Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Rappelabele toezeggingen minister voor Rechtsbescherming (Rappel februari 2019)



Dit is het rappel tot 02-01-19.

 




Toezegging Rechtspositie jeugdigen bij toepassing vrijheidsbenemende maatregelen (30.644) (T00969)

De minister van Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van de motie Quik-Schuijt c.s., toe dat voor de lacunes in de rechtspositieregelingen van jeugdigen een aanvullende regeling zal worden getroffen. Daarbij zal aansluiting worden gezocht bij de beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in afwachting van de harmonisatie van de rechtspositieregeling in de gesloten jeugdzorg, de BOPZ en de LVG, zoals reeds toegezegd in de motie Çörüz in de Tweede Kamer.


Kerngegevens

Nummer T00969
Status openstaand
Datum toezegging 16 december 2007
Deadline 1 juli 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Jeugd en Gezin (Hoofdverantwoordelijke)
Minister van Veiligheid en Justitie (Hoofdverantwoordelijke)
Minister van Justitie
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming (Hoofdverantwoordelijke)
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden mr. A.C. Quik-Schuijt (SP)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen gesloten jeugdzorg
rechtspositie
Kamerstukken Jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet in gesloten setting (gesloten jeugzorg) (30.644)


Uit de stukken

Handelingen I 2007-2008, nr. 15 - blz. 663

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Het enige punt dat voor mij resteert, is de motie. In de motie wordt een punt aan de orde gesteld, waaraan de regering ook zelf in de komende tijd aandacht wil schenken en wel de rechtspositie en rechtsbescherming van jeugdigen en anderen in een gesloten setting. Wij werken hieraan met de minister van VWS en de staatssecretaris van Justitie. Ik verzeker de Kamer dat wij het vullen van de leemtes en het harmoniseren van de rechtspositieregelingen, in de motie toegespitst op jeugdigen met ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen, voortvarend ter hand zullen nemen. Samen met minister Klink werk ik naar aanleiding van de evaluatie van de wet Bopz aan de gevolgen die deze wet heeft voor rechtspositionele vragen. Daarbij zullen wij zeker ook aandacht besteden aan de verhouding tussen kwaliteitswetgeving en de regeling van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Dat laatste betreft uiteraard de vrijwillige setting. Ik wijs hierop, omdat het belangrijk is te weten dat wij dit onderwerp vanuit een aantal oogpunten ter hand hebben genomen. In de motie wordt geconstateerd dat er sprake is van verschillende regimes voor het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen. De indieners verwijzen naar de wet Bopz. Ik maakte mede naar aanleiding daarvan melding van de herziening en vervanging van de wet Bopz, die ik samen met mijn collega Klink ter hand heb genomen. Verder verwijzen zij naar de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en wat er in het wetsvoorstel is neergelegd. Men noemt het voorliggende wetsvoorstel terecht, want er wordt wel een aantal aspecten van de rechtspositie in geregeld, ook al is er geen paragraaf opgenomen over de rechtspositie. Ik noem het verlof, de verschillende onderdelen van het hulpverleningsplan, waarbij sprake kan zijn van dwang, en de procedure voor het tot stand brengen van zo'n hulpverleningsplan. Het gaat de indieners dus kennelijk niet om het ontbreken van een rechtspositionele regeling, maar om de vermeende onvolledigheid ervan. Het is de bedoeling van minister Rouvoet en mij om resterende lacunes door middel van een richtlijn van de inspectie van een regeling te voorzien. Dat is ons inziens goed mogelijk. In de motie wordt terecht gesuggereerd om daarbij aansluiting te zoeken bij de bepalingen van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Wij kunnen ook overwegen om een aantal elementen als een standaardverzekering of waarborg onder te brengen in de procedure van het behandelingsplan. Dat betekent dat wij hebben gekozen voor de weg van een inspectierichtlijn. Daarbij willen wij aansluiten op de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en vooruitlopen op de wetgeving die wij samen met onze collega's Klink en Albayrak tot stand zullen brengen. Ik hoop dat ik de indieners uit deze toezeggingen over wat wij doen en nog gaan doen, concluderen dat voldoende is tegemoetgekomen aan het dictum van de motie. Het lijkt mij belangrijk dat ik dit aan het eind van de behandeling van het wetsvoorstel uitspreek.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP): Voorzitter. Ik bedank de ministers hartelijk voor hun toezegging en trek de motie in.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Gelijktijdige evaluatie Voorwaardelijke veroordeling en voorwaardelijke invrijheidstelling en Rechterlijk gebieds- of contactverbod (32.551/32.319) (T01510)

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de heer Mr. F. Teeven zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Broekers-Knol (VVD), toe dat hij de evaluaties van bovengenoemde wetten gelijktijdig zal uitvoeren. Indien er na de aan de Tweede Kamer toegezegde termijn van drie jaar nog geen volledige evaluatie kan zijn, zal de regering de Kamer hierover berichten.


Kerngegevens

Nummer T01510
Status voldaan
Datum toezegging 8 november 2011
Deadline 1 januari 2019
Voormalige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden mr. A. Broekers-Knol (VVD)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen evaluatie
Rechterlijk gebieds- of contactverbod
voorwaardelijke invrijheidstelling
voorwaardelijke veroordelingen
Kamerstukken Rechterlijk gebieds- of contactverbod (32.551)
Voorwaardelijke veroordeling en voorwaardelijke invrijheidstelling (32.319)


Uit de stukken

Handelingen I 2010-2011, nr. 6- blz. 33

Mevrouw Broekers-Knol (VVD):

(...)

"Het tweede punt is maar heel klein. Zullen de evaluaties van wetsvoorstel 32551 en die van wetsvoorstel 32319 tegelijkertijd plaatsvinden? Van het ene weten wij het, maar van het andere weten wij het nog niet zeker."

Handelingen I 2010-2011, nr. 6- blz. 36

Staatssecretaris Teeven:

"Mevrouw Broekers heeft gevraagd of de evaluaties van de twee wetten gelijktijdig kunnen worden uitgevoerd. Ik zal de evaluaties samenvoegen en de termijn aanhouden die is toegezegd aan de Tweede Kamer, zijnde binnen vijf jaar."

Handelingen I 2010-2011, nr. 6- blz. 36

Mevrouw Broekers-Knol (VVD):

"Ik heb in de stukken gezien dat de minister van Veiligheid en Justitie in de Tweede Kamer heeft toegezegd dat wet 32551 na drie jaar zou worden geëvalueerd. Ik hoor de staatssecretaris nu vijf jaar zeggen."

Handelingen I 2010-2011, nr. 6- blz. 36

Staatssecretaris Teeven:

"Als in de stukken staat dat wij aan de Tweede Kamer hebben toegezegd dat het drie jaar is, houden wij ons uiteraard aan de termijn van drie jaar. Ik ga ervan uit dat mevrouw Broekers het goed heeft gelezen. Wij berichten de Kamers uiteraard als er na drie jaar nog geen volledige evaluatie kan zijn. Die situatie kan ik mij voorstellen. Ik heb alle vragen beantwoord."


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evaluatie wetsvoorstel over vijf jaar (32.044) (T01696)

De minister van Veiligheid & Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Quik-Schuijt en Strik, toe het wetsvoorstel over vijf jaar te evalueren.


Kerngegevens

Nummer T01696
Status openstaand
Datum toezegging 26 maart 2013
Deadline 1 januari 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden mr. A.C. Quik-Schuijt (SP)
mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen evaluatie
Wet herziening ten nadele
Kamerstukken Wet herziening ten nadele (32.044)


Uit de stukken

Handelingen I 2012-2013, nr. 22 - blz. 32

Mevrouw Quik-Schuijt (SP): Ik zou een evaluatie op termijn heel erg op prijs stellen. Dan kan worden bekeken hoe daarmee wordt omgegaan. Misschien wil de minister daar ook nog iets over zeggen.

Mevrouw Strik (GroenLinks): Mevrouw Quik vroeg om een evaluatie. Dit punt is eerder aan de orde geweest. De minister zei toen dat er bij een evaluatie na drie jaar misschien helemaal geen zaak is om te evalueren. Zojuist sprak de minister echter over een tiental zaken dat wellicht in aanmerking komt.

Handelingen I 2012-2013, nr. 22 - blz. 34

Minister Opstelten: Laat ik duidelijk zijn over de evaluatie. Het lijkt mij relevant om die te doen over een periode van vijf jaar. Dit soort wetsvoorstellen kun je niet in een kortere periode evalueren, want dan gaan wij wellicht één zaak met elkaar behandelen. Dat moeten wij niet doen. Daarbij kunnen ook de in dit debat naar voren gekomen punten die ik niet deel aan de orde komen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evaluatie drie jaar na inwerkingtreding Transgenderwet (33.351) (T01914)

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden De Boer (GroenLinks), Quik-Schuijt (SP) en Scholten (D66), toe dat de wet drie jaar na de inwerkingtreding geëvalueerd wordt. Bij deze evaluatie zal onder andere, mede in reactie op vragen en opmerkingen van de leden Lokin-Sassen (CDA), Beuving (PvdA) en Duthler (VVD), aandacht worden besteed aan ervaringen van minderjarige transgenders en hun ouders in relatie tot de leeftijdsgrens. De staatssecretaris zegt ten slotte toe dat het Transgender Netwerk Nederland (TNN) bij de evaluatie zal worden betrokken.


Kerngegevens

Nummer T01914
Status voldaan
Datum toezegging 16 december 2013
Deadline 1 januari 2019
Voormalige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Mr.drs. M.M. de Boer (GroenLinks)
mr. A.C. Quik-Schuijt (SP)
Mr. M.C. Scholten (D66)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen evaluatie
leeftijdsgrens
transgenders
wijziging geslacht in geboorteakte
Kamerstukken Wijziging vermelding van geslacht in de geboorteakte (33.351)


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 13, item 2 − blz. 6

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Is de regering het met ons eens dat het laten vervallen van een leeftijdsgrens meer recht doet aan de diversiteit van de leeftijd waarop de problemen zich voordoen en de medische en psychologische implicaties van ieder geval afzonderlijk? Zo ja, is de regering bereid alsnog te bezien of afschaffing van het leeftijdsvereiste met behoud van ouderlijke verantwoordelijkheid conform Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel conform de WGBO als men daaraan de voorkeur zou geven, alsmede met behoud van het advies van een deskundige en de procedure bij de rechtbank, niet de voorkeur verdient? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze denkt de staatssecretaris dat te kunnen realiseren? Zo nee, is de staatssecretaris bereid tot een evaluatie op korte termijn van het thans voorgestelde stelsel?

Handelingen I 2013-2014, nr. 13, item 2 − blz. 9

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

De motie-Dijkstra waarin om een evaluatie binnen drie jaar wordt gevraagd, heeft het in de Tweede Kamer niet gehaald. Wij vinden dit onbegrijpelijk bij een zo ingrijpende wetswijziging, dit temeer daar de vertegenwoordiging van de meest belanghebbenden, TNN, ook zelf hierom vraagt. Wij hebben van TNN een vragenlijst ontvangen en verzoeken dringend een evaluatie uit te voeren en de vragen van TNN daarbij te betrekken. Het gaat in het kader van deze behandeling te ver om deze vragen te noemen, maar wij zijn bereid ze de staatssecretaris ter hand te stellen.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Wij danken de staatssecretaris voor zijn uitgebreide en adequate beantwoording van onze schriftelijke vragen. Wij noteren dat de evaluatie, wanneer daar aanleiding voor is, vervroegd kan worden uitgevoerd en dat dit bijvoorbeeld zou kunnen spelen ten aanzien van het deskundigenonderzoek. Ik heb hier gehoord dat er alle reden kan zijn om dat ook op de leeftijd te betrekken.

(...)

Naar wij aannemen zal de leeftijdsgrens worden betrokken bij de evaluatie van de wet. Kan de staatssecretaris toezeggen dat daarbij ook uitdrukkelijk de mogelijkheid en wenselijkheid van het mogelijk maken van het wijzigen van het geslacht op de geboorteakte voor minderjarigen onder de 16 zal worden betrokken?

Handelingen I 2013-2014, nr. 13, item 2 − blz. 14

Mevrouw Scholten (D66):

In de Tweede Kamer is een evaluatie van dit wetsvoorstel over vijf jaar toegezegd. Mijn fractie zou er niet tegen zijn wanneer die periode wordt bekort naar bijvoorbeeld drie jaar. Kan de staatssecretaris dit toezeggen? In die evaluatie zou de vraag kunnen worden onderzocht of de genderteams voldoende zijn in omvang of dat het aantal moet worden uitgebreid, afhankelijk van eventuele wachtlijsten. Misschien kan ook het aantal weigeringen worden onderzocht en de gronden daarvan, alsook misschien de ervaringen uit Argentinië en Portugal, waar zelfs een deskundigenverklaring niet nodig is en de transgenders zich direct bij de burgerlijke stand kunnen melden.

Mijn fractie kan zich voorshands vinden in de leeftijdsgrens van 16 jaar, hoewel zij het betoog van mevrouw Beuving kan ondersteunen. In de Tweede Kamer is een amendement verworpen met de strekking om die leeftijd waarop de transgender met toestemming van de ouders de procedure in kan gaan, te verlagen naar 12 jaar. Ik tel vooralsnog mijn knopen in deze Kamer en zal hier niet een dergelijke motie indienen. Wij wachten wel de evaluatie af, zij het dat daarbij zeker ook dient te worden betrokken de vraag hoeveel 16-minners zich melden voor hormoonbehandeling. De verwachting is namelijk dat met de leeftijdsgrens van 16 jaar voor de officiële wijziging van de vermelding, de medische vraag naar hormoonbehandeling voor jongeren, de 16-minners, zal toenemen. Als dat zo zou zijn, is er reden om de leeftijdsgrens in de komende jaren opnieuw onder ogen te zien. Deze vraag zouden wij ook graag bij de evaluatie willen betrekken.

Handelingen I 2013-2014, nr. 13, item 4 − blz. 42

Staatssecretaris Teeven:

Alle woordvoerders, mevrouw Scholten het nadrukkelijkst, hebben gevraagd of de evaluatie niet sneller kan plaatsvinden. Ik heb eerst over een langere periode gesproken. Dat is in de Tweede Kamer ook onderwerp van bespreking geweest. De eerste evaluatie zou na vijf jaar plaatsvinden. De vraag is gesteld of de evaluatie na drie jaar kan plaatsvinden. Ik wil graag toezeggen dat er na drie jaar een evaluatie plaatsvindt. Daarbij zal ook zonder meer aandacht worden besteed aan de ervaringen van minderjarigen en hun ouders in relatie tot de leeftijdsgrens. Sommige sprekers hebben immers aarzelingen over de grens van 16 jaar en zouden liever een grens van 18 jaar zien – daar heeft mevrouw Duthler over gesproken – terwijl anderen juist verwezen naar de ook in de Tweede Kamer gevoerde discussie over een lagere grens en de betrokkenheid van ouders. Naar mijn mening moet dat in de evaluatie aan de orde komen, maar ook de vraag of er voldoende deskundigen zijn aangewezen – zodat er dus geen wachtlijsten ontstaan – zou in de evaluatie aan de orde moeten komen. Er is op dit moment geen enkele reden om dat te veronderstellen, want wij denken dat er in Groningen, Leiden en Amsterdam voldoende capaciteit is. Tegen mevrouw Quik zeg ik dat het TNN vanzelfsprekend zal worden betrokken bij die evaluatie.


Brondocumenten


Historie







Toezegging In tussen- en eindevaluatie meenemen of een onbedoeld, ongewenst neveneffect is dat softwareontwikkelaars vanwege de bestsellersbepaling geen rechtspersoon oprichten, en zo nodig een wetsaanpassing initiëren (33.308) (T02137)

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen van het lid Duthler (VVD), toe om in de tussenevaluatie (na ca. 3 jaar) en in de eindevaluatie (na ca. 5 jaar) mee te nemen of een onbedoeld en ongewenst neveneffect van de Wet auteurscontractenrecht is dat softwareontwikkelaars vanwege de bestsellersbepaling geen rechtspersoon oprichten, en om, als dit neveneffect zich inderdaad zou voordoen, een wetsaanpassing te initiëren.


Kerngegevens

Nummer T02137
Status openstaand
Datum toezegging 30 juni 2015
Deadline 1 januari 2021
Voormalige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden mr. dr. A.W. Duthler (Fractie-Duthler)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen aanvullende billijke vergoeding
bestseller bepalingen
neveneffect
softwareontwikkelaars
Kamerstukken Wet auteurscontractenrecht (33.308)


Uit de stukken

Handelingen I 2014-2015, nr. 37, item 2, p. 1-3

Mevrouw Duthler (VVD):

De zogenaamde bestsellersbepaling van artikel 25d van het wetsvoorstel geeft een maker van een werk het recht om een aanvullende billijke vergoeding te eisen op het moment dat de contractueel overeengekomen vergoeding, gelet op de wederzijdse prestaties, een ernstige onevenredigheid vertoont in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie van het werk. Dat recht heeft de maker zelfs ten opzichte van een derde aan wie de wederpartij van de maker het werk vervolgens heeft overgedragen. Zoals de staatssecretaris in de nota naar aanleiding van het verslag schrijft, geldt deze bepaling niet voor software die door een werknemer in dienstverband is gemaakt. De auteursrechten liggen in zo'n geval bij de werkgever. Ook geldt deze bepaling niet voor software die in opdracht wordt gemaakt; de auteursrechten liggen in zo'n geval bij de opdrachtgever. 

In andere situaties kan de bestsellersbepaling niet bij overeenkomst buiten toepassing worden verklaard. En het gaat de VVD-fractie nu net om die andere situaties. Andere situaties die namelijk denkbaar zijn, zijn die van softwareontwikkelaars die software in een eenmanszaak maken of in een maatschap, anders in ieder geval dan in opdracht. Zij doen dit bijvoorbeeld met het doel deze te verkopen aan andere partijen in een keten of deze zelf te exploiteren. 

Stel dat deze softwareontwikkelaars een prachtig product hebben ontwikkeld dat zij willen exploiteren via het verstrekken van licenties, maar het lukt hen op de een of andere manier niet om dat zelf te doen. Zij willen geen samenwerking aangaan met een andere partij die daartoe betere papieren heeft, maar zij willen bijvoorbeeld wel de software verkopen aan een andere partij. Een reden daarvoor kan zijn dat zij de bijbehorende risico's en/of investering niet willen of kunnen dragen. Met de bestsellersbepaling van het voorgestelde artikel 25d kunnen zij dan, als de exploitatie achteraf succesvol blijkt te zijn, een beroep doen op een aanvullende billijke vergoeding. 

(...)

De VVD-fractie ziet zich voor een dilemma gesteld. Het "gat" in de wetgeving is aan de ene kant te klein om het wetsvoorstel daarom tegen te houden. Aan de andere kant is het niet ondenkbaar dat het effect is dat softwareontwikkelaars geen rechtspersoon oprichten, maar zich organiseren als eenmanszaak of maatschap. In dat geval zijn zij in de positie om achteraf een aanvullende billijke vergoeding te vragen als de exploitant een commercieel succes van hun software blijkt te maken. De staatssecretaris heeft in zijn nota naar aanleiding van het verslag aangegeven dat in de aan de Tweede Kamer toegezegde evaluatie de gevolgen van de inwerkingtreding voor de softwarebranche zullen worden betrokken. Dat biedt mogelijk een haakje om de behandeling van dit wetsvoorstel vandaag toch af te kunnen ronden. 

Ik vraag de staatssecretaris of hij bereid is om het door mij geschetste mogelijke effect in de evaluatie te betrekken en de wet aan te passen als uit de evaluatie mocht blijken dat het door de VVD-fractie geschetste effect daadwerkelijk optreedt. Dit kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit het feit dat de arbitrages of rechtszaken over specifiek dit onderwerp aanhangig zijn gemaakt. Het kan ook dat een opvallend aantal softwarebedrijven zich niet meer organiseert in een vennootschap, maar de vorm van een eenmanszaak of een maatschap blijft houden. Dat kan weer afgeleid worden uit de ledenadministratie van een brancheorganisatie. Is de staatssecretaris daartoe bereid als mogelijke oplossing van het geschetste dilemma? Wil hij kijken wat de effecten van dit wetsvoorstel zijn voor de organisatie van softwarebedrijven en nagaan of het door mij geschetste effect merkbaar is? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

(...)

Dat in die branche starters of anderen die met softwareontwikkeling bezig zijn niet overgaan tot het aangaan van een rechtspersoonlijkheid, is niet ondenkbaar, zoals mevrouw Duthler zegt. Het is echter geen bedoeld effect van deze wetsbepaling. Het is een onbedoeld neveneffect dat kan optreden. Ik ben daar minder bang voor omdat wij zien dat veel start-ups om heel andere redenen overgaan tot het aangaan van een rechtspersoonlijkheid. Mocht dat al niet gebeuren om de genoemde reden en het beroep op de bestsellerbepaling leidt tot een claim, dan is het nog niet gezegd dat die claim gehonoreerd wordt. Als het zich voordoet, is het een onbedoeld neveneffect. Het is ook ongewenst dat mensen vanwege deze bepaling langer dan noodzakelijk andere risico's nemen omdat zij geen rechtspersoonlijkheid aangaan. Wij zullen die zeker bij de evaluatie in de gaten houden. Die toezegging doe ik graag. Als uit de evaluatie blijkt dat dit een verstorend effect heeft, zullen wij daarop anticiperen en kijken hoe wij dat kunnen tegengaan. Die toezegging doe ik graag. Ik hoop met mijn inbreng een nuancering te hebben aangebracht ten aanzien van de mate waarin dit zeker niet ondenkbare gevolg zich zal voordoen. 

Mevrouw Duthler (VVD):

(...)

Ik begrijp dat de staatssecretaris het "probleem" onderkent. Het moet nog blijken hoe groot het probleem is. Hij is bereid om dit mee te nemen in de evaluatie. Wanneer voorziet hij die evaluatie? Mocht het nodig blijken te zijn, is hij bereid om de wet op dit punt aan te passen? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

(...)

Het zal enige tijd duren voor wij de ontwikkelingen goed kunnen monitoren, vooral op dit punt. Wij kunnen niet na een aantal maanden al evalueren. Na enige jaren kunnen wij enige resultaten zien en kunnen wij een eerste tussenevaluatie geven. Daar is zeker drie jaar voor nodig. Wij zullen die tussenevaluatie naar beide Kamers sturen. De twee elementen die door beide Kamers zijn gevraagd zullen wij daar integraal in opnemen.

Mevrouw Duthler (VVD):

De staatssecretaris zegt dat we minimaal drie jaar nodig hebben. Dat snap ik, want anders kun je de effecten niet goed meten. Maar we hebben nog geen maximum afgesproken. Ik stel voor om de termijn te stellen tussen de drie en de vijf jaar. Dan hebben we in ieder geval een smart meetpunt. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Dat lijkt me smart. Dus dat doen we. 


Brondocumenten


Historie







Toezegging Het informeren van de Kamer over de uitkomst van het onderzoek en eventuele maatregelen inzake huiselijk of eergerelateerd geweld (34.236) (T02453)

De minister van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Strik (GroenLinks), toe dat hij de Kamer zal informeren over de uitkomst van het onderzoek en eventuele maatregelen met betrekking tot de toegang van slachtoffers tot de opvang die een aanvraag verblijf hebben gedaan op humanitaire gronden in verband met huiselijk geweld of eergerelateerd geweld.


Kerngegevens

Nummer T02453
Status openstaand
Datum toezegging 21 februari 2017
Deadline 1 januari 2019
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Minister van Justitie en Veiligheid
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen eergerelateerd geweld
huiselijk geweld
slachtofferopvang
Kamerstukken Implementatie richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (34.236)


Uit de stukken

Handelingen I 2016-2017, nr. 19, item 5, blz. 1-4

Mevrouw Strik (GroenLinks):

(...)

Wat betreft de toegang tot de opvang zelf: in de praktijk is er volgens de minister geen obstakel, maar tegelijkertijd zal hij de problemen met de toegang gaan inventariseren en op zoek gaan naar oplossingen om het recht op opvang te garanderen voor ongedocumenteerde slachtoffers van huiselijk geweld. Dat juichen wij uiteraard toe. Bij de inventarisatie zal de minister ook degenen die een aanvraag hebben ingediend voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden, bekijken. Wij verzoeken de minister om de Eerste Kamer op de hoogte te brengen van de gevonden oplossingen naar aanleiding van zijn verkenning.

In de nadere memorie van antwoord schrijft de minister dat het hem niet bekend is hoe vaak ongedocumenteerde slachtoffers van huiselijk geweld toegang tot de opvang wordt geweigerd vanwege hun verblijfsstatus. Dat lijkt onze fractie reden te meer om ervoor te zorgen dat er in de toekomst voldoende geregistreerd en gemonitord zal worden, zodat er tijdig kan worden ingegrepen als de uitsluitingspraktijk te hardnekkig blijft doorwerken en zodat Nederland kan aantonen dat de richtlijn wordt nageleefd. Tot zover de opvang van slachtoffers van huiselijk geweld.

(...)

Minister Blok:

(...) Anderzijds gaat het om een andere groep slachtoffers, namelijk degenen die een aanvraag verblijf hebben gedaan op humanitaire gronden in verband met huiselijk geweld of eergerelateerd geweld. Zij verblijven wel rechtmatig in Nederland gedurende de looptijd van hun aanvraag. In de praktijk wordt die groep wel door de vrouwenopvang en gemeenten opgevangen. Dat is de groep waarop het onderzoek zich richt. Mevrouw Strik vroeg of ik de Kamer wil informeren over de uitkomst van dat onderzoek en eventuele maatregelen. Dat zal ik natuurlijk graag doen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Gesubsidieerde rechtsbijstand (34.775) (T02489)

De Minister van Algemene Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden De Graaf (D66), Kox (SP) en Strik (GroenLinks), toe een brief naar de Kamer te sturen over de uitvoerbaarheid van het rapport van de Commissie evaluatie puntentoekenning gesubsidieerde rechtsbijstand binnen de bestaande kaders.


Kerngegevens

Nummer T02489
Status voldaan
Datum toezegging 5 december 2017
Deadline 1 januari 2019
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Mr. Th.C. de Graaf (D66)
M.J.M. Kox (SP)
mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen rechtsbijstand
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 10, item 3 - blz. 20

De heer Kox (SP): Komend voorjaar hervatten we ons debat met de regering over de staat van de rechtsstaat. We hopen dat een breed gedeeld inzicht dat we onze rechtsstaat, die her en der door de bodem dreigt te zakken, met alle kracht moeten onderhouden en beschermen, door de regering aangevuld wordt met daadwerkelijke bijstelling van beleid waar dat nodig mocht blijken, zoals extra geld voor de gefinancierde rechtshulp, om de toegang tot rechter en rechtshulp voor iedere Nederlander overeind te houden. Wil de regering ons hier de hand reiken?

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 10, item 3 - blz. 29

Mevrouw Strik (GroenLinks): Onlangs zijn ook zorgen uitgesproken over de gefinancierde rechtsbijstand. De commissie-Van der Meer heeft becijferd dat er 127 miljoen extra bij moet om de gefinancierde rechtsbijstand op peil te houden. Bent u daarin ook een bondgenoot, om te bezien of wij daarin kunnen voorzien? Omdat dat natuurlijk ook een fundamenteel onderdeel is van de rechtsstaat

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 3 - blz. 17-18

Minister Rutte: Wat overigens de inhoud ervan betreft, formuleert het regeerakkoord een duidelijke opdracht inzake de rechtsbijstand. Het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand wordt herzien en vormgegeven langs de lijnen van de commissies-Wolfsen en -Van der Meer. De bestaande budgettaire kaders worden gehandhaafd. Er worden geen rechtsgebieden uitgesloten. Het doel is een stelsel waarbinnen kwalitatief goede rechtsbijstand wordt geleverd daar waar dat nodig is, door de rechtsbijstandsverlener die daarvoor het meest is aangewezen. Soms kan dat een juridisch loket zijn, soms is het een gespecialiseerde advocaat of een mediator. En daar gaan we dus nu aan werken langs de lijnen die uiteengezet zijn in het regeerakkoord. Het plan is dat de minister voor Rechtsbescherming zo rond de zomer van 2018 de Kamer daarover zal informeren.

De heer De Graaf (D66): Die tekst uit het regeerakkoord is bekend. Ik heb niet voor niets net gezegd dat die wat ons betreft wel wat zuinig is, juist omdat er staat "de bestaande budgettaire kaders". Eigenlijk moet je concluderen dat het rapport-Van der Meer moeilijk uitvoerbaar is binnen de bestaande kaders. Daar zit nou net de angel. Ik zou in ieder geval het kabinet willen vragen, in het bijzonder de minister voor Rechtsbescherming ... Ik zei net rechtshandhaving, maar dat zit volgens mij nou net bij die andere minister.

Minister Rutte: Rechtsbescherming.

De heer De Graaf (D66): Ja, Rechtsbescherming. De vraag ik om toch nog even ook naar deze Kamer een brief te sturen hoe hij denkt dat de commissie-Van der Meer wel kan worden uitgevoerd binnen dat bestaande kader.

Minister Rutte: Of dat we het betrekken bij het wetsvoorstel of bij de uitwerking van de plannen. Ik hoor wat de heer De Graaf zegt, maar ik kan hier natuurlijk niet ... De minister voor Rechtsbescherming en ik denk ook de minister van Justitie en Veiligheid zullen dolblij zijn met deze oproep voor meer geld, maar ik moet natuurlijk ook even de financiële balans in het hele kabinet in de gaten houden, zeker nu de penningmeester er niet is. Dus ik snap dit verzoek. Ik kan daar nu niets over zeggen, maar ik heb er goed naar geluisterd.

De heer De Graaf (D66): Ik ben blij dat de minister-president mijn woorden zo interpreteert dat het al gelijk een oproep voor meer geld was. Dat was eigenlijk niet eens de bedoeling.

Minister Rutte: Oh.

De heer De Graaf (D66): Ik vroeg alleen maar of het kabinet, bij monde van de minister voor Rechtsbescherming, nog eens kan uitleggen of binnen die bestaande kaders dat rapport-Van der Meer daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. Als je nu al op voorhand tot de conclusie komt dat dat niet kan, dan ben ik het helemaal met u eens dat er meer geld bij moet.

Minister Rutte: Dit is nog verstandiger, voorzitter. Ik ruik een tweetrapsraket, waarbij stufe 1 is om te kijken hoe de bestaande budgettaire kaders zich verhouden tot de onderzoeken, zonder al vooruit te lopen op een tweede stap. Dat is nog beter en nog verstandiger, maar goed: de minister heeft geluisterd. Bij gelegenheid.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 6 - blz. 3

De heer Kox (SP): Ten tweede is het fijn om te horen dat de minister-president bereid is om in het kader van de toegang tot het recht en de rechtshulp na te gaan of de middelen die de commissie-Van der Meer verlangt voor de gefinancierde rechtshulp, ook afdoende zijn, en daar zo nodig verder naar te kijken. Daarvoor dank.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 6 - blz. 8

Mevrouw Strik (GroenLinks): Voorzitter. Rest mij nog te zeggen dat ik blij ben met de toezegging om onderzoek te doen naar de rechtsbijstand en naar verdere ondersteuning van de Raad van Europa.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Inzet extra middelen strafrechtketen (34.775) (T02491)

De Minister van Algemene Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Barth (PvdA), toe haar in de eerste helft van 2018 te informeren over de inzet van extra middelen voor de strafrechtketen.


Kerngegevens

Nummer T02491
Status voldaan
Datum toezegging 5 december 2017
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid (Hoofdverantwoordelijke)
Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Drs. M.A.M. Barth (PvdA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen budget
ICT
strafrechtketen
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 3 - blz. 19-20

Mevrouw Barth (PvdA): Ik had hem in mijn eerste termijn nog een aantal vragen gesteld over de situatie in de strafrechtketen in brede zin. Ik heb hem vragen gesteld over ziekteverzuim bij Openbaar Ministerie en rechterlijke macht, de toestroom en de interesse voor het beroep. Ik heb gevraagd hoe het staat met ICT-projecten, communicatie en uitwisseling tussen politie, Openbaar Ministerie en rechters en hoe het staat met de oplegging en executie van taakstraffen. Wij hebben geconstateerd dat er wel in de nationale politie wordt geïnvesteerd, maar niet of nauwelijks in de zittende en staande magistratuur en wij maken ons zorgen over de kwaliteit van de strafrechtketen als geheel.

Minister Rutte: Ik heb een deel van de vragen beantwoord, over de bedragen oplopend tot 20 miljoen structureel voor de keten. Op basis daarvan zullen ook de nodige passende maatregelen op ICT-gebied worden genomen, waaronder de overdracht van een zaak naar de rechterlijke macht. Het zal nog wel enige tijd duren voordat al die keteneffecten precies zichtbaar worden. Ik dacht deze thema's deels ook te hebben behandeld in een aantal opmerkingen over het functioneren van de rechtsstaat. Maar ik hoor ook een paar vragen die ik hier niet in mijn stapeltje heb zitten. Ik kijk even of er ambtelijk goed is meegeluisterd, want dan pak ik die in de tweede termijn even terug. Die zitten er nu niet bij.

De voorzitter: Dat komt in de tweede termijn.

Mevrouw Barth (PvdA): Dat is prima, voorzitter. Ik heb ook om een aantal cijfermatige ontwikkelingen gevraagd. Het is ook prima als de minister-president ons die later op papier aanlevert.

Minister Rutte: Ik ga proberen om het mondeling te doen, want we hebben natuurlijk niet al die ambtenaren meegenomen om brieven te versturen, maar als het niet anders kan gaan we er toch eentje zoeken die een brief maakt. Maar we gaan kijken wat er in tweede termijn mondeling kan. We analyseren nog even de inbreng van mevrouw Barth op dit punt.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 6 - blz. 12

Minister Rutte: Dan de vraag over de verbetering van de ICT-systemen en de kwaliteit van communicatie en overdracht tussen politie, OM en rechterlijke macht. Over het bestuurlijk ketenberaad van de strafrechtketen is de Tweede Kamer op 28 juni van dit jaar geïnformeerd. In het kader van het ambitietraject is de ontwikkeling van de keteninformatievoorziening als een van de prioriteiten benoemd. In de eerste helft van 2018 worden de precieze doelstellingen en prioriteiten op het gebied ter besluitvorming aan het kabinet voorgelegd. Dat betekent dat op dat moment ook de op grond van het regeerakkoord beschikbaar gestelde middelen ter beschikking komen die hiervoor worden ingezet. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de digitalisering van de werkprocessen. Daarover wordt de Tweede Kamer, en gezien de vraag die hier gesteld is ook de Eerste Kamer in afschrift, nader in de eerste helft van 2018 geïnformeerd.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Re-integratie (ex-) gedetineerden (32.398) (T02560)

De minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Wezel, toe om de kabinetsreactie op het onderzoek van de Raad voor de Strafrechtstoepassingen Jeugdbescherming over de re-integratie van (ex-)gedetineerden in afschrift naar de Eerste Kamer te sturen.


Kerngegevens

Nummer T02560
Status voldaan
Datum toezegging 16 januari 2018
Deadline 1 januari 2019
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Mr. A.M.T. Wezel EMoC (SP)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen gedetineerden
re-integratie
reclassering
Kamerstukken Wet forensische zorg (32.398)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 14 - item 3, blz. 15

Mevrouw Wezel (SP):

Tot slot het laatste punt ter zake van de nazorg. Van belang is dat alle gestraften na de gevangenisstraf en na de tbs-behandeling weer goed voorbereid in de samenleving komen, voor de samenleving maar ook voor zichzelf. Uit een onderzoek van de Raad voor de Strafrechtstoepassingen Jeugdbescherming van oktober 2017 blijkt dat gemeenten, gevangenissen en reclassering gebrekkig samenwerken bij de nazorg voor gedetineerden die vrijkomen. Gemeenten worden vaak te laat en gebrekkig geïnformeerd. De nazorg is bedoeld om te voorkomen dat gedetineerden na hun vrijlating weer in de fout gaan. Die kans is klein als ze een identiteitsbewijs, onderdak, inkomen, zorgen, zo nodig, hulp bij het aanpakken van hun schuldenkrijgen. Maar dat gaat vaak mis, bijvoorbeeld omdat gemeenten niet of te laat te horen krijgen dat een gedetineerde weer op vrije voeten komt, zo concludeert de RSJ.

Handelingen I 2017-2018, nr. 14 - item 3, blz. 78

Mevrouw Wezel (SP):

Zou de minister kunnen toezeggen dat hij schriftelijk reageert op de vraag naar aanleiding van het onderzoek van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming van oktober 2017 over de gebrekkige samenwerking tussen gemeenten, gevangenissen en reclassering en over hoe dat verbeterd kan worden? Dat is dan op het gebied van nazorg, identiteit, verwijzen, onderdak, inkomen, zorg, schuldenproblematiek enzovoort.

Minister Dekker:

Het antwoord daarop is: ja, want dat soort adviezen van de RSJ krijgen altijd een reactie van het kabinet.

Mevrouw Wezel (SP):

En daar krijgen wij dan ook een afschrift van?

Minister Dekker:

Normaal gesproken krijgt de Tweede Kamer het, maar als u het wilt, dan krijgt ook u een afschrift.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Rechtsbijstand (32.399 / 31.996 / 32.398) (T02564)

De minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Strik, toe om de rechtsbijstand aan de kwetsbare doelgroepen uit de gedwongen zorgwetten als aandachtspunt mee te nemen in de herziening van het stelsel rond de rechtsbijstand.


Kerngegevens

Nummer T02564
Status voldaan
Datum toezegging 16 januari 2018
Deadline 1 januari 2019
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen advocaten
rechtsbijstand
vergoedingen
Kamerstukken Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (32.399)
Wet forensische zorg (32.398)
Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (31.996)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 14 - item 3, blz. 37

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Verder nog een punt over de rechtsbijstand. Een randvoorwaarde voor een goede rechtspositie van patiënten is de toegang tot kwalitatief goede rechtshulp. Uit het rapport van de commissie-Van der Meer kwam naar voren dat de werklast van de advocaat mede is toegenomen door een beddenreductie in de psychiatrische zorg en de tendens die hiermee samenhangt om mensen sneller naar huis te sturen. Dit zou tot gevolg hebben dat er meer voorwaardelijke machtigingen worden opgelegd. Volgens de commissie-Van der Meer geven advocaten aan dat de vergoeding van vier punten voor de voorwaardelijke machtiging niet toereikend is, omdat zij er in elk geval vijf tot zeven uur aan werken. In het regeerakkoord belooft het kabinet de aanbeveling van de commissie-Van der Meer over te nemen. Wat gaat dit betekenen voor de forfaitaire vergoeding? Mijn fractie meent dat het om een urgent probleem gaat, ook omdat vanwege de werkdruk nu vaak al niet-gespecialiseerde advocaten de belangen behartigen van heel kwetsbare cliënten.

Handelingen I 2017-2018, nr. 14 - item 3, blz. 78

Minister Dekker:

Mevrouw Strik vroeg naar de rechtsbijstand. Dat is eigenlijk een veel groter dossier. Daar ligt een enorme opgave om te kijken hoe we de middelen die we beschikbaar hebben voor rechtsbijstand, op een goede manier kunnen inzetten. Van der Meer geeft aan dat dat enorm wringt. Ik heb tegen de Tweede Kamer gezegd dat ik er heel veel waarde aan hecht om rust te brengen op dit dossier en om dit jaar met alle partners — de sociale advocatuur en de orde — te kijken of we kunnen komen tot herziening van het stelsel. Daar zal ook dit dan onderdeel van uitmaken.

Handelingen I 2017-2018, nr. 15 - item 3, blz. 14

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ten aanzien van rechtsbijstand gaf de minister voor Rechtsbescherming aan wel een verantwoordelijkheid te zien. Hij zei dat dat onderdeel is van een algemener vraagstuk. Door de commissie-Van der Meer wordt dit natuurlijk in zijn geheel bekeken. Ik wil de minister erop wijzen dat het hier gaat om de meest precaire situaties. Er wordt dwang uitgeoefend, dus er worden vrijheidsrechten ingeperkt, door de overheid ten aanzien van de meest kwetsbare groep burgers die we hebben en die kunnen zich daar niet zelfstandig tegen verweren. Er moet dus voldoende aandacht daarvoor zijn.

Handelingen I 2017-2018, nr. 15 - item 3, blz. 28

Minister Dekker:

De laatste vraag van mevrouw Strik was misschien geen vraag, maar nog eens een extra onderstreping van het aandachtspunt dat als we praten over de ondersteuning van mensen in de forensische zorg, we het ook hebben over een kwetsbare doelgroep. Volgens mij was dit overigens ook een breder punt en ging het niet alleen over forensische zorg, maar had het ook betrekking op de andere twee wetten. Ik vind het eerlijk gezegd een heel terecht punt dat dit een extra aandachtspunt moet zijn, ook als we kijken naar een herziening van het stelsel rond de rechtsbijstand. Ik neem dat graag in onze analyse mee.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dank voor deze toezegging.


Brondocumenten


Historie