Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Rappelabele toezeggingen minister voor Rechtsbescherming (Rappel voor juli 2018)



Dit is het rappel tot 02-07-18.

 




Toezegging Evaluatie opleggen taakstraffen (32.169) (T01429)

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Bijsterveld (CDA), toe om de vraag of de taakstraf een bijkomende straf zou moeten worden bij de evaluatie van het wetsvoorstel te betrekken.


Kerngegevens

Nummer T01429
Status voldaan
Datum toezegging 8 november 2011
Deadline 1 januari 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden prof. dr. S.C. van Bijsterveld (CDA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen strafrechtelijke sancties
straftoemeting
taakstraffen
Kamerstukken Beperking opleggen taakstraf voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij herhaling van misdrijven (32.169)


Uit de stukken

Handelingen I 2010-2011, nr. 6 - blz. 51-52

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

(...)

Wij hebben eerder gezegd dat wij achter de invoering van de wettelijke beperking staan ten aanzien van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en ook bij recidieven. In die zin staan wij ook achter het wetsvoorstel. De enige vraag die wij nog hebben, is of de staatssecretaris op termijn bereid is bij de evaluatie van dit wetsvoorstel nog eens onder ogen te zien of de taakstraf als hoofdstraf misschien kan worden afgeschaft en een bijkomende straf kan zijn bij een al of niet voorwaardelijke hoofdstraf.

Staatssecretaris Teeven:

(...)

Op de opmerking van mevrouw Van Bijsterveld kan ik zeggen dat ik dat onder ogen zal zien bij de evaluatie van dit wetsvoorstel. Wij zullen dan kijken hoe wij er verder mee moeten omgaan. Er is gevraagd wanneer de evaluatie van het wetsvoorstel komt. Om de effecten goed te evalueren, is in redelijkheid een periode van drie jaar na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel nodig. Dan zijn wij weer terug bij de drie jaar van voor de dinerpauze. De vraag of de taakstraf een bijkomende straf zou moeten worden, zal ik in de evaluatie betrekken. Die toezegging heeft mevrouw Van Bijsterveld.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Opschorten besluit over College van Afgevaardigden tot na evaluatie Herziening Gerechtelijke Kaart (32.891) (T01567)

De Minister van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Broekers-Knol (VVD), toe eventuele beslissingen over het College van Afgevaardigden op te schorten tot na de evaluatie van de wet Herziening Gerechtelijke Kaart.


Kerngegevens

Nummer T01567
Status voldaan
Datum toezegging 3 juli 2012
Deadline 1 juli 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden mr. A. Broekers-Knol (VVD)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen College van Afgevaardigden
evaluatie
Wet herziening gerechtelijke kaart
Kamerstukken Wet herziening gerechtelijke kaart (32.891)


Uit de stukken

EK 32891, E - blz. 19

minister Opstelten:

(...)

"De termijn van ten minste drie jaar, waarin het College van afgevaardigden nog niet wordt opgeheven, is gesteld met het oog op het belang van een goede wisselwerking tussen de juridische professionals die werkzaam zijn binnen de gerechten en de Raad voor de rechtspraak in de aanloopfase van de herziening van de gerechtelijke kaart. Het uiteindelijke tijdstip van inwerkingtreding van de bepaling waarmee het College wordt opgeheven, dient bij koninklijk besluit te worden bepaald (artikel CXLV, tweede lid, van het wetsvoorstel). De termijn van drie jaar biedt voor wijzigingen als de onderhavige normaal gesproken voldoende periode om in de praktijk de omschakeling te maken naar de nieuwe situatie. Ik lees de vraag van de leden van de VVD-fractie aldus, dat zij voorstellen om de daadwerkelijke opheffing van het college van afgevaardigden te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de wet over vijf jaar. Ik ben genegen om aan dit voorstel tegemoet te komen. Bij die evaluatie kunnen de door het College in zijn brief van 9 mei 2012 genoemde punten worden betrokken. De evaluatie biedt de mogelijkheid om te zijner tijd te bezien of, zoals thans wordt verwacht, de functies die bij het College berusten reeds langs andere wegen voldoende worden vervuld. Pas na de evaluatie zal worden besloten over het al dan niet opheffen van het College."

Handelingen I, 2011-2012, nr. 36 - blz. 6

Mevrouw Broekers-Knol (VVD)

"De VVD-fractie is verheugd dat de minister in de nadere memorie van antwoord heeft toegezegd dat eventuele beslissingen over het College van Afgevaardigden worden opgeschort tot na de evaluatie over vijf jaar. Juist in het nieuwe bestuursmodel is naar de mening van de VVD-fractie een belangrijke rol weggelegd voor het College van Afgevaardigden."


Brondocumenten


Historie







Toezegging Uiterlijk eind 2013 handleiding gereed voor omgang met verzoeken tot nadeelcompensatie (32.621) (T01662)

De Minister van Veiligheid & Justite zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Broekers-Knol en Lokin-Sassen, toe om samen met de minister van BZK deskundigen te benoemen die nog in 2013 in goed overleg een breed gedragen handleiding zullen maken voor de omgang met verzoeken tot nadeelcompensatie. 


Kerngegevens

Nummer T01662
Status voldaan
Datum toezegging 29 januari 2013
Deadline 1 juli 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie (Hoofdverantwoordelijke)
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming (Hoofdverantwoordelijke)
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden mr. A. Broekers-Knol (VVD)
Mr. P.E.M.S. Lokin-Sassen (CDA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen compensatie
nadeel
overheid
rechtmatigheid
Kamerstukken Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (32.621)


Uit de stukken

Handelingen I 2012/13, nr. 15 - blz. 3

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA): Het wetsvoorstel geeft tamelijk gedetailleerd aan wanneer benadeelden geen recht op nadeelcompensatie hebben, zie artikel 4:126, maar de wetgever geeft in dit voorstel geen aanknopingspunten wanneer men in beginsel redelijkerwijs wel in aanmerking kan komen voor nadeelcompensatie. Nu is het inderdaad niet eenvoudig daarvoor criteria op te stellen. Een vast percentage van de gederfde winst is in de praktijk een ondeugdelijk criterium gebleken, dat tot creatief boekhouden heeft geleid. Maar ook de door de rechtspraak wel gehanteerde drempel van 15% van de jaaromzet, over drie referentiejaren, waar beneden geen nadeelcompensatie wordt toegekend, is eveneens in zijn algemeenheid een onjuist criterium, dat disproportioneel nadelig kan uitpakken. Daarmee wil niet gezegd zijn dat de ondernemer niet een deel van de schade, bedoeld wordt daarmee: van de gederfde inkomsten, voor eigen rekening zou moeten nemen, maar wel dat een percentage van 15 tot soms 25 hier wel leidt tot onrechtvaardige uitkomsten. Naar het oordeel van onze fractie moeten er objectiveerbare criteria worden ontwikkeld op basis waarvan ondernemers vooraf kunnen inschatten of ze in beginsel in aanmerking kunnen komen voor nadeelcompensatie. In hun brief van 15 januari 2013 aan de minister van Veiligheid en Justitie pleiten VNO-NCW en MKB-Nederland er naar ons oordeel dan ook terecht voor, deskundigen te benoemen die een systeem moeten uitwerken dat tot redelijke en voorspelbare uitkomsten leidt tegen ook voor de ondernemers acceptabele kosten. Te denken valt bijvoorbeeld aan een eenmalig project, uit te voeren door onafhankelijke deskundigen uit praktijk en wetenschap op het gebied van nadeelcompensatie, mensen die verstand hebben van accountancy, logistiek en bedrijfseconomie, met name ook binnen het mkb.

Uiteraard blijft het de bevoegdheid van de bestuursrechter om te toetsen aan de in artikel 4:126 genoemde criteria, maar ook de rechter zal gediend zijn met heldere criteria op basis waarvan een eventuele schade kan worden vastgesteld. Is de minister bereid toe te zeggen om op korte termijn, dat wil zeggen binnen drie maanden tot een half jaar maximaal, een dergelijke onafhankelijke commissie van deskundigen te benoemen die de opdracht krijgt objectiveerbare criteria voor een dergelijk systeem uit te werken?

Handelingen I 2012/13, nr. 15 - blz. 5-6

Mevrouw Broekers-Knol (VVD): Kortom – zo laat het GPKL ons weten – er bestaat grote behoefte aan duidelijkheid over de betekenis van titel 4.5 van het wetsvoorstel voor concrete normen inzake verlegcompensatie van de decentrale overheid. Als blijkt dat titel 4.5 geen ruimte biedt voor concrete normen in decentrale regelgeving, zou het zeer gewenst zijn dat er een landelijke publiekrechtelijke regeling voor verlegcompensatie komt. Hoe beoordeelt de minister dit? Is de minister bereid om vanuit de centrale overheid hiertoe het initiatief te nemen?

(...)

VNO-NCW en MKB-Nederland doen in hun brief dan ook een dringend beroep op de minister om deskundigen te benoemen die een systeem kunnen uitwerken dat leidt tot redelijke en voorspelbare uitkomsten tegen acceptabele kosten. De VVD-fractie ondersteunt deze oproep van VNO-NCW en MKB-Nederland. Namens mijn fractie vraag ik dan ook aan de minister of hij de door de organisaties geschetste problemen onderkent. Is de minister bereid om het verzoek van de organisaties te honoreren en deskundigen te benoemen die een helder systeem uitwerken?

Handelingen I 2012/13, nr. 15 - blz. 53

Minister Opstelten: Ik kom op de vraag van mevrouw Lokin en mevrouw Broekers of ik bereid ben om deskundigen te benoemen die een systeem kunnen uitwerken dat leidt tot redelijke en voorspelbare uitkomsten voor aanvragers van nadeelcompensatie tegen acceptabele kosten. Ik heb gewikt en gewogen in de loop van deze dag. Ik had daarvoor ook even de tijd. Ik ben het met hen eens dat het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid belangrijk is dat de uitkomsten van nadeelcompensatieverzoeken redelijk en voorspelbaar zijn. Ook ben ik het ermee eens dat de transactiekosten zo laag mogelijk moeten zijn. Ik ben het dus van harte eens met mevrouw Lokin en mevrouw Broekers en hun suggestie. Ik wil daarom samen met collega Plasterk, die vandaag ook hier aanwezig is maar voor een ander wetsvoorstel, met het bedrijfsleven en de bestuursorganen – VNO-NCW, VNG, IPO – een breed gedragen handleiding maken voor de omgang met verzoeken om nadeelcompensatie. Uiteraard zullen daarbij ook deskundigen betrokken worden. Ik zeg dat mevrouw Lokin en mevrouw Broekers graag toe. De problematiek is ingewikkeld.

De voorzitter: Mevrouw Broekers wil interrumperen, maar ik laat de minister even zijn zin afmaken.

Minister Opstelten: Ik heb het vermogen om direct te stoppen en vervolgens toch nog een lopende zin te maken. Als ik de zin had vervolgd, dan had die echter ook gelopen. Ik herhaal: het is een ingewikkelde problematiek en er zijn veel partijen bij betrokken. Ik vraag er begrip voor dat dit niet van vandaag op morgen is geregeld. Ik verwacht wel nog dit jaar met een resultaat te komen.

Mevrouw Broekers-Knol (VVD): Het leek net alsof de minister toch nog verder ging met zijn zin, maar nu is er toch een natuurlijke pauze gekomen. Wij zijn zeer blij met de toezegging van de minister. Geldt die ook voor het Gemeentelijk Platform Kabels en Leidingen? Wordt dat in één klap meegenomen?

Minister Opstelten: Jazeker, daarvoor zal het ook gelden. Dat nemen wij mee. Daarom heb ik alleen maar een korte opsomming van de groeperingen gegeven, waaronder de VNG en het IPO. Daarbij hoort ook het Gemeentelijk Platform Kabels en Leidingen dat door de VNG is ondersteund, zoals mevrouw Broekers ook aangaf in haar betoog.

Handelingen I 2012/13, nr. 15 - blz. 56

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA): Ik ben blij met de toezegging van de minister, die de door mij gevraagde termijn van een halfjaar heeft verdubbeld en die nu binnen één jaar zal komen met de richtlijnen waaruit voor de potentiële benadeelden blijkt wanneer zij wel en niet in aanmerking zouden kunnen komen voor nadeelcompensatie en waarbij duidelijke objectiveerbare criteria kunnen worden gehanteerd. Dank daarvoor. Dat is al heel wat.

Mevrouw Broekers-Knol (VVD): Dank aan de minister voor zijn antwoord. Het is mooi dat hij toezegt dat hij bereid is om een commissie van deskundigen in het leven te roepen die een handleiding gaat opstellen, overigens samen met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dat is prachtig. Dit is zowel naar aanleiding van de problemen die het Gemeentelijk Platform Kabels en Leidingen constateert als naar aanleiding van de brief van VNO-NCW en MKB Nederland. Het zijn in beide gevallen, ook in het geval van het GPKL, waarschijnlijk ondernemers, maar het is toch nog wel een heel verschil of je het hebt over de ondernemers in het midden- en kleinbedrijf, over de VNO-ondernemers of over de verlegcompensatie voor kabels. Hoe kijkt de minister aan tegen één commissie van deskundigen die twee verschillende vormen van problematiek gaat benaderen? Het mag niet gebeuren dat de handleiding maar niet tot stand kan komen omdat er geen consensus te vinden is vanwege problemen in een van de onderdelen, bijvoorbeeld dat van het GPKL. Dat zou heel jammer zijn. Voor mij zitten er in die commissie van deskundigen twee subclubs: een die zich vooral bezighoudt met de publiekrechtelijke kant van de zaak en een die zich meer bezighoudt met de privaatrechtelijke kant. Die publiekrechtelijke kant is dan het GPKL en de privaatrechtelijke kant meer VNO-NCW en MKB-Nederland. Ik hoop dat de minister hier nog even op kan reageren.

(...)

Ik hoor de minister zeggen dat hij nog dit jaar – mevrouw Lokin dacht "over een jaar", maar wat de minister zei was iets gunstiger – met die handleiding kan komen. Ik denk dat dit ongelooflijk belangrijk is. De ontwikkelingen staan immers niet stil. Overal gaan wegen open en worden zaken aan de orde gesteld. Het is dan ook belangrijk dat er niet te lang over gedaan wordt. Ik mag hopen dat de minister ervoor zorgt dat die handleiding er nog dit jaar is.

Handelingen I 2012/13, nr. 15 - blz. 57

Minister Opstelten: Tegen mevrouw Broekers zeg ik dat het niet gaat om één handleiding die voor alles geldt; daarvoor zijn de situaties te verschillend. Het is maatwerk. Ik zal het dan ook niet binnen drie maanden of een halfjaar kunnen doen. Het moet dit kalenderjaar, dus ongeveer binnen een jaar. We hebben te maken met verschillende groeperingen. Ik sluit een subcommissie niet uit, want wij moeten zowel het midden- en kleinbedrijf en VNO-NCW maar ook het platform van de gemeentelijke kabels en leidingen erbij betrekken, dat moge duidelijk zijn. Dit wordt een kwestie van goed overleg.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evaluatie wetsvoorstel over vijf jaar (32.044) (T01696)

De minister van Veiligheid & Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Quik-Schuijt en Strik, toe het wetsvoorstel over vijf jaar te evalueren.


Kerngegevens

Nummer T01696
Status openstaand
Datum toezegging 26 maart 2013
Deadline 1 januari 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden mr. A.C. Quik-Schuijt (SP)
mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen evaluatie
Wet herziening ten nadele
Kamerstukken Wet herziening ten nadele (32.044)


Uit de stukken

Handelingen I 2012-2013, nr. 22 - blz. 32

Mevrouw Quik-Schuijt (SP): Ik zou een evaluatie op termijn heel erg op prijs stellen. Dan kan worden bekeken hoe daarmee wordt omgegaan. Misschien wil de minister daar ook nog iets over zeggen.

Mevrouw Strik (GroenLinks): Mevrouw Quik vroeg om een evaluatie. Dit punt is eerder aan de orde geweest. De minister zei toen dat er bij een evaluatie na drie jaar misschien helemaal geen zaak is om te evalueren. Zojuist sprak de minister echter over een tiental zaken dat wellicht in aanmerking komt.

Handelingen I 2012-2013, nr. 22 - blz. 34

Minister Opstelten: Laat ik duidelijk zijn over de evaluatie. Het lijkt mij relevant om die te doen over een periode van vijf jaar. Dit soort wetsvoorstellen kun je niet in een kortere periode evalueren, want dan gaan wij wellicht één zaak met elkaar behandelen. Dat moeten wij niet doen. Daarbij kunnen ook de in dit debat naar voren gekomen punten die ik niet deel aan de orde komen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Kamer informeren over uitkomst gesprekken met Raad voor de rechtspraak over signalen t.a.v. bureaucratisering en kloof met de werkvloer (34.300 VI) (T02287)

De Minister van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer toe, naar aanleiding van opmerkingen van het lid Ruers (SP) en Duthler (VVD), te informeren over uitkomst gesprekken met Raad voor de rechtspraak over signalen t.a.v. bureaucratisering en kloof met de werkvloer.


Kerngegevens

Nummer T02287
Status afgevoerd
Datum toezegging 15 december 2015
Deadline 1 juli 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden mr. dr. A.W. Duthler (Fractie-Duthler)
mr.dr. R.F. Ruers (SP)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen bureaucratie
kantoorruimte
ketenpartners
kloof
Raad voor de rechtspraak
rechters
werkvloer
Kamerstukken Begrotingsstaten Veiligheid en Justitie 2016 (34.300 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr. 13, item 9- blz. 19

De heer Ruers (SP):

Ik hoorde de minister enige tijd geleden zeggen dat er een bezuiniging te halen was bij de rechtspraak in verband met die 100.000 m2 kantoorruimte die leegstaat. Dat is een inte-ressant punt. Ik heb dat de Raad voor de rechtspraak ook horen vertellen in het overleg dat hij onlangs met de commissie heeft gevoerd. Ook heb ik dat met een aantal rechters in de rechtbank Utrecht besproken. Zij reageerden daar heel anders op: "Veel? Wij hebben juist te weinig! Wij hebben heel kleine kamertjes en we zitten daar met twee rechters. Je kunt het zelf zien; het is hier hartstikke vol. We snappen niet hoe de Raad voor de rechtspraak of iemand anders tot die 100.000 m2 komt." Eén van de rechters zei daarop: "Volgens mij gaat zo. Als ik om 9.00 uur binnenkom en om 9.30 uur ga zitten, word ik kennelijk om 9.30 uur uitgeboekt. Dan staat die kamer leeg. Als ik terugkom is de kamer weer bezet. Op die manier wordt gemeten." Ik weet niet of het waar is, want ik heb het zelf niet kunnen nakijken, maar hier zie je maar weer hoe belangrijk het is dat uzelf rechtstreeksmet die rechters overlegt. Er leeft een totaal ander beeld over de leegstand dan hier wordt geponeerd met een gemak van: o, daar kunnen we geld terughalen. Ik zou zeggen: ga eens op onderzoek uit.

Handelingen I 2015-2016, nr. 13, item 9- blz. 19

Minister Van der Steur:

Ik heb al gezegd dat het zeker niet aan mij is om over de individuele grootte van de kamers van de rechtbank met individuele rechters te spreken. Dat hoort niet tot mijn taakvervulling. De heer Ruers maakt het algemene punt dat de Raad voor de rechtspraak op een manier rekent die zijn achterban niet herkent. Dat punt neem ik mee. Mij lijkt dat ik dit signaal wel even bij de raad kan neerleggen.

Handelingen I 2015-2016, nr. 13, item 9- blz. 26

Mevrouw Duthler (VVD):

De minister stelt ook dat hij de signalen over bureaucratisering en de rol van de rechtspraak met de Raad voor de rechtspraak zal bespreken, en de Kamer daarover zal informeren. Dat vind ik een curieuze zinsnede. Natuurlijk is het prima om de Raad voor de rechtspraak in dezen als gesprekspartner te zien. Mij lijkt het echter ook belangrijkom met anderen dan de Raad voor de rechtspraak hierover te communiceren. Mijn fractie verzoekt de minister dan ook om de signalen over die bureaucratisering niet alleen met de Raad voor de rechtspraak te bespreken, maar ook met andere spelers in het veld van de rechtspraak. Dat is punt één.

Handelingen I 2015-2016, nr. 13, item 9- blz. 30

De heer Ruers (SP):

Ik kom op de positie van de Raad voor de rechtspraak. In de schriftelijke beantwoording is de minister ingegaan opvragen van de VVD-fractie. De VVD-fractie was daar al niet blij mee, maar ik ben er helemaal niet blij mee. De minister schrijft: "De positie en taakopdracht van de Raad komen als zodanig niet aan de orde, omdat de Wet herziening gerechtelijke kaart daar geen verandering in heeft gebracht. De raad is immers niet ingesteld bij de Wet HGK, maar bij de Wet raad voor de rechtspraak. De evaluatie daarvan heeft al eerder plaatsgevonden en heeft geleid tot de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie in 2011. De signalen over bureaucratisering en de rol van de Raad voor de rechtspraak zal ik met de raad bespreken en de Kamer daarover informeren." Ik heb daar ook vragen over gesteld en daarop heeft de minister het iets anders toegelicht. Dit is niet het antwoord op mijn vragen en evenmin een reactie op het probleem. Ik dacht dat ik duidelijk gemaakt had dat er een gigantische kloof ligt tussen de raad en de mensen op de werkvloer. Als de minister met de raad gaat praten, zal hij missen wat er op de werkvloer gebeurt. De minister moet zich goed realiseren dat de situatie veel ernstiger is dan hij denkt. Ik houd hem de uitspraak van Tjeenk Willink voor dat de raad "het vuile werk voor de minister opknapt". Zo ernstig is het in de ogen van onze oud-voorzitter, toch niet de minste onder de juristen in Nederland. Kan de minister de mening van Tjeenk Willink onderschrijven en zo nee, waarom niet?

Handelingen I 2015-2016, nr. 13, item 9- blz. 34

Minister Van der Steur:

Mevrouw Duthler heeft ook gevraagd naar signalen over bureaucratisering. Zij vroeg mij of ik de bureaucratisering en de rol die de Raad voor de rechtspraak daarin heeft ook met anderen kan bespreken. De signalen die ik van de Kamer heb gekregen, heb ik goed begrepen en ik heb er goed naar geluisterd. Ik zal daar uiteraard over spreken met de raad. Dat geldt voor meerdere onderwerpen, ook voor het onderwerp waar de heer Ruers mij op gewezen heeft. Dat is mijn primaire gesprekspartner op dit terrein, maar ik kan uiteraard ook in mijn gesprekken met andere ketenpartners, bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie maar ook de Nederlandse Orde van Advocaten en misschien zelfs de Nationale Politie, ophalen welke signalen zij hebben op dit punt. Als die signalen er zijn, zal ik die uiteraard doorgeven aan de Raad voor de rechtspraak.

Handelingen I 2015-2016, nr. 13, item 9- blz. 34

Mevrouw Duthler (VVD):

Misschien nog een suggestie: de gerechtsbesturen opnemen in het rijtje dat u net noemde.

Handelingen I 2015-2016, nr. 13, item 9- blz. 34

Minister Van der Steur:

Dat is lastig, want daarmee zou ik echt mijn bevoegdheid overstijgen. De gerechtsbesturen zijn in principe op grond van de wet niet mijn aanspreekpunt. Natuurlijk staat het mij vrij om met individuele rechters van gedachten te wisselen, maar ik zou de Raad voor de rechtspraak erg passeren als ik als minister met de gerechtsbesturen zou praten. Dat heb ik ook tegen de heer Ruers gezegd. Ik zal uiteraard de signalen met de Raad voor de rechtspraak bespreken, maar ik vind echt dat ik, ook in dit huis, aan de staatsrechtelijke voorwaarden moet hechten.

Handelingen I 2015-2016, nr. 13, item 9- blz. 34

Mevrouw Duthler (VVD):

En de NVvR?

Handelingen I 2015-2016, nr. 13, item 9- blz. 34

Minister Van der Steur:

De NVvR is een rechtstreekse gesprekspartner van mij in het kader van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Het staat mij volledig vrij om daar altijd mee te spreken. Dat doe ik ook met plezier.

Handelingen I 2015-2016, nr. 13, item 9- blz. 34

De heer Ruers (SP):

Ik heb een heel korte vraag aan de minister. Ik begrijp de staatsrechtelijke positie die hij inneemt, maar misschien is het een oplossing als hij even praat met de raad en netjes toestemming vraagt om toch met de rechters te mogen spreken.

Handelingen I 2015-2016, nr. 13, item 9- blz. 34

Minister Van der Steur:

De raad zal nooit bezwaar maken tegen gesprekken die ik als individu heb met individuele rechters. Dat komt ook wel voor. Ik ken zelfs rechters, dus het komt zomaar voor. Maar dat is iets anders dan dat ik in mijn staatsrechtelijke positie als minister van Veiligheid en Justitie met individuele rechters ga spreken.

Handelingen I 2015-2016, nr. 13, item 9- blz. 40

Minister Van der Steur:

De heer Ruers heeft herhaald dat de zorg die breed in deze Kamer wordt gedeeld ook door de SP is uitgesproken. Ik bevestig dat. Ik zal doen wat ik heb toegezegd ten aanzien van de kloof tussen de Raad voor de rechtspraak en de werkvloer. Dat zal ik met de raad bespreken op de manier die ik de heer Ruers en andere woordvoerders heb toegezegd. Hij vroeg of ik de mening van de heer Tjeenk Willink onderschrijf. Hij zal begrijpen dat dit niet het geval is, want dan zou ik ander beleid moeten voeren. Desondanks waardeer ik het natuurlijk enorm dat de heer Tjeenk Willink zijn visie vanuit zijn kennis en expertise, zij het niet recentelijk nog als rechter, met de samenleving wil delen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Gesubsidieerde rechtsbijstand (34.775) (T02489)

De Minister van Algemene Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden De Graaf (D66), Kox (SP) en Strik (GroenLinks), toe een brief naar de Kamer te sturen over de uitvoerbaarheid van het rapport van de Commissie evaluatie puntentoekenning gesubsidieerde rechtsbijstand binnen de bestaande kaders.


Kerngegevens

Nummer T02489
Status voldaan
Datum toezegging 5 december 2017
Deadline 1 januari 2019
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Mr. Th.C. de Graaf (D66)
M.J.M. Kox (SP)
mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen rechtsbijstand
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 10, item 3 - blz. 20

De heer Kox (SP): Komend voorjaar hervatten we ons debat met de regering over de staat van de rechtsstaat. We hopen dat een breed gedeeld inzicht dat we onze rechtsstaat, die her en der door de bodem dreigt te zakken, met alle kracht moeten onderhouden en beschermen, door de regering aangevuld wordt met daadwerkelijke bijstelling van beleid waar dat nodig mocht blijken, zoals extra geld voor de gefinancierde rechtshulp, om de toegang tot rechter en rechtshulp voor iedere Nederlander overeind te houden. Wil de regering ons hier de hand reiken?

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 10, item 3 - blz. 29

Mevrouw Strik (GroenLinks): Onlangs zijn ook zorgen uitgesproken over de gefinancierde rechtsbijstand. De commissie-Van der Meer heeft becijferd dat er 127 miljoen extra bij moet om de gefinancierde rechtsbijstand op peil te houden. Bent u daarin ook een bondgenoot, om te bezien of wij daarin kunnen voorzien? Omdat dat natuurlijk ook een fundamenteel onderdeel is van de rechtsstaat

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 3 - blz. 17-18

Minister Rutte: Wat overigens de inhoud ervan betreft, formuleert het regeerakkoord een duidelijke opdracht inzake de rechtsbijstand. Het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand wordt herzien en vormgegeven langs de lijnen van de commissies-Wolfsen en -Van der Meer. De bestaande budgettaire kaders worden gehandhaafd. Er worden geen rechtsgebieden uitgesloten. Het doel is een stelsel waarbinnen kwalitatief goede rechtsbijstand wordt geleverd daar waar dat nodig is, door de rechtsbijstandsverlener die daarvoor het meest is aangewezen. Soms kan dat een juridisch loket zijn, soms is het een gespecialiseerde advocaat of een mediator. En daar gaan we dus nu aan werken langs de lijnen die uiteengezet zijn in het regeerakkoord. Het plan is dat de minister voor Rechtsbescherming zo rond de zomer van 2018 de Kamer daarover zal informeren.

De heer De Graaf (D66): Die tekst uit het regeerakkoord is bekend. Ik heb niet voor niets net gezegd dat die wat ons betreft wel wat zuinig is, juist omdat er staat "de bestaande budgettaire kaders". Eigenlijk moet je concluderen dat het rapport-Van der Meer moeilijk uitvoerbaar is binnen de bestaande kaders. Daar zit nou net de angel. Ik zou in ieder geval het kabinet willen vragen, in het bijzonder de minister voor Rechtsbescherming ... Ik zei net rechtshandhaving, maar dat zit volgens mij nou net bij die andere minister.

Minister Rutte: Rechtsbescherming.

De heer De Graaf (D66): Ja, Rechtsbescherming. De vraag ik om toch nog even ook naar deze Kamer een brief te sturen hoe hij denkt dat de commissie-Van der Meer wel kan worden uitgevoerd binnen dat bestaande kader.

Minister Rutte: Of dat we het betrekken bij het wetsvoorstel of bij de uitwerking van de plannen. Ik hoor wat de heer De Graaf zegt, maar ik kan hier natuurlijk niet ... De minister voor Rechtsbescherming en ik denk ook de minister van Justitie en Veiligheid zullen dolblij zijn met deze oproep voor meer geld, maar ik moet natuurlijk ook even de financiële balans in het hele kabinet in de gaten houden, zeker nu de penningmeester er niet is. Dus ik snap dit verzoek. Ik kan daar nu niets over zeggen, maar ik heb er goed naar geluisterd.

De heer De Graaf (D66): Ik ben blij dat de minister-president mijn woorden zo interpreteert dat het al gelijk een oproep voor meer geld was. Dat was eigenlijk niet eens de bedoeling.

Minister Rutte: Oh.

De heer De Graaf (D66): Ik vroeg alleen maar of het kabinet, bij monde van de minister voor Rechtsbescherming, nog eens kan uitleggen of binnen die bestaande kaders dat rapport-Van der Meer daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. Als je nu al op voorhand tot de conclusie komt dat dat niet kan, dan ben ik het helemaal met u eens dat er meer geld bij moet.

Minister Rutte: Dit is nog verstandiger, voorzitter. Ik ruik een tweetrapsraket, waarbij stufe 1 is om te kijken hoe de bestaande budgettaire kaders zich verhouden tot de onderzoeken, zonder al vooruit te lopen op een tweede stap. Dat is nog beter en nog verstandiger, maar goed: de minister heeft geluisterd. Bij gelegenheid.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 6 - blz. 3

De heer Kox (SP): Ten tweede is het fijn om te horen dat de minister-president bereid is om in het kader van de toegang tot het recht en de rechtshulp na te gaan of de middelen die de commissie-Van der Meer verlangt voor de gefinancierde rechtshulp, ook afdoende zijn, en daar zo nodig verder naar te kijken. Daarvoor dank.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 6 - blz. 8

Mevrouw Strik (GroenLinks): Voorzitter. Rest mij nog te zeggen dat ik blij ben met de toezegging om onderzoek te doen naar de rechtsbijstand en naar verdere ondersteuning van de Raad van Europa.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Inzet extra middelen strafrechtketen (34.775) (T02491)

De Minister van Algemene Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Barth (PvdA), toe haar in de eerste helft van 2018 te informeren over de inzet van extra middelen voor de strafrechtketen.


Kerngegevens

Nummer T02491
Status voldaan
Datum toezegging 5 december 2017
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid (Hoofdverantwoordelijke)
Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Drs. M.A.M. Barth (PvdA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen budget
ICT
strafrechtketen
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 3 - blz. 19-20

Mevrouw Barth (PvdA): Ik had hem in mijn eerste termijn nog een aantal vragen gesteld over de situatie in de strafrechtketen in brede zin. Ik heb hem vragen gesteld over ziekteverzuim bij Openbaar Ministerie en rechterlijke macht, de toestroom en de interesse voor het beroep. Ik heb gevraagd hoe het staat met ICT-projecten, communicatie en uitwisseling tussen politie, Openbaar Ministerie en rechters en hoe het staat met de oplegging en executie van taakstraffen. Wij hebben geconstateerd dat er wel in de nationale politie wordt geïnvesteerd, maar niet of nauwelijks in de zittende en staande magistratuur en wij maken ons zorgen over de kwaliteit van de strafrechtketen als geheel.

Minister Rutte: Ik heb een deel van de vragen beantwoord, over de bedragen oplopend tot 20 miljoen structureel voor de keten. Op basis daarvan zullen ook de nodige passende maatregelen op ICT-gebied worden genomen, waaronder de overdracht van een zaak naar de rechterlijke macht. Het zal nog wel enige tijd duren voordat al die keteneffecten precies zichtbaar worden. Ik dacht deze thema's deels ook te hebben behandeld in een aantal opmerkingen over het functioneren van de rechtsstaat. Maar ik hoor ook een paar vragen die ik hier niet in mijn stapeltje heb zitten. Ik kijk even of er ambtelijk goed is meegeluisterd, want dan pak ik die in de tweede termijn even terug. Die zitten er nu niet bij.

De voorzitter: Dat komt in de tweede termijn.

Mevrouw Barth (PvdA): Dat is prima, voorzitter. Ik heb ook om een aantal cijfermatige ontwikkelingen gevraagd. Het is ook prima als de minister-president ons die later op papier aanlevert.

Minister Rutte: Ik ga proberen om het mondeling te doen, want we hebben natuurlijk niet al die ambtenaren meegenomen om brieven te versturen, maar als het niet anders kan gaan we er toch eentje zoeken die een brief maakt. Maar we gaan kijken wat er in tweede termijn mondeling kan. We analyseren nog even de inbreng van mevrouw Barth op dit punt.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 6 - blz. 12

Minister Rutte: Dan de vraag over de verbetering van de ICT-systemen en de kwaliteit van communicatie en overdracht tussen politie, OM en rechterlijke macht. Over het bestuurlijk ketenberaad van de strafrechtketen is de Tweede Kamer op 28 juni van dit jaar geïnformeerd. In het kader van het ambitietraject is de ontwikkeling van de keteninformatievoorziening als een van de prioriteiten benoemd. In de eerste helft van 2018 worden de precieze doelstellingen en prioriteiten op het gebied ter besluitvorming aan het kabinet voorgelegd. Dat betekent dat op dat moment ook de op grond van het regeerakkoord beschikbaar gestelde middelen ter beschikking komen die hiervoor worden ingezet. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de digitalisering van de werkprocessen. Daarover wordt de Tweede Kamer, en gezien de vraag die hier gesteld is ook de Eerste Kamer in afschrift, nader in de eerste helft van 2018 geïnformeerd.


Brondocumenten


Historie







Toezegging e-Court (T02537)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Lokin-Sassen (CDA), toe haar collega voor Rechtsbescherming te vragen de brief over e-Court ook naar de Eerste Kamer te sturen.


Kerngegevens

Nummer T02537
Status voldaan
Datum toezegging 13 februari 2018
Deadline 1 juli 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Mr. P.E.M.S. Lokin-Sassen (CDA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen e-Court
toegang tot de rechter
Kamerstukken Opnemen van een bepaling over het recht op een eerlijk proces in de Grondwet (34.517)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 19, item 10 - blz. 15

Minister Ollongren: De heer Ruers sprak over e-Court. Het werd trouwens ook door anderen genoemd. Is dat nou een belemmering in de toegang tot de rechter? Sommigen van u maken zich daar zorgen om. Ook naar aanleiding van berichtgeving hierover in diverse media heeft mijn collega minister Dekker een brief toegezegd aan de Tweede Kamer. Die brief komt er dus aan.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 19, item 10 - blz. 17

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA): Dank u wel, voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Zij had het over een brief van minister Dekker over e-Court. Zou de Eerste Kamer ook daarvan eventueel een afschrift kunnen krijgen?

(...)

Minister Ollongren: Heel praktisch vroeg mevrouw Lokin zonet om aan collega Dekker door te geven dat ook u graag de brief over e-Court wilt ontvangen. Dat kan ik natuurlijk doen. Vanzelfsprekend zal ik daarvoor zorgen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Toezending strategie met betrekking tot digitalisering van de samenleving (34.775 VI) (T02605)

De Minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Strik, Van Bijsterveld en Duthler, toe voor de zomer een strategie te formuleren met betrekking tot de digitalisering van de samenleving.


Kerngegevens

Nummer T02605
Status voldaan
Datum toezegging 22 mei 2018
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden prof. dr. S.C. van Bijsterveld (CDA)
mr. dr. A.W. Duthler (Fractie-Duthler)
mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen digitalisering
modernisering
Staat van de rechtsstaat
strategie
visie
Kamerstukken Begrotingsstaten Justitie en Veiligheid 2018 (34.775 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 3, pg. 12

Mevrouw Strik (Groenlinks):

Voorzitter. Het Rathenau Instituut concludeerde alweer enige tijd geleden dat de toenemende digitalisering belangrijke publieke waarden als gelijke behandeling, privacy, autonomie en menselijke waardigheid onder druk zet. Het is hoog tijd om de fundamentele impact van digitalisering op de samenleving te onderkennen en ervoor te zorgen dat publieke waarden en grondrechten in het digitale tijdperk worden geborgd. Mijn fractie is daarom blij met de aankondiging van de minister om onderzoek uit te zetten naar de impact van algoritmen en naar de borging van onze publieke waarden in het digitale tijdperk. Worden deze onderzoeken in interdepartementale afstemming uitgezet? Wordt de rol van toezichthouders ook betrokken bij deze onderzoeken? En welke planning voorziet de minister voor de komende jaren: zet hij erop in om nog deze kabinetsperiode de studies te benutten voor een kabinetsvisie en voor een eventuele invoering van maatregelen? Op welke wijze betrekt de regering het parlement bij de noodzakelijke reflectie op de governance van de maatschappelijke en ethische digitaliseringsvraagstukken?

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 2

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Voorzitter. Ik ga nog even specifieker in op digitalisering. De voorzitter van de WRR, mevrouw Prins, heeft tijdens de deskundigenbijeenkomst in de Eerste Kamer de relatie tussen digitalisering en de rechtsstaat indringend aan de orde gesteld. Zij noemde ontwikkelingen als oneigenlijk gebruik of misbruik van data in handen van monopolisten, digitale micro-targeting van burgers in relatie tot de cultuur van de rechtsstaat, opsporing door de politie via het zogenaamde darkweb en de voorsprong van de uitvoerende macht in data-analyse op de wetgevende en rechtsprekende macht. Welke visie heeft het kabinet op de gevolgen van de digitaliserende samenleving op de trias politica en de rechtsstaat in brede zin? Naar het oordeel van mijn fractie is zo’n visie dringend gewenst.

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 9

Mevrouw Duthler (VVD):

Mevrouw de voorzitter. Ik kom toe aan het thema van de positie van de burger in de rechtsstaat. Meer in het bijzonder zal ik daarbij ingaan op de gevolgen van digitalisering, of ook wel digital transformation genoemd, voor de kernwaarden van de rechtsstaat, de vrijheid van burgers en de human dignity.

De digital transformation, of in gewoon Nederlands de digitale transformatie, wordt gezien als de volgende stap in de digitale evolutie. Het bijzondere van de huidige digitale transformatie ligt niet zozeer in snellere computers of nog betere programma's, maar in het altijd verbonden zijn van mens en machine met zijn omgeving. Een omgeving waarin het internet uit het bewustzijn van de mens zal verdwijnen. Het is er namelijk gewoon, of we nu onze smartphone uit onze jaszak halen, een apparaat aanzetten of een ruimte binnenlopen: we zijn verbonden met alles en iedereen om ons heen, zonder dat we daar verder nog over nadenken. Het ontbreken ervan zou zoiets zijn als het niet meer opkomen van de zon in de morgen. In dat verband spreken we wel van "the augmented human being". De convergentie van nanotechnologie, biotechnologie, informatietechnologie en cognitieve wetenschappen heeft niet alleen invloed op de mensenrechten, maar ook op het fundamentele concept van wat een "human being" karakteriseert. Grenzen tussen mens en machine, tussen online- en offlineactiviteiten, tussen de fysieke en de virtuele wereld, tussen natuurlijk en kunstmatig, tussen realiteit en virtualiteit vervagen als gevolg van die eerder genoemde digital transformation. De mensheid vergroot haar mogelijkheden met behulp van machines, robots en software. Dan komen we aan bij die augmented human being. Hoe bereidt de regering zich op dergelijke ontwikkelingen voor?

De Raad van Europa heeft vorig jaar een resolutie aangenomen waarin hij de aanbeveling deed dat elke machine, elke robot of artificieel intelligentieartefact onder menselijke controle moest blijven en dat elke bevoegdheid of power die zij krijgen, te allen tijde ingetrokken moest kunnen worden. Ook adviseerde de Raad om richtlijnen op te stellen die de transparantie versterken, om nadere regulering te onderzoeken en om de zogenaamde operators' accountability in te voeren, opdat de makers, eigenaren en managers van die systemen zich nooit kunnen verschuilen achter onafhankelijke besluitvorming door deze systemen zelf. Voorts moeten het ontwerp en het gebruik van persuasion software, ICT en algoritmes altijd volledig de waardigheid en de rechten van alle gebruikers respecteren. Wat vindt de regering van deze aanbevelingen? Is de regering van plan om deze aanbevelingen verder te brengen, bijvoorbeeld in de JBZ-Raad of in het verband van de Verenigde Naties? Hoe bereidt de regering zich op dergelijke ontwikkelingen voor?

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 24-25

Minister Dekker:

Ik kan in mijn introductie nog kort even stilstaan bij mijn derde aandachtspunt: modernisering. In de wereld om ons heen bieden technologische ontwikkelingen enorme kansen, ook op het gebied van recht. We zien dat bijvoorbeeld al bij veranderingen door doe-het-zelfplatforms en programma's die vraag en aanbod bij elkaar brengen. Er is slimme software die contracten genereert en er zijn zoekprogramma's die bewijsstukken duizendmaal sneller doorzoeken dan advocaten en rechters kunnen. Er zijn alternatieven voor de gang naar de rechter, bijvoorbeeld in echtscheidingszaken. Stuk voor stuk positieve ontwikkelingen. Het kabinet is volop bezig met het formuleren van een wat meer omvattende strategie met betrekking tot de digitalisering van de samenleving. Wat betekenen die digitalisering en die technologische ontwikkeling nu precies en hoe kunnen we dat kabinetsbreed ondersteunen? Daarbij kijken we naar de kansen, maar zeker maken ook de ethische aspecten en dilemma's daar onderdeel van uit.

Mevrouw Duthler (VVD):

Maken daar ook de vraagstukken onderdeel van uit die in de eerste termijn van mijn fractie naar voren zijn gekomen, zoals de toenemende verwevenheid tussen mens en machine en zijn omgeving, de invloed van algoritmes, de vrijheid van informatie en de vrijheid van keuze van informatie? Worden die in die onderzoeken meegenomen?

Minister Dekker:

Ja, en ik kom ook op dit punt straks zeer uitgebreid terug als het gaat over de digitale transformatie en wat er allemaal loopt, zowel in Nederland als in Brussel. Neem bijvoorbeeld de AVG die deze week ingaat, maar daarmee eindigt het niet. Er is een aantal ontwikkelingen waar ik u graag nog even over bijpraat.

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

De minister komt daar ongetwijfeld strakjes op terug, maar ik ben nu al heel nieuwsgierig of hij kan aankondigen op welke termijn die visie te verwachten valt.

Minister Dekker:

Ik vermoed dat die voor de zomer komt.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Kamer informeren over de verdere planning van digitalisering van de rechtspraak (KEI) (34.775 VI) (T02607)

De Minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Duthler, toe rond 1 juli de Kamer te informeren over de verdere planning van digitalisering van de rechtspraak. Ook zal in deze brief worden ingegaan op de lessen die zijn getrokken voor de toekomst.


Kerngegevens

Nummer T02607
Status voldaan
Datum toezegging 22 mei 2018
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden mr. dr. A.W. Duthler (Fractie-Duthler)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen digitalisering
KEI
rechtspraak
Staat van de rechtsstaat
Kamerstukken Begrotingsstaten Justitie en Veiligheid 2018 (34.775 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 8

Mevrouw Duthler (VVD):

Als ik het heb over de lange doorlooptijden en de organisatie van de rechtspraak, kom ik vanzelf uit op het thema van de voortgang van de digitalisering van de rechtspraak, het KEI-programma, Kwaliteit en Innovatie. Het KEI-programma heeft de belofte van onder meer snellere en efficiëntere procedures nog lang niet ingelost. KEI heeft in plaats van de begrote 60 miljoen euro ruim 200 miljoen euro gekost en er schijnt nog niet 5% gerealiseerd te zijn van wat het had moeten opleveren. Van de geplande baten van 270 miljoen euro is logischerwijs nog weinig terechtgekomen. In 2018 had KEI gereed moeten zijn, maar het gaat waarschijnlijk jaren duren voordat het echt zo ver is. Wat is nu de planning voor KEI? Graag een reactie van de regering op deze vraag.

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 32

Minister Dekker:

Voorzitter. Voordat ik doorga naar de financiën, waar iets meer speelt dan alleen maar KEI, het volgende. Mevrouw Duthler vroeg wat de planning van KEI is. Daarbij maak ik onderscheid tussen onderdelen die lopen en onderdelen waarvoor dat nog niet geldt. Als het gaat om vorderingen boven €25.000 met verplichte procesvertegenwoordiging is de KEI-wetgeving in werking getreden bij nog slechts pilotrechtbanken: Gelderland en Midden-Nederland. Of landelijke inwerkingtreding daarvan haalbaar is, zal rond de zomer duidelijk moeten zijn. De verdere planning van digitalisering van de rechtspraak is op dit moment nog niet bekend. Dat hangt af van de gesprekken die ik voer. Ik heb toegezegd rond 1 juli daarmee richting de Tweede Kamer te komen. Maar u ontvangt van mij vaak afschriften daarvan.

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 51

Mevrouw Duthler (VVD):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik dank beide ministers voor hun positieve uiteenzettingen van hun visie op het belang en de waarde van de rechtsstaat. Dat was echt een genoegen om naar te luisteren. Ik dank de beide ministers ook voor hun uitvoerige beantwoording van de vele vragen die op hen zijn afgevuurd. We hebben lang gesproken over KEI en de KEI-problematiek, maar daar zijn we nog lang niet over uitgepraat. De zorgen zijn bij deze Kamer nog niet weg, en bij de minister ook nog niet. Mijn fractie neemt aan dat de minister deze Kamer regelmatig informeert over de voortgang, niet alleen wat betreft de financiën, maar ook wat betreft de realisatie van de beoogde functionaliteiten. Ik hoor graag van de minister voor Rechtsbescherming of hij ook op het moment dat hij echt geen zicht heeft op een positieve afloop inderdaad bereid is om opnieuw te beginnen met een realistisch doel, een realistisch project en een realistisch vooruitzicht qua tijd en financiën.

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 53

Minister Dekker:

De lessen van KEI gaan we zeker meenemen. Ik betrek ze wel met name op dit traject en op mijn eigen ministerie. Ik zal in de brief die ik nog voor de zomer hoop te sturen, aangeven op welke onderdelen we concreet maken welke lessen we hebben getrokken voor de toekomst, en hoe we samen met de Raad voor de rechtspraak KEI anders gaan vormgeven en de zaken gaan keren.

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 55

Mevrouw Duthler vroeg nog naar KEI. Blijven we daarover informeren? Dat gaan we zeker doen, met de periodieke voortgangsrapportages maar zoveel eerder als nodig. Ik heb al gezegd: wij gaan alles doen om te komen tot een realistisch pad. Als daarvoor de meest radicale maatregel nodig is, dan moet dat ook. Ik hoop het niet maar als het moet, moet het. Voor de zomer hopen we u daar meer over te laten weten.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Kamer informeren over deskundigenadvies bekostigingssystematiek rechtspraak (34.775 VI) (T02608)

De Minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Backer en Strik, toe de Kamer te informeren over de uitkomsten van het onderzoek door externe deskundigen naar de bekostigingssystematiek van de rechtspraak.


Kerngegevens

Nummer T02608
Status voldaan
Datum toezegging 22 mei 2018
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Jhr.mr. J.P. Backer (D66)
mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen bekostigingssystematiek
rechtspraak
Staat van de rechtsstaat
Kamerstukken Begrotingsstaten Justitie en Veiligheid 2018 (34.775 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 3, pg. 7

De heer Backer (D66):

In de rechtspraak, in de hele trias en ook in de advocatuur, gaat het vooral over mensen, over hun recht en hun onrecht. De onvoorspelbaarheid ter zitting laat zich niet altijd meten in kleine tijdseenheden. Er zitten rare prikkels in dat systeem. Dan ontstaat het risico van een technisch gedreven organisatie, in extremis zelfs met algoritmes om de zaakstromen te bepalen, want het zou natuurlijk best sneller kunnen gaan. Het is belangrijk om de context te waarborgen en de trias in evenwicht te houden. Ik zou een kritische evaluatie van het financieringsmodel toejuichen. Ik weet ook dat daar aanzetten toe zijn gegeven door de Raad voor de rechtspraak. Ik verneem hierop graag de visie van in dit geval vooral minister Dekker.

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 3, pg. 10

Mevrouw Strik (Groenlinks):

Als we de rechterlijke macht de nodige professionele ruimte willen bieden, dan zullen we het beleid van de afgelopen jaren tegen het licht moeten durven houden, zoals de invoering van integraal management en de Raad voor de rechtspraak, de opschaling van de gerechten en de afschaffing van de kantongerechten. Hebben ze inderdaad bijgedragen aan onafhankelijke en toegankelijke rechtspraak, niet alleen omwille van rechtvaardige beslissingen maar ook van rechtsvorming en openbare normhandhaving? Ook zullen we bereid moeten zijn het systeem van de outputfinanciering te heroverwegen en te beoordelen of een zelfstandige begroting voor de rechterlijke macht niet veel beter zou zijn, juist om de rechtsstaat te beschermen. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister. Is hij bereid om hierop een visie te ontwikkelen? En is de minister op de wat kortere termijn bereid om de huidige knelpunten te onderzoeken en te beoordelen welke consequenties op het gebied van financiering die zouden moeten hebben in de Voorjaarsnota of de komende begroting?

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 33

Minister Dekker:

Ik denk niet dat die doorlichting dat gaat doen, maar dat doen we daar wel parallel aan. Er wordt bezien of de bekostigingssystematiek op onderdelen nog goed werkt. Een "PxQ"-outputfinanciering heeft voor- en nadelen. Ik heb zelf de indruk dat de rechterlijke macht er nog steeds heel erg aan hecht, omdat het in die zin wel een eerlijke financiering is. Als je meer zaken doet, krijg je gewoon per zaak betaald. Maar dat geldt natuurlijk zowel trap op als trap af. Maar wat mij betreft is dat gesprek mogelijk. Door de rechtspraak zelf is bijvoorbeeld aangedragen dat het ICT-budget niet afhankelijk zou moeten zijn van een onzekere instroom en afdoening. Ik denk dat dit heel erg in de lijn van mevrouw Strik past. Ik kan mij er wel iets bij voorstellen. Daarom hebben we een aantal externe deskundigen gevraagd om te adviseren over de bekostigingssystematiek. Ik verwacht dat advies zo rond de zomer. Mocht dat nou vragen om aanpassingen, dan kunnen die worden meegenomen in de volgende ronde van prijsafspraken, van 2020 tot en met 2022, waar begin 2019 de onderhandelingen over starten.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik ben blij om dat te horen. Ik hoop dat dan ook de optie wordt bekeken van een deel outputfinanciering als er een stijging van het aantal zaken plaatsvindt, maar dat er toch een soort basisfinanciering wordt overwogen, waardoor de vaste lasten betaald kunnen worden. Ik ben benieuwd of wij ook worden geïnformeerd over de uitkomsten van dat onderzoek.

Minister Dekker:

Het antwoord op de laatste vraag is ja. Je kan natuurlijk bij de bekostigingssystematiek altijd weer combinaties maken, met vaste voeten. Wat mij betreft is het allemaal niet onbespreekbaar. Maar ook dat soort systemen hebben weer nadelen, bijvoorbeeld als je een enorm sterke groei van het aantal zaken meemaakt. Nu is het zo dat je totale volume dan meegroeit, maar je vaste voet blijft je vaste voet, ook de staande vaste voet. Het is niet zo heel gek dat iedere bekostigingssystematiek voordelen heeft maar ook inherent een aantal nadelen heeft.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Kamer informeren over onderzoek en adviesaanvragen in Nederland en Europa inzake digitale transformatie (34.775 VI) (T02613)

De Minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van een ingediende motie van het lid Duthler, alsmede een vraag van het lid Strik, toe de Kamer voor het zomerreces per brief te informeren over wat allemaal nationaal en in Europa loopt aan onderzoek en adviesaanvragen rond de digitale transformatie.


Kerngegevens

Nummer T02613
Status voldaan
Datum toezegging 22 mei 2018
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden mr. dr. A.W. Duthler (Fractie-Duthler)
mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen datamanipulatie
digitalisering
persoonsgegevens
Staat van de rechtsstaat
Kamerstukken Begrotingsstaten Justitie en Veiligheid 2018 (34.775 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 55

Minister Dekker:

De motie met letter V van mevrouw Duthler gaat in op het kabinetsstandpunt rond de digitale transformatie. Misschien mag ik het volgende voorstellen. Misschien is mevrouw Duthler bereid om de motie aan te houden, als ik haar — maar in feite ook mevrouw Strik, want die vroeg ook integraal wanneer nu precies wat komt — een brief schrijf om aan te geven wat er precies allemaal nationaal loopt aan onderzoek en adviesaanvragen, maar ook in Europa, bijvoorbeeld als het gaat om het comité van autoriteiten persoonsgegevens, maar ook als het gaat om wat de Commissie zelf doet aan het tegengaan van datamanipulatie. Digitale transformatie is namelijk wel een heel veelzijdig thema. Op basis van die inventarisatie kan ik ook aangeven wanneer we op wat precies gaan reageren. Dan kunt u aangeven of dat dan integraal genoeg is of niet. Ik hoop van wel, want dat is wat wij beogen. Maar mocht dat niet zo zijn, dan kunt u alsnog die motie indienen of mij naar uw huis toe roepen.

Mevrouw Duthler (VVD):

Dank u wel voor de toezegging een brief te sturen. Is het mogelijk om die brief voor de vergadering van aanstaande dinsdag naar deze Kamer te sturen?

Minister Dekker:

Dat gaat denk ik niet lukken, omdat dit niet alleen het ministerie van JenV raakt. Dit vraagt dus ook een inventarisatie met de collega's en een rondgang langs andere departementen. Sterker nog, ik denk dat ik daar echt een paar weken voor nodig heb. Ik kan u toezeggen dat ik dat ruim voor het zomerreces doe, zodat u voor de zomer kunt besluiten de motie nog in stemming te brengen.

Mevrouw Duthler (VVD):

Ik hoor de minister aangeven: een paar weken. 19 juni?

Minister Dekker:

Ik ga het voor het zomerreces proberen te doen.

Mevrouw Duthler (VVD):

Nu wordt het "proberen" ...

Minister Dekker:

Ik ga het voor het zomerreces doen.

Mevrouw Duthler (VVD):

Goed. Dank u wel.


Brondocumenten


Historie