Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Rappelabele toezeggingen Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Vooruitblik voor juli 2018 tot januari 2019)



Dit is het rappel vanaf 02-07-18 tot 02-01-19.

 




Toezegging Versterken rol van kerken in het Caribisch deel van het Koninkrijk (34.300 IV / CXIX) (T02324)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Dijk (SGP), toe de rol van de kerken in het Caribisch deel van het Koninkrijk bij de bestrijding van armoede, jeugdproblematiek, prostitutie, criminaliteit en dergelijke, waar mogelijk, aan te jagen en de samenwerking tussen kerken en de overheid te bevorderen.


Kerngegevens

Nummer T02324
Status voldaan
Datum toezegging 21 juni 2016
Deadline 1 november 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Mr. D.J.H. van Dijk (SGP)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Caribisch Nederland
kerkelijke instellingen
Kamerstukken Werkbezoek Caribisch deel Koninkrijk april 2016 (CXIX)
Begrotingsstaten Koninkrijksrelaties en BES-fonds 2016 (34.300 IV)


Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr. 35, item 3, blz. 6

Diederik van Dijk (SGP):

Sprekend over armoede, jeugdproblemen, prostitutie en criminaliteit wijs ik ook op de rol die de vele kerken op deze eilanden kunnen spelen. De secularisatie heeft op deze eilanden niet toegeslagen; de overgrote meerderheid van de bevolking is kerkelijk. Wordt het sociaal en moreel kapitaal van kerken en ook van allerlei maatschappelijke organisaties benut door de diverse overheden? Op welke wijze kan dit verder worden bevorderd?

Handelingen I 2015-2016, nr. 35, item 9, blz. 41.

Diederik van Dijk (SGP):

Op één punt heb ik geen reactie gekregen, namelijk de mogelijke rol die de kerken zouden kunnen spelen op deze eilanden. Ik moest even denken aan een boekpresentatie waar ik ooit bij was in 2010. Daar zei Alexander Pechtold bij de presentatie van een boek van James Kennedy dat hij een groot voorstander is van de scheiding van kerk en staat, maar niet van de scheiding van kerk en straat. Juist bij armoedebestrijding en het tegengaan van allerlei sociale problemen kunnen kerken en maatschappelijke organisaties heel veel betekenen. Het is ook overheidsbeleid om juist de eigen kracht van de samenleving te benutten, met inbegrip van familie en maatschappelijke verbanden. Is de minister bereid om met de betreffende overheden te bezien op welke wijze het sociale kapitaal van die kerken, die nog zeer groot en bloeiend zijn op deze eilanden, kan worden benut in de strijd tegen armoede, jeugdproblematiek, prostitutie, criminaliteit en dergelijke? Ik hoop dat de minister daar nog even op wil ingaan.

Handelingen I 2015-2016, nr. 35, item 9, blz. 47-48.

Minister Plasterk:

De heer Van Dijk vroeg naar de rol van de kerken. Het geval wil dat ik vorige week op Curaçao in een gezelschap zat met wat mensen uit het maatschappelijk middenveld. We spraken over met name het probleem van de ontbrekende vaders. De moeders werken en moeten daarnaast de opvoeding doen, terwijl de vader in de "snack", het lokale café, bier zitten te drinken. Ik heb toen ook gevraagd of de kerken daar niks aan doen. Want we kunnen wel proberen van overheidswege invloed in die gezinnen te krijgen, maar dan gebruiken we meteen de statelijke kant. Ik kan me voorstellen dat de pastoor — in dit geval gaat het voornamelijk om rooms-katholieken — een veel grotere invloed kan hebben. Ik heb toen dus uit eigener beweging al geprobeerd dat onderwerp ter sprake te brengen.

Het antwoord is overigens dat men, voor zover men naar de kerk gaat, zich daardoor niet altijd laat leiden in het gedrag. Ik ben het er echter zeker mee eens dat op de zes eilanden de kerken een grote rol spelen in het maatschappelijk middenveld. Op het ene eiland is dat de katholieke kerk en op het andere eiland zijn dat weer andere kerken. Vooral voor de mensen die ter plekke politiek bedrijven is het, denk ik, verstandig zich dat te realiseren en daar een goede samenspraak mee te hebben.

Diederik van Dijk (SGP):

Ik ben heel blij dat de minister het punt herkent en er zelfs al een punt van heeft gemaakt. Is hij bereid om dit punt waar mogelijk aan te jagen, zodat het niet incidenteel blijft? Er is, denk ik, best wat te winnen op dit terrein.

Minister Plasterk:

Dat zeg ik toe. De heer Van Dijk sprak nog over de scheiding van kerk en staat. Die is hier helemaal niet in het geding. Het gaat om belangrijke organisaties die een grote rol spelen in het sociaal werk en het maatschappelijk werk, maar ook in de morele opvoeding, als je dat zo zou willen noemen. Het lijkt me goed om daar goed contact mee te hebben en de synergie te zoeken met wat soms het overheidsbeleid is. Dat zeg ik dus toe.


Brondocumenten


Historie







Toezegging In het implementatieprogramma aandacht besteden aan het belang van een goede informatiepositie van burgers bij participatie en invoeringsregelgeving daarop aanpassen (33.118) (T02431)

De minister van Infrastructuur en Milieu zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Verheijen (PvdA), toe dat zij zal bezien hoe in het implementatieprogramma aandacht besteed kan worden aan het belang van een goede informatiepositie van burgers bij participatie. Daarnaast zal zij in de invoeringsregelgeving ook nadere regels stellen over de kwaliteit en de beschikbaarheid van omgevingsdocumenten en gegevens om de deugdelijkheid en de toegankelijkheid van gegevens te borgen.


Kerngegevens

Nummer T02431
Status openstaand
Datum toezegging 30 mei 2017
Deadline 1 januari 2021
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Infrastructuur en Milieu
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Drs. L.H.J. Verheijen (PvdA)
Commissie commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen informatiepositie
participatie
Kamerstukken Omgevingsrecht (33.118)


Uit de stukken

Handelingen I 2016-2017, nr. 29, item 7, blz. 7-59

De heer Verheijen (PvdA):

(...)

De wet kent wel een belangrijke participatieverplichting richting de burgers. Omdat deze is gekoppeld is aan grootschalige digitalisering, wordt het een kwetsbaar onderdeel van het stelsel. Onze vragen hebben met name betrekking op de wijze waarop burgers informatie van de overheid zouden kunnen toetsen. We spraken hierover eerder dit jaar in deze Kamer, in het debat over de milieueffectrapportageverplichtingen. De minister zei toen dat het volgens haar heel belangrijk is dat er goede professionele informatie en toetsingsfaciliteiten zijn om de informatietegenmacht van burgers goed te kunnen organiseren. Op mijn vraag om te bezien of daar nog een gat zit, een vacuüm, zei zij toe dat te doen en dat we dat maar in een nader overleg moesten bespreken. Ik zei toen dat wij het zeer op prijs zouden stellen als we in een verder debat conclusies zouden kunnen trekken die ertoe leiden dat burgers gebruik kunnen maken van een neutrale faciliteit om overheidsinformatie te kunnen toetsen. Daarom verzoeken wij de regering ons te laten weten in welke mate zij kan toezeggen dat in een onafhankelijke faciliteit kan worden voorzien, zodat op verzoek van belanghebbenden in een zo vroeg mogelijk stadium de door de overheden verstrekte onderbouwing van plannen en projectbesluiten kan worden getoetst op toegankelijkheid — dat is een belangrijke voorwaarde — en kwaliteit. Als dat namelijk niet gebeurt, is het risico zeer groot dat onderzoekslasten en elkaar tegensprekende informatievoorziening leiden tot een veelheid van juridische procedures, die qua energie en geld waarschijnlijk meer kosten dan het tegemoetkomen van de burger hierin en het voorzien in een dergelijke neutrale faciliteit. Op welke wijze kan deze suggestie worden opgenomen in de invoeringswet of het invoeringsbesluit?

(...)

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

(...)

Ik kom op de vraag van de heer Verheijen over het onderzoeken van een second opinion. Ik heb die vraag nu hiertussen gestopt. Hij heeft mij al eerder gevraagd of er met een facultatief advies van de Commissie voor de m.e.r. voor projecten geen gat ontstaat, waarbij burgers nergens terechtkunnen als zij een second opinion willen onderzoeken. Ik heb aangegeven dat ik dat zou bekijken en ik heb dat ook gedaan. Ik vind het, net als u, heel belangrijk dat de kwaliteit van de gegevens die overheden gebruiken, goed is geborgd. Wat mij betreft moet de kwaliteit vooral vooraf goed geborgd zijn. Ik heb liever niet achteraf een toets, maar vooraf kwaliteit, toegankelijkheid en zekerheid. Ik ben van plan om dat te gaan doen door nadere regels te stellen aan de kwaliteitsborging en de beschikbaarstelling van omgevingsdocumenten of gegevens in het DSO. Voor het meten en rekenen ten bate van nationale regels stel ik bijvoorbeeld in de omgevingsregeling een meet- en rekenvoorschrift op.

Er zijn op dit punt in de Tweede Kamer twee moties aangenomen van de leden Veldman en Çegerek. De motie op stuk nr. 58 gaat over decentrale omgevingswaarden. Decentrale overheden moeten gebruikmaken van inhoudelijk gevalideerde en onafhankelijke onderzoeken. Ik zal dat ook in de invoeringswet opnemen. De motie op stuk nr. 59 gaat over meet- en rekenvoorschriften. Ook op dat punt zal ik in het invoeringsspoor een voorziening treffen om centraal regels te kunnen stellen als dat nodig is. Ook in de Omgevingswet is voor grote, complexe projecten met maatschappelijk belang geborgd dat er op verzoek van derden een onafhankelijk onderzoek kan worden gedaan naar alternatieven die tijdens de verkenning zijn ingediend.

(...)

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

Ik was gebleven bij de beantwoording van de vraag van de heer Verheijen over een onafhankelijke faciliteit. Nogmaals: ik vind het belangrijk om recht te doen aan ingediende alternatieven. Dat past bij een participatiemaatschappij. Daarom wil ik ook digitale omgevingsloketten hebben. Die moeten gevalideerde gegevens hebben die voor iedereen toegankelijk zijn, niet alleen voor overheden, maar ook voor burgers. Instituten, zoals het RIVM enzovoorts, moeten de gegevens bekijken om ze te kunnen valideren. Dan heb je al de tweede toets te pakken. Ik zal, naar aanleiding van de motie-Smaling, in het Omgevingsbesluit regelen dat het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat de benodigde informatie voor participatie bij de projectprocedure op een toegankelijke wijze beschikbaar is. Als de kwaliteit van de gegevens goed is, gaat het vooral om de vraag hoe die gegevens worden gebruikt. Daarover kan in het participatietraject vroegtijdig helderheid komen.

Ik zou het niet wenselijk vinden om een aparte faciliteit in het leven te roepen. Als er een faciliteit is die alles altijd moet narekenen en iedereen dat gaat doen, kan dat enorm vertragend werken. Ik wil de zorg van de heer Verheijen het liefst wegnemen door ervoor te zorgen dat alle gegevens aan de voorkant betrouwbaar en gevalideerd zijn.

De heer Verheijen (PvdA):

Dat is helder. Het ging mij met name om de toegankelijkheid. We hebben net een debat gehad over mensen die minder geletterd zijn. Dat is een zorggroep, maar ook de mensen die normaal gesproken de krant goed kunnen lezen en duiden, zullen moeite hebben om de ingewikkelde en vaak geabstraheerde informatie die beschikbaar komt in de informatiehuizen, op hun eigen situatie te kunnen projecteren en toepassen. Een hulplijn is dan vaak nuttig. We kennen bij verschillende ministeries hulplijnen die burgers ondersteunen. Die kunnen ook helpen bij de validering van informatie. Ze kunnen niet alleen de toegankelijkheid verbeteren, maar ook de vraag beantwoorden of dit de actueelste informatie is die beschikbaar is. Mijn zorg en vraag is hoe we in het heel ingewikkelde stelsel dat het DSO is, herkenbaar voor burgers kunnen neerzetten dat ze daar hun hulpvraag kunnen stellen.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

Dat is een belangrijk vraagstuk. Bij de inrichting van het DSO moeten we bekijken hoe we het zo toegankelijk mogelijk kunnen maken voor burgers, en niet alleen voor overheden, die daar misschien net iets beter in zijn. Ik wil de validering regelen door ervoor te zorgen dat er alleen cijfers in staan die gevalideerd zijn. Dat is nu de problematiek. Nu moet iedereen zelf zijn rapportje laten maken. Je kunt daarvoor een adviesbureau inhuren, maar anderen hebben geen toegang tot die gegevens. Eigenlijk heb je nu helemaal niets. Straks zit het allemaal in informatiehuizen. Sommige informatie is al heel goed en gevalideerd, maar andere informatie bevindt zich nog op het beginpunt. We hebben nog jaren te gaan voordat we dit goed kunnen doen. De heer Verheijen vraagt mij om ervoor te zorgen dat als we het straks openbaar maken, het ook gevalideerd is. Dat gaan we zeker doen. Maar het moet ook begrijpelijk zijn voor burgers; daar zal ik naar omkijken.

De heer Verheijen (PvdA):

Ik kom daarop terug in de tweede termijn.

(...)

De heer Verheijen (PvdA):

Ik kom ten slotte op het DSO, de vormgeving van de informatiehuizen en de positie van de burger daarbij. We hebben natuurlijk nadrukkelijk geconstateerd dat de financiële dekking voor het totale stelsel, inclusief het DSO, nog niet beschikbaar is. Er zal dus zeker een beroep worden gedaan op het nieuwe kabinet, maar ook op de lagere overheden om daar voldoende dekking voor te waarborgen. Dat is dan ook de voorwaarde voor inwerkingstelling. De minister heeft toegezegd dat zij wil borgen dat daar ook voor burgers heldere ondersteuning gegeven gaat worden voor de kwaliteit en de betrouwbaarheid van die informatie. Ik dien een motie in waarin dat wordt bevestigd en die kan worden gebruikt bij toetsing van de invoeringswet en het invoeringsbesluit.

De voorzitter:

Door de leden Verheijen, Vos, Sini, Bikker en Diederik van Dijk wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende:

dat de Omgevingswet een sterk beroep doet op de bereidheid van burgers om actief deel te nemen aan inspraak- en participatieprocedures;

dat de overheden ten behoeve van de gegevensvoorziening onder de Omgevingswet een digitaal stelsel instellen;

dat het wenselijk is dat burgers ondersteuning kunnen krijgen bij het zoeken naar de juiste informatie;

dat het gewenst is dat de betrouwbaarheid van de gegevens in het digitaal stelsel geborgd is;

verzoekt de regering om in het implementatieprogramma aandacht te besteden aan het belang van een goede informatiepositie van burgers bij participatietrajecten en bij de invoeringsregelgeving de kwaliteit en de toegankelijkheid van de gegevens in het digitaal stelsel te borgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter S (33118).

(...)

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

(...)

Ik kom bij de heer Verheijen van de PvdA. Hij heeft op een aantal punten gewezen en heeft gezegd dat hij blij is dat daar meer aandacht voor komt of meer zekerheid over komt, bijvoorbeeld over luchtkwaliteit. Hij heeft ook gesproken over het DSO en de duidelijkheid voor de burger. In hoeverre kun je als burger in die wirwar aan gegevens met zekerheid conclusies trekken? Hij heeft een motie daarover ingediend, op letter S, waarin hij vraagt om in het implementatieprogramma aandacht te besteden aan het belang van een goede informatiepositie van burgers bij participatietrajecten en bij de invoeringsregelgeving de kwaliteit en de toegankelijkheid van de gegevens in het digitaal stelsel te borgen. Ik zie de motie als ondersteuning van beleid. In het nieuwe stelsel worden burgers ook in staat gesteld om actief deel te nemen. Ik begrijp zijn zorgen over de beschikbaarheid van betrouwbare informatie voor burgers om echt te kunnen participeren. We moeten allemaal nog een beetje wennen aan onze nieuwe rol. Onderdeel van de implementatie is de Inspiratiegids Participatie Omgevingswet. Die is voor burgers.

Daarnaast wil ik bezien hoe in het implementatieprogramma aandacht besteed kan worden aan het belang van een goede informatiepositie van burgers bij participatie. Ik zal in de invoeringsregelgeving ook nadere regels stellen over de kwaliteit en de beschikbaarheid van omgevingsdocumenten en gegevens om de deugdelijkheid en de toegankelijkheid van gegevens te borgen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Het ontwikkelen van een eenduidig toetsingskader waarin de grondslagen voor het afwijken van het basisbeschermingsniveau helder worden beschreven (33.118) (T02441)

De minister van Infrastructuur en Milieu zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Teunissen (PvdD), toe dat zij een eenduidig toetsingskader zal ontwikkelen waarin de grondslagen voor het afwijken van het basisbeschermingsniveau helder worden beschreven ten aanzien van geur en trillingen. Dit kader zal worden opgenomen in de nota van toelichting.


Kerngegevens

Nummer T02441
Status voldaan
Datum toezegging 30 mei 2017
Deadline 1 januari 2019
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Infrastructuur en Milieu
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Drs. C. Teunissen (PvdD)
Commissie commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen basisbeschermingsniveau
toetsingskader
Kamerstukken Omgevingsrecht (33.118)


Uit de stukken

Handelingen I 2016-2017, nr. 29, item 7, blz. 53-59

Mevrouw Teunissen (PvdD):

(...)

In die zin lijkt de visie van de minister af te wijken van die van de onderzoekers. Ook wijkt haar visie af van die van het RIVM — dat is tenminste de opvatting van onze fractie — dat spreekt van een fundamenteel ander juridisch construct in de Omgevingswet waardoor niet zonder meer gesproken kan worden van een gelijkwaardig beschermingsniveau. Het RIVM stelt dat gemeenten gemotiveerd kunnen afwijken van het beschermingsniveau voor geur, geluid en trillingen. Verder stelt het RIVM: "Hoe aan de beoordelingsvrijheid invulling zal worden gegeven is nog onzeker, zodat niet bij voorbaat vast te stellen is dat sprake is van gelijkwaardigheid." We mogen niet in het ongewisse laten of sprake is van een gelijkwaardig beschermingsniveau of niet bij het afwijken van het beschermingsniveau voor geur, trillingen en geluid. Daarom dien ik de volgende motie in.

De voorzitter:

Door de leden Teunissen, Koffeman, Vos, Meijer en Wezel wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat van de immissienormen voor geluid, geur en trillingen bij het vaststellen van het omgevingsplan gemotiveerd kan worden afgeweken van het basisbeschermingsniveau;

overwegende dat volgens de kwalitatieve beschouwing van de concept-AMvB's onder de Omgevingswet door het RIVM hierbij sprake is van een fundamenteel ander juridisch construct waardoor niet zonder meer kan worden gesproken van een gelijkwaardig beschermingsniveau;

overwegende dat men om zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende maatschappelijke belangen zelfs permanent kan afwijken van deze immissienormen;

overwegende dat afwijken van het basisbeschermingsniveau kan leiden tot gezondheidsschade;

verzoekt de regering, een eenduidig toetsingskader te ontwikkelen waarin de grondslagen voor het afwijken van het basisbeschermingsniveau helder worden beschreven,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter U (33118).

(...)

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

(...)

De Partij voor de Dieren heeft verder aandacht gevraagd voor de gelijkwaardigheidsdiscussie met het RIVM. Daarvan heb ik al gezegd dat het tweeledig geïnterpreteerd kan worden. Het RIVM zegt dat het wel kan, maar dat je dan afhankelijk bent van gemeenten voor de invulling ervan. Omdat de Partij voor de Dieren zich zorgen hierover maakt, heeft zij een motie ingediend ten aanzien van een toetsingskader bescherming tegen geur, geluid en trilling. De motie verzoekt de regering een eenduidig toetsingskader te ontwikkelen waarin de grondslagen voor het afwijken van het basisbeschermingsniveau helder worden beschreven. Ik beschouw deze motie als ondersteuning van beleid. Ik zal dit ook opnemen in de nota van toelichting. Dat gaat dan alleen over geur en trillingen, want van de binnenwaarde geluid mag je niet afwijken, aangezien die al vastligt. Dus dat onderdeel zie ik niet als ondersteuning. Ik zal aangeven wat onder "zware economische omstandigheden en maatschappelijke omstandigheden" wordt verstaan en welke eisen voor de motivering gelden. Als ik de motie zo mag verstaan, zie ik deze als ondersteuning van beleid.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Geleidelijke afbouw taakverwaarlozing Sint Eustatius (34.877) (T02534)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van diverse leden toe, de Kamer te informeren

over de wenselijkheid van de suggestie van de Raad van State voor een eventuele geleidelijke overgang naar de reguliere situatie op Sint Eustatius en hoe een dergelijk overgangsregime er uit zou moeten zien.


Kerngegevens

Nummer T02534
Status voldaan
Datum toezegging 6 februari 2018
Deadline 1 maart 2020
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden prof. dr. S.C. van Bijsterveld (CDA)
Prof.dr. R.R. Ganzevoort (GroenLinks)
Mr. Th.C. de Graaf (D66)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Sint Eustatius
taakverwaarlozing
Kamerstukken Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius (34.877)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 23

Staatssecretaris Knops

Een aantal leden — Ganzevoort, Van Bijsterveld en De Graaf— vroegen hoe we omgaan met de suggestie van de Raad van State om de afbouw geleidelijk te doen. Dat is dus eigenlijk een situatie waarin je verkiezingen organiseert en de eilandsraad kiest, maar waarin je de regeringscommissaris bijvoorbeeld nog een tijdje in functie laat en het exe-cutieve deel belegt bij de regeringscommissaris, maar toch het democratisch deficit feitelijk probeert op te heffen. Daarvan kan ik toezeggen dat ik ga bekijken in hoeverre dat wenselijk is en hoe dat ordentelijk geregeld moet worden. Daar heb ik op dit moment nog geen concreet beeld bij. Ik sluit het ook niet uit. Ik vind dat je wat dat betreft alle opties op tafel moet houden, maar volgens mij zijn dit gewoon dingen die de komende maanden concreet bekeken moeten worden.

Kamerstukken II, 34.877, nr. 4, p. 7-8.

  • a. 
    Overgangssituatie

Het voorstel voorziet daarmee niet in de mogelijkheid van een eventuele geleidelijke overgang van de situatie waarin de regeringscommissaris alle taken uitoefent naar de reguliere. Het is echter denkbaar dat zo’n geleidelijke overgang minder disruptief is dan een plotselinge terugkeer naar de reguliere situatie. Hierbij zou bijvoorbeeld kunnen worden gedacht aan een situatie waarin de eilandsraad al wel weer geheel of gedeeltelijk in functie is, maar de regeringscommissaris nog enige tijd de taken en bevoegdheden van de gedeputeerden en/of van de gezaghebber uitoefent. Dit biedt de mogelijkheid om stap voor stap het nieuwe bestuur van Sint Eustatius te introduceren. Daarnaast kan dit zorgen voor een geleidelijke ontwikkeling naar institutionele stabiliteit, wat ook met het oog op de financiële situatie wenselijk zal zijn. De toelichting gaat niet in op de vraag waarom niet is voorzien in de mogelijkheid van een meer graduele overgang naar de reguliere verhoudingen. De Afdeling adviseert hierop alsnog in te gaan en zo nodig het voorstel aan te vullen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Autonomiedebat Caribisch Nederland (34.877) (T02536)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van het lid Kok (PVV) toe, de discussie over autonomie in Caribisch Nederland en wat de Commissie van Wijzen daarover in haar rapport heeft geschreven, te willen voeren maar niet voor de zomer van 2018.


Kerngegevens

Nummer T02536
Status openstaand
Datum toezegging 6 februari 2018
Deadline 1 januari 2021
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Mr. C.J. Kok (PVV)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen autonomie
Caribisch Nederland
Kamerstukken Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius (34.877)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 2.

De heer Kok (PVV)

Ten slotte kunnen we niet om het grote autonomie vraagstuk heen. Het loopt als een rode draad door dit dossier. De fractie van de PVV pleit ervoor om als tweede spoor gelijktijdig de optie van volledige autonomie in beeld te brengen. Te constateren is dat het kabinet wel bereid is om de visie op vergaande autonomie te accepteren, maar dat het tussenmodel van een autonoom land binnen het Koninkrijk afwijst. Hoe valt dit met elkaar te rijmen? Wat stelt de staatssecretaris zich voor bij dat "meer inhoudelijke gesprek" over autonomie? Het zelfbeschikkingsrecht ligt tenslotte bij de eilanden zelf.

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 23.

Staatssecretaris Knops

De heer Kok wierp de discussie op over een autonoom land binnen het Koninkrijk. Het is nu een openbaar lichaam. Het is geen land, maar hij probeert zich een autonoom land binnen het Koninkrijk voor te stellen. Ik wil die discussie en alle andere discussies met alle plezier voeren, maar dat lijkt me meer iets voor het debat dat nog gaat komen. Voor uw beeld zeg ik dat ik de Tweede Kamer heb toegezegd dat, hoewel de commissie daar natuurlijk aanbevelingen voordoet, dit de komende maanden niet mijn hoofdprioriteit is en dat ik me echt wil richten op het verbeteren van de relatie, het leveren en het herstel van vertrouwen. Ik ga die andere discussie niet uit de weg, maar die komt niet voor de zomer, want ik wil dat er ook van laten afhangen. Die houding heb ik wel en die wil ik ook toezeggen: ik wil uiteraard in gesprek gaan met alle eilanden over hun positie en verhouding, maar wel met respect voor de wetgeving die we met elkaar hebben afgesproken. We treden dus niet buiten de wettelijke kaders.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Voorlichtingscampagne (34.652) (T02577)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bikker (ChristenUnie), toe de voorlichtingscampagne over de taken van de Huurcommissie dit jaar te herhalen en uit te breiden naar andere doelgroepen.


Kerngegevens

Nummer T02577
Status voldaan
Datum toezegging 29 mei 2018
Deadline 1 februari 2019
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Mr. M.H. Bikker (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen huurcommissies
voorlichtingscampagne
Kamerstukken Verdere modernisering van de Huurcommissie en introductie van een verhuurderbijdrage (34.652)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 31, item 5, p. 16-17

Minister Ollongren: Mevrouw Bikker had ook nog een aantal wat specifiekere vragen over de bekendheid van de Huurcommissie. Ik heb daar al het een en ander over gezegd. Misschien kan ik daaraan toevoegen dat in het najaar van vorig jaar door mijn departement een voorlichtingscampagne is gedaan, gericht op studenten, om ook hen te wijzen op de mogelijkheid om naar de Huurcommissie te gaan. Een toets op de aanvangsprijs is een van de onderdelen die daarbij onder de aandacht zijn gebracht. Die campagne zal dit jaar herhaald worden. Dan gaan we ook kijken hoe we andere doelgroepen van huurders zouden willen bereiken. Het is voor studenten gedaan en we willen het wat verbreden. In een aantal gemeenten zijn er zogenaamde huurteams die voorlichting geven en huurders helpen bij hun gang naar de Huurcommissie.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Goed dat de minister die communicatieinzet gaat plegen. Dank voor de toezegging dat dit verder gestalte gaat krijgen. Ik zou de minister willen vragen om op te trekken met de gemeenten waar de nood het hoogst is, om te zien welke doelgroepen het nodig hebben om hiervan meer kennis te krijgen, zodat we de mensen bereiken waar de pijn zit en zij ook de weg naar de Huurcommissie vinden.

Minister Ollongren: Dat lijkt mij een heel terecht punt. Het is voor een deel op te lossen door wat ik net vertelde, door de campagne die gericht was op studenten uit te breiden naar andere doelgroepen. Omdat er lokaal grote verschillen zijn, denk ik dat het heel belangrijk is dat gemeenten ook heel goed kijken welke doelgroepen relevant zijn. Dat zal ook gebeuren door die huurteams. In de gesprekken die ik heb met de regio, zal ik daar ook aandacht voor hebben.


Brondocumenten


Historie