Rappelabele toezeggingen Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Rappel januari 2018)



Dit is het rappel tot 02-01-18.

 




Toezegging Pilots bij praktijkmodellen jeugdzorg (33.674 / 33.684) (T01889)

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Scholten (D66), toe om in samenwerking met gemeenten, de jeugd-ggz, huisartsen, cliëntorganisaties en zorgverzekeraars een pilot te organiseren om praktijkmodellen uit te werken voor de organisatie en de bekostiging van de jeugd-ggz. De uitkomsten van de pilots worden meegenomen bij de evaluatie van de wet over drie jaar.


Kerngegevens

Nummer T01889
Status voldaan
Datum toezegging 11 februari 2014
Deadline 1 juli 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Mr. M.C. Scholten (D66)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Jeugd Geestelijke Gezondheidszorg
jeugdhulpverlening
Kamerstukken Jeugdwet (33.684)
Gebruik burgerservicenummer in de jeugdzorg (33.674)


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 19, item 5 - blz. 31-32

Mevrouw Scholten (D66):

(...)

Als extra borging is bij nota van wijziging ingevoerd dat gemeenten en zorgverzekeraars de uitvoering van de Jeugdwet en de Zorgverzekeringswet zo veel mogelijk op elkaar moeten afstemmen en afspraken moeten maken over de aansluiting en het delen van kennis en informatie. Dit ligt in lijn met de motie-Bergkamp die in de Tweede Kamer is aangenomen. Daarin staat dat de jeugd-ggz expliciet aandacht krijgt in de afspraken die regionaal en landelijk worden gemaakt. Mijn fractie vindt het interessant te horen of de staatssecretaris deze motie gaat uitvoeren? Het is doodzonde dat er niet met partijen aan tafel is gezocht naar een goed werkend systeem, want veranderingen in een systeem, en zeker een omvangrijke stelselwijziging als deze, worden eerder geaccepteerd als er vertrouwen is. Vertrouwen krijg je door ervaring op te doen. Heeft de staatssecretaris overwogen pilots te organiseren om deze overheveling te faciliteren?

(...)

Mevrouw Scholten (D66):

(...)

Ik had het over pilots. In pilots kun je samenwerking organiseren en kan worden gesproken over kennis en infrastructuur, zodat die beter kunnen worden overgedragen. Voor het verlies daarvan is de jeugd-ggz beducht. Waarom zijn er in het verleden geen pilots georganiseerd? Zou het op dit moment geen aanbeveling verdienen om van die kans gebruik te maken, zodat wij in het kader van de evaluatie van de Jeugdwet, mocht die tot wet worden verheven, in 2017 van die kennis gebruik kunnen maken? Ik doel dan op pilots met gemeenten, jeugdhulp, ggz, jeugd-ggz, zorgverzekeraars en cliëntenorganisaties om te kijken of het mogelijk is om brede samenwerking te organiseren. Ik ben heel benieuwd wat de staatssecretaris van die gedachte vindt.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 19, item 5 - blz. 52

Staatssecretaris Van Rijn:

(...)

Naar aanleiding van een vraag van mevrouw Scholten wil ik het volgende opmerken. Ik realiseer me dat gemeenten nog geen ervaring hebben met het overhevelen van de zorg, zoals in de jeugd-ggz nodig is. Mevrouw Scholten vroeg of het niet goed zou zijn om in de implementatiefase in samenwerking met gemeenten, de jeugd-ggz, huisartsen en zorgverzekeraars een pilot te organiseren om praktijkmodellen uit te werken voor de organisatie en de bekostiging van de jeugd-ggz. Ik vind dat een goed idee. Ik wil graag samen met partijen bespreken of wij tijdens de implementatie een aantal pilots kunnen opzetten om zo goed mogelijk te kunnen oefenen met verschillende soorten modellen. Op die manier wordt de kennis en kunde bij de gemeente versterkt en worden er een soort inkoopmodellen ontwikkeld, waarbij ook gebruikgemaakt wordt van de kennis en kunde van huisartsen en de jeugd-ggz zelf. Het is goed dat die afspraken er zijn. Ik ben er verheugd over. Ik denk dat het gaat lukken om de inkoop goed vorm te geven. Natuurlijk houd ik daarbij de vinger aan de pols. Ik zal ook zelf regelmatig gesprekken voeren met de VNG over de monitoring en de voortgang van het proces, zodat tijdig bijsturing kan plaatsvinden als dat nodig is.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 19, item 5 - blz. 54

Mevrouw Scholten (D66):

We zijn inmiddels een uur bezig, maar in die korte tijd is de staatssecretaris al ingegaan op twee van mijn verlangens. Ik noem eerst het organiseren van de pilot en daarnaast de instelling van de commissie. (...)

In mijn motie staat ook dat deze pilot heel erg is bedoeld om de evaluatie te bevorderen. Die woorden heb ik de staatssecretaris nog niet horen uitspreken, maar die evaluatie is van belang. De input van de pilots zou absoluut moeten worden meegenomen in de evaluatie.

Staatssecretaris Van Rijn:

Om te bewerkstelligen dat ik mevrouw Scholten ten derde male tegemoetkom: het antwoord is ja.

Mevrouw Scholten (D66):

Ik ben de staatssecretaris zeer erkentelijk.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 19, item 5 - blz. 55

Mevrouw Scholten (D66):

Nog één keer. Ik was nog niet helemaal zeker. Worden die pilots ook uitgevoerd in samenwerking met gemeenten, jeugd-ggz, huisartsen, cliëntenorganisaties en zorgverzekeraars?

Staatssecretaris Van Rijn:

Ja. Dat is nummer vier.

Mevrouw Scholten (D66):

Dank u wel. Het was er maar een, maar ik wilde het heel zeker weten.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 19, item 5 - blz. 55

Staatssecretaris Van Rijn:

(...) Er is een aantal vragen gesteld over de manier waarop wij de vinger aan de pols houden. Een aantal woordvoerders heeft gevraagd om de implementatie van de Jeugdwet goed te volgen, zodat bijsturing mogelijk is als dat aan de orde is. Er is al een evaluatie afgesproken. Ik heb zojuist aangegeven dat de pilots daarbij kunnen worden gebruikt. 

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 19, item 5 - blz. 57

Staatssecretaris Van Rijn:

(...) Diverse leden, onder wie mevrouw Slagter, hebben gevraagd of het niet heel verstandig zou zijn om afspraken met huisartsen op gemeentelijk, regionaal en landelijk niveau te maken. Misschien is het goed om dat punt ook mee te nemen in mijn toezeggingen over de pilots. 

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 19, item 5 - blz. 60

Staatssecretaris Van Rijn:

(...) Ik heb gezegd dat wij de waarheid niet in pacht hebben. Als wij over drie jaar een evaluatie houden, kunnen we gebruikmaken van de lessen die wij hebben geleerd. We kunnen gebruikmaken van de pilots die we gaan inrichten om te kijken hoe we een en ander het beste kunnen organiseren. 

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 19, item 5 - blz. 79

Mevrouw Scholten (D66):

(...)

Mijn voorstel tot het instellen van pilots met alle bij de organisatie van de jeugd-ggz betrokkenen voor het uitwerken van praktijkmodellen is integraal overgenomen. Dank daarvoor. Pilots zijn er tot nu toe nog niet geweest. Dat is eigenlijk een gemiste kans, zoals ik in eerste termijn heb gezegd. Deze kunnen nu bijdragen aan een zachtere landing van de betrokkenen, aan de vergroting van kennis, hopelijk aan het wegnemen van de zorgen en, wat belangrijk is, aan het versterken van de positie van de huisarts daarin. Alle praktijkmodellen die worden ontwikkeld, kunnen bijdragen aan een betere evaluatie van de wet over drie jaar.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 19, item 5 - blz. 82-83

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik reageer nog even op de pilot, in afwezigheid van mevrouw Scholten. Mevrouw Slagter had er ook naar gevraagd. Ik zit er heel pragmatisch in. We vinden allemaal dat er meer aan de voorkant moet worden samengewerkt en dat dit nog niet vanzelf gaat. Dan is het heel verstandig om met gemeenten, verzekeraars, zorgaanbieders en huisartsen te kijken hoe we die samenwerking aan de voorkant gaan vormgeven. Ik ben ervan overtuigd dat daar verschillende modellen voor zijn. Soms gebeurt het met sociale wijkteams, soms in het kader van een Centrum voor Jeugd en Gezin, soms wordt er een aparte voorkant voor ingericht en soms wordt het gepositioneerd bij de huisarts. Allemaal prima, en vandaar dat het goed is om aan de hand van de pilots een aantal modellen uit te werken waarvan we goed kunnen leren. Het is niet alleen om te kunnen bedenken en ontwikkelen hoe we het zouden kunnen inrichten, maar het kan ook worden meegenomen in de evaluatie die we na drie jaar krijgen. Zo kunnen we zien of de samenwerking op een goede manier van de grond is gekomen, wat succesvolle modellen zijn en wat niet. Bij dezen doe ik de toezegging aan D66 dat het niet alleen om pilots gaat, maar dat we het ook meenemen bij de evaluatie van de wet.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Periodieke informatie wetten sociaal domein (33.726) (T01932)

De staatssecretaris van VWS zal de Kamer periodiek informeren over de resultaten van de afzonderlijke wetten in het sociaal domein.


Kerngegevens

Nummer T01932
Status voldaan
Datum toezegging 27 mei 2014
Deadline 1 juli 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen decentralisatie
periodieke rapportage
sociaal domein
Kamerstukken Afschaffing financiële regelingen voor chronisch zieken en gehandicapten (33.726)


Uit de stukken

Stenogram

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorts geldt dat ik de Kamer vanaf 2015 periodiek zal informeren over de resultaten die met de afzonderlijke wetten van het sociaal domein worden gerealiseerd in relatie tot de doelstellingen. De wijze waarop het gemeentelijk maatwerk in de praktijk daarbinnen gestalte krijgt, is wat mij betreft integraal onderdeel daarvan.

Staatssecretaris Van Rijn:

Vanaf 2015 zal ik de Kamer periodiek informeren over de resultaten van de afzonderlijke wetten in het sociale domein. Ik heb al gewezen op de publicaties van Sociale Zaken, in samenwerking met het CBS.



Historie







Toezegging Facultatief protocol (33.992 / 33.990) (T02290)

De staatssecretaris van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Bredenoord, Ganzevoort, Don en Barth, toe voor de zomer te komen met een standpuntbepaling (inclusief de te zetten stappen) ten aanzien van het facultatief protocol.


Kerngegevens

Nummer T02290
Status afgevoerd
Datum toezegging 12 april 2016
Deadline 1 januari 2021
Voormalige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Drs. M.A.M. Barth (PvdA)
Prof.dr. A.L. Bredenoord (D66)
H.M. Don (SP)
Prof.dr. R.R. Ganzevoort (GroenLinks)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen facultatieve protocollen
mensen met een beperking
verdragen
VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
Kamerstukken Goedkeuring verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (33.992 (R2034))
Uitvoering verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (33.990)


Opmerking

Zie ook T02051

Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr. 27, item 8, blz. 2

Mevrouw Bredenoord (D66):

De regering heeft aangegeven dat ze het facultatief protocol nog niet ondertekend heeft omdat ze het facultatief protocolvan het VN-Verdrag inzake economische, sociale en cultu-rele rechten ook nog niet bekrachtigd heeft. [...] In Nederland is de regering al jaren aan het bestuderen wat de gevolgen van ratificatie van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten zouden zijn. Eerder is in dit huis de motie-Strik aangenomen, om precies te zijn op 18 maart 2014, waarin de Nederlandse regering opgeroepen wordt om haast te maken met de beslissing tot ratificatie bij het facultatief protocol bij het Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. We zijn inmiddels twee jaar verder. Kan de staatssecretaris aangeven wat de redenen zijn dat beide protocollen nog steeds niet ondertekend zijn?

Handelingen I 2015-2016, nr. 27, item 8, blz. 4

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik kom graag nog terug op het facultatieve protocol, behorend bij het verdrag. Dat maakt ruimte voor individueel klachtrecht. De helft van alle landen op de wereld heeft het inmiddels getekend en in een heel aantal gevallen ook geratificeerd. In 2014 heeft deze Kamer met een ruime meerderheid de regering al bij motie opgeroepen, haast te maken met de ratificatie. De toenmalige minister beloofde toen, de senaat te informeren over het tijdpad waarin de voorstellen tot ratificatie aan het parlement zullen worden aangeboden. De Tweede Kamer heeft bij de behandelingvan het verdrag hetzelfde gedaan. Toch komt de regering nu, twee jaar na die motie en die toezegging, in de memorievan antwoord niet verder dan te zeggen dat het facultatief protocol wordt bekeken in samenhang met de protocollen aangaande individueel klachtrecht bij het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten en het verdrag inzake de Rechten van het Kind. Geen woord over waarom dat nou weer zo lang duurt. Daarom onze ongeduldige vraag, waarom de regering zo talmt.

Handelingen I 2015-2016, nr. 27, item 8, blz. 8

De heer Don (SP):

Kort wil ik nog even stilstaan bij het facultatief protocol. In het debat in de Tweede Kamer is er veel over gesproken. In de aangenomen motie van Van Gerven wordt opgeroepen tot een spoedige ondertekening van het facultatief protocol door de regering. De staatssecretaris kon nog geen tijdpad aangeven. Ik heb een simpele vraag voor de staatssecretaris; het leven kan soms heel eenvoudig zijn. Gaat de staatssecretaris het facultatief protocol nog deze regeringsperiode ondertekenen? Ik hoor graag een ja of een nee. Eenvoudiger kan het niet.

Handelingen I 2015-2016, nr. 27, item 8, blz. 9

Mevrouw Barth (PvdA):

Onze fractie dringt er wel bij de regering op aan om nu spoedig het facultatief protocol te bekrachtigen, dat het voor mensen mogelijk maakt om in geval van niet-naleven van het verdrag na uitputting van alle nationale mogelijkheden rechtstreeks een klacht in te dienen bij het VN-comitévoor de rechten van personen met een beperking. Deze Kamer heeft daarover in maart 2014 de motie-Strik aangenomen, die door de PvdA-fractie mede was ondertekend.Wij vonden toen al dat dat facultatief protocol door Nederland moest worden omarmd. We zijn nu twee jaar verder en er is niets gebeurd. We vragen de staatssecretaris of hij kan aangeven waar deze traagheid toch vandaan komt. Waarom legt de Nederlandse regering zulke aarzeling aan de dag?

Handelingen I 2015-2016, nr. 27, item 8, blz. 18/19

Staatssecretaris Van Rijn:

Inmiddels is er een aantal verdragen, waarin een facultatief protocol tot de mogelijkheden behoort. Dat regelt een extra rechtsgang naar een niet-bindend toezichthoudend orgaan ten aanzien van bijvoorbeeld de Europese Commissie of wat dies meer zij. Aan de ene kant heb je dus een convergentie, waar het gaat om de jurisprudentie, het klachtrecht en het in beroep gaan te kunnen stroomlijnen. Aan de andere kant zie je een soort uitwaaiering van toezichthoudende organen, ook nog internationaal, die de facultatieve protocollen moeten uitvoeren. Het is dus nogal ingewikkeld om met elkaar te beoordelen wat nou de werking is als je aan de ene kant aan het stroomlijnen bent en aan de andere kant aan het differentiëren. Dat betekent dat de regering naar die diverse protocollen aan het kijken is en bekijkt wat het nou eigenlijk betekent. Dat doet ze niet omdat ze er noodzakelijkerwijs tegen is. Sterker nog, ik ben ervoor. Tegelijkertijd moeten we wel met elkaar bekijken wat het nou precies betekent. Ik begrijp wel — dat versta ik ook goed — dat deze Kamer zegt: hoelang blijven jullie nog nadenken? Ik zeg het maar even simpel. Het is misschien goed om ook op dat terrein de aansporingen serieus te nemen. Met mijn collega's spreek ik af dat wij de Kamers nog voor de zomer zullen informeren over hoe we daar in finale zin over denken. Ik hoor dat sommige leden zeggen: ik wil niet alleen dat je een standpunt inneemt, maar ook weten wanneer je dat ongeveer wilt doen. Ik wil graag toezeggen om dat samen met mijn collega's te bevorderen. Ik vraag wel enig begrip voor het feit dat we een aantal vragen hebben, namelijk wat het nou precies betekent. Wordt het voor de burger nou gemakkelijker, ja of nee? Wat betekent dat voor de doorwerking in ons nationale recht? We hebben namelijk nationale uitspraken, inclusief uitspraken van het College voor de Rechten van de Mens, aan de ene kant en niet-bindende uitspraken van internationale organen aan de andere kant. We zullen dus wel moeten bekijken wat dat precies betekent en of dat ook een versimpeling inhoudt.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik ben blij met de toezegging dat we in ieder geval na de zomer zicht krijgen op welke stappen er gezet gaan worden. Ik zou natuurlijk nog een stap verder willen. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat hij voor dat protocol is. Ik hoop dat ik dat mag lezen als "de regering gaat het facultatief protocol ook tekenen". Dat horen we dan na de zomer.

Ik had de volgende vraag gesteld: wat is ten principale het verschil tussen al die verdragen waarbij we wel een facultatief protocol hebben getekend en dit verdrag waar we dat niet doen? Waarom lijkt het meer op die twee waarover de regering nog aarzelt, dubt, twijfelt et cetera? Bij dat andere is het wel gedaan. Waar zit nou precies dat verschil?

Staatssecretaris Van Rijn:

Enerzijds is er een inhoudelijke kant, anderzijds een proceskant. De inhoudelijke kant is dat er een aantal verdragen zijn waarin er niet al een heel zware rechtsgang in Nederland is waarin het heel verstandig is om te zeggen: laten we een extra rechtsgang in het internationale recht creëren, een facultatief protocol. Daartegenover staat een groeiend aantal facultatieve protocollen, waarin er een vrij stevige en zware rechtsgang is in Nederland en waarin het aantal internationale toezichthoudende of aanbevelende organen aan het toenemen is. Dat heeft bij de regering tot de gedachte geleid dat we het wel elke keer van verdrag tot verdrag kunnen bekijken, maar dat het misschien verstandig is om dat toch een beetje in samenhang te zien, omdat we aan de ene kant ons nationale recht aan het vereenvoudigen zijn en aan de andere kant aan het divergeren zijn in het internationale recht. Dat komt vast bij elkaar. Er zijn vast veel knappere koppen dan ik die hierover een nog samenhangender verhaal kunnen houden. Ik vraag dus enig begrip voor het feit dat we dat heel goed moeten uitzoeken. We willen namelijk niet alleen maar zeggen dat we dat facultatief protocol gaan doen en een extra rechtsgang creëren, zonder dat we toch iets meer zicht hebben op wat dat betekent voor de rechtsdoorwerking in ons eigen systeem.

[...]

Ik zeg toe om niet alleen met een standpunt te komen, maar ook na de zomer te zeggen: zo gaan we het doen. Ik hoop dat ik de Kamer daarmee een klein beetje heb kunnen overtuigen van mijn ongeduld op dat punt.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik ben heel blij met deze toezegging van de staatssecretaris. Ook wij vinden dat de motie die in dit huis daarover aangenomen is, gewoon moet worden uitgevoerd. De timing is mij alleen even niet helder. Ik hoorde de staatssecretaris net zeggen "voor de zomer", de heer Ganzevoort zei "na de zomer" en nu zegt de staatssecretaris ook weer "na de zomer". Ik hoor het graag even volkomen klip-en-klaar. De staatssecretaris begon met "voor de zomer". Het zou mooi zijn als hij dat vasthoudt.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik rook mijn kans en probeerde het even. Nee, dat was een grapje. Laat ik beloven het voor de zomer te doen.

Handelingen I 2015-2016, nr. 27, item 8, blz. 22

Mevrouw Bredenoord (D66):

Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden op onze vragen, onder andere over de ondertekening van het facultatieve protocol. [...] We zien de AMvB en het standpunt van de regering over het facultatief protocol voor de zomer — jawel, voor de zomer — met belangstelling tegemoet, overigens ook in het vertrouwen dat er uiteindelijk wordt besloten om gewoon tot ratificatie over te gaan.

Handelingen I 2015-2016, nr. 27, item 8, blz. 23

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik ben overigens blij met de toezeggingen op dat punt: we horen voor de zomer over het facultatief protocol en na de zomer over het concrete plan voor de BES-eilanden; vandaar mijn verwarring over wat we wanneer krijgen. Gelukkig corrigeerde mevrouw Barth dat en hebben we dat nu weer helemaal scherp.

Handelingen I 2015-2016, nr. 27, item 8, blz. 25

De heer Don (SP):

Voor de zomervakantie hebben we de positiebepaling van de regering rondom het facultatief protocol, zo heb ik begrepen

Mevrouw Barth (PvdA):

Uiteraard zijn wij ook heel content met de toezegging dat dat hij nog voor de zomer met een reactie komt op het facultatief protocol en het internationaal klachtrecht.

Handelingen I 2015-2016, nr. 27, item 8, blz. 27

Staatssecretaris Van Rijn:

Helaas moet ik aan mevrouw Barth toegeven dat ik moet bevestigen dat het voor de zomer is met die facultatieve protocollen. Dat had zij dus goed verankerd. Om aan alle misverstanden een einde te maken, zeg ik nog eens: ja, dat is voor de zomer.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Caribisch deel van het Koninkrijk (33.992 / 33.990) (T02294)

De staatssecretaris van VWS zal de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Ganzevoort, op grond van de resultaten van het onderzoek naar de toekomstige werking van het verdrag in Caribisch Nederland, na de zomer informeren over het invoeringstraject.  De staatssecretaris zal erop aandringen dat Aruba, Curaçao en Sint-Maarten snel een besluit nemen over de vraag hoe en wanneer het verdrag tot medegelding wordt gebracht en zal de mogelijkheden voor ondersteuning bij de implementatie ervan nogmaals onder de aandacht van deze landen brengen. 


Kerngegevens

Nummer T02294
Status voldaan
Datum toezegging 12 april 2016
Deadline 1 januari 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Prof.dr. R.R. Ganzevoort (GroenLinks)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Aruba
Caribisch Nederland
Sint Maarten
VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
Kamerstukken Goedkeuring verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (33.992 (R2034))
Uitvoering verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (33.990)


Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr. 27,  item 8,  13/14

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik ben me er zeer van bewust dat de positie van mensen met een beperking in het Caribisch deel van Nederland anders is dan die in het Europese deel. Het is de bedoeling dat het verdrag, zodra dat mogelijk is, ook gelding krijgt op het Caribisch deel van Nederland. Op dit moment vindt er onderzoek plaats naar de toekomstige werking van het verdrag. Daarbij worden de bestaande regelgeving, ook hier, in beeld gebracht, evenals de verplichtingen van het verdrag in relatie tot de werkzaamheid in het Caribisch deel, maar ook het gevoerde beleid, de uitvoeringsregelgevingen de consequenties voor de implementatie. We dienen ons ervan bewust te zijn, niet alleen wat betreft dit verdrag, maar ook in veel bredere zin, dat wij als beleid hebben om bijvoorbeeld in de BES-eilanden zo veel mogelijk Nederlandse wetgeving te implementeren, rekening houdend met de soms nogal specifieke situatie en omstandigheden van Caribisch Nederland. Soms is sprake van een wezenlijk verschil, niet alleen in juridische zin — ik noem de Wet gelijke behandeling op grond van handicap en chronische ziekte — maar ook qua uitvoering, ook gelet op de instituties die op die eilanden wel of niet aanwezig zijn. Bij dit onderzoek worden de bestuurscolleges van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba betrokken. Naar verwachting is het onderzoek in juli 2016 gereed.

Wat betreft Aruba, Curaçao en Sint-Maarten is sprake van medegelding van dit verdrag. Zij hebben een en ander nog in beraad, maar het zijn zelfstandige landen binnen het Koninkrijk. Zij moeten zelf beslissen op welke wijze en in welk tempo zij de implementatie van het verdrag in uitvoering willen brengen. Ik kan inderdaad geen voorspellingen doen. De heer Ganzevoort wil misschien vragen wanneer dat traject klaar is, maar dat is een zelfstandige beslissing van die landen binnen het Koninkrijk. Daar kan ik dus niet op vooruitlopen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Deze twee antwoorden roepen allebei een vervolgvraag op, maar niet zozeer naar de voorspellende gaven van deze staatssecr etaris — die ik overigens zeer hoog heb — want dit zag ik wel. Ik heb een concrete vraag. Ik begin met Caribisch Nederland. In de antwoorden stond dat het onderzoeksrapport in juli van dit jaar wordt verwacht. Ik mag aannemen — ik hoop dat ik de staatssecretaris wat dat betreft goed begrijp — dat het geen kwestie is of een en ander wordt geratificeerd en geïmplementeerd, maar alleen hoe dat zou moeten gebeuren.

Staatssecretaris Van Rijn:

Zeker.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Kunnen wij dan zo kort mogelijk na juli een helder tijdpad krijgen over wanneer de volgende stappen moeten worden gezet? Dat er niet alleen sprake is van een wenkend perspectief, maar dat er ook concrete stappen moeten worden gezet, lijkt mij ook voor Caribisch Nederland essentieel.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat lijkt mij een zeer redelijke vraag. Dat is precies de bedoeling van het onderzoek. Wij kijken wat de situatie op het Caribisch deel van Nederland is en wat dit betekent voor de uitvoering. Dan kunnen wij op grond van het onderzoek zo rond de zomer besluiten over het invoeringspad en hoe wij dat gaan doen. Ik ben zeer bereid om de Kamers daarvan op de hoogte te stellen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Dank. Dan heb ik nog een vraag over de rest van het Koninkrijk, de drie andere landen. Natuurlijk hebben die een eigenstandige verantwoordelijkheid wat dit betreft. Tegelijkertijd is de vraag aan de Nederlandse regering, misschien ook wel aan de regering van het Koninkrijk, sprekend over de rijkswet hoe de Koninkrijksregering in gesprek gaat met de landen om ervoor te zorgen dat de ratificatie uiteindelijk zal plaatsvinden, met vervolgens de uitvoering.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat vereist een formeel besluit — dat betreft de medegelding — maar wij zijn al met die landen in gesprek over hoe wij hen kunnen ondersteunen waar het gaat om de verdere implementatie van het verdrag. Ze moeten er zelfstandig een bestuurlijke beslissing over nemen, niet over de vraag of, maar over de vraag hoe, wanneer en in welk tijdpad, maar wij zijn zeer bereid om hen te ondersteunen bij de implementatie van het verdrag.

[...]  Ik spreek nog een keer uit dat wij zeer bereid zijn om te kijken niet de of-vraag, maar vooral naar de hoe-vraag, niet alleen in formeel regelgevende zin, maar ook in de zin van hoe wij de BES-eilanden en de andere landen kunnen helpen.

Handelingen I 2015-2016, nr. 27,  item 8,  blz. 23

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik ben overigens blij met de toezeggingen op dat punt: we horen voor de zomer over het facultatief protocol en na de zomer over het concrete plan voor de BES-eilanden; vandaar mijn verwarring over wat we wanneer krijgen. Gelukkig corrigeerde mevrouw Barth dat en hebben we dat nu weer helemaal scherp.

[...]

Op één vraag heb ik nog niet echt een antwoord gekregen, maar ik was door mijn interrupties heen: hoe komen we verder met de Koninkrijksmedewerking wat betreft Aruba, Curaçao en Sint-Maarten? Deze vraag betreft niet de BES-eilanden, want daarover hebben we het al gehad. Ik besef dat het eigen landen zijn, met een eigen verantwoordelijkheid, maar de ratificatie, de goedkeuring geldt wel voor het hele Koninkrijk. Vanuit de koninkrijksregering zal hierover dus nog verder met die landen moeten worden gesproken. Mijn vraag, waarop ik dus nog geen antwoord heb gekregen, is: kan de staatssecretaris nog wat preciezer vertellen hoe dat gesprek loopt, welke stappen er worden gezet et cetera?

Handelingen I 2015-2016, nr. 27,  item 8,  27

Staatssecretaris Van Rijn:

Naar aanleiding van de vragen van heer Ganzevoort over de andere Koninkrijksdelen kan ik meedelen dat we daarmee in gesprek zijn om te kijken hoe we ze kunnen steunen. We dringen erop aan dat ook zij snel het besluit nemen om het verdrag ook in formele zin tot medegelding te brengen. Ik ben zeer bereid om daar nog eens bij hen op aan te dringen en ervoor te zorgen dat zij er tempo mee maken door te expliciteren waar zij onze steun kunnen gebruiken om tot implementatie over te gaan. Die nadere belofte doe ik gaarne.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Het informeren van de Kamer over de uitkomst van het onderzoek en eventuele maatregelen inzake huiselijk of eergerelateerd geweld (34.236) (T02453)

De minister van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Strik (GroenLinks), toe dat hij de Kamer zal informeren over de uitkomst van het onderzoek en eventuele maatregelen met betrekking tot de toegang van slachtoffers tot de opvang die een aanvraag verblijf hebben gedaan op humanitaire gronden in verband met huiselijk geweld of eergerelateerd geweld.


Kerngegevens

Nummer T02453
Status voldaan
Datum toezegging 21 februari 2017
Deadline 1 januari 2019
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Minister van Justitie en Veiligheid
Minister voor Rechtsbescherming
Huidige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen eergerelateerd geweld
huiselijk geweld
slachtofferopvang
Kamerstukken Implementatie richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (34.236)


Uit de stukken

Handelingen I 2016-2017, nr. 19, item 5, blz. 1-4

Mevrouw Strik (GroenLinks):

(...)

Wat betreft de toegang tot de opvang zelf: in de praktijk is er volgens de minister geen obstakel, maar tegelijkertijd zal hij de problemen met de toegang gaan inventariseren en op zoek gaan naar oplossingen om het recht op opvang te garanderen voor ongedocumenteerde slachtoffers van huiselijk geweld. Dat juichen wij uiteraard toe. Bij de inventarisatie zal de minister ook degenen die een aanvraag hebben ingediend voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden, bekijken. Wij verzoeken de minister om de Eerste Kamer op de hoogte te brengen van de gevonden oplossingen naar aanleiding van zijn verkenning.

In de nadere memorie van antwoord schrijft de minister dat het hem niet bekend is hoe vaak ongedocumenteerde slachtoffers van huiselijk geweld toegang tot de opvang wordt geweigerd vanwege hun verblijfsstatus. Dat lijkt onze fractie reden te meer om ervoor te zorgen dat er in de toekomst voldoende geregistreerd en gemonitord zal worden, zodat er tijdig kan worden ingegrepen als de uitsluitingspraktijk te hardnekkig blijft doorwerken en zodat Nederland kan aantonen dat de richtlijn wordt nageleefd. Tot zover de opvang van slachtoffers van huiselijk geweld.

(...)

Minister Blok:

(...) Anderzijds gaat het om een andere groep slachtoffers, namelijk degenen die een aanvraag verblijf hebben gedaan op humanitaire gronden in verband met huiselijk geweld of eergerelateerd geweld. Zij verblijven wel rechtmatig in Nederland gedurende de looptijd van hun aanvraag. In de praktijk wordt die groep wel door de vrouwenopvang en gemeenten opgevangen. Dat is de groep waarop het onderzoek zich richt. Mevrouw Strik vroeg of ik de Kamer wil informeren over de uitkomst van dat onderzoek en eventuele maatregelen. Dat zal ik natuurlijk graag doen.


Brondocumenten


Historie