34.877

Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius



Met dit wetsvoorstel worden voorzieningen getroffen in verband met de grove taakverwaarlozing van het bestuur van het openbaar lichaam Sint Eustatius.

Met het oog op beëindiging daarvan zal een regeringscommissaris in de plaats treden van de bevoegde overheidsorganen op Sint Eustatius, tot het moment dat deze in staat worden geacht hun taken weer naar behoren te kunnen vervullen.

Aanleiding is het advies van de commissie van wijzen voor Sint Eustatius, die zich op verzoek van de Minister (thans Staatssecretaris) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft gebogen over de bestuurlijke situatie in het openbaar lichaam.

De conclusie van de commissie luidt dat de huidige bestuurlijke situatie wordt gekenmerkt door wetteloosheid, financieel wanbeheer, het negeren van ander wettelijk gezag, discriminatie, intimidatie, bedreigingen en beledigingen en het nastreven van persoonlijke macht, wat het bestuur en de inwoners van Sint Eustatius te veel schade berokkent. De commissie ziet geen mogelijkheden meer om de bestuurlijke situatie in goed overleg te herstellen, nu het bestuur van Sint Eustatius die weg door de wijze waarop het zich opstelt richting Nederland definitief heeft afgesloten.

Ook wordt voorzien in de nodige ondersteunende maatregelen gericht op het duurzaam verbeteren van de bestuurlijke, economische en maatschappelijke situatie in Sint Eustatius.

Deze samenvatting is gebaseerd op het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zoals ingediend bij de Tweede Kamer.


Stand van zaken

Tweede Kamer
Schriftelijke voorbereiding
Eerste Kamer
Afkondiging
Staatsblad(en)

Het voorstel (TK, 2) is op 6 februari 2018 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer.

De Eerste Kamer heeft het voorstel op 6 februari 2018 na stemming bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen.

De Eerste Kamercommissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL) heeft op 16 november 2018 de brief (EK, F) van de staatssecretaris van BZK met betrekking tot de kwartaalrapportage Sint Eustatius ontvangen. De commissie heeft op 30 november 2018 middels een brief hierop gereageerd.

Naar aanleiding van de brief (EK, A + rapportPDF-document en bijlagenPDF-document) van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) van 5 februari 2018 inzake het rapport van de Commissie van Wijzen over het functioneren van het bestuur van het openbaar lichaam Sint Eustatius, vond er op 6 februari 2018 (in de ochtend) een technische briefing voor de leden van de Eerste Kamercommissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL) plaats. De commissie heeft dezelfde dag het mondeling eindverslag (EK, B) uitgebracht.

Op 6 maart 2018 heeft de commissie besloten in het najaar van 2018 een mondeling overleg/beleidsdebat te gaan voeren met de staatssecretaris van BZK over de situatie in Caribisch Nederland. De commissie heeft op 2 oktober 2018 besloten het mondeling overleg/beleidsdebat aan te houden tot na ontvangst van de voorlichting van de Raad van State en de kabinetsreactie daarop.

De commissie heeft op 6 maart 2018 kennis genomen van de brief (EK, C) van de staatssecretaris van BZK van 22 februari 2018 inzake werkbezoek aan Sint Eustatius en Sint Maarten en aanbieding van de 28e voortgangsrapportage van de Voortgangscommissie Sint Maarten over de plannen van aanpak politie en gevangenis.


Kerngegevens

ingediend

2 februari 2018

titel

Voorziening in het bestuur van het openbaar lichaam Sint Eustatius (Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius)

schriftelijke voorbereiding

ondertekening

inwerkingtreding

  • 1. 
    Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de wet zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met het moment van bekrachtiging van het voorstel van deze wet.
  • 2. 
    In afwijking van het eerste lid werkt artikel 10 terug tot en met het tijdstip waarop het voorstel van deze wet is ingediend bij de Staten-Generaal.
  • 3. 
    Deze wet vervalt met ingang van de dag na de datum waarop overeenkomstig artikel 8, vierde lid, de benoemde leden tot de eilandsraad zijn toegelaten, met uitzondering van:
  • a. 
    artikel 2, zesde lid, dat vervalt met ingang van de dag waarop de eilandsraad een nieuwe eilandgriffier heeft benoemd;
  • b. 
    artikel 9, dat vervalt met ingang van de dag waarop de zittingsperiode van de leden van de gekozen eilandsraad en van de door die eilandsraad benoemde eilandgedeputeerden, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, eindigt.

Documenten

Filter op:
       
Filter op:
     

Sociale media menu


Volg via