Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Rappelabele toezeggingen Justitie en Veiligheid (Rappel voor juli 2018)



Dit is het rappel tot 02-07-18.

 




Toezegging De regering zegt toe bij de evaluatie van de BES-eilanden in het Nederlandse staatsbestel en bij de beoordeling of de LGO-status behouden moet blijven ook de vreemdelingenwetgeving te betrekken (32.282) (T01235)

De Minister van Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Strik, toe bij de evaluatie van de BES-eilanden in het Nederlandse staatsbestel en bij de beoordeling of de LGO-status behouden moet blijven ook de vreemdelingenwetgeving te betrekken.


Kerngegevens

Nummer T01235
Status voldaan
Datum toezegging 28 september 2010
Deadline 1 januari 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie
Minister van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid
Kamerleden mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Caribisch Nederland
LGO
Vreemdelingenwet
Kamerstukken Wijziging van de Wet toelating en uitzetting BES (32.282)


Uit de stukken

Handelingen I 2009-2010, nr. 1 - blz.

Strik (GroenLinks):

Wij vragen ons echter wel af of inderdaad voldoende is aangetoond dat één vergunningsstelsel zal leiden tot een toevloed aan migranten aldaar. Daarom vroeg ik ook in de schriftelijke behandeling naar het verschil met Frankrijk. In Guadeloupe, Frans Guyana, hebben we één stelsel. Mensen die daar een vergunning krijgen, kunnen ook naar Nederland. De regering zegt dat deze situatie niet is te vergelijken met die van de BES-eilanden, omdat daar sprake is van een veel hoger voorzieningenniveau en vanwege het feit dat ze geen toegang hebben tot de arbeidsmarkt in Europa. Ik vind het argument van het voorzieningenniveau een beetje gek. Je kunt immers zeggen dat dit zou moeten betekenen dat daar sprake is van een grote toevloed aan migranten van de Caribische gebieden om in elk geval daar gebruik te kunnen maken van dat hoge voorzieningenniveau. Gebeurt dat dan niet? Is dat niveau veel hoger dan dat op de BES-eilanden? Graag wil ik een nadere toelichting. Waarom zijn die twee situaties niet met elkaar te vergelijken, zeker als wij bijvoorbeeld ook zouden kiezen voor een beperkte toegang op de arbeidsmarkt binnen de EU?

De regering maakt liever een vergelijking met Mayotte, een wat autonomer gebied waar ook veel illegalen zouden zijn. Voor dat gebied geldt een ander vergunningstelsel waardoor mensen niet kunnen doorreizen naar Frankrijk. In de memorie van antwoord lezen wij dat Mayotte vorige week in de EU de status van ultra perifeer gebied heeft gekregen.

Ik kom terug op de vraag naar de bescherming op de BES-eilanden. Een UPG betekent ook dat de Europese richtlijnen voortaan op Mayotte van toepassing zijn. De BES-eilanden zouden, gelet op de schaal, vergelijkbaar zijn met Mayotte. De openbare lichamen, de BES-eilanden, liggen echter veel dichter bij Nederland. Zij vallen onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse regering. Ligt een UPG-status dan niet meer voor de hand dan de status van overzees gebied? Graag hier een nadere toelichting op. Dat zou namelijk betekenen dat wij de Vreemdelingenwet 2000 in zijn geheel zouden moeten toepassen op de BES-eilanden. Dan zou er sprake zijn van een meer uniforme toepassing.

Handelingen I 2010-2011, nr. 1 - blz. 21

Minister Hirsch Ballin:

Wij zullen uiterlijk na vijf jaar nader bezien of voor de BES-eilanden de overgang naar de UPG-status kan worden gemaakt. Als consequentie zou dit de volledige en rechtstreekse toepassing van het EU-recht hebben dat nu alleen in beperkte mate van toepassing is. Hetzelfde geldt trouwens voor de Caribische landen van het Koninkrijk. Op zich bestaat die mogelijkheid in het kader van de afspraken die bij het Verdrag van Lissabon zijn gemaakt. Het voornemen van het zittende kabinet is echter om vijf jaar te nemen om dit nader te beoordelen. Uiteraard kunnen er altijd omstandigheden zijn ter beoordeling van de regeringen daar en hier die aanleiding geven tot een nadere afweging. Dit is van belang omdat in ieder geval bij de Arubaanse regering de wens bestaat om die overgang te maken.

Handelingen I 2010-2011, nr. 1 - blz. 22-23

Strik (GroenLinks):

Het antwoord op mijn vraag om te onderbouwen waarom het kabinet heeft gekozen voor twee vergunningstelsels naast elkaar, was mij niet geheel duidelijk. Ik heb gewezen op het voorbeeld van Frankrijk. Levert de situatie in Frankrijk nu problemen op? De minister heeft zelf aangegeven dat wat betreft het voorzieningenniveau op Frans Guyana en Guadeloupe, waar een vergunningstelsel geldt dat hetzelfde is als dat voor het Europese deel van Frankrijk, er geen sprake is van een aanzuigende werking, niet alleen in de zin van het doorreizen naar Europa, maar ook niet in de zin dat de eilanden daar worden overbevolkt. Waarom is het kabinet er dan van uitgegaan dat er in het onderhavige geval wel sprake zou kunnen zijn van die werking, dit terwijl het voorzieningenniveau op die Franse eilanden nog hoger is dan dat op de BES-eilanden? Ook daarvan heeft het kabinet namelijk al aangegeven dat het daar nog niet zo hoog is als de levensstandaard zou rechtvaardigen. Kortom, waarom kiest het kabinet dan voor zo’n separaat stelsel?

Handelingen I 2010-2011, nr. 1 - blz. 24-25

Minister Hirsch Ballin:

Dan de LGO- en de UPG-status en de vraag naar de vergunningenstelsels van mevrouw Strik. In dit stadium van de ontwikkeling van de wetgeving voor de BES-eilanden zijn er veel separate regelingen. Daarbij is de vreemdelingenwetgeving geen uitzondering. Wie de Staatsbladen van 1 oktober gaat bekijken, staat heel wat te wachten. Het zal de omvangrijkste collectie Staatsbladen zijn uit de geschiedenis van het Koninkrijk. Op 1 oktober worden immers alle wetten in het Staatsblad geplaatst die voor de BES-eilanden van kracht zullen zijn, inclusief wetboeken die speciaal voor de BES-eilanden van kracht zijn. Op dit terrein zal dus een aparte regeling gelden. Dat spoort ook met de afgesproken stapsgewijze integratie van de BES-eilanden. Aan de hand van de ervaringen in de komende jaren moet niet alleen worden beoordeeld of de LGO-status behouden moet blijven, ook op andere terreinen moet mogelijk een verdere ontwikkeling van de wetgeving en wellicht opheffing van bijzondere wetten voor de BES-eilanden aan de orde komen. Ik zeg de Kamer graag toe dat dit ook voor de vreemdelingenwetgeving zal worden bekeken.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evalueren werking wetsvoorstel (32.890) (T01615)

De minister van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van het lid Van Bijsterveld, toe de werking van onderhavig wetsvoorstel in de praktijk te analyseren.


Kerngegevens

Nummer T01615
Status openstaand
Datum toezegging 6 november 2012
Deadline 1 juli 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid
Kamerleden prof. dr. S.C. van Bijsterveld (CDA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen evaluatie
verjaring
Wetboek van Strafrecht
Kamerstukken Aanpassing verjaringstermijn voor misdrijven (32.890)


Uit de stukken

Handelingen I 2012-2013, nr. 6- blz. 17

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA): Wij zijn tevreden met de toezegging van de regering aan ons adres om de werking van dit voorstel in de praktijk te analyseren. Kan de regering aangeven hoe zij de evaluatie wil uitvoeren en op welke termijn de Kamer een zinvolle analyse kan verwachten?

Handelingen I 2012-2013, nr. 6- blz. 51

Minister Opstelten: Mevrouw Van Bijsterveld heeft gevraagd hoe het door mij toegezegde evaluatieonderzoek met betrekking tot dit wetsvoorstel vorm kan krijgen. Een heel concreet antwoord op die vraag moet ik nog schuldig blijven, aangezien ik daarover nog in overleg moet treden met het WODC. We zullen representatieve gegevens moeten zien te selecteren over zaken die zouden kunnen verjaren als deze wet niet in werking zou zijn getreden, zaken die met deze wet wel worden opgepakt. Dan kunnen we iets zeggen over de effectiviteit van de nieuwe wetgeving. Ik meen dat een dergelijk beeld wel kan worden gegeven na verloop van een evaluatie van vijf jaar.

Handelingen I 2012-2013, nr. 6- blz. 55

Minister Opstelten: Aan mevrouw Van Bijsterveld heb ik toegezegd dat wij inderdaad gaan analyseren en evalueren. Daar mag geen misverstand over bestaan. Het gaat dan om de vraag hoe het allemaal loopt, om welke feiten het gaat en hoeveel zaken er zijn. Dat is een goede volgorde. Wij hebben dit nu niet, zeg ik tegen mevrouw Scholten, maar na aanvaarding van dit wetsvoorstel gaan wij met het WODC aan de slag om dit zo te monitoren.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Artikel 172b gemeentewet mogelijk schrappen twee jaar na inwerkingtreding Jeugdwet (31.467) (T01774)

De minister van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen van de leden van de SP-fractie, toe twee jaar na inwerkintreding van de Jeugdwet te bezien of artikel 172b Gemeentewet alsnog kan vervallen. De leden van de PvdA-fractie en CDA-fractie hebben zich bij de gemaakte opmerkingen aangesloten.


Kerngegevens

Nummer T01774
Status openstaand
Datum toezegging 9 september 2013
Deadline 1 januari 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Brief
Categorie evaluatie
Onderwerpen 172b Gemeentewet
evaluatie
Jeugdwet
Kamerstukken Maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (31.467)


Uit de stukken

Kamerstuk I 2012-2013, nr. 31 467 L

Blz. 2

De leden van de SP-fractie constateren dat de Minister thans een wetswijziging overweegt, maar niet op dit punt. De Minister stelt dat hij de gemeenten de mogelijkheid die artikel 172b biedt niet wil ontnemen omdat een enkele gemeente heeft overwogen de maatregel in te zetten maar daarvan heeft afgezien. Deze leden vinden dat dit antwoord geen recht doet aan bovengenoemde motie, gezien de ernstige bezwaren van de Raad van State, alsook van de leden van de CDA-fractie en de SP-fractie die tot deze motie hebben geleid. Zij stellen dat, gelet op de letterlijke tekst, aan de motie is voldaan: er is afzonderlijk geëvalueerd of de bepaling van artikel 172b van de Gemeentewet nog noodzakelijk is. De evaluatie toont aan dat zulks niet het geval is. Echter, het handhaven van de bepaling doet geen recht aan de geest, de bedoeling van de motie. Deze leden vinden dat, nu er een wijziging van de betreffende wet wordt voorbereid, (ook) dit artikel geschrapt dient te worden, wegend het ontbreken van noodzaak en om strijd met artikel 8 lid 1 EVRM te voorkomen.

(...)

Blz. 4

Minister Opstelten: Dat de in artikel 172b Gemeentewet geregelde bevoegdheid nog niet is toegepast, wil niet zeggen dat deze geen functie heeft. Zoals hierboven aangegeven en ook in de evaluatie en de monitor naar voren komt, nemen gemeenten de bevoegdheid wel mee in het ontwikkelen van een aanpak bij multiprobleem gezinnen. Om deze reden kom ik vooralsnog niet met een voorstel tot het schrappen van artikel 172b uit de Gemeentewet. Wel wil ik twee jaar na inwerkingtreding van de Jeugdwet bezien of de alternatieven uit die wet de bevoegdheid van artikel 172b Gemeentewet kunnen vervangen, waardoor dat artikel alsnog kan vervallen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Eindresultaat onderhandelingen Europees Openbaar Ministerie ter beoordeling voorleggen (33.709) (T02382)

De Minister van Veiligheid en Justitie (V&J) zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van diverse leden, toe de Kamer per brief te informeren over het definitieve eindresultaat van de onderhandelingen inzake het Europees Openbaar Ministerie (EOM) teneinde de Kamer in staat te stelen haar eindoordeel kenbaar te maken. De regering zal vervolgens het eindoordeel van beide Kamers der Staten-Generaal betrekken bij haar definitieve standpuntbepaling over het al dan niet deelnemen van Nederland aan een EOM. In de brief zal de minister tevens de vragen die in de tweede termijn door verschillende fracties zijn gesteld beantwoorden.


Kerngegevens

Nummer T02382
Status voldaan
Datum toezegging 6 december 2016
Deadline 1 januari 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid
Kamerleden Mr. D.J.H. van Dijk (SGP)
Commissie commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad (I&A/JBZ)
commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen EOM
Kamerstukken EU voorstel: Verordening oprichting Europees openbaar ministerie COM(2013)534 (33.709)


Uit de stukken

Handelingen I 2016-2017, nr. 10, item. 10 - blz. 1

Minister Van der Steur:

Als er wel gestemd zou worden, zou ik bij de uiteindelijke eindafweging het oordeel van de Eerste Kamer betrekken. Daar wil ik zo nog nader op ingaan.

(...)

Minister Van der Steur:

Ik heb gemeend er goed aan te doen daarin volledig te zijn door ook de uitkomst van het op 23 november in de Tweede Kamer gevoerde overleg te melden. Ik proef dat door die toevoeging de indruk is ontstaan dat het eindoordeel van de Eerste Kamer niet meer ter zake zou doen. Dat is niet het geval. Ik heb willen aangegeven dat er sprake is van een politiek feit door het consequente standpunt van de meerderheid van de Tweede Kamer. Ik zeg hier onomwonden dat ook voor mij vaststaat dat dit onverlet laat dat het kabinet ook in dit dossier rekening zal houden met het standpunt van de Eerste Kamer. Om dat standpunt zal ik nu dus niet vandaag vragen, omdat ik verwacht dat er niet gestemd zal worden over het Europees Openbaar Ministerie, maar met het gevoelen van de Eerste Kamer kan en zal ik wel rekening houden

Handelingen I 2016-2017, nr. 10, item. 10 - blz. 2.

Minister Van der Steur:

(...) Ik neem mij dus voor om beide Kamers aan de hand van het eindresultaat opnieuw om hun oordeel te vragen.

(...)

Minister Van der Steur:

Ik denk dat het goed is om aan de Tweede Kamer op basis van het totale eindresultaat opnieuw een soortgelijk oordeel te vragen. Ik weet niet of dat de Tweede Kamer in meerderheid op andere gedachten zal brengen, maar dat zien we dan. 

Handelingen I 2016-2017, nr. 10, item. 10 - blz. 9.

Minister Van der Steur:

Hiervoor geldt precies wat ik in het begin heb gezegd: het voorstel is nog mobiel en volatiel, ofte wel vrij vluchtig. Ik weet echt niet waar het nu naar toe gaat. Zoals altijd zal ik beide Kamers op de hoogte houden van de ontwikkelingen. Als we een stemming voorzien, zullen we die aankondigen. Dan zullen we net als de vorige keer wederom vragen om een oordeel van beide Kamers over het dan voorliggende eindresultaat, in de hoop dat dat ook het eindresultaat is. 

De heer Diederik van Dijk (SGP):

In hoeverre is het denkbaar dat u aanstaande donderdag toch iets zult moeten zeggen over eventuele deelname aan zo'n EOM? 

Minister Van der Steur:

Niet, want er wordt niet gestemd. Verder zal ik mij houden aan wat ik altijd heb gezegd, namelijk dat er veel kritiek in onze parlementen is op het voorstel. Dat hebben we consequent uitgedragen, daarbij aangevend dat we, ook in overleg met deze Kamer, niet instemmen met tussenliggende resultaten, om simpelweg aan het eind van de dag over het totaal een oordeel te kunnen vellen. Dat laat onverlet dat de Tweede Kamer vlak voor het zomerreces al een motie heeft ingediend met als inhoud: u mag niet instemmen, ongeacht de verdere ontwikkelingen. Het sentiment van de Kamer is niet veranderd. Maar als daarvoor aanleiding is, zal ik de Kamers vragen een oordeel te geven. Aan de Tweede Kamer moet ik dan opnieuw vragen of zij bereid is, haar standpunt te herzien. 

Handelingen I 2016-2017, nr. 10, item. 10 - blz. 16.

Minister Van der Steur:

Voorzitter. Ik wil met uw toestemming en met die van de leden voorstellen dat ik even de procedure schets. Er komt een debat in de JBZ-Raad, maar geen stemming. Er wordt van de regering niet verwacht dat zij zich uitspreekt voor of tegen wat er dan op tafel ligt. Ik zal dan ook blijven doen wat ik altijd heb gedaan, namelijk aangeven dat wij een eindoordeel zullen vellen over een voorliggende voorstel voor het EOM als dat eindoordeel er is. Ik heb in het debat al gezegd dat wij per brief het eindresultaat aan beide Kamers zullen voorleggen. Ik neem mij voor om in die brief de punten die specifiek in tweede termijn zijn genoemd door mevrouw Duthler, de heer Engels, de heer Rombouts en mevrouw Strik mee te nemen. Ik zal al die vragen meenemen in de brief die ik aan beide Kamers zal sturen, zodat u antwoord hebt op de vragen die in tweede termijn zijn gesteld. 

Ik neem mij voor om aan het debat in de JBZ-Raad deel te nemen en in te brengen dat ik namens de Nederlandse regering mijn oordeel voorbehoud totdat er een volledig voorstel ligt dat ik met beide Kamers nog eens heb kunnen bespreken. Dat doet niets af aan het kabinetsstandpunt, zeg ik tegen de heer Rombouts. Dat is genoegzaam bekend. Ik kan op dit moment namens het kabinet zeggen dat ik geen behoefte heb aan de ene of de andere motie om de simpele reden dat er geen besluitvorming voorligt. Beide moties zien op besluitvorming. Er zijn twee mogelijkheden. Ik kan de indieners van de moties in overweging geven om die aan te houden. Als dat niet gebeurt, lijkt het mij het meest zuiver om de moties te ontraden om de simpele reden dat zij in functie op dit moment overbodig zijn omdat er geen besluitvorming voorligt over het EOM. 

Ik heb in het begin al gezegd dat ik niet zeker weet — het borrelt en bruist op dit moment in Brussel — of er niet alsnog gevraagd zal worden om instemming met de PIF-richtlijn. Nederland zal overigens vinden dat dit niet voor de hand ligt omdat wij het in onderlinge samenhang met het EOM willen beoordelen. Ik sluit echter niet uit dat dit eventueel tot de mogelijkheden behoort. De Kamer heeft overigens per brief gezien wat ons standpunt daarover is. Over het EOM zal niet gestemd worden en wij zullen dan ook geen standpunt hoeven in te nemen. In die zin hebben wij op dit moment geen behoefte aan welke richtinggevende uitspraak van de Kamer dan ook. Ik zal de beantwoording van de vragen die nog nader zijn gesteld, schriftelijk aan de Kamer voorleggen zodra het resultaat bekend is. 


Brondocumenten


Historie







Toezegging Informatievoorziening over het pakket GEAS II (34.585) (T02404)

De staatssecretaris van V&J zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Oomen-Ruijten (CDA), toe dat de afspraken ten aanzien van de informatievoorziening over het pakket GEAS II zoals deze zijn vastgelegd in de brief van de Tweede Kamer van 24 november 2016 (TK 34585, nr. 2), ook voor de Eerste Kamer gelden.


Kerngegevens

Nummer T02404
Status afgevoerd
Datum toezegging 21 februari 2017
Deadline 1 januari 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Kamerleden M.G.H.C. Oomen-Ruijten (CDA)
Commissie commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad (I&A/JBZ)
Soort activiteit Brief
Categorie brief/nota
Onderwerpen Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel
Kamerstukken EU-voorstellen: Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel COM(2016)465, 466, 467 en 468 (34.585)


Uit de stukken

Verslag van een mondeling overleg 2016-2017, nr. 34 585 B, blz. 8.

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA)

(...) Verder viel me op dat de Staatssecretaris aan de overkant heeft gezegd dat de Kamer maximaal op de hoogte wordt gehouden van een hele hoop bepalingen. Is hij bereid om ook de Eerste Kamer daarvan op de hoogte te houden? Hij heeft dat de Tweede Kamer toegezegd op 24 november.

Verslag van een mondeling overleg 2016-2017, nr. 34 585 B, blz. 15.

Staatssecretaris Dijkhoff

Ik had nog een vraag open over de informatievoorziening. Die vraag stelde mevrouw Oomen helemaal in het begin. Ik ben natuurlijk bereid om de Eerste Kamer hierover dezelfde informatie te verstrekken als de Tweede Kamer.


Brondocumenten


Historie







Toezegging De korpschef vragen of deze in de beginfase een extra menselijke controle kan uitvoeren ter toetsing van de automatische vernietiging (33.542) (T02481)

De minister van Justitie en Veiligheid zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Strik (GroenLinks) en Vlietstra (PvdA), toe dat hij de korpschef zal vragen of hij in de beginfase een extra menselijke controle kan uitvoeren om te toetsen of de automatische vernietiging van ANPR-gegevens structureel sluitend functioneert.


Kerngegevens

Nummer T02481
Status voldaan
Datum toezegging 14 november 2017
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid
Kamerleden mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
J.G. Vlietstra (PvdA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen gegevensvernietiging
kentekenregistratiesystemen
Kamerstukken Vastleggen en bewaren kentekengegevens door politie (33.542)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 7, item 3, blz. 7-16

Mevrouw Strik (GroenLinks):

(...)

Ook is het de vraag of het vernietigen van de gegevens na vier weken wel voldoende is gegarandeerd. De Nederlandse overheid heeft in het verleden laten zien niet altijd betrouwbaar te zijn geweest in het verwijderen van persoonlijke data, zoals DNA-materiaal. Het wetsvoorstel spreekt over geautomatiseerd verwijderen, wat natuurlijk nog geen automatisch verwijderen is. Hoe garandeert de minister dat de overheid zich in dit dossier aan de wet gaat houden? Het onrechtmatig gebruik van ANPR-gegevens de afgelopen zeven jaar geeft weinig vertrouwen.

(...)

Mevrouw Vlietstra (PvdA)

(...)

Mijn fractie heeft nog wel enkele aanvullende vragen over de uitvoering van de wet, mede naar aanleiding van het conceptuitvoeringsbesluit. Niet alleen op papier moeten alle waarborgen ter bescherming van de privacy worden vastgelegd, zeker zo belangrijk is de naleving ervan. Hoe wordt erop toegezien dat de bewaarde gegevens ook werkelijk na vier weken zijn vernietigd?

(...)

Minister Grapperhaus:

(...)

Laat ik ook meteen antwoord geven op de vraag van mevrouw Vlietstra over het toezien op de vernietiging. De ANPR-gegevens zullen automatisch worden verwijderd. Dat doet het systeem zelf. De ICT zal daar uitvoerig op worden getest voordat ANPR wordt ingezet. Ook bij de jaarlijkse audit zal de vernietiging van gegevens een punt van aandacht zijn. Om tegemoet te komen aan de zorg van uw Kamer zal ik de korpschef vragen of hij in de beginfase een extra menselijke controle kan uitvoeren om te toetsen of de automatische vernietiging structureel sluitend functioneert. "Menselijk" is dan bedoeld in de zin van: door mensen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Inzet extra middelen strafrechtketen (34.775) (T02491)

De Minister van Algemene Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Barth (PvdA), toe haar in de eerste helft van 2018 te informeren over de inzet van extra middelen voor de strafrechtketen.


Kerngegevens

Nummer T02491
Status voldaan
Datum toezegging 5 december 2017
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid (Hoofdverantwoordelijke)
Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Drs. M.A.M. Barth (PvdA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen budget
ICT
strafrechtketen
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 3 - blz. 19-20

Mevrouw Barth (PvdA): Ik had hem in mijn eerste termijn nog een aantal vragen gesteld over de situatie in de strafrechtketen in brede zin. Ik heb hem vragen gesteld over ziekteverzuim bij Openbaar Ministerie en rechterlijke macht, de toestroom en de interesse voor het beroep. Ik heb gevraagd hoe het staat met ICT-projecten, communicatie en uitwisseling tussen politie, Openbaar Ministerie en rechters en hoe het staat met de oplegging en executie van taakstraffen. Wij hebben geconstateerd dat er wel in de nationale politie wordt geïnvesteerd, maar niet of nauwelijks in de zittende en staande magistratuur en wij maken ons zorgen over de kwaliteit van de strafrechtketen als geheel.

Minister Rutte: Ik heb een deel van de vragen beantwoord, over de bedragen oplopend tot 20 miljoen structureel voor de keten. Op basis daarvan zullen ook de nodige passende maatregelen op ICT-gebied worden genomen, waaronder de overdracht van een zaak naar de rechterlijke macht. Het zal nog wel enige tijd duren voordat al die keteneffecten precies zichtbaar worden. Ik dacht deze thema's deels ook te hebben behandeld in een aantal opmerkingen over het functioneren van de rechtsstaat. Maar ik hoor ook een paar vragen die ik hier niet in mijn stapeltje heb zitten. Ik kijk even of er ambtelijk goed is meegeluisterd, want dan pak ik die in de tweede termijn even terug. Die zitten er nu niet bij.

De voorzitter: Dat komt in de tweede termijn.

Mevrouw Barth (PvdA): Dat is prima, voorzitter. Ik heb ook om een aantal cijfermatige ontwikkelingen gevraagd. Het is ook prima als de minister-president ons die later op papier aanlevert.

Minister Rutte: Ik ga proberen om het mondeling te doen, want we hebben natuurlijk niet al die ambtenaren meegenomen om brieven te versturen, maar als het niet anders kan gaan we er toch eentje zoeken die een brief maakt. Maar we gaan kijken wat er in tweede termijn mondeling kan. We analyseren nog even de inbreng van mevrouw Barth op dit punt.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 6 - blz. 12

Minister Rutte: Dan de vraag over de verbetering van de ICT-systemen en de kwaliteit van communicatie en overdracht tussen politie, OM en rechterlijke macht. Over het bestuurlijk ketenberaad van de strafrechtketen is de Tweede Kamer op 28 juni van dit jaar geïnformeerd. In het kader van het ambitietraject is de ontwikkeling van de keteninformatievoorziening als een van de prioriteiten benoemd. In de eerste helft van 2018 worden de precieze doelstellingen en prioriteiten op het gebied ter besluitvorming aan het kabinet voorgelegd. Dat betekent dat op dat moment ook de op grond van het regeerakkoord beschikbaar gestelde middelen ter beschikking komen die hiervoor worden ingezet. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de digitalisering van de werkprocessen. Daarover wordt de Tweede Kamer, en gezien de vraag die hier gesteld is ook de Eerste Kamer in afschrift, nader in de eerste helft van 2018 geïnformeerd.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Informeren inzet kabinet bij de onderhandelingen over de definitieve compact vluchtelingen (34.775 VI) (T02538)

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Hattem (PVV), toe beide Kamers te informeren over de inzet van het kabinet bij de onderhandelingen over de definitieve compact voor vluchtelingen.


Kerngegevens

Nummer T02538
Status voldaan
Datum toezegging 20 februari 2018
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Kamerleden A.W.J.A. van Hattem (PVV)
Commissie commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad (I&A/JBZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Global Compact on Refugees
vluchtelingen
Kamerstukken Begrotingsstaten Justitie en Veiligheid 2018 (34.775 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 20, item 6 - blz. 1

Van Hattem (PVV):

In de beantwoording van vragen over deze begroting vanuit de Tweede Kamer spreekt het kabinet over het actieprogramma van het Comprehensive Refugee Response Framework, CRRF, van de Verenigde Naties, met daarin een zogenaamd nieuw raamwerk voor de wijze van omgang met opvang en integratie van vluchtelingen. Kan de staatssecretaris aangeven wat de insteek van het kabinet is ten aanzien van dit actieprogramma? In hoeverre wil het kabinet zich hier schikken? En welke effecten kan dit hebben op het Nederlandse beleid?

Handelingen I 2017-2018, nr. 20, item 6 - blz. 6

Staatssecretaris Harbers:

(...)

De onderhandelingen over de definitieve compact voor vluchtelingen, waar het reeds aangenomen Refugee Response Framework integraal onderdeel van zal zijn, zijn vorige week begonnen. Het is nog moeilijk te zeggen wat daar uit gaat komen. Ik denk dat wereldwijd alle VN-lidstaten op dit moment de eerste teksten aan het bestuderen zijn. We zullen later dit jaar zien hoe dat gaat. De Kamers zullen nog worden geïnformeerd over de inzet van het kabinet daarbij. Ik denk dat het ook in ons eigen belang is dat er meer internationale solidariteit komt voor landen die op grote schaal, veel groter dan hier, vluchtelingen opvangen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Informeren over de gezinsherenigingprocedures in de nieuwe Dublinregelgeving (34.482 / 34.585) (T02543)

De Staatssecretaris van J&V zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Strik (GroenLinks) en Stienen (D66), toe de Kamer in een later stadium te informeren of in de nieuwe Dublinregelgeving is verankerd dat gezinsleden die zich in de EU bevinden en de procedures rondom gezinshereniging afwachten niet onnodig naar een derde land buiten de EU worden teruggestuurd.


Kerngegevens


Uit de stukken

Kamerstukken I , 2017-2018, 34482 / 34585, C, pagina's 4-5 en 9-10.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

[...]

Misschien kan de staatssecretaris in dat verband ook ingaan op de situatie van gezinsleden die in het kader van Dublin nu eigenlijk kunnen doorreizen naar bijvoorbeeld Duitsland of Nederland. Moeten die dan inderdaad eerst weer terug naar een derde land? Hoe verhoudt zich dat tot het belang van een snelle gezinshereniging?

Mevrouw Stienen (D66):

[...]

Ik sluit aan op de laatste vraag van mevrouw Strik, ook met het oog op de brief. Als ik de term "gezinshereniging" als zoekterm daarin probeer te vinden, dan komt die niet naar boven. Ik heb dat gemist in het overzicht. Hoe zit het nu eigenlijk met gezinshereniging en de positie van gezinsleden door al deze zeven onderdelen heen?

[...]

Mevrouw Strik (GroenLinks): Ik had nog een vraag gesteld waar ik geen antwoord op heb gehad.

De voorzitter: Dat zijn er waarschijnlijk nog meer, dus als u het niet erg vindt, laat ik eerst de staatssecretaris zijn betoog vervolgen.

Mevrouw Strik (GroenLinks): Dit ging over Dublin en gezinsleden.

Staatssecretaris Harbers: Zou u die vraag in één zin kunnen herhalen?

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Betekent dit dat gezinsleden van vluchtelingen die al ergens in de Unie zijn, op grond van de niet-ontvankelijkheidsprocedure eerst weer worden teruggestuurd naar een land buiten Europa, waar zij de gezinsherenigingsprocedure moeten afwachten? Zo ja, hoe verhoudt zich dat met het belang van een snelle gezinshereniging?

Staatssecretaris Harbers:

Laat ik de vraag daarachter beantwoorden en niet gaan grasduinen in: hoe zit dat nu in de voorstellen? Die zijn nu juist nog in bespreking. Als iemand een status heeft als vergunninghouder binnen de Europese Unie, gelden de gebruikelijke nareisregels. Dan zou zo iemand zijn gezinsleden kunnen laten overkomen. Op het moment dat we het bekijken vanuit de Dublinverordening, interpreteer ik het zo dat mevrouw Strik de situatie bedoelt dat er één gezinslid in de Europese Unie binnen is. Andere gezinsleden bevinden zich nog buiten de Europese Unie. Op zo'n moment zou degene die in een lidstaat de asielprocedure voert, daar in behandeling genomen moeten worden en daar uiteindelijk wel of niet een status moeten krijgen. Dat is dan de basis om de gezinsleden naar die lidstaat te laten overkomen, om daar de hereniging te laten plaatsvinden. Dat is zoals de Nederlandse regering het beoogt. Ik hoop dat dat ook is wat mevrouw Strik bedoelt.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Stel dat een gezinslid zich in Griekenland bevindt, terwijl de echtgenoot of de ouders in Duitsland zijn. Dan kunnen ze in het kader van Dublin worden doorgestuurd naar Duitsland. Wat er nu gaat gebeuren op grond van nieuwe Dublinregels is dat mensen eerst weer de Europese Unie uit worden gestuurd, bij wijze van spreken, en dan weer op een procedure moeten wachten. U weet misschien ook dat het in Duitsland voor subsidiair beschermden nogal wat jaren kan duren voordat dit gebeurt. Daarom vroeg ik: hoe verhoudt dit zich tot het belang van een snelle gezinshereniging?

Staatssecretaris Harbers:

We zien dit in de praktijk niet altijd, maar het is wel een voorbeeld dat ook bij de huidige regelgeving, in de woorden van mevrouw Strik, een soort juridisch limbo zit. We beogen nu juist dat straks die verantwoordelijkheden van meet af aan transparant zijn. Op die manier kijken we naar de opzet van de nieuwe Dublinregels. Als de zorg van mevrouw Strik daarachter is dat we toch niet onnodig mensen laten bewegen terwijl je weet dat ze uiteindelijk toch weer binnenkomen, dan wil ik wel rekening houden met die zorg. Misschien is het het handigst dat ik in een later stadium bij de Kamer erop terugkom hoe we dit al dan niet hebben weten te verankeren in nieuwe Dublinregelgeving. Wij zien het overigens niet op grote schaal, maar wellicht kunnen we in de praktijk ook op andere manieren tegemoetkomen aan de zorg die daarachter zit.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Kosteloze rechtsbijstand in het kader van verkorte procedures (34.482 / 34.585) (T02544)

De Staatssecretaris van J&V zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Stienen (D66), toe de Kamer te informeren over kosteloze rechtsbijstand in het kader van verkorte procedures.


Kerngegevens


Uit de stukken

Kamerstukken I , 2017-2018, 34482 / 34585, C, pagina's 5-6 en 10

Mevrouw Stienen (D66):

[...]

Wij zijn ook benieuwd naar wat de staatssecretaris kan aanvullen qua informatie als het gaat over rechtsbijstand in het kader van verkorte procedures. Wij maken ons ernstig zorgen dat de gedachte van het mogelijk afschaffen van rechtsbijstand in de eerste aanleg tot minder druk bij de migratiedienst zou kunnen leiden. Dat is volgens ons wensdenken. Misschien kan dit wel tot heel veel meer beroepsprocedures leiden. We zien dat ook graag in lijn met de procedurerichtlijn.

Staatssecretaris Harbers:

[...]

Mevrouw Stienen vroeg naar de stand van zaken van de kosteloze rechtsbijstand. Het korte antwoord is dat we daar in het regeerakkoord een aantal afspraken over hebben gemaakt, maar dat we nog bezig zijn met de uitwerking daarvan. Ik heb eerder in de Tweede Kamer en, uit mijn hoofd, mogelijk zelfs in de Eerste Kamer aangegeven dat er een aantal andere vraagstukken bij spelen waar we dan ook een oplossing voor moeten hebben. Bijvoorbeeld: gaat dat procedures echt bekorten en op welke wijze kunnen we in ieder geval waarborgen dat op het moment dat er een beroepszaak gaat spelen, de rechtsbijstand alsnog geregeld wordt op zo'n manier dat de betreffende advocaat natuurlijk nog wel even de tijd heeft om zich het hele dossier eigen te maken? Daar zijn we ons op dit moment op aan het beraden. Op het moment dat we die voorstellen meer vastomlijnd hebben, deel ik ze vanzelfsprekend met de Tweede en Eerste Kamer. Dus de zorg die mevrouw Stienen uitspreekt, heb ik mijzelf ook al gerealiseerd. Daar proberen we in de definitieve vormgeving ook antwoorden op te hebben.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Berichten wat het bestuurlijk ketenberaad (BKB) gaat doen om prestaties strafrechtketen verder te verbeteren (34.775 VI) (T02601)

De Minister van Justitie en Veiligheid zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Bijsterveld, toe de Kamer nog voor het zomerreces te berichten wat het bestuurlijk ketenberaad (BKB) gaat doen om de prestaties van de strafrechtketen verder te verbeteren.


Kerngegevens

Nummer T02601
Status voldaan
Datum toezegging 22 mei 2018
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid
Kamerleden prof. dr. S.C. van Bijsterveld (CDA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen bestuurlijk ketenberaad
Staat van de rechtsstaat
strafrechtketen
Kamerstukken Begrotingsstaten Justitie en Veiligheid 2018 (34.775 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 2

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Op het terrein van het strafrecht zien wij een vergelijkbare focus op het systeem en de logica daarvan en niet op de betekenis van de burger en de werking in de praktijk. Voor de verhoging van strafmaxima en het veranderen van het systeem van voorwaardelijke invrijheidstelling is zeker wat te zeggen. Maar voor de aanpak van criminaliteit hebben deze veranderingen maar betrekkelijke en indirecte betekenis. Wat het reële effect betreft, is helderheid over een handhavingsambitie die hand in hand gaat met een handhavingsvermogen van belang. Dat is lang verwaarloosd. Weinig vertrouwen in opsporing en vervolging en daarmee samenhangend een lage aangiftebereidheid, grote uitval in de keten, en zelfs het ontbreken van zicht op de werking en de doorloop in de strafrechtketen zijn realiteit. Wij moeten toch willen voorkomen dat aangiften vooral uit verzekeringstechnisch oogpunt gedaan worden, zonder de reële verwachting dat de politie er iets mee kan doen? Graag een reactie van de minister hierop. Initiatieven zoals de instelling van een bestuurlijk ketenoverleg ondersteunt mijn fractie van harte. Wij ontvangen graag de resultaten hiervan. Is de minister bereid zich ervoor in te zetten dat zij ook daadwerkelijk tot verbeteringen in de praktijk gaan leiden?

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 18

Minister Grapperhaus:

Dan was er bij de strafrechtketen nog het punt over het bestuurlijk ketenoverleg. Mevrouw Van Bijsterveld heeft gevraagd of ik bereid ben mij ervoor in te zetten dat dit ook daadwerkelijk tot verbetering in de praktijk leidt. Zij doelt dan op het bestuurlijk ketenberaad van de strafrechtketen. Ik overleg met enige regelmaat met dat BKB. Nog voor het zomerreces zal ik berichten wat het BKB gaat doen om de prestaties van de strafrechtketen verder te verbeteren. Ik kan u nu al aangeven dat de doelstellingen en prioriteiten van het BKB zich onder meer zullen richten op digitalisering en op de aanpak van doorlooptijden. Het uitgangspunt is dat de in te zetten verbeteringen een positief maatschappelijk effect hebben en dus daadwerkelijk tot verbeteringen in de praktijk leiden.


Brondocumenten


Historie