E130041
  ruit icoon
Laatste revisie: 02-05-2019

E130041 - Voorstel voor een verordening tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie



Het onderhavige voorstel geeft uitvoering aan artikel 86 VWEU, dat bepaalt dat op de grondslag van Eurojust een Europees Openbaar Ministerie ingesteld kan worden en dat bij verordeningen het statuut, de voorwaarden voor de uitoefening van zijn functies, de voor zijn activiteiten geldende procedurevoorschriften en de voorschriften over toelaatbaarheid van bewijs en voor de rechterlijke toetsing van procedurele handelingen worden vastgesteld.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: behandeling in commissie Eerste Kamer.

nationaal

Op 1 mei 2019 stuurden de commissies I&A/JBZ en J&V een brief aan de minister van Justitie en Veiligheid naar aanleiding van de tweede voortgangsrapportage inzake de feitelijke oprichting van het EOM. Op 16 april 2019 leverden de fracties van de PVV en D66 inbreng voor deze brief en de conceptbrief werd aan de leden van de commissies voorgelegd.

Europees

Op 31 oktober 2017 heeft de Raad van de Europese Unie de verordening van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie („EOM") (2017/1939) in het Europese Staatsblad gepubliceerd (L283/1PDF-document).


Kerngegevens

document Europese Commissie

COM(2013)534PDF-document, d.d. 17 juli 2013

rechtsgrondslag

Artikel 86 VWEU

commissies Eerste Kamer

beleidsterreinen

verwante dossiers


Implementatie

Op 31 oktober 2017 heeft de Raad van de Europese Unie de verordening van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie („EOM") (2017/1939) in het Europese Staatsblad gepubliceerd (L283/1PDF-document).


Behandeling Eerste Kamer

Op 1 mei 2019 stuurden de commissies I&A/JBZ en J&V een brief aan de minister van Justitie en Veiligheid naar aanleiding van de tweede voortgangsrapportage inzake de feitelijke oprichting van het EOM. Op 16 april 2019 leverden de fracties van de PVV en D66 inbreng voor deze brief en de conceptbrief werd aan de leden van de commissies voorgelegd.

Op 9 april 2019 besloten de commissies I&A/JBZ en J&V inbreng voor een schriftelijk overleg met de regering te leveren op 16 april 2019. De inbreng zal worden geleverd door de fracties van de PVV en van D66.

Op 4 april 2019 stuurde de Minister van Justitie en Veiligheid (J&V) een brief met de tweede voortgangsrapportage EOM (33.709, AO) naar de Eerste Kamer.

Op 11 december 2018 besloten de commissies I&A/JBZ en J&V af te zien van nader schriftelijk overleg en de brief van de minister van Justitie en Veiligheid, d.d. 16 november 2018, voor kennisgeving aan te nemen.

Op 20 november 2018 bespraken de commissies I&A/JBZ en J&V het verslag van een schriftelijk overleg (33.709, AN) met de minister van Justitie en Veiligheid over de halfjaarlijkse voortgangsrapportage inzake de feitelijke oprichting van het EOM. De fractie van de PVV gaf hierbij aan in nader schriftelijk overleg met de regering te willen treden. De inbrengdatum werd gezet op 11 december 2018.

Op 16 oktober 2018 leverden de fractie van de PVV inbreng voor schriftelijk overleg met de regering over de brief (33.709, AM) van de minister van Justitie en Veiligheid inzake een voortgangsrapportage over de oprichting van het EOM. De brief werd op 23 oktober 2018 verzonden aan de minister van Justitie en Veiligheid. Bij brief van 16 november 2018 heeft de minister gereageerd.

Op 9 oktober 2018 bespraken de commissies I&A/JBZ en J&V een brief (33.709, AM) van de minister van Justitie en Veiligheid inzake een voortgangsrapportage over de oprichting van het EOM en besloten om in schriftelijk overleg te treden met de regering. De inbrengdatum werd gezet op 16 oktober 2018.

Tijdens het plenair debat van 6 december 2016 met de minister van Veiligheid en Justitie inzake de stand van zaken van het EOM is o.a. de motie-Van Dijk c.s. ingediend. Deze motie is aangehouden op 6 december 2016en vervallen op 25 september 2018 op basis van artikel 93, derde lid, van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer.

Op 3 juli 2018 besprak de commissie I&A/JBZ het verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over het verslag van de JBZ-Raad van 8 en 9 maart 2018, waarin o.a. vragen zijn gesteld over de Nederlandse deelname aan het EOM. De commissia I&A/JBZ besloot het verslag voor kennisgeving aan te nemen.

Op 15 mei 2018 leverde de fractie van de PVV inbreng voor schriftelijk overleg met de regering naar aanleiding van het verslag van de JBZ-Raad van 8-9 maart 2018. Op 23 mei 2018 werd een brief gestuurd aan de staatssecretaris van J&V met een afschrift van de brief aan de minister van J&V waarin onder andere wordt gevraagd naar de inbreng van Nederland met betrekking tot het EOM.

Op 17 april 2018 werd tijdens de heropening van het debat over deelname van Nederland aan het Europees Openbaar Ministerie een gewijzigde en een nieuwe motie ingediend door het lid Duthler (VVD). Aan het einde van het debat werd er gestemd over de vier ingediende moties, waarbij de motie-Wezel (SP) c.s., de gewijzigde motie-Duthler (VVD) c.s. en de nieuwe motie-Duthler c.s. zijn aangenomen.

Op 10 april 2018 werd tijdens de plenaire vergadering besloten om de derde termijn van het debat met de minister van Justitie en Veiligheid over de toetreding van Nederland tot het EOM te verplaatsen naar 17 april 2018. Ook gaf het lid Duthler (VVD) aan een gewijzigde motie te willen indienen alsook een nieuwe motie om het definitieve standpunt van deze Kamer vast te kunnen stellen.

Op 3 april 2018 debatteerde de Eerste Kamer met de minister van Justitie en Veiligheid over de toetreding van Nederland tot het EOM. Tijdens het debat werden drie moties ingediend waarover op 17 april 2018 zal worden gestemd. De op 6 december 2016 ingediende en aangehouden motie-Schrijver (PvdA) c.s. over het zich tijdens de aanstaande JBZ-Raden positief uitspreken over het voorliggende voorstel van het Slowaakse EU-voorzitterschap inzake het EOM (EK 33.709, X) werd op 3 april 2018 ingetrokken.

Op 3 april 2018 besprak de commissie I&A/JBZ het verslag van de JBZ-Raad van 8-9 maart 2018, waarin de stand van zaken met betrekking tot de voorbereidingen voor de feitelijke start van het EOM wordt behandeld. De commissie besloot naar aanleiding van het verslag in schriftelijk overleg te treden met de regering en stelde de inbrengdatum op 15 mei 2018.

Ter voorbereiding op het debat met de minister van Justitie en Veiligheid op 3 april 2018, heeft de ambtelijke staf een notitiePDF-document opgesteld met betrekking tot de totstandkoming van het EOM.

Op 6 maart 2018 bespraken de commissies I&A/JBZ en J&V de brief van de minister van J&V d.d. 23 februari 2018 inzake voornemen tot deelname aan het EOM (33.709, AE). De commissies stelden voor op 3 april 2018 een plenair debat te voeren met de minister van J&V over de voorgenomen deelname van Nederland aan het EOM.

Op 20 februari 2018 constateerden de commissies I&A/JBZ en J&V dat een verwachte brief met de verkenning van de gevolgen van deelname van Nederland aan het EOM nog niet is ontvangen. De commissies besloten naar aanleiding hiervan het beoogde debat van 6 maart 2018 met de minister van J&V over de voorgenomen deelname van Nederland aan het EOM uit te stellen. De minister van J&V is op 21 februari 2018 per brief geïnformeerd dat de Nederlandse regering, conform toezegging T02382, de Raad en de Commissie niet in kennis kan stellen van de wens van Nederland tot deelname aan het EOM totdat deze verkenning met de Kamer is gedeeld en de Kamer de mogelijkheid heeft gehad daarover met de minister van J&V van gedachten te wisselen.

De commissies I&A/JBZ en J&V hebben op 6 februari 2018 kennis genomen van de aankondiging van het kabinet tijdens een AO in de Tweede Kamer om de Raad en de Europese Commissie vóór de JBZ-raad van 8-9 maart 2018 in kennis te stellen van de wens van Nederland tot deelname aan het EOM. Zij brengen in herinnering dat de toenmalige minister van V&J bij gelegenheid van een plenair debat over de oprichting van een EOM op 6 december 2016 de toezegging heeft gedaan dat de regering het eindoordeel van beide Kamers der Staten-Generaal zal betrekken bij haar definitieve standpuntbepaling over het al dan niet deelnemen van Nederland aan een EOM (T02382).

Naar aanleiding hiervan stellen de commissies voor op 6 maart 2018 plenair te debatteren over de voorgenomen deelname van Nederland aan het EOM, onder voorwaarde dat de Kamer medio februari schriftelijk geïnformeerd zal worden door de minister van Justitie en Veiligheid over een verkenning van de gevolgen van de deelname van Nederland aan het EOM.

Naar aanleiding van de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 25-26 januari 2018 bespraken de commissies J&V en I&A/JBZ op 23 januari 2018 onderhavig voorstel gaf het lid Wezel (SP) aan voornemens te zijn inbreng voor schriftelijk overleg te leveren op 6 februari 2018.

De commissies I&A/JBZ en V&J bespraken op 6 juni 2017 de brief van de minister van V&J van 2 juni 2017 inzake besluitvorming over een Europees OM (33.709, AC). De commissies besloten naar aanleiding hiervan in schriftelijk overleg te treden met de regering. De conceptbrief zal per e-mail aan de leden van de commissies worden voorgelegd. De brief is op 7 juni 2017 naar de minister van Veiligheid en Justitie verstuurd.

De commissies I&A/JBZ en V&J bespraken op 23 mei 2017 de laatste stand van zaken ten aanzien het Europees Openbaar Ministerie. De commissies blijven de ontwikkelingen in dit dossier volgen.

Op 18 april 2017 zijn het antwoord van de minister van Veiligheid en Justitie en de passages over het EOM uit het verslag van de JBZ-Raad van 27-28 maart 2017 voor kennisgeving aangenomen.

Op 7 april 2017 stuurde de minister van Veiligheid en Justitie antwoord op vragen van de commissies I&A/JBZ en V&J inzake de laatste stand van zaken ten aanzien van het Europees Openbaar Ministerie. De brief zal naar verwachting op 18 april 2017 worden besproken.

Op 28 maart 2017 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J de conceptbrief over de stand van zaken van het EOM. De commissies stemmen, met een kleine wijziging, in met de conceptbrief aan de minister van V&J. De brief zal worden verzonden namens de fracties van VVD, CDA, PvdA, GroenLinks en OSF. De brief is op dezelfde dag verstuurd.

Op 21 maart 2017 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J de laatste stand van zaken ten aanzien van het Europees Openbaar Ministerie en besloten naar aanleiding hiervan in schriftelijk overleg te treden met de regering. De staf stelt een conceptbrief op die op 28 maart 2017 ter goedkeuring zal worden voorgelegd aan de commissies.

Op 7 maart 2017 bespraken de commissies I&A/JBZ, V&J en EZ het verslag van een schriftelijk overleg d.d. 3 maart 2017 met de Tweede Kamer over de Raad Algemene Zaken van 7 maart 2017, waarin ook een vraag werd gesteld over het EOM. De commissies besloten op verzoek van de VVD-fractie het Europees Openbaar Ministerie op 21 maart 2017 te agenderen in een gecombineerde vergadering van de commissies I&A/JBZ en V&J.

Op 14 februari 2017 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J de passages uit het verslag van de informele JBZ-Raad van 26-27 januari 2017 en besloten deze voor kennisgeving aan te nemen.

Op 24 januari 2017 besloten de commissies I&A/JBZ en V&J het verslag van een schriftelijk overleg met de minister van V&J van 19 januari 2017 inzake beantwoording vragen tweede termijn debat EOM (33709, Z) voor kennisgeving aan te nemen. De commissies besluiten naar aanleiding van de passages uit de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 26-27 januari 2017 over het EOM (32317, HH) in schriftelijk overleg te treden met de regering en de status van de toezegging T02382 (openstaand) te wijzigen in deels voldaan. De brief is op 26 januari 2017 naar de minister verstuurd.

Op 18 januari 2017 stuurde de minister van Veiligheid en Justitie antwoord op de vragen die werden gesteld in de tweede termijn van het debat inzake het EOM op 6 december 2016. De commissies I&A/JBZ en V&J zullen op 24 januari 2017 de brief bespreken.

Op 20 december 2016 namen de commissies V&J en I&A/JBZ de passages uit het verslag van de JBZ-Raad van 8-9 december 2016 over het Europees Openbaar Ministerie voor kennisgeving aan. De commissies besluiten een brief te sturen aan de minister van V&J met daarin het verzoek om de schriftelijke beantwoording van de vragen die in de tweede termijn zijn gesteld tijdens het debat op 6 december jl. over het Europees Openbaar Ministerie te bespoedigen. De brief is op 22 december 2016 naar de minister verstuurd.

Op 6 december 2016 hield de ministerie van Veiligheid en Justitie een technische briefing inzake de stand van zaken over het Europees Openbaar Ministerie voor de commissies I&A/JBZ en V&J. Later die dag is er een plenair debat gevoerd met de minister van Veiligheid en Justitie inzake de stand van zaken van het EOM, waarbij motie-Schrijver c.s. en motie-Van Dijk c.s. zijn ingediend. Deze moties zijn aangehouden.

Op 29 november 2016 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J de brief van de minister van V&J d.d. 25 november 2016 inzake Europees OM: stand van zaken. De commissies stellen de Voorzitter voor naar aanleiding van deze brief op 6 december 2016 een plenair debat te houden met de minister van V&J, waarbij de leden de voorzitter van de commissie V&J verzoeken namens alle fracties het woord te voeren over de procedurele gang van zaken. Daarna zullen de woordvoerders inhoudelijk ingaan op de brief. Voorafgaand aan dit debat wensen de commissies gebruik te maken van het aanbod van de minister van V&J om een technische briefing te faciliteren door ambtenaren en het OM.

Op 25 november 2016 stuurde de minister van Veiligheid en Justitie een brief aan de Eerste Kamer inzake de stand van zaken van het Europees Openbaar Ministerie, inclusief een relevante eindafweging voor de Eerste Kamer voor besluit kabinet. De commissies I&A/JBZ en V&J zullen de brief op 29 november 2016 bespreken.

Op 21 november 2016 stuurde de minister van Veiligheid en Justitie een afschrift van de brief aan de Tweede Kamer over de stand van zaken van het Europees Openbaar Ministerie en de standpunt van de regering inzake het voorstel. De minister zet in deze brief de laatste stand van zaken uiteen en concludeert, ook na advies van het OM, dat niet-deelname van Nederland aan het EOM per saldo niet in het belang is van Nederland. Hij geeft de Tweede Kamer daarom in overweging een hernieuwde afweging te maken met betrekking tot het op heden ingenomen standpunt dat Nederland niet zou moeten deelnemen aan het EOM. In de brief wordt ook de procedure uiteengezet als er geen unanimiteit in de Raad wordt bereikt. Deze brief zal naar verwachting door de commissie I&A/JBZ en V&J worden besproken op 29 november 2016.

Op 8 november 2016 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J de passages inzake het EOM uit het verslag van de JBZ-Raad van 13-14 oktober 2016, en namen het voor kennisgeving aan.

Op 11 oktober 2016 besprak de commissie I&A/JBZ de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 13-14 oktober 2016, waar het EOM ook werd behandeld, en nam het voor kennisgeving aan.

Op 13 september 2016 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J de brief van de minister van V&J d.d. 26 augustus 2016 inzake stand van zaken onderhandelingen EOM (33709, U) en de passages uit het verslag van de informele JBZ-Raad van 7-8 juli 2016 over het EOM (32317, GV) voor kennisgeving aan.

Op 24 augustus 2016 stuurde de minister van Veiligheid en Justitie antwoord op de brieven van de commissies I&A/JBZ en V&J inzake de stand van zaken over de onderhandelingen EOM die op 29 juni 2016 en op 15 juli 2016 zijn verstuurd. Het antwoord van de minister zal naar verwachting door de beide commissies op 13 september 2016 worden besproken.

Op 12 juli 2016 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J de stand van zaken van het EOM en in het bijzonder de Tweede Kamermotie Van Oosten c.s. van 6 juli 2016. De commissies besluiten, in aanvulling op de nog onbeantwoorde commissiebrief van 29 juni 2016 aan de minister van V&J inzake stand van zaken onderhandelingen EOM, enkele nadere schriftelijke vragen te stellen. De brief is op 15 juli 2016 verstuurd.

Op 28 juni 2016 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J de conceptbrief waarin de minister van Veiligheid en Justitie wordt verzocht toe te lichten wat het huidige standpunt van de regering is in de onderhandelingen over het EOM, gelet enerzijds op de zorgpunten die worden genoemd in het gesprek van de rapporteur met leden van het Nederlandse OM en anderzijds op de beëindiging van het Nederlandse EU-Voorzitterschap. De brief werd ongewijzigd vastgesteld en is op 29 juni 2016 naar de minister verstuurd.

De commissies I&A/JBZ en V&J besluiten op 21 juni 2016 naar aanleiding van de brief van de Tweede Kamerrapporteur voor het EOM over de gevolgen van de komst van het EOM voor de Nederlandse opsporings- en vervolgingspraktijk om in schriftelijk overleg te treden met de regering. Een conceptbrief zal worden opgesteld door de staf en per mail worden rondgestuurd.

Op 8 maart 2016 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J tijdens een mondeling overleg met de minister van Veiligheid en Justitie de stand van zaken van de onderhandelingen van het Europees Openbare Ministerie.

Op 1 maart 2016 besloten de commissies I&A/JBZ en V&J de brief van de minister van Veiligheid en Justitie van 18 februari 2016 te betrekken bij het mondeling overleg met de minister op 8 maart 2016.

De minister van Veiligheid en Justitie heeft op 18 februari 2016 gereageerd op de brief met nadere vragen van de SP-fractie over het Europees Openbaar Ministerie. Op 1 maart 2016 behandelen de commissies I&A/JBZ en V&J deze brief.

Op 19 januari 2016 gaf de SP-fractie aan inbreng te zullen leveren voor schriftelijk overleg met de regering. De brief werd op 25 januari 2016 verstuurd naar de minister van Veiligheid en Justitie.

Op 22 december 2015 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J de reactie van de minister van V&J van 18 december 2015 en de passages uit het verslag van de JBZ-Raad van 3-4 december 2015 over het EOM. De fractie van de SP gaf aan 19 januari 2016 inbreng te zullen leveren voor nader schriftelijk overleg met de regering. Daarnaast gaf het lid Wezel (SP) een mondelinge terugkoppeling van het werkbezoek aan Brussel d.d. 11 december 2015 over het Europees Openbaar Ministerie (EOM), dat werd georganiseerd door de rapporteur EOM van de Tweede Kamer, de heer Recourt.

Op 18 december 2015 stuurde de minister van Veiligheid en Justitie een brief met beantwoording van de vragen van de commissies I&A/JBZ en V&J verstuurd op 17 november 2015 over EU-subsidiefraude en een Europees Openbaar Ministerie.

Op 16 december 2015 hebben de bewindspersonen van V&J een brief verzonden aan de Kamers over de stand van zaken van de verschillende JBZ-dossiers die onder Nederlands Voorzitterschap zullen worden behandeld, waaronder van het Europees Openbaar Ministerie. De brief bevat een overzicht van de belangrijkste thema's en wetgevingsdossiers en van de ambities van de Nederlandse regering op het gebied van JBZ.

Op 1 december 2015 besprak de commissie I&A/JBZ de geannoteerde agenda voor de JBZ-Raad van 3-4 december 2015, waarin het Europees Openbaar Ministerie wordt behandeld, en nam de agenda voor kennisgeving aan.

Op 17 november 2015 stuurden de commissies voor I&A/JBZ en V&J een brief naar de minister van Veiligheid en Justitie over EU-subsidiefraude en een Europees Openbaar Ministerie naar aanleiding van het verslag van de JBZ-Raad van 8-9 oktober 2015, de brief van 6 oktober 2015 inzake bestrijding van EU-fraude, en een voortgangsgesprek met de Tweede Kamerrapporteur voor het EOM van 3 november 2015.

Op 12 november 2015 stuurde de rapporteur EOM van de Tweede Kamer, de heer Recourt (PvdA), een brief naar de Eerste Kamer met reactie op vragen van de commissies I&A/JBZ en V&J over de procedurele waarborgen voor verdachten in EOM-zaken.

Op 10 november 2015 leverde de fractie van de SP inbreng voor schriftelijk overleg met de regering over dit voorstel. De conceptbrief zal aan de commissies I&A/JBZ en V&J worden voorgelegd voor instemming en voor eventuele aansluiting door fracties.

Op 3 november 2015 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J het verslag van de JBZ-raad van 8-9 oktober 2015, waarin het EOM werd behandeld, waarbij de fractie van de SP aangaf 10 november 2015 inbreng te zullen leveren voor schriftelijk overleg met de regering. Ook vond er op 3 november 2015 een gesprek plaats met de rapporteur EOM van de Tweede Kamer, de heer Jeroen Recourt.

Op 6 oktober 2015 stuurde de minister van Veiligheid en Justitie naar de Eerste Kamer een afschrift van zijn brief naar de Tweede Kamer inzake bestrijding EU-fraude. Hierin geeft de minister een beschrijving van de bestaande anti-fraude maatregelen binnen de Europese Commissie en de rol van OLAF, de onafhankelijke anti-fraude eenheid van de Commissie, en de oprichting van het Europees Openbaar Ministerie. Hierin geeft de minister onder andere aan dat er wel van mag worden uitgegaan dat de strafrechtelijke bestrijding van EU-fraude door de komst van het EOM in de daaraan deelnemende lidstaten een impuls zal krijgen. Daarbij is het niet uitgesloten dat niet aan het EOM deelnemende lidstaten vroeg of laat wel met het EOM strafrechtelijk moeten gaan samenwerken om fraude met EU-gelden in hun land effectief te kunnen bestrijden. De brief wordt naar verwachting op 3 november 2015 besproken.

Op 7 juli 2015 namen de commissies I&A/JBZ en V&J de brief van de minister van Veiligheid en Justitie van 25 juni 2015 voor kennisgeving aan. Daarnaast geven de commissies aan na het zomerreces graag een gesprek te organiseren met de heer Recourt (PvdA), rapporteur van de Tweede Kamer voor het Europees Openbaar Ministerie.

De minister van Veiligheid en Justitie stuurde op 25 juni 2015 een brief naar de Kamer waarin hij verslag deed over de behandeling van het voorstel voor een Europees Openbaar Ministerie (EOM) tijdens de JBZ-Raad van 15-16 juni. Hierin legt hij ook uit dat de Nederlandse regering niet kan instemmen met het voorliggende voorlopige onderhandelingsresultaat, hoewel er sprake is van verbeteringen van de tekst. Nederland is bereid om op constructieve wijze bij te dragen aan de bespreking van andere onderdelen van de ontwerpverordening en zal op basis van de volledige tekst van de ontwerpverordening een eindoordeel vellen. In een latere fase zou er nog ruimte moeten zijn om alternatieve voorstellen voor de thans voorliggende artikelen te doen.

Op 16 juni 2015 hebben de commissies voor I&A/JBZ en V&J de brief van de minister van Veiligheid & Justitie van 3 juni 2015 aan de kamer voor kennisgeving aangenomen.

De minister van Veiligheid & Justitie heeft op 3 juni 2015 een brief naar de Kamer gestuurd waarin hij ook de Eerste Kamer informeert over de ontwikkelingen rond het Europees Openbaar Ministerie. Deze zal naar verwachting tijdens de eerste vergadering van de nieuwe commissies voor I&A/JBZ en V&J besproken worden.

De Eerste Kamercommissies voor I&A/JBZ en V&J hebben op 26 mei 2015 met de minister van Veiligheid en Justitie een mondeling overleg over de stand van zaken met betrekking tot de onderhandelingen over het Europees Openbaar Ministerie gevoerd.

De Eerste Kamercommissies voor I&A/JBZ en V&J hebben op 19 mei 2015 de stand van zaken met betrekking tot de onderhandelingen over het Europees Openbaar Ministerie besproken. De commissies hebben besloten hierover op 26 mei 2015 met de minister van Veiligheid en Justitie een mondeling overleg te voeren.

Op 7 april 2015 besloot de commissie I&A/JBZ de passage uit het verslag van de JBZ-Raad van 12-13 maart 2015 over het Europees Openbaar Ministerie te betrekken bij het kennismakingsgesprek met de bewindslieden van V&J dat op 14 april 2015 plaatsvond.

Op 3 maart 2015 besloot de commissie I&A/JBZ een vervolggesprek te organiseren met de rapporteur EOM van de Tweede Kamer over de stand van zaken in dit dossier. Dit gesprek met de commissie I&A/JBZ en V&J en de rapporteur zal op 24 maart 2015 plaatsvinden.

Op 13 januari 2015 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J de reactie van de minister van Veiligheid en Justitie van 18 december 2014. De commissies besloten deze reactie voor kennisgeving aan te nemen.

De minister van Veiligheid en Justitie reageerde op 18 december 2014 op de vragen van de commissies I&A/JBZ en V&J van 2 december 2014. In de brief geeft de minister onder meer aan dat alle aspecten van de inrichting, de toe te kennen bevoegdheden etc. steeds weer vragen oproepen en leiden tot sterk uiteenlopende meningen. Dit geldt zowel voor de uitgesproken voorstanders van het EOM, de lidstaten die daar terughoudend tegenover staan als voor de overige lidstaten. Verder geeft de minister aan nog altijd geen standpunt te hebben ingenomen ten aanzien van het EOM en ook niet te kunnen aangeven wanneer hij dit wel kan.

Op 2 december 2014 stelde de commissies I&A/JBZ en V&J een conceptbrief aan de regering vast met nadere vragen over het verordeningsvoorstel. In de brief wordt onder meer gevraagd wanneer de regering acht wel standpunten in te nemen ten aanzien van het EOM.

De minister van Veiligheid en Justitie reageerde op 14 november 2014 op de vragen van de commissie I&A/JBZ naar aanleiding van de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 9-10 oktober en een notitie van de commissie Meijers. De commissies I&A/JBZ en V&J bespraken de reactie op 25 november 2014 en besloten in nader schriftelijk overleg te treden met de regering. Een conceptbrief zal op 2 december 2014 worden besproken.

Naar aanleiding van de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 9-10 oktober 2014 en een notitie van de commissie Meijers besloot de commissie I&A/JBZ op 7 oktober 2014 schriftelijke vragen te stellen aan de regering, onder meer over dit voorstel. In de brief die op 8 oktober 2014 werd verzonden, onderschrijft de commissie het uitgangspunt van de regering, namelijk dat op de in de JBZ-Raad geagendeerde vraag of het Europees Openbaar Ministerie na zijn feitelijke totstandkoming zal gaan opereren als één en dezelfde organisatie in relatie tot het grondgebied van alle deelnemende lidstaten nog geen antwoord kan worden gegeven, eerst moeten de besprekingen op technisch niveau worden voortgezet. Daarnaast verzoeken de leden van de VVD en de PVV bij de verdere besprekingen expliciet de optie open te houden dat er geen Europees Openbaar Ministerie wordt opgericht. De leden verzoeken de regering bovendien om nog een antwoord te geven op de vragen van 17 december 2013 en een reactie van de regering op opmerkingen van de commissie Meijers.

De commissies I&A/JBZ en V&J bespraken op 9 september 2014 de reacties van de Europese Commissies van 22 juli 2014 en 8 augustus 2014 en besloten deze voor kennisgeving aan te nemen. De commissies blijven het dossier volgen.

De Europese Commissie reageerde op 8 augustus 2014 op de brief van de commissies I&A/JBZ en V&J van 3 juni 2014. In haar reactie geeft de Europese Commissie onder meer aan dat volgens haar de reactie op de gele kaart volleding in overeenstemming was met de praktische regelingen voor de uitoefening van de subsidiariteitscontrole. Deze reactie zal net als de reactie van 22 juli 2014 op 9 september 2014 worden besproken.

De Europese Commissie reageerde op 22 juli 2014 op de brief van de commisies I&A/JBZ en V&J van 24 april 2014 waarin zij aangeven dat een meerderheid van de commissies zich aansluit bij de inhoud van een brief van de Tweede Kamer aan de Europese Commissie. De commissies zullen de reactie van de Europese Commissie naar verwachting op 9 september 2014 bespreken.

De commissies voor I&A/JBZ en V&J besloten op 3 juni 2014 naar aanleiding van de brief van de miniser van Veiligheid en Justitie van 28 mei 2014 en de passages uit de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 5-6 juni 2014 over het Europees Openbaar Ministerie, het dossier opnieuw te agenderen na ontvangst van het verslag van de JBZ-Raad. Tevens werd de kritische brief aan de Europese Commissie naar aanleiding van de reactie van de Europese Commissie op de gele kaart van de nationale parlementen verzonden.

De minister van Veiligheid en Justitie stuurde op 28 mei 2014 een brief aan het parlement met daarin een reactie op het voorstel van het Griekse Voorzitterschap over de oprichting van het Europees Openbaar Ministerie (EOM). De commissies I&A/JBZ en V&J zullen op 3 juni 2014 de reactie van de minister, alsmede de passages uit de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 5-6 juni 2014 over het EOM bespreken.

Op 27 mei 2014 stemden de commissies I&A/JBZ en V&J in met een conceptbrief aan de Europese Commissie in het kader van de politieke dialoog over de gele kaart-procedure. Deze brief werd op 3 juni verzonden. Daarnaast namen de commissies een voortgangsrapportage van de Tweede Kamerraporteur Europees Openbaar Ministerie voor kennisgeving aan.

Op 16 mei 2014 stuurden de commissies I&A/JBZ en V&J een brief aan de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer en aan de rapporteur Europees Openbaar Ministerie van de Tweede Kamer over de vorm van samenwerking op dit dossier. In de brief geven de commissies aan dat zij in meerderheid het verzet van de Tweede Kamer tegen het oorspronkelijke Commissievoorstel steunen. Gelet op de verschillende politieke standpuntinnames van de fracties in de Eerste Kamer ten aanzien van het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie en ten aanzien van een eventueel alternatief voorstel zoals voorgesteld door de Tweede Kamerrapporteur, lijkt het de commissies niet verstandig – gegeven alle nuances - de Tweede Kamerrapporteur mandaat te verlenen om mede namens de Eerste Kamer te spreken. Wel nodigen de commissies de Tweede Kamerraporteur uit om brieven die door de Tweede Kamer worden verstuurd in het kader van het EOM onder de aandacht van de Eerste Kamer te brengen. Per geval zullen de commissies nagaan in hoeverre een meerderheid gevonden kan worden om zich achter concrete uitingen te scharen.

Op 13 mei 2014 gingen de commissies I&A/JBZ en V&J akkoord met de conceptbrief gericht aan de voorzitter van de vaste commissie V&J van de Tweede Kamer inzake het mandaat van de Tweede Kamerrapporteur en de position paper over het Europees Openbaar Ministerie. Daarnaast besloten de commissies in schriftelijk overleg te treden met de Europese Commissie over de gelekaartprocedure.

Op 6 mei 2014 bespraken de commissies I&A/JBZ en V&J de vorm van samenwerking die zij wensen op te zetten met de Tweede-Kamerrapporteur inzake het Europese Openbaar Ministerie. De commissie zal op basis hiervan een brief richten aan de Tweede Kamer waarin het besluit wordt toegelicht.

De commissies I&A/JBZ en V&J stuurden op 24 april 2014 een brief aan de Europese Commissie waarin zij aangeven dat een meerderheid van de commissies zich aansluit bij de inhoud van een brief van de Tweede Kamer aan de Europese Commissie van 16 april 2014. In deze brief uit de Tweede Kamer onder meer kritiek op het feit dat de Europese Commissie niets gedaan heeft met de gele kaart van de nationale parlementen en het voorstel nog steeds handhaaft. Dezelfde dag werd tevens een brief gestuurd aan de minister van Veiligheid en Justitie met het verzoek om een reactie van de regering op het voorstel van het Griekse Voorzitterschap tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie wat de minister op 26 maart 2014 aan de Kamer heeft gestuurd.

De commissies I&A/JBZ en V&J bespraken op 15 april 2014 de verdere procedure voor behandeling van het verordeningsvoorstel. De commissies besloten naar aanleiding van het aangenomen position paper van de heer Van der Steur, Tweede Kamerrapporteur inzake het Europees Openbaar Ministerie, te willen samenwerken met de Tweede Kamerrapporteur. Daar waar de commissies of de individuele fracties wensen af te wijken op onderdelen, zullen zij dit te kennen geven. De leden van de fracties van de SP en van de PVV sluiten zich aan bij het kritische geluid dat de Tweede Kamerrapporteur uit, maar wensen bij voorbaat een voorbehoud te plaatsen bij het compromisvoorstel uit de position paper. De commissies besloten verder zich aan te willen sluiten bij een kritische brief die de Tweede Kamer aan de Europese Commissie wil zenden met een reactie op de uitspraken van de Europese Commissie op het gemotiveerde advies. Tot slot werd besloten een brief aan de regering te richten met vragen over de brief van 26 maart 2014 inzake de aanbieding van het voorstel van het Griekse voorzitterschap. .

De commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer stemde op 11 april 2014 in met de position paper van de rapporteur Europees Openbaar ministerie, de heer van der Steur.

Op 1 april 2014 heeft de heer van der Steur, rapporteur Europees Openbaar Ministerie (EOM) van de Tweede Kamer, de commissies geïnformeerd over zijn mandaat en zijn voornemen een position paper voor te leggen aan de Tweede Kamer met een compromisvoorstel inzake het EOM. Verdere behandeling van het voorstel, waaronder het alternatieve voorstel van het Griekse Voorzitterschap, wordt aangehouden tot na de ontvangst van het position paper van de Tweede Kamer.

De minister van Veiligheid en Justitie stuurde op 26 maart 2014 een brief aan de Eerste Kamer met daarin een voorstel van het Griekse Voorzitterschap over het Europees Openbaar Ministerie. Het voorstel van het Griekse Voorzitterschap bevat, voortbouwend op het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, voorstellen over de taken, onafhankelijkheid, structuur en bevoegdheden van het Europees Openbaar Ministerie. De commissies I&A/JBZ en V&J zullen de brief van de minister op 1 april 2014 bespreken.

Op 25 maart 2014 besloten de leden van de fractie van de SP inbreng te willen leveren voor een brief aan de Europese Commissie naar aanleiding van de reactie van de Europese Commissie op de subsidiariteitsbezwaren van de Eerste Kamer. De commissies besluiten hiertoe een inbrengvergadering te plannen na het geplande gesprek met de rapporteur Europees Openbaar Ministerie van de Tweede Kamer, de heer Van der Steur (VVD) op 1 april 2014.

Op 18 maart 2014 besloten de commissies I&A/JBZ en V&J de terugkoppeling over de Joint Committee Meeting georganiseerd door het Europees Parlement op 19 maart in Brussel, op het punt van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) af te wachten.

De Europese Commissie reageerde op 13 maart 2014 op de subdiariteitsbezwaren van de Eerste Kamer. De commissies I&A/JBZ en V&J zullen de reactie van de Europese Commissie op 18 maart 2014 bespreken.

Op 11 maart 2014 besloten de commissies voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad (I&A/JBZ) en voor Veiligheid en Justitie (V&J) de brief van 27 februari 2014 van de minister van V&J met een aanvulling op de geannoteerde agenda van de JBZ-Raadsvergadering van 3-4 maart 2014 inzake het Europees Openbaar Ministerie voor kennisgeving aan te nemen. Tevens besloten de commissies de onlangs aangestelde rapporteur voor het Europees OM in de Tweede Kamer, de heer Ard van der Steur (VVD), uit te nodigen om zijn aanstelling en mandaat toe te lichten.

De ministers van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking stuurden op 7 februari 2014 een reactie op het AIV-advies 'Criminaliteit, corruptie en instabiliteit' van 3 juli 2013 aan de Eerste Kamer. In dit advies pleit de AIV voor de oprichting voor de oprichting van een Europees Openbaar MInisterie. In de brief geven de ministers aan dat oprichting van een EOM weliswaar een bijdrage aan de bestrijding van fraude met EU-middelen kan leveren, maar dat bij de wijze waarop het EOM in dit voorstel wordt ingericht kanttekeningen worden geplaatst. Verder geven de ministers aan dat de Europese Commissie naar aaneiding van de gele kaart van nationale parlementen een herziening van het voorstel in voorbereiding heeft en dat het kabinet dit aangepaste voorstel afwacht.

Op 21 januari 2014 besloten de commissies voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad (I&A/JBZ) en voor Veiligheid en Justitie (V&J) de reactie van de minister van Veiligheid en Justitie van 17 januari 2014 voor kennisgeving aan te nemen. De nog niet door de regering beantwoorde vragen uit hun brief van 17 december 2013 wachten zij af, gelet op de door Eurocommissaris Reding aangekondigde aanpassing van het voorstel door de Europese Commissie.

De minister van Veiligheid en Justitie reageerde op 17 januari 2014 op de brief van de commissies voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad (I&A/JBZ) en voor Veiligheid en Justitie (V&J) van 17 december 2013. In de brief geeft de minister onder andere aan dat hij over het EOM geen standpunt wil innemen, anders dan dat de regering conform de wens van een meerderheid van de Tweede Kamer niet zal instemmen met het voorliggende voorstel. Dit klemt temeer nu, zoals de minister heeft aangeven in het verslag van de lunchbespreking, Commissaris Reding heeft aangekondigd dat de Commissie binnenkort een aanpassing van het voorstel in voorbereiding zal nemen.

Op 10 december 2013 stelden de commissies voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad (I&A/JBZ) en voor Veiligheid en Justitie (V&J) de conceptbrief aan de regering vast. De brief aan de minister van Veiligheid en Justitie werd op 17 december 2013 verzonden. In de brief vragen de commissies onder andere aan de regering hoe zij zich gaat opstellen tijdens de onderhandelingen gegeven de door de Kamer geuite subsidiariteitsbezwaren.

De commissies voor I&A/JBZ en V&J bespraken op 3 december 2013 de reactie van de Europese Commissie naar aanleiding van de gele kaart van de nationale parlementen. De commissies besloten inbreng te leveren voor schriftelijk overleg met de regering. Een conceptbrief zal op 10 december 2013 worden besproken.

Naar aanleiding van de gele kaart procedure stuurde de Europese Commissie op 27 november 2013 een mededeling aan de nationale parlementen met daarin het bericht dat het verordeningsvoorstel volgens de Europese Commissie niet in strijd is met het subsidiariteitsprincipe en daarom niet gewijzigd of ingetrokken zal worden. De commissies voor I&A/JBZ en V&J zullen de mededeling van de Europese Commissie op 3 december 2013 bespeken.

De Europese Commissie stuurde op 12 november 2013 een brief aan de Eerste Kamer met daarin het bericht dat de drempel voor een gele kaart procedure is gehaald. De Europese Commissie geeft aan het wetgevingsvoorstel nu opnieuw in overweging nemen teneinde te besluiten het ontwerp te handhaven, te wijzigen of in te trekken.

Op 29 oktober 2013 besloten de commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad (I&A/JBZ) en voor Veiligheid en Justitie (V&J) een inbrengvergadering voor schriftelijk overleg inzake het Europees OM op te schorten in afwachting van de heroverweging van de Europese commissie naar aanleiding van de gele kaart procedure.

Op 15 oktober 2013 stemde een meerderheid van de Eerste Kamer plenair in met de conceptbrief aan de Europese Commissie met een gemotiveerd advies (subsidiariteitsbezwaar) zoals voorgesteld door de voorzitters van de commissies voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad (I&A/JBZ) en voor Veiligheid en Justitie (V&J) op 11 oktober 2013. De brief aan de Europese Commissie met subsidiariteitsbezwaren werd op 17 oktober 2013 verzonden.

Tijdens de gezamenlijk vergadering van de commissies voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad (I&A/JBZ) en voor Veiligheid en Justitie (V&J) op 8 oktober 2013 bleek een meerderheid van de commissies zich te willen aan sluiten bij de argumentatie voor een subsidiariteitsbezwaar zoals isopgesteld door de Tweede Kamer, namelijk de VVD, PVV, SP, ChristenUnie, 50Plus, PvdD en OSF. De VVD-fractie heeft aanvullende argumenten voor een subsidiariteitsbezwaar.

Op 3 oktober 2013 stuurde de voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken van de Tweede Kamer een brief aan de Eerste Kamer met daarin het bericht dat de commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer een negatief subsidiariteitsoordeel heeft uitgesproken over het verordeningsvoorstel. In de brief wordt verzocht deze besluitvorming en de later toe te sturen tekst van het gemotiveerde advies breed kenbaar te maken aan de leden van de Eerste Kamer, om later wellicht samen op te trekken in het traject van de subsidiariteitstoets.

Tijdens de vergadering van de commissies voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad (I&A/JBZ) en voor Veiligheid en Justitie (V&J) op 1 oktober 2013 gaven verschillende fracties aan subsidiariteitsbezwaren te hebben bij de verordening. De subsidiariteitsbezwaren zullen op 8 oktober 2013 worden besproken. De fractie van D66 levert inbreng voor schriftelijk overleg.

De commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad (I&A/JBZ) en de commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) bespraken op 10 september 2013 de procedure voor behandeling. De commissies besloten om op 1 oktober 2013 inbreng te leveren voor schriftelijk overleg.

Vicevoorzitter van de Europese Commissie, Vivianne Reding, stuurde op 17 juli 2013 een brief aan de Eerste Kamer met daarin het verzoek het voorstel tot instelling van het Europees Openbaar ministerie en het voorstel inzake de hervorming van Eurojust (E130040) te steunen en mee te werken aan een spoedige behandeling van de voorstellen. In reactie hierop, stuurde de voorzitter van de Eerste Kamer op 3 september 2013 een brief aan Eurocommissaris Reding met daarin het bericht dat de commissies V&J en I&A/JBZ de voorstellen op 10 september 2013 zullen behandelen en de voorstellen met de nodige aandacht zullen bestuderen.

De commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad (I&A/JBZ) en de commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) hebben dit voorstel als prioritair geselecteerd uit het werkprogramma 2013 van de Europese Commissie. Het voorstel gaat vergezeld van de Commissiemededeling: de financiële belangen van de Unie beter beschermen: instelling van een Europees Openbaar Ministerie en hervorming van Eurojust (E130042) en de Commissiemedeling: de governance van OLAF en de procedurele waarborgen bij onderzoeken versterken: stapsgewijze benadering ter flankering van de instelling van een Europees OM (E130043).

Op 3 juli 2013 boden de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking het AIV-advies 'Criminaliteit, corruptie en instabiliteit' aan aan de Eerste en Tweede Kamer. In het advies pleit de AIV onder andere voor de oprichting van een Europees openbaar ministerie. Dit nieuwe instituut zou uitsluitend moeten worden belast met de coördinatie van zaken die via de nationale officieren van justitie voor de rechter worden gebracht inzake vormen van criminaliteit die de financiële belangen van de Unie schaden.


Behandeling Tweede Kamer

Op 12 juli 2018 besprak de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid het verslag van een schriftelijk overleg met de minister van Justitie en Veiligheid over de geannoteerde agenda voor de informele JBZ-Raad van 12 en 13 juli 2018, waarin o.a. vragen worden gesteld over de Nederlandse deelname aan het EOM.

Op 31 mei 2018 hebben de commissie voor Justitie en Veiligheid en de commissie voor Europese Zaken een algemeen overleg gevoerd met de minister voor Rechtsbescherming en de minister van Justitie en Veiligheid over de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 4-5 juni 2018. Tijdens het overleg zijn o.a. vragen gesteld over Nederlandse voorbereidingen voor deelname aan het EOM.

Op 7 maart 2018 heeft de commissie Europese Zaken een algemeen overleg gevoerd met de minister voor Rechtsbescherming en de minister van Justitie en Veiligheid over de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 8-9 maart 2018 en de brief over het voornemen tot deelname aan het Europees Openbaar Ministerie.

Op 24 januari 2018 heeft de commissie voor Justitie en Veiligheid een algemeen overleg gevoerd over de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 25-26 januari 2018 en het verslag van de JBZ-Raad van 7-8 december 2017 met de minister van Justitie en Veiligheid. Tijdens het overleg zijn o.a. vragen gesteld over de samenwerking van het EOM en verdeling van taken met Eurojust, Europol en OLAF.

Op 7 november 2017 hebben de commissies Europese Zaken en Buitenlandse Zaken een algemeen overleg gevoerd met de minister van Buitenlandse Zaken over de Raad Algemene Zaken van 20 november 2017. Hierbij is kort gesproken over het voornemen van de Nederlandse regering voor deelname aan het EOM.

Tijdens het debat over de Europese top van 19-20 oktober 2017, dat plaatsvond op 12 oktober 2017, is met de minister-president gesproken over het voornemen van in het regeerakkoord genoemde voornemen van de regering om deel te nemen aan het EOM.

De commissie Veiligheid & Justitie van de Tweede Kamer heeft op 16 oktober 2017 een verslag van een schriftelijk overleg met de minister van V&J vastgesteld waar onder andere vragen zijn gesteld over het EOM.

De commissies voor Veiligheid en Justitie en Europese Zaken hebben op 13 september 2017 een algemeen overleg gevoerd met de minister van Veiligheid en Justitie over o.a. de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 14 september 2017. Tijdens dit overleg is gesproken over de bevoegdheden van het EOM en Eurojust.

Op 7 juni 2017 hield de Tweede Kamer een algemeen overleg over de JBZ-Raad van 8-9 juni 2017, waarbij ook is gesproken over het EOM. Later in de middag is er ook een VAO gehouden over JBZ-Raad met direct de stemmnigen daaropvolgend, waarbij de motie van het lid Van Nispen over geen deelname van Nederland aan een Europees openbaar ministerie (32317, 470) is aangenomen.

Op 17 mei 2017 besprak de commissie voor V&J in een algemeen overleg met de minister van V&J over de JBZ-Raad van 18 mei 2017. Hier kwam ook het Europees Openbaar Ministerie ter sprake.

Op 24 maart 2017 is een verslag van een schriftelijk overleg van de Tweede Kamer vastgesteld over de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 27-28 maart 2017. In dit verslag stelden de Leden ook vragen over het Europees Openbaar Ministerie.

Op 7 december 2016 hield de commissie voor Veiligheid en Justitie een algemeen overleg inzake de JBZ-Raad van 8-9 december 2016, waarbij ook de stand van zaken inzake het EOM werd besproken.

Op 23 november 2016 hield de commissie voor Veiligheid en Justitie een algemeen overleg inzake het Europees Openbaar Ministerie met de minister van Veiligheid en Justitie, waarin de fracties een eindoordeel konden geven over deelname van Nederland aan het EOM. Een meerderheid van de aanwezige fracties bleek tegen deelname van Nederland aan het EOM (VVD, SP, CDA en PVV, totaal 80 zetels). Alleen de PvdA en D66 bleken, ondanks de nodige bezwaren, voorstander te zijn (totaal 47 zetels). De overige fracties waren niet aanwezig.

Op 13 oktober 2016 werd er tijdens de procedurevergadering van Veiligheid & Justitie besloten een algemeen overleg over het Europees Openbaar Ministerie te plannen vóór het algemeen overleg over de JBZ-Raad op 7 december 2016.

Op 12 oktober 2016 werd er tijdens het algemeen overleg met de minister van Veiligheid en Justitie over de JBZ-Raad van 13-14 oktober 2016 gesproken over het EOM.

Op 6 juli 2016 heeft de Tweede Kamer, na een VAO over JBZ-Raad 7-8 juli 2016, een motie aangenomen over het Europees Openbaar Ministerie. De motie van het lid Van Oosten c.s. over aangeven dat Nederland niet zal instemmen met de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie (TK 32.317, 428). Tijdens een algemeen overleg voorafgaand met de commissie voor Veiligheid en Justitie werd er ook over het EOM gesproken.

Op 2 juni 2016 stuurde de Tweede Kamer rapporteur EOM een brief naar de Tweede Kamer leden van van de commissie Veiligheid en Justitie inzake de gevolgen van de komst van het EOM voor de Nederlandse opsporings- en vervolgingspraktijk.

Tijdens het VAO op 9 maart 2016 over de JBZ-Raad van 10-11 maart 2016 heeft het lid Van Oosten een motie ingediend over het Europees Openbaar Ministerie waarin de regering wordt opgeroepen om bij de komende JBZ-Raad mededeling te doen van de nog steeds bestaande kritische houding van de Tweede Kamer in het bijzonder op de beschreven overdracht van de bevoegdheid en de mogelijke gevolgen daarvan. Deze motie is door de Tweede Kamer aangenomen.

De commissie voor Veiligheid en Justitie heeft schriftelijk overleg gevoerd met de minister en staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over onder andere de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 9-10 juli 2015. Er zijn onder meer vragen gesteld over het Europees Openbaar Ministerie. Op 3 juli 2015 is het verslag schriftelijk overleg vastgesteld.

Tijdens het algemeen overleg op 10 juni 2015 over de JBZ-Raad van 15-16 juni 2015 heeft de commissie voor Veiligheid en Justitie de brief van de minister van Veiligheid en Justitie van 3 juni 2015 over de laatste ontwikkelingen rond het Europees Openbaar Ministerie besproken. Daarnaast heeft de Kamer tijdens het plenair debat over de JBZ-Raad van 15-16 juni op 11 juni 2015 de motie van het lid Oskam aangenomen waarin de regering wordt verzocht, gelijktijdig met de onderhandelingen over het EOM actief andere mogelijkheden in samenspraak met andere lidstaten te onderzoeken en de Kamer over de uitkomsten te rapporteren. Ook de motie van de leden Van Oosten en Segers werd aangenomen, die ging over het niet instemmen met afzonderlijke artikelen uit de conceptverorderning alvorens de Tweede kamer een finaal oordeel heeft kunnen geven over het complete EOM voorstel.

Op 20 mei 2015 heeft de commissie voor Veiligheid en Justitie met de rapporteur over zijn mandaat gesproken. De rapporteur zal de commissie op korte termijn nader informeren over de recente ontwikkelingen met betrekking tot het EOM.

Op 28 april 2015 spraken woordvoerders van de commissie voor Veiligheid en Justitie met leden van de Duitse Bondsdag (op werkbezoek in Den Haag) over de positie van het Nederlands parlement ten aanzien van de oprichting van het EOM.

De commissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 15 april 2015 het Tweede Kamerlid Recourt benoemd tot rapporteur Europees Openbaar Ministerie. Hij is de opvolger van de heer Van der Steur die minister van Veiligheid en Justitie is geworden.

Op 4 maart 2015 besprak de commissie voor Veiligheid en Justitie een brief van de rapporteur Europees Openbaar Ministerie (de heer Van der Steur) waarin hij de commissie verzoekt zijn mandaat te verlengen tot aan het zomerreces van 2016, of zoveel eerder als er over een EOM definitief is besloten.

De rapporteur Europees Openbaar Ministerie (de heer van der Steur) had op 3 maart 2015 een ontmoeting met de rapporteur van het Europees Parlement, mevrouw Monica Macovei.

De commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) verlengde tijdens een procedurevergadering op 12 februari 2015 het mandaat van de rapporteur EOM (de heer van der Steur) tot 18 maart 2015. Tijdens de volgende procedurevergadering op 18 maart 2015 zal de rapporteur worden gevraagd een herzien position paper voor te bereiden en deze toe te lichten.

Tijdens het algemeen overleg voorafgaand aan de JBZ-Raad van 4-5 december 2014 op 3 december 2014 sprak de commissie voor Veiligheid en Justitie uitgebreid over dit voorstel met de minister van Veiligheid en Justitie. De minister gaf onder meer aan nog steeds geen standpunt in te nemen ten aanzien van een EOM.

Tijdens een procedurevergadering op 15 oktober 2014 besprak de commissie voor Veiligheid en Justitie de voorgangsrapportage van de rapporteur EOM en nam deze voor kennisgeving aan.

Voorafgaand aan de JBZ-Raad van 9-10 oktober 2014 hield de commissie voor Veiligheid en Justitie en algemeen overleg met de minister en staatssecretaris van Veiligheid en Justitie waar onder meer onderhavig verordeningsvoorstel ter sprake kwam. De minister gaf hierin aan dat de vragen die het Italiaans Voorzitterschap stelt (onder meer over de single legal area) volgens hem niet de juiste vragen zijn aangezien er op dit moment nog geen duidelijkheid is of er een Europees Openbaar Ministerie komt. Verder gaf de minister aan dat de onderhandeling over de verordening nog lange tijd zullen duren.

Tijdens een procedurevergadering op 10 september 2014 besloot de commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) dat de rapporteur EOM (de heer van der Steur) een technische briefing zal verzorgen op 7 oktober 2014.

Er zijn meerdere vragen gesteld over het Europees Openbaar Ministerie in een schriftelijk overleg van 4 juli 2014 met de minister en staatssecretaris van Veiligheid en Justitie voorafgaand aan de informele Raad voor Justitie en Binnenlandse Zaken van 8-9 juli 2014.

De commissie voor Veiligheid en Justiite nam op 2 juli 2014 een voortgangsrapportage van de rapporteur Europees Openbaar Ministerie voor kennisgeving aan.

Tijdens het algemeen overleg over de JBZ-Raad van 5-6 juni 2014 op 4 juni 2014 is het Europees Openbaar Ministerie uitgebreid ter sprake gekomen. De minister van Veiligheid en Justitie gaf onder meer aan nog geen positie te willen innemen ten aanzien van het voorstel van het Griekse Voorzitterschap, de minister wil eerst alles in kaart hebben gebracht.

De Tweede Kamer voerde voorafgaand aan de Raad Algemene Zaken van 13 mei 2014 schriftelijk overleg met de regering. Hieruit blijkt onder meer dat de Kamer, in aanloop naar de JBZ-Raad van 5-6 juni a.s. de gevraagde schriftelijke reactie op het voorstel van het Griekse Voorzitterschap over de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie tegemoet kan zien.

De commissie voor Veiligheid en Justitie stuurde op 16 april 2014 een brief aan de Europese Commissie. In de brief uit de commissie veel kritiek op het feit dat de EUropese Commissie niets gedaan heeft met de gele kaart en het voorstel nog steeds handhaaft.

De commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer stemde op 11 april 2014 in met de position paper van de rapporteur Europees Openbaar ministerie, de heer van der Steur.

Tijdens een procedurevergadering op 9 april 2014 heeft de commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) een conceptbrief aan de Europese Commissie besproken in reactie op de brief van de Europese Commissie van 13 maart 2014. Ook heeft de commissie de position paper van de rapporteur Europees Openbaar Ministerie besproken. Tot slot besloot de commissie de minister van Veiligheid en Justitie te verzoeken om een reactie op het alternatieve voorstel van het Griekse Voorzitterschap.

De Europese Commissie reageerde op 13 maart 2014 op de subsidiariteitsbezwaren van de Tweede Kamer. De reactie is op 27 maart 2014 rondgezonden onder de leden.

Op 20 februari 2014 heeft de commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) een algemeen overleg gevoerd met de minister van Veiligheid en Justitie over de JBZ-Raad van 3-4 maart 2014. Het verordeningsvoorstel kwam uitgebreid ter sprake.

De commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) wees op 19 februari 2014 het lid van der Steur (VVD) aan als rapporteur op het dossier inzake het Europees Openbaar Ministerie.

Op 5 februari 2014 besloot de commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) tot het instellen van rapporteurschap op dit dossier. Voor de volgende procedurevergadering zal een rapporteur worden aangewezen en een mandaat worden vastgesteld.

Tijdens een procedurevergadering op 22 januari 2014 besprak de commissie V&J de reactiePDF-document van de Europese Commissie op de gele kaart. De commissie nam de volgende besluiten:

  • Eurojust zal worden verzocht een technische briefing te verzorgen inzake het voorstel van de Europese Commissie.
  • Eurocommissaris Reding wordt uitgenodigd voor een gesprek over het onderhavige voorstel van de Europese Commissie.
  • Ten behoeve van de volgende procedurevergadering zal er een notitie worden opgesteld over een mogelijk rapporteurschap (activiteiten, duur), de oranjekaartprocedure en de mogelijkheid om als Kamer dit dossier aan het Europees Hof voor te leggen.
  • Ten behoeve van de volgende procedurevergadering zal worden geïnventariseerd of er leden van uw commissie belangstelling hebben voor een mogelijk rapporteurschap op dit dossier.

Het lid van der Steur heeft op 15 januari 2014 een verzoek ingediend bij de commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) om Eurocommisaris Reding uit te nodigen om haar standpunt toe te lichten over de getrokken gele kaart inzake het Europees Ministerie. De V&J zal het verzoek bespreken tijdens een procedurevergadering op 22 januari 2014 .

Tijdens een procedurevergadering op 18 december 2013 besloot de commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) het verslag van de minister van 12 december 2013 te agenderen voor een algemeen overleg over de informele JBZ-Raad van 23 en 24 januari 2014 op 22 januari 2014.

De minister van Veiligheid en Justitie stuurde de Tweede Kamer op 12 december 2013 een verslag van de lunchbespreking tijdens de JBZ-Raad over het verordeningsvoorstel. Dit naar aanleiding van een toezegging die de minister gedaan heeft tijdens het algemeen overleg over de JBZ-Raad op 4 december 2013. De minister geeft in het verslag onder aan dat hij tijdens de Raad de bezwaren van het Nederlandse parlement duidelijk kenbaar heeft gemaakt. Het inkomende Griekse Voorzitterschap heeft aangegeven dat de zorgen van nationale parlementen serieus moeten worden genomen. Het Voorzitterschap heeft daarom veel vergadertijd ingeruimd. Tot slot blijkt uit het verslag dat de Europese Commissie binnenkort een aanpassing van het voorstel in voorbereiding zal nemen.

Op 4 december 2013 hield de commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) een algemeen overleg over de JBZ-Raad van 5-6 december 2013. Tijdens het overleg kwam de gele kaart op het verordeningsvoorstel veelvuldig ter sprake. De minister van Veiligheid en Justitie gaf aan het eens te zijn met de Kamer dat de reactie van de Europese Commissie op de gele kaart buitengewoon teleurstellend is. De minister zegde de Kamer toe haar te informeren over de uitkomsten van de lunchbespreking die tijdens de Raad zullen plaatsvinden over het voorstel.

De Tweede Kamer beëindigde op 19 november 2013 formeel het behandelvoorbehoud, onder de aantekening dat de PVV geacht wenst tegen het voorstel te hebben gestemd.

Op 15 november 2013 stuurde de voorzitter van de commissie voor Europese Zaken een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer met daarin het advies om het parlementair behandelvoorbehoud formeel te beëindigen met de volgende afspraken:

  • 1. 
    Het kabinet stuurt een reguliere update van de stand van zaken in de onderhandelingen over het voorstel aan de Tweede Kamer. De concept standpunten van de Raad, evenals het concept politiek akkoord en het concept gemeenschappelijk standpunt, voorafgaand aan de besluitvorming in de Raad, zowel in eerste als in tweede lezing, worden met een appreciatie van het kabinet aan de Tweede Kamer toegestuurd.
  • 2. 
    Het kabinet stuurt de Tweede Kamer informatie over bewegingen in de Raad en onderliggende overlegfora die gevolgen hebben voor Nederland en de Nederlandse inzet op belangwekkende onderdelen
  • 3. 
    Het kabinet informeert de Tweede Kamer over de effectbeoordeling, de beheerskosten en exploitatiekosten (uitvoeringskosten) voor Nederland, voor zover van toepassing.
  • 4. 
    Wanneer wijzigingen optreden in het standpunt van het kabinet zoals dit is weergegeven in het BNC-fiche wordt de Tweede Kamer hierover schriftelijk geïnformeerd.
  • 5. 
    Indien correspondentie plaatsvindt tussen het kabinet en de Europese Commissie zal deze, conform de motie Van Gent c.s. (Kamerstuk 32123 XIV, nr. 147) onverwijld ter beschikking worden gesteld aan de Tweede Kamer.

De commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) heeft op 13 november 2013 een algemeen overleg gevoerd met de minister van Veiligheid en Justitie over het behandelvoorbehoud dat zij heeft geplaatst bij het verordeningsvoorstel oprichting Europees Openbaar Ministerie en het verordeningsvoorstel inzake hervorming structuur Eurojust.

Tijdens een procedurevergadering op 7 november 2013 besloot de commissie voor Europese Zaken naar aanleiding van de gele kaart op het voorstel Europees OM een brief aan de Europese Commissie te sturen met het verzoek om de procedure tot vaststelling van de gele kaart te verhelderen.

Op 7 november 2013 heeft de commissie V&J een technische briefing gehad over de EU-voorstellen tot oprichting van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en herziening van de structuur van Eurojust. De technische briefing werd gegeven door ambtenaren van het ministerie van Justitie.

Op 18 oktober 2013 stuurde de voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken een brief aan de voorzitter met daarin het advies om een parlementair behandelvoorbehoud te plaatsen bij dit voorstel. De Tweede Kamer stemde op 29 oktober 2013 plenair in met de brief en plaatste daarmee een parlementair behandelvoorbehoud bij het voorstel.

De Tweede Kamer heeft op 10 oktober 2013 ingestemd met het verzenden van een subsidiariteitsbezwaar naar de Europese Commissie onder de aantekening dat de fracties van D66 en GroenLinks geacht wensen te worden tegen het voorstel te hebben gestemd.

Tijdens het algemeen overleg over de JBZ-Raad van 7-8 oktober 2013 op 3 oktober 2013 zijn er twee moties ingediend over het verordeningsvoorstel Europees OM. De motie van de leden Recourt en van Oosten die de regering oproept om niet in te stemmen met de instelling, dan wel oprichting, van een Europees Openbaar Ministerie volgens het voorstel zoals dat nu voorligt is aangenomenra. Daarnaast gaf de minister van Veiligheid en justitie onder meer aan dat het EOM alleen moet gelden voor EU-fraudedeliciten, er mag geen enkele risico zijn dat het zich verbreedt. Verder bleek onder meer dat veel andere landen een positieve grondhouding hebben, maar dat niemand het voorstel van de Europese Commissie steunt. De minister gaf verder aan zijn positie over het EOM open te houden.

Op 2 oktober 2013 heeft de commissie voor Veiligheid en Justitie een negatief subsidiariteitsoordeel uitgesproken over het verordeningsvoorstel. De brief met subsidiariteitsbezwaren dient nog plenair te worden vastgesteld.

Tijdens een procedurevergadering op 11 september 2013 besloot de commissie V&J een behandelvoorbehoud te plaatsen en het voorstel te agenderen voor een algemeen overleg vóór 3 december 2013. Daarnaast besloot de commissie het voorstel te onderwerpen aan een subsidiariteitstoets. Tot slot werd besloten een technische briefing te laten verzorgen door de Europese Commissie, het Landelijk Parket en het Nederlandse lid van Eurojust.

De commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) heeft dit voorstel ook als prioritair geselecteerd uit het werkprogramma 2013 van de Europese Commissie.


Standpunt Nederlandse regering

De minister van Buitenlandse Zaken stuurde op 6 september 2013 het BNC-fiche aan de Kamer. Uit het BNC-fiche blijkt onder andere dat het kabinet de intentie van de Commissie onderschrijft om de bestrijding van fraude met EU middelen te verbeteren en acht het met het oog op de transparantie een goede zaak dat daartoe een samenhangend pakket van maatregelen is voorgesteld. Tegelijk wordt daarbij aangetekend, dat de afronding van de besluitvorming inzake de ontwerprichtlijn bestrijding van EU-fraude door middel van het strafrecht en de implementatie daarvan een conditiosine qua non is voor het functioneren van het Europees OM (EOM).

Het kabinet meent dat aan het subsidiariteitsbeginsel is voldaan, als alle lidstaten die onverkort gebonden zijn aan titel V van het derde deel van het VWEU ("de ruimte van veiligheid, vrijheid en recht") zullen participeren in het EOM, omdat daardoor een vergelijkbaar niveau van strafrechtelijke bestrijding van fraude in de lidstaten kan worden bereikt. Bij gebreke van deelname door alle voornoemde lidstaten kan het EOM ook op grond van nauwere samenwerking worden opgericht. Het kabinet zal, als die situatie zich zou voordoen, opnieuw een subsidiariteitstoets uitvoeren.

Het kabinet is positief over de gedecentraliseerde structuur van het EOM, maar plaatst kanttekeningen bij de proportionaliteit wat betreft de kerntaken van het EOM. Het wil de bevoegdheid van het EOM beperken tot de EU-fraudedelicten, de interne werkwijze van het EOM herzien zodat het EOM meer aan de hand van algemene criteria voor opsporing en vervolging en daarmee samenhangende beslissingen werkt en de centrale sturing meer is gericht op de coördinatie van zaken die in meer dan een lidstaat spelen. Verder zullen ook de financiering van het EOM en de kosten van de lidstaten bij medewerking aan onderzoeken en vervolgingen door het EOM een bijzonder aandachtspunt vormen, omdat deze lasten niet onbeperkt door de lidstaten kunnen worden gedragen.

Op 18 juli 2013 gaf de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in een brief aan de Tweede Kamer aan dat het BNC-fiche niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken aan de Kamer kan worden gezonden.


Samenvatting voorstel Europese Commissie

De vervolging van strafbare feiten die ten koste gaan van de EU-begroting is de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten, maar zij zijn momenteel niet in staat een gelijkwaardig niveau van bescherming en rechtsbescherming te bieden. Op Europees niveau wordt goede coördinatie en effectief opsporen en vervolgen belemmerd door onvoldoende informatie-uitwisseling en coördinatie van de Unie-organen, ten gevolge van verdeling van de bevoegdheden over verschillende instanties behorend tot verschillende (functionele en territoriale) rechtsgebieden.

De Unie is op grond van artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verplicht om op te treden tegen fraude en onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad en is tevens het best in staat haar eigen financiële belangen te beschermen, onder meer door middel van de vervolging van strafbare feiten die deze belangen schaden.

Het onderhavige voorstel geeft uitvoering aan artikel 86 VWEU, dat bepaalt dat op de grondslag van Eurojust een Europees Openbaar Ministerie ingesteld kan worden en dat bij verordeningen het statuut, de voorwaarden voor de uitoefening van zijn functies, de voor zijn activiteiten geldende procedurevoorschriften en de voorschriften over toelaatbaarheid van bewijs en voor de rechterlijke toetsing van procedurele handelingen worden vastgesteld.


Behandeling Raad

JBZ-Raad 8-9 maart 2018

Tijdens de JBZ-Raadsvergadering van 8-9 maart 2018 gaf de Europese Commissie informatie over de laatste stand van zaken met betrekking tot de voorbereidingen voor de feitelijke start van het EOM.

JBZ-Raad 12 oktober 2017

De JBZ-raad heeft op 12 oktober 2017 de EOM-verordening formeel vastgesteld. Er zijn 20 lidstaten die aan de versterkte samenwerking deelnemen.

Tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 17-18 juli 2017PDF-document hebben de twintig deelnemende EU-lidstaten een overeenkomst bereikt over de verordening, in navolging op de algemene benadering van juni 2017 en de latee herziening door advocaat-taalkundigen. Zij hebben ook besloten de ontwerpsverordening ter beoordeling door te sturen naar het Europees Parlement.

JBZ-Raad 8-9 juni 2017

Tijdens de JBZ-Raad zijn ministers van twintig lidstaten het eens gewordenPDF-document over de versterkte samenwerking inzake het EOM.

Het huidige voorzitterschap hoopt de onderhandelingen binnen de Raad af te kunnen ronden tijdens de JBZ-raad in juni. De aan het EOM deelnemende lidstaten zullen daaraan voorafgaand overeenstemming moeten bereiken over de tekst van de ontwerpverordening. Ook het EP zal nog moeten instemmen met de eindtekst.

Op 3 april 2017 publiceerde de Raad van de EU een persberichtPDF-document waarin wordt vermeld dat 16 lidstaten de Europese instituties hun voornemen bekend hebben gemaakt om een versterkte samenwerking te lanceren voor het vestigen van een Europees Openbaar Ministerie. Andere lidstaten kunnen op elk moment deelnemen aan deze samenwerking, voor of na de vaststelling van de EOM-verordening. De onderhandelingen in de Raad zullen nu worden voortgezet om de tekst af te ronden.

JBZ-Raad 27-28 maart 2017

Tijdens en na afloop van de Raad bespraken de ministers informeel de weg naar een eventuele oprichting van het EOM. In totaal hebben 16 lidstaten aangegeven deel te willen nemen aan nauwere samenwerking in relatie tot het EOM. Het voorzitterschap gaf aan te hopen de onderhandelingen binnen de Raad af te kunnen ronden tijdens de JBZ-Raad in juni. De aan het EOM deelnemende lidstaten zullen daaraan voorafgaand overeenstemming moeten bereiken over de tekst van de ontwerpverordening. Nederland heeft niet geïntervenieerd tijdens deze discussie.

Europese Raad 9-10 maart 2017

Tijdens de Raad werd de procedure vastgesteld voor nauwere samenwerking zoals omschreven in artikel 86 VWEU kan aanvangen.

Raad Algemene Zaken 6 maart 2017

Op 14 februari 2017 hebben 17 lidstaten een brief ondertekend die is gericht aan de voorzitter van de ER, Donald Tusk. Hierin verzoeken deze lidstaten om de ontwerpverordening inzake het EOM voor te leggen aan de ER in overeenstemming met de procedure van artikel 86, lid 1, tweede alinea, VWEU (geïntensiveerde samenwerking). Nederland heeft deze brief niet ondertekend (zie 32.317, EK, HI). De verwachting is op dit moment dat de ER kennis zal nemen van de uitkomst van de RAZ op 7 februari jl., waar de Raad vaststelde dat het de ontwerpverordening ontbrak aan de voor besluitvorming vereiste unanimiteit. Hierna zal de procedure voor nauwere samenwerking zoals omschreven in artikel 86 VWEU een aanvang kunnen nemen.

Raad Algemene Zaken 7 februari 2017

Tijdens de Raad is formeel vastgesteld dat er geen unanimiteit mogelijk blijkt te zijn over het aannemen van het verordeningsvoorstel inzake het EOM. Dit opent de weg voor een groep van tenminste negen lidstaten om de tekst verwijzen ter bespreking aan de Europese Raad voor een laatste poging tot het veiligstellen van consensus inzake dit voorstel. Als dit niet mogelijk blijkt te zijn kan versterkte samenwerking worden overwogen.

Informele JBZ-Raad 26-27 januari 2017

Tijdens de informele JBZ-raad van 26-27 januari 2017 hebben de lidstaten het EOM besproken en hebben de meeste lidstaten die het woord namen zich voorstander getoond van het voorleggen van het dossier aan de Europese Raad, zij het dat ze zich niet allemaal uitdrukkelijk bereid verklaarden ook een brief daartoe mede te ondertekenen. Zie hier het verslag van de bewindvoerders van Veiligheid en Justitie.

JBZ-Raad 8-9 december 2016

Tijdens de JBZ-Raad van 8-9 december 2016 werd er verder gesproken over de tekst van de verordening. Het voorzitterschap stelde vast dat er een brede steun lijkt te bestaan bij de lidstaten over de tekst, welke een goede basis zal vormen waarop verder technisch werk zal worden gedaan in de laatste dagen van dit jaar.

JBZ-Raad 13-14 oktober 2016

Tijdens de Raad werd er een beleidsdebat gevoerd over het EOM en is er een voorlopig akkoordPDF-document slot-icoon bereikt over de laatste artikelen van de verordening. Naar verwachting zal tijdens de JBZ-Raad van 8-9 december 2016 een finaal akkoord worden bereikt in de Raad.

Informele JBZ-Raad 7-8 juli 2016

Tijdens de Raad werd het Europees Openbaar Ministerie besproken, uit de discussie bleek dat er nog steeds behoefte is aan een akkoord over de inhoudelijke bevoegheden van het EOM, en de uitkomst van deze overeenkomst zal een directe impact hebben op de beoordeling van de toegevoegde waarde van het EOM. De ministers spraken hun steun uit voor de voortzetting van de discussie over dit voorstel, gewezen op de noodzaak voor het instrument om echt efficiënt te zijn.

JBZ-Raad 9-10 juni 2016

Tijdens de Raad spraken de ministers brede ondersteuning uit voor de nieuwste reeks artikelen die op deskundigen niveau is besproken. Het Nederlands Voorzitterschap nodigde deskundigen uit om de onderhandelingen voort te zetten, rekening houdend met de bedenkingen die door sommige delegaties zijn geuit en dat nog niks kan worden beschouwd als 'volledig mee akkoord gegaan' voordat er een algemeen akkoord over de gehele tekst is bereikt. De ministers nodigden de deskundigen uit om de onderhandelingen voort te zetten. De artikelen waarover is gesproken behandelen de regels over het case management-systeem en gegevensbescherming, vereenvoudigde vervolgingsprocedures, algemene bepalingen en financiële en personele voorzieningen.

JBZ-Raad 10-11 maart 2016 (agendapunt III.9)

Tijdens de Raad deed het Nederlands Voorzitterschap verslag van de besprekingen die op technisch niveau zijn gevoerd over enkele onderdelen van de ontwerpverordening die nog niet eerder inhoudelijk zijn besproken. Het betreft in het bijzonder de relatie tussen het EOM en andere EU organisaties (de artikelen 56-58a), de financiële bepalingen en personele bepalingen (de artikelen 48-55) en horizontale en slotbepalingen (de artikelen 62-75). Het debat in de Raad liet zien dat er verschillende zienswijzen bestaan ten aanzien van het begrip "operational expenditure" en de vraag welke kosten voortvloeiend uit activiteiten van het EOM in de deelnemende lidstaten onder het budget van de Unie respectievelijk dat van de lidstaten zullen vallen.

JBZ-Raad 3-4 december 2015 (agendapunt II.12)

Tijdens de Raad werden de artikelen 17-37 van het voorstel over het Europees Openbaar Ministerie besproken. Er is een gedeeltelijk akkoord bereikt over dit gedeelte van het voorstel, namelijk over de artikelen 17-23 en 28a (gedeeltelijk) van de ontwerpverordening.

JBZ-Raad 8-9 oktober 2015

Het Voorzitterschap concludeerde dat de JBZ-Raad in ruime mate steun geeft aan de voorliggende tekst voor de artikelen 24, 25, 26, 28, 28a, 29, 30, 31, 32, 33 en 35. Het concludeerde voorts dat verder werk nodig is, met name ook met het oog op samenhang tussen de verschillende bepalingen uit de ontwerpverordening. De belangrijkste van deze bepalingen zijn volgens de Nederlandse regering artikel 26, dat grensoverschrijdende samenwerking binnen het EOM betreft, en artikel 31, dat betrekking heeft op de toelaatbaarheid en beoordeling van in een andere lidstaat verzameld bewijs door de rechter die de zaak uiteindelijk inhoudelijk behandelt. De inhoud van deze beide bepalingen komt in de kern overeen met het standpunt van Nederland. Nederland gaf echter aan niet te kunnen instemmen met afzonderlijke bepalingen van de ontwerpverordening, in overeenstemming met de strekking van de motie Van Oosten/Segers van 11 juni 2015.

Informele JBZ-Raad 9-10 juli 2015 (agendapunt II.3)

Tijdens de informele JBZ-Raad werd het verordeningsvoorstel besproken. Dit voorstel is als prioriteit gekenmerkt door het Luxemburgse voorzitterschap. Het Voorzitterschap legde twee vragen aan de ministers voor: de eerste vraag is of in geval van grensoverschrijdende samenwerking binnen het EOM een enkele rechterlijke machtiging voor het uitvoeren van een onderzoeksmaatregel zou moeten volstaan, de tweede vraag is of het Hof van Justitie in Luxemburg al dan niet een rol zou moeten toekomen bij het toetsen van procedurele maatregelen waartoe het EOM in individuele strafzaken besluit.

JBZ-Raad 15-16 juni 2015 (agendapunt II.8)

Tijdens de Raad werd er brede ondersteuning uitgesproken voor de tekst van de eerste 16 artikelen van het voorstel met betrekking tot het EOM. Deze artikelen omvatten de belangrijkste bepalingen van de verordening, namelijk alle regels over de organisatie, structuur en functioneren van het EOM. Daarnaast heeft de JBZ-Raad de voortgang ten aanzien van de artikelen 17 t/m 33 verwelkomd en heeft kennis genomen van de huidige tekst van deze artikelen. De Nederlandse regering heeft aangegeven niet te kunnen instemmen met het voorliggende voorlopige onderhandelingsresultaat, hoewel er volgens de regering wel sprake is van verbeteringen van de tekst en de regering ook wil verder praten over de artikelen 17 t/m 33.

JBZ-Raad 12-13 maart 2015 (agendapunt II.6)

Tijdens de Raad vond een oriënterend debatPDF-document plaats en werd de laatste stand van zaken met betrekking tot het verordeningsvoorstel besproken. De meeste lidstaten waren van mening dat de transactie voor het EOM een nuttig instrument kan zijn bij een effectieve bestrijding van EU-fraude. Er bestaan echter ook nog zorgen. Op technisch niveau zullen de besprekingen moeten worden voortgezet. Nederland merkte op dat zijn positie ten aanzien van het EOM ongewijzigd is en refereerde aan het standpunt van het nationale parlement.

JBZ-Raad 4-5 december 2014 (agendapunt II.4)

Het Voorzitterschap concludeerde dat ook de lidstaten die zich hadden uitgesproken belang hechten aan onafhankelijkheid en autonomie van het EOM en dat de benoemingsprocedure daarbij relevant wordt geacht. Het constateerde dat de meningen nog uiteen lopen over de wijze waarop een en ander concreet moet worden ingevuld. Gelet op de reactie van een meerderheid van de lidstaten, meende het Voorzitterschap dat zijn voorstel voor de benoemingsprocedure voor de leden van het EOM als basis kan dienen voor de verdere discussie.

JBZ-Raad 9-10 oktober 2014 (agendapunt II.11)

De JBZ-Raad heeft gedebatteerd over de vraag of het EOM na zijn feitelijke totstandkoming zal gaan opereren als één en dezelfde organisatie in relatie tot het grondgebied van alle deelnemende lidstaten. Een meerderheid van de lidstaten bleek voor een single office te zijn, maar desondanks concludeerde het Voorzitterschap dat er meer werk over dit thema moet worden verricht. Nederland bracht naar voren dat de discussie laat zien dat, als het EOM gewenst is, er nog veel vragen bestaan rond de concepten en ideeën voor samenwerking binnen het EOM. Daarover zal eerst helderheid moeten bestaan, alvorens Nederland een standpunt kan bepalen.

Informele JBZ-Raad 8-9 juli 2014 (agendapunt II.7)

De discussie in de Raad richtte zich op rechterlijke toetsing. Een ruime meerderheid van de lidstaten steunt de benadering in het voorstel van de Commissie over rechterlijke toetsing, te weten via de nationale rechter. Een aantal lidstaten pleit evenwel voor een mogelijke rol van het Hof van Justitie bij toetsing van beslissingen door het EOM op basis van rechtstreekse toepassing van de verordening. Daarvoor zou volgens sommige lidstaten een Strafrechtkamer bij het Hof moeten worden opgericht. Met betrekking tot de rechterlijke toetsing van sepots en transacties bestaan uiteenlopende zienswijzen. Een aantal lidstaten opteert voor toetsing van transacties. Sommige lidstaten vinden dat toetsing niet altijd door rechter hoeft plaats te vinden.Nederland intervenieerde, zoals toegezegd aan de Tweede Kamer, niet bij dit agendapunt.

JBZ-Raad 5-6 juni 2014 (agendapunt III.4)

Tijdens de Raad heeft er een oriënterend debatPDF-document plaatsgevonden over het verordeningsvoorstel. Veel lidstaten toonden zich in zijn algemeenheid positief over het raamwerk voor de structuur en de bevoegdheid van het EOM. Veel details moeten nog worden uitgewerkt. Nederland heeft gerefereerd aan het ‘position paper’ van de Tweede Kamer. Het Italiaanse Voorzitterschap zal prioriteit geven aan het EOM.

JBZ-Raad 3-4 maart 2014 (agendapunt II.4)

Tijdens de Raad voor Justitie en Binnenlandse Zaken op 3-4 maart 2014 is de laatste stand van zakenPDF-document met betrekking tot het verordeningsvoorstel besproken. Tijdens de Raad bleek dat de Europese Commissie bij nadere beschouwing niet voornemens is een alternatief voorstel te presenteren. Verder bleek dat de meerderheid van de lidstaten de oprichting van het EOM steunt, echter alleen op basis van een collegiale structuur en niet op basis van de in het voorstel van de Commissie voorgestelde structuur. De concrete invulling van een collegiale structuur, waarover de ideeën uiteenlopen, is niet uitvoerig besproken. Veruit de meeste lidstaten pleiten voorts voor een regeling waarbij lichte feiten (minor cases ) een zaak blijven voor de nationale openbare ministeries. Een aantal van deze lidstaten wil wel dat wordt voorzien in de mogelijkheid van het EOM om dergelijke zaken, in voorkomend geval, aan zich te trekken. De Europese Commissie gaf verder aan de voorzitter van de Europese Raad te willen vragen het EOM te betrekken bij de discussie over de strategische richtsnoeren voor de toekomstige ontwikkeling van het JBZ-terrein, die geagendeerd staat voor de Europese Raad van 26-27 juni 2014.

Raad Algemene Zaken 17 december 2013

Op verzoek van het Verenigd Koninkrijk is de gele kaart op het verordeningsvoorstel besproken tijdens de Raad Algemene Zaken op 17 december 2013. Er werd teleurstelling uitgesproken over het niet serieus nemen van deze bezwaren door de Commissie en de hoop geuit dat de Commissie zich opnieuw zal bezinnen over haar aanpak in dit dossier.

JBZ-Raad 5-6 december 2013 (agendapunt II.23)

Tijdens de Raad is er tijdens een lunchbespreking gesproken over de gele kaart op het verordeningsvoorstel. Over het verloop van deze lunch is de Tweede Kamer per afzonderlijke brief van 12 december 2013 van de Minister van Veiligheid en Justitie, geïnformeerd.

JBZ-Raad 7-8 oktober 2013 (agendapunt I.3)

Tijdens de Raad is het verordeningsvoorstel gepresenteerd door de Europese Commissie en heeft er tevens een oriënterend debat plaatsgevonden. Twaalf lidstaten gaven aan zeer positief te staan tegenover de oprichting van het EOM. Het belang van aanpak van EU fraude werd door de ene lidstaat meer dan de andere benadrukt. De andere lidstaten waren minder uitgesproken, maar stonden in beginsel wel positief tegenover een EOM. Zij plaatsten tegelijkertijd veel kanttekeningen van ingrijpende aard bij nogal wat onderdelen van de verordening. Hiermee ontstaat de indruk dat het voorstel zoals het thans is gepresenteerd, niet de eindstreep zal halen. Enkele lidstaten gaven aan dat het voorstel nog onderwerp van discussie is in het nationale parlement. De Minister wees namens Nederland op de terughoudende positie van het Nederlandse parlement met betrekking tot de voorgestelde verordening.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Op 5 oktober 2017 heeft het Europees Parlement een resolutiePDF-document aangenomen over de nauwere samenwerking bij de instelling van het EOM, waarin hij de verordening goedkeurt.

In november 2016 heeft het Europees Parlement een onderzoeksrapportPDF-document uitgebracht inzake de EOM-verordening.

In het Europees Parlement is op 6 oktober 2016 een debat gevoerd over het Europees Openbaar Ministerie en EUROJUST. Op 7 oktober 2016 is gestemd over een ontwerpresolutiePDF-document.


besloten informatie

De staf van de Permanente EU-Vertegenwoordiging van de Staten-Generaal heeft een verslag opgesteld dat in de bronnen te raadplegen is.

Op 24 mei 2016 hield de commissie voor Burgerlijke Vrijheden, Justitie en Binnenlandse Zaken van het Europees Parlement een hoorzitting inzake het Europees Openbaar Ministerie en EUROJUST. De hoorzitting vond plaats in het kader van de lopende onderhandelingen over de twee wetgevingsvoorstellen over de oprichting van het EOM en over de hervorming van Eurojust. Het bracht institutionele actoren samen om relevante elementen in de onderhandelingen en de rol van het EOM en Eurojust in de strijd tegen de criminialiteit in de EU te bespreken.

Het Europees Parlement nam op 12 maart 2014 een resolutiePDF-document aan over het verordeningsvoorstel. De resolutie werd aangenomen met 487 stemmen voor, 161 tegen en 30 onthoudingen

De commissie voor Burgerlijke Vrijheden, Justitie en Binnenlandse Zaken van het Europees Parlement stemde op 20 februari 2014 in met het ontwerp-interimverslag. Het interimverslag werd aangenomen met 34 stemmen voor, 7 tegen en 1 onthouding.

In de commissie voor Juridische Zaken (LIBE) heeft op 17 december 2013 een gedachtewisseling plaatsgevonden met de rapporteur subsidiariteit over het richtlijnvoorstel.

Op 29 november 2013 werd het ontwerp-interimverslag gepubliceerd van de rapporteur van de LIBE commissie.

Het voorstel wordt behandeld door de commissie voor Burgerlijke Vrijheden, Justitie en Binnenlandse Zaken (LIBE) van het Europees Parlement. Daarnaast zijn de commissies voor Begroting (BUDG), de commissie voor Begrotingscontrole (CONT, de commissie voor Juridische Zaken (JURI) en de commissie Verzoekschriften (PETI) ingesteld als adviescommissie.

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Standpunten andere lidstaten (IPEX)

De commissie Europese Zaken van het Engelse Hogerhuis publiceerde op 3 november 2014 het rapport: The impact of the European Public Prosecutor's Office on the United Kingdom . In het rapport uit het Hogerhuis haar zorgen over de negatieve gevolgen van het Europees Openbaar Ministerie voor het Verenigd Koninkrijk.

De Duitse Bundestag nam op 5 juni 2014 een opinie aan over het verordeningsvoorsetl.

Ook het Engelse Lagerhuis stuurde op 7 mei 2014 een kritische brief aan de Europese Commissie.

Het Engelse Hogerhuis stuurde op 2 april 2014 een brief aan de Europese Commissie. In de brief geeft het Engelse Hogerhuis haar ongenoegen weer over de brief van de Europese Commissie van 14 maart 2014 in reactie op de subsidiariteitsbezwaren van het Hogerhuis.

De commissie voor Europese Zaken van het Kroatische parlement stuurde op 1 april 2014 een brief aan de Europese Commissie. Ook het Kroatisch parlement uit veel kritiek op de reactie van de Europese Commissie op de subdiariteitsbezwaren van de nationale parlementen.

Het Engelse Lagerhuis publiceerde op 22 januari 2014 een rapportPDF-document over de mededeling van de Europese Commissie van 27 november 2013 in reactie op de gele kaart van de nationale parlementen. In het rapport uit de het Engelse Lagerhuis veel kritiek op de reactie van de Europese Commissie. Het rapport is verzonden aan de Europese Commissie.

De volgende nationale parlementen hebben bij dit voorstel een gemotiveerd advies (subsidiariteitsbezwaar)verzonden naar de Europese Commissie:

  • De Tsjechische Senaat op 9 oktober 2013
  • Het Cypriotische Huis van Afgevaardigden op 18 oktober 2013
  • De Hongaarse Nationale Assemblee op 21 oktober 2013
  • Het Ierse Parlement (beide parlementen) op 24 oktober 2013
  • Het Sloveense Nationale Assemblee op 25 oktober 2013
  • Het Zweedse Parlement op 25 oktober 2013
  • De Franse Senaat op 28 oktober 2013
  • Het Engelse Lagerhuis en Hogerhuis op 28 oktober 2013
  • Het Roemeense Lagerhuis op 28 oktober 2013
  • Het Huis van Afgevaardigden van Malta op 28 oktober 2013

Op 28 oktober 2013 bleek dat er voldoende stemmen zijn voor een gele kaart procedure. De Europese Commissie moet het voorstel nu in heroverweging nemen. De Europese Commissie kan gemotiveerd besluiten het voorstel te handhaven, te wijzigen of in te trekken.

In de databank IPEX wordt de behandeling van het voorstel in de diverse (kandidaat) lidstaatparlementen weergegeven.


Reacties Derden

Commissie Meijers heeft op 8 november 2017 haar reactie op het regeerakkoord 2017-2021 aan de Kamer gestuurd waarin zij haar opinie geeft op de verschillende Europese onderwerpen die in het regeerakkoord aan bod komen. Onderhavig dossier heeft een link met het onderwerp 'Europees Openbaar Ministerie' in de notitie van Commissie Meijers.

Op 12 oktober 2016 stuurde de Commissie Meijers een notitie inzake de conceptversie over het EOM van 28 juli 2016 met een aantal aanbevelingen.

Op 3 maart 2016 stuurde de Autoriteit Persoonsgegevens een brief naar de commissies V&J en I&A/JBZ over de opinie Joint Supervisory Body van Eurojust inzake enkele aspecten van de bescherming van persoonsgegevens in de concept-verordening voor het EOM van 8 januari 2016. De Autoriteit Persoonsgegevens onderschrijft deze Opinie.

Op 9 juni 2015 stuurde de Commissie Meijers een brief naar de Tweede Kamer met het verzoek om de volgende vraagpunten in de onderhandelingen mee te nemen: 1) Hoe denkt de Minister over rechterlijke controle op transnationale onderzoeken? 2) Indien de Minister het gevaar van willekeur onderkent, vraagt de Commissie Meijers zich af welke aanpassingen aan de verordening hij nodig acht om dit te voorkomen. 3) Staat de Minister open voor verdere harmonisatie van procedurele rechten als dit nodig zal blijken om te voorkomen dat (Nederlandse) burgers in de knel komen tussen uiteenlopende strafrechtsstelsels? 4) Deelt de Minister het oordeel dat de onderhandelingsfocus te veel bij soevereiniteit en te weinig bij de burger ligt?

Op 8 april 2015 publiceerde de Commissie Meijers, in het licht van een expertmeeting in het Europees Parlement in januari 2015, de notitie 'Legal Protection and the future European Public Prosecutor's Office'. De notitie maakt deel uit van een serie van drie notities over

'Legal Protection in EU Criminal Law: Gaps and Inconsistencies'.

Op 6 oktober 2014 publiceerde de Commissie Meijers een notitie ten behoeve van het Algemeen Overleg van de Tweede Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie over de JBZ-Raad van 9-10 oktober 2014. In de notitie gaat de Commissie Meijers in op de 'single legal area' waarbinnen het EOM al dan niet zijn taken zal moeten uitoefenen.

De commissie Meijers publiceerde op 29 augustus 2014 een notitie gericht aan de leden van de LIBE commissie van het Europees Parlement met daarin een overzicht van voorstellen op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken die nog niet zijn afgerond in de vorige termijn van het Europees Parlement. Volgens de commissie Meijers zijn de juridische waarborgen voor verdachten die worden vervolgd door het Europees Openbaar Ministerie nog nauwelijks aan bod gekomen tijdens de onderhandelingen, de commissie vraagt hier dan ook aandacht voor.

Een van de conclusies uit een position paper van Europol (maart 2014) is dat deze instelling goed uitgerust is om een Europees Openbaar Ministerie te ondersteunen. Er zal in principe een goede complementariteit moeten bestaan tussen instellingen.

Op 25 september 2013 stuurde de commissie Meijers een notitie over de verordening naar de commissies I&A/JBZ en V&J van de Eerste Kamer en de LIBE commissie van het Europees Parlement. In de notitie vraagt de commissie Meijers aandacht voor zeven aspecten uit de verordening:

  • 1. 
    De bevoegdheden van een Europees OM en het risico van ongelijke behandeling
  • 2. 
    Vervolgingsbeleid en de politieke verantwoordelijkheid van een Europees OM
  • 3. 
    Aandacht voor mensenrechten en schendingen van eerlijke processen
  • 4. 
    Harmonisatie van procedures, grondrechten en wettelijke garanties
  • 5. 
    Maatregelen tegen misbruik en onrechtmatig verkregen bewijs
  • 6. 
    Data-opslag door een Europees OM
  • 7. 
    Gegevens overdracht aan derden

In de notitie gaat de commissie Meijers uitgebreid in op deze aspecten.


Alle bronnen

Sociale media menu


Volg via