Toezegging Voorhangen algemene maatregel van bestuur (34.251) (T02334)
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bruijn (VVD), toe de algemene maatregel van bestuur over de hoofdlijnen van de begroting voor het mbo te zijner tijd bij de Eerste Kamer voor te hangen.
| Nummer | T02334 |
|---|---|
| Status | afgevoerd |
| Datum toezegging | 7 juni 2016 |
| Deadline | 1 juli 2025 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| Kamerleden | prof. dr. J.A. Bruijn (VVD) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | lagere regelgeving |
| Onderwerpen | Algemene Maatregel van Bestuur bestuurskracht |
| Kamerstukken | Versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen (34.251) |
Handelingen I 2015-2016, nr. 33, item 10 - blz. 7
De heer Bruijn (VVD): Ik kom op de hoofdlijnen van de begroting. Het wetsvoorstel omvat een regeling over het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting in het middelbaar beroepsonderwijs. De minister geeft in de memorie van antwoord aan dat met dit instemmingsrecht wordt aangesloten bij de regeling die nu al geldt in het hoger onderwijs. Uit het ISO-onderzoek, het onderzoek van het Interstedelijk Studenten Overleg, getiteld "Welke hoofdlijnen", uit mei 2016, afgelopen maand dus, blijkt dat in het hoger onderwijs iedere instelling het begrip "hoofdlijn" op eigen wijze interpreteert. Dat hoeft voor ons als liberalen natuurlijk niet onwenselijk te zijn. Maar er is, getuige dat rapport, bij een flink deel, te weten 33% van die raden, kennelijk onduidelijkheid en ontevredenheid over deze regeling. Onder "hoofdlijnen van de begroting", lezen wij, wordt onder meer verstaan: hoofdlijnen van de financiële ruimte voor strategische beleidsprioriteiten en voor investeringen in vastgoed. Dat is inderdaad een onduidelijke, want circulaire, redenering. De beleidsterreinen zijn wel gedefinieerd, maar de hoofdlijnen niet. Kennelijk ziet de regering zelf ook nog ruimte voor verheldering op dit punt, want zij kondigt in de memorie van antwoord aan dat bij AMvB een nadere uitwerking kan worden gegeven van hetgeen moet worden begrepen onder "hoofdlijnen van begroting". Kan de minister al iets meer zeggen over de invulling van die AMvB? Is de regering bereid een toezegging te doen dat deze AMvB te zijner tijd ook aan deze Kamer zal worden voorgehangen?
(...)
Handelingen I 2015-2016, nr. 33, item 12 - blz. 7
Minister Bussemaker: Met de partijen in het mbo, JOB, de MBO Raad en personeelsorganisaties ga ik het gesprek aan over de lessen die zij kunnen trekken. Daar zijn we nu immers bezig met bekijken hoe we de AMvB over de hoofdlijnen van de begroting voor het mbo verder kunnen uitwerken. Behalve dat ik graag bereid ben om die lessen voor het mbo mee te nemen, zal ik ook de AMvB te zijner tijd bij deze Kamer voorhangen. Dan moeten we echt nog wel bekijken wat we in dit geval specifiek moet verstaan onder "de hoofdlijnen van de begroting". Dat is namelijk bij het mbo anders dan bij het hoger onderwijs.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2015/2016, nr. 33, item 12
-
behandeling Verslag EK 2015/2016, nr. 33, item 10
-
16 december 2025
nieuwe status: afgevoerd
Voortgang: -
2 december 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
10 december 2024
nieuwe deadline: 1 juli 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
9 december 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister en staatssecretaris van OCW over niet en gedeeltelijk uitgevoerde moties en over (deels) openstaande toezeggingen
Op 10 december 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, B
-
-
12 juli 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
24 juni 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister van OCW over (deels) openstaande toezeggingen
voor kennisgeving aangenomen op 12 juli 2022.
EK, F
-
-
30 november 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
22 november 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister van OCW over (deels) openstaande toezeggingen
Voor kennisgeving aangenomen op 30 november 2021.
EK, A
-
-
29 oktober 2019
nieuwe deadline: 1 juli 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
15 oktober 2019
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister van OCW inzake reactie op halfjaarlijkse toezeggingenrappels
voor kennisgeving aangenomen op 29 oktober 2019
EK, A
-
-
24 september 2019
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
18 september 2019
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 oktober 2018
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
5 september 2018
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister van OCW inzake toezeggingen die door de bewindspersonen aan de Eerste Kamer zijn gedaan
voor kennisgeving aangenomen op 2 oktober 2018
EK, F
-
-
27 maart 2018
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
19 maart 2018
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister van OCW inzake de halfjaarlijkse stand van zaken van toezeggingen die aan de Kamer zijn gedaan
voor kennisgeving aangenomen op 27 maart 2018
EK, D
-
-
3 oktober 2017
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
26 september 2017
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
7 juni 2016
toezegging gedaan
Toezegging Onafhankelijk onderzoek naar duurzame versterking (35.554) (T03060)
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Veldhoen (GroenLinks), Pijlman (D66) en Vos (PvdA), toe onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar duurzame versterking van de publieke omroep, zowel wettelijk als financieel, en gelet op het internationale krachtenveld. Het onderzoek naar erkenningenhouders maakt hier deel van uit. Over het voornemen tot het doen van onderzoek wordt de Kamer geïnformeerd en zij wordt in de gelegenheid gesteld om een reflectie op de onderzoeksopzet te geven.
| Nummer | T03060 |
|---|---|
| Status | voldaan |
| Datum toezegging | 8 december 2020 |
| Deadline | 1 januari 2022 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media Staatssecretaris Cultuur en Media |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| Kamerleden | Drs. H.J. Pijlman (D66) mr. G.V.M. Veldhoen (GroenLinks-PvdA) dr. M.L. Vos (GroenLinks-PvdA) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | onderzoek publieke omroepen versterking |
| Kamerstukken | Versterking van het toekomstperspectief van de publieke omroep (35.554) |
Handelingen I 2020-2021, nr. 13, item 3 – blz. 2
Mevrouw Veldhoen (GroenLinks): Voordat ik verderga, wil ik benadrukken dat deze problematiek vraagt om een bredere analyse en breder onderzoek. De vraag die beantwoord moet worden, is hoe de publieke omroep duurzaam kan worden versterkt, zodat hij overeind blijft in het internationale krachtenveld in deze nieuwe tijd. Het vraagt erom dat wij uitzoomen en meer fundamenteel kijken naar het stelsel. De bedreigingen komen namelijk niet uit Hilversum. Het zijn niet de omroepen tegen de NPO en zeker niet Hilversum tegenover Den Haag. Het is de vraag hoe de publieke omroep, gelet op het veranderende kijkgedrag, overeind blijft tussen de grote internationale partijen. Hoe zorgen we ervoor dat de publieke omroep gezamenlijk optrekt en in dit krachtenveld zichtbaar en relevant blijft? Hoe zorgen we ervoor dat onafhankelijke informatievoorziening geborgd is en voor iedereen toegankelijk blijft? Dat vraagt om een onafhankelijk onderzoek naar de wettelijke mogelijkheden en de financiële condities, waaronder de continuïteit van de publieke omroep in dit internationale krachtenveld beter wordt geborgd en duurzaam wordt versterkt. Hoe ziet de minister een dergelijk onderzoek?
(…)
Handelingen I 2020-2021, nr. 13, item 3 – blz. 8
De heer Pijlman (D66): Wij suggereerden een nieuw stelsel, gebaseerd op het huidige cultuurstelsel, waarbij een basisinfrastructuur gepaard gaat met prestatieafspraken, die daarin leidend zijn. Immers, alhoewel u daar geen gegevens over heeft, is naar mijn informatie het ledenbestand van de omroepen ook ernstig vergrijsd. U hebt inmiddels toegezegd dat er een proeve van een nieuw stelsel eind 2021 naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Ik zou u overigens willen vragen om ook de suggesties van mevrouw Veldhoen van GroenLinks daarin mee te nemen en dus in de breedte naar de invloed van bijvoorbeeld de techindustrie op ons medialandschap te kijken. Het zou ons, denk ik, helpen om de koers om een open stelsel te houden, te versterken.
(…)
Handelingen I 2020-2021, nr. 14, item 3 – blz. 4
Minister Slob: Als we vooruitkijken, zien we dat de ontwikkelingen hard gaan. Dat klopt, het gaat soms razendsnel en met name de technologische ontwikkelingen zijn haast niet te stuiten. Mevrouw Veldhoen vroeg of het dan ook niet belangrijk is om dat goed te blijven volgen en goed onderzoek te blijven doen, zodat we de continuïteit van de publieke omroep kunnen blijven borgen, ook in het internationale krachtenveld, zodat we waar nodig als dat blijkt uit onderzoeken ook weer aanvullend maatregelen kunnen nemen. U sprak breder dan dat daar alleen maar extra geld nodig zou zijn.
De heer Pijlman reageerde daarop dat dat op zich wel verstandig is, maar zou dat dan niet gekoppeld kunnen worden aan een onderzoek dat in de Tweede Kamer al is toegezegd aan de Partij van de Arbeid? Dat klopt. Ik heb aan mevrouw Van den Hul toegezegd dat we ook verder zullen blijven nadenken, ook over mogelijkerwijze andere modaliteiten voor de komende jaren, juist om de grotere vragen en soms ook bedreigingen die op ons afkomen goed te kunnen adresseren. Als uw Kamer dat wil, ben ik zeker bereid om dat ook in de komende tijd verder uit te werken en te zorgen dat dergelijke onafhankelijke onderzoeken worden gedaan.
Weet wel, zeg ik aansluitend nog, dat rond due prominence een onderzoek loopt dat in het volgend kalenderjaar zal worden afgerond. Dat raakt aan de bereikbaarheid en de vindbaarheid van de content en aan de apps van de publieke omroep, waar mevrouw Veldhoen ook naar vroeg. Dus daar hebben we inmiddels onderzoek voor in gang gezet, dat met name in 2021 zal gaan lopen.
Volgend jaar zal er ook weer een beleidstoelichting op het begrotingsartikel 15 zijn van Media. Dat is ook weer informatie die we krijgen; we kunnen eigenlijk niet genoeg informatie krijgen. Die beleidstoelichting staat weer op de rol, want die komt om de zoveel jaar en dat is ook net volgend jaar weer het geval. Dit allemaal bij elkaar maakt dat we goed kunnen volgen wat er gebeurt en dat we ook kunnen kijken of wat we nu doen, wat we hebben afgesproken en wat we wettelijk hebben vastgelegd solide genoeg is, ook als het gaat om de opgaven voor de toekomst.
Mevrouw Veldhoen (GroenLinks): Allereerst dank voor deze toezeggingen. Ik ben heel blij om te horen dat de minister het met mij eens is dat het goed is om een onderzoek te laten verrichten naar dit onderwerp en naar de bredere stutting van de publieke omroep, ook in het internationale kader. Ik had een motie voorbereid op dit punt, maar als de minister zo ruimhartig een toezegging doet, ga ik toch kijken of ik boter bij de vis kan krijgen en of u dan ook kunt meegaan in de manier waarop wij dat onderzoek graag zouden zien. Het dictum ging over het volgende: "verzoekt de regering een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de wettelijke mogelijkheden waarmee en de financiële condities waaronder de publieke omroep duurzaam wordt versterkt en voldoende flexibiliteit verkrijgt om relevant en zichtbaar te blijven in het sterk veranderende krachtenveld, door veranderend kijkgedrag, technologische vernieuwingen en de invloed en de impact van die grote mediabedrijven." Dat is volgens mij ongeveer wat u ook zei, maar voor de Handelingen zou ik het wel heel prettig vinden als we overeenstemming met elkaar kunnen bereiken over de omvang van dat onderzoek, want dat zou betekenen dat ik geen motie hoef in te dienen.
Minister Slob: Het maakt debatteren in de Eerste Kamer zo aangenaam dat dat op deze manier kan. Hier zitten volgens mij de aspecten in die ik net zelf ook noemde. We weten inderdaad niet hoe het zich gaat ontwikkelen, ook als het gaat om kijkgedrag. Daar kom ik straks nog even apart op terug, omdat daar ook vragen over zijn gesteld die raken aan de wettelijke verplichting voor drie netten. Dat is inderdaad een ontwikkeling die heel snel kan gaan, dus dat moet je goed blijven volgen. We zullen ook heel goed moeten blijven volgen of de wijze waarop we het nu hebben ingericht — ik herhaal wat ik net zei, het is een sterk merk — ook echt sterk blijft, of dat er toch verzwakkingen optreden waar we iets aan moeten gaan doen. De aspecten die u noemt, horen daar goed bij. Dus die zal ik meenemen in dat onderzoek. Dat is bij dezen toegezegd.
(…)
Handelingen I 2020-2021, nr. 14, item 3 – blz. 18
Minister Slob: Tot slot op dit onderdeel: ik heb de Tweede Kamer beloofd dat we verder gaan onderzoeken — maar niet nu; dat was een motie voor de toekomst — of dat misschien op een andere manier zou kunnen worden ingericht en zo ja, hoe. Maar daar is op dit moment dus geen sprake van.
Mevrouw Vos (PvdA): Het gaat mij om het laatste deel. Er is een motie ingediend door Kirsten van den Hul over erkenningenhouders, waar op dit moment MAX en WNL gebruik van maken. Die hebben eigen merken, een eigen identiteit, maar delen allerlei zaken. U zegt dat u daar helemaal niks mee doet, maar volgens mij is dat wel een oplossing, ook als ik hoor wat u aan het begin zei. Als op een gegeven moment een omroep niet kan aansluiten bij een andere, kan dat verlies van je vergunning betekenen. Dan is het toch juist belangrijk om het te gaan hebben over erkenningenhouders? Waarom wordt dat niet verder onderzocht?
Minister Slob: Ik heb de Tweede Kamer toegezegd — ik heb die motie-Van den Hul ook oordeel Kamer gegeven — dat ik bereid ben om dat in de komende tijd uit te zoeken. We praten nu over de wet die de toelating voor de komende concessieperiode regelt. Daar had die motie geen betrekking op, want die gaat echt over de toekomst en wil dat ik dat verder ga uitzoeken. Daar zit echt veel aan vast. Het lijkt heel makkelijk, van: doe het even, maar daarvoor zal de wetgeving op allerlei fronten aangepast moeten worden. Daar hebben we niet voor gekozen. We hebben aangesloten bij de bepalingen zoals die al in de vorige kabinetsperiode in de wet zijn terechtgekomen. Ik ben wel bereid om dat onderzoek verder uit te voeren en ik koppel dat ook aan de onderzoeken die ik aan uw Kamer heb toegezegd, evenals aan een paar andere onderzoeken die nog lopen. We krijgen dus veel informatie in de komende tijd om te bezien wat er verder in de toekomst voor mogelijkheden zijn.
(…)
Handelingen I 2020-2021, nr. 14, item 3 – blz. 21
Mevrouw Veldhoen (GroenLinks): Zichtbaarheid en vindbaarheid zijn daarbij van essentieel belang, ik zei het gisteren ook al. Een level playing field met de grote internationale mediabedrijven is niet haalbaar als het gaat om de financiële middelen. Dat vraagt dus om een borging van de positie van de publieke omroep in ons wettelijk stelsel, zodanig dat die positie duidelijk afgebakend is en stevig verankerd wordt om op die manier overeind te blijven in dat internationale krachtenveld. Onze publieke omroep moet vindbaar en zichtbaar zijn, ook online en on demand. Daarom zijn we blij met de toezegging van de minister over het starten van een onderzoek naar de onderwerpen die mijn fractie zo belangrijk vindt.
Graag zou ik nog iets horen van de minister over het tijdpad. Gaat hij dit nog zelf oppakken? Dat zou wel onze voorkeur hebben. Misschien een beetje brutaal, maar wellicht mogen leden van deze Kamer meedenken over de formulering van de onderzoeksopdracht, nu de wens voor een onderzoek ook uit deze Kamer komt. Dat aanbod staat in ieder geval van mijn kant.
(…)
Handelingen I 2020-2021, nr. 14, item 3 – blz. 22
Mevrouw Vos (PvdA): Ik ben wel blij met de toezegging van de minister over het onderzoek dat door senator Veldhoen naar voren is gebracht. Ik sluit me aan bij de brutale vragen van mevrouw Veldhoen. Ook wij willen wel even kijken naar de opdracht, omdat wij denken dat het erg belangrijk is om juist ook de slagvaardigheid en een alternatieve financiering goed op de kaart te krijgen.
(…)
De heer Pijlman (D66): Dank ook voor de toezegging aan mevrouw Veldhoen om het gevraagde onderzoek in de motie-Van den Hul, ingediend in de Tweede Kamer, uit te breiden met alle aspecten die zij heeft genoemd. Ik had mijn handtekening al onder de motie van mevrouw Veldhoen gezet, maar de toezegging komt daarvoor in de plaats. Dank daarvoor.
(…)
Handelingen I 2020-2021, nr. 14, item 3 – blz. 26
Minister Slob: Er zijn bedreigingen. Een aantal van u hebben daaraan gerefereerd, met name aan wat er internationaal allemaal plaatsvindt. Mevrouw Velthoen, mevrouw Vos en de heer Pijlman hadden daar met name gevraagd. Zij hadden hun namen zelfs al aan een motie toevertrouwd. In hun richting zeg ik dat ik zelf al van plan ben om daarmee aan de slag te gaan, want wij gaan uiteraard door tot de laatste dag dat we in functie zijn. Ik zal u informeren over het voornemen dat ik dan heb met betrekking tot het onderzoek dat ik onafhankelijk wil laten uitvoeren. Dat biedt u de mogelijkheid om daar dan nog wat reflectie op te geven, mocht u dat nog aan de orde vinden. Ik hoop dat er dan een heel mooie onderzoeksopdracht zal liggen.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling (zonder stemming aangenomen) Verslag EK 2020/2021, nr. 14, item 3
-
behandeling Verslag EK 2020/2021, nr. 13, item 3
-
2 december 2025
nieuwe status: voldaan
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
10 december 2024
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
9 december 2024
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister en staatssecretaris van OCW over niet en gedeeltelijk uitgevoerde moties en over (deels) openstaande toezeggingen
Op 10 december 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, B
-
-
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Staatssecretaris Cultuur en Media -
12 december 2023
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
28 november 2023
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van OCW over (deels) openstaande toezeggingen op het gebied van cultuur en media
Op 12 december 2023 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, B
-
-
21 november 2023
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
16 november 2023
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
17 januari 2023
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
20 december 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister van OCW en de staatssecretaris van OCW over halfjaarlijks rappel toezeggingen en vooruitblik
Op 17 januari 2023 voor kennisgeving aangenomen door de Commissie OCW.
EK, D
-
-
13 december 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
2 december 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang:documenten: -
14 juni 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
7 juni 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een nader schriftelijk overleg met de staatssecretaris van OCW over uitvoering toezegging T03060 Onafhankelijk onderzoek naar duurzame versterking
voor kennisgeving aangenomen op 14 juni 2022.
EK, O
-
-
22 maart 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
8 maart 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
2 maart 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
10 januari 2022
nieuwe verantwoordelijkheid: Staatssecretaris Cultuur en Media -
10 januari 2022
verantwoordelijkheid verlopen: Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media -
14 december 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
7 december 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 december 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
23 november 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
3 november 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister voor BVOM over drie mediatoezeggingen
voor kennisgeving aangenomen op 23 november 2021
EK, L
-
-
28 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
14 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
13 juli 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
7 juli 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten: -
22 juni 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
15 juni 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
8 december 2020
toezegging gedaan
Toezegging Proeve van een nieuw omroepstelsel (35.554) (T03062)
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Pijlman (D66) en Bikker (ChristenUnie), toe de proeve van een nieuwe omroepstelsel ook naar de Eerste Kamer te sturen en daarin aandacht te besteden aan objectiveerbare criteria.
| Nummer | T03062 |
|---|---|
| Status | voldaan |
| Datum toezegging | 8 december 2020 |
| Deadline | 1 juli 2023 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media Staatssecretaris Cultuur en Media |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| Kamerleden | Mr. M.H. Bikker (ChristenUnie) Drs. H.J. Pijlman (D66) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | proeve publieke omroepen |
| Kamerstukken | Versterking van het toekomstperspectief van de publieke omroep (35.554) |
Handelingen I 2020-2021, nr. 13, item 3 – blz. 9
De heer Pijlman (D66): Wij suggereerden een nieuw stelsel, gebaseerd op het huidige cultuurstelsel, waarbij een basisinfrastructuur gepaard gaat met prestatieafspraken, die daarin leidend zijn. Immers, alhoewel u daar geen gegevens over heeft, is naar mijn informatie het ledenbestand van de omroepen ook ernstig vergrijsd. U hebt inmiddels toegezegd dat er een proeve van een nieuw stelsel eind 2021 naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Ik zou u overigens willen vragen om ook de suggesties van mevrouw Veldhoen van GroenLinks daarin mee te nemen en dus in de breedte naar de invloed van bijvoorbeeld de techindustrie op ons medialandschap te kijken. Het zou ons, denk ik, helpen om de koers om een open stelsel te houden, te versterken.
(…)
Handelingen I 2020-2021, nr. 14, item 3 – blz. 8-9
Minister Slob: In de vorm van een aangenomen motie van D66 is in de Tweede Kamer gezegd: wij zouden het fijn vinden als er al eind volgend jaar een proeve ligt van waaraan gedacht kan worden, zodat we kunnen oordelen of dat echt valide is. Het zal echt nog heel wat vragen om dat goed en precies te doen, maar daar gaan we nu niet te veel hardop over speculeren. Dat geven we in externe handen bij de Raad voor Cultuur. De omroepen en de NPO gaan daarmee aan de slag. De Raad voor Cultuur krijgt daarbij ook een specifieke opdracht. De vraag van de Tweede Kamer was of ik dat aan haar wil voorleggen. Dat is het moment om te kijken of dat echt solide is. Misschien moet er nog wat gebeuren, maar als we het solide vinden, kunnen we alsnog zorgen dat dit in de richting van de nieuwe concessieperiode tijdig in de wet is vastgelegd, zodat dit al als een toegangspoort kan dienen bij de concessieperiode die vanaf 2027 zal ingaan. Zo heb ik het afgesproken, dus zo zal er gewerkt gaan worden. In deze wet vragen we — dat is ook goed — wel aan de omroepen, eigenlijk conform de eerste vraag in de katholieke catechismus: waartoe bent u op aarde; kunt u zich, ook in uw jaarverslagen, gewoon verantwoorden over wat uw missie is en over hoe u uw maatschappelijke binding ziet? Dan is het heel fijn als men daar woorden aan geeft. Dat kan helpen. Dat is nu wel een verplichting die we aan hen stellen, maar dat is nog geen toetssteen voor toelating en voor het definitief beoordelen of omroepen niet alleen naast de ledenaantallen ook op basis van andere criteria bestaansrecht hebben en weer toegang zouden moeten gaan krijgen tot een nieuwe concessieperiode.
(…)
Minister Slob: Nog één opmerking, voorzitter. Ik wil toezeggen dat ook u in de loop van 2021 de informatie ontvangt als we daar meer over weten, want ik begrijp wel heel goed de belangstelling van uw Kamer voor dit onderwerp.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Dank u, dat scheelt een stukje van mijn vraag. Mijn zorg is de volgende. Het is heel goed dat de minister dit goed voorbespreekt met het parlement en zo tot iets komt wat breed gedragen is, maar we hebben eerder gezien dat een lang traject van voorbespreken aan de overkant leidde tot een laat moment van wetgeving aan deze kant. Het concessiebeleidsplan moet dan al bijna weer worden vastgesteld. Ik vraag de minister om daarin het tijdpad te bewaken, zodat straks voor het wetgevingstraject alles niet alleen zorgvuldig is uitgedacht aan de overkant en de Eerste Kamer op een vroeg moment is meegenomen, maar juist ook op dat late moment, zodat ook de Eerste Kamer dan de tijd en de ruimte heeft om hierover haar oordeel te vellen en het met name te toetsen. Mijn tweede vraag kan ik er meteen aan toevoegen; dat scheelt. Kan de minister toezeggen dat er gewerkt wordt aan objectiveerbare criteria?
Minister Slob: Ik heb het laatst in handen gegeven van de Raad voor Cultuur, maar dit is natuurlijk wel de bedoeling. Als je dit mede als beoordelingscriterium gaat gebruiken om te bepalen of men recht heeft op een plekje in het bestel, los van wat we nu altijd doen, namelijk alleen de ledenaantallen, dan moet dat heel zorgvuldig gebeuren. Daarom is het nog geen gelopen race. Het is wel een voornemen dat we hebben, maar ik merk dat het ook een breed gedragen voornemen is, in ieder geval als ik kijk naar hoe er in de Tweede Kamer op gereageerd is. Daar kon men haast niet wachten. Dat is ook de reden dat de motie er kwam met het verzoek om het dan ook toe te passen. Ik zal er uiteraard voor zorgen, zoals ik net al aangaf, dat u daar tijdig de informatie over ontvangt. Bij de agendering van wetsvoorstellen was deze coronatijd natuurlijk een obstakel, want anders had het al veel eerder bij u gelegen. Maar ik begrijp dat u ook de ruimte wil hebben om daarop te kunnen reflecteren.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Alle begrip voor deze keer, maar er was elke keer wat. Daarom was ik er net wat strenger op dan u misschien gemiddeld van mij gewend bent. Bij de Mediawet is de Eerste Kamer bijna altijd in de laatste weken aan zet. Het zou goed zijn, ook voor de versterking van de Mediawet, als de Kamer ruim de tijd heeft als de wetgeving er ligt.
Minister Slob: Ik incasseer deze, al weet u dat ik alleen voor deze wet verantwoordelijkheid draag. Ik besef dat er een historie is op dat vlak. Dat heeft u nog niet helemaal verwerkt, denk ik, maar dat kost soms ook even tijd.
De heer Pijlman (D66): Het is overigens goed dat wij met elkaar mevrouw Bikker eraan zullen herinneren dat zij dit hier heeft gezegd, zodat ze dit later ook in de Tweede Kamer kan herhalen.
Minister, dank voor uw toezegging dat u ons erbij houdt met de aanvullende criteria. Misschien zei u het al in een tussenzin, maar als ik het goed begrijp, streeft u ernaar om ons hybride stelsel nog meer hybride te maken door naast de ledenaantallen de aanvullende criteria te formuleren. Klopt dat?
Minister Slob: Ja, de ledenaantallen blijven overeind. We beseffen dat de aantallen die we in het verleden vroegen niet meer helemaal van deze tijd zijn. Dat is ook de reden dat we die wat hebben teruggeschroefd. We gaan wel kijken of we dat in aanvulling daarop verder kunnen verbreden.
(…)
Handelingen I 2020-2021, nr. 14, item 3 – blz. 10
Minister Slob: Op verzoek van de Tweede Kamer hebben we afgesproken dat we wel proberen eind volgend jaar, dus zo tegen de begrotingsbehandeling, een eerste proeve daarvan te hebben. Ik heb u toegezegd dat ik ook zal zorgen dat die dan naar de Eerste Kamer zal gaan. Daar worden nu door mijn ambtenaren aantekeningen bij gemaakt, en anders houdt u ons wel scherp, als dat niet gebeurt. Dat is dan het moment om heel gericht, op basis van die eerste proeve, met elkaar onder ogen te zien of we dat objectiveerbaar vinden of niet.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling (zonder stemming aangenomen) Verslag EK 2020/2021, nr. 14, item 3
-
behandeling Verslag EK 2020/2021, nr. 13, item 3
-
2 december 2025
nieuwe status: voldaan
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
10 december 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
9 december 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister en staatssecretaris van OCW over niet en gedeeltelijk uitgevoerde moties en over (deels) openstaande toezeggingen
Op 10 december 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, B
-
-
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Staatssecretaris Cultuur en Media -
12 december 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
28 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van OCW over (deels) openstaande toezeggingen op het gebied van cultuur en media
Op 12 december 2023 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, B
-
-
21 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
16 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
11 oktober 2022
nieuwe deadline: 1 juli 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 oktober 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
10 januari 2022
nieuwe verantwoordelijkheid: Staatssecretaris Cultuur en Media -
10 januari 2022
verantwoordelijkheid verlopen: Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media -
8 december 2020
toezegging gedaan
Toezegging Onderzoek naar desinformatie bij de publieke omroep (35.042/35.453) (T03080)
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Pijlman (D66), toe om het onderzoek naar de veiligheid van journalisten uit te breiden met een onderzoek naar nepnieuws en desinformatie bij de publieke omroep.
| Nummer | T03080 |
|---|---|
| Status | openstaand |
| Datum toezegging | 2 februari 2021 |
| Deadline | 1 januari 2023 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media Staatssecretaris Cultuur en Media |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| Kamerleden | Drs. H.J. Pijlman (D66) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | overig |
| Onderwerpen | desinformatie Nepnieuws |
| Kamerstukken | Novelle Wijziging Mediawet 2008 in verband met aanscherping van de nieuwe dienstenprocedure, modernisering van procedures voor de benoeming van raden van toezicht en besturen, modernisering van het bestuur en verduidelijking van de positie van de Ster (35.453) Wijziging Mediawet 2008 in verband met aanscherping van de nieuwe dienstenprocedure, modernisering van procedures voor de benoeming van raden van toezicht en besturen, modernisering van het bestuur en verduidelijking van de positie van de Ster (35.042) |
Handelingen | 2020-2021, nr. 22, item 3 – blz. 9.
De heer Pijlman (D66):
Wie de ontwikkelingen de afgelopen weken volgde, vielen twee incidenten op rondom de aspiranten die de eerste horde lijken te hebben genomen. De oprichter van Omroep ZWART gedroeg zich zeer onbehoorlijk in de studio van de EO; dat belooft wat. En volgens Pointer, een programma van KRO-NCRV, publiceerde omroep Ongehoord Nederland een videorapportage van 37 minuten met 28 onjuiste en niet-bewezen beweringen over COVID-19. In zijn maidenspeech vorige week wees onze collega Ton Raven van de OSF op het gevaar van desinformatie. Daarom vraag ik ten slotte aan de minister welke garanties het huidige bestel biedt dat er geen desinformatie via de publieke omroep wordt verspreid. Wij hoeven niet een publiek bestel dat trumpiaanse leugens verspreidt en daarmee onbetrouwbaar wordt. Waakzaamheid is ook hier nodig. Welke middelen hebben de NPO en de minister ter beschikking om normen en waarden van de rechtsstaat te waarborgen bij de publieke omroep? Kunnen er bijvoorbeeld boetes worden uitgedeeld wanneer omroepen bewust desinformatie verspreiden? Dienen zij die desinformatie dan ook te corrigeren? De D66-fractie zou het onderzoek naar de veiligheid van journalisten, dat mij in het vorige debat is toegezegd, graag willen verbreden met deze aspecten. Kan de minister ons dat toezeggen? In alle diversiteit die de publieke omroep kenmerkt, is er geen ruimte voor moedwillige leugens. Wij zien dan ook met belangstelling uit naar de antwoorden van de minister.
(…)
Handelingen | 2020-2021, nr. 22, item 9 – blz. 14.
De heer Pijlman (D66):
Dan mijn laatste vraag, waarop u eerder niet bent ingegaan: hoe beschermen wij de publieke omroep, ook als er nieuwe aanbieders bij komen, tegen desinformatie en nepnieuws? Wel nogmaals dank voor wat u over de bescherming van journalisten hebt gezegd. Daar hebben we het in december ook over gehad. U komt daarop terug. Ik zou hierover wel van gedachten willen wisselen. Het gaat om de publieke omroep, met een publieke taak. Informatie moet helder en duidelijk zijn. Dat is ook de kracht van de publieke omroep. Het heeft ook te maken met hoe je onze rechtsstaat beschermt tegen allerlei externe druk, die soms heel sterk wordt. Graag daar nog een reactie op.
(…)
Handelingen | 2020-2021, nr. 22, item 9 – blz. 19.
Minister Slob:
Dan heeft de heer Pijlman nog iets gevraagd over nepnieuws en desinformatie. Volgens mij hebt u gevraagd of dit kan worden meegenomen bij het onderzoek. Dat gaan we doen. Dus bij deze heb ik toegezegd dat wij dit zullen betrekken bij het onderzoek dat ik in december in de richting van mevrouw Veldhoen heb toegezegd.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2020/2021, nr. 22, item 9
-
behandeling Verslag EK 2020/2021, nr. 22, item 3
-
16 december 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 december 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
10 december 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
9 december 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister en staatssecretaris van OCW over niet en gedeeltelijk uitgevoerde moties en over (deels) openstaande toezeggingen
Op 10 december 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, B
-
-
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Staatssecretaris Cultuur en Media -
12 december 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
28 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van OCW over (deels) openstaande toezeggingen op het gebied van cultuur en media
Op 12 december 2023 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, B
-
-
21 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
16 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
13 december 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 december 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten: -
11 oktober 2022
nieuwe deadline: 1 januari 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 oktober 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
14 juni 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
7 juni 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een nader schriftelijk overleg met de staatssecretaris van OCW over uitvoering toezegging T03060 Onafhankelijk onderzoek naar duurzame versterking
voor kennisgeving aangenomen op 14 juni 2022.
EK, O
-
-
10 januari 2022
nieuwe verantwoordelijkheid: Staatssecretaris Cultuur en Media -
10 januari 2022
verantwoordelijkheid verlopen: Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media -
30 november 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
23 november 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister voor BVOM over (deels) openstaande toezeggingen
Voor kennisgeving aangenomen op 30 november 2021.
EK, B
-
-
28 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 februari 2021
toezegging gedaan
Toezegging Totaalbeeld financiering publieke omroep (35.042/35.453) (T03082)
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Veldhoen (GroenLinks), toe om de Kamer op de hoogte te brengen indien blijkt dat niet alle inkomsten bij de publieke omroep worden meegenomen in het onderzoek naar de financiering van de publieke omroep.
Handelingen | 2021-2021, nr. 22, item 9 – blz. 19.
Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):
Dan wil ik ook graag nog even terug naar het vorige blokje over de indexatie en het reclameluw maken. In mijn herinnering is het reclameluw maken niet voor honderd procent gecompenseerd met de 40 miljoen die in het vorige debat aan de orde is geweest. Volgens mij blijft daar een gat tussen zitten. In mijn optiek wordt het gat nog iets groter, nu de indexering van de Ster-inkomsten daar nog bovenop komt. Geïnspireerd door collega Vos vraag ik of u bereid bent om in het toegezegde onderzoek, dat ook ziet op bestendige middelen voor de publieke omroep, de volle omvang van de reclame mee te nemen. Het gaat dus om de teruggang in reclame, de daardoor verminderde inkomsten uit reclame en het feit dat de indexering er nu af gaat. Kunt u toezeggen dat het totaalplaatje in het onderzoek wordt meegenomen, zodat we een keer een totaaloverzicht krijgen van hoe die vaten met elkaar communiceren tussen de rijksmediabijdragen en de Sterinkomsten? Kunt u toezeggen dat dit in zijn totaliteit wordt meegenomen?
(…)
Handelingen | 2020-2021, nr. 22, item 9 – blz. 19-20.
Minister Slob:
Met betrekking tot de 40 miljoen en het reclameluw maken, heb ik net ook in de richting van mevrouw Vos gezegd dat dit echt rond loopt, op basis van ramingen die we met elkaar hebben geaccepteerd en op basis waarvan de berekeningen zijn gemaakt. Alleen, het zijn allemaal aannames. We weten gewoon niet hoe het in de toekomst zal gaan. Kijk maar eens naar wat voor jaar we hebben meegemaakt. Dat hebben we niet in eigen hand. Daarom hebben we aangegeven dat we bij iedere begrotingsbehandeling kijken wat de ontwikkelingen zijn, wat de actuele ramingen zijn, ook voor volgend jaar, en hoe deze zich verhouden tot de afspraken die we hebben gemaakt over reclameluw maken.
Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):
Dan blijft de vraag hangen of deze problematiek ook onderdeel uitmaakt van dat onderzoek. Wordt het totale beeld meegenomen als het gaat om de financiering van de publieke omroep?
Minister Slob:
Ik moet even in mijn geheugen graven, maar volgens mij hebben we afspraken gemaakt om te kijken in hoeverre de financiën zich ontwikkelen. Het spreekt dan voor zich dat je het actuele beeld meeneemt, inclusief wat er aan andere inkomsten bij de publieke omroep binnenkomt. Als u het dus zo bedoelt, dan zit dat daarin. Dan hoef ik dat niet toe te zeggen, maar is het onderdeel van de opdracht. Mocht dat anders wezen, dan laat ik u dat weten.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2020/2021, nr. 22, item 9
-
2 december 2025
nieuwe status: voldaan
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
10 december 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
9 december 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister en staatssecretaris van OCW over niet en gedeeltelijk uitgevoerde moties en over (deels) openstaande toezeggingen
Op 10 december 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, B
-
-
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Staatssecretaris Cultuur en Media -
12 december 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
28 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van OCW over (deels) openstaande toezeggingen op het gebied van cultuur en media
Op 12 december 2023 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, B
-
-
21 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
16 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
13 december 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 december 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten: -
11 oktober 2022
nieuwe deadline: 1 januari 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 oktober 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
10 januari 2022
nieuwe verantwoordelijkheid: Staatssecretaris Cultuur en Media -
10 januari 2022
verantwoordelijkheid verlopen: Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media -
30 november 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
23 november 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister voor BVOM over (deels) openstaande toezeggingen
Voor kennisgeving aangenomen op 30 november 2021.
EK, B
-
-
2 februari 2021
toezegging gedaan
Toezegging Positie en taken van de Stichting CITO betrekken bij evaluatie (35.671) (T03342)
De minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van het lid Doornhof (CDA), toe om de werking van de scheiding van mensen, middelen en processen binnen de Stichting CITO te betrekken bij de evaluatie van het wetsvoorstel.
| Nummer | T03342 |
|---|---|
| Status | openstaand |
| Datum toezegging | 1 februari 2022 |
| Deadline | 1 januari 2028 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie |
| Kamerleden | mr. drs. H. Doornhof (CDA) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | evaluatie |
| Onderwerpen | CITO ethical walls evaluaties taken |
| Kamerstukken | Aanpassingen in de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (35.671) |
Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 4
De heer Doornhof (CDA):
Misschien is het volgende dan wel belangrijk. Het is toch wel de bedoeling dat de Stichting Cito het College voor Toetsen en Examens gaat adviseren over de erkenning van die toetsen? Het wetsvoorstel lijkt er nog steeds van uit te gaan dat ook de marktpartijen door die stichting worden geadviseerd. Maar die gaan toch in zekere zin concurreren met die stichting. Nu heeft de regering wel erkend dat je een goede scheiding moet hebben tussen enerzijds de rol van aanbieder en anderzijds de rol van adviseur. Ik citeer de regering maar even: "Dat betekent dat de medewerkers die de overheidstoets ontwikkelen niet betrokken kunnen zijn bij advisering aan het CvTE over de kwaliteit van alle doorstroomtoetsen." Maar de vraag is natuurlijk wel hoe dat dan gewaarborgd wordt, anders dan alleen praten over een verschil — mag ik het zo zeggen? — in functieomschrijvingen. Moet je het ook niet hebben over echte Chinese walls? En moet je ook niet de vraag beantwoorden hoe je die dan ook waarborgt?
Dan nog een laatste punt. De regering heeft het bij die erkenning over dat scheiden van rollen en verantwoordelijkheden dan nog niet over de vraag hoe het zit met de advisering aan die marktpartijen, waarvan ik al zei: die gaan in zekere zin concurreren met de stichting. Hoe verhoudt zich dat nu allemaal tot elkaar, zo zou ik de minister willen vragen. Misschien weet de minister ook hoe de marktpartijen daar zelf over denken. Tot zover in eerste termijn.
Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 11-13
Minister Wiersma:
Daar werd ook over gevraagd — dat snap ik goed — hoe we een goede scheiding van die rollen en verantwoordelijkheden binnen Stichting Cito waarborgen. Het CDA stelde die vraag en meerdere vragen raakten hieraan. Dat begrijp ik. In algemene zin is het goed om te benoemen dat de verantwoordelijkheid voor beoordeling en erkenning van alle toetsen bij het CvTE ligt. Stichting Cito heeft alleen een adviserende taak. Het CvTE heeft bovendien de ruimte om hierbij aanvullende expertise, naast die van Stichting Cito, in te roepen. Het is dus niet alleen afhankelijk van Stichting Cito. Binnen Stichting Cito zijn de verschillende taken zo ingericht dat er juist een duidelijke scheiding is van mensen, middelen en processen. Stichting Cito heeft overigens niet zelf die kaders ontwikkeld. Dat is ook belangrijk om te zeggen. Het zijn kaders die gebruikt worden bij de beoordeling en de normering. Ook die verantwoordelijkheid ligt bij het CvTE. Het CvTE heeft in dit stadium eerder ook andere externe partijen gevraagd om daar ondersteuning voor te bieden. Er was op dat moment een Chinese wall in de advisering, zou je kunnen zeggen. Daarnaast zijn alle marktpartijen betrokken bij de consultatie, ook over het beoordelingskader.
Het is wel goed om ons te realiseren dat er tussen Stichting Cito en Cito B.V. ook nadrukkelijk een Chinese wall is. Ze hebben allebei verschillende toezichtsorganen, die daar ook op toezien.
De vraag van het CDA was ook hoe de advisering van Stichting Cito aan marktpartijen zich verhoudt tot het zelf aanbieden van de overheidstoets. Weet de minister hoe de marktpartijen over dat risico denken? Stichting Cito kan op verzoek van toetsaanbieders ook psychometrisch advies geven. Toetsaanbieders hoeven hier geen gebruik van te maken. Deze adviestaak wordt door andere werknemers uitgevoerd dan het personeel dat zich bezighoudt met die overheidstoets. Daar zie je dus ook de scheiding. Wij hebben ook intensief contact met de marktpartijen. Wij houden dit dus ook op die manier in de gaten, maar zij steunen de lijn van het voorstel en zijn blij om gebruik te kunnen maken van de ondersteuning door Stichting Cito. Daar zit immers wel heel veel kennis en ervaring die zij ook graag gebruiken.
Het CDA vroeg ook of er nou een gevaar is dat Stichting Cito in enigerlei vorm een voorkeursbehandeling krijgt ten opzichte van marktpartijen. Er werd ook gevraagd naar de
mening van de marktpartijen op dit punt. Ik noemde al Stichting Cito en de dochteronderneming, Cito B.V. Die zijn strikt gescheiden, dus daar zit die Chinese muur tussen. Alle toetsen doorlopen bij het beoordelen, toelaten en normeren van de doorstroomtoetsen hetzelfde proces. Dus ook Cito B.V., die ook heeft aangegeven een toets te willen maken, is onderdeel van datzelfde proces van kwaliteitsborging. Aangezien de verantwoordelijkheid voor de beoordeling duidelijk bij het CvTE ligt — dat ligt heel duidelijk daar, niet bij Cito — zien wij geen gevaar van voorkeursbehandeling. Maar het is wel een punt waar we alert op zijn. Mocht dit gaan spelen, dan willen we daar natuurlijk op tijd bij zijn. Er zijn meerdere vragen over evaluaties gesteld. Daar zal ik straks iets meer over zeggen, maar ik kan me zomaar voorstellen dat dit punt daar ook heel nadrukkelijk in wordt meegenomen.
De heer Doornhof (CDA):
Ik wil de minister bedanken voor de duidelijke antwoorden, zeker waar het gaat om de verhouding tussen Stichting Cito enerzijds en Cito B.V. anderzijds. Het is ook goed om te horen dat de minister het wat breder trekt als je puur praat over Stichting Cito. Dat is misschien de kern van mijn vraagstelling. Je hebt één stichting en je hebt los daarvan
nog de bv. Maar er is één stichting waarin die aanbiedfunctie dan in een keer wordt toegevoegd aan het takenpakket dat die stichting sowieso al heeft. Mijn vraag voor de
minister was erop gericht om duidelijk te krijgen of we het nou alleen hebben over de verschillende soorten mensen die zich met die verschillende taken bezighouden. Of hebben we het over de breedte van die Chinese wall, zoals ik al zei? En moet ik het — dat is de concrete vraag die ik wil stellen aan de minister — nou zo zien dat de minister dat inderdaad breder wil trekken dan alleen die personele scheiding? En twee: wat is zijn mening dan over de manier waarop hij dat kan waarborgen?
Minister Wiersma:
Twee aspecten. Er is een scheiding tussen de Stichting Cito en de Cito B.V. Als een commerciële toets wordt aangeboden, dan gaat dat vanuit de bv. Dat zijn andere mensen en andere verantwoordelijkheden dan zij die adviseren aan het CvTE. De verantwoordelijkheid voor de erkenning ligt bij het CvTE. Dat is belangrijk om je te realiseren, want dat doet de erkenning voor álle toetsen en dat maakt daarbij gebruik van advies van Cito. Dat advies is overigens niet noodzakelijk alleen van Cito, zoals ik zei; ze kunnen ook ander advies inroepen. Maar daarmee is aanvankelijk die borging gerealiseerd, en ook met dat er een Chinese wall zit tussen Cito B.V. en Stichting Cito.
Maar goed, dat laat onverlet dat je vanuit marktpartijen misschien een keer het verwijt kan krijgen waar dat op gebaseerd is en of er dan niet te veel geleund is op de kennis van Stichting Cito. Daarom zeg ik dat ik het wel belangrijk vind om dat in de gaten te houden. Tegelijkertijd zou het wel heel zonde zijn als we die kennis van Cito niet benutten. We moeten die kennis benutten en die ook beschikbaar stellen aan andere partijen. Je zou kunnen zeggen dat dit nu niet netjes geregeld is, en het wordt heel netjes geregeld in dit wetsvoorstel. Daarnaast wordt nu voor een deel van de toetsing gebruik gemaakt van de Expertgroep, waarin eigenlijk een veel kleiner kwaliteitskader is, omdat het een veel smaller gremium is. De Expertgroep heeft hiervan zelf ook gezegd dat ze niet weten of zij dit in de toekomst nog goed kunnen doen en de kwaliteit kunnen borgen. Zij hebben juist nadrukkelijk geroepen om extra hulp en een betere borging van de kwaliteit. Die vinden wij in deze combinatie van advies van Stichting Cito en erkenning door het CvTE.
De heer Doornhof (CDA):
U zegt: het is netjes geregeld. Ik zou zeggen dat dat klopt als je uitgaat van het oorspronkelijke voorstel. Maar dat is natuurlijk net ... Ik wil het geen weeffout noemen, want we hoeven verder ook geen oordeel te hebben over het amendement en de kwaliteit daarvan. Maar de Tweede Kamer heeft gezegd: Stichting Cito gaat ook die aanbiedfunctie erbij krijgen. In de kern heeft de minister dus gelijk, alleen zorgen de verschillende functies die zich nu in de stichting hebben gebundeld voor een extra complicatie. Ik snap wat de minister zegt over dat enerzijds de commissie verantwoordelijk blijft en voor die erkenning zorgt. Maar dan blijft staan — en daar was mijn vraag op gericht — dat je Chinese walls, wat de CDA-fractie betreft, nodig hebt in de stichting. De vraag is dan hoe je die waarborgt, en daar schiet de minister in mijn ogen nu een beetje langs.
Minister Wiersma:
De heer Doornhof noemt complicaties. Als ik het even vrij mag vertalen, zou je ook kunnen zeggen dat het een risico kan zijn. Hoe ondervangen we dan dat risico? Zo begrijp ik de vraag. Daarvan zeg ik: ik denk dat we in dit wetsvoorstel dat risico goed ondervangen, ook omdat uiteindelijk de echte bevoegdheid bij het CvTE ligt. Die lenen kennis en gebruiken kennis, maar maken natuurlijk zelf de afweging. Dat is ook belangrijk. Daarnaast is er het Cito, dat inderdaad meerdere gezichten en meerdere rollen heeft. Die moet je duidelijk onderscheiden. De commerciële rol en de stichting zijn duidelijk met een Chinese wall gescheiden. Maar precies om het risico dat de heer Doornhof hier ziet, zeg ik wel: we willen dit meenemen in de evaluatie. Je moet heel nadrukkelijk kijken of dit in de praktijk zo uitwerkt als wij nu denken dat het gaat uitwerken. Hebben de private partijen baat bij het advies, en zijn de onafhankelijkheid en de erkenning vanuit het CvTE stevig genoeg? Zit daar geen wisselwerking tussen die je niet zou willen en die de kwaliteit ondergraaft?
Dat risico zou er kunnen zijn. Wij denken dat we het op deze manier ondervangen, maar we moeten kijken of het in de praktijk werkt. Daarom gaat dit wetsvoorstel pas in 2024 impact hebben op de toetsing. In de aanloop daarnaartoe moeten wij met deze partijen dit gesprek blijven voeren. Dat doen we overigens ook al, want we hebben de marktpartijen heel nadrukkelijk betrokken en zij steunen dit model. Maar we moeten het gesprek blijven voeren om de risico's die u schetst, te voorkomen.
De heer Doornhof (CDA):
Dan vraag ik het nog een keer, als het mag. Als je gaat evalueren, moet je weten wat de criteria zijn waaraan je toetst hoe het feitelijk is gegaan. Daarom stel ik de vraag aan de minister. Als enerzijds wordt gezegd: we gaan er een beetje op letten — want dat risico zit erin — welke mensen zich met die advisering bezighouden aan de commissie en welke mensen bezig zijn met het aanbieden maar ook het adviseren aan de marktpartijen, dat gaan we in de gaten houden, wat wordt er dan in aanvulling daarop gedaan? Het kwam in een passage van uw primaire beantwoording voor. En twee, hoe ziet u erop toe dat die bredere organisatorische scheiding als die staat — dat is even de vraag — gewaarborgd wordt? Want dan weten we ook waar we het over hebben als we gaan evalueren.
Minister Wiersma:
Dat zit in de combinatie van de vragen die de heer Doornhof stelt. Dus het is terecht dat hij dit accentueert, want daarmee krijgen we ook scherper hoe we dat punt dan in de evaluatie moeten meenemen. Dat zit deels op de scheiding van die rollen en verantwoordelijkheden: hoe werkt dat zo meteen in de praktijk? Dus we hebben wel die verantwoordelijkheid, ook voor erkenning en beoordeling: die ligt bij het CvTE, niet bij Cito. Cito heeft de adviesfunctie. Zo meteen — evauatiepunt — werkt dat dus ook en wordt dat ook als advies ervaren. Daarnaast heeft Cito de functie advies te geven aan de marktpartijen. Hoe wordt dat ervaren? Dat is een feitelijke evaluatie, maar ook een evaluatie bij die marktpartijen. Overigens zijn die marktpartijen ook betrokken geweest bij de consultatie over het beoordelingskader, dus in die zin is ook bekeken of zij dit werkbaar achten, ook het model dat we hiervoor kiezen. Daarop is het dubbele antwoord ja. Maar dan gaan we natuurlijk daarna opnieuw vragen hoe de ervaring is met deze manier van werken.
Datzelfde geldt voor Stichting Cito. Is die scheiding er heel nadrukkelijk tussen Stichting Cito en Cito B.V.? De vraag die u stelt, is of die verschillende taken zo zijn ingericht dat er ook in die Stichting Cito een duidelijke scheiding is van mensen, middelen en processen. Dus dat is een evaluatievraag: is er een duidelijke scheiding van mensen, middelen en processen? Ik hoop dat ik daarmee het antwoord heb gegeven. Anders voorzie ik zomaar dat wij nog ruimte hebben om dat na dit debat nog even scherp te stellen.
Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 22
De heer Doornhof (CDA):
Voorzitter. Er is één punt waarbij ik nog graag wil stilstaan. Dat zal u niet verbazen, omdat het interruptiedebat daarover wat langer was. Dat betreft de positie van de Stichting Cito.
Ik heb dat probleem naar voren gebracht, maar ik heb gehoord dat collega's hetzelfde probleem ervaren. De Stichting Cito heeft nu zo veel verschillende taken. Hoe kun
je al die petten verenigen? De minister noemde in het bijzonder twee punten. Eén. Weet wel dat het CvTE verantwoordelijk is; de Stichting Cito adviseert slechts. Twee.
Laten we de evaluatie afwachten. Maar misschien heeft u een beetje gezien dat ik me toch zorgen maak. Ik vind het belangrijk om nu voor die waarborg te zorgen. De minister heeft nog gezegd dat het nu goed in de wet geregeld is. Volgens mij verschillen de minister en ik op dat punt wat van mening. Ik denk namelijk dat de consequenties nog veel meer hadden moeten worden overzien. Misschien had dat in de Tweede Kamer gemoeten — dat weet ik niet zo goed — of door de regering wat betreft handhaving. Dat is eigenlijk niet het grootste probleem. Je zou kunnen zeggen: "de overheidstoets". Maar meer gaat het om het punt dat de taak van aanbieding aan de Stichting Cito is toebedeeld. Voorzitter. Om die reden zou ik deze Kamer toch om een uitspraak willen vragen, via een motie die ik als volgt zou willen laten luiden.
De voorzitter:
Door de leden Doornhof en Pijlman wordt de volgende
motie voorgesteld:
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat via een amendement van de Tweede Kamer nog steeds van overheidswege zal worden voorzien in een doorstroomtoets naast toetsen van marktpartijen;
overwegende dat Stichting Cito de taak heeft gekregen die overheidstoets aan te bieden;
overwegende dat zij daarnaast andere wettelijke taken heeft waardoor het risico van een ongelijk speelveld bestaat;
overwegende dat het daarom belangrijk is te zorgen voor een goede scheiding van rollen en verantwoordelijkheden binnen deze stichting;
verzoekt de regering te waarborgen dat binnen Stichting Cito de uitvoering van de taak om de overheidstoets aan te bieden organisatorisch is gescheiden van de uitvoering van haar overige taken,
en gaat over tot de orde van de dag.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt letter G (35671).
Dank u wel.
Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 24
Minister Wiersma:
Dan kom ik op de vraag en daarmee de motie van het CDA. Ik hoor de zorgen over de concentratie van taken bij de Stichting Cito en over hoe zich dat verhoudt tot de marktactiviteiten van de Cito B.V. Ik zeg daar twee dingen over en dan kom ik met mijn oordeel over de motie. Ik zie dat er sprake is van duidelijke ethical walls tussen beide organisaties. We vertrouwen er juist daarom ook op dat de adviserende rol van Stichting Cito geen bijzonder voordeel geeft aan de bv.
De heer Doornhof van het CDA wijst erop dat het een risico zou kunnen zijn. Daarom heeft mijn ambtsvoorganger, de heer Slob, aan de Tweede Kamer toegezegd in de evaluatie van dit wetsvoorstel in het bijzonder aandacht te besteden aan de positie en taken van het CvTE in het nieuwe stelsel, niet nadrukkelijk daarmee het Cito benoemd hebbende. Ik zou dus willen toezeggen om dit punt specifiek op Cito toe te voegen aan die toezegging en dit dus expliciet mee te nemen in de evaluatie.
Maar goed, toen kwam de heer Doornhof met een motie en die haalt die toezegging eigenlijk een beetje in, of die formaliseert die toezegging. Hij zette de zorg op schrift en
verwoordde die in de motie. Ik zie dit als een ondersteuning van wat ik hiervoor gezegd heb en dit neem ik dan graag aan. Daarmee krijgt de motie dus oordeel Kamer.
Brondocumenten
-
behandeling Verslag EK 2021/2022, nr. 15, item 5
-
-
2 december 2025
nieuwe deadline: 1 januari 2028
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs -
1 februari 2022
toezegging gedaan
Toezegging Onderzoek naar en monitoring van effect aanmeldmoment op motivatie van leerlingen (35.671) (T03344)
De minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Fiers (PvdA) en Van Apeldoorn (SP), toe om onderzoek te doen naar de effecten van een later aanmeldmoment voor de motivatie van leerlingen en dit mee te nemen in de evaluatie van het wetsvoorstel.
| Nummer | T03344 |
|---|---|
| Status | openstaand |
| Datum toezegging | 1 februari 2022 |
| Deadline | 1 januari 2028 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie |
| Kamerleden | prof. dr. E.B. van Apeldoorn (SP) drs. M.C.T. Fiers (GroenLinks-PvdA) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | evaluatie |
| Onderwerpen | aanmeldmoment leerlingen onderzoek |
| Kamerstukken | Aanpassingen in de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (35.671) |
Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 6
De heer Van Apeldoorn (SP):
Verder is het de vraag, als je kiest voor een centraal aanmeldmoment, welk moment je dan daarvoor kiest. De vorige regering heeft ervoor gekozen het probleem op te lossen
door de eindtoets, die als dit wetsvoorstel wordt aangenomen voortaan "doorstroomtoets" gaat heten, naar voren te halen, van april/mei naar de eerste helft van februari, dit om een centraal aanmeldmoment in maart mogelijk te maken. Wat ons betreft — we hebben dit ook al van andere fracties gehoord — zou het juist beter zijn geweest om het schooladvies later te geven, dus de doorstroomtoets ook later te houden en daarmee een later centraal aanmeldmoment mogelijk te maken. Een later aanmeldmoment beperkt het verlies aan effectieve onderwijstijd in groep 8 en vooral stelt het de in Nederland zo extreem vroege selectie nog even uit en vergroot het daarmee de kansengelijkheid. Hoe kijkt de minister daartegen aan? Hoe gaat hij wat dat betreft uitvoering geven aan de in de Tweede Kamer aangenomen motie van Van Meenen, Bisschop en De Hoop die vraagt om een zo laat mogelijk centraal aanmeldmoment? Die motie, die breed is aangenomen, staat eigenlijk in een heel gekke verhouding tot het wetsvoorstel; ze gaat er eigenlijk tegen in. Hoe gaat de minister daarmee om? Daar zijn wij erg benieuwd naar, dus graag een reactie.
Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 16-17
Minister Wiersma:
Waarom kan het centrale aanmeldmoment dan niet later in het jaar, vraagt de heer Van Apeldoorn. Het centrale aanmeldmoment vindt plaats in de laatste week voor 1 april. Het onderzoeksbureau dat ik al noemde, Oberon, heeft een analyse uitgevoerd naar de wenselijkheid van een centraal aanmeldmoment en wat dan de geschikte tijd is. Een later aanmeldmoment zorgt voor een aantal problemen zoals wij zagen. Eén: de brugklasindeling en het opstellen van het formatieplan komt niet altijd rond. Twee: er is geen ruimte meer voor een eventueel lotingsproces. Drie: er is ook geen ruimte meer voor het ophalen van een onderwijskundig rapport. En vier: de warme overdracht in de
besluitvorming rond de plaatsing van leerlingen kan niet meer goed plaatsvinden. Een later aanmeldmoment zorgt ervoor dat ouders en leerlingen pas in de zomervakantie uitsluitsel krijgen over de vo-school waar het kind naartoe gaat. De vraag is überhaupt of dat ook voor die vo-school de beste manier is om zich voor te bereiden op nieuwe leerlingen.
De vraag die daarbij hoort, is die van de heer Pijlman van D66: hoe groot is de kans dat de periode na de toets niet optimaal wordt benut? En gaat de inspectie daar toezicht
op houden? De naam "doorstroomtoets" geeft aan dat het moment waarop de toets wordt afgenomen, niet het eindpunt is van de ontwikkeling. Zowel in de maanden na de
eindtoets in groep acht alsook in het voortgezet onderwijszijn er nog heel veel kansen om je te ontwikkelen. Onderzoek dat wij eerder hebben laten doen, bijvoorbeeld door
het Kohnstamm Instituut, wijst uit dat het eerder afnemen van de eindtoets geen effect heeft op de effectieve onderwijstijd van leerlingen. Onderwijsprofessionals hebben dat
zelf ook aangegeven. Ze zien het ook als hun kerntaak om de beste voorbereiding te bieden op het voortgezet onderwijs. Dit geeft soms juist wat meer ruimte om het goed te
doen. Dan kun je een en ander nog beter afstemmen op wat nodig is daarna, in het voortgezet onderwijs. Ik vind het wel belangrijk dat de inspectie ook toezicht gaat houden
op de kwaliteit van het onderwijs dat leerlingen daarna ontvangen, dat we het moment na afname van de eindtoets expliciet gaan bekijken, monitoren en in de evaluatie meenemen.
(…)
De heer Van Apeldoorn (SP):
Mijn vraag was waarom het centrale aanmeldmoment niet later kan. Die vraag leefde overigens ook bij de fracties van GroenLinks, PvdA en D66. Daarop zegt de minister dat het is onderzocht en dat het tot allerlei problemen zou hebben geleid. De problemen die de minister schetst, ken ik. Althans ik heb er eerder kennis van genomen dat dat zo gezien wordt, maar dat wordt vooral zo gezien door de vo-scholen. Het primair onderwijs ziet dat anders. Het zijn problemen die te maken hebben met de warme overdracht, die geregeld moet worden, met formatie et cetera. Op zich kan ik daarin komen, maar ik ben ook van de school dat problemen er zijn om opgelost te worden. Als er goede argumenten zijn om dat aanmeldmoment en daarmee ook de toets wat later te plannen, dan zou je toch kunnen kijken of we die problemen kunnen oplossen? Er is volgens mij in de Tweede Kamer ook gewisseld dat dat voor heel veel voscholen niet zo'n probleem is, dat ze niet al in maart, eind maart of voor 1 april moet weten hoe dat zit met die plaatsing. Dus daar gaat het goed. In het verleden is het aanmeldmoment ook weleens later geweest. Heeft de regering ook overwogen om te kijken of zij de problemen die misschien gekoppeld zijn aan een later aanmeldmoment, toch kan oplossen om het toch te realiseren?
Minister Wiersma:
Ja, dat hebben we overwogen. Dat is bekeken in dat onderzoek van Oberon. Ik noemde al de problemen die daaruit naar voren kwamen. Dat zijn geen problemen die het ministerie heeft bedacht, maar die heel nadrukkelijk vanuit de scholen komen. Maar er is ook eerder een onderzoek geweest van het Kohnstamm Instituut naar het effect als je dat eerder doet, ook daarna op de motivatie van leerlingen. Ik vind dit wel een punt om mee te nemen, omdat de Kamer daar zelf om verzocht heeft, maar ik hecht eraan om te zeggen dat we die discussie uit elkaar moeten trekken. Aan de ene kant zet dit wetsvoorstel een datum neer waar er op dit moment, in de huidige praktijk, geen datum is. Voor 80% van de scholen is 1 april al een later aanmeldmoment. Heel veel scholen zitten ruim daarvoor, soms al januari, februari. Door nu een punt in de wet te markeren, verbeteren we voor heel veel leerlingen dat moment al. Het is dus niet zo dat we dat aanmeldpunt niet naar achteren willen schuiven. We schuiven dat naar achteren als je het vergelijkt met de huidige praktijk. Dat is belangrijk om ons te realiseren.
Daarnaast vraagt de Kamer: is dat maximaal of kan je daar nog iets aan toevoegen? Dat verzoek volg ik op. Dat verzoek volg ik overigens op om twee redenen, ook omdat dit
wetsvoorstel qua toetsing pas in 2024 effect gaat hebben op de leerlingen. De komende twee jaar moeten we het met de huidige wetgeving doen en zullen we ons moeten
inspannen om dat aanmeldmoment zo laat mogelijk te maken. We hebben daarvoor vanuit het ministerie materiaal ontwikkeld. Er is informatiemateriaal en advies voor scholen. We staan er echt voor, ook in de richting van scholen, om dat zo laat mogelijk te doen. Maar we zijn een beetje gemankeerd doordat we in de wetgeving geen heel duidelijk moment hebben gemarkeerd. Dat doen we met dit wetsvoorstel wel. Je kunt natuurlijk nog van mening zijn dat het nog verder in de tijd zou moeten zijn. Dan kwamen we op gespannen voet met de praktische implicaties, wat we ook in het onderzoek vonden. Je kunt dan nog een tijdje wachten met de inwerkingtreding, of het op deze manier doen en dit punt heel nadrukkelijk meenemen, ook in de evaluatie. Dat laatste is het voorstel van het kabinet.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Ik hoor het antwoord van de minister, maar het gaat om twee verschillende punten. Het gaat om het aanmeldmoment. Als we dit wetsvoorstel hier aannemen, dan komt dat in de wet vast te liggen. Het gaat natuurlijk ook om de doorstroomtoets. Die onderwerpen hangen natuurlijk met elkaar samen. Die toets wordt nu ook gepland in een bepaalde week, in de tweede helft van februari. Dat ligt ook vast. Nou is er al vaker gesproken over dat onderzoek. Wat heeft het voor effect als je die toets vroeger of later afneemt? Maar is er ook gekeken wat het effect op leerlingen is? Volgens mij is het namelijk heel erg logisch dat er toch een zekere spanning van iedereen af valt wanneer je die toets gehad hebt en dat er dan een bepaalde prikkel wegvalt. Wat heeft dat voor effecten wat betreft de effectieve onderzoekstijd?
De minister noemde het volgende net al even. Er ligt een uitspraak van de Tweede Kamer om het centrale aanmeldmoment zo laat mogelijk te zetten. De minister zegt: dat gaan we onderzoeken. Is de uitspraak dat dat onderzocht wordt de manier waarop de minister uitvoering wil geven aan die motie? Wat kunnen we op dat punt concreet verwachten? Achter die motie is de boodschap dat de Tweede Kamer dat centrale aanmeldmoment nu niet ideaal vindt toch eigenlijk duidelijk. Ik sluit me daar vanuit de Eerste Kamer namens mijn fractie bij aan. Wat ons betreft had het beter later gekund.
Minister Wiersma:
De heer Van Apeldoorn noemde zelf in zijn bijdrage ook al dat je zou kunnen zeggen dat er een soort dubbele boodschap zit in die motie en het wetsvoorstel. Tegelijkertijd is die dubbele boodschap er deels wel en deels ook niet. Ik zeg eerlijk dat de motie voor mij niet duidelijk was. Ik was niet bij de indiening. Daarna heb ik de motie natuurlijk wel gelezen. Ging de motie over de periode tot het nieuwe wetsvoorstel, of juist over de periode vanaf het nieuwe voorstel, of over beide periodes? Wij hebben de motie geïnterpreteerd als de uitdaging om ons in beide periodes hiervoor in te spannen. Dat betekent nu, in de huidige manier van toetsen ... Daar hebben we bijvoorbeeld ook een infographic voor gemaakt. We hebben daar heel nadrukkelijk met vo-scholen over gesproken. We hebben er in communicatie aandacht voor gevraagd. We kijken ernaar. We bespreken met de schoolleiders en met nog een aantal organisaties de mogelijkheid om de komende twee
jaar conform die motie te handelen.
Daarnaast staat in dit wetsvoorstel een datum die later is dan de datum die er in 80% van de staande praktijk is. Daarmee komt het wetsvoorstel in die zin tegemoet aan de wens van die motie. Maar ik hoor ook de zorgen over de vraag wat dit zo meteen betekent voor de motivatie. De organisatie zou eigenlijk een ondergeschikte reden moeten zijn in het kiezen van het moment. Het gaat eigenlijk om de kwaliteit en de motivatie. Die zorgen begrijp ik. Wij hebben die hier ondervangen, omdat het eigenlijk al een verbetering
is ten opzichte van de huidige situatie. Wij baseren die motivatieaspecten op dat Kohnstammonderzoek. Wij zeggen ook dat dat niet een gegeven is. Je moet dat wel bekijken. Ik zou hier nadrukkelijk willen toezeggen dat wij opnieuw, via een onderzoek, inzicht zullen krijgen in het antwoord op de vraag wat zo'n aanmeldmoment doet voor de motivatie. Dat zou een basis kunnen zijn om met elkaar te zeggen: dat betekent dat we daarin iets moeten aanpassen. Maar daarvoor zullen we weer meer onderzoek in die richting moeten doen. Dat gaan wij wel nadrukkelijk in de gaten houden. Ik vind dat een relevant punt, omdat het conform een motie van de Tweede Kamer is, maar ook omdat ik niet hoop dat het in de praktijk zo uitpakt. Als onderzoek zegt dat het allemaal wel zal meevallen, vind ik het wel iets om de vinger bij aan de pols te houden. Dat laat onverlet dat dit in 80% van de gevallen echt een grove verbetering is ten opzichte van de huidige situatie. In die zin is dit wetsvoorstel dus een goede stap om die verdere discussie te
voeren.
(…)
De heer Van Apeldoorn (SP):
Dank voor de toezegging. Ik denk dat het goed is dat de minister dat blijft monitoren. Daarmee kunnen we misschien straks opnieuw kijken naar de discussie over wat nu
eigenlijk het beste is en over dat centrale aanmeldmoment. Die discussie is dus niet beëindigd als we dit wetsvoorstel hier straks aannemen.
Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 18-19
Mevrouw Fiers (PvdA):
Ja, goed zo, voorzitter. Nog even naar aanleiding van de zorgpunten die geuit zijn over het toetsmoment dat naar 1 april gaat. Dat is het moment dat de leerlingen achterover
kunnen gaan hangen. We komen nu bij een tijdskwestie: wanneer wordt het ingevoerd? Vervolgens gaan we het evalueren. Tien jaar later komen we er misschien achter dat het inderdaad zo was. Ik ben er op zoek naar of de minister daar al over heeft nagedacht. Er werd net gezegd dat geprobeerd wordt om alle scholen zo dicht mogelijk naar 1 april te trekken, want dan hebben we dat de wereld alvast uit. Daar worden infographics voor gemaakt en allerlei reclamecampagnes. Is er ook actie richting de scholen om te kijken of dit een risico is? Door meerdere mensen wordt aangegeven dat zij zich zorgen maken over dat moment. Is de minister met de scholen aan het kijken of we iets van elkaar kunnen leren? Wat kunnen we doen om ervoor te zorgen dat dit risico niet optreedt? We kunnen gaan evalueren, maar het is een beetje zonde om er pas naderhand achter te komen. Misschien kun je ook preventief iets doen.
Minister Wiersma:
Zo hebben we de aanmoediging van de Kamer ook wel opgevat. We hebben al een aantal stappen gezet. Ik noemde eerder al het kansrijk adviseren. Dat is zo'n voorbeeld dat
wij proberen met handreikingen aan scholen en docenten die hiermee te maken hebben, maar ook aan ouders die ook moeten weten op welke manier dat advies loopt. We
proberen dat heel nadrukkelijk onder de aandacht te brengen. Dat is ook de boodschap van de motie: doe dat aanmeldmoment zo laat mogelijk. Dat is een nadrukkelijke oproep. Die doe ik ook hier. We reiken allerlei materialen aan om dat te doen. Deze boodschap hebben wij op allerlei manieren gedeeld. Met de PO-Raad, VO-raad, het Lerarencollectief, de schoolleiders: met deze partijen hebben we die boodschap opgepakt. We gaan nu kijken of het goed landt. Die vraag begrijp ik goed, want het is een terecht punt. We gaan tegen de zomer bezien of het voor het schooljaar hierna mogelijk is om in aanloop naar de inwerkingtreding van het centrale aanmeldmoment scholen al hiermee te laten werken. Dan anticipeer je alvast, zoals de heer Pijlman bijna suggereert, op het aanmeldmoment van 1 april. Dan komt die 80% weer terug, waar dit een verbetering voor is. Ik probeer er dus nadrukkelijk op te anticiperen, om maar even een voorschot te nemen op de
formele vraag die ik in tweede termijn nog ga beantwoorden. Dit helpt al, denk ik
Mevrouw Fiers (PvdA):
Misschien ben ik niet helemaal duidelijk geweest met mijn eerste vraag. Ik snap het stimuleren en het delen van kennis op weg naar 1 april. Maar de zorg is ook dat als het advies er ligt, in die laatste periode alleen nog maar de schoolmusical centraal staat en er verder weinig gebeurt. Die docenten zijn uiteraard gemotiveerd om er nog van alles van te maken, maar de leerlingen misschien wat minder. De vraag is of er wordt nagedacht wat we kunnen doen, het onderwijsveld met al die creatieve docenten voorop, om ervoor te zorgen dat die periode niet wegvalt. Ik ben met name op zoek naar die periode na 1 april.
Minister Wiersma:
Helder. Dank voor deze verduidelijking. Ik moet mijzelf nu ook gaan verduidelijken, vrees ik, want ik heb eerder bedoeld te zeggen dat wij heel nadrukkelijk op dit punt opnieuw dat type onderzoek willen doen. Er is eerder onderzoek gedaan door bijvoorbeeld Kohnstamm. Daarbij gaat het erom, te kijken wat de huidige praktijk doet voor de motivatie van leerlingen en wat een later moment doet voor de motivatie van leerlingen. Ook willen we weten wat we anders moeten doen, of wat we meer moeten meegeven aan het onderwijs om dat te garanderen. Ik wil dat heel nadrukkelijk meegeven. Dat is dus een toezegging — ik meende dat ik die net deed, maar misschien heb ik dat niet duidelijk genoeg gemaakt — om daar opnieuw onderzoek naar te doen, dit mee te nemen en het te monitoren, zodat we kunnen bijhouden wat de effecten zijn. Naast de inzichten waarop we dit wetsvoorstel hebben gebaseerd, verwerven we ook weer nieuwe inzichten.
Mevrouw Fiers (PvdA):
Communiceren blijft heel lastig, hè? Mijn pleidooi was eigenlijk: dat kunnen we onderzoeken. Misschien duurt het ook wel tot 2027 voordat we een antwoord hebben. Met
een beetje gezond boerenverstand weten we misschien ook wel dat dit aan de orde is. Het pleidooi is dan om te kijken of daar sneller, tegelijk met de invoering, al slimme dingen over gezegd kunnen worden.
Minister Wiersma:
Die wens snap ik, maar dan doe ik één stap terug, zeg ik tegen mevrouw Fiers. Dat is natuurlijk waarom we ons in dit wetsvoorstel baseren op onderzoek, precies op dit punt,
bijvoorbeeld van het Kohnstamm Instituut. Een aantal Kamerleden zeggen: ja, maar is dat nou wel helemaal waar? Eén onderzoek maakt ook geen zomer. Hoe pakt het zo meteen in de praktijk uit? Ik ben ervan overtuigd, als we de onderzoeken die we hebben gedaan, zoals dat van het Kohnstamm Instituut, ertegenaan houden, dat een en ander geen afbreuk doet aan de motivatie van leerlingen. Het is de onderwijsprofessionals hun eer te na om er niet alles aan te doen om de leerlingen ook na die toets zo goed mogelijk voor te bereiden op het voortgezet onderwijs. Ik merk dat dit wel een beetje vertrouwen in hen vergt. Zij gaan echt niet twee of drie maanden schoolmusicals doen. Als we ze dat de hele dag gaan vertellen, gaan ze het misschien nog doen ook. Laten wij hier dan met elkaar vertellen dat we het zo belangrijk vinden dat je daarna nog een goede voorbereiding doet met je leerlingen voor het vervolg.
Onderzoek laat zien dat het niet ten koste gaat van motivatie. Ik snap de vraag: is dat wel zo? Dat is deels een politieke wens, maar deels ook een zorg. Daarom zeg ik toe om er nog verder onderzoek naar te doen en dat expliciet mee te nemen in hoe we zo meteen deze wet gaan bekijken. Hopelijk kan dat de goedkeuring van mevrouw Fiers wegdragen, voorzitter.
Brondocumenten
-
behandeling Verslag EK 2021/2022, nr. 15, item 5
-
2 december 2025
nieuwe deadline: 1 januari 2028
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs -
1 februari 2022
toezegging gedaan
Toezegging Evaluatie kwaliteit onderwijs en onderwijstijd na afname eindtoets (35.671) (T03345)
De minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Pijlman (D66), toe dat de Inspectie van het Onderwijs ook expliciet toezicht zal gaan houden op de kwaliteit van het onderwijs dat leerlingen na afname van de eindtoets ontvangen alsmede de onderwijstijd, dat dit zal worden gemonitord en in de evaluatie van het wetsvoorstel zal worden meegenomen.
| Nummer | T03345 |
|---|---|
| Status | openstaand |
| Datum toezegging | 1 februari 2022 |
| Deadline | 1 januari 2028 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie |
| Kamerleden | Drs. H.J. Pijlman (D66) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | evaluatie |
| Onderwerpen | eindtoets evaluaties leereffecten onderwijsinspectie onderwijstijd |
| Kamerstukken | Aanpassingen in de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (35.671) |
Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 5
De heer Pijlman (D66):
Onze leerlingen hebben alle tijd op de basisschool nodig. Voor veel vakken is het eindniveau de laatste jaren onder druk komen te staan. Door twee coronacrisisjaren zijn de
leerachterstanden alleen maar groter geworden. De tijd die er is, moet optimaal benut worden om de overgang van primair naar voortgezet onderwijs zo goed mogelijk te laten
verlopen. Die overgang is voor veel kinderen bepaald niet gemakkelijk. Op dit punt zit er voor ons een zorg wat betreft de uitvoering van dit voorstel. We herkennen de achterliggende gedachte om tot het voorstel te komen, maar twijfelen of het de beoogde effecten zal hebben. Kan de minister ons op dit punt geruststellen? Kan de minister toezeggen dat deze wet zal worden geëvalueerd en dat de inspectie ook toezicht zal houden op de leereffecten bij kinderen na de toets?
Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 16
Minister Wiersma:
De vraag die daarbij hoort, is die van de heer Pijlman van D66: hoe groot is de kans dat de periode na de toets niet optimaal wordt benut? En gaat de inspectie daar toezicht
op houden? De naam "doorstroomtoets" geeft aan dat het moment waarop de toets wordt afgenomen, niet het eindpunt is van de ontwikkeling. Zowel in de maanden na de
eindtoets in groep acht alsook in het voortgezet onderwijs zijn er nog heel veel kansen om je te ontwikkelen. Onderzoek dat wij eerder hebben laten doen, bijvoorbeeld door
het Kohnstamm Instituut, wijst uit dat het eerder afnemen van de eindtoets geen effect heeft op de effectieve onderwijstijd van leerlingen. Onderwijsprofessionals hebben dat
zelf ook aangegeven. Ze zien het ook als hun kerntaak om de beste voorbereiding te bieden op het voortgezet onderwijs. Dit geeft soms juist wat meer ruimte om het goed te
doen. Dan kun je een en ander nog beter afstemmen op wat nodig is daarna, in het voortgezet onderwijs. Ik vind het wel belangrijk dat de inspectie ook toezicht gaat houden
op de kwaliteit van het onderwijs dat leerlingen daarna ontvangen, dat we het moment na afname van de eindtoets expliciet gaan bekijken, monitoren en in de evaluatie meenemen.
Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 21
De heer Pijlman (D66):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor de heldere en adequate beantwoording. Hij heeft eigenlijk gezegd dat hij de komende periode twee dingen gaat doen: het versterken
van de basiskwaliteit en het versterken en het verbeteren van het stelsel. In het voorjaar krijgen we de reacties op de Onderwijsraad en de contouren van hoe hij het regeerakkoord uit wil werken. Ik verheug met op dat voorjaar, overigens niet alleen om die reden. Ik heb in eerste instantie gezegd: mijn zorg zit in wat er met de leerlingen gebeurt. U bent daar heel helder in geweest. Dank voor de toezegging dat u wilt evalueren wat het effect
is op de onderwijstijd en of de aandacht voor de leerlingen constant blijft, en dat dit ook de aandacht van de inspectie zal krijgen.
Brondocumenten
-
behandeling Verslag EK 2021/2022, nr. 15, item 5
-
2 december 2025
nieuwe deadline: 1 januari 2028
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs -
1 februari 2022
toezegging gedaan
Toezegging Tegengaan desinformatie publieke omroep (35.925 VI) (T03480)
De staatssecretaris voor Cultuur en Media zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Backer (D66) over de status van een eerdere toezegging aan lid Pijlman (D66) om te onderzoeken of er binnen de Mediawet voldoende mogelijkheden zijn om desinformatie bij de publieke omroep tegen te gaan, toe dit mee te nemen in de beleidsdoorlichting media en de Kamer over de resultaten te informeren.
| Nummer | T03480 |
|---|---|
| Status | openstaand |
| Datum toezegging | 31 mei 2022 |
| Deadline | 1 januari 2023 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Staatssecretaris Cultuur en Media |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| Kamerleden | Jhr.mr. J.P. Backer (D66) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | Beleidsdoorlichting media Mediawet |
| Kamerstukken | Begrotingsstaten Justitie en Veiligheid 2022 (35.925 VI) |
Handelingen I 2021-2022, nr. 31, item 11 - blz. 11
De heer Backer (D66):
Voorzitter, ten slotte. Ik verontschuldig mij bij voorbaat bij de staatssecretaris Cultuur en Media dat ik zo veel tijd aan de andere onderwerpen heb besteed en zo weinig aan cultuur en media. Het is interessant om de dynamiek van media te zien, ook weer vandaag. Er is meer dynamiek en meer reuring als we niet vergaderen dan als we wel vergaderen. Dat vond ik wel interessant. Ik heb nog een concrete vraag aan u. In november heeft mijn collega Pijlman van u de toezegging gekregen dat er onderzoek zal worden gedaan of er voldoende mogelijkheden zijn in de Mediawet om bepaalde uitingen, zoals onder andere door Ongehoord Nederland, binnen de kaders van de democratische rechtsstaat te houden en of de Mediawet daar in het stelsel ruimte voor biedt. Daar zou ik, mede gezien de actuele discussie, graag ook namens de heer Pijlman antwoord op krijgen. Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister.
Handelingen I 2021-2022, nr. 34, item 7 - blz. 44
Staatssecretaris Uslu:
(…)
Dan de vraag van de heer Backer. Hij vroeg hoe het staat met de toezegging aan de heer Pijlman over onderzoek naar mogelijkheden om desinformatie bij de publieke omroep tegen te gaan. Mijn voorganger heeft inderdaad aan de heer Pijlman toegezegd om te onderzoeken of er binnen de Mediawet voldoende mogelijkheden zijn om desinformatie bij de publieke omroep tegen te gaan. Deze vraag wordt meegenomen in de beleidsdoorlichting media. Daarin zal onderzocht worden in hoeverre het huidige wettelijke nationale en Europese beleidsinstrumentarium voor de publieke omroep nog passend is, gezien de huidige ontwikkelingen wat betreft nepnieuws. Uw Kamer ontvangt de resultaten van deze beleidsdoorlichting. Die wordt in november van dit jaar afgerond.
Brondocumenten
-
voortzetting debat Staat van de rechtsstaat Verslag EK 2021/2022, nr. 34, item 7
-
voortzetting debat Staat van de rechtsstaat Verslag EK 2021/2022, nr. 31, item 11
-
16 december 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 december 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
10 december 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
9 december 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister en staatssecretaris van OCW over niet en gedeeltelijk uitgevoerde moties en over (deels) openstaande toezeggingen
Op 10 december 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, B
-
-
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Staatssecretaris Cultuur en Media -
12 december 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
28 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van OCW over (deels) openstaande toezeggingen op het gebied van cultuur en media
Op 12 december 2023 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, B
-
-
21 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
16 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
7 november 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
26 oktober 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van OCW over halfjaarlijks rappel toezeggingen
Op 7 november 2023 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, J
-
-
9 maart 2023
nieuwe commissie: commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) -
9 maart 2023
commissie vervallen: commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) -
31 mei 2022
toezegging gedaan
Toezegging Onderzoek naar effecten leenstelsel en basisbeursstelsel (36.229) (T03627)
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Fiers (PvdA), toe dat er breed onderzoek en monitoring gedaan zal worden naar de effecten van het leenstelsel en het basisbeursstelsel. Daarin worden aspecten zoals studielasten, woningmarkt, arbeidsmarkt et cetera meegenomen. De minister zal in een brief op een rijtje zetten hoe de (uitvoering van de) toezegging precies vormgegeven wordt.
| Nummer | T03627 |
|---|---|
| Status | voldaan |
| Datum toezegging | 30 mei 2023 |
| Deadline | 1 januari 2025 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| Kamerleden | drs. M.C.T. Fiers (GroenLinks-PvdA) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | evaluatie |
| Onderwerpen | herinvoering basisbeurs leenstelsel studenten studiefinanciering |
| Kamerstukken | Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs (36.229) |
Handelingen I 2022/23, nr. 34, item 4, p. 1
Mevrouw Fiers (PvdA):
(…)
Voorzitter. Is er iets te doen aan die grilligheid? Kan er gedurende een langere periode gewerkt worden aan gedegen onderzoek naar de effecten van de verschillende maatregelen en parameters op de doelstellingen van de studiefinanciering die genoemd worden, namelijk toegankelijkheid, maatschappelijk en persoonlijk profijt, de sturing op essentiële beroepsgroepen en de zelfstandigheid van studenten? Onze fracties hechten aan een gerichte monitoring en evaluatie van die effecten van het nu voorliggende wetsvoorstel, maar ook van de langeretermijneffecten van het leenstelsel. Juist door ook de leenstelselstudenten te monitoren, blijven of komen mogelijke negatieve effecten in beeld en wordt het mogelijk om eventueel op een later moment gerichte actie te ondernemen voor deze groep. De vraag is of de minister hiertoe bereid is, en zo ja, hoe hij die monitoring en evaluatie ziet. Is de minister in het kader van die evaluatie van het leenstelsel bereid om onderzoek te doen naar de verschillende groepen van studenten, bijvoorbeeld de groep met ouders die financieel minder kunnen bijdragen, studenten met een beperking of studenten met een migratieachtergrond? We zijn benieuwd naar het antwoord. Wellicht is het mogelijk om te komen tot een onderbouwd afwegingskader op basis waarvan eventuele toekomstige beleidskeuzes genomen kunnen worden. We horen graag de reactie van de minister hierop.
Handelingen I 2022/23, nr. 34, item 12, p. 1-11
Minister Dijkgraaf:
(…)
Mevrouw Fiers vroeg of ik bereid ben om de leenstelselstudenten te monitoren en, zo ja, of ik bereid ben om, ook in het kader van de evaluatie van het leenstelsel, onderscheid te maken tussen groepen jongeren, zoals studenten van wie de ouders financieel minder kunnen bijdragen. U noemde ook studenten met een beperking of met een migratieachtergrond. Ja, in de Monitor beleidsmaatregelen hoger onderwijs worden sinds 2010 jaarlijks de gevolgen van alle beleidsmaatregelen in beeld gebracht. Daarin wordt ook de hoogte van de gemiddelde studieschuld in beeld gebracht. Dan kan per cohort worden aangegeven wat de hoogte van de gemiddelde studieschuld is. Er wordt ook onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen, zoals studenten met een beperking en een migratieachtergrond. We zijn dus in staat om dat te volgen.
(…)
Mevrouw Fiers (PvdA):
Ik dacht: anders wacht ik het blokje af. Maar misschien kan ik even tussendoor. U ging zonet even in op het verzoek om onderzoek naar en monitoring van de verschillende stelsels en mogelijk ook de groepen daarin. Ik zie dat dus als een kleine toezegging op mijn vraag. Maar ik was benieuwd of u ons in een brief kunt laten weten welke onderzoeken er precies lopen, zodat we daar eventueel later nog op kunnen terugkomen. Anders hebben we misschien een misverstand over wat de bedoeling is. Ik weet niet of dat tot de mogelijkheden behoort.
Minister Dijkgraaf:
Nou, ik weet niet of ik dat in een brief moet doen. Volgens mij heb ik de zaken die lopen, zonet geschetst. Wij doen dat; dat is eigenlijk onze standaardmanier om deze cohorten te volgen. Ik begrijp dus niet precies wat u daaraan nog wil toevoegen.
Mevrouw Fiers (PvdA):
U ging net heel erg snel over wat er allemaal al aan onderzoek loopt. Misschien ben ik niet volledig op de hoogte van al het onderzoek dat loopt, maar mijn bedoeling zit dus in het meerjarig volgen van de verschillende stelsels en de groepen daarin. Ik was daar dus benieuwd naar. Als u het even op papier kan zetten, kunnen we met elkaar kijken of we daarvan hetzelfde beeld hebben.
Minister Dijkgraaf:
Mag ik daar in tweede termijn op terugkomen?
De voorzitter:
Dat lijkt me uitstekend. Vervolgt u uw betoog.
(…)
Mevrouw Fiers (PvdA):
(…)
Dan nog even ons kleine debatje over het onderzoek. U komt daar in uw tweede termijn op terug. Ik had een motie voorbereid, maar ik heb er vertrouwen in dat de minister straks in zijn tweede termijn helemaal tegemoetkomt aan de wensen. Ik had net een beetje het idee dat het een iets smallere interpretatie was van het onderzoek waar ik naar op zoek ben, maar misschien komt dat wel doordat de minister heel erg op de financiën zit, terwijl er ook andere onderzoeken lopen, onder andere over prestatiedruk. Ik ben even op zoek naar de bredere context. Als u dat even op papier zou willen zetten, kunnen we er op een later moment altijd nog op terugkomen.
(…)
Minister Dijkgraaf:
(…)
Ik wilde nog kort op één vraag van mevrouw Fiers ingaan en dan kom ik tot mijn appreciatie van de moties. Ik begrijp de vraag van mevrouw Fiers, denk ik. Zij vraagt mij, volgens mij, om breder te kijken dan alleen maar naar de studielasten. Hoe gaat het op de woningmarkt, de arbeidsmarkt et cetera? Ik interpreteer de vraag dan ook breder. Ik vind dat interessant om te doen. Alleen, als we inderdaad naar die aanvullende aspecten kijken, moeten we natuurlijk wel de gegevens daarvoor hebben. Dat vraagt enige tijd. In mijn ogen is de juiste plaats en tijd om dat te doen het moment dat we de wet gaan evalueren. Dat gaan we over een paar jaar doen. Dan hebben we ook de data om uiteindelijk de vergelijking te maken tussen het nieuwe cohort en het cohort van het leenstelsel. We delen namelijk met elkaar, denk ik, de opvatting dat het makkelijk is om binnen het OCW-domein te bekijken wat er gebeurt met de studieschuld, hoe die wordt afgelost et cetera, maar dat dit natuurlijk een beperkte kijk is op het leven van deze oud-studenten. Dus als ik op die manier mag toezeggen dat we dat gaan doen ... Hoe we dat gaan doen, vraagt natuurlijk nog wel enige tijd en inspanning. Dat kan ik op dit moment niet. Maar als ik uw vraag zo goed heb begrepen, zeg ik graag toe dat te doen.
Mevrouw Fiers (PvdA):
We komen er wel, denk ik. Misschien is het fijn om toch even op papier te zetten wat u precies aan data gaat verzamelen en op welk moment er geëvalueerd wordt. Het kan zijn dat we dat bij de evaluatie van de wet doen, maar misschien komt er uit die data al iets wat eerder tot actie zou kunnen leiden. Ik ben toch benieuwd naar uw visie op welke data u gaat verzamelen of aan het verzamelen bent. Als we pas over vijf jaar tot de conclusie komen dat het toch niet helemaal de bedoeling was, dan zijn we te laat.
Minister Dijkgraaf:
Ik kan toezeggen wat ik net zei: de intentie dat we dat gaan doen, wat de elementen zullen zijn waarnaar we gaan kijken. Maar nogmaals, methodologisch ... Ik weet niet of we nu kunnen overzien wat er allemaal nog achter zit. Daar moet ik gewoon eerlijk over zijn. Ik denk dat ik gewoon moet opschrijven wat ik kan toezeggen en niet meer, want dat is niet fair.
De voorzitter:
Ik begrijp dat u opschrijft wat u net heeft toegezegd.
Minister Dijkgraaf:
Absoluut.
De voorzitter:
Oké, helder. Dank u wel.
Minister Dijkgraaf:
Ja, en dat komt naar u toe.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2022/2023, nr. 34, item 12
-
behandeling Verslag EK 2022/2023, nr. 34, item 4
-
2 december 2025
nieuwe status: voldaan
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
12 december 2023
nieuwe deadline: 1 januari 2025
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
6 december 2023
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
30 mei 2023
toezegging gedaan
Toezegging Samenstelling groep nieuwkomers (36.373) (T03725)
De minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Apeldoorn (SP), toe om uit te zoeken om hoeveel kinderen van arbeidsmigranten en hoeveel kinderen van statushouders het gaat onder de nieuwkomers en dit mee te nemen in de contourenschets inzake de structurele bestendiging van het nieuwkomersonderwijs, die eind 2023 zal verschijnen.
| Nummer | T03725 |
|---|---|
| Status | openstaand |
| Datum toezegging | 26 september 2023 |
| Deadline | 1 januari 2026 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie |
| Kamerleden | prof. dr. E.B. van Apeldoorn (SP) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | arbeidsmigranten nieuwkomersonderwijs Nieuwkomersvoorzieningen statushouders |
| Kamerstukken | Tijdelijke wet tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen in het onderwijs (36.373) |
Handelingen I 2023/24, nr. 1, item 8, p. 12-23
De heer Van Apeldoorn (SP):
(…)
Ik vraag de minister: hoe staat het eigenlijk met het werken aan deze structurele oplossing, met de structurele bestendiging van het nieuwkomersonderwijs? Klopt het dat hier in het najaar aan gewerkt zal gaan worden en dat de contouren van deze oplossing voor het eind van het jaar geschetst zullen worden? Ik neem aan dat dit werk gewoon doorgaat op het ministerie, ook nu het kabinet demissionair is. Volgens mij kan dit ook in deze Kamer op brede steun rekenen.
Natuurlijk moet in deze context ook gesproken worden over hoe we grip krijgen op migratie. Ook dat is iets wat we volgens mij allemaal vinden in dit huis. Voor de SP-fractie geldt hierbij dat we vluchtelingen altijd fatsoenlijk moeten opvangen, maar ook dat we bijvoorbeeld arbeidsmigratie moeten reguleren. In dit verband vraag ik de minister: klopt het dat de regering eigenlijk geen idee heeft om welke aantallen het hier gaat? Hoeveel procent van de nieuwkomers die recht hebben op onderwijs bestaat uit kinderen van arbeidsmigranten en hoeveel procent bestaat uit kinderen van vluchtelingen of statushouders?
(…)
Minister Paul:
(…)
Tot slot een vraag van de heer Van Apeldoorn over de aantallen. Letterlijk was zijn vraag of het klopt dat de minister geen idee heeft van de aantallen kinderen om wie het gaat. Daarnaast vroeg hij naar de verhouding tussen het aantal kinderen van arbeidsmigranten en het aantal kinderen van statushouders. Het klopt niet dat ik geen idee heb van de aantallen, alleen weet ik niet precies hoe de verhouding is tussen het aantal kinderen van arbeidsmigranten en het aantal kinderen van statushouders. Uit de bekostigingsgegevens kan ik een goed beeld krijgen van het aantal nieuwkomersleerlingen dat onderwijs krijgt, maar dat gaat over totalen. Op 1 januari 2023 ging het om 35.708 leerlingen in het primair onderwijs voor wie scholen nieuwkomersbekostiging ontvingen en om 22.565 leerlingen in het voortgezet onderwijs.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Even voor de helderheid. De minister kan dus niet zeggen om hoeveel kinderen van arbeidsmigranten het gaat onder de nieuwkomers.
Minister Paul:
Nee.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Dat was precies mijn vraag. Daarop moet de minister het antwoord dus schuldig blijven.
Minister Paul:
Dat klopt. Dat onderscheid kan ik niet maken. Ik kan nog een keer checken of er een mogelijkheid is om dat te achterhalen, maar in ieder geval op dit moment heb ik die verschillen niet in zicht.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Zou de minister, net als de SP-fractie, dat niet willen weten als we het probleem in kaart willen brengen? Nogmaals, wij vinden dat alle kinderen die hier zijn en die daar recht op hebben, goed onderwijs moeten krijgen, dus ook de kinderen van arbeidsmigranten. Maar als je wilt inschatten hoe het probleem zich de komende jaren zal ontwikkelen, zodat we weten dat de huidige wet daarin kan voorzien, dan wel dat we uiteindelijk tot een structurele oplossing kunnen komen waarbij de tijdelijke voorziening voor nieuwkomersonderwijs niet meer nodig zal zijn, dan zijn dit soort cijfers toch relevant?
Minister Paul:
Ik kan me heel goed voorstellen dat dit onderdeel kan zijn van de verdere verkenning die we doen om te komen tot een structurele oplossing voor het nieuwkomersonderwijs. Daar zou ik naar moeten kijken.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Apeldoorn.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Ja, tot slot. Misschien kan de minister dan toezeggen dat zij in ieder geval haar best zal doen om te kijken of het mogelijk is om die cijfers te achterhalen en die mee te nemen in de toekomstvisie of de contourenschets die eraan zit te komen voor het eind van het jaar. Nogmaals, dat lijkt me relevante informatie.
Minister Paul:
Zeker. Die toezegging wil ik wel doen. Ja.
(…)
De heer Van Apeldoorn (SP):
(…)
Ik ben blij met de toezegging die de minister heeft gedaan als het gaat om het achterhalen van de cijfers om te zien waaruit die groep van nieuwkomers nou eigenlijk bestaat. Dat lijkt me toch van belang. We hebben het veel over asiel en de asielinstroom. We hebben het ook over de oorlog, de Russische agressieoorlog, die ons is overkomen en over de Oekraïense ontheemden. Dat zet druk op het systeem. Maar stel dat dat straks allemaal weer afneemt en dat ook de asielinstroom, waar nota bene een heel kabinet over gevallen is, weer afneemt, maar het aantal nieuwkomers dat onderwijs nodig heeft en dat niet krijgt even groot blijft? Dan zouden wij wel willen weten waar dat aan ligt en hoe we daarmee om moeten gaan.
Brondocumenten
-
behandeling Verslag EK 2023/2024, nr. 1, item 8
-
2 december 2025
nieuwe deadline: 1 januari 2026
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs -
28 mei 2024
nieuwe deadline: 1 januari 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
15 mei 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de minister voor PVO over (deels) openstaande toezeggingen
Op 28 mei 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, J
-
-
26 september 2023
toezegging gedaan
Toezegging Bezien of monitoring inzake inkomenspositie van makers in de av-sector voldoende beeld geeft (36.176) (T03750)
De staatssecretaris Cultuur en Media zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Veldhoen (GroenLinks-PvdA), toe te bezien of de huidige monitoring inzake de inkomenspositie van makers in de av-sector voldoende beeld geeft of dat nog extra onderzoek nodig is. In gesprek met de procesbegeleider en de vertegenwoordigers van de makers wordt gewezen op de risico’s van de samenloop van de investeringsverplichting en de auteursrechtenvergoeding.
| Nummer | T03750 |
|---|---|
| Status | deels voldaan |
| Datum toezegging | 24 oktober 2023 |
| Deadline | 1 juli 2026 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Staatssecretaris Cultuur en Media |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| Kamerleden | mr. G.V.M. Veldhoen (GroenLinks-PvdA) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | overig |
| Onderwerpen | audiovisueel product av-sector inkomenspositie |
| Kamerstukken | Invoeren investeringsverplichting ten behoeve van Nederlands cultureel audiovisueel product (36.176) |
Handelingen I 2023-2024, nr. 4, item 3 - blz. 3.
Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):
(…)
“De investeringsverplichting enerzijds en de rechtenvergoeding anderzijds zijn twee verschillende verplichtingen die gaan rusten op de streamers ten behoeve van de makers. Dat is ook waarom ik het in dit kader noem. Hoe gaat de staatssecretaris waarborgen dat de afdracht uit hoofde van de investeringsverplichting niet ten koste gaat van de rechtenvergoeding van de individuele makers? Kan de staatssecretaris toezeggen dat de inkomenspositie van de bij de audiovisuele productie betrokken makers en uitvoerend kunstenaars gemonitord zal worden, om zo te kunnen waarborgen dat de afdrachten uit hoofde van de investeringsverplichting waar wij vandaag over spreken, niet ten koste gaan van de in de markt gehanteerde honoraria en niet van de rechtenvergoeding van de streamers? Graag een reactie. Wij zijn namelijk bang dat het vestzak-broekzak wordt, dat het communicerende vaten worden en dat uiteindelijk de makers daar de dupe van worden.”
Handelingen I 2023-2024, nr. 4, item 10 - blz. 3-4.
Staatssecretaris Uslu:
(…)
“Mevrouw Veldhoen vroeg ook aan mij om toe te zeggen dat ik de inkomenspositie van makers in de av-sector ga monitoren. Daar ben ik in zekere zin al mee bezig. Op dit moment zijn er bij het Platform ACCT zogenaamde ketentafels ingesteld. Hier worden de inkomenspositie en de arbeidsomstandigheden van makers in verschillende culturele disciplines besproken. Een van die ketentafels is de av-sector. Wat betreft de voorwaarden en de omstandigheden van makers, zoals producenten, regisseurs, scenaristen, crew en cast, wordt er momenteel aan de Ketentafel AV vrij hard gewerkt aan de verbetering van het ontwikkelen van praktijkinstrumenten om de omstandigheden te verbeteren. Dit alles vergroot onze kennis over de inkomenspositie van makers, maar ik ben bereid om nog nader te bezien of dit alles inderdaad voldoende beeld geeft over de inkomenspositie van makers in de av-sector of dat er nog extra onderzoek nodig is.”
Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):
“Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen. Goed om te horen op welke wijze zij de vinger aan de pols houdt als het gaat om de positie van de makers. Ik ben er een beetje bang voor dat streamers zullen zeggen: "Wij moeten nu al aan de investeringsverplichting voldoen en straks moeten we ook nog een auteursrechtenvergoeding betalen." Het is vestzak-broekzak, dus er moet ergens ingeleverd worden. Hoe borgt de staatssecretaris dat dit niet gebeurt? Hoe borgt zij dat deze investeringsverplichting niet de onderhandelingen gaat doorkruisen?”
Staatssecretaris Uslu:
“Zowel de investeringsverplichting als de auteursrechtelijke vergoedingsverplichting voor VOD-aanbieders heeft een eigen grondslag. Streamers moeten dus aan de investeringsverplichting voldoen op basis van de Mediawet. Het Commissariaat houdt daar toezicht op. De afspraken over de auteursrechtelijke VOD-vergoeding worden straks vastgelegd in een overeenkomst waar de streamers zich aan moeten houden. Het zijn dus wel echt twee andere wegen.”
Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):
“Ik begrijp dat het twee gescheiden wegen zijn die worden bewandeld. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: is er ook oog voor het risico dat dit bijvoorbeeld ook aan die procesbegeleider wordt meegegeven? Vanuit de optiek van de streamers kan ik me voorstellen dat dit allemaal kosten zijn die ten behoeve van derden moeten worden gemaakt. Zij zullen dat misschien op een andere manier beschouwen. Mijn vraag is: kan bijvoorbeeld aan de procesbegeleider worden meegegeven dat dit ook als een risico wordt gezien, in ieder geval vanuit sommige, en dat daar ook rekening mee moet worden gehouden? Die auteursrechtenvergoeding staat natuurlijk op zichzelf, maar nu lopen die beide trajecten een beetje parallel. Daarom wijs ik ook op dit risico.”
Staatssecretaris Uslu:
“Ik snap de vraag. De makers zelf zijn zich hier natuurlijk ook heel erg van bewust. Ik heb verschillende gesprekken gevoerd met zowel de vertegenwoordigers van de streamingsdiensten als de makers. Er kijkt inderdaad een procesbegeleider naar. De makers zelf zijn zich hier ook echt wel van bewust. Ik kan natuurlijk wel de zorg van mevrouw Veldhoen meenemen om dit nog een keer te bespreken met de procesbegeleider en de vertegenwoordigers van de makers, en te benoemen om hier rekening mee te houden.”
Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):
“Dank u wel.”
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2023/2024, nr. 4, item 10
-
behandeling Verslag EK 2023/2024, nr. 4, item 3
-
2 december 2025
nieuwe deadline: 1 juli 2026
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
2 juli 2024
nieuwe deadline: 1 januari 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Staatssecretaris Cultuur en Media -
20 juni 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de staatssecretaris van OCW over de stand van zaken met betrekking tot moties en toezeggingen bij investeringsverplichting voor grote streamers
Op 2 juli 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, D
-
-
24 oktober 2023
toezegging gedaan
Toezegging Mogelijkheid van een accountantsverklaring in de uitwerking van de ministeriële regeling meenemen (36.176) (T03754)
De staatssecretaris van Cultuur en Media zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Prins (CDA), toe de mogelijkheid van een accountantsverklaring als bewijs van het voldoen aan de investeringsverplichting, in de uitwerking van de ministeriële regeling nadrukkelijk mee te nemen.
| Nummer | T03754 |
|---|---|
| Status | voldaan |
| Datum toezegging | 24 oktober 2023 |
| Deadline | 1 januari 2025 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Staatssecretaris Cultuur en Media |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| Kamerleden | G. Prins (CDA) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | lagere regelgeving |
| Onderwerpen | Accountantsverklaring audiovisueel product |
| Kamerstukken | Invoeren investeringsverplichting ten behoeve van Nederlands cultureel audiovisueel product (36.176) |
Handelingen I 2023-2024, nr. 4, item 3 - blz. 8.
Mevrouw Prins (CDA):
(…)
“Meneer de voorzitter. 50% van die 5% moet worden ingezet voor de productie van films, documentaires en dramaseries. De overige 50% is aan de streamers zelf, maar wel binnen de vereiste kader. Daarbij moet 60% van de gelden besteed worden bij onafhankelijke producenten in Nederland. In de Tweede Kamer is uitvoerig gesproken over het percentage van de omzet, over het besteden van de gelden alleen aan film, documentaire en drama, dan wel aan het totale aanbod met uitzondering van sport, evenals over de 60% zeg maar "verplichte winkelnering" bij onafhankelijke producers in ons land. Het CDA kan zich goed vinden in de uitkomsten zoals deze na diverse amendementen in de wet staan. Wel hebben wij enkele vragen over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de wet. De streamers worden via deze wet verplicht om 5% van hun omzet te investeren in Nederlands-/Friestalige producties. Deze informatie leveren zij aan het Commissariaat voor de Media. Hoe kan het Commissariaat de juistheid van de gegevens controleren? Wordt een accountantsverklaring verplicht, zo vragen wij de staatssecretaris”
Handelingen I 2023-2024, nr. 4, item 10 - blz. 2.
Staatssecretaris Uslu:
(…)
“Mevrouw Prins van de CDA-fractie heeft meerdere vragen gesteld over de uitvoerbaarheid van de investeringsverplichting en het toezicht daarop. De eerste vraag van mevrouw Prins is hoe het Commissariaat de juistheid van de gegevens kan controleren die de streamers aanleveren. Wordt de accountantsverklaring verplicht, zo luidt haar vraag. Artikel 3.29h, derde lid, van het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om in een ministeriële regeling nadere eisen te stellen aan de stukken die de streamers ter verantwoording dienen aan te leveren bij het Commissariaat. Een accountantsverklaring kan daar een onderdeel van zijn. Dit is dus een interessante suggestie van mevrouw Prins. Ik kan haar toezeggen dat ik deze mogelijkheid in de uitwerking van de ministeriële regeling ook nadrukkelijk mee zal nemen.”
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2023/2024, nr. 4, item 10
-
behandeling Verslag EK 2023/2024, nr. 4, item 3
-
2 december 2025
nieuwe status: voldaan
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
26 november 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
7 november 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de minister van OCW over agenda audiovisueel aanbod “Verbeelding door inzicht, talentontwikkeling en samenwerking”
Op 26 november 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, E
-
-
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
2 juli 2024
nieuwe deadline: 1 januari 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Staatssecretaris Cultuur en Media -
20 juni 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de staatssecretaris van OCW over de stand van zaken met betrekking tot moties en toezeggingen bij investeringsverplichting voor grote streamers
Op 2 juli 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, D
-
-
28 mei 2024
nieuwe deadline: 1 juli 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
15 mei 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van OCW over (deels) openstaande toezeggingen
Op 28 mei 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, I
-
-
24 oktober 2023
toezegging gedaan
Toezegging In reactie op rapport van het adviescollege-Van Geel ingaan op bundelen van gelden en budgetten (36.176) (T03755)
De staatssecretaris Cultuur en Media zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Prins (CDA), toe de mogelijkheid van het bundelen van de verplicht te investeren gelden van de streamers met de budgetten van de publieke omroep mee te nemen bij de reactie op het rapport van het Adviescollege Publieke Omroep (adviescollege-Van Geel).
| Nummer | T03755 |
|---|---|
| Status | voldaan |
| Datum toezegging | 24 oktober 2023 |
| Deadline | 1 januari 2025 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Staatssecretaris Cultuur en Media |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| Kamerleden | G. Prins (CDA) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | audiovisueel product publieke omroepen |
| Kamerstukken | Invoeren investeringsverplichting ten behoeve van Nederlands cultureel audiovisueel product (36.176) |
Handelingen I 2009-2010, nr. 4, item 3 - blz. 8.
Mevrouw Prins (CDA):
(…)
“Meneer de voorzitter. In september van dit jaar is het rapport Eenheid in veelzijdigheid, een pleidooi voor een weerbaar publiek omroepbestel verschenen. In dit rapport wordt het belang van een onafhankelijke en betrouwbare publieke omroep stevig voor het voetlicht gebracht. Vaststaat dat de publieke omroep hard moet concurreren met de streamers, die aanmerkelijk meer middelen hebben voor de productie van prachtige dure films en dramaseries. Is de staatssecretaris het met onze fractie eens dat het bundelen van de verplicht te investeren gelden van de streamers met de budgetten van de publieke omroep een goede zaak is? Is zij bereid toe te zeggen dat dit onderwerp ook nadrukkelijk aan de orde komt bij het bespreken van het genoemde rapport Eenheid in veelzijdigheid?
Handelingen I 2009-2010, nr. 4, item 10 - blz. 8.
Staatssecretaris Uslu:
“Ik ben nu bij het thema stapeling van middelen. Mevrouw Prins vraagt of ik het met de fractie van het CDA eens ben dat het bundelen van de verplicht te investeren gelden van de streamers met de budgetten van de publieke omroep een goede zaak is. Zij vroeg ook of ik bereid ben toe te zeggen dat dit onderwerp nadrukkelijk aan de orde komt bij het bespreken van het rapport Eenheid in veelzijdigheid van Pieter van Geel, als voorzitter.
Ik ben het inderdaad eens met de fractie van het CDA dat het bundelen van middelen een goede zaak is. Ik juich publiek-private samenwerking ook toe. Dit kan leiden tot grotere budgetten voor producties en ook tot meer kwaliteit. Daardoor wordt de concurrentiepositie van het Nederlandse aanbod ook beter. Ik ben hierover inmiddels al in gesprek met de publieke omroep. Ik ben ook bereid om dit punt mee te nemen met betrekking tot het rapport van het adviescollege-Van Geel.”
Brondocumenten
-
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2023/2024, nr. 4, item 10
-
behandeling Verslag EK 2023/2024, nr. 4, item 3
-
2 december 2025
nieuwe status: voldaan
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
2 juli 2024
nieuwe deadline: 1 januari 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Staatssecretaris Cultuur en Media -
20 juni 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de staatssecretaris van OCW over de stand van zaken met betrekking tot moties en toezeggingen bij investeringsverplichting voor grote streamers
Op 2 juli 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, D
-
-
24 oktober 2023
toezegging gedaan
Toezegging Bij evaluatieplan verschil investeringsverplichting bij commerciële mediadiensten op aanvraag en lineair meenemen (36.176) (T03757)
De staatssecretaris Cultuur en Media zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Veldhoen (GroenLinks-PvdA), toe om in het evaluatieplan mee te nemen dat de investeringsverplichting enkel geldt voor media-instellingen die commerciële diensten op aanvraag aanbieden en niet geldt voor het aanbieden van lineaire diensten, en te bezien of dit in de toekomst mogelijk aangepast moet worden.
| Nummer | T03757 |
|---|---|
| Status | openstaand |
| Datum toezegging | 24 oktober 2023 |
| Deadline | 1 juli 2026 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Staatssecretaris Cultuur en Media |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| Kamerleden | mr. G.V.M. Veldhoen (GroenLinks-PvdA) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | evaluatie |
| Onderwerpen | audiovisueel product investeringsverplichting mediadiensten omroepen |
| Kamerstukken | Invoeren investeringsverplichting ten behoeve van Nederlands cultureel audiovisueel product (36.176) |
Handelingen I 2023-2024, nr. 4, item 3 - blz. 3.
Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):
(…)
“Dan een aantal vragen over het voorstel. De investeringsverplichting geldt alleen voor een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt. Dit betekent dat een media-instelling die lineair uitzendt, niet onder deze wet valt. Waarom is deze keuze gemaakt? Waarom niet breder? Omroepen zijn natuurlijk van deze wet uitgezonderd, maar wie zegt dat media-instellingen die op dit moment op aanvraag een commerciële mediadienst verzorgen, dat in de toekomst niet ook lineair gaan doen? Waarom is deze keuze gemaakt? En is dit onderscheid gerechtvaardigd? Wat gebeurt er als een media-instelling straks beide doet, deels lineair, deels op aanvraag? Valt die dan onder deze wet of niet? Bij welk percentage wel en bij welk percentage niet? Graag een reactie.”
Handelingen I 2023-2024, nr. 4, item 10 - blz. 9.
Staatssecretaris Uslu:
(…)
“Mevrouw Veldhoen vraagt waarom omroepen niet onder de investeringsverplichting vallen. De publieke omroep en de commerciële zenders vallen inderdaad niet onder de investeringsverplichting. De bijdrage van deze partijen aan Nederlands cultureel audiovisueel aanbod is al groot. Commerciële omroepen zijn wettelijk verplicht om minimaal 40% van de zendtijd te vullen met oorspronkelijk Nederlands of Friestalig aanbod. Bij de publieke omroep is het onderdeel van de publieke taak zoals vastgelegd in de Mediawet. Er wordt door de publieke omroep circa 50 miljoen euro besteed aan Nederlandse films, series en documentaires. Grote VOD-diensten van commerciële media-instellingen zoals Videoland van RTL, vallen wel onder de investeringsverplichting.”
De voorzitter:
“Een interruptie van mevrouw Veldhoen.”
Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):
“Niet zozeer een interruptie maar een verduidelijking. Mijn vraag was niet waarom omroepen er niet onder vallen, want dat begrijp ik goed. Mijn vraag ging eigenlijk over de situatie waarin media-instellingen ook lineair gaan uitzenden. Het is nu al zo dat bijvoorbeeld Apple TV aangeeft van: op woensdag komt die aflevering van die serie online. Dat begint dan al een beetje te lijken op lineair kijken. Dus ik kan mij best voorstellen dat in de toekomst dit soort platformen ook lineair gaan uitzenden. Waarom is er in het wetsvoorstel niet gekozen voor überhaupt media-instellingen die dit soort diensten aanbieden, of het nou on demand of lineair is? Als media-aanbieders in de toekomst lineair gaan uitzenden, kan het zijn dat ze dan niet meer onder dit voorstel vallen.”
Staatssecretaris Uslu:
“Ik snap de vraag wel, maar ik denk dat wij hebben gedacht: laten we ons echt concentreren op de streamingdiensten. Het is inderdaad zo dat er verschillende manieren zijn en dat er hybride wordt uitgezonden, wat tevens een uitdaging is. We moeten dus zien hoe zich dat ontwikkelt en of dat echt iets is wat we moeten opnemen en moeten verwerken in bijvoorbeeld een wijziging. Ik denk dat we daar ook wel eventjes de tijd voor moeten nemen.”
Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):
“Ja, je zou kunnen denken, maar dat is misschien achteraf gepraat, dat het misschien beter was geweest om het open te laten waar het gaat om media-instellingen die dit soort commerciële diensten aanbieden, los van of het on demand of lineair is. Maar goed, dat station is gepasseerd. Is het misschien wel een idee om dit mee te nemen in de evaluatie om te kijken of het nodig is om dit aan te passen in de toekomst?”
Staatssecretaris Uslu:
“Het lijkt me sowieso een goed idee om ook dit onderdeel mee te nemen in het evaluatieplan dat ik u ga toezenden.”
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2023/2024, nr. 4, item 10
-
behandeling Verslag EK 2023/2024, nr. 4, item 3
-
2 december 2025
nieuwe deadline: 1 juli 2026
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
2 juli 2024
nieuwe deadline: 1 januari 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Staatssecretaris Cultuur en Media -
20 juni 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de staatssecretaris van OCW over de stand van zaken met betrekking tot moties en toezeggingen bij investeringsverplichting voor grote streamers
Op 2 juli 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, D
-
-
24 oktober 2023
toezegging gedaan
Toezegging Bij wetswijziging streektalen opnemen in artikel 3.29f van de Mediawet 2008 (36.176) (T03758)
De staatssecretaris Cultuur en Media zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Walenkamp (BBB), toe bij de eerstvolgende wetswijziging ‒ waarvoor zo snel als mogelijk een wetsvoorstel zal worden ingediend ‒ ook streektalen, zoals het Nedersaksisch en het Limburgs, in artikel 3.29f van de Mediawet 2008 op te nemen.
| Nummer | T03758 |
|---|---|
| Status | openstaand |
| Datum toezegging | 24 oktober 2023 |
| Deadline | 1 januari 2026 |
| Voormalige Verantwoordelijke(n) | Staatssecretaris Cultuur en Media |
| Huidige Verantwoordelijke(n) | Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| Kamerleden | drs. P.V.A. Walenkamp MA (Fractie-Walenkamp) |
| Commissie | commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | overig |
| Onderwerpen | audiovisueel product investeringsverplichting Limburgs Nedersaksisch |
| Kamerstukken | Invoeren investeringsverplichting ten behoeve van Nederlands cultureel audiovisueel product (36.176) |
Handelingen I 2023-2024, nr. 4, item 3 - blz. 2.
De heer Walenkamp (BBB):
(…)
“Het Nederlands en het Fries worden dus nu wel beschermd. Heel goed, maar wij hopen dus dat u dat voor die andere streektalen — ik verval in herhaling — ook wil doen. Een investeringsverplichting werkt volgens ons positiever voor de samenleving en de markt dan quota en heffingen. Ziet u dat ook zo of vindt u deze beschermende maatregelen juist zo belangrijk dat u de marktwerking wilt blokkeren? Hoe ziet u die verhouding? Dat lijkt me een dilemma. Is de regering ervan op de hoogte dat dat ook speelt in het maatschappelijk veld en in de markt? Een van de aanbevelingen in het rapport — we hebben het eerder genoemd, onderdeel 7.1.g — was dat het versterken van het gebruiken van het Limburgs in de media zeer wenselijk is. Daar stond ook dat het versterken van het gebruik van het Nedersaksisch in de media zeer wenselijk is. Nog meer reden om dit serieus te nemen. Dan vinden we het toch typisch dat dat blijkbaar in eerdere aanleg, in eerdere vragen niet is meegenomen. Waarom niet? Is de regering bereid om dit alsnog serieus te nemen? Is de regering alsnog bereid om die streektalen — en dan niet alleen de streektalen die ik heb genoemd, maar ook de andere — te helpen?”
Handelingen I 2023-2024, nr. 4, item 10 - blz. 6.
Staatssecretaris Uslu:
(…)
“Naast dit alles vraagt de heer Walenkamp of de investeringsverplichting ook kan zien op het Nedersaksisch en het Limburgs, omdat deze regionale talen net als het Fries ook zijn erkend op basis van het handvest van de Raad van Europa. Hoewel deze regionale talen een andere positie hebben in het handvest dan het Fries, ben ik toch bereid om toe te zeggen dat in de eerstvolgende wijziging van de Mediawet meegenomen wordt dat artikel 3.29f ook het Nedersaksisch en het Limburgs zal omvatten. Hiermee zal een film zoals De beentjes van Sint-Hildegard, waarin voor een groot deel Twents wordt gesproken, ook kunnen meetellen voor de investeringsverplichting.”
Handelingen I 2023-2024, nr. 4, item 10 - blz. 12.
Staatssecretaris Uslu:
(…)
“Dan om toch nog heel even een verwarring uit de lucht te halen met betrekking tot de streektalen en regionale talen. Om duidelijkheid te bieden: in dit wetsvoorstel wordt alleen Nederlands en Fries meegeteld. Ik heb het nog even moeten uitzoeken. Als we dit willen uitbreiden naar Nedersaksisch, Limburgs of streektalen, is een wetswijziging nodig. Dit komt omdat we ze formeel een andere status hebben gegeven dan het Fries en het Nederlands. Dat hebben wij gedaan. Als we die willen toevoegen, hebben we echt een wetswijziging nodig.”
Handelingen I 2023-2024, nr. 4, item 10 - blz. 13.
Staatssecretaris Uslu:
(…)
“Ik kan u toezeggen dat ik mijn best ga doen om dit zo snel mogelijk te wijzigen. De realiteit is dat dit niet binnen een halfjaar kan. Dat is hoe het werkt helaas. Of helaas, het is ook wel goed dat we dat zorgvuldig doen. Dat is een beetje de situatie met betrekking tot het tijdpad van een wetswijziging.”
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2023/2024, nr. 4, item 10
-
behandeling Verslag EK 2023/2024, nr. 4, item 3
-
2 december 2025
nieuwe deadline: 1 januari 2026
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 november 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
nieuwe verantwoordelijkheid: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
2 juli 2024
nieuwe deadline: 1 januari 2025
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
2 juli 2024
verantwoordelijkheid verlopen: Staatssecretaris Cultuur en Media -
20 juni 2024
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de staatssecretaris van OCW over de stand van zaken met betrekking tot moties en toezeggingen bij investeringsverplichting voor grote streamers
Op 2 juli 2024 voor kennisgeving aangenomen door de Eerste Kamercommissie voor OCW.
EK, D
-
-
24 oktober 2023
toezegging gedaan