maatregelen op ICT-gebied worden genomen, waaronder de overdracht van een zaak naar de rechterlijke macht. Het zal nog wel enige tijd duren voordat al die keteneffecten precies zichtbaar worden. Ik dacht deze thema's deels ook te hebben behandeld in een aantal opmerkingen over het functioneren van de rechtsstaat. Maar ik hoor ook een paar vragen die ik hier niet in mijn stapeltje heb zitten. Ik kijk even of er ambtelijk goed is meegeluisterd, want dan pak ik die in de tweede termijn even terug. Die zitten er nu niet bij.

De voorzitter:

Dat komt in de tweede termijn.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dat is prima, voorzitter. Ik heb ook om een aantal cijfermatige ontwikkelingen gevraagd. Het is ook prima als de minister-president ons die later op papier aanlevert.

Minister Rutte:

Ik ga proberen om het mondeling te doen, want we hebben natuurlijk niet al die ambtenaren meegenomen om brieven te versturen, maar als het niet anders kan gaan we er toch eentje zoeken die een brief maakt. Maar we gaan kijken wat er in tweede termijn mondeling kan. We analyseren nog even de inbreng van mevrouw Barth op dit punt.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Voordat de minister-president dit blokje afsluit: de PVV had nog gevraagd hoelang de politie nog in uniform blijft deelnemen aan de iftarmaaltijden. Moet de politie geen neutraliteit uitstralen? Kortom, politie en islam moeten gewoon gescheiden zijn.

Minister Rutte:

Nou ja, we zijn volgens mij juist heel blij dat de politie diep in de haarvaten van onze samenleving zit. Dat betekent op sommige plekken islam, op andere plekken een voetbalwedstrijd, op weer andere plekken een kerkdienst en op weer andere plekken een postzegelvereniging. Laten we daar blij mee zijn!

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Het is toch wel opvallend dat de politie altijd vol trots in de media meldt dat ze aan de iftar zitten, maar dat je bijvoorbeeld nooit hoort dat ze eens ergens aan een paasontbijt zitten. Even voor de duidelijkheid, dat vind ik trouwens ook niet goed. Ik begrijp natuurlijk wel dat de politie bij de iftar zit, want ze weten dat daar de problemen zitten. Bij een aanslag of wat dan ook wordt altijd "Allahoe akbar" geroepen, maar nooit "Jezus redt", dus er zit wel een verschil in. Daarom nogmaals mijn vraag. De politie hoort gewoon neutraal te zijn en hoort daar niet in uniform in de moskee aan de iftar te zitten, zeker niet op zijn knieën in uniform in de moskee.

Minister Rutte:

Als de PVV zou congresseren — maar dat kan niet, want ze hebben geen leden — zou de politie daar ook zijn om veiligheid te bieden. Dan zijn ze toch ook niet ineens voor de PVV? Ik snap het punt echt niet, hoor.

Goed. Dan komen we bij het sociaal-economisch beleid, voorzitter. Nogmaals, ik heb een aantal vragen al beantwoord. De heer Brinkman zei: we kennen maar één paradijs, maar de krant heeft het over 53 paradijzen. Een relevant punt! In antwoord daarop kan ik melden dat dit kabinet heeft besloten om uiteraard het bestrijden van belastingontwijking voort te zetten. Dat doen we in internationaal verband binnen de OESO en de Europese Unie, maar ook met nationale maatregelen. Zo voeren we bronheffingen in op dividend, rente en royalty's, op uitgaande financiële stromen naar low-tax jurisdictions en misbruiksituaties. Ook in het verband van de Europese Unie is heel veel gebeurd, zoals de richtlijnen voor meer transparantie en tegen belastingontwijking. Kijk bijvoorbeeld naar de twee ATAD-richtlijnen. Die worden ook voortvarend geïmplementeerd. Vandaag wordt in de Ecofin-Raad — daarom is minister Hoekstra van Financiën ook niet hier, en ik kijk even of ook staatssecretaris Snel …

De voorzitter:

Snel is er ook niet. Dat heb ik ook gemeld.

Minister Rutte:

Die zit waarschijnlijk ook daar. In de Ecofin-Raad wordt vandaag een zwarte lijst vastgesteld met niet-coöperatieve jurisdicties die niet voldoen aan de eisen rondom transparantie en schadelijke belastingconcurrentie. Wij staan dus positief tegenover de Europese maatregelen die bijdragen aan de bestrijding van belastingontwijking. Internationale mismatches kunnen alleen in internationaal verband worden aangepakt. Uiteraard zullen wij daarbij altijd oog houden voor het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel. Ik heb zomaar het vermoeden dat hier nog vervolgvragen over komen bij de Algemene Financiële Beschouwingen. Wellicht komen er dan ook vragen over het vraagstuk van grensoverschrijdende, niet-grondgebonden economische activiteiten. Maar misschien kunnen we ons daarover even achter de schermen verstaan. We waren nog even aan het zoeken wat daarmee precies werd bedoeld. Ik denk dat het om digitale bedrijven gaat. Dat zou ik graag willen weten, zodat ik dat kan beantwoorden.

De heer Brinkman (CDA):

Dat mag wel bij de Algemene Financiële Beschouwingen. De vraag was of die grensoverschrijdende activiteiten niet op een andere plek dan in de nationale hoofdstad besproken moeten worden.

Minister Rutte:

Oké. Omdat u "niet-grondgebonden" eraan toevoegde, dacht ik even dat u "digitaal" bedoelde, maar het is dus breder. Prima. We geven dit mee aan de mensen die de AFB voorbereiden, zodat we die vraag daar goed kunnen beantwoorden.

Dan was er een vraag van de OSF over het verschuiven van belastingmogelijkheden van het Rijk naar provincies en gemeenten. Feit is dat wij daar als coalitie naar gekeken hebben. Er zijn een aantal varianten op tafel geweest. Uiteindelijk hebben we besloten om dat niet te doen. Er is nu een heel pakket van fiscale en sociale maatregelen waarin geen uitbreiding van het gemeentelijk belastinggebied zit. Dat is een politieke keuze die we gemaakt hebben. Kan de Belastingdienst, zo vroeg het CDA, het regeerakkoord fiscaal uitvoeren of zijn er nog voorbehouden met betrekking tot de uitvoering vanwege de stand van zaken bij de Belastingdienst? Vorige week is een halfjaarsrapportage van de Belastingdienst verstuurd. Het is een lastig thema. We hebben er met de Belastingdienst steeds grondig contact over gehouden of op basis van alle beschikbare informatie getoetst kon worden door de dienst of onze plannen kunnen, zowel qua impact als qua invoeringsdatum. Zoals het er nu allemaal staat, is dat het geval en zegt de Belastingdienst: ja, dat kan. Dat betekent overigens wel dat wij ons realiseren dat we bij de uitwerking van al die maatregelen in wet- en regelgeving aan de hand van invoeringstoetsen steeds de impact vanuit het uitvoeringsperspectief voor de senaat nader in beeld zullen brengen. Dat is uiteraard al gebeurd voor de maatregelen in het Belastingplan 2018 en dat gaat nog gebeuren voor de andere maatregelen. Op zichzelf, op basis van de informatie die we hebben, is dit uitvoerbaar, maar wij zullen dat steeds per wetsvoorstel, per Belastingplan, nader onderbouwen.

De heer Brinkman (CDA):

De minister-president noemt zo nadrukkelijk 2018, maar mijn vraag was erop gericht in hoeverre de uitvoerbaarheid van het regeerakkoord in fiscale zin voor de hele periode doenbaar is. Of moeten we op een later moment de mededeling van de Belastingdienst verwachten dat het regeerakkoord ingewikkeld in elkaar zit? Laat dat maar bij de Financiële Beschouwingen verder besproken worden, maar dát was de vraag.

Minister Rutte:

Die vraag heb ik goed verstaan. Voor 2018 is al in het Belastingplan onderbouwd dat het kan. Voor alle plannen na 2018 heeft het kabinet al contact gehad met de Belastingdienst en het antwoord van de dienst was: dit kan ook. Alleen, ik vind wel dat we dat aan de Kamer onderbouwd moeten laten zien in uitvoeringstoetsen, zoals we dat ook geacht worden te doen. Maar het antwoord vanuit de Belastingdienst is: ja, wat jullie nu van plan zijn, kunnen wij doen.

Dat brengt mij bij een gevoelige kwestie, namelijk de belastingdruk voor eenverdieners. Daar heeft de heer Schalk aandacht voor gevraagd. Ik meld eerst het positieve nieuws, zo zeg ik ook tegen zijn buurman, de heer Kuiper, want dat is iets wat een aantal partijen in deze coalitie van belang vindt: eenverdieners profiteren volledig mee van de maatregelen van het regeerakkoord. Ze hebben evenveel voordeel als tweeverdieners. Een eenverdiener modaal gaat er in deze kabinetsperiode zelfs het meest op vooruit van alle huishoudens, gemiddeld 2% per jaar. Dat is per jaar bijna evenveel als in de hele periode tussen 2000 en 2018. Toen was het cumulatief 3%, nu in één periode 2%. We doen dus veel voor eenverdieners, maar tegelijkertijd is ook waar dat het volwaardig meeprofiteren van de maatregel niet betekent dat we het gat dat de heer Schalk heeft benoemd, gaan dichten of dat we dat helemaal kúnnen dichten. Het wordt misschien iets kleiner, omdat de koopkracht wat sneller stijgt dan gemiddeld, maar er is natuurlijk nog steeds een gat. Dat komt natuurlijk omdat er een aantal meer fundamentele keuzes zijn gemaakt in de afgelopen jaren over de arrangementen in ons belastingsysteem. Nogmaals, ik ben blij dat we er voor de komende jaren als coalitie in geslaagd zijn om ervoor te zorgen dat de eenverdieners zelf iets meer profiteren dan gemiddeld in Nederland.

Wat betekent dit nu verder? Want we weten dat dat voor partijen een aangelegen punt is. Wij zullen, zo kan ik de heer Schalk toezeggen, blijven kijken naar verdere mogelijkheden, uiteraard binnen een aantal beleidsmatige kaders, zoals werkgelegenheidseffecten en budgetten. Dat is niet makkelijk. Dat weet de heer Schalk, dat weet ik; daarover hoeven we elkaar niks wijs te maken. Dat is echt een ingewikkeld vraagstuk. Daar is ook over gesproken aan de overzijde bij de Algemene Financiële Beschouwingen. Dat heeft ertoe geleid dat er nog nadere gesprekken plaatsvinden tussen de Tweede Kamerfractie van de Staatkundig Gereformeerde Partij en de bewindslieden op Financiën om te bekijken wat de verdere mogelijkheden zijn. Verder kan ik melden dat het Centraal Planbureau in december met een studie komt over de belastingdruk van eenverdieners; ook dat zal ons nadere inzichten bieden.

De heer Schalk (SGP):

Kort, mevrouw de voorzitter, want volgende week zal dit ongetwijfeld nog aan de orde komen. Ik heb juist gezien dat aan de overkant door de staatssecretaris, misschien niet wetend wat u daarvan vond, de deur naar de Trêveszaal behoorlijk stevig werd dichtgeklikt toen het ging over het onderzoeken van opties rond het oplossen van de kloof voor eenverdieners.

Minister Rutte:

Mijn indruk is dat daar sprake is geweest van een misverstand. Dat is uitgesproken, voor zover ik heb begrepen, tussen de bewindslieden van Financiën en de fractie van de SGP. Dat heeft geleid tot vervolggesprekken, die ook gaan plaatsvinden. Het is goed dat de verhoudingen zo zijn dat we elkaar erop aanspreken, dat men niet boos wegloopt maar meteen contact met elkaar opneemt. Dat leidt tot vervolggesprekken.

De heer Schalk (SGP):

Complimenten, dank u!

Mevrouw Barth (PvdA):

Dan word ik meteen weer een beetje ongerust.

Minister Rutte:

Het is ook nooit goed!

Mevrouw Barth (PvdA):

Zeker op dit punt. Want één aspect hoor ik de minister-president in dit verhaal niet noemen. Heeft dit kabinet net als het vorige kabinet het streven naar economische zelfstandigheid van vrouwen en het niet fiscaal benadelen van werkende vrouwen hoog in het vaandel? En let deze nieuwe coalitie daar net zo nauwlettend op? "Ergens nauwlettend op letten" is niet mooi geformuleerd, maar de minister-president begrijpt vast wat ik bedoel.

Minister Rutte:

Ja, maar die term "mannen en vrouwen" begint toch wat 2016 te worden. Dus laten we het iets neutraliseren. Het kabinet hecht er waarde aan …

Mevrouw Barth (PvdA):

Excuses, voorzitter …

Minister Rutte:

En dat moet ik dan tegen de PvdA zeggen!

Mevrouw Barth (PvdA):

Equal Pay Day voor vrouwen viel dit jaar op 8 maart. Dat betekent dat op 8 maart 2017 vrouwen in Nederland pas hetzelfde hadden verdiend als mannen al aan het eind van 2016. Als het gaat om de economische zelfstandigheid van vrouwen in Nederland valt er nog echt een wereld te winnen. Dat heeft ook politieke aandacht nodig, want zodra je die politieke aandacht loslaat, loop je bij dit onderwerp het risico dat het weer de verkeerde kant uitgaat.

Minister Rutte:

Los van de genderaanduiding denk ik dat ik mevrouw Barth in die zin gerust kan stellen dat wij bij de belastingdruk blijven kijken naar de draagkracht op — ik neutraliseer het even — persoonlijk niveau. Dat stimuleert ook de keuze om te gaan werken. Het hele doel van het fiscale pakket van het kabinet is ook juist om werken lonender te maken, waarbij in de inkomensondersteuning en de specifieke kosten, bijvoorbeeld bij de zorg voor kinderen, wel gekeken wordt naar de draagkracht van het huishouden. Ik denk dat die verdeling tussen inkomensondersteuning op huishoudniveau en belastingheffing op individueel niveau ook precies is wat de commissie-Van Dijkhuizen indertijd heeft geadviseerd. Dat betekent dat als er twee mensen werken, ze inderdaad meer voordeel hebben van de heffingskortingen. Dat leidt ertoe dat werken loont. Dat kunnen we ook niet zomaar loslaten. Ik zei ook aan het begin van mijn beantwoording: dat zijn de fiscale en maatschappelijke arrangementen zoals we die een aantal jaren geleden met elkaar hebben besloten. Maar dat neemt niet weg dat er een politieke, maatschappelijke wens is om in het bijzonder te kijken naar wat dat uiteindelijk voor de positie van eenverdieners betekent. Het mooie vind ik dat wij er als kabinet in geslaagd zijn om aan de ene kant die onderliggende fiscale arrangementen voort te zetten en tegelijkertijd om er in deze confessioneel-liberale coalitie voor te zorgen dat de eenverdieners uiteindelijk volledig meeprofiteren van alle maatregelen in het regeerakkoord. Sterker nog: dat de koopkrachtstijging bij die groep, voor zover het een eenverdiener op modaal niveau is, het grootst is.

Ook over de ouderen zijn natuurlijk vragen gesteld. Ook daarbij is nadrukkelijk gekeken naar de koopkrachteffecten. Uiteraard zijn de lagere belastingtarieven ook voor deze inkomensgroep belangrijk. Zij krijgen ook recht op de hogere algemene heffingskorting. Daarnaast verhoogt het kabinet de ouderenkorting, en komt de harde inkomensgrens te vervallen. Die wordt vervangen door een afbouwtraject: 15% vanaf de inkomensgrens van €37.000. Een gepensioneerde die bijvoorbeeld een kleine compensatie krijgt voor het bemannen van een stembureau verliest daardoor niet ineens €1.200 aan ouderenkorting. Andere maatregelen, zoals het verhogen van de zorgtoeslag voor paren en het afschaffen van de harde inkomensgrens in de huurtoeslag, zijn ook gunstig voor AOW'ers zonder of met een klein aanvullend pensioen. Dat neemt niet weg dat gepensioneerden met een wat hoger aanvullend pensioen inderdaad last hebben van de onvolledige pensioenindexatie; dat hebben we eerder uitvoerig besproken in dit debat.

Voorzitter. Mevrouw Tamara van Ark, de staatssecretaris van Sociale Zaken, heeft vanmorgen gereageerd op het stuk van de Ombudsman over de positie van kinderen en armoede onder kinderen. Terecht zegt zij dat armoede onder kinderen schrijnend is. De SER heeft in maart van dit jaar — dat was mede naar aanleiding van de motie-Van Apeldoorn, die door deze Kamer is aanvaard — een advies uitgebracht over het onderwerp armoede bij kinderen. De staatssecretaris van Sociale Zaken had al het voornemen om daar zo snel mogelijk in 2018, in het eerste kwartaal, op te reageren in de richting van de Eerste Kamer en de Tweede Kamer. Zij zal daar nu ook het rapport van de Ombudsman bij betrekken.

De heer Kox (SP):

De minister-president refereert aan het vandaag uitgekomen rapport van de kinderombudsvrouw over de armoede onder kinderen. Het is fijn dat de staatssecretaris daar op terug zal komen, maar ik denk dat de urgentie van de zaak iets meer aandacht van de minister-president verdient. Tot nu toe hebben denk ik alle opeenvolgende regeringen, alle gemeentebesturen en alle gemeenteraden zich ervoor ingezet om armoede onder kinderen te verlagen. We zijn het er volgens mij over eens dat armoede onder kinderen niet past bij een beschaafd land. Dat heeft niks meer met inkomensverschillen te maken maar met onaanvaardbaarheid. Nu constateert de kinderombudsvrouw in een rapport van vandaag dat ondanks al die inspanningen, de armoede onder kinderen niet daalt. De plussen die in het regeerakkoord worden genoemd, werken hier dus niet. Ik denk dat het nodig is dat we vaststellen dat die inspanningsverplichting die we met z'n allen zijn aangegaan, een andere component nodig heeft, namelijk een prestatieverplichting. We moeten met elkaar afspreken hoe we stapsgewijs die armoede onder kinderen omlaag gaan brengen; die 378.000 kinderen die vandaag volgens de kinderombudsvrouw in armoede leven en opgroeien en daardoor een buitengewoon onaangename toekomst tegemoet gaan. Is de minister-president, is zijn regering bereid om naast de inspanningen die we met z'n allen doen en die inspanningsverplichtingen die we hebben, ook een prestatieverplichting aan te gaan en te zeggen "in dit jaar moeten er zoveel kinderen uit de armoede en zo bouwen we stapsgewijs de schande voor onze samenleving af"?

Minister Rutte:

Volgens mij zijn de heer Kox en ik het eens over het belang van deze zaak. Ik denk dat dit ook Kamerbreed gevoeld wordt. Ik ben terughoudend met een resultaatsverplichting omdat het daarmee niet ineens geregeld is. Maar goed, we kunnen mevrouw Van Ark vragen om in de kabinetsreactie op het rapport van de Ombudsman te reageren op deze suggestie. "Ombudsman" is overigens een Zweeds woord voor die functie, het is daarmee niet per se een man. Hier is sprake van een vrouwelijke Ombudsman, zo moet je het eigenlijk zeggen. De Kinderombudsman is een vrouw. Dat kunnen we dus vragen aan de staatssecretaris.

Ik denk dat er drie elementen in het beleid zijn waarmee armoede onder kinderen bestreden kan worden. Het eerste is natuurlijk geld. Ook dit kabinet steekt heel veel extra geld in het bestrijden van armoede onder in het bijzonder gezinnen met kinderen. Ik zal de bedragen even niet noemen, maar het gaat echt om forse bedragen. Dat is overigens ook in de afgelopen jaren gebeurd. Ten tweede moet je ervoor zorgen dat mensen aan het werk gaan. Nog steeds is dit de allerbeste verbetering van de sociale positie van gezinnen: uit een uitkering en aan de slag. Ten derde hebben wij in de coalitieonderhandelingen lang gesproken over de aanpak van schulden. Hierbij is in het bijzonder de kabinetsbrede schuldenaanpak relevant. Dat zijn drie bouwstenen van beleid. Nogmaals, de staatssecretaris zal zich er nader op beraden en uw suggestie daarbij betrekken. Ik zeg even dat ik niet meteen enthousiast word van resultaatverplichtingen. Dan denken we "nou, we hebben het opgelost", maar is het daarmee niet opgelost.

De heer Kox (SP):

Ik kan me voorstellen dat u daar niet enthousiast van wordt, maar de inspanningsverplichtingen die we tot nu toe op ons genomen hebben, met ons allen, hebben geleid tot de treurige constatering van de Kinderombudsman dat de armoede onder kinderen niet gedaald is, dat vandaag, 5 december, de dag van sinterklaas, 378.000 kinderen in armoede opgroeien. Dat betekent niet alleen nu in armoede opgroeien, maar ook — ik heb dat ook in eerste termijn gezegd — slechtere onderwijsresultaten, slechter betaalde banen, een slechter perspectief en ongelukkiger in de wereld staan in de toekomst. Dat zijn allemaal zaken waarvan op de eerste twee pagina's van het regeerakkoord wordt gezegd dat we er alles aan moeten doen om die te voorkomen, opdat iedereen mee kan komen. Ik zal er in de tweede termijn nog op terugkomen.

Minister Rutte:

We zijn het daarover eens, het is schrijnend. Overigens is het niet alleen een financiële kwestie. Die financiële kwestie heeft ook gevolgen voor een gevoel van geborgenheid. Het leidt tot stressvolle situaties in gezinnen, waardoor kinderen los van de financiële problematiek ook nog te maken hebben met een minder goed thuisgevoel, om het even huiselijk te zeggen. Niet altijd gelukkig, maar in veel gevallen gaat armoede samen met stressvolle situaties, waardoor de jeugd ook om die reden negatief beïnvloed wordt. We zijn het zeer met elkaar eens dat we dit moeten proberen terug te dringen.

Dan de vraag van de heer Brinkman over het pensioensysteem. Wij willen met het kabinet met sociale partners de stap zetten naar een vernieuwd en toekomstbestendig pensioenstelsel. Daarbij moeten ook de kwetsbaarheden van het huidige stelsel worden geadresseerd. Er wordt overgestapt op een nieuwe manier van pensioenopbouw, waarbij er een duidelijk relatie is tussen de ingelegde premie en de pensioenopbouw. Ik kan bevestigen dat de doorsneesystematiek wordt afgeschaft; dat is ons idee. Sociale partners ontwikkelen ten bate van het nieuwe stelsel een nieuw pensioencontract, dat uitgaat van persoonlijke pensioenvermogens met voldoende collectieve risicodeling. Ook blijft er sprake van een collectieve uitkeringsfase. Het is zeer ambitieus, want het gaat natuurlijk over enorme bedragen en over enorm grote maatschappelijke belangen. Het streven is dat in 2020 het wetgevingstraject is afgerond, zodat je daarna kunt overgaan tot implementatie. Dit is de hervorming. De vraag of er vanaf 2018 weer ruimte is voor herindexatie, staat los van de hervorming van het stelsel en hangt af van verschillende factoren, onder andere de financiële situatie van een pensioenfonds. Specifiek in antwoord op de vraag van de heer Brinkman: ja, wij nemen dit zeer ambitieus ter hand, maar we realiseren ons wel onze beperkte rol hierin. We zijn vooral faciliterend aan werkgevers en werknemers, die primair de eigenaar zijn van de tweede pijler.

Dat brengt mij op de vraag hoe je dat moet doen met een bewindspersoon die uit een partij komt die niet altijd enthousiast is over de polder. Het ligt voor D66 net als voor de VVD niet zo zwart-wit. Volgens mij is het waar dat de liberale partijen altijd wat bezorgd zijn of er in de polder niet te veel besloten wordt zonder dat er vervolgens de normale democratische controle op plaatsvindt. Zo heb ik Alexander Pechtold en mensen uit mijn eigen partij er ook altijd over gehoord. In ieder geval voor de VVD en naar ik meen ook D66 geldt dat we daarmee niet tegen de polder zijn, maar juist sterk voor goed overleg, mits het vervolgens onder democratische controle weer kan worden afgehecht. Mijn indruk, zo functionerend met Wouter Koolmees in de afgelopen zes weken, is dat hij ook zo in die wedstrijd zit. Dat betekent dat de beeldspraak over de geheelonthouder geestig is, maar niet klopt. Ik denk meer in het algemeen dat een discussie over voor of tegen de polder niet zinvol is. Dit land is nu eenmaal een land dat voor de helft onder water staat, dus moeten we polderen, in meer of mindere mate.

Dan de verhoging van de AOW-leeftijd. Daarover zijn ook vragen gesteld. Het beleid is bekend. Dit kabinet wil kijken naar belemmeringen die ervaren worden om arrangementen mogelijk te maken om mensen zo gezond mogelijk met de gestegen pensioenleeftijd met pensioen te laten gaan. Dat is ook een van de redenen waarom wij hebben besloten om voor oudere werknemers die ondanks de inspanningen van sociale partners toch werkloos of arbeidsongeschikt worden, de IOW te verlengen met vier jaar. Dat betekent een inkomen op minimumniveau zonder vermogens- of partnerinkomenstoets. Dat is dus een concrete maatregel naast het feit dat wij met sociale partners werken aan de arbeidsmarkt. Dat is natuurlijk vooral een taak van de sociale partners, want zij moeten ervoor zorgen dat mensen ook gezond de pensioenleeftijd bereiken. Of zoals we dat vroeger in mijn bedrijf zeiden: fit in de VUT; die bestond toen nog.

De WRR bepleit een fundamentele discussie over nieuwe sociale zekerheid. Mevrouw Strik vroeg daarnaar. Zij refereerde daarbij aan een specifiek stuk van de WRR: Voor de zekerheid. Dat is een rapport uit de serie Verkenningen. Dat is inderdaad een prikkelende bloemlezing, mag ik zeggen, en ook een mooie bijdrage aan een meer fundamentele discussie over de toekomst van de arbeidsmarkt. We herkennen veel van de trends in het rapport. De arbeidsmarkt verandert snel en de eisen die gesteld worden aan werkenden veranderen voortdurend. Daar zijn we ons van bewust en daarom heeft het regeerakkoord een heel aantal voorstellen in petto om onze arbeidsmarktsituatie meer toekomstbestendig te maken. Mevrouw Strik en ik spraken er per interruptie al eerder in het debat kort over. Die sluiten denk ik ook aan bij de analyse van de auteurs van dit rapport. Dat debat zal fundamenteel nog verder plaatsvinden. De WRR-verkenning zelf schetst twee routes voor aanpassing aan de uitdaging van morgen: de incrementele geleidelijke verandering door aanpassing van de wet- en regelgeving of een meer radicale herziening, waarbij het stelsel van sociale zekerheid in één keer op de kop gaat. Wij denken als kabinet dat zo'n radicale herziening ook zal leiden tot grotere onzekerheden en daarom kiezen wij er niet voor, maar hebben wij een heel uitgebalanceerd pakket aan maatregelen in het regeerakkoord staan die de arbeidsmarkt stap voor stap eerlijker en concurrerender maakt.

Voorzitter, dat brengt mij bij het onderwerp zorg en onderwijs.

De voorzitter:

Mag ik u iets vragen, minister-president? Ik wou om 13.00 uur schorsen.

Minister Rutte:

Dan ben ik klaar.

De voorzitter:

Dan bent u klaar?

Minister Rutte:

Ja.

De voorzitter:

Nou, dat is helemaal top. Als mevrouw Strik tenminste een korte vraag heeft. Kort houden, mevrouw Strik.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik zal het komende uurtje goed besteden. Ik wil toch graag iets zeggen voordat u overgaat naar het volgende kopje. Ons viel vooral op dat u vast meer flex gaat maken en dat u in die zin dus meer gelijkheid gaat creëren. Ik denk dat dit niet de juiste richting is, maar het kabinet gaat zich daar nog verder over buigen. Ik wil het nu over het volgende hebben. U heeft het over een uitgebalanceerd pakket met het streven om juist iedereen actief te kunnen maken op de arbeidsmarkt. Wat ons opvalt — ik heb daar in de eerste termijn ook aan gerefereerd — is dat juist de mensen die al moeite hebben om mee te komen, in hun inkomen worden geraakt. De ziektewetuitkering wordt gekort. De Wajong-uitkering wordt verlaagd. De WIA-uitkering wordt aangescherpt. Mensen met een handicap komen onder het minimumloon terecht, omdat er loondispensatie wordt gegeven en het minimumloon niet meer geldt. De minister-president geeft aan dat dit participatiemaatregelen zijn. Omdat wij zorgen hebben over de wijze waarop dit hun inkomenspositie raakt en over de vraag of dat daadwerkelijk iets gaat opleveren voor hun participatie in positieve of negatieve zin, zou ik de premier willen vragen of hij bereid is om, zeg over twee jaar, met een soort effectrapportage te komen voor deze groepen. Dan kunnen wij zien wat het met hun inkomenspositie en met hun arbeidsparticipatie heeft gedaan. Ik zie dat de minister-president nu al van een deskundig advies wordt voorzien.

Minister Rutte:

Ik fluisterde even met de heer Koolmees. Wij zeggen net tegen elkaar dat over twee jaar te snel is daarvoor. Laten we afspreken dat wij eens even kauwen op die gedachte, maar dat we daar in dit debat nog niet op terugkomen. We moeten eerst even zien wat dat toevoegt aan het beleid dat we al voornemens zijn te maken. Zoals de heer Koolmees nu ook zegt, vindt een deel van die grote hervormingen plaats in 2019 en vooral in 2020. Over twee jaar heb je dan nog geen effecten. Ik denk dat het dus goed zou zijn om hier eerst even naar te kijken. In de wetsvoorstellen die komen — voor zover dat nieuwe wetten zijn; de Wajong-verlaging is al besloten, maar een aantal andere dingen komt er nog aan — zullen wij uw woorden laten meewegen bij de opstelling van de memorie van toelichting. Sowieso zitten er in de meeste van die wetten ook evaluatiebepalingen. We zullen het op de een of andere manier daarbij betrekken, maar ik voel niets voor een soort megaevaluatie op datum X. Ik denk dat dat weinig toevoegt.

De voorzitter:

Mevrouw Strik, kort op dit punt.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik zou willen voorkomen dat het juist weer wordt gefragmenteerd in afzonderlijke maatregelen. Het gaat om een bepaalde groep, om de kwetsbaarste mensen op de arbeidsmarkt. Ik zou toch graag zien dat er in ieder geval over een jaar of drie, wanneer het al in werking is getreden, wordt gemonitord en gerapporteerd op welke wijze dat uitpakt voor hun inkomen en participatie.

Minister Rutte:

Ik snap uw verzoek. U merkt enige terughoudendheid als het gaat om megaevaluaties, zeker als de invoeringstermijnen zo verschillend zijn. We kijken dadelijk tijdens de lunchpauze even of we hier nu al inhoudelijk op kunnen reageren en anders doen we het later. Zullen wat dat zo doen? De bewindspersoon van Sociale Zaken en ik zullen dan even op uw suggestie kauwen. Als het niet vandaag lukt, komen we daar later op terug. De onderliggende gedachte zullen we steeds voor ogen houden. Ik weet dat dit niet voldoende is voor u, mevrouw Strik, maar dat onderdeel nemen we in ieder geval mee. Bij het opstellen van wetsontwerpen zullen we rekening houden met evaluatiebepalingen et cetera. Maar u wilt meer en we gaan kijken of dat zou passen in onze aanpak.

Dan kom ik bij het onderwerp onderwijs en zorg. De vraag is daarbij natuurlijk: is dat geld voor de verpleeghuizen er ook? Ja, dat is gereserveerd, kan ik mevrouw Faber zeggen.

Er is ook gezegd: mooi dat het naar de verpleeghuizen gaat, maar de andere zorg dan? Ook naar de andere zorg gaat fors extra geld toe. Er is fors extra groeiruimte de komende jaren, ook voor de zorg thuis.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

De minister-president gaat wel heel snel. Hij zegt: ja, het is gereserveerd. Ik heb begrepen dat het was ingeboekt omdat men rekening houdt met een meevaller van 1,9 miljard bij het opnieuw afsluiten van de zorgakkoorden. Ik zie de premier nu het hoofd schudden. Is dat niet zo?

Minister Rutte:

Inkomsten en uitgaven zijn gescheiden.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ja, dat snap ik.

Minister Rutte:

We hebben de inkomstenkant en dit is een uitgave. Deze uitgave is ingeboekt. Het gaat om 2,1 miljard. Als we aan de inkomstenkant minder opbrengsten hebben dan we dachten, hebben we weer een ander probleem, maar dan is het niet zo dat die posten tegen elkaar worden weggestreept.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Nee, maar hoe heeft u dat dan gereserveerd? U moet dat geld toch ergens vandaan halen. Ik heb dus begrepen dat dat geld zou voortkomen uit een bezuiniging bij het afsluiten van de zorgakkoorden.

Minister Rutte:

Nee. Nee hoor.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Dat is dus niet waar?

Minister Rutte:

Nee.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

U zegt dus dat er gewoon 2,1 miljard naar de verpleeghuizen gaat?

Minister Rutte:

Ik zie uw verbazing.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Wat zegt u?

Minister Rutte:

Ik zie uw verbazing …

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Nou, ik vind het geweldig.

Minister Rutte:

… dat de belofte van veel partijen in de campagne wordt nagekomen.

De voorzitter:

Mag het even via de voorzitter, mevrouw Faber? Want anders gaan we echt …

Minister Rutte:

Nou, ik begon.

De voorzitter:

Nou ja, oké, het maakt me niet uit, minister-president, maar het antwoord is duidelijk. Mevrouw Faber mag een hele korte opmerking maken.

Minister Rutte:

Ze kan het bijna niet geloven.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Nou, ik ben nooit zo genuanceerd, dat weet u. We zullen in ieder geval goed in de gaten houden of die 2,1 miljard werkelijk naar de verpleeghuizen gaat.

Minister Rutte:

Dat gaan wij ook doen. Dan zijn we het over een punt eens geworden.

Er is gevraagd: gaat er ook naar andere zorg geld? Het antwoord daarop is: zeker. De groeiruimte is aanzienlijk, dus de vraag van mevrouw Strik op dat punt kan ik bevestigend beantwoorden.

Het CDA heeft gevraagd, althans zo heb ik de vraag verstaan: wacht eens eventjes, het is allemaal boeiend en we zijn er niet tegen, maar waar vindt dat besluit eigenlijk plaats? Hoe zorg je ervoor dat niet buiten de politiek besloten wordt over forse kostenstijgingen? Ik denk dat we het met elkaar eens zijn dat het van belang is dat de politiek altijd een eigen weging kan maken over de financiële implicaties voordat een kwaliteitskader wordt geschreven en ook wordt omgezet in geld en dus algemeen geldend wordt. Het vorige kabinet heeft de opdracht gegeven om dit ambtelijk technisch uit te werken. Met andere woorden, hoe kan de regering de wettelijke bevoegdheid krijgen om te toetsen of de uitzonderlijke gevolgen van kwaliteitsstandaarden in de zorg aanvaardbaar zijn? Het gaat dan om de uitvoerbaarheid, maar inderdaad ook om de budgettaire impact.

Op dit moment is die bevoegdheid er niet. Dat gaan we dus doen, want wij vinden natuurlijk dat die politieke besluitvorming ook in het politieke domein moet plaatsvinden. Dat betekent dat er op dit moment aan gewerkt wordt voor de toekomst. In andere sectoren werkt dat overigens anders. Daar is het niet zozeer zo dat door gedelegeerde regelgeving buiten het zicht van de wetgever budgetten kunnen worden opgehoogd. In de regel geldt dat de politiek bevoegdheden heeft met betrekking tot het vaststellen van kwaliteitsnormen. Kijk naar de kinderopvang. Daar stelt de politiek de kaders voor kwaliteits- en personeelsnormen vast. Denk aan de ouder-kindratio. Hierbij is sprake van een ander systeem. We kijken dus naar de vraag hoe we daar in de toekomst ook weer politieke afwegingen in kunnen maken.

Het CDA heeft gezegd: er zijn enkele grote zorgverzekeraars die zeggen dat de zorgkosten wel met 10% of 20% naar beneden kunnen. Dat zijn wel heel grote percentages. Je hoort ze hier en daar. De heer Bruins neemt daar met grote interesse kennis van, want hij werkt hard aan het maken van hoofdlijnenakkoorden in de medisch-specialistische zorg, de geestelijke gezondheidszorg, de huisartsenzorg, de multidisciplinaire zorg en de wijkverpleging. Er worden afspraken gemaakt over de beschikbare ruimte en over de manier waarop we die enorme stijging van de groei kunnen afremmen. De uitdaging is uiteraard dat zorgverzekeraars en aanbieders de groei zo veel mogelijk beheersen en tegelijkertijd de kwaliteit en de toegankelijkheid op peil houden. Dat heeft ook weer effecten op de premie en het eigen risico.

Het Centraal Planbureau heeft gezegd dat lagere zorguitgaven ook kunnen leiden tot mindere zorg of zorg van slechtere kwaliteit. Dat is ook de reden waarom we in lijn met het vorige kabinet willen doorgaan met het maken van slimme afspraken, bijvoorbeeld met ziekenhuizen. Een betere kwaliteit leidt weer tot minder complicaties en tot lagere kosten. In dat opzicht is het dus een tweesnijdend zwaard. Maar we willen bijvoorbeeld ook steviger inzetten op zorg op de juiste plaats. Het voorkomen van onnodige zorg biedt daarvoor mogelijkheden.

Dat brengt mij op een vraag van mevrouw Barth over de eerstelijnszorg. Die zorg is natuurlijk essentieel daarvoor. De eerste lijn heeft een belangrijke rol bij het realiseren van zorg dicht bij huis. Dit kan het ook mogelijk maken dat mensen langer thuis kunnen blijven wonen. Het versterken van de eerste lijn is ook een belangrijk thema in het regeerakkoord. Neem het onderwerp substitutie van zorg van ziekenhuizen naar eerstelijnszorgverleners. In het bestuurlijk akkoord 2018 dat met de huisartsen is gesloten en waar nu uitvoering aan wordt gegeven, wordt ook ingezet op samenwerking tussen eerstelijnszorgverleners, zoals meer samenwerking tussen huisartsen en verpleegkundigen en meer samenwerking met ziekenhuizen en de gemeenten. Het uitgangspunt is dat goede zorg voor iedereen op de juiste plek en op het juiste moment wordt geleverd. Naast goede kwaliteit en meer beheersing over het eigen leven, heeft het soms positieve budgettaire effecten.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dat is een mooi antwoord van de minister-president, maar het is niet helemaal wat ik gevraagd heb. Je kunt wel een akkoord sluiten met huisartsen om goed te gaan samenwerken met de gemeenten en met andere eerstelijnszorgaanbieders, maar daarmee komt die regie niet tot stand. Je hebt dan ook commitment nodig van gemeenten, van de ambulante teams van de geestelijke gezondheidszorg en van de gehandicaptenzorg en de ouderenzorg. Die zitten nu in drie verschillende financieringsstromen. Ze zitten in verschillende regelgeving en kennen verschillende culturen van werken. Dat zijn allemaal aspecten die de onderlinge samenwerking van die drie verschillende blokken van partijen op dit moment dwarszitten. Je hebt ook nog te maken met de marktwerking die op sommige terreinen een goede samenwerking dwarszit. Kortom, als de overheid hierin de regie niet pakt en de partijen niet bij elkaar brengt, als er niet één coördinerend bewindspersoon op VWS komt die hier regie over gaat voeren en blijvende, dagelijkse aandacht hieraan gaat besteden, dan komt die onderlinge samenwerking in de praktijk niet tot stand. Op die manier missen we heel veel kansen om de zorg zuiniger en zinniger te maken.

Minister Rutte:

Misschien een paar reacties. Ik fluisterde net even met mijn collega's van VWS, met de beide ministers. In de eerste plaats wordt er natuurlijk gewerkt aan een hoofdlijnenakkoord. Ik ben het eens met mevrouw Barth; dat even als eerste. Het feit dat er verschillende financieringsstromen zijn, kan nooit de reden zijn waarom er niet wordt samengewerkt. Twee. Ik denk dat we de rol van de gemeenten inderdaad niet moeten onderschatten. Juist door het sluiten van de akkoorden waar we nu aan werken, is er een uitdrukkelijke regierol voor de overheid. De beide ministers hebben hun terreinen heel precies afgebakend, maar waar dat nodig is, werken zij natuurlijk met elkaar samen. Ze zitten in kantoren naast elkaar, dus daar zal het zeker niet aan liggen. Wat mevrouw Barth zegt, nemen we zeer ter harte. Het is ook onderdeel van ons denken, want uiteindelijk wil je ontkokerd werken. De financieringsstromen mogen geen reden zijn om niet samen te werken. Ik zie mevrouw Barth kijken alsof ze zich afvraagt: is dit nou een briljant antwoord of wil ik toch nog een vervolgvraag stellen?

Mevrouw Barth (PvdA):

Dit blijft me nog net even te vaag. Ik heb gisteren aangegeven dat het feit dat er nu drie bewindsmannen op VWS zitten en niet meer twee, het risico dat er versnipperd wordt gewerkt vanuit het ministerie eerder groter maakt dan kleiner. We hebben in het regeerakkoord gezien dat er geen aandacht voor coördinatie en regie was, terwijl die echt van de kant van de nationale overheid nodig is. Anders krijg je die partijen niet bij elkaar. Na de hervormingen die het vorige kabinet in gang heeft gezet om het lokale karakter van de zorg te versterken, is volgens ons de logische volgende stap om die partijen echt bij elkaar te gaan brengen. Het is dan mooi dat de minister-president zegt dat hij met verschillende sectoren akkoorden gaat afsluiten, maar de doelstelling van die akkoorden is volgens mij vooral om de groei in de hand te houden. Dat is terecht. Dat moet absoluut gebeuren, want dat is heel belangrijk.

De voorzitter:

Kort, mevrouw Barth.

Mevrouw Barth (PvdA):

Maar dan hebben we nog niet de essentie te pakken. Die is: hoe krijg je die verschillende culturen, die verschillende financieringsstromen, die verschillende cohorten van regelgeving in de praktijk zo bij elkaar dat problemen niet meer verkokerd maar in samenhang worden opgelost. Wat ik graag van de minister-president zou willen horen, is dat er coördinatie van de kant van VWS komt, dat die helder wordt, dat daarop gestuurd wordt en dat daar de komende jaren blijvende, dagelijkse aandacht voor zal zijn. Er is niet eens een directoraat-generaal voor de eerste lijn. Ook op het ministerie is het ambtelijk versnipperd.

De voorzitter:

Wilt u de vraag afronden?

Mevrouw Barth (PvdA):

Dus die coördinatie is echt niet zomaar iets. Dat is een klus die heel veel aandacht nodig heeft en wat duidelijkere antwoorden dan ik tot nu toe van de minister-president krijg.

Minister Rutte:

Wir ziehen an einem Strang, zeggen de Duitsers. We zijn het gewoon eens. Dat er een scheiding is tussen cure en care is niet nieuw en ook niet dat er een staatssecretaris op VWS zit. Daar zit het probleem niet. Deze drie mannen zijn ingehuurd om goed met elkaar samen te werken en om ervoor te zorgen dat er goed wordt samengewerkt in de gezondheidszorg.

En dan de akkoorden. Je kunt wel akkoorden sluiten over het beheersen van kosten, maar dat lukt alleen als je ook afspraken maakt over allerlei andere vormen van samenwerking. Kortom, wat mevrouw Barth hier zegt, is echt wat wij willen. Er moet ontkokerd, door de sectoren heen, en op een slimme manier naar verbindingen worden gezocht. Het mag nooit zo zijn dat verschillende bewindslieden daar verschillend aan werken. Dat gebeurt ook niet. Ik bedoel: er wordt heel intensief samengewerkt. Dat los je niet op met een directoraat. Dan wordt het alleen maar ingewikkelder.

Dan de vraag over waardig ouder worden, als ik het zo mag samenvatten. Zoals uit het regeerakkoord blijkt, is waardig ouder worden een breed gedragen maatschappelijke doelstelling die aandacht en actie vraagt op verschillende terreinen van het kabinetsbeleid. Het kabinet heeft het manifest Waardig ouder worden omarmd en wil bijdragen aan het realiseren van de plannen uit het manifest, zoals een landelijk programma eenzaamheid en de verbetering van de palliatieve zorg. Daar wordt ook veel geld voor beschikbaar gesteld, oplopend tot 180 miljoen voor deze periode. In de jaren daarna volgt nog eens 30 miljoen per jaar. Er komt nog een aparte brief naar de Kamer waarin zij over de nadere uitwerking van het programma wordt geïnformeerd.

Er werd ook gerefereerd aan een reactie van de NVVE en de Levenseindekliniek op een initiatief van de Coöperatie Laatste Wil. De coöperatie maakte einde september dit jaar bekend dat zij een middel had gevonden waarmee mensen hun leven kunnen beëindigen. De naam van dat middel hebben ze niet verspreid. Ze hebben wel enkele eigenschappen kenbaar gemaakt, zoals dat het een legaal conserveringsmiddel zou zijn. Mensen die een halfjaar lid zijn, zouden de naam daarvan te horen krijgen. Het kabinet heeft gemeld deze actie van de Coöperatie Laatste Wil onverantwoord te vinden en onwenselijk in het licht van het beleid om het aantal suïcides terug te dringen. Uiteraard is het vervolgens niet aan mij en zelfs niet aan de minister van Justitie en Veiligheid om te bepalen of deze in onze ogen ongewenste handelswijze zich binnen de grenzen van de wet beweegt. Wij vinden die in ieder geval maatschappelijk ongewenst. Of die ook wettelijk ongewenst is, daar gaan wij niet over. Of er sprake is van een strafbaar feit, hangt ook af van de concrete omstandigheden van het geval. Het is aan het Openbaar Ministerie om op basis van de feiten en omstandigheden te beslissen of er in een specifiek geval aanleiding is om een opsporingsonderzoek in te stellen en daar vervolgens een beslissing in te nemen. Maar politiek moge duidelijk zijn dat wij hier niet van gediend zijn.

Dan is er ook een vraag gesteld over de zwangerschapsafbreking. Mag ik daarover opmerken dat die, zoals bekend, uiteraard alleen is toegestaan in het geval van een noodsituatie. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om de noodsituatie van de vrouw open te laten en deze ook niet op te nemen in de verplichte registratie. Het is in het geval van herhaalde zwangerschapsafbrekingen dan ook niet duidelijk wat de oorzaak is. De vorige minister van VWS heeft toegezegd dat de Wet afbreking zwangerschap zal worden geëvalueerd. Bezien zal worden of deze vraag mogelijk meegenomen kan worden in deze evaluatie of dat het zinvol is om apart te kijken naar het vraagstuk van de herhaalde zwangerschapsafbreking.

De heer Schalk (SGP):

Juist op het moment dat je het in die bijzondere evaluatie wilt stoppen, krijg je misschien weer het spanningsveld dat ik met mijn vraag wilde vermijden, namelijk dat het verweven wordt met de noodsituaties an sich. Als we even apart zouden onderzoeken hoe dat nou komt en waar het misgaat, dus dat er twee, drie, vier of vijf zwangerschapsafbrekingen zijn, dan haal je het even uit de sfeer van wel of niet ruimte voor abortus.

Minister Rutte:

Nee, we kijken naar twee varianten. Eén is de evaluatie. Ik hoor dat u daar niet de voorkeur voor zou hebben. De ander is een apart onderzoek. Wat daar wenselijk is, zijn we nog even precies in kaart aan het brengen.

Dan de kortingen in het onderwijs. Het is waar dat er nog een resterende taakstelling staat, maar tegelijkertijd is er ook een enorme intensivering van 1,6 miljard. Voor het basisonderwijs komen er voor salarissen en het verlagen van de werkdruk bijvoorbeeld nog eens 720 miljoen bij. Daar staat inderdaad een stukje van de taakstelling van ongeveer 60 miljoen tegenover. Maar het gaat dus om zeer intensieve intensiveringen.

Dan de kansengelijkheid. Die vraag van mevrouw Strik staat hoog op de agenda van het kabinet en ook op die van onze contacten met gemeenten en maatschappelijke organisaties. In het actieplan gelijke kansen van oktober 2016 is extra geld uitgetrokken voor onder meer de verbetering van de aansluiting tussen de verschillende onderwijssectoren. Er is ook een rapportage met de eerste opbrengsten van het actieplan verschenen in juli van dit jaar. Er is meer tijd nodig om de effectiviteit van de maatregelen goed te kunnen beoordelen. De resultaten daarvan volgen in 2019. Dit kabinet heeft er nog een aantal accenten in gezet. Wij trekken 170 miljoen uit voor de versterking van de vroeg- en voorschoolse educatie. Het budget voor het onderwijsachterstandenbeleid wordt verhoogd en uiteraard zijn wij voornemens om het collegegeld in het eerste jaar te verlagen, om daarmee de drempel om te gaan studeren te verkleinen.

De heer De Graaf (D66):

Ik hoop dat ik niet te vroeg ben. Is de minister klaar met de financiële kant van de investeringen in het onderwijs?

Minister Rutte:

Ja, tenzij u iets wilt vragen over laaggeletterdheid. Maar als dat niet zo is, ben ik klaar met de financiële kant.

De heer De Graaf (D66):

Dan wil ik het nog even hebben over de algemene doelmatigheidskorting op het onderwijs van structureel 184 miljoen, geloof ik. Ik heb daar mijn vraagtekens bij gezet in mijn eerste termijn. Ik heb aan de minister-president gevraagd of hij het zelf ook niet een beetje raar vindt als je aan de ene kant die investering pleegt die nodig is, niet alleen voor de salarissen en werkdruk maar ook voor andere innovaties in het onderwijs, en aan de andere kant zegt: à propos, we hebben nog een gat op de begroting, dat gaat er weer vanaf en we noemen het een doelmatigheidskorting. Dat roept bij mij een vraag op. Dat doet u bij de politie bijvoorbeeld ook niet. We gaan de politie nog extra versterken, maar, à propos, we gaan eerst nog even 100 miljoen eraf halen om doelmatigheidsredenen. Anders gezegd: is dit niet eigenlijk een schoonheidsfoutje in het regeerakkoord en in de inzet van het kabinet?

Minister Rutte:

Nee, omdat bij de politie al die taakstellingen wel zijn gerealiseerd en het onderwijs die steeds voor zich uit heeft geschoven. Dat is de werkelijkheid, dus dit staat nog steeds. Ik vind dat het, waar in de vorige periode allerlei andere sectoren flink hebben gebloed, niet zo gek is dat het onderwijs ook nog een stukje doet, zeker als daar een gigantische structurele investering tegenover staat.

De heer De Graaf (D66):

Ik hoor de minister-president zeggen dat het onderwijs het niet heeft gedaan. Hij bedoelt dat de minister van Onderwijs in het vorige kabinet onder zijn leiding dat niet heeft gedaan? Moet ik het zo opvatten?

Minister Rutte:

Dat is een staatsrechtelijk volkomen juiste formulering.

De heer De Graaf (D66):

Ik zeg het maar, omdat het dus geen verwijt is aan de onderwijssectoren?

Minister Rutte:

Nee, nee, nee.

De heer De Graaf (D66):

Maar u meent dat er nog voor 200 miljoen aan doelmatigheidsmaatregelen, besparingen, te vinden zijn en dat zou ik graag wat nader toegelicht hebben.

Minister Rutte:

Nogmaals, in de vorige periode hebben wij in Nederland zwaar moeten bezuinigen. Uiteindelijk kan er nu heel veel extra geld naar het onderwijs, maar er staat echt nog een restant. Hetzelfde geldt voor lastenverlichtingen en lastenverzwaringen. Wij kunnen lasten verlichten op heel veel punten, maar er lopen ook nog een aantal lastenverzwaringen door. Dat accepteren wij ook. Zo zit het in de financiële plaat van het regeerakkoord. Ik vind het echt verdedigbaar, ook als je kijkt naar het geheel van het onderwijs in de afgelopen zeven jaar.

Dan was er een vraag over de kansengelijkheid in het onderwijs. Excuus, die heb ik net beantwoord.

Ik was bij de laaggeletterdheid. Mevrouw Barth deed de suggestie: zeg nu gewoon dat ieder kind moet leren lezen en schrijven. Dat zeg ik dan bij dezen. Dit is namelijk een van de kerndoelen van het primair onderwijs, alleen los je daarmee niet de laaggeletterdheid op. Dit is nu eenmaal breder dan alleen lezen en schrijven. Het gaat ook om digitale vaardigheden, het gaat om achterstanden waar mensen het in het verleden niet hebben geleerd. Maar als zij mij vraagt: doe de algemene uitspraak dat alle kinderen moeten leren lezen en schrijven? Bij dezen, het zit in de kerndoelen.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik had het over een missie. Natuurlijk is het mooi om die woorden uit te spreken, maar vervolgens moet je er ook iets aan gaan doen om ervoor te zorgen dat dit werkelijkheid wordt. Want het is helaas in Nederland nog steeds mogelijk dat je een diploma haalt op school zonder dat je goed kunt lezen en schrijven. Zo houden wij de laaggeletterdheid in Nederland in stand. Om dat aan te pakken, zowel in preventieve als in curatieve zin, heb je volgens mij echt meer nodig dan 5 miljoen euro. Dat was meer mijn punt gisteren.

Minister Rutte:

Dit komt bovenop andere initiatieven die er al zijn van de Stichting Lezen & Schrijven en allerlei andere initiatieven. Maar ik ben het zeer eens met mevrouw Barth over maatschappelijk participeren. Toen ik op Onderwijs zat, wisten wij dat een kwart miljoen mensen echt niet konden lezen en schrijven en dat anderhalf miljoen mensen daar grote moeite mee hadden. Die aantallen zijn volgens mij inmiddels afgenomen. Of zijn ze nog even erg?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ze zijn zelfs omhoog gegaan.

Minister Rutte:

Nou, kun je nagaan. Wat dat betreft eens, maar ik heb hier nu niet bij de gelegenheid van de Algemene Beschouwingen een compleet beleidsplan laaggeletterdheid. Dat is er ongetwijfeld en dat lijkt mij dan iets voor de bewindslieden van Onderwijs om dit verder te bespreken.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Barth, op dit punt.

Mevrouw Barth (PvdA):

Zou de minister-president dan met zijn collega's van Onderwijs willen delen of zij ons daarover eens een brief willen schrijven en wat nader uiteen willen zetten hoe zij die gedeelde ambitie dan meer handen en voeten zouden willen geven?

Minister Rutte:

Ik ben niet zo voor al die brieven, want dat kost ontzettend veel ambtelijke capaciteit en waarschijnlijk is het er al. Laten wij in de pauze kijken of er al een beleidsplan is — dat ik nu niet paraat precies heb — en of ik daarover iets kan zeggen in tweede termijn.

Dan was er de vraag over het stichten van scholen. Wat bedoelen wij met de belangstelling van ouders? Daarmee wordt een daadwerkelijke belangstelling van ouders voor een concreet schoolinitiatief bedoeld. Dat kan nog steeds een school van een bepaalde richting zijn, maar ook een school met een bepaald onderwijsconcept. Er is een verschil met de huidige systematiek waarin de belangstelling niet wordt aangetoond maar verondersteld op basis van erkende richting.

Dan was er een vraag van D66 over de 400 miljoen structurele intensiveringen: leiden die ook tot één gemeenschappelijke aanpak vanuit OCW en Economische Zaken en Klimaat om stammenstrijd te voorkomen? Ik kan uit ervaring zeggen dat zij inderdaad gaan samenwerken, dat wil zeggen de ministers van Onderwijs en van Economische Zaken en Klimaat, om een verbinding te zoeken tussen wetenschap en innovatie, ook op het snijvlak van het fundamenteel onderzoek, het toegepast onderzoek en het praktijkgericht onderzoek. Daarbij betrekken zij ook de andere vakdepartementen. Ik herken dat het in het verleden ook wel eens niet briljant ging in de samenwerking tussen OCW en EZK, maar op dit moment — de heer Wiebes is zo gerustgesteld dat hij niet eens hoort wat ik vertel — kan ik zeggen dat hij en mevrouw Van Engelshoven hier heel goed gaan samenwerken. Toch? Mooi. Dat moet ook en anders letten wij daarop. Het is echt cruciaal, want als je de stammenstrijd terugkrijgt, is dat een ongelofelijk verlies aan energie. Ik herken helemaal wat de heer De Graaf zei over eerdere periodes, gelukkig niet uit het recente maar uit het wat verdere verleden.

Dan de vraag van mevrouw Barth over een reactie op het WRR-rapport Weten is nog geen doen. Die reactie komt, ook gehoord de opmerking van mevrouw Barth daarover, in ieder geval voor de behandeling van het initiatiefvoorstel-Dijkstra over een actief donorregistratiesysteem. Ik begrijp heel goed dat dit voor de Partij van de Arbeid, en misschien ook voor andere partijen, heel relevant kan zijn in de afwegingen. Dus wij zorgen ervoor dat die reactie er is voordat het initiatiefwetsvoorstel ADR wordt behandeld.

Dan kom ik bij het onderwerp buitenlandse zaken.

De voorzitter:

Mevrouw Barth, kort. Zodra u uw naam hoort, staat u al bij de microfoon.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dit scheelt straks ook in de tweede termijn. Ik hoop dat de minister-president die kabinetsreactie dan zo tijdig stuurt, dat wij die ook in de beraadslaging in onze fractie kunnen meenemen. Als die hier op 30 januari ligt, is het te laat.

Minister Rutte:

Ik kijk even ambtelijk en er wordt ja geknikt. Ja, dat gaan wij doen. Ik snap dat ook, want anders heeft het nog geen zin. Dan ligt hij hier en heb je hem nog niet gelezen. Ik begrijp het heel goed. Wij gaan even heel precies kijken wat de timing in de Kamer is van het initiatiefwetsvoorstel over de actieve donorregistratie en wij zorgen ervoor dat de reactie op het WRR-rapport er op tijd ligt.

Dan het buitenlands beleid, voorzitter. Ik zou kortheidshalve natuurlijk kunnen verwijzen naar de Kamerbrief over de Staat van de Europese Unie die minister Zijlstra namens het kabinet aan beide Kamers heeft gezonden. Misschien mag ik er een paar dingen uitlichten en dan een paar vragen beantwoorden? Als het om Europa gaat, is voor dit kabinet relevant dat wij om drie redenen die samenwerking zoeken. In de allereerste plaats omdat in een instabiele wereld het samenwerken in sterke internationale structuren zoals de NAVO maar zeker ook de Europese Unie, veiligheid biedt. Er is wel iets aan de hand in de wereld en zeker in een ring van instabiliteit rond Europa. Dit is wel het laatste moment om te zeggen: wij trekken de huifkar uit de cirkel, wij doen het zelf wel even. Wij zijn de vijfde economie van de eurozone en de zesde van Europa van de 28, maar wij zijn natuurlijk geen groot land in zichzelf. Dat zou ongelofelijk dom zijn.

De tweede reden is uiteraard dat die samenwerking ons heel veel economische voordeel brengt. Maar er is nog een derde reden, namelijk dat wij ook een waardengemeenschap zijn als Europese Unie. Daarom werken wij samen.

Er zijn natuurlijk ook grote vraagstukken in de Europese Unie. Hoe brengen wij meer focus aan? Als het gaat om de euro zijn er natuurlijk specifieke vraagstukken. Hoe zorg je ervoor dat landen daadwerkelijk de noodzakelijke stappen zetten om hun economieën te hervormen, want er ligt onder de euro een belofte? Die belofte is dat wij convergeren naar een hoger niveau van welvaart. Dat kan alleen als alle landen ook hervormen en hun overheidsfinanciën op orde brengen, et cetera. Dan is vervolgens de vraag: hoe stimuleer je dat? Daar zijn allerlei ideeën voor, bijvoorbeeld in de Franse hoek, waarvan sommige goed zijn en waarover anderen minder enthousiast zijn. Er is ook een aantal ideeën door Nederland naar voren gebracht op het terrein van het opbouwen van het Europees monetair systeem, het EMS, naar een systeem waarbij dat EMF, zoals het dan zou gaan heten, ook daadwerkelijk de programma's gaat runnen. Het blijft wel intergouvernementeel, zeg ik in de richting van sommigen in de Europese Commissie die zeggen: maak het dan meteen communautair. Daar zou ik tegen zijn en daar zou het kabinet tegen zijn.

Het tweede is een systeem om er ook voor te zorgen dat sovereign debts worden geherstructureerd voordat je toegang hebt tot dit soort systemen.

Een derde voorstel vind ik interessant; wij hebben dat voorstel zelf gedaan maar ik ben er bijzonder enthousiast over. Er gaat heel veel geld om in structuur- en cohesiefondsen. Kunnen wij dat niet veel meer gaan koppelen aan het antwoord op de vraag wat landen doen om hun economieën zelf te hervormen en bijvoorbeeld opvolging te geven aan landenspecifieke aanbevelingen, de Country Specific Recommendations? Zou je dat niet veel meer conditioneel kunnen maken? Het aardige is dat je dan in feite ook zit in de richting van wat anderen hebben gesuggereerd: aparte budgetlijnen voor de eurozone. Dan zou je met een beetje Buddenbrooks 1848 kunnen zeggen: "Wij willen een republiek; die heeft u al; dan willen wij er nog een". Want dan blijkt ineens dat we de bestaande fondsen veel meer richten op daadwerkelijke hervormingen. Dan kun je misschien op die manier veel meer binnen de bestaande budgettaire kaders het debat voeren over hoe je hervormingen stimuleert en macro-economische onevenwichtigheden en schokken voorkomt. Die hebben overigens in de recente economische geschiedenis sowieso niet plaatsgevonden. Als het slecht ging in een land, ging het gemiddeld genomen ook slecht in Europa. Het komt zelden voor in de geschiedenis dat een bepaald land ineens in zijn eentje een enorme schok doormaakt.

Dit zijn dus een aantal voorstellen die Nederland heeft gedaan. Die zullen komen te liggen naast voorstellen van andere landen. Er wordt de komende twee jaar sowieso een heel intensief debat gevoerd over Europa, aan de hand van de agenda van de voorzitter van de Europese Raad, Donald Tusk. Die loopt eigenlijk door tot de aanloop van de Europese verkiezingen van 2019. We bekijken op een heel aantal terreinen wat we in Europa kunnen bouwen wat veel relevanter is voor de bewoners en wat levert op deze essentiële zaken.

Voorzitter. Misschien nog een laatste opmerking over de markt. Mij wordt weleens gevraagd wat ik van de interne markt vind. Dan is mijn reactie: dat zou een goed idee zijn. De interne markt beperkt zich op dit moment namelijk tot fysieke goederen en functioneert niet of matig op het gebied van kapitaal, digitaal of energie. We weten dat dit, als we dit wel allemaal zouden doen, twee keer de Nederlandse economie zou toevoegen aan het Europese gezamenlijke inkomen. Twee keer de Nederlandse economie, 4 miljoen banen. Maar er zijn grote nationale belangen, vooral van een aantal grote lidstaten, die dit tegenwerken.

Langs deze lijnen wil het kabinet de komende tijd verder werken aan het versterken van de Europese Unie. Als je nog steeds vindt dat er een nexit moet plaatsvinden, hoef je denk ik maar even over de Noordzee naar Engeland te kijken. Dan moet je wel heel bereid zijn om je eigen partij op te offeren. Zij die dit wel vinden, nemen dus grote electorale risico's, nog los van grote politieke risico's.

Dan is er een vraag gesteld over het EVRM. Het kabinet is groot voorstander van de toetreding tot het EVRM en maakt zich daar in Brussel ook sterk voor. De stand van zaken is dat we wachten op een voorstel van de Commissie over hoe om te gaan met het bindende advies van het Europees Hof dat het concepttoetredingsverdrag in strijd is met de EU-verdragen. Dat loopt nu. Wij roepen de Commissie steeds op tot spoedige presentatie van het betreffende voorstel. We zullen het parlement periodiek blijven informeren hierover. Het was ook een toezegging aan de heer Kox bij het verslag van de Raad Algemene Zaken in september om het parlement er regelmatig over te informeren.

De heer De Graaf (D66):

De opmerking van de minister-president over Groot-Brittannië begrijp ik. Die is mij ook uit het hart gegrepen. In mijn bijdrage heb ik ook iets gezegd over de positionering van Nederland binnen de Europese Unie, zeker als het gaat over de economische, monetaire en politieke hervormingen in relatie tot een te verwachten Duits-Franse as. Naar mijn vaste overtuiging moet Nederland daarbij aansluiting zoeken. Ik ben erg benieuwd naar de visie van de minister-president, want die ontbrak nog in zijn antwoord.

Minister Rutte:

Nederland heeft 400 jaar lang buitenlandse politiek bedreven door een balans te zoeken tussen de Britten, de Duitsers en de Fransen. Dat blijven we doen, alleen zijn de Britten dadelijk waarschijnlijk geen lid meer van de Europese Unie. Er is natuurlijk een functionerende Frans-Duitse as, maar die heeft wel wat gehaperd, omdat Frankrijk economisch erg achter is gebleven. Eerlijk gezegd is het nog steeds bezig om het been bij te trekken. Er zijn in Frankrijk eind augustus grote hervormingen op de arbeidsmarkt doorgevoerd. Terwijl wij aan het formeren waren, hebben zij daar een president gekozen en de hele arbeidsmarkt hervormd. Ineens ging het daar dus heel snel, maar het is ook de eerste grote hervorming in jaren. Wij moedigen de Franse president aan om op dit pad door te gaan. Dat is ook erg noodzakelijk, omdat de verschillen in alle economische cijfers tussen Frankrijk en Duitsland ook heel groot zijn geworden. Maar die as functioneert op zichzelf en dat is ook helemaal niet verkeerd.

Voor Nederland geldt daarbij dat wij een intensieve relatie onderhouden met Berlijn, maar ook met Parijs. Ik ben niet voor niets vorige week nog samen met de Franse president naar Ghana gegaan. Ook daar heb ik natuurlijk van de gelegenheid gebruikgemaakt om allerlei zaken in de onderlinge samenwerking te bespreken. Ik ben volgende week weer in Parijs. Daarnaast kijken wij ook hoe wij, in samenhang met de drie lidstaten in de Benelux, een sterke relatie kunnen bouwen met de drie Baltische landen en de drie Scandinavische lidstaten. Dat drie-plus-drie-plus-drieconcept hebben we in juni in Den Haag gehad. Dit is ook weer een mogelijkheid om extra massa te maken in Europa, om waar dat kan vanuit gezamenlijke posities te acteren. Daarnaast doet de Benelux op dit moment een reach-out naar de V4, Hongarije, Polen, Tsjechië en Slowakije. We zijn het niet altijd eens met die landen, zeker niet met Hongarije en Polen, maar het is wel relevant om ook met hen intensief in gesprek te zijn. Daar kwam bijvoorbeeld uit voort dat Lodewijk Asscher in de vorige periode een heel aardig compromis kon sluiten over de Detacheringsrichtlijn, de Posting of Workers Directive. In dat opzicht zeg ik ja op de vraag of wij ook tussen de Frans-Duitse as zitten. Het gaat ons vooral ook om bilateraal met Parijs en bilateraal met Berlijn. Daarnaast hebben we ook onze eigen clubjes.

De heer De Graaf (D66):

Ik denk dat de minister-president groot gelijk heeft dat we met heel veel staten in de Unie, het liefst met allemaal, goede contacten moeten onderhouden en dat er op verschillende dossiers andere samenwerkingsvormen en netwerken mogelijk zijn. Het gaat mij echter vooral om de meer strategische keuze. Je kunt natuurlijk als het ware een tegenwicht vormen tegen een Frans-Duitse as door verzamelingen aan te leggen en door bijvoorbeeld aan te sluiten bij de noordelijke staten, maar dan krijgt dat iets van een soort tegenwicht creëren. Je kunt er ook strategisch voor kiezen om echt te investeren in de aansluiting bij de Duits-Franse as, wat gelet op de positie van Nederland binnen de Unie maar ook op de geschiedenis niet onlogisch zou zijn. Daarom zoek ik een beetje naar de strategische keuze van het kabinet.

Minister Rutte:

Op zich zeggen we volgens mij wel hetzelfde, alleen betekent dit bilateraal met Frankrijk en bilateraal met Duitsland, wetende dat die twee ook met elkaar zijn. Wij zijn vier zo klein als de Franse economie en vijf keer zo klein als de Duitse economie. Tegelijkertijd zijn wij ook weer na de vier grotere economieën de grootste. Dan is er weer een heel groot gat en daarna komt de volgende. Wij zitten op zichzelf dus wel in de top vijf of top zes, als je de niet-eurolanden meeneemt. Ik denk wel dat ook die andere samenwerkingen relevant zijn, omdat je daarmee natuurlijk ook meer massa maakt voor Nederland, ook in onze invloed richting Frankrijk en Duitsland. Dat geldt overigens ook voor andere landen. Die doen het niet om ons meer invloed te geven, ze doen het om zelf ook meer invloed te hebben binnen het Europese spel. We zijn dus echt aan het zoeken. Eén ding kan ik wel zeggen. Op die implicatie van het vertrek van het Verenigd Koninkrijk heeft de heer De Graaf ook gehint. Die stem op het gebied van vrijhandel en vrijhandelsverdragen maar ook op het gebied van de interne markt wordt echt gemist; nu al. Theresa May zit nog aan tafel, maar is toch vooral gepreoccupeerd met één onderwerp, en dat is niet dit onderwerp. Dat merken we dus al. Dan wordt er ook weer meer naar ons gekeken als eerstvolgende in het rijtje en wordt er gevraagd: wat vinden jullie eigenlijk? Dat is leuk, want daarmee wordt onze positie versterkt, maar het is ook verplichtend. Het dwingt ons, omdat we ook weer zo veel kleiner zijn dan de grote lidstaten, om die allianties met andere landen te zoeken. Ik denk dus dat het en-en is, maar ik ben het eens met de heer De Graaf dat die as relevant is. We moeten daar invloed op uitoefenen.

Er zijn verschillende vragen gesteld over de Raad van Europa en het belang daarvan, door GroenLinks en de SP. Wij beschouwen de Raad van Europa als een hoeder van mensenrechten, democratie en rechtsstaat. Nederland spreekt landen ook aan op grond van de verplichtingen waaraan zij zich zelf hebben verbonden. Dat doen we bijvoorbeeld door erop toe te zien dat de Raad van Europa de inzet van mensen en middelen concentreert op de hoofdthema's mensenrechten, rechtsstaat en democratie. Nederland is actief bij de hervormingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Die zijn erop gericht om de effectiviteit van het hof en eigenlijk het hele systeem van het EVRM zelf, te waarborgen. Dan gaat het ook om de verantwoordelijkheid van lidstaten om schendingen te voorkomen en uitspraken van het hof uit te voeren.

Voorzitter. Ik denk dat ik hiermee de vragen over de eurozone heb beantwoord, door ons beleid uiteen te zetten. Ik vind het nooit zo interessant om te reageren op alle voorstellen van anderen. Ik vind het altijd spannender om te zeggen wat wij willen met de eurozone. Dat anderen ook ideeën hebben, is prachtig, maar ik vind het spannender wat wij vinden.

De heer Kox (SP):

De minister-president betuigde opnieuw zijn betrokkenheid bij de Raad van Europa en het unieke Europese mensenrechtenstelsel. Dank daarvoor. Maar eerlijk gezegd weten we dat al. In Straatsburg praten we driemaandelijks met onze ambassadeur over de inzet van de Nederlandse regering. Zowel GroenLinks als wij hebben concreet de vraag gesteld of de regering nog eens positief kritisch wil kijken naar de mogelijkheden om de financiering van de twee andere grote verdragsorganisaties, de OVSE en de Raad van Europa, te verbeteren. Op dit moment is het zelfs voor mij, als Nederlander en als socialist, dus dubbel zuinig, soms stuitend om te zien hoe in Straatsburg moet worden omgegaan met dubbeltjes en kwartjes, terwijl aan de overkant van het water de euro's rijkelijk vloeien. Ik denk dat er met een lichte verschuiving in de budgetten ruimte zou kunnen komen. Dat is temeer nodig, omdat we, als we de Raad van Europa niet hebben, het platform waarin we zowel met de Russen, de Turken en de Oekraïners kunnen overleggen, kwijtraken. In hetgeen hier ooit in het Congres van Den Haag ontstaan is, liggen de wortels van dit unieke systeem. Dus ik zou de minister-president willen vragen — hij hoeft dat nu niet te doen — om nog eens te kijken of Nederland op dit punt nog een beter voorbeeld kan geven dan het al doet.

Minister Rutte:

Waar we al een heel ingewikkelde discussie in Europa hebben over het budget voor de komende jaren met het vertrek van de Britten, lijkt het mij kansloos om het budget "overall" te verlagen en dat te verschuiven naar andere organisaties. Ik zie natuurlijk wel het belang van de OVSE en de Raad van Europa. Wij dragen daar overigens evenredig aan bij. Alleen, je moet de Raad van Europa en de OVSE niet op gelijk niveau stellen van dat van de Europese Unie. Dat is toch echt een heel andere organisatie met een heel andere omvang en een heel ander direct belang voor Nederland. Het zijn niet alleen heel verschillende afkortingen maar er gaan ook heel verschillende organisaties achter schuil. Wat de heer Kox hier doet is zeggen van: je hebt de Europese Unie, een soort hollebolle gijs, en dan heb je die arme OVSE en Raad van Europa die bijna niets te besteden hebben.

De heer Kox (SP):

Wat daarachter schuilgaat gaat, meneer de minister-president, is dat we 835 miljoen Europeanen allemaal onder één uniek mensenrechtenstelsel bescherming bieden compleet met een Hof met bindende uitspraken. Dat is een prestatie die in de naoorlogse geschiedenis niet herhaald is. De Europese Unie heeft alles te maken met dat mensenrechtenstelsel van de Raad van Europa.

Minister Rutte:

Ja, ja, dan hebt u het over de financiering.

De heer Kox (SP):

Maar ik vraag ook niet of we een heel grote hoeveelheid geld bij de Europese Unie weg kunnen gaan halen. Ik constateer dat de Europese Unie per dag opmaakt wat de Raad van Europa per jaar opmaakt. Dan zeg ik niet om het dan maar fiftyfifty te doen maar tot nu toe wordt ook in Nederland de Raad van Europa gefinancierd vanuit Buitenlandse Zaken. Buitenlandse Zaken heeft in feite geen geld maar in essentie gaat het om rechtszekerheid en rechtsbescherming. Als Nederland creatief zou gaan kijken, zou het misschien wat ruimte kunnen vinden en zou het daar vooral ook collega-landen op kunnen aanspreken. Te herhalen wat ik allang weet, is niet zo productief. Wat betreft die uitgestrekte hand, meneer de minister-president: dit is in het verleden ook al een Kamerbrede wens geweest, dus wilt u er nog eens naar kijken?

Minister Rutte:

Laten we het dan even in de spirit of compromise loskoppelen. Ik hoor de heer Kox steeds het vergelijk maken met de Europese Unie en dan ga ik haperen. Dan denk ik: nu ben je echt appels en peren aan het vergelijken. Maar als de heer Kox ons vraagt om nog eens goed te kijken naar de financiering van de OVSE en de Raad van Europa of daar genoeg geld is, dan wil ik dat doen. Dan kijken we daar nog eens even naar, zonder dat ik nu toezeggingen doe. Misschien dat ik daardoor even het misverstand had. De heer Kox zei letterlijk: een kilootje minder voor de EU en kan dat dan naar die organisaties? Toen blokkeerde ik omdat we al zo'n ingewikkelde discussie hebben de komende jaren over de financiering van de EU.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik ben heel blij met de toezegging van de premier.

Minister Rutte:

Alleen dat ik ernaar kijk.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Met die toezegging ben ik zelfs al blij. Kunnen we er dan wel op korte termijn over geïnformeerd worden?

Minister Rutte:

Nee, dan werken toezeggingen niet. Als nu meteen gevraagd wordt om morgen te besluiten waar het geld heen gaat …

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Die korte termijn bedoel ik wat ruimer en relatiever. Kunnen we daar dan in ieder geval over geïnformeerd worden ergens in de loop van begin volgend jaar of zo?

Minister Rutte:

Dan neem ik het mee in de gebruikelijke rapportages. Er zijn regelmatig rapportages aan de Kamers over Europa en over allerlei zaken. Dan betrekken we het daarin, maar geen aparte brieven want ik moet echt oppassen dat we het met de steeds kleiner wordende departementen allemaal wel aankunnen.

Dan is er de vraag over de democratische rechtsstaat, eigenlijk naar aanleiding van de situatie in Spanje. Spanje is een democratische rechtsstaat en een Europese partner. De Spaanse rechter oordeelde dat de voormalige Catalaanse autoriteiten handelden in strijd met de wet. Dat is het feit. Het is ook niet aan de Nederlandse regering om te bepalen wat er in de Spaanse wet staat. In de Spaanse grondwet staat dat gebieden zich niet unilateraal kunnen afscheiden behalve wanneer de hele Spaanse bevolking daarmee via een referendum instemt. Dat is een regel, een wet die geldt in Spanje, wat een democratie is, en daar hebben we ons naar te schikken.

De voorzitter:

Meneer Ten Hoeve, kort graag.

De heer Ten Hoeve (OSF):

Dat antwoord was natuurlijk volledig te verwachten van de minister-president. In heel Europa heerst een duidelijke stilte wanneer het over dit probleem gaat met de motivering dat Spanje een democratie is. Niemand ontkent ook dat Spanje een democratie is. Ik zou wel willen constateren dat het probleem van het zelfbeschikkingsrecht het systeem van de normale democratie overstijgt. Wanneer daar in een land weinig aandacht voor is of ontkenning ervan plaatsvindt, is er ruimte om er van buitenaf de aandacht op te vestigen. Die aandacht zou in dit geval van de EU of van de lidstaten moeten komen omdat die er het dichtste bij staan en het meest medeverantwoordelijk zijn. Ik wijs erop dat dit probleem zich niet alleen in Catalonië voordoet. Het is een probleem waar ook op de Westelijke Balkan over gedacht moet worden en dat ook in de verhouding met Rusland een grote rol speelt. Maar daar komen we binnenkort nog wel eens op terug.

Minister Rutte:

Met respect, maar daar ben ik het niet mee eens, omdat ik echt vind dat Europa heel terughoudend moet zijn om zich te bemoeien met binnenlandse aangelegenheden van landen. Spanje is een rechtsstaat. De rechter heeft geoordeeld. De Spaanse regering voert uit wat de rechter heeft gezegd. Ik denk dat we hierin echt rolvast moeten zijn.

Dan zijn er vragen gesteld door de SGP, GroenLinks en D66 over asiel en migratie. Die vragen zou ik graag in samenhang willen behandelen, wat ook gelet op de tijd misschien wel verstandig is. Dit kabinet zet in op een verder en-en-enbeleid. Daarbij zeg ik ja tegen D66, dat we dat niet kunnen zonder Europa. Daarbij zeg ik ja tegen GroenLinks, waarbij we natuurlijk de basisvoorwaarden in acht hebben te nemen, ook bij het afsluiten van migratiedeals, bijvoorbeeld dat vluchtelingen niet worden teruggestuurd naar landen van herkomst waar zij te vrezen hebben voor vervolging. Daarbij zeg ik ja tegen de SGP, dat Nederland mensen die een gegronde vrees hebben voor vervolging, bescherming wil bieden, uit overtuiging. De vraag is alleen of dat altijd hier moet. Dus daarom is het ook en-en-enbeleid. We zullen een aantal dingen moeten doen. Dat hebben we ook vorige week besproken op de top in Abidjan, Ivoorkust. Ik noem de strijd tegen mensensmokkel, effectieve terugkeersamenwerking en uiteraard de aanpak van grondoorzaken. Ik was daarna in Ghana; de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking was daar een paar dagen eerder. Dan zie je dat we nu de stap gaan zetten van ontwikkelingssamenwerking naar veel meer een handelsrelatie. Verder noem ik het verbeteren van de opvang in de regio en het versterken van grenzen waarin ook Europa een belangrijke rol heeft. Het betekent dat we de komende tijd willen kijken of het mogelijk is om waar mensen op de vlucht zijn en bescherming moet worden geboden, dit ook kan zoals we dat met Turkije hebben afgesproken, namelijk in de regio maar uiteraard onder een aantal belangrijke randvoorwaarden, zoals ik er net een noemde.

In het bijzonder is gevraagd naar de situatie in Libië. Ik kan verzekeren dat minister Zijlstra van Buitenlands Zaken en ikzelf dat de vorige week in Ivoorkust aan de orde hebben gesteld bij premier ofwel chief of government, wat volgens mij de officiële aanspreektitel is, Sarraj van Libië. Er is inmiddels een onderzoek ingesteld en er is ook toegezegd om de slavenhandelaren te zullen vervolgen bij voldoende bewijs. Daarin trekken we samen op met andere landen, zoals Frankrijk, onder andere om de situatie in de Veiligheidsraad aan de orde te stellen. Wij verwelkomen ook op dit punt de gezamenlijke verklaring van de Afrikaanse Unie en de Europese Unie tijdens de top in Ivoorkust. Er wordt nu gewerkt aan evacuatie van migranten naar herkomstlanden. Wij dragen daar ook geld aan bij. Daarnaast kijken we naar mogelijkheden voor het instellen van VN-sancties tegen mensenhandelaren en smokkelaars, betrokken bij ernstige mensenrechtenschendingen. Maar laten we ook eerlijk zijn: dit is uitermate weerbarstig en het is niet zomaar geregeld.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik probeer uw eerste zin met de laatste zin te verbinden. Aanvankelijk zei u dat niemand wordt teruggestuurd naar een land waar die vervolging te vrezen heeft. Het is prijzenwaardig dat al die maatregelen tegen de slavernij worden genomen, maar daarmee is die slavernij morgen nog niet verdwenen. Tegelijkertijd worden nu wel door de Libische kustwacht, betaald en verzocht door de EU om dat te doen, migranten uit zee gehaald en teruggestuurd naar die voor hen zo gevaarlijke situatie. U kunt er de Libische autoriteiten wel op aanspreken, maar zou het niet veel beter zijn om er onmiddellijk voor te zorgen dat die mensen ergens anders naartoe worden gebracht en niet teruggestuurd worden naar Libië?

Minister Rutte:

Die mensen komen natuurlijk niet uit Libië. In de meeste gevallen zijn het economische migranten en in enkele gevallen gaat het om politieke vluchtelingen. Die laatsten mogen natuurlijk nooit worden teruggestuurd naar het herkomstland volgens het principe dat je mensen niet terugstuurt naar een land waar ze te vrezen hebben voor vervolging, het non-refoulementbeginsel. Ten aanzien van Libië zelf: daar wordt op dit moment door UNHCR en IOM zeer zwaar geïnvesteerd in kleinere opvangcapaciteit, in kampen voor de tussen 25 en 50 mensen, waar Nederland ook aan bijdraagt om er juist voor te zorgen dat daar de situatie verbetert. Het is ook niet gezegd dat de beelden die we op CNN hebben gezien Libische regeringskampen zijn. Dat wordt door de Libische regering bij hoog en bij laag ontkend. Daar zijn ook geen aanwijzingen voor. Er zijn wel misstanden in Libië die wij aan het aanpakken zijn. Ik denk dus dat je ook dit in samenhang moet bekijken, namelijk hoe je ervoor kunt zorgen dat je de situatie van de opvang in Libië verbetert, via IOM en UNHCR ook met geld. Hoe kun je ervoor zorgen dat mensen teruggaan naar de herkomstlanden? Want het overgrote deel is economisch migrant en kan dus gewoon terug naar zijn eigen land. Ik was vorige week bij de president van Mali, in Bamako, die zei: "Vreselijke beelden op CNN". Ik vroeg: "Ja, maar waarom zaten ze überhaupt in Libië, waarom zijn ze niet in Mali? Ze worden hier niet vervolgd, toch?" "Nee, ze worden hier niet vervolgd". Die mensen kunnen dus terug naar Mali en kunnen weg uit die vreselijke situatie in Libië. Dus ik denk dat je dat echt in een en/en-aanpak moet benaderen.

De voorzitter:

Mevrouw Strik, tot slot.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Wat onze fractie betreft moet dat wel in de juiste volgtijdelijkheid. En/en, inderdaad, de situatie daar verbeteren, maar zolang die nog niet volledig gegarandeerd veilig is mensen niet daarheen terugsturen.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik had nog een vraag gesteld aan de minister-president over de 71.000 Libiërs die zitten te wachten op een permanente verblijfsvergunning en die wel naar huis kunnen gaan om het Suikerfeest te vieren. Daarbij hadden wij de stelling: dan kun je ook naar huis gaan om het land op te bouwen.

Minister Rutte:

Syriërs bedoelt u toch?

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Syriërs, ja.

Minister Rutte:

U zei Libiërs.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

O pardon, excusez, dat is mijn fout. Ik bedoel Li … — nu zeg ik het weer bijna — Syriërs.

Minister Rutte:

U wilt een antwoord, hè? Om te beginnen, in algemene zin, om te kijken of een land veilig is om naar terug te kunnen, vindt een zorgvuldige beoordeling plaats vanuit Nederland. Dat ressorteert onder de staatssecretaris voor Justitie en Veiligheid, die daarvoor gedetailleerde ambtsberichten ontvangt van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Justitie en Veiligheid. Hij heeft ook gevraagd aan Buitenlandse Zaken om een algemeen ambtsbericht Syrië. Dat is weer voorzien voor 2018. Daarbij maken zij gebruik van alle beschikbare informatie. Ze wegen en beoordelen die informatie. Dat doen we eigenlijk altijd met landen waar mensen vandaan komen die in onze ogen wel of niet in aanmerking komen voor bescherming. Overigens, mochten vluchtelingen met een tijdelijke verblijfsstatus inderdaad terugreizen naar Syrië, dan kan dat in individuele gevallen aanleiding vormen hun verblijfsvergunning in te trekken. Daar wordt ook kritisch naar gekeken.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Wellicht kan ik dan een tip geven aan de minister-president. Misschien kunnen we die opnemen bij de beoordeling: gaan zij terug naar het land naar herkomst om het Suikerfeest te vieren, ja dan nee. Als dat dan ja is, dan kan ook gelijk de hele groep terug.

Minister Rutte:

U bent heel praktisch.

Ik heb nu door de interrupties een aantal vragen beantwoord, dus daar ga ik niet nog eens op antwoorden.

Misschien kan ik een ding nog wel doen op dit punt; dat gaat allemaal nog lukken voor enen, ik probeer het.

De voorzitter:

Kopje 7 in tien minuten allemaal?

Minister Rutte:

Ja. Ik wilde op dit punt eigenlijk nog twee dingen zeggen, dan ga ik door naar het volgende onderwerp. In de eerste plaats dat waar het gaat om veiligheid en defensie er intensief wordt samengewerkt, ook in Europa. Daarover is een vraag gesteld door de heer Brinkman. Dat heeft te maken met de permanent gestructureerde samenwerking en het instellen van een Europees Defensiefonds. Daar werken we aan mee. We willen geen Europees leger maar we willen wel Europese samenwerking op allerlei terreinen. Je ziet dat Europa ook steeds meer gezamenlijk optreedt. We zien dat in de trainingsmissie in Mali, waarbij het Malinese leger wordt getraind. We zien dat in de piraterijmissie, we zien dat ook bijvoorbeeld in de maritieme missie op de Middellandse Zee, en ook in de missie die plaatsvindt om stabiliteit te brengen in Afrika in bredere zin. Daarvoor zet ook de Europese Unie als collectief zich in.

Dan is er gevraagd naar de extra investeringen voor Defensie. Daarvan kan ik zeggen dat die nodig zijn om de krijgsmacht verder op orde te brengen en dat wij ook onze afspraken serieus nemen. In het eerste kwartaal van 2018 wordt door de minister van Defensie in de Defensienota uiteengezet hoe wij de krijgsmacht verder gaan versterken en vernieuwen. Ik denk dat het een belangrijke volgende stap is op weg naar het realiseren van gezamenlijk afgesproken doelstellingen. En ja, Nederland voldoet aan de investeringsquota van 20%, want met de extra middelen stijgt die in 2018 naar 21% en zal die daarna aan het einde van de regeerperiode ongeveer 25% zijn.

Ten aanzien van de kernwapens, als laatste punt in het buitenlands beleid, geldt dat Nederland zeer actief is en dat wij ook hebben gekeken of wij konden samenwerken in de context van de Nuclear Ban Treaty. Uiteindelijk heeft dat niet gewerkt omdat dat in strijd is met onze NAVO-verplichtingen. We zouden dan namelijk niet meer mogen samenwerken met landen die kernwapens hebben. Dat zou betekenen: niet meer samenwerken met Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten, die daar open over zijn. Bovendien waren de conclusies van de Nuclear Ban Treaty niet verifieerbaar en zou er verder aan deelnemen ook schadelijk kunnen zijn, zo vinden wij, voor onze actieve inzet voor het non-proliferatieverdrag.

Dat brengt mij bij mijn laatste onderwerp, de vragen die gesteld zijn over klimaat en energie. Ik zal niet alle doelstellingen nog eens opnoemen die in het regeerakkoord staan, maar u kent natuurlijk de ambitie van het kabinet, waarbij wij in Europees verband zelfs pleiten voor een doelstelling van 55% reductie in 2030. Het is waar dat er een klimaatwet ligt in de Tweede Kamer, een initiatiefvoorstel. Ik heb ook al bij het debat in de Tweede Kamer over de regeringsverklaring gezegd dat wij positief staan tegenover gesprekken met de initiatiefnemers om te bezien of verschillende initiatieven in elkaar kunnen worden geschoven. Er is geen garantie, maar de minister van Economische Zaken en Klimaat heeft daarover inmiddels de eerste gesprekken gehad en die worden verder voortgezet.

De voorzitter:

Mijnheer Schalk over dit onderwerp?

De heer Schalk (SGP):

Het ging zo snel dat ik bij Defensie even gemist heb of de regering ook voor de NAVO-norm van 2% gaat.

Minister Rutte:

Ja, sinds Wales in 2014 hebben we dat herbevestigd. Maar vervolgens is de vraag of je er met deze 1,5 miljard bent. Nee. Kan ik nu al zekerheid geven over verdere investeringen? Nee. Is de ambitie er? Ja. Maar dan moet het wel kunnen in het geheel van de financiële afwegingen.

Dan was er nog de vraag over het klimaatbeleid. Daarbij werd gerefereerd aan een uitstekend pamflet van ondergetekende uit 2008. Wij hebben dat gisteren samen nog even opgezocht en herlezen. Ook de heer De Jonge vond het een sterk stuk, zag ik. Maar goed, uiteraard is dat ook weer negen jaar geleden. In ieder geval geldt voor mij persoonlijk dat ik heel veel van dat denken weer terugzie in het regeerakkoord. Maar het zal ook gelden voor ChristenUnie, D66, CDA en de rest van de VVD dat ze veel terugvinden in het regeerakkoord op klimaatgebied. Dat is feitelijk omdat wij zeggen: wij willen die doelstellingen realiseren, maar wij hebben tegelijkertijd de volgende ambitie als Nederland: luister, we zijn toonaangevend op watergebied, we zijn toonaangevend op voedselgebied, wat zou het mooi zijn als wij over een paar jaar ook in de wereld toonaangevend zijn op het aanpakken van deze klimaatproblemen. En dat we omdat dat zo is er ook nog met elkaar flink dubbeltjes aan verdienen. Daar zou deze coalitie dan ook weer niet tegen zijn. Maar goed, het eerste doel is natuurlijk het voorkomen van de klimaatcrisis en die terugdringen.

Over de doelstellingen zijn ook vragen gesteld. We hebben die ambitieuze doelstelling, we sturen op CO2-reductie, niet op specifieke instrumenten of technieken. We kiezen daarmee ook voor de meest kosteneffectieve mix van maatregelen, zodat we met het beschikbare budget meer klimaateffect kunnen bereiken. Carbon capture and storage lijkt daarbij een interessante techniek, maar die moet nader worden uitgewerkt. Er zijn discussies over hoeveel je daarin precies kunt onderbrengen van het CO2-reductiedoel. Dat gaan we allemaal verder uitwerken, maar we denken dat dit belangrijk is om tijdig te komen tot een CO2-arme economie, dus we willen dit graag in de mix houden. Dat blijkt ook uit studies van het Planbureau voor de Leefomgeving, die ook laten zien dat de doelstelling voor CCS ambitieus is, maar ook haalbaar. Dat zie je ook in projecten in Noorwegen en in Canada. Het is dan wel belangrijk om snel te starten met de eerste projecten, zodat je ook over een tijdje, zo richting 2030, die techniek breder kunt toepassen. Maar het is in een mix met maatregelen, naast vele andere maatregelen, een instrument.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Het is altijd mooi de minister-president zo optimistisch te horen. Hij is wel erg optimistisch over die CO2-opslag, want we horen juist van alle kanten, ook van de industrie, heel veel bezwaren en twijfels over de realiseerbaarheid van deze ambitieuze plannen voor de CO2-opslag, of die wel te realiseren is. Even nog los van het feit dat het natuurlijk geen duurzame hervorming in gang zet, want het is feitelijk alleen maar de vervuiling wegstoppen, maar niet structureel werken aan de transitie. En zelfs nog met gelden, de SDE+ subsidies, die juist bedoeld zijn voor die transitie. Dus graag toch nog even een reactie daarop van premier Rutte. En als het inderdaad niet te realiseren is, dan drukt het nog meer op aanvullende maatregelen om alsnog die 49% te halen. Mijn vraag aan de premier is ook in hoeverre hij kan garanderen dat het aanvullende pakket dat wordt beloofd inderdaad toch uiteindelijk die 49% gaat realiseren.

Minister Rutte:

Het punt is dat er veel voorstellen voor CCS uit de industrie liggen. De industrie wil dat graag doen. We weten echt nog niet precies hoeveel het uiteindelijk gaat worden. In de opstelling van het PBL stond het tot twintig. In de Tweede Kamer is er een discussie met GroenLinks, dat zegt: wij hebben er maar dertien. Dan kom je uit op vijftien of zestien, maar zo gaat het natuurlijk niet werken. Je zult de komende tijd scherpte in het denken moeten krijgen. Maar ik pleit er echt voor dit in het pakket te houden van de mix van de vele instrumenten die we nodig hebben om de CO2-reductiedoelstelling te halen.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Nog even wat preciezer. Het Planbureau heeft aangegeven dat met de maatregelen die nu zijn afgesproken, maar de helft van die 49% wordt gerealiseerd. Gaat de minister-president beloven dat hij met het aanvullende pakket de doelstelling wel realiseert?

Minister Rutte:

De formatie heeft lang geduurd, maar we hebben niet alles kunnen afdekken. In het regeerakkoord staat hoe je een verdeling zou kunnen maken tussen allerlei technieken om de CO2-reductiedoelstelling te realiseren. Volgens mij hebben we dat ook van het PBL overgenomen. Vervolgens wordt er per heading een heel aantal suggesties genoemd hoe je dat dan zou moeten doen. Als je die optelt, leidt dat ongeveer tot de helft van de doelstelling. Dat vond ik wel mooi: we moesten nog beginnen en toen hadden we de helft al gedaan. Daar hebben we natuurlijk ook een minister voor. Wij gaan hiermee door. Wij varen hier op het kompas van het Planbureau voor de Leefomgeving, want je moet ergens een objectieve controleur hebben. We zijn zeer ambitieus, maar we gaan nu geen instrumenten weggooien. Dit zal meerjarig zorgvuldig in kaart moeten worden gebracht. Ook GroenLinks heeft CCS gewoon in de plannen zitten. Het is niet nieuw, ook niet voor GroenLinks.

De heer Koffeman (PvdD):

In aanvulling hierop. Ik vind het interessant dat de minister-president zegt dat het kabinet geen instrumenten gaat weggooien. Betekent dat ook dat de beïnvloeding van CO2-vervuilend consumentengedrag tot de maatregelen kan behoren? Tot nu toe is daar eigenlijk weinig van vernomen. We weten dat producten uit de veehouderij een grote impact hebben op de CO2-uitstoot. Is het wat de minister-president betreft mogelijk om consumentengedrag zodanig te beïnvloeden dat daar ook CO2-bestrijding optreedt?

Minister Rutte:

Als hij een vleestaks bedoelt, dan willen wij dat niet. Als hij vraagt of ook de landbouwsector moet bijdragen aan de milieudoelstelling, dan is het antwoord ja. Zie ook de afspraken die we hebben gemaakt over de warme sanering van de varkenshouderij. Daar zijn ook gelden voor uitgetrokken.

De heer Koffeman (PvdD):

Dat is toch een merkwaardig vervolg op "we gaan geen instrumenten weggooien". De minister-president zegt daar meteen achteraan dat het kabinet geen vleestaks wil. Dat is toch een heel tegenstrijdig uitgangspunt, zou ik zeggen.

Minister Rutte:

Steun onder de bevolking voor wat we hier aan het doen zijn, is belangrijk. Wij willen echt breed draagvlak voor het beleid dat we voeren. Wij zijn geen voorstander van dat type maatregelen, nee. Dat klopt. Daar ben ik eerlijk over.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Koffeman.

De heer Koffeman (PvdD):

Tot slot, zeker. Voor het onder het kleed vegen van het vuil, dus het onder de bodem stoppen van je CO2, is ook geen draagvlak bij de bevolking. In die zin maakt u toch een beetje een arbitraire keuze, die doet vermoeden dat u toch een sector buiten schot wilt laten. Dat doet me het ergste vrezen.

Minister Rutte:

Nee, want de landbouw gaat gewoon bijdragen aan de CO2-reductiedoelstelling. Dat zal wel moeten; dat zit ook in de opstellingen van het PBL. Dat kan niet anders.

Het CDA heeft gevraagd naar nieuwe eilanden, verder weg voor de Hollandse kust, als verzamelpunt voor allerlei economische en energetisch schone activiteiten. De gezamenlijke topsectoren en de partijen achter het Zuid-Hollands Kustinitiatief hebben het idee geopperd van een ring van eilanden voor de kust van de Noordzee in 2030 — ik denk dat daaraan werd gerefereerd — voor wonen, werken, recreëren, voedsel, meer hernieuwbare energie en ook kustverdediging. Dat idee is onderdeel van een lopend project dat in 2018 tot voorstellen moet leiden. We hebben op dit moment dus nog geen nadere dingen, maar het staat in proces en we komen er dus vanzelf op terug. De ministeries van IenW en van EZK werken samen aan een strategische agenda voor de Noordzee, inclusief een uitvoeringsprogramma. Dit denken is onderdeel daarvan.

Voor de kolencentrales geldt dat de minister van Economische Zaken en Klimaat het parlement snel zal informeren over hoe hij de sluiting wil realiseren. Verder verwijs ik maar even kortheidshalve naar het regeerakkoord, waarin we heel specifieke politieke afspraken hebben gemaakt over dit punt.

De minister van Economische Zaken zal de Tweede Kamer nog een brief sturen waarin de gemiddelde energierekening voor huishoudens tussen 2017 en 2021 in kaart wordt gebracht, alsmede de doorwerking van het regeerakkoord hierin. De poging is om dit te doen voor de begrotingsbehandeling EZK, dus nog deze week.

Naar aanleiding van de mestfraude zijn vragen gesteld. Mag ik daarover opmerken dat het van belang is dat de Nederlandse veehouderij zich ontwikkelt binnen de milieurandvoorwaarden? Dat is een keuze die we als kabinet maken. Zo wordt een stelsel van fosfaatrechten ingevoerd om ervoor te zorgen dat de fosfaatproductie onder het afgesproken plafond blijft. De sector moet laten zien deze problematiek serieus te nemen. Ook voor het klimaatbeleid wordt, zoals ik al zei, een inzet gevraagd van deze sector. Naast gedragsmaatregelen betekent dat innovatie, bijvoorbeeld voor mestverwerking of precisielandbouw, om ontwikkeling binnen milieurandvoorwaarden mogelijk te maken. Er is veel gedaan aan verduurzaming van de landbouw. Desondanks moeten we vaststellen dat er nog maatschappelijke onrust is over de risico's. Samen met de land- en tuinbouw, de decentrale overheden en andere belanghebbenden zullen wij blijven investeren in verduurzaming. Ook in het regeerakkoord staan een aantal belangrijke maatregelen op dit punt.

Op dit punt was er een vraag over de normen. Tijdens een interpellatiedebat met deze Kamer heeft de minister van LNV toegezegd dat zij half december een actieplan naar de Kamer zal sturen. Wat er op dit punt is gebeurd, is schadelijk voor de hele sector. Daarom is het goed dat de overheid niet gelijk de verantwoordelijkheid naar zich toe trekt. Uiteraard zal de minister van LNV kritisch naar het plan van aanpak kijken om te zien of het voldoende is. Zij zal het plan ook met een appreciatie naar de Kamer sturen. Ze is samen met de minister van JenV aan het bekijken hoe de effectiviteit van de handhaving kan worden vergroot en de naleving kan worden verbeterd.

Tot slot is er een vraag gesteld over de taakverdeling rondom de Omgevingswet, de woningvoorraad et cetera, dus hoe wij planologisch met allerlei zaken omgaan. Eigenlijk is het heel simpel. De minister van Binnenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening en de Omgevingswet. Het klimaatbeleid in het kader van de samenhang van het energiebeleid is ondergebracht bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is integraal verantwoordelijk voor de landbouw, het natuurbeleid, het voedselbeleid en de regionale vraagstukken. Op deze manier denken we in goede samenhang en onderlinge samenwerking de grote vraagstukken die er liggen, ook op het terrein van de regio's, het hoofd te kunnen bieden.

Over de bescherming van erfgoed kan ik in de richting van het CDA zeggen dat dit een van de speerpunten is in het beleid van het kabinet. Een voorbeeld hiervan is de aanpak rond leegstand van historische agrarische gebouwen. Zonder herbestemming dreigen deze gebouwen verloren te gaan. Tegelijkertijd zien we dat zorginstellingen op zoek zijn naar betaalbare woonruimte voor verschillende doelgroepen. Het benutten van deze agrarische gebouwen voor zorgboerderijen is dus een win-winsituatie. Ook in steden staan monumenten die aanpassingen kunnen gebruiken voor een andere bestemming. Hierbij kun je ook kijken naar leegstaande kerken. Ook die krijgen speciale aandacht. Hier is natuurlijk ook geld voor uitgetrokken.

Tot slot kom ik nog even terug op het vraagstuk van het investeren in de woningmarkt. In reactie op een vraag van het CDA kan ik melden dat de minister van Binnenlandse Zaken op korte termijn in gesprek gaat met de regio's over de problematiek van de woningbouw in dichtbevolkte gebieden, maar ook de situatie in de verschillende regio's. Daarnaast is zij in gesprek met belangrijke stakeholders over het versnellen van de woningbouw. Dat is een belangrijke prioriteit, want naast een onverminderde inzet op het verhogen van de bouwproductie hecht het kabinet ook groot belang aan het beter benutten van de bestaande voorraad, de doorstroming en het komen tot meer inzet van flexibele vormen van wonen. Dat is simpelweg omdat we op de koopmarkt de spanningen zien toenemen. Er is veel vraag naar woningen, uiteraard ook door de lage rente. Zeker in regio's waar die spanning extra voelbaar is, is het van belang de woningproductie verder aan te jagen en zo veel mogelijk belemmeringen weg te nemen. Daar wordt door het kabinet hard aan gewerkt, maar uiteraard staat dat nog in de steigers.

Voorzitter, als niemand meer boos opspringt, heb ik alle vragen beantwoord.

De voorzitter:

Mevrouw Faber komt eraan hoor, pas op!

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Voorzitter, ik ben niet boos, maar ik mis nog wel een paar antwoorden op drie vragen. Ik had de minister-president gevraagd of hij op de hoogte was van de sterke vermoedens betreffende de opbrengst van halalproducten en de certificering daarvan, namelijk dat die zou kunnen worden ingezet door terroristische organisaties.

Minister Rutte:

Ja, ik had die vraag even overgeslagen, maar ik vind het prima om erop in te gaan. Als het gaat om terroristische organisaties, daarvoor zijn verschillende inkomstenbronnen mogelijk, uit toch vooral illegale activiteiten. Dit jaar nog zal de nationale risicoanalyse ten aanzien van terrorismefinanciering naar de Kamer worden gestuurd. De Financial Intelligence Unit geeft prioriteit aan het nader financieel in beeld brengen van mogelijke jihadisten en facilitators en brengt de relevante financiële relaties in beeld. Het Financieel Expertise Centrum heeft in samenwerking met andere organisaties sinds 1 februari 2015 een project dat zich richt op het bestrijden van terrorismefinanciering. We trekken 13 miljoen extra uit voor de strijd tegen het terrorisme. Dat zijn allemaal dingen die wij doen. De specifieke geldstroom waaraan wordt gerefereerd, herken ik niet.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

De minister-president herkent die niet, maar is hij bereid om die nader te onderzoeken? In Frankrijk heeft de halalmarkt een waarde van 7 miljard. Bij het kopen van halalvoeding gaat een deel van de prijs naar de Union of Islamic Organisations of France. Die organisatie heeft sterke banden met de Moslimbroederschap. In Amerika is er the Islamic Society of North America, de ISNA. Die geeft ook certificaten uit en die heeft banden met Hamas. Ik heb het niet over kleine jongens waar ze certificaten aan afgeven. Dat gebeurt bijvoorbeeld aan McDonalds, Walmart, Pizza Hut en Subway. Dat houdt in dat ook niet-moslims meebetalen aan halal. Stel dat het waar is dat een deel van deze omzet wordt ingezet voor terroristische activiteiten, dan betalen wij met zijn allen daaraan mee. Is de minister-president bereid om nader te onderzoeken of deze praktijken in Nederland voorkomen?

Minister Rutte:

Het is nog veel mooier, want juist via de Financial Intelligence Unit en het Financieel Expertise Centrum wordt permanent onderzoek gedaan naar terroristische financieringsstromen. Als dit een thema zou zijn, dan zal dat op enig moment opduiken. Maar we duiken niet specifiek in halal. Nee, wat je doet, is constant kijken naar verkeerde geldstromen. Dat lijkt mij veel verstandiger dan dat je op elk gerucht gaat reageren.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Is de minister-president bereid om de halalcertificering hierin mee te nemen?

Minister Rutte:

Nee, want ik heb helemaal geen aanleiding om me daar nu zorgen over te maken. Dat zou op een gegeven moment moeten oppoppen uit al het goede werk dat deze organisaties, de FIU en het FEC, doen. Als dan blijkt dat dingen niet deugen, dan kun je vervolgstappen zetten, maar we zitten nu al drie what if's verder.

De voorzitter:

Daar zult u het even mee moeten doen, mevrouw Faber, maar er is nog een tweede termijn.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik had nog twee vragen.

De voorzitter:

U kunt aangeven welke vragen nog niet zijn beantwoord. Dan komen de antwoorden in tweede termijn.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik had nog een vraag gesteld over de ongelijkheid tussen de korporaal met een buitenlandse partner bij Defensie en de Nederlandse minister.

Minister Rutte:

Korporaal?

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik wil het nog wel nader duiden.

Minister Rutte:

Nee, nee, we gaan … sorry.

De voorzitter:

En wat was uw tweede vraag?

Minister Rutte:

Ik zie ambtelijk ja knikken. De vraag wordt herkend. Ik ga proberen een antwoord te vinden.

De voorzitter:

En de tweede vraag.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik heb de minister-president een waslijst laten zien van zaken die de aanleiding waren om aangifte tegen hem te doen. Ik heb hem gevraagd of hij die waslijst van discriminaties tegen Nederlanders ongedaan zou willen maken.

Minister Rutte:

Het lijkt mij onjuist om mij te vermoeien met iets wat onder de rechter is. Dus dat doe ik niet.

De voorzitter:

Ik begrijp dat u klaar bent met uw antwoord in eerste termijn.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor de lunchpauze tot 13.45 uur, maar eerst nog twee mededelingen.

De commissie Financiën vergadert om 13.30 uur. De commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid vergadert om 13.45 uur.

De vergadering wordt van 13.09 uur tot 13.51 uur geschorst.


Bekijk de video van dit verslagpunt

Mededelingen

De voorzitter:

Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Ingekomen zijn vier beschikkingen van de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 30 november 2017:

één houdende aanwijzing van mevrouw L. Ploumen tot lid van de OVSE-Assemblee in plaats van de heer N.J. Schrijver;

één houdende aanwijzing van mevrouw K.A.E. van den Hul tot lid van de Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie;

één houdende aanwijzing van mevrouw L. Ploumen tot plaatsvervangend vertegenwoordiger in de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa in plaats van de heer N.J. Schrijver;

en één houdende aanwijzing van de dames J.G. Vlietstra en S. Belhaj tot plaatsvervangende leden van de Parlementaire Assemblee van de NAVO in plaats van mevrouw K.A.E. van den Hul en de heer S. Sjoerdsma.


Bekijk de video van dit verslagpunt

Hamerstukken

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PbEU, L 326) (Implementatiewet richtlijn pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen) (34688);

het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten strekkende tot aanpassing van enkele bepalingen betreffende de uitvoering van bijzondere opsporingsbevoegdheden en tot regeling van enkele bijzondere procedures van strafvorderlijke aard en aanverwante onderwerpen met het oog op een doeltreffende uitvoeringspraktijk (34720).

Deze wetsvoorstellen worden zonder beraadslaging en zonder stemming aangenomen.


Bekijk de video van dit verslagpunt

Algemene Politieke Beschouwingen

Aan de orde is de voortzetting van de Algemene Politieke Beschouwingen,

en de behandeling van:

het dossier Kabinetsformatie 2017 (34700);

de Nota over de toestand van 's Rijks financiën (Miljoenennota 2018) (34775);

het regeerakkoord 2017-2021 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie: Vertrouwen in de toekomst.

De beraadslaging wordt hervat.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik zie dat het kabinetsdetachement aardig is uitgedund. O, die zijn nog aan het lunchen … Wij zijn aan het werk.

We zijn toe aan de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik hoop dat iedereen weet hoeveel tijd hij of zij heeft. Het staat op de lijst, maar ik zal het ook nog even van tevoren zeggen.

Het woord is aan mevrouw Faber-van de Klashorst. Zij heeft max zeven minuten.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Voorzitter. De minister-president constateerde in zijn betoog dat Nederlanders vervreemden van hun eigen buurt door wat hij noemt gebrekkige integratie. Een typisch geval van: als het kalf verdronken is, wordt de put gedempt. Niet alleen in de eigen buurt, veel Nederlanders voelen zich vreemdeling in eigen land door de voortdurende massa-immigratie, en met name de islamisering. Volgens de premier hebben de problemen met allochtonen niets te maken met de islam, maar met integratie. De premier is ziende blind. Als de islam hier heerst, zal als eerste onze Grondwet worden vervangen door de sharia. We moeten juist de-islamiseren om onze Grondwet te beschermen.

De minister-president stelt dat alle randvoorwaarden zijn aangebracht om maximaal te profiteren van het economisch herstel. De vraag is wie er profiteert. Niet de gewone Nederlander, want die betaalt voor de btw-verhoging, voor de verhoging van de energienota met €190 tot in totaal €835 per jaar, die betaalt via de EU mee aan opnieuw 5 miljard euro voor de Grieken en aan het afschaffen van de dividendbelasting. Gelet op de opmerkingen van de VVD is er voor de afschaffing van de dividendbelasting blijkbaar niet zozeer gelobbyd door de grote multinationals, maar is die het gevolg van een keiharde lobby van Chileense omaatjes, die in Nederland aandelen willen kopen En ja, die aandelen kunnen deze Chileense omaatjes kopen dankzij de tientallen jaren Nederlandse ontwikkelingshulp aan Chili, terwijl het voor onze eigen Nederlandse omaatjes ondenkbaar is om geld in aandelen te kunnen steken. Hun pensioenen worden onder dit kabinet-Rutte III niet meer geïndexeerd. En niet alleen onze ouderen zijn de klos, alle Nederlanders hebben volgens Eurostat ingeleverd aan koopkracht, -6,4% maar liefst sinds 2008. Alleen Griekenland, Cyprus en Italië doen het beter. Kan de minister-president aangeven hoe dit zich verhoudt tot het jubelverhaal over de EU?

In mijn betoog heb ik aan de minister-president gevraagd of het moskeebestuur nog invloed zou krijgen in mediation. Daar zou hij op terugkomen. De vraag is wanneer hij daarop terug zal komen en hoe.

Betreffende de iftar is de PVV nog steeds van mening dat de politie niet samen hoort te gaan met de islam, en daarom dienen wij ook een motie in.

De voorzitter:

Door de leden Faber-van de Klashorst, Dercksen, Van Hattem, Ton van Kesteren, Peter van Dijk en Van der Sluijs wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de politie neutraliteit dient uit te stralen;

constaterende dat de politie in uniform aanschuift bij iftars en dat de politie zelf iftars organiseert;

van mening dat islam en de politie strikt gescheiden moeten zijn;

verzoekt de regering alle islamitische uitingen en handelingen te verbieden bij de politie,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter B (34775).

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Dan heb ik hier nog een motie, en wel betreffende halal. Wij zijn nog steeds van mening dat we nader moeten onderzoeken in hoeverre opbrengsten vanuit halal gebruikt kunnen worden door terroristische organisaties.

De voorzitter:

Door de leden Faber-van de Klashorst, Dercksen, Van Hattem, Ton van Kesteren, Peter van Dijk en Van der Sluijs wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat certificering van halalproducten een groeiende bron van inkomsten is voor islamitische organisaties in een markt ter waarde van meer dan 600 miljard dollar;

overwegende dat er in diverse media wordt beweerd dat een deel van deze inkomsten ingezet kan worden ter financiering van terroristische organisaties;

verzoekt de regering om nader te onderzoeken of er sprake is van deze vermeende praktijken in Nederland en de Kamer van de uitkomst zo spoedig mogelijk op de hoogte te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter C (34775).

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Betreffende het verzoek aan de minister-president om de discriminatie van Nederlanders recht te trekken, heb ik hier gisteren voor een deel een waslijst voorgelezen. Toen gaf de minister-president aan dat hij geen antwoord kon geven omdat de zaak onder de rechter is. Dat is toch wel een nieuwspuntje, want met dat antwoord zijn wij al heel blij. Daaruit blijkt namelijk dat het OM is overgegaan tot vervolging, want anders kan de zaak nooit onder de rechter zijn. De vraag aan de minister-president is of ik dat goed begrepen heb. Is de zaak aangenomen door het OM? Is men bij het OM bezig met vervolging? Graag een reactie van de minister-president. Ik dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Faber. Ik geef het woord aan mevrouw Jorritsma en zij heeft max 11 minuten.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):

Voorzitter. Ik zal proberen te voorkomen dat ik die op ga gebruiken. Laat ik beginnen met de minister-president zeer te bedanken voor zijn buitengewoon uitgebreide en heel complete beantwoording van de grote hoeveelheid vragen die op hem afgevuurd zijn. Met een flink aantal van de antwoorden zijn wij heel tevreden.

Ik begin met de opmerking die de minister-president heeft gemaakt over de attitude van de overheid. Vooral de woorden die hij sprak over het microgedrag en het macroverhaal spraken mij zeer aan, dus aan de ene kant de macht van de Staat en aan de andere het begrip van de mensen. Ik zou het initiatief van de mensen nog willen aanvullen, want ook dat is zo'n ding waar de overheid het vaak nog heel moeilijk mee heeft. Wij van de overheid denken altijd dat we iets beter weten dan mensen zelf. Het zou goed zijn als we daar ook heel anders naar gingen kijken. U treft in onze fractie een aantal oud-burgemeesters aan. Die zijn er overigens meer in deze Kamer. Een vraag die ik dikwijls aan mijn ambtenaren stelde in die tijd, was: als je zelf zo'n brief zou krijgen, hoe zou je dat vinden? En als je zelf iets minder hoog opgeleid was dan jij nu bent, zou je die brief dan nog begrijpen? Dat was meestal genoeg om de schrijver terug te sturen om het toch iets anders te gaan doen. Zo gaat het ook als mensen iets willen. Dan moeten wij — en met "wij" bedoel ik dan maar de hele overheid, ook gemeenteraden — af en toe ook bedenken dat we het misschien zelf ook anders zouden doen.

De voorzitter:

Maar mevrouw Jorritsma, u bent toch niet de overheid? U bent het parlement.

Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):

Ja, maar wij maken wetten in het overheidsdomein, laat ik het zo zeggen. Het probleem is natuurlijk dat wij hier wetten aannemen, en die wetten moeten juridisch verantwoorde wetsteksten bevatten. Daarna begint het pas. Dan moet de overheid die wetten gaan uitvoeren en met "de overheid" bedoel ik niet alleen de rijksoverheid, maar ook de provincie en ook de gemeenten. Dan volgt de vertaalslag naar uitvoeringsregels en naar "hoe breng ik dat mijn burgers". Onderweg daarheen gaat er ook nog steeds veel fout. Dan denk ik: daar moeten wij dus met elkaar ook alert op zijn als wij die wet maken, en nadenken over hoe dat in de gremia die het gaan uitvoeren op de goede plek terechtkomt. En dan heb ik het weer niet alleen over "de overheid", maar ook over maatschappelijke organisaties die dingen uitvoeren in opdracht van. Dat was de eerste opmerking over politiek en overheid.

De tweede opmerking die ik wil maken betreft de vraag die de heer Kox heeft gesteld over het onderzoek naar de wetgeving of de wijze waarop dat gedaan is. Wij hebben daar ook in de fractie over gesproken en wij zijn tot de conclusie gekomen dat het echt niet verstandig is om dat op dit moment te doen. Waarom niet? Er ligt nu een uitgebreid rapport van de commissie-Kuiken met heel veel aanbevelingen waarvan ik ook verwacht dat de minister — maar mag ik zeggen: de politieorganisatie zelf nog veel meer — voorlopig de handen vol aan heeft. En dat moet ook, want ja, er moeten nog veel dingen veranderen bij de politie en dat is maar goed ook. Ik heb zelf enige ervaring met organisaties die onderworpen werden aan een parlementair onderzoek of aan een parlementaire enquête. Wat er ook gebeurt, één ding is zeker: het verlamt een organisatie. Zeker bij de politie, die nu nog volop in beweging is en niet gesetteld is in de nieuwe situatie, zou ik zeer aarzelen of je wat dan ook moet doen om dat proces nou weer te gaan verstoren.

De heer Kox (SP):

Voor alle duidelijkheid: het onderzoek dat ik bepleit en waar ik sympathie voor heb gehoord bij verschillende andere fracties, is geen onderzoek naar de politie. Het is een onderzoek naar de rol van regering en parlement bij de totstandkoming van de wet op de nationale politie. Wij hebben met ons allen dat proces bedacht en vormgegeven en zijn er uiteindelijk mee geconfronteerd dat de uitkomst niet is wat wij hadden gedacht dat we geregeld zouden hebben. Wij gaan hier dus niet de hele politie over de vloer halen en ze ondervragen. Nee, we moeten gaan onderzoeken, net als in het eerste parlementaire onderzoek van de commissie-Kuiper is gedaan, wat de rol van regering en parlement in dit proces is geweest. In die zin denk ik dat de vrees van mevrouw Jorritsma dat dit de politie zou gaan verlammen, niet zou uitkomen. We zijn het er allebei over eens dat de politie nu vooral samen met de minister aan de slag moet om alles te doen wat nog gedaan moet worden.

Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):

Voor een deel is dat gewoon de wetgeving werkelijk implementeren. Die wetgeving is er namelijk wel, maar is nog lang niet volledig geïmplementeerd. Dus de vraag of de wet echt niet deugt, de vraag of het proces zoals regering en parlement dat destijds hebben doorlopen, werkelijk niet goed geweest is, kun je pas beantwoorden als al die voorstellen zijn uitgevoerd. In de voorstellen van de commissie-Kuiper zitten helemaal niet zo veel voorstellen om die wet weer te gaan veranderen. Die voorstellen gaan er met name over hoe je zorgt dat de doelstellingen van de wet, die hier uitgebreid besproken zijn, ook werkelijk gerealiseerd worden. Laten we dat dan toch eerst eens even doen! Als dan aan het eind van de rit blijkt dat het toch niet gaat zoals het nu in de wet is vastgelegd, dan hebt u een punt. Maar op dit moment vind ik het daartoe nog veel te vroeg. Nu zou je het eerder moeten hebben over de vraag — en dat heeft Kuijken al gedaan — wat hebben ze er eigenlijk mee gedaan en hoe moeten ze nu verder. Daar zijn ze mee bezig.

De heer Kox (SP):

Ik zal hier in mijn termijn nog even op terugkomen, mevrouw de voorzitter.

Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):

Prima. Dat was het tweede onderdeel.

Het derde waar ik nog iets over wil zeggen, is over de investeringsquota bij de krijgsmacht. De minister-president heeft gezegd dat de totale investeringsquote op het gewenste niveau is, maar mijn vraag was om dat per krijgsmachtonderdeel even aan ons te melden. Misschien kan dat nog gebeuren.

Ten slotte zult u begrijpen, voorzitter, dat ik blij ben dat de zinnen die in het regeerakkoord staan opgeschreven over de staatscommissie slechts zinnen in het regeerakkoord zijn, maar geen wijziging van de opdracht die de staatscommissie heeft gekregen. Daar zou ik het bij willen laten. Ik wens het kabinet veel sterkte en veel succes bij het uitvoeren van de enorme opdracht die vastgelegd is in het regeerakkoord. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Jorritsma. Ik geef het woord aan de heer Kox. Hij heeft maximaal vier minuten.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Kox (SP):

Mevrouw de voorzitter. Ik bedank de minister-president voor zijn uitgebreide beantwoording. Ik bedank de leden van het kabinet voor hun uitgebreide geduld om hier bij ons te zijn. En ik bedank de collega's voor wat, denk ik, over het algemeen een nuttig en plezierig debat is geweest. Ik wil in mijn termijn nog kort bij een viertal punten stilstaan.

Ten eerste, ook in reactie op mevrouw Jorritsma, kom ik terug op het voorstel om een parlementair onderzoek te doen naar de invoering en uitvoering van de wet voor de nationale politie, en alles wat daarbij komt, zeg ik tegen mevrouw Barth. Ik denk dat de minister-president een goed voorstel heeft gedaan toen hij zei: laten we eerst de appreciatie van het kabinet door minister Grapperhaus afwachten, die in het voorjaar komt. Ik mag hopen dat het in het vroege voorjaar is, dus niet ergens in juni, maar in februari of maart. Op dat moment kan deze Kamer besluiten over de wenselijkheid en de noodzaak om dit tweede parlementair onderzoek te doen. Ik denk dat we daar wel uit komen. Ik denk ook dat dit parlementair onderzoek ondersteuning van de regering en verdere ondersteuning van ons eigen werk is. Ik kom daar te zijner tijd op terug, hopelijk met zo veel mogelijk andere collega's.

Ten tweede is het fijn om te horen dat de minister-president bereid is om in het kader van de toegang tot het recht en de rechtshulp na te gaan of de middelen die de commissie-Van der Meer verlangt voor de gefinancierde rechtshulp, ook afdoende zijn, en daar zo nodig verder naar te kijken. Daarvoor dank.

Een derde onderwerp waarover ik mij dezer dagen heb uitgesproken, net als anderen, is dat er iets niet goed gaat met de aanpak van armoede onder kinderen. We willen het met z'n allen aanpakken, maar slagen er niet in om het getal omlaag te krijgen. Vandaag heeft de Kinderombudsman gezegd dat het aantal op 378.000 ligt. Dat is geen daling. We krijgen het niet voor elkaar. Ik denk dat we van een inspanningsverplichting naar een prestatieverplichting moeten. De eerste stap daarin zou zijn om met een beleid te komen dat daadwerkelijk inzet op het reduceren van de armoede. Voor alle duidelijkheid, deze motie vraagt niet om meer geld. De minister-president zegt dat we geld voorhanden hebben. De gemeenten hebben geld voorhanden. De methodiek moet aangepast worden, zoals de Sociaal-Economische Raad ons ook heeft voorgesteld. Daarom wil ik graag de volgende motie indienen.

De voorzitter:

Door de leden Kox, Barth, Strik, Koffeman, Nagel en Ten Hoeve wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat één op de negen kinderen in armoede opgroeit, zoals wordt beschreven in het rapport "Alle kinderen kansrijk" van 5 december 2017 van de Kinderombudsman;

constaterende dat ondanks alle beleidsinspanningen op landelijk en lokaal niveau armoede onder kinderen niet daalt, en momenteel op 378.000 kinderen staat;

overwegende dat de Sociaal-Economische Raad op uitnodiging van deze Kamer voorstellen heeft gedaan hoe ervoor te zorgen dat kinderen in Nederland niet meer in armoede hoeven op te groeien;

overwegende de aanbeveling van de SER om beleid te voeren teneinde het aantal kinderen in armoede met een bepaald percentage structureel te verlagen;

verzoekt de regering om in lijn met deze aanbeveling tot een voorstel voor een reductiedoelstelling te komen, en daarmee de armoede onder kinderen daadwerkelijk te verlagen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter D (34775).

De heer Brinkman (CDA):

Mag ik de indiener van de motie een vraag stellen, voorzitter?

De voorzitter:

Ga uw gang, meneer Brinkman.

De heer Brinkman (CDA):

U hebt een sympathiek doel voor ogen; daarover geen misverstand. Ik heb zelf alleen verstand van kleinkinderen, maar ik laat mij door mensen die er veel verstand van hebben, vertellen dat de werkers in het veld in de praktijk nog weinig of te weinig gebruik lijken te maken van de voorzieningen die er gelukkig zijn; ik druk mij voorzichtig uit. Omdat u het over een stappenplan hebt, vraag ik u: is het ook denkbaar dat we eerst eens beginnen met een aanmoediging aan de regering en met een verzoek om te kijken of hier wat beter gebruikt van gemaakt kan worden door die betreffende professionals en vrijwilligers? Dan kunnen we daarna een rapportage krijgen en dan eens bekijken hoever we zijn, in plaats van als het ware aan de andere kant te beginnen en nu getallen te roepen terwijl we helemaal niet weten of dat lukt en waar we uitkomen.

De heer Kox (SP):

Wat collega Brinkman voorstelt, moeten we zeker doen. Dat doen we voor een deel ook al, op nationaal en lokaal niveau. Dat kan nog beduidend beter. Daar is recent weer onderzoek naar gedaan. Ik begin niet met iets nieuws. Onze motie volgt op iets wat we hier al eerder Kamerbreed uitgesproken hebben. We hebben namelijk de Sociaal-Economische Raad, ondersteund door het Sociaal en Cultureel Planbureau, gevraagd om ons te vertellen hoe we de kinderarmoede effectiever kunnen reduceren. De Sociaal-Economische Raad komt in zijn rapport met dit voorstel. Ik stel dus voor om de regering te vragen om te doen wat de Sociaal-Economische Raad op onze uitnodiging op papier heeft gezet. We moeten komen tot een kwantitatieve reductiedoelstelling om van de inspanningsverplichting een prestatieverplichting te maken. De minister-president zegt dat hij daar niet zo van is, maar volgens mij moet het wel gebeuren. En "volgens mij" betekent hier "volgens de Sociaal-Economische Raad", die onze adviseur op dit punt is. Ik verzin dus niks nieuws en zeg ook niet dat het kabinet met nieuwe bakken geld moet komen. De minister-president heeft gezegd dat hier in het regeerakkoord meer geld voor wordt uitgetrokken. Ook bij de gemeenten is hier veel geld voor voorradig. Het gaat over de methodiek. Als een adviesorgaan als de Sociaal-Economische Raad ons adviseert om het zo te doen, denk ik dat wij dat aan de regering mogen vragen. Voor zover er in het CDA-kamp zorgen mochten zijn of we weer iets nieuws beginnen: nee, het is het vervolg op een beslissing die we hier genomen hebben en een advies dat we hebben gekregen van de Sociaal-Economische Raad. Dit is een derde stap.

Mevrouw Barth (PvdA):

Mag ik de heer Kox nog een vraag stellen over de motie? Onlangs is gebleken uit een onderzoek — ik heb even niet paraat van wie — dat het extra geld dat het vorige kabinet voor dit doel heeft uitgetrokken en dat voor een belangrijk deel naar de gemeenten is overgemaakt, door opnieuw een belangrijk deel van de gemeenten niet aan dat doel is besteed. Is het dictum van de motie van de heer Kox ook bedoeld om een antwoord te bieden op dat probleem, zodat de vrijblijvendheid van de inzet van die middelen er voor de gemeenten een beetje af gaat omdat we gaan werken met resultaatverplichtingen?

De heer Kox (SP):

Ik denk dat dat een van de conclusies kan zijn. We moeten de autonomie van de gemeenten natuurlijk hoogachten, maar de regering zou kunnen zeggen: "We gaan het nu echt kwantificeren. Zo willen wij van deze schande in de eenentwintigste eeuw af. Dat betekent dat de middelen die wij daarvoor beschikbaar stellen aan de gemeenten, ook daarvoor ingezet moeten worden. Wij begrijpen de noden van de gemeenten op alle mogelijke terreinen, maar deze middelen zijn bedoeld om ingezet te worden tegen de grote schande dat in dit land met sinterklaas 378.000 kinderen in armoe leven." Daar zijn we het erg over eens.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik heb twee vragen hierbij. U heeft gezien dat dit kabinet een nieuwe inspanning pleegt, bijvoorbeeld ook op het gebied van schuldhulpverlening. Heel veel armoede komt voort uit situaties waarin ouders schulden hebben, maar er wordt nu een nieuwe inzet gepleegd. Hoe waardeert u dat? Ten tweede is dit gemeentelijk beleid. U zegt dat er een reductie moet plaatsvinden. Hoe stelt u zich dat voor? Moeten we gemeenten aantallen gaan voorschrijven? Dit wordt een beetje ingewikkeld, denk ik.

De heer Kox (SP):

De partij van de heer Kuiper heeft mede steun gegeven aan de beslissing van deze Kamer om de Sociaal-Economische Raad te vragen om advies hoe we dit moeten doen. Dit is dat advies van de Sociaal-Economische Raad. U kunt de rapportages erop nalezen: de constatering is dat we met z'n allen ongeveer hetzelfde willen, maar we komen er niet toe omdat we niet zeggen in welke stappen we dat gaan doen. De gemeenten doen hun best, het Rijk doet z'n best en het maatschappelijk middenveld doet z'n best, maar we moeten gaan afspreken hoe we dat daadwerkelijk in getallen gaan omzetten. De getallen zijn hier wél belangrijk, want ze dalen niet, maar stijgen soms.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Dat is correct, maar mijn fractie geeft ook steun aan de aanpak van dit kabinet, waar ik wel degelijk een heel nieuw initiatief in zie.

De heer Kox (SP):

Ik zie in de motie zoals ik die voorleg op geen enkele manier een confronterend punt met wat de regering zegt. In het regeerakkoord wordt één keer genoemd dat we ook de armoede onder kinderen moeten aanpakken. U hebt dat zelf al geconstateerd. De minister-president heeft hier in zijn toelichting meer over gezegd. Volgens mij is dat allemaal goed, maar we moeten met elkaar, op voorstel van de regering, afspreken in welke stappen we die 378.000 kinderen daadwerkelijk uit de armoede gaan halen. Goede bedoelingen en veel inspanningen voldoen op dit punt niet. We moeten hier echt gaan scoren. De Kinderombudsman heeft vandaag ook weer gezegd welke gevolgen armoede allemaal heeft. Als je begint in armoede, dan is de kans op een ongelukkig en weinig productief leven enorm groot. Dat moeten we met zijn allen niet willen en dat willen we met zijn allen ook niet. Ik stel voor om met deze motie uit te voeren wat de Sociaal-Economische Raad ons heeft geadviseerd.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Kox.

De heer Kox (SP):

Voorzitter, …

De voorzitter:

O, ik dacht dat u al klaar was en dat u dit zo …

De heer Kox (SP):

Nee, ik heb nog 1 minuut en 23 seconden. We hebben veel gesproken over Nederland — er is ook veel over Nederland te zeggen — maar Nederland is geen eiland. Het is door diverse sprekers gezegd. Ik dank de minister-president voor zijn bereidheid om nog eens na te zien wat de mogelijkheden zouden zijn om die twee andere Europese organisaties, Raad van Europa en de OVSE, wat meer speelruimte te geven, gezien ook het specifieke belang dat zij hechten aan mensenrechten, vrede en veiligheid. Ook wil ik de Kamer een motie voorleggen. De regering heeft in het jaar dat ons land vertegenwoordigd zal zijn in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, unieke kansen om het voortouw te nemen op een aantal punten. Ik doe daarom een verzoek met betrekking tot de inspanningen van de regering rondom het antikernwapenverdrag.

De voorzitter:

Door de leden Kox, Nagel, Ten Hoeve, Barth, Strik, Koffeman en Teunissen wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het regeerakkoord toezegt dat de regering zich actief zal inzetten voor een kernwapenvrije wereld;

in aanmerking nemend dat de Internationale Campagne tot Afschaffing van Kernwapens op 10 december 2017 de Nobelprijs voor de Vrede krijgt uitgereikt;

gezien het feit dat de Nederlandse regering heeft besloten het VN-Verdrag tot afschaffing van kernwapens (nog) niet te ondertekenen wegens veronderstelde strijd met de verplichtingen van het NAVO-lidmaatschap en wegens het mogelijke effect van uitholling van het non-proliferatieverdrag;

overwegende dat Nederland als tijdelijk lid van de Veiligheidsraad in 2018 een bijzondere mogelijkheid krijgt om een voortrekkersrol te vervullen;

verzoekt de regering om te onderzoeken op welke punten de verplichtingen die voor Nederland voort zouden vloeien uit ratificatie van het VN-Verdrag tot afschaffing van kernwapens, verschillen van de verplichtingen die Nederland is aangegaan als ondertekenaar van het non-proliferatieverdrag;

verzoekt de regering voorts om te onderzoeken op welke punten de verplichtingen die voor Nederland voort zouden vloeien uit ratificatie van het VN-Verdrag tot afschaffing van kernwapens conflicteren met de Nederlandse verplichtingen onder het NAVO-verdrag, en daarover de Kamer te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter E (34775).

De heer Kox (SP):

Mevrouw de voorzitter. Mag ik mijn laatste 35 seconden dan gebruiken om iedereen een fijne sinterklaas te wensen? Ik hoop dat iedereen in zijn schoentje vindt wat hij of zij gevraagd heeft. Mocht er misschien iets overdadigs in dat schoentje zijn beland — dat heb je in deze consumptiemaatschappij nogal eens — wijs ik iedereen op het bestaan van allerlei lokale initiatieven die dingen die heel fijn zijn maar die jezelf niet nodig hebt, onderbrengen bij organisaties die de kortste weg weten naar bijvoorbeeld de kinderen die sinterklaas vandaag helaas toch weer voorbijloopt. Als we dat allemaal zouden doen, maken we daar in ieder geval weer een paar kinderen gelukkig mee.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Kox.

Ik geef het woord aan de heer Brinkman. Hij heeft twee minuten spreektijd.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Brinkman (CDA):

Mevrouw de voorzitter, daar komt u ruim mee weg. Ik vind dat de minister-president vertrouwenwekkende woorden heeft gesproken over wat hij van plan is. Wat ons betreft mag hij daar voor 16.00 uur met zijn kabinet naar op weg. Dan zullen we hem nog vaak hier zien, zeker nu we weten dat hij deze Kamer niet wil afschaffen.

Ik heb nog maar één vraag. Het gaat dan altijd om de dingen die niet zijn toegezegd of die niet meer aan de orde zullen komen. De minister-president zegt: we zijn met de SER bezig over de oudedagsvoorziening, de aanvullende pensioenvoorziening, en u hoort nog wel nader. Dat debat wordt al een paar jaar gevoerd, en ik vraag mij eigenlijk af of er ook wel een plan B is. Dat wilde ik eigenlijk nog zeggen, mevrouw de voorzitter. Ik wil de minister-president en zijn kabinet veel sterkte wensen in de komende tijd.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Brinkman. Ik geef het woord aan mevrouw Barth, die vier minuten spreektijd heeft.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Barth (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ook ik wil graag de minister-president bedanken voor zijn uitgebreide beantwoording. Voor een heel groot gedeelte kunnen wij daar ook prima mee verder, maar ik heb nog een aantal punten. Het eerste gaat over het niet overdragen van de politie aan het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daar maakte de minister-president zich met alle respect toch een beetje makkelijk van af. Hij zei: wij hebben een politieke afweging gemaakt. En dat was het dan. Wij vinden dat een risicovolle politieke afweging, want die mammoettanker van Justitie en Veiligheid blijft zo bestaan, en de checks-and-balances in het politiebestel zijn wat ons betreft op die manier niet goed neergezet. De politie moet niet alleen boeven vangen maar ook de openbare orde handhaven. Dat vergt inbedding in de lokale samenleving en inzet op de sociale taak van de politie. Wij zullen het kabinet op dit onderwerp dus kritisch blijven volgen, en dat zal wat ons betreft zeker terugkomen in de reactie op het rapport-Kuiken en het debat in dit huis over de rechtsstaat.

Voorzitter. Dan de eerste lijn in de gezondheidszorg. We naderden elkaar heel dicht, maar ik hoorde net niet de paar toverwoorden waar ik echt blij van zou zijn geworden, namelijk: regie, coördinatie en een heel proactieve houding. Ik heb er even aan gedacht om daarover een motie in te dienen, maar dat zou weer geen rechtdoen aan de mate waarin de minister-president mij in de eerste termijn tegemoetgekomen is. Daarom vraag ik de minister-president of hij ons hierover een brief zou willen sturen, waarin hij zou kunnen aangeven hoe de regie in, en de coördinatie op die eerste lijn in de zorg eruit gaat ziet. Dan geef ik de minister-president ook maar even mee: ik heb hem in zijn eerste termijn drie, vier, misschien wel vijf keer horen zeggen dat hij geen brieven aan ons wil sturen, want dat zou het ambtelijk apparaat te veel belasten. Ik moet eerlijk bekennen dat ik dat een storend vlekje op de hoge kwaliteit van de beantwoording van de minister-president vond. Want zeker hier in de Eerste Kamer zijn wij voor onze informatievoorziening toch echt voor een groot deel afhankelijk van het kabinet. En de ambtelijke ondersteuning die het kabinet heeft, is toch echt vele, vele, vele malen groter dan de ambtelijke ondersteuning die wij in de Eerste Kamer hebben. Dus ik hoop dat de minister-president bereid is om die brief over de coördinatie in de eerste lijn naar ons te sturen.

Voorzitter, dan mijn laatste punt: de btw en de koopkrachtplaatjes. Ik heb die koopkrachtplaatjes nog eens nagekeken. Dat is natuurlijk een mer à boire waarin je kunt shoppen en waaruit je kunt halen wat je van pas komt. Dat heeft de minister-president vanochtend ook echt gedaan. Hij geeft aan dat de ginicoëfficiënt licht daalt, maar in een mooi blauw boekje dat wij vandaag in onze postvakjes vonden, geeft het kabinet weer aan dat er "gekeken naar inkomensuitersten sprake is van een lichte stijging van de ongelijkheid". Dat zijn dus, zoals ik in mijn eerste termijn aangaf, bewegingen zowel de ene kant als de andere kant op. Daarmee ontbreekt het aan de eenduidigheid in de plaatjes, zoals wij die graag zouden willen zien. Zo'n btw-verhoging moet 2,5 miljard opleveren. Dat is een fikse maatregel die, zo heb ik geprobeerd aan te geven, niet alleen effecten zal hebben op de koopkracht en op lastenverlichting of lastenverzwaring maar die ook maatschappelijke effecten zal hebben. En omdat wij toch wel heel graag zouden willen dat die maatschappelijke effecten goed in beeld worden gebracht, dien ik de volgende motie in.

De voorzitter:

Door de leden Barth, Kox, Strik, Nagel en Koffeman wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in het regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst een verhoging van het lage btw-tarief is opgenomen zonder nadere inhoudelijke toelichting;

overwegende dat verhoging van het lage btw-tarief risico's met zich meebrengt voor de concurrentiepositie van zelfstandige winkeliers, met name in krimpgebieden en grensregio's;

overwegende dat ook toegangsprijzen van theaters en musea worden beïnvloed door de stijging van het lage btw-tarief;

overwegende dat boekhandels extra getroffen kunnen worden door een verhoging van het lage btw-tarief omdat zij nu al met bijzonder lage marges werken, moeten concurreren met verkoop via internet en vanwege de vaste boekenprijs weinig tot geen bewegingsruimte hebben in hun beprijzing;

overwegende dat gezond gedrag niet gestimuleerd wordt als onder invloed van de btw-verhoging prijzen van gezonde voeding en sport omhooggaan;

verzoekt de regering om in overleg met de betrokken sectoren te komen tot een analyse van de maatschappelijke gevolgen van de btw-verhoging, daarbij expliciet aandacht te besteden aan de positie van zelfstandige winkeliers in krimp- en grensregio's, de cultuursector inclusief boekhandels en dagbladen en preventie van ongezond gedrag,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter F (34775).

Mevrouw Barth (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil de minister-president met deze motie nog eens het volgende meegeven. Hij heeft in het regeerakkoord en in dit debat aangegeven dat hij de oppositie maar ook de sociale partners een uitgestoken hand wil reiken. Zo'n impactanalyse van de btw-verhoging wordt ook gevraagd door de sociale partners, dus als de minister deze motie een positief onthaal geeft, slaat hij twee vliegen in één klap. Ik hoop dat hij bereid is dat te doen.

Dank u wel.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik heb nog een vraag hierover. Staat deze motie in het kader van een afwijzing van de maatregel op zichzelf? Of schort u uw oordeel over de btw-verhoging op, in afwachting van bijvoorbeeld het onderzoek dat u vraagt?

Mevrouw Barth (PvdA):

Wij zijn bezorgd over deze maatregel. Dat mag uit de eerste termijn in dit debat gebleken zijn. We staan er dus niet bij te trappelen, maar ik vraag in de motie heel nadrukkelijk om een onderzoek, juist om de merites van de maatregel waar we pas volgend jaar over hoeven te beslissen, echt goed te kunnen wegen. Als ik nu mijn mind al opgemaakt had, hoefde ik niet om dat onderzoek te vragen.

De voorzitter:

Dank, mevrouw Barth. Ik geef het woord aan de heer De Graaf. U hebt drie minuten.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer De Graaf (D66):

Dank voorzitter, dan zal ik opschieten. Laat ik om te beginnen, niet bij wijze van platitude, de minister-president zeer bedanken voor de volledige en ook uitgebreide beantwoording namens zijn kabinet. Het was een buitengewoon plezierige beantwoording. Ik vat het maar even samen als een soort motto voor het nieuwe kabinet: realistisch, pragmatisch, een vleugje elan en zelfs met visie. Dat doet deugd.

Voorzitter. De minister-president sprak over de paradox, die ik maar kort samenvat als "hoe meer polarisatie, des te groter de verantwoordelijkheid voor partijen om op draagvlak aan te sturen". Ik kan dat zeer onderschrijven. Ik zou menen dat dit ook de opdracht is van ons allen: waar mogelijk zoeken naar de overeenkomsten en niet naar de verschillen.

Ik wil de minister-president ook een compliment geven voor de duidelijke en genuanceerde manier waarop hij een inclusieve samenleving vooropstelde, mede ter afwijzing van de woorden van de PVV-fractie.

De uitleg van de minister-president over de lastenverlichting was wat mij en mijn fractie betreft helder, waarvoor dank, ook als het gaat om het mkb en de winkeliers waarover de Partij van de Arbeid op zichzelf natuurlijk terecht zorgen kan hebben. Die begrijp ik ook, maar ik heb nog niet de indruk dat het totaal van het lastenverlichtingspakket het voor die winkeliers moeilijker zou maken. Ik wacht graag de beoordeling van de motie van mevrouw Barth door het kabinet af.

Voorzitter. Ten vierde. Ik heb de minister-president wat weinig gehoord over de urgentie om de samenleving te snappen als het gaat om de staat van de democratie. Natuurlijk gaat het over die staatscommissie, maar ik denk dat wij een urgentere en grotere opdracht hebben dan alleen af te wachten waarmee de staatscommissie komt. Ik vraag ook zeer nadrukkelijk aan het kabinet, zelfs als de minister-president even in gesprek is met de minister van Sociale Zaken, om te focussen op het element van het vergroten van democratisch draagvlak en het zoeken naar nieuwe wegen om die verbinding tussen burger en politiek bestuur te versterken.

Voorzitter. Tot slot nog een vraag over de wietteeltexperimenten. In mijn eerste termijn heb ik er zelf niet over gesproken. Wij wachten graag de wetgeving af, maar ik heb nog wel een vraag. Een aantal burgemeesters heeft gevraagd om gedifferentieerde experimenten — niet uniform, maar gedifferentieerd, zodat ook echt kan worden uitgetest wat het beste werkt. Dat kan in de ene stad anders zijn dan in de andere. Ik wil de minister-president vragen om daar niet bij voorbaat afwijzend tegenover te staan, maar juist te kijken of in overleg met de burgemeesters tot een verantwoord pakket aan experimenten kan worden gekomen.

Daarmee, voorzitter, rond ik mijn laatste seconde af.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer De Graaf. Ik geef het woord aan mevrouw Strik. U hebt twee minuten.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter, dank u wel. Dank aan de premier voor zijn beantwoording. Het is goed om hem te horen praten over de uitgangspunten en ambities van het kabinet. Maar gelet op de beantwoording van de concrete vragen, heeft het debat ons nog niet meer vertrouwen in de toekomst gegeven wat betreft het overheidsbeleid. De inclusieve samenwerking die het kabinet zegt na te streven, is wat ons betreft te weinig vertaald in beleid. Denk aan onderwijs-, inburgerings-, arbeidsmarkt- en inkomensbeleid. We hebben even gesproken over de inkomensplaatjes en de koopkrachtontwikkeling. Daarbij bestreed de premier dat de laagste inkomens er het slechtst van af komen. Ik wil toch nog een keer wijzen op de CPB-doorrekening, waarin duidelijk staat dat de laagste groep vanwege het beleid op 0,6% koopkrachtontwikkeling zit, terwijl de volgende alweer op 0,9% zit. Als je dat vertaalt in absolute bedragen, zit er toch een behoorlijk fors verschil in. Zeker als je het basispad, de algehele ontwikkeling, bekijkt, zie je nog steeds een verschil tussen 0,8% en 1,4%. Het is dus wel degelijk zo dat de laagste inkomens het minst profiteren.

Onze zorg gaat het meest uit naar de meest kwetsbare mensen op de arbeidsmarkt. We hebben bedenkingen bij de effecten van de maatregelen van het kabinet. We zijn blij met de toezegging van de minister-president om daarop toe te zien. Hij zou dit nog nader vormgeven in zijn tweede termijn, maar voor de zekerheid dient mijn fractie hierover een motie in. Die kunnen we altijd nog intrekken als er alsnog langs deze lijnen een toezegging volgt.

De voorzitter:

Door de leden Strik, Kox, Teunissen, Koffeman, Ten Hoeve en Nagel wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het kabinet zegt in te zetten op een inclusieve samenleving en dat onder meer vertaalt in maatregelen om de arbeidsparticipatie te verbeteren van mensen met een beperking, arbeidsongeschikten en Wajongers;

overwegende dat beoogde maatregelen in het regeerakkoord veelal neerkomen op minder financiële zekerheden voor mensen in een kwetsbare positie, zoals in elk geval door:

de aanscherping van het schattingsbesluit waardoor meer mensen hun WIA-uitkering verliezen;

de vervanging van de loonkostensubsidie door loondispensatie waardoor mensen met een arbeidsbeperking onder het wettelijk minimumloon betaald kunnen worden;

het schrappen van het recht op arbeidskorting en IACK voor mensen in de ziektewet;

het verlagen van de Wajong-uitkering;

verzoekt de regering om over maximaal drie jaar een evaluatie te houden naar de effecten van de maatregelen op de feitelijke inkomenspositie en de arbeidsparticipatie van de genoemde groepen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter G (34775).

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter. Wij achten dit van belang, omdat een individuele wetsevaluatie nog steeds niet het totaaloverzicht geeft van de effecten voor kwetsbare mensen op de arbeidsmarkt.

Bij ons ontbreekt het vertrouwen dat de groene ambities van het akkoord echt gerealiseerd gaan worden. Zo is becijferd dat het akkoord maar de helft van de 49% realiseert en leunt het pakket ook nog eens heel zwaar op een onrealistisch plan voor massale CO2-opslag. Dus om het kabinet een duwtje in de juiste richting te sturen en het de eigen ambities serieus te laten nemen, dienen wij de volgende motie in.

De voorzitter:

Door de leden Strik, Koffeman, Kox, Barth en Vos wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland het klimaatverdrag van Parijs heeft geratificeerd en daarmee dient te streven naar een opwarming van de aarde van niet meer dan 1,5ºC;

overwegende dat de nationale klimaatplannen die deze regering vaststelt de basis vormen voor het behalen van milieudoelstellingen op de lange termijn;

constaterende dat het Planbureau voor de Leefomgeving heeft vastgesteld dat de maatregelen in dit regeerakkoord slechts de helft van de daarvoor benodigde emissiereductie realiseren;

verzoekt de regering op korte termijn met een pakket aan maatregelen te komen dat leidt tot realisatie van de benodigde emissiereductie en zo de CO2-uitstoot voor 2030 met minimaal 49% verlaagt,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter H (34775).

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter. Rest mij nog te zeggen dat ik blij ben met de toezegging om onderzoek te doen naar de rechtsbijstand en naar verdere ondersteuning van de Raad van Europa.

Ik wens de regering veel succes met het regeren en met de grote verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat ons land van al onze inwoners is.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Strik. Ik geef het woord aan de heer Kuiper. Hij heeft twee minuten.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Ook mijn fractie dankt de minister-president voor de voortvarende beantwoording van de vragen. Die heeft ons zeer aangesproken, zeker wat aan het begin van dit debat is gezegd over de relatie tot de samenleving. Op een gegeven moment zei de minister-president: ik zeg toe dat we gaan kijken hoe we van wat verspreid over het regeerakkoord staat over de relatie overheid-burger, en dan in het bijzonder de attitude van de overheid en de werkzaamheden van uitvoeringsorganisaties zoals inspecties en dergelijke, toch een soort samenhangende aanpak kunnen maken, mede in samenspraak met BZK, dat een coördinerende rol heeft. Ik zie daar zeer naar uit. Ik doe daar nog een suggestie bij. In 2014 heeft het kabinet in reactie op een WRR-rapport over de staat van het toezicht gezegd dat er reflectie zou moeten plaatsvinden bij inspecties en uitvoerende diensten in samenspraak met het veld en de overheid. Misschien kunnen we het resultaat daar nu van krijgen. Ik krijg daar graag een reactie op.

De passage in het regeerakkoord waar mevrouw Jorritsma ook al over begon, raakte ons ook. Het gaat dan om de bewoordingen over een kiesstelsel dat verbonden wordt met de Tweede Kamer, maar waarbij ook de positie van de Eerste Kamer ergens genoemd. Ook hier zou de minister-president op terugkomen. Wij zien uit naar dat antwoord, maar als het zo is zoals mevrouw Jorritsma hier zelf heeft gezegd, namelijk dat er uit die passage in het regeerakkoord geen nieuwe opdracht voortvloeit voor de staatscommissie, dan is dat allemaal klaar.

Het antwoord op een vraag van de heer Schalk en ook van ons over defensie ging even heel snel. We zitten wel met het probleem dat in 2014 in Wales toch echt is afgesproken dat in tien jaar tijd toegewerkt zal worden naar de NAVO-norm van 2%. Elke keer als wij een debat voeren over defensie, komt dat hier ook voorbij. Het antwoord dat er wel ambitie, maar eigenlijk verder geen financiële ruimte is, is onbevredigend als we tegelijkertijd de handtekening onder akkoorden hebben staan waarin we zeggen dat we dit zullen doen. Ik dacht dat er nu juist meer financiële ruimte was. Ik zou daarom graag willen horen hoe we toch gaan bewegen in de richting van die NAVO-norm.

Ik heb nog precies nul minuten spreektijd over, voorzitter. Ik dank het kabinet voor de beantwoording en ik wens het veel sterkte met zijn werkzaamheden.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Kuiper. Ik geef het woord aan u, meneer Koffeman. U heeft drie minuten spreektijd.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Koffeman (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Ik dank de minister-president voor de beantwoording van onze vragen in de eerste termijn. Ik vond het bijzonder om te vernemen dat de minister-president meent dat het corporatisme zou passen in de traditie van liberale partijen als VVD en D66. Voor zover ik weet, druist het corporatisme juist in tegen de liberale visie van individuele burgers die zelf bepalen …

Minister Rutte:

Dat heb ik niet gezegd.

De heer Koffeman (PvdD):

O, oké, oké, dan heb ik u verkeerd begrepen. Heel goed.

Zoals de minister-president weet, zijn er steeds meer klachten over de bestuurlijke stille revolutie die zich op dit moment voltrekt in de vorm van grote aantallen akkoorden, deals en convenanten over de meest uiteenlopende maatschappelijke thema's. Ik zou het fijn vinden als de minister-president daar toch iets meer over zou kunnen zeggen, met name over de uitholling van de democratische controle die daaruit voortvloeit. Ik heb in mijn eerste termijn gesproken over het convenant over onverdoofd ritueel slachten, mestakkoorden, energieakkoorden en sport- en preventieakkoorden. Misschien kan de minister-president toch wat nader reflecteren op de democratischecontrolemogelijkheden, want die nemen daardoor voor ons af.

Het tweede punt, dat maar beperkt aan de orde is geweest, is de invloed van de lobby van het grootbedrijf op de afschaffing van de dividendbelasting. Hoe groot is de invloed van bedrijven als Unilever en de keuze voor de vestigingsplaats van hun Europese hoofdkantoor nou eigenlijk op de afschaffing van de dividendbelasting? Unilever neemt meer tijd voor die keuze. Neemt het kabinet nu ook meer tijd voor het wetsvoorstel dat de dividendbelasting moet afschaffen?

Ik kom op de afschaffing van het raadgevend referendum. De minister-president heeft wel erg weinig toelichting gegeven op het spoedeisende belang daarvan en op het feit dat de nieuwe regels al zouden moeten ingaan voor een wet die op dit moment volgens de Raad van State wel degelijk referendabel is.

Ten aanzien van het bereiken van de klimaatdoelen blijft het een rare gewaarwording om de minister-president eerst te horen zeggen dat er geen instrumenten zullen worden uitgesloten en om hem vervolgens te horen zeggen dat er geen vleestaks komt. Dan wordt er toch een instrument uitgesloten, lijkt me. Kan de minister-president toezeggen dat de veroorzakers van CO2-uitstoot verantwoordelijk zullen worden gehouden voor die uitstoot in het kader van het uitgangspunt dat de vervuiler betaalt? Kan hij toezeggen om die uitstoot niet langer voor rekening van de samenleving te laten komen? Is de minister-president bereid om bij effectieve beïnvloeding van consumentengedrag in de meer milieu- en klimaatvriendelijke richting niet alleen aan de stok te denken, maar ook aan de wortel? Een verandering van de sociale norm kan op heel veel meer manieren tot stand komen dan alleen via fiscale instrumenten. Ik krijg daar graag een reactie op.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Koffeman. Ik geef het woord aan u, meneer Schalk. U heeft twee minuten spreektijd.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schalk (SGP):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Dank voor de beantwoording die we van de minister-president hebben gekregen. Die was zeer compleet, moet ik zeggen. Ik wil op twee punten kort ingaan. Het eerste is de eenverdiener. Ik ben blij dat de minister-president de deur weer heeft opengezet die dichtgeklikt leek. Het debat wordt vervolgd. Het tweede punt dat ik wil aanstippen gaat over de herhalingen van zwangerschapsafbrekingen. Ik heb dat probleem genoemd en ik heb gevraagd naar onderzoek. Naar mijn mening past dat bij het preventiebeleid dat in het regeerakkoord is benoemd. Ik heb goed gehoord van de minister-president dat de regering geen bezwaar heeft tegen onderzoek, maar hoe zit het met het wanneer en het hoe? Mijn fractie, de fractie van de SGP, probeert in dit geval juist los te komen van de discussie over wel of niet abortus. Dat zou juist bij de evaluatie van de wet wel meewegen. Ik dien daarom de volgende motie in. Ik hoop dat de regering alsook mijn collega's proeven dat het mij in deze motie niet gaat om de duiding van abortus, maar sec om onderzoek.

De voorzitter:

Door de leden Schalk, Diederik van Dijk, Kox, Meijer en Ruers wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat volgens de jaarrapportage Wet afbreking zwangerschap 2015 ongeveer een op de drie vrouwen die zich melden bij de abortuskliniek al eerder een zwangerschapsafbreking heeft ondergaan;

verzoekt de regering onderzoek te doen naar de oorzaken van herhaalde zwangerschapsafbrekingen en te komen tot maatregelen waarmee de herhalingen teruggedrongen kunnen worden, en de Kamer hierover nader te informeren

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter I (34775).

De heer Schalk (SGP):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:

Meneer Kuiper.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik wil daar graag een vraag over stellen, voorzitter. Ik sta sympathiek tegenover de motie, laat ik dat vooropstellen, maar in het dictum staat niet wat u net zei. U zei dat preventiebeleid in het regeerakkoord wordt genoemd. Dat kunnen we ook allemaal zien. Het gaat dan om de preventie van zwangerschappen. Dat staat dus niet in dat slot, maar mag ik het zo opvatten dat wat u vraagt van de regering plaatsvindt in het kader van wat in het regeerakkoord wordt gezegd over de preventie van zwangerschappen? Dat is ook uw bedoeling, toch? Dat maakt het voor mij even wat eenvoudiger.

De heer Schalk (SGP):

Dank u wel voor deze vraag. Daardoor kan ik het nog even iets beter toelichten. In dat kader heb ik deze motie inderdaad ingediend. In het regeerakkoord, op pagina 14 bijna bovenaan staat: "We zetten in op de preventie van en ondersteuning bij onbedoelde (tiener)zwangerschappen, aan de hand van de agenda opgesteld door een brede coalitie van veldpartijen." Hoe dat zit met die brede coalitie van veldpartijen, kan ik even niet overzien. Maar op dit punt, dat ik gisteren heb benoemd, waarbij het ging over 30% van de 30.000 zwangerschapsafbrekingen, kunnen we daadwerkelijk iets aan preventie gaan doen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ja, dus dat vindt dan plaats in het kader van het beleid dat het kabinet voornemens is te gaan voeren.

De heer Schalk (SGP):

Dat lijkt mij absoluut het geval. Bij dat onderzoek zullen er wellicht nog andere aspecten aan de orde komen die ook leiden tot een verbetering van deze vreselijke aantallen.

De heer Kox (SP):

Ik heb de motie meeondertekend, maar ik krijg hier toch graag een bevestiging. Deze motie doet geen uitspraak over abortus, hoewel ik weet dat collega Schalk zich erg inzet voor het ongeboren kind. Dit is een uitspraak om de regering te verzoeken om een onderzoek te doen naar het veel voorkomen van abortussen en de herhaling daarin. Dat zie ik toch juist?

De heer Schalk (SGP):

De heer Kox ziet dat inderdaad op de juiste manier. Ik heb hier de vorige keren een- en andermaal proberen duidelijk te maken wat er aan de hand is. Per jaar vinden er 30.000 abortussen plaats. Ik heb de vorige jaren twee keer gevraagd aan de regering hoe men dat duidt en dergelijke. Ik hoor eigenlijk elke keer: hoor eens, dit staat nou eenmaal in de wet en dat wordt heus wel zorgvuldig gedaan. Uiteindelijk gaat het over noodgevallen. Nu is er niet door mijn fractie een onderzoek gedaan, maar gewoon door de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Daarin staat dat 30% recidive is. Ik vind dat een heel naar woord in dit verband, maar zo staat het nu eenmaal in die stukken. Ik noem het expres steeds herhalingen van zwangerschapsafbrekingen. Die 30% zouden we in ieder geval moeten onderzoeken. Dat is inderdaad de intentie en dat staat los van mijn ideeën over abortus.

De heer Kox (SP):

Dank u wel. Dat is duidelijk zo. Collega Schalk maakt zich altijd veel terechte zorgen over ongeboren kinderen. Ik reken ook zeker op zijn steun voor de zorg voor de geboren kinderen, waar een andere motie over ligt.

De heer Schalk (SGP):

Ik heb ook heel veel zorgen over geboren kinderen, dus maakt u zich geen zorgen wat dat betreft.

Mevrouw de voorzitter. Tot slot. De fractie van de SGP heeft oog voor de pijn die geleden is bij verschillende fracties bij de samenstelling van dit kabinet en bij dit regeerakkoord. Daarbij past ook respect voor de verantwoordelijkheid die genomen wordt. De vier coalitiepartijen hebben er vertrouwen in. Het is zaak om dat vertrouwen uit te bouwen, ook naar andere partijen. De SGP staat daarin met een open houding, vooral omdat dat vertrouwen er niet alleen hoeft te zijn in een regeerakkoord van verschillende partijen of in een kabinet. Ik heb het gisteren al geduid: ons vertrouwen reikt hoger en dieper. In dat verband vind ik de slotzin van de Koning op Prinsjesdag prachtig: "U mag zich gesteund weten door het besef dat velen u wijsheid toewensen en met mij om kracht en Gods zegen voor u bidden." Daar zeg ik van harte amen op.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Schalk. Ik geef het woord aan de heer Nagel. U heeft ook twee minuten.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Nagel (50PLUS):

We gaan steun zoeken, zei de premier in de eerste ronde. 50PLUS wil graag weten waarover te praten valt. Wat heeft het kabinet te bieden? Zijn het uitstel en de afschaffing van de wet-Hillen bespreekbaar? Ik heb in dit verband ook de koopkracht, de 16,5% ABP-achterstand, de maatregelen om te komen tot indexering van de pensioenen en de afremming van de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd genoemd. Valt er te praten over een of meerdere van deze onderwerpen, vragen wij nog eens een keer nadrukkelijk aan de premier.

Ik ga in op dat laatste, de AOW-leeftijd. Gelet op de zeer brede maatschappelijke weerstand willen wij concreet weten of men de versnelde verhoging, zeker voor de zware beroepen, wil heroverwegen. Anders moet men niet klagen over de steeds grotere kloof met de kiezers.

Dan een vreemde zaak, voorzitter. Het raadgevende referendum bestaat. Maar dan is het toch heel vreemd dat de kiezers zich er niet over mogen uitspreken of ze dit willen behouden of niet? Dit betekent dat het laatste restje inspraak dat burgers hebben, onder leiding van de Dafne Schippers van dit kabinet in ijltempo wordt afgepakt. Dat lijkt ons geen goede zaak. Dat is onacceptabel. Bij dezen willen wij dan ook al van tevoren aankondigen dat 50PLUS samen met de Tweede Kamerfractie en de partij zal komen tot een initiatief om een raadgevend referendum mogelijk te maken tegen de afschaffing van de wet-Hillen.

Ik zie dat ik nog enkele seconden over heb. Die gebruik ik graag om het kabinet en de premier te bedanken voor de antwoorden op de vragen uit de eerste ronde.

De voorzitter:

Dank u wel meneer Nagel. Ik kijk eventjes naar de minister-president. Hij zegt dat hij tien minuten nodig heeft. Dan schors ik tot 15.00 uur. Dan kunnen de fracties zich ondertussen misschien ook even beraden. Ik hoor hier: dat hangt ervan af wat hij zegt. Oké. Ik schors de vergadering tot 15.00 uur, maar ik zeg u vooraf dat ik voor het einde van de vergadering toch koers op 16.00 uur.

De vergadering wordt van 14.50 uur tot 15.00 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik geef voor de tweede termijn van de kant van de regering het woord aan de minister-president.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Minister Rutte:

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik zal eerst wat vragen beantwoorden, deels uit eerste termijn, en dan op een aantal moties reageren. Ik begin met een vraag uit de kring van de VVD. Mevrouw Jorritsma vroeg naar de investeringsquote. Ik ben er nog even ingedoken en die wordt voor de krijgsmacht als geheel berekend, om daarmee voor de investeringen een integrale afweging te kunnen maken. Dat heeft er onder andere mee te maken dat in sommige jaren, denk aan jaren waarin jachtvliegtuigen worden aangeschaft, zo'n luchtmachtonderdeel aanzienlijk meer investeringen kan trekken dan een ander onderdeel. Meerjarig moet het weer ongeveer uitmiddelen. Daarom wordt dit voor de krijgsmacht als geheel gedaan en niet apart voor de krijgsmachtonderdelen.

Mag ik zeggen dat ik het zeer eens was met het betoog van mevrouw Jorritsma over het vraagstuk van regeldruk en hoe we als overheid met dingen omgaan? Het gaat daarbij ook om het lostrekken van initiatief bij de mensen. Die mogen sowieso wel wat vaker centraal staan, denk ik, in onze politieke debatten. Ik ben het dus zeer eens met dat deel van haar betoog.

De PVV heeft gevraagd naar de mediation. Die geschiedt door professionele daartoe opgeleide mediators, die streng geselecteerd worden. Bij de selectie wordt ook scherp gelet op het voorkómen van vooringenomenheid en fanatieke standpunten. Wat dat betreft is er geen risico dat andere afwegingen daar een rol spelen. Haar opmerkingen over de korporaal bij Defensie laat ik maar even helemaal voor haar rekening. Ik heb eigenlijk geen behoefte om in te gaan op die kwalificaties en evenmin op de kwalificaties die zij aan het adres van mevrouw Kaag heeft geuit. Mevrouw Kaag heeft zich in haar politieke en hiervoor diplomatieke loopbaan laten kennen als een persoon van uitmuntend statuur en gezag. Dat laat ze nu ook weer zien in haar eerste weken als minister. Ik beschouw het als een eer om met haar samen te werken. Ik vond alle kwalificaties en de valse hinten op haar echtgenoot beneden alle peil.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik heb helemaal geen kwalificaties gebruikt. Ik heb alleen een vraag gesteld over de ongelijkheid tussen de korporaal met een buitenlandse partner en de minister. Ik heb niets over kwalificaties gezegd. Ik heb zelfs gezegd dat ik niet zeg dat de minister niet deugt. Ik heb alleen nadere duiding gevraagd van de minister-president.

Minister Rutte:

Mevrouw Faber, wat u het hele debat doet, is een handje zand in schoon water gooien en dan zeggen dat het water troebel is. Laten we het hier dus gewoon bij laten. Dat lijkt me beter.

De voorzitter:

Mevrouw Faber, nog één keer.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik vind dat de minister-president zich hier te makkelijk van afmaakt. Ik vind dat eigenlijk een minister-president onwaardig. In feite durft hij dus niet nader uit te leggen waarom we een minister hebben met een buitenlandse partner, terwijl de korporaal in dat geval de pennen kan tellen bij Defensie, de stoep kan schrobben of eventueel zijn baan kan kwijtraken.

Minister Rutte:

Voorzitter. Dan was er nog een andere vraag gesteld over de aangifte die haar partijchef tegen mij zou hebben gedaan. Daar heb ik verder geen informatie over. Ik neem aan dat die aangifte is gedaan en nu dus bij het parket in Den Haag ligt. Die aangifte gedaan hebbend, heeft de PVV gekozen voor een juridisch traject, weg van het parlementaire traject. Ik voel me dan ook niet verplicht op de politieke vragen in te gaan.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Maar de minister-president gaf wel aan dat het onder de rechter lag. Dan krijg ik toch de boodschap mee dat hij meer weet dan wij, dat het OM het in feite in behandeling heeft genomen en overgaat tot vervolging. Ik snap dat niet helemaal. Wat is het nou? Ligt het nu bij de rechter, te ja of te nee? Zo nee, dan bent u in feite nog steeds altijd vrij om de discriminatie tegen Nederlanders — die hele waslijst — ongedaan te maken.

Minister Rutte:

Het begrip "onder de rechter" betekent abstract dat een bepaalde zaak in de juridische staatskolom ligt en niet meer in de politiek, en dat is een keuze die de PVV gemaakt heeft. Dat zegt verder niets over de precieze plek waar het in de juridische kolom ligt, want daar ga ik niet over.

Dan de vraag van het CDA over de pensioenen. De heer Brinkman heeft inderdaad gelijk dat we proberen via een stevige discussie tussen de sociale partners, die al langdurig aan de gang is, tot een oplossing te komen, met veel advies en verkenningen, ook van de SER. We zien ook dat het stelsel kwetsbaar is geworden. Daar moeten we gewoon reëel over zijn. Er zijn veranderingen op de arbeidsmarkt. Er is een stijgende levensverwachting. Er is een dalende rente. Dat is al sinds begin jaren tachtig aan de gang. De kwetsbaarheid wordt dus steeds zichtbaarder. Dat betekent dat er nog steeds te weinig of geen zicht is op indexaties, dat de dekkingsgraden onder druk staan en dat er risico's zijn op tegenstellingen tussen jong en oud. Ik begrijp dat de heer Brinkman vraagt wat mijn plan B is. Natuurlijk houden we altijd ergens in ons achterhoofd rekening met de heel kleine kans dat plan A niet lukt. Daar denk je over na, maar verder wil ik er eigenlijk niet over speculeren, want er is eerlijk gezegd geen alternatief voor plan A. Dat zou betekenen dat de politiek zonder de sociale partners moet ingrijpen in de tweede pijler, die van de sociale partners is. Ik doe dus een dringend beroep op de sociale partners om er samen met ons uit te komen. Ik denk dat dit ook moet kunnen. Dat is het op dit punt.

Er is ook nog gevraagd of het SER-advies binnenkort beschikbaar komt. Dat komt waarschijnlijk in het eerste kwartaal van 2018. Dat is de verwachting, zoals ook in het regeerakkoord is vermeld. Op 15 december komt er een brief naar de Tweede Kamer over de planning ten aanzien van de arbeidsmarkt en de pensioenen. Er gaat ook een afschrift naar de Eerste Kamer toe. Laat ik dat hierbij toezeggen.

Dan lag er nog een vraag van mevrouw Barth over laaggeletterdheid. De ambitie van het kabinet is dat elke jongere het onderwijs verlaat met voldoende taal- en rekenvaardigheid. Daarom wordt ook fors geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering van het onderwijs, in de professionals die voor de klas staan en in extra ondersteuning voor kinderen met een taalachterstand, van de voor- en vroegschoolse educatie tot en met het hoger onderwijs. Daar gaan we de komende jaren mee verder. Basisscholen ontvangen aanvullende middelen om extra taalonderwijs te bieden aan achterstandsleerlingen. Ook middelbare scholen en scholen uit het praktijkonderwijs, die relatief veel leerlingen uit achterstandswijken hebben, ontvangen extra middelen. Ook het mbo levert een inspanning.

Voor laaggeletterdheid bestaat het programma Tel mee met Taal. Op 24 november is een brief met een voortgangsrapportage hierover gestuurd aan de Tweede Kamer. In 2016 zijn de bewindslieden van OCW, Sociale Zaken en VWS gezamenlijk het actieprogramma Tel mee met Taal gestart, om laaggeletterdheid te voorkomen en aan te pakken. De inzet is om de forse inspanningen van de gemeenten en hun partners en de leerwerkloketten verder te bundelen. Dat heeft er mede toe geleid dat sinds begin 2016 meer dan 46.000 volwassenen met taalscholing zijn gestart en dat ruim 676.000 kinderen zijn bereikt met leesbevorderingsactiviteiten. Daarmee zijn de verwachtingen van het programma overigens ruim overtroffen.

Aangezien zo veel meer laaggeletterden nog bereikt moeten worden, is het nu zaak om door te pakken. Daar is extra geld voor nodig. Bij de afronding van het programma Tel mee met Taal sturen we een eindrapportage. Die zal ik ook aan de Eerste Kamer sturen. Dan zullen we ook een debat voeren over de verdere voortzetting van de aanpak van laaggeletterdheid en de leesbevordering.

Dan de vraag over de capaciteit en de slagkracht van het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht. De investeringen bij de politie kunnen leiden tot meer zaken, meer werk, voor de rest van de keten, bijvoorbeeld op het gebied van cybercrime. Door middel van een onderzoek dat start in 2018 wordt bekeken wat de precieze effecten van de investeringen bij de politie zijn voor de rest van de keten. Op basis van dat onderzoek zal worden bepaald hoe deze effecten worden opgevangen. Als dit bijvoorbeeld zou leiden tot meer zaken op het gebied van cybercrime, moeten er dus ook voldoende officieren of rechters zijn op het gebied van cybercrime om zaken in behandeling te kunnen nemen, met behulp van middelen die op grond van het regeerakkoord beschikbaar worden gesteld. Denk aan de post Versterking capaciteit strafrechtketen. Met behulp van die middelen worden deze officieren aangetrokken en ook zo nodig opgeleid. Uiteindelijk is het doel dat in de hele keten efficiënt kan worden gewerkt.

Dan de vraag over de verbetering van de ICT-systemen en de kwaliteit van communicatie en overdracht tussen politie, OM en rechterlijke macht. Over het bestuurlijk ketenberaad van de strafrechtketen is de Tweede Kamer op 28 juni van dit jaar geïnformeerd. In het kader van het ambitietraject is de ontwikkeling van de keteninformatievoorziening als een van de prioriteiten benoemd. In de eerste helft van 2018 worden de precieze doelstellingen en prioriteiten op het gebied ter besluitvorming aan het kabinet voorgelegd. Dat betekent dat op dat moment ook de op grond van het regeerakkoord beschikbaar gestelde middelen ter beschikking komen die hiervoor worden ingezet. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de digitalisering van de werkprocessen. Daarover wordt de Tweede Kamer, en gezien de vraag die hier gesteld is ook de Eerste Kamer in afschrift, nader in de eerste helft van 2018 geïnformeerd.

Dan de vraag over de ontwikkeling van het aantal opgelegde en uitgevoerde taakstraffen. In 2016 werd in 28% van de misdrijven een taakstraf opgelegd, tegenover 27% in 2015. Bij overtredingen bleef het percentage met 4% gelijk aan het jaar ervoor. Het percentage succesvol voltooide taakstraffen lag in 2016 op 74% tegenover 75% het jaar ervoor en de overige zaken zijn ter beoordeling aan een officier van justitie voorgelegd. Uiteindelijk wordt dan alsnog 93% van de taakstraffen binnen 24 maanden na oplegging geëxecuteerd. Dat betekent dat de taakstraf wordt voltooid of is omgezet in een vervangende hechtenis.

Tot slot vroeg mevrouw Barth op het gebied van Justitie hoe het staat met het ziekteverzuim, het verloop en de nieuwe aanwas bij OM en rechterlijke macht. Het ziekteverzuim binnen het Openbaar Ministerie is op dit moment 5%, dat is de stand van oktober 2017. De personele bezetting lag bij het Openbaar Ministerie eind oktober met 4.972 fulltime equivalents 3,6% hoger dan aan het begin van 2017. Het ziekteverzuim bij de rechterlijke macht lag voor rechters in 2016 op gemiddeld 3,4%, bij het ondersteunend personeel op 5,8%. Die cijfers liggen nog iets hoger dan gemiddeld voor vergelijkbare andere functies. Er zijn inmiddels veel vacatures opengesteld en ondertussen zijn ook veel rechters een opleiding gestart. Deze extra capaciteit kan geworven worden dankzij middelen die in het Prijsakkoord rechtspraak 2017-2019 voor professionele standaarden beschikbaar zijn gekomen. De rechtspraak verwacht dat met de nieuwe aanwas volgend jaar in de behoefte aan extra capaciteit zal zijn voorzien. Dat in antwoord op de verschillende vragen van mevrouw Barth over onder andere justitie, deels ook nog uit de eerste termijn.

Dan heeft mevrouw Barth ook gevraagd, net in de tweede termijn, om een brief over de coördinatie, c.q. regie op de eerste lijn. Zij heeft gewezen op het belang van samenwerking in de eerste lijn, het bij elkaar brengen van partijen als huisartsen, gemeenten, GGZ-aanbieders et cetera en hoe dit te doen. Zij verzoekt daarbij om een brief. En alhoewel zij volkomen gelijk heeft dat ik geen groot liefhebber ben van het sturen van brieven ga ik hier door de knieën en kan ik toezeggen dat mijn collega's van VWS zo'n brief gaan sturen.

Dan mevrouw Strik over de participatie-effecten van de verschillende maatregelen in het regeerakkoord over bijvoorbeeld loondispensatie en WSW. Mag ik daarbij opmerken dat een aantal belangrijke overwegingen en uitgangspunten hierbij aan de orde zijn? Het geldt alleen voor nieuwe gevallen, niet voor bestaande; het kabinet wil dat werken loont. Wij willen dat de werkgever ontzorgd wordt, in mooi Nederlands, zodat werkgevers de mensen ook echt gaan aannemen. En het kabinet gaat de regeling samen verder vormgeven met partners zoals gemeenten, Cedris, de bonden en werkgevers. Uiteraard is de vraag van mevrouw Strik naar de participatie-effecten zeer relevant. Ik kom er zo nog op terug bij de moties, want een van de moties gaat daarover. Dan ga ik er daarna op in, maar dit alvast in eerste instantie.

Dan de vraag van de heer De Graaf van D66 over de gedifferentieerde aanpak experimentele wietteelt. De minister van Justitie en Veiligheid en de minister voor medische zorg zijn momenteel bezig met het vormgeven van die wietteeltexperimenten. Ze bereiden de wet- en regelgeving voor en zijn in gesprek met medeoverheden zoals burgemeesters. Mag ik vaststellen dat we de suggestie van de heer De Graaf daarbij betrekken en ook bezien hoe zich dat verhoudt tot de precieze afspraken die zijn gemaakt in de formatie? Dat kan ik nu niet helemaal overzien maar dat zullen we daar dan bij betrekken. Dus ik kan niet nu toezeggen dat we dat doen maar wel toezeggen dat we dit betrekken bij de afwegingen en dat we dan even de uitkomst van die gesprekken afwachten.

Dan de vraag van de heer Kuiper over de investering van 1,5 miljard euro. We zijn toch nog steeds verwijderd van de door de NAVO gehanteerde norm van 2%? Er wordt natuurlijk een belangrijke stap gezet, maar we zijn er inderdaad nog niet. Maar conform de afspraken in Wales in 2014 willen wij daar wel stap voor stap naartoe werken. En dit is zo'n grote stap op weg naar de 2%. We zullen dus steeds moeten bezien wat nodig en mogelijk is. Maar deze significante verhoging geeft de krijgsmacht nu de ruimte om de gereedheid te herstellen en de noodzakelijke vervangingsinvesteringen in gang te zetten. Gezien de begrotingssystematiek kan ik natuurlijk nu geen toezeggingen doen over hoe wij om zullen gaan met toekomstige meevallers, maar zoals ik al zei in eerste termijn, is het natuurlijk de ambitie van het kabinet om stap voor stap toe te werken naar die 2%. Maar het kan zomaar zijn dat als er financiële ruimte is, er anderen zijn die zeggen: alhoewel dat geen vaste begrotingsnorm is, heb ik ook nog wel een paar wensen. Ik kijk niemand in het bijzonder aan … Dat zal natuurlijk altijd een politieke afweging blijven in de coalitie, ook met de vier partijen. Mijn vermoeden is dat we daar steeds goed uit kunnen komen.

Ook een vraag van de heer Kuiper ging over de rol van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten aanzien van de inspecties en het zoeken van verbinding met onze landgenoten. Ik zou hier nog even op terugkomen. Voor meer verbinding tussen de burger en de overheid investeren we als kabinet in vakmensen die werken bij de overheid. Het is belangrijk dat de overheid de ruimte en middelen heeft om de burger van dienst te zijn op een professionele manier en dat zij daarbij de menselijke maat als leidraad heeft. Dat is wat mij betreft de verantwoordelijkheid van iedere vakminister en van de decentrale overheden. Daarom is hier ook zo veel over terug te lezen op de verschillende plaatsen in het regeerakkoord. Maar ik geef toe, dat dat wel op heel veel verschillende plaatsen is en nog niet in samenhang. Daarom hebben we ook niet één rijksinspectie of één rijkstoezichthouder.

Hoe gaat het werken? Mijn vermoeden klopt inderdaad: de minister van BZK heeft de coördinerende stelselverantwoordelijkheden, maar uiteindelijk zullen natuurlijk de uitvoerende diensten van alle ministeries, inclusief inspecties en decentrale overheden, dit moeten gaan waarmaken. Daarom is het ook zaak om hier regelmatig over te spreken, niet alleen met mij, maar juist ook met de minister van BZK en met de vakministers, en om dit bovendien ook te doen oppakken in provincies en gemeenten. Ik wijs ook nog op de kabinetsreactie op het advies van de WRR Weten is nog geen doen, waaraan door het kabinet wordt gewerkt. Hierin zal ook aandacht worden besteed aan deze onderwerpen. Ik zeg de heer Kuiper toe dat we dit deel van het debat extra zullen laten meewegen in de kabinetsreactie. Die reactie kan ik toezeggen voor januari aanstaande. Deze is dus snel beschikbaar.

Dan de Partij voor de Dieren: iedereen zelf verantwoordelijk houden voor de uitstoot. "De vervuiler betaalt", was de simpele gedachte van deze woordvoerder. Dat klinkt natuurlijk op zichzelf sympathiek. We hebben in Europa een beprijzingssysteem voor CO2, het ETS. Wij voegen daar nog een minimumprijs voor CO2 in de elektriciteitssector aan toe. De energiebelasting en de ODE zijn in beginsel gekoppeld aan verbruik, dus indirect aan uitstoot, maar een directe relatie is er niet. We kiezen ervoor om een gelijk speelveld te creëren voor onze bedrijven. Deze heffingen zijn niet ten principale bedoeld om verbruik te belasten, maar om uiteindelijk ervoor te zorgen dat daadwerkelijk de inkomsten worden gegenereerd die nodig zijn om het verstandige milieu- en klimaatbeleid te kunnen voeren.

Dan ook van de heer Koffeman van de Partij voor de Dieren de vraag … Nee, excuus, die heb ik al beantwoord. Daarmee ben ik volgens mij door de beantwoording van de vragen heen en kom ik bij de moties.

De eerste motie van mevrouw Faber, op letter B, wil ik ontraden.

De tweede motie van mevrouw Faber, op letter C, wil ik ook ontraden, ook met verwijzing naar wat ik daarover in eerste termijn heb gezegd. Er is geen aanwijzing dat in Nederland halalproducten worden ingezet voor de financiering van terroristische organisaties.

Dan kom ik bij de derde motie. Die gaat over een reductiedoelstelling en het SER-advies dienaangaande. Deze motie van de heer Kox op letter D gaat over een belangrijk onderwerp. Armoede moeten we bevechten, zeker onder kinderen. Daar moet alles op gericht zijn. Veel aandacht gaat hiernaar uit. We zagen het SER-advies in maart, dat van het College voor de Rechten van de Mens in de zomer en nu dat van de Kinderombudsman. Er is ook terecht veel aandacht voor in de Kamer. Er is eerder al een motie in de Tweede Kamer breed aangenomen die ging over dezelfde reductiedoelstelling. Zoals terecht uit het interruptiedebat blijkt, is er nog veel discussie mogelijk over de aanbevelingen, want het is immers gedecentraliseerd beleid. Dat geldt ook voor de geldstromen. Er zijn veel doelgroepen: ouders in de bijstand, ouders met kleine baantjes. Daarnaast hebben we al het flankerend beleid, van schuldhulpverlening tot en met mensen aan het werk helpen. De staatssecretaris stuurt een reactie op de SER, met een constructieve houding ten aanzien van alle aanbevelingen en betrekt daar ook het advies van de Kinderombudsman bij. Dat alles gezegd hebbende, wil ik het oordeel over de motie graag aan de Kamer laten.

Over de volgende motie, die op letter E en ook van de heer Kox, ben ik wat minder enthousiast, omdat wij als enige NATO-lidstaat vanaf het begin tot het einde mee hebben onderhandeld over een nuclear ban treaty. We hebben daar steeds onze voorwaarden bij uiteengezet. Dat heeft ook te maken met de verplichtingen die voortkomen uit ons NAVO-lidmaatschap. Het vorige kabinet heeft uiteindelijk ook in een brief uiteengezet waarom het eindresultaat niet verenigbaar is met die voorwaarde. Dat betekent dat wat de motie vraagt, echt in strijd is met onze verplichtingen. Dus ik moet die motie echt ontraden. Ik weet niet of die brief toen aan de Eerste Kamer is gestuurd. Dat gebeurt meestal wel; ik stuur alles in afschrift aan de Eerste Kamer, maar dat kunnen wij nog wel even nakijken. Er is in ieder geval een brief over aan de Tweede Kamer gestuurd.

De heer Kox (SP):

De minister-president zegt dat de motie in strijd is met ons NAVO-lidmaatschap. De minister-president is ook ervan op de hoogte dat bijvoorbeeld het Italiaanse parlement een vergelijkbare motie heeft aangenomen om aan de regering te vragen om dat nog eens heel goed uit te zoeken. Hoe kan in het regeerakkoord staan dat wij streven naar een kernwapenvrije wereld — "actief" staat er zelfs in het regeerakkoord — en dat een verdrag dat zich inzet om die kernwapens de wereld uit te helpen per definitie a priori strijdig zou zijn met onze verplichtingen in het NAVO-bondgenootschap? De vraag is: zoek dat eens echt goed uit en debateer daarover met deze Kamer omdat ik constateer dat het regeringsbeleid is om de kernwapens de wereld uit te krijgen. Dan zullen wij toch iets moeten doen?

Minister Rutte:

Ik begrijp de vraag, maar zoals ik in eerste termijn zei: een van de problemen met de Nucleair Ban Treaty is dat wij geen zaken mogen doen met landen die kernwapens hebben. Nou er zijn er drie in de NAVO die dat openlijk hebben; dat zijn Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Dat maakt het ingewikkeld. Het tweede is dat wij grote zorgen hebben over de verificatie. Geen enkel land dat kernwapens heeft, doet mee aan de Nucleair Ban Treaty. Dat hebben wij allemaal in een brief uiteengezet. Wellicht kan de heer Kox de motie aanhouden. Dan kunnen wij die brief, zo die hier niet is geland, nog eens in afschrift aan de Eerste Kamer sturen. De heer Kox kan dan besluiten of hij de motie in stemming brengt. Wellicht kan ik deze proceduresuggestie doen. Die brief gaat volgens mij in op alle vragen die de heer Kox beantwoord wil hebben met deze motie. Dat zou mijn stelling zijn.

De heer Kox (SP):

Dat houdt dan ook in, mijnheer de minister-president, dat als wij die brief krijgen — want ik ken hem in ieder geval niet — dat wij ernaar kunnen kijken en dan spreken wij erover. Het is niet zo: leest u die brief maar en dan weet u dat wij gelijk hebben. Dan spreken wij er ook over. Ik ben natuurlijk afhankelijk van de mede-indieners, maar onder die conditie neem ik uw suggestie graag over om deze motie aan te houden.

Minister Rutte:

Dat "en dan praten we erover" is misschien beter te doen met de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie. Zo houd ik de agenda beheersbaar. Maar ik ben uiteraard altijd beschikbaar als u wilt dat ik zelf kom.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Kox stel ik voor zijn motie (34775, letter E) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Rutte:

Dan kom ik bij de motie over de btw-verhoging. Ook daar een procedureel antwoord, maar ook wel een hard antwoord als wij er procedureel niet uit kunnen komen. Het probleem hier is dat er inhoudelijk al heel veel over is gezegd, namelijk dat dit hele betoog van mevrouw Barth echt maar één aspect benadrukt, de btw-verhoging en niet de samenhang en dat zij vervolgens dat aspect ook nog in isolatie wil laten onderzoeken. Zonder dat hele debat weer over te doen, zou ik me het volgende kunnen voorstellen. Dit komt terug bij de Algemene Financiële Beschouwingen met de bewindslieden van Financiën. Vervolgens wordt er ook wetgeving opgesteld. Daar wordt ook ingegaan op de gevolgen; ik zei dat ook al eerder. Dan zou ik me kunnen voorstellen dat mevrouw Barth de motie aanhoudt, in ieder geval tot de AFB, en misschien zelfs tot het wetsvoorstel. Wil zij dat niet en wil zij de motie vandaag in stemming brengen, dan is mijn indringende advies om te ontraden.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik ben graag bereid om de motie aan te houden tot de financiële beschouwingen volgende week, want daar hoort de motie ook thuis. Aanhouden tot de wetgeving vind ik weer wat ingewikkelder, omdat de uitkomst van zo'n impactanalyse voor ons juist belangrijke informatie is bij de beoordeling van het wetsvoorstel. Dus dan wordt de motie eigenlijk voor ons overbodig en dat zou ik jammer vinden. Ik begrijp heel goed hoe de premier de btw-verhoging ziet in het kader van koopkracht als onderdeel van een pakket. Maar wij hebben geprobeerd dit niet alleen te benaderen vanuit de vraag wat het betekent voor de koopkracht, maar ook wat het betekent voor de kant waar de koopkracht zou moeten neerdalen, dus waar de mensen hun geld gaan uitgeven, de aanbiederskant. De impact daarvan zouden wij graag bij de beoordeling van de wetsvoorstellen graag willen meenemen. Dus ik ben graag bereid om 'm te laten liggen tot de AFB volgende week, maar dan hoop ik dat de minister-president ook bereid is te begrijpen dat wij de informatie van zo'n impactanalyse graag bij de beoordeling van het uiteindelijke wetsvoorstel zouden willen meenemen.

Minister Rutte:

Ik denk dat het een herhaling van zetten gaat worden volgende week en ik vrees ook daar een ontraden, maar laten wij dit moment nog even voor ons uitschuiven simpelweg omdat ik van oordeel ben dat ik die impactanalyse hier heb gegeven. Als je namelijk de lasten verlicht met meer dan de btw omhoog gaat, zal dat leiden tot meer besteding in winkels. Dat is een simpele; mensen hebben gewoon meer uit te geven. Ik heb het voorbeeld gegeven van het CPB-onderzoek uit 2000. Maar goed, dan gaan wij de eerste termijn over doen. Het is procedureel misschien het beste om hem dan nog even te laten liggen tot de AFB, maar ons voor te bereiden op een treurige uitkomst dat wij het niet eens worden. Dan moet de Eerste Kamer besluiten wat zij uiteindelijk met de motie zal doen. Dat is vanzelfsprekend. Wij zullen daar dan respectvol kennis van nemen.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Barth stel ik voor haar motie (34775, letter F) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Rutte:

Dan de motie met letter G van mevrouw Strik over de evaluatie. Het gaat om de Wajong. Bij de invoering van de Participatiewet in 2015 is besloten 5% te korten. Het gaat om Wajongers van wie na herindeling blijkt dat zij arbeidsvermogen hebben. Wajongers voor wie dat geldt, kunnen wij stimuleren om aan de slag te gaan. Dan moet er wel kans zijn op werk en daarom is er extra ondersteuning van het UWV. Er is een banenafspraak gemaakt en begin volgend jaar komt er een beleidsdoorlichting Wajong, zodat wij kunnen zien welke verbetermogelijkheden er zijn om het werken vanuit de Wajong te stimuleren. In het regeerakkoord van dit kabinet spelen er twee dingen. Eén: meer prikkels in de arbeidsongeschiktheidsregelingen richting werk inbouwen en de kans op het vinden van een baan voor WIA-gerechtigden vergroten en daarmee het beroep op de WIA verminderen. Twee: de loonkostensubsidie in de Participatiewet vervangen voor een loondispensatie voor nieuwe gevallen en de middelen die dat oplevert inzetten om de al genoemde 20.000 extra plekken voor beschut werk te kunnen financieren.

Dat is de kern van dit regeerakkoord voor deze twee trajecten: de WIA en de loondispensatie, in combinatie met die plekken voor beschut werk. De timing is dat beide trajecten het grootste effect hebben vanaf 2020/2021. Voor de extra beschutte werkplekken is in 2019 15 miljoen beschikbaar, in 2020 42 miljoen en in 2021 69 miljoen. Dat bouwt op en dat kost tijd. Dat is ook logisch, want het moet zorgvuldig gebeuren. In beide gevallen betrekken wij in het wetgevingstraject uiteraard ook beide Kamers. Elk wetgevingstraject kent ook consultaties voor alle belanghebbenden, bijvoorbeeld ook voor Cedris, de koepel voor sociale diensten. Beide trajecten zullen evaluatiebepalingen bevatten. Daarmee komen wij denk ik al een heel eind. Ik zei het al in eerste termijn.

Dan kan ik mij nog steeds voorstellen dat het interessant zou kunnen zijn om de maatregelen in onderlinge samenhang te bezien. Dat is wellicht ook voor een komend kabinet nuttig. Maar dat zou dus pas kunnen over een aantal jaren, bijvoorbeeld in het jaar 2025, omdat je eerder simpelweg geen meetbare gegevens hebt. Het lijkt mij ook niet iets wat het kabinet zelf moet doen. Dat zal dan een externe partij moeten oppakken. Dat alles gezegd hebbend, zou ik de motie zoals die nu voorligt, willen ontraden.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

De motie vraagt om twee dingen: het monitoren van de inkomensontwikkeling en de participatieontwikkeling. De premier ging net alleen in op het bevorderen van de arbeidsparticipatie. Eigenlijk wordt hier inkomensbeleid gevoerd als instrument om de arbeidsmarktparticipatie te bevorderen. Juist dat willen wij monitoren: wat betekent het voor het inkomen en wat betekent het voor de arbeidsparticipatie? De premier geeft aan dat de beschutte werkplekken pas na 2020 worden ingevoerd. Mijn vraag is hoe het dan zit met die loonkostensubsidie. Gaat die dan ook pas worden afgeschaft of wordt die wel meteen afgeschaft?

Minister Rutte:

Dat schetste ik net; die bouwt op. Dat gaat ook in een geleidelijk traject. Het geldt alleen voor nieuwe gevallen.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dus die inkomensgevolgen vinden niet meteen plaats?

Minister Rutte:

Nee.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dan zou ik aan de premier willen vragen of het een optie is dat in de motie komt te staan: drie jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

Minister Rutte:

Dat is wat ik net zei: dan zit je op 2025. Dat kunnen we toch doen? Dan is het nuttig. Ik kan mij voorstellen dat een volgend kabinet dat wil weten. Ik vind het helemaal niet verkeerd, ook die samenhang niet. Ik vind uw verzoek logisch, alleen de timing is een probleem.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Het gaat ons om het totaaloverzicht. Als de andere indieners het goedvinden dat er in de motie komt te staan "drie jaar na de invoering van de wetsvoorstellen", zie ik brede steun van het kabinet.

Minister Rutte:

Dat wordt dan 2024/2025. Misschien is dan de beste formulering "drie jaar na invoering". Daarmee wordt het jaar nog even in het midden gelaten. Klopt dat? Bij de Tweede Kamer wordt de motie dan gewijzigd. Gaat dat hier mondeling? Ja? Het gaat hier veel praktischer, heel goed. Dan hoeft de motie ook niet opnieuw te worden rondgedeeld, mooi.

Dan de motie met letter H van mevrouw Strik om op korte termijn te komen tot een pakket aan maatregelen dat de CO2-emissies reduceert tot 49%. Het kabinet zal op korte termijn hiervoor een plan maken. Het kabinet zal hierover ook in overleg treden met medeoverheden, het bedrijfsleven en andere stakeholders. De minister van Economische Zaken zal op korte termijn de Kamers over bovengenoemde elementen informeren. Wij kunnen met deze motie leven en ik laat het oordeel daarover aan de Kamer over.

Dan de motie op letter I van de heer Schalk. Zoals gezegd in eerste termijn wordt de Wet afbreking zwangerschap geëvalueerd. Mijn voorstel zou zijn om deze vraag toch echt bij die evaluatie te betrekken. Uw voorkeur heeft een apart onderzoek. Als u ons ruimte geeft om de meest passende vorm te vinden, laat ik het oordeel graag aan de Kamer. Zouden we het zo kunnen afspreken? We laten het kabinet de ruimte om de meest passende vorm te vinden. Dan kan ik leven met oordeel Kamer.

De heer Schalk (SGP):

Ik kan instemmen met het voorstel van de minister-president. Dank.

Minister Rutte:

Veel dank.

Voorzitter, dan misschien tot slot nog een enkel woord.

De voorzitter:

Mag ik nog één ding vragen over de motie op letter G van het lid Strik over maatregelen om de arbeidsparticipatie te verbeteren? Is het nu: verzoekt de regering om over maximaal drie jaar na invoering een evaluatie te houden?

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ja.

De voorzitter:

Drie jaar na invoering een evaluatie. En de minister-president laat de motie oordeel Kamer?

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Hij ondersteunt de motie.

Minister Rutte:

Nee, wij kunnen er goed mee leven.

De voorzitter:

U ondersteunt de motie.

Minister Rutte:

Ja hoor, we nemen haar over, of hoe heet dat? Ik weet …

De voorzitter:

Aha, u neemt haar over.

Minister Rutte:

Aan de overzijde hebben ze het allemaal veranderd, voorzitter. Ik weet niet of u dat ook gedaan hebt.

De voorzitter:

Nee, ik heb het nu even met de pen veranderd.

Minister Rutte:

Nee, maar ook de advisering vanuit de regering is daar veranderd.

De voorzitter:

O, nee, maar daar doen wij niet aan. Wij doen het heel simpel. U vindt de motie goed of niet goed.

Minister Rutte:

Het punt is wel dat er één overweging in staat waar we niet blij mee zijn, maar het dictum zoals dat is aangepast, kunnen we overnemen. Het dictum is dus akkoord, maar ik zeg er even bij — want je interpreteert de motie ook samen — dat dit niet betekent dat de regering blij is met alle overwegingen. Maar ik denk dat mevrouw Strik dat prima vindt zolang het dictum maar tot overeenstemming leidt.

De voorzitter:

Oké, het dictum is akkoord, met de woorden "drie jaar na invoering", en u neemt de motie dus over. Dat is duidelijk. Dank u wel.

Minister Rutte:

Voorzitter, dat waren volgens mij de moties en de vragen. Ik begon mijn beantwoording vanmorgen met de opmerking dat in dit huis geen gemakkelijke cadeautjes worden weggegeven. Aan het einde van het debat kan ik vaststellen dat, behalve de lunch die ik gekregen heb, die inschatting volkomen terecht was. En dat hoort ook zo. We hebben een goed en stevig debat gevoerd, inhoudelijk en beschouwend. Dat past eigenlijk ook in het huis van reflectie. Ik heb ook enkele toezeggingen gedaan, waarmee we politiek aan de slag kunnen. Met de moties kunnen we verder met u tot zaken komen. Politiek is nu eenmaal een gesprek dat nooit ophoudt en ook nooit af is, misschien ook omdat het land nooit af is.

De heer Brinkman parafraseerde in zijn eerste termijn de lijfspreuk van Willem van Oranje en koningin Wilhelmina — rustig te midden van woelige baren — toen hij sprak over het Verenigd Koninkrijk als onrustig in Europa. De heer Brinkman inschattende, spreekt daar grote waardering uit voor rust en beschouwelijkheid in het politieke debat. Ik onderschrijf de behoefte daaraan volkomen, te beginnen in ons mooie land. Naar elkaar luisteren, bereid zijn om af en toe een beetje in te schikken en steeds weer zoeken naar het verstandige compromis: het is in de huidige politieke verhoudingen misschien wel belangrijker dan ooit en dit kabinet realiseert zich dat meer dan volkomen.

U weet misschien, voorzitter, dat bij die lijfspreuk het symbool hoort van het ijsvogeltje, dat volgens de overlevering zijn nest kan hebben op de meest woelige baren. En nu wil ik de metafoor niet al te ver oprekken, maar dat beeld van rust bewaren in een onrustige en voor veel mensen onzekere tijd spreekt mij, zo vlak na de start van dit kabinet, enorm aan. Het is een mooie en verantwoordelijke opdracht. Wij putten uit dit debat extra hoop dat we die opdracht ook kunnen waarmaken als kabinet, samen met de Tweede Kamer én de Eerste Kamer, en samen met alle maatschappelijke partijen in ons land.

Dank u wel.

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:

Dank u wel, minister-president. Kijk eens aan, er wordt ook nog geklopt op de bankjes! Ja, knikt u maar!

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

We zijn aan het eind gekomen van het debat, maar we gaan zo meteen stemmen. De moties zijn allang verspreid. Ik kijk even rond in de Kamer. Ik zie iemand zijn hand opsteken voor vijf minuten schorsing. Kan iedereen daarmee leven? Oké, dan schorsen wij voor vijf minuten.

De vergadering wordt van 15.36 uur tot 15.41 uur geschorst.


Bekijk de video van dit verslagpunt

Stemmingen

Moties Algemene Politieke Beschouwingen

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij de Algemene Politieke Beschouwingen,

te weten:

de motie-Faber-van de Klashorst c.s. over het verbieden van islamitische uitingen en handelingen bij de politie (34775, letter B);

de motie-Faber-van de Klashorst c.s. over inkomsten uit certificering van halalproducten (34775, letter C);

de motie-Kox c.s. over het komen tot een reductiedoelstelling teneinde de armoede onder kinderen structureel te verlagen (34775, letter D);

de motie-Strik c.s. over maatregelen om de arbeidsparticipatie te verbeteren (34775, letter G);

de motie-Strik c.s. over het verlagen van de CO2-uitstoot (34775, letter H);

de motie-Schalk c.s. over onderzoek naar de oorzaken van herhaalde zwangerschapsafbrekingen (34775, letter I).

(Zie vergadering van heden.)


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Er zijn acht moties ingediend, beginnend met de motie op letter B en eindigend met de motie op letter I. Van die acht moties zijn er twee aangehouden: de motie-Kox c.s. met letter E over actieve inzet voor een kernwapenvrije wereld en de motie-Barth c.s. met letter F. Die laatste motie is aangehouden tot volgende week.

We beginnen met de stemming over motie 34775, letter B van het lid Faber-van de Klashorst c.s. over het verbieden van islamitische uitingen en handelingen bij de politie.

Ik geef gelegenheid tot het afleggen van een stemverklaring vooraf.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schalk (SGP):

Voorzitter. Laat duidelijk zijn: de toon en taal die gehanteerd zijn rond de indiening van deze motie zijn niet de onze. Echter, in ons land hebben we ervoor gekozen om ten aanzien van overheidsfunctionarissen in een aantal gevallen, zoals bij politieagenten en rechters, een uniformbenadering te hanteren, omdat hun onpartijdige en onafhankelijke uitstraling van groot belang wordt geacht. Politie en rechterlijke macht dienen neutraal te functioneren. Alleen op grond van die overweging kan mijn fractie deze motie steunen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Schalk. Nog andere leden die een stemverklaring wensen af te leggen? Dat is niet het geval.

Ik stel voor te stemmen bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt de motie-Faber-van de Klashorst c.s. (34775, letter B).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de ChristenUnie, de VVD, de PvdA, het CDA, GroenLinks, de PvdD, 50PLUS, de OSF, de SP en D66 ertegen, zodat zij is verworpen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

We gaan verder met motie 34775, letter C van het lid Faber-van de Klashorst c.s. over inkomsten uit certificering van halalproducten.

Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is niet het geval.

Ik stel voor te stemmen bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt de motie-Faber-van de Klashorst c.s. (34775, letter C).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fractie van de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SGP, de ChristenUnie, de VVD, de PvdA, het CDA, GroenLinks, de PvdD, 50PLUS, de OSF, de SP en D66 ertegen, zodat zij is verworpen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

We gaan nu stemmen over motie 34775, letter D van het lid Kox c.s. over het komen tot een reductiedoelstelling teneinde daarmee de armoede onder kinderen structureel te verlagen.

Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is niet het geval.

Ik stel voor te stemmen bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt de motie-Kox c.s. (34775, letter D).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, de ChristenUnie, de VVD, de PvdA, het CDA, GroenLinks, de PvdD, 50PLUS, de OSF, de SP en D66 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PVV ertegen, zodat zij is aangenomen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De motie onder letter E is aangehouden en die onder F ook, tot volgende week.

We komen bij motie 34775, letter G van het lid Strik c.s. over maatregelen om de arbeidsparticipatie te verbeteren.

De motie-Strik c.s. (34775, letter G) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het kabinet zegt in te zetten op een inclusieve samenleving en dat onder meer vertaalt in maatregelen om de arbeidsparticipatie te verbeteren van mensen met een beperking, arbeidsongeschikten en Wajongers;

overwegende dat beoogde maatregelen in het regeerakkoord veelal neerkomen op minder financiële zekerheden voor mensen in een kwetsbare positie, zoals in elk geval door:

de aanscherping van het schattingsbesluit waardoor meer mensen hun WIA-uitkering verliezen;

de vervanging van de loonkostensubsidie door loondispensatie waardoor mensen met een arbeidsbeperking onder het wettelijk minimumloon betaald kunnen worden;

het schrappen van het recht op arbeidskorting en IACK voor mensen in de ziektewet;

het verlagen van de Wajong-uitkering;

verzoekt de regering om over maximaal drie jaar na invoering een evaluatie te houden naar de effecten van de maatregelen op de feitelijke inkomenspositie en de arbeidsparticipatie van de genoemde groepen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter J, was letter G (34775).

Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.

Er wordt gezegd dat de motie is overgenomen, maar wij hebben dat systeem in deze Kamer niet. Als het kabinet de motie overneemt, wordt er desalniettemin over gestemd. Tenzij het lid de motie intrekt; dat zou kunnen. Dat doet ze niet. Dan stemmen we over de motie. Zo simpel is het.

Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is niet het geval.

Ik stel voor te stemmen bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt de gewijzigde motie-Strik c.s. (34775, letter J, was letter G).

De voorzitter:

Ik constateer dat deze gewijzigde motie met algemene stemmen is aangenomen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

We komen bij motie 34775, letter H van het lid Strik c.s. over het verlagen van de CO2-uitstoot. Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is niet het geval.

Ik stel voor te stemmen bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt de motie-Strik c.s. (34775, letter H).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, de ChristenUnie, de VVD, de PvdA, het CDA, GroenLinks, de PvdD, 50PLUS, de OSF, de SP en D66 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PVV ertegen, zodat zij is aangenomen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Dan de motie over motie 34775, letter I van het lid Schalk c.s. over een onderzoek naar de oorzaken van herhaalde zwangerschapsafbrekingen. Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is niet het geval.

Ik stel voor te stemmen bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt de motie-Schalk c.s. (34775, letter I).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, de ChristenUnie, het CDA, de OSF, de SP en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, GroenLinks, de PvdD, 50PLUS en D66 ertegen, zodat zij is verworpen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

We zijn aan het einde gekomen van deze Algemene Politieke Beschouwingen. Ik dank de minister-president en het gehele kabinet hartelijk voor de geleverde bijdrage en de grote mate van aanwezigheid van alle bewindspersonen. Dit is zeer op prijs gesteld door deze Kamer. Ik wens u allemaal een hele goede Sinterklaas toe.


Bekijk de video van dit verslagpunt

Sluiting

Sluiting 15.50 uur.


Bijlages

Lijst van besluiten en ingekomen stukken

Lijst van besluiten:

De Voorzitter heeft na overleg met het College van Senioren besloten om:

a. de behandeling van het volgende hamerstuk te doen plaatsvinden op 5 december 2017 (onder voorbehoud):

Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten strekkende tot aanpassing van enkele bepalingen betreffende de uitvoering van bijzondere opsporingsbevoegdheden en tot regeling van enkele bijzondere procedures van strafvorderlijke aard en aanverwante onderwerpen met het oog op een doeltreffende uitvoeringspraktijk (34720);

b. de behandeling van het volgende hamerstuk te doen plaatsvinden op 5 december 2017:

Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PbEU, L 326) (Implementatiewet richtlijn pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen) (34688);

c. het voorbereidend onderzoek van de volgende wetsvoorstellen door de vaste commissie voor Financiën te doen plaatsvinden op 5 december 2017:

Wijziging van enkele Belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2018) (34785);

Wijziging van enkele Belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2018) (34786);

Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 en enkele andere wetten (Wet afschaffing van de btw-landbouwregeling) (34787);

Wijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met de introductie van een inhoudingsplicht voor houdstercoöperaties, de uitbreiding van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en wijziging van enkele antimisbruikbepalingen in de dividendbelasting en vennootschapsbelasting (Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling) (34788);

Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (34819);

d. het voorbereidend onderzoek van het volgende wetsvoorstel door de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat /Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te doen plaatsvinden op 19 december 2017:

Regels over de informatie-uitwisseling betreffende bovengrondse en ondergrondse infrastructuur van netten en netwerken ter voorkoming van graafschade en ter bevordering van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid, alsmede wijziging van de Telecommunicatiewet ter bevordering van medegebruik van fysieke infrastructuur en van de gecoördineerde aanleg van civiele werken (Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken) (34739).

Lijst van ingekomen stukken, met de door de Voorzitter ter zake gedane voorstellen:

1. de volgende door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangenomen wetsvoorstellen:

Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PbEU, L 326) (Implementatiewet richtlijn pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen) (34688);

Uitvoering van de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PbEU 2015, L 141) (Uitvoeringswet EU-insolventie-verordening) (34729);

Regels over de informatie-uitwisseling betreffende bovengrondse en ondergrondse infrastructuur van netten en netwerken ter voorkoming van graafschade en ter bevordering van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid, alsmede wijziging van de Telecommunicatiewet ter bevordering van medegebruik van fysieke infrastructuur en van de gecoördineerde aanleg van civiele werken (Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken) (34739);

Wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet in verband met waardeoverdracht van klein pensioen en enige andere wijzigingen inzake waardeoverdracht (Wet waardeoverdracht klein pensioen) (34765);

Wijziging van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Kieswet in verband met de introductie van kiescolleges voor de Eerste Kamer voor de Caribische openbare lichamen ten behoeve van de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer (34782).

Deze wetsvoorstellen zullen in handen worden gesteld van de desbetreffende commissies;

2. de volgende regeringsmissives:

een, van de minister-president, minister van Algemene Zaken, ten geleide van een afschrift van zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 1 december 2017 inzake het rapport van het historisch onderzoeksteam onder leiding van prof. dr. C.C. van Baalen inzake de totstandkoming van de bepaling van het inkomensbestanddeel van de grondwettelijke uitkering aan leden van het koninklijk huis in de periode 1963 t/m 1973 en de passages inzake dit inkomensbestanddeel in het rapport van stuurgroep herziening stelsel kosten koninklijk huis (rapport-Zalm) (2009) (griffienr. 162138);

een, van de minister van Buitenlandse Zaken, houdende goedkeuring van de op 6 oktober 2016 te Istanboel tot stand gekomen wijziging van de Constitutie van de Wereldpostunie, van het Algemeen Reglement van de Wereldpostunie en hernieuwde vaststelling van het Algemeen Postverdrag en van het Verdrag inzake postale financiële diensten (Trb. 2017, 162, Trb. 2017, 180), alsmede een toelichtende nota bij deze verdragen (griffienr. 162098);

een, van alsvoren, houdende goedkeuring van het op 15 mei 2009 te Hongkong tot stand gekomen internationaal Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuvriendelijk recyclen van schepen (Trb. 2010, 227 en Trb. 2017, 29), alsmede een toelichtende nota bij dit verdrag (griffienr. 162099);

een, van alsvoren, ten geleide van twee fiches die werden opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen inzake o.a. Mededeling Actieplan CBRN Paraatheid en EU-coördinatie (griffienr. 162135);

een, van alsvoren, ten geleide van het verslag Sociale top Gotenburg van 17 november 2017 (griffienr. 162134);

een, van alsvoren, ten geleide van de aanbiedingsbrief Staat van de Unie 2018 (griffienr. 162133);

een, van de ministers van Buitenlandse Zaken en van Financiën, inzake kabinetsreactie op het AIV-advies "is de Eurozone stormbestendig" (griffienr. 151580.01);

een, van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, ten geleide van het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken voor Handel van 10 november 2017 (griffienr. 162001.01);

een, van de minister voor Rechtsbescherming, ten geleide van het rapport evaluatie puntenstelsel gefinancierde rechtsbijstand (commissie-Van der Meer) (griffienr. 161989.03;

een, van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, inzake toevoeging nieuw artikel aan Begrotingshoofdstuk IV (griffienr. 162114);

een, van de minister van Financiën, ten geleide van het verslag van het Financieel Stabiliteitscomité november 2017 (griffienr. 162104);

een, van alsvoren, ten geleide van de geannoteerde agenda eurogroep en Ecofin-Raad 4 en 5 december 2017 (griffienr. 162116);

een, van alsvoren, inzake kabinetsreactie op publicaties inzake bankenunie (griffienr. 162113);

een, van alsvoren, ten geleide van het Blauwe Boekje (griffienr. 162137);

een, van de staatssecretaris van Financiën, inzake Algemene Politieke Beschouwingen 2017 (griffienr. 162120);

een, van de minister van Defensie, inzake rapportage internationale militaire samenwerking (griffienr. 162128);

een, van de minister en staatssecretaris van Economische Zaken, inzake aanwezigheid minister en staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat bij Algemene Politieke Beschouwingen d.d. 4 en 5 december 2017 (griffienr. 162008.02);

een, van de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, ten geleide van de geannoteerde agenda Telecomraad 4 december 2017 (griffienr. 162103);

een, van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ten geleide van de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 11 en 12 december 2017 (griffienr. 162132);

een, van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ten geleide van de geannoteerde agenda Raad WSBVC 7 december 2017 (griffienr. 162102).

De Voorzitter stelt voor deze missives voor kennisgeving aan te nemen. De bijlagen zijn neergelegd op de afdeling inhoudelijke ondersteuning ter inzage voor de leden;

3. de volgende geschriften:

een, van M.v.P., inzake openbrief aan de regering: bezwaren tegen het onderzoek naar de koloniale oorlog in Indonesië (1945-1950) (griffienr. 162130).

Dit geschrift wordt van belang geacht voor de leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking;

een, van D.S., inzake aandachtsverzoek (griffienr. 162115).

Dit geschrift wordt van belang geacht voor de leden van de commissies voor Justitie en Veiligheid en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

een, van M.A.J.S. te L., inzake reactie ontvangen memo of schrijven vanuit het ABP (griffienr. 162096).

Dit geschrift wordt van belang geacht voor de leden van de commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning.

een, van M.N., inzake behandeling uitfasering wet-Hillen (34819) (griffienr. 162108);

een, van M.A., inzake wet-Hillen (34819) (griffienr. 162108.01);

een, van A.H., inzake belasting eigen (hypotheekvrij) huis (griffienr. 162126.01);

een, van E.P. te L., inzake vraagstelling over afschaffing wet-Hillen (34819) (griffienr. 162108.05);

een, van V.V., inzake aantasting financiële voorziening (griffienr. 162131).

Deze geschriften worden van belang geacht voor de leden van de commissie voor Financiën;

een, van I.M., inzake huurwaardeforfait (griffienr. 162126).

Dit geschrift wordt van belang geacht voor de leden van de commissies voor Financiën en voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

een, van S.A.S. inzake Wet op de Raad voor volksgezondheid en samenleving (34040) (griffienr. 162107).

Dit verslag wordt van belang geacht voor de leden van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De Voorzitter stelt voor deze geschriften voor kennisgeving aan te nemen.