Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Rappelabele toezeggingen minister voor Rechtsbescherming (Vooruitblik voor juli 2018 tot januari 2019)



Dit is het rappel vanaf 02-07-18 tot 02-01-19.

 




Toezegging Rechtspositie jeugdigen bij toepassing vrijheidsbenemende maatregelen (30.644) (T00969)

De minister van Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van de motie Quik-Schuijt c.s., toe dat voor de lacunes in de rechtspositieregelingen van jeugdigen een aanvullende regeling zal worden getroffen. Daarbij zal aansluiting worden gezocht bij de beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in afwachting van de harmonisatie van de rechtspositieregeling in de gesloten jeugdzorg, de BOPZ en de LVG, zoals reeds toegezegd in de motie Çörüz in de Tweede Kamer.


Kerngegevens

Nummer T00969
Status openstaand
Datum toezegging 16 december 2007
Deadline 1 juli 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Jeugd en Gezin (Hoofdverantwoordelijke)
Minister van Veiligheid en Justitie (Hoofdverantwoordelijke)
Minister van Justitie
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming (Hoofdverantwoordelijke)
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden mr. A.C. Quik-Schuijt (SP)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen gesloten jeugdzorg
rechtspositie
Kamerstukken Jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet in gesloten setting (gesloten jeugzorg) (30.644)


Uit de stukken

Handelingen I 2007-2008, nr. 15 - blz. 663

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Het enige punt dat voor mij resteert, is de motie. In de motie wordt een punt aan de orde gesteld, waaraan de regering ook zelf in de komende tijd aandacht wil schenken en wel de rechtspositie en rechtsbescherming van jeugdigen en anderen in een gesloten setting. Wij werken hieraan met de minister van VWS en de staatssecretaris van Justitie. Ik verzeker de Kamer dat wij het vullen van de leemtes en het harmoniseren van de rechtspositieregelingen, in de motie toegespitst op jeugdigen met ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen, voortvarend ter hand zullen nemen. Samen met minister Klink werk ik naar aanleiding van de evaluatie van de wet Bopz aan de gevolgen die deze wet heeft voor rechtspositionele vragen. Daarbij zullen wij zeker ook aandacht besteden aan de verhouding tussen kwaliteitswetgeving en de regeling van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Dat laatste betreft uiteraard de vrijwillige setting. Ik wijs hierop, omdat het belangrijk is te weten dat wij dit onderwerp vanuit een aantal oogpunten ter hand hebben genomen. In de motie wordt geconstateerd dat er sprake is van verschillende regimes voor het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen. De indieners verwijzen naar de wet Bopz. Ik maakte mede naar aanleiding daarvan melding van de herziening en vervanging van de wet Bopz, die ik samen met mijn collega Klink ter hand heb genomen. Verder verwijzen zij naar de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en wat er in het wetsvoorstel is neergelegd. Men noemt het voorliggende wetsvoorstel terecht, want er wordt wel een aantal aspecten van de rechtspositie in geregeld, ook al is er geen paragraaf opgenomen over de rechtspositie. Ik noem het verlof, de verschillende onderdelen van het hulpverleningsplan, waarbij sprake kan zijn van dwang, en de procedure voor het tot stand brengen van zo'n hulpverleningsplan. Het gaat de indieners dus kennelijk niet om het ontbreken van een rechtspositionele regeling, maar om de vermeende onvolledigheid ervan. Het is de bedoeling van minister Rouvoet en mij om resterende lacunes door middel van een richtlijn van de inspectie van een regeling te voorzien. Dat is ons inziens goed mogelijk. In de motie wordt terecht gesuggereerd om daarbij aansluiting te zoeken bij de bepalingen van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Wij kunnen ook overwegen om een aantal elementen als een standaardverzekering of waarborg onder te brengen in de procedure van het behandelingsplan. Dat betekent dat wij hebben gekozen voor de weg van een inspectierichtlijn. Daarbij willen wij aansluiten op de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en vooruitlopen op de wetgeving die wij samen met onze collega's Klink en Albayrak tot stand zullen brengen. Ik hoop dat ik de indieners uit deze toezeggingen over wat wij doen en nog gaan doen, concluderen dat voldoende is tegemoetgekomen aan het dictum van de motie. Het lijkt mij belangrijk dat ik dit aan het eind van de behandeling van het wetsvoorstel uitspreek.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP): Voorzitter. Ik bedank de ministers hartelijk voor hun toezegging en trek de motie in.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Gelijktijdige evaluatie Voorwaardelijke veroordeling en voorwaardelijke invrijheidstelling en Rechterlijk gebieds- of contactverbod (32.551/32.319) (T01510)

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de heer Mr. F. Teeven zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Broekers-Knol (VVD), toe dat hij de evaluaties van bovengenoemde wetten gelijktijdig zal uitvoeren. Indien er na de aan de Tweede Kamer toegezegde termijn van drie jaar nog geen volledige evaluatie kan zijn, zal de regering de Kamer hierover berichten.


Kerngegevens

Nummer T01510
Status voldaan
Datum toezegging 8 november 2011
Deadline 1 januari 2019
Voormalige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden mr. A. Broekers-Knol (VVD)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen evaluatie
Rechterlijk gebieds- of contactverbod
voorwaardelijke invrijheidstelling
voorwaardelijke veroordelingen
Kamerstukken Rechterlijk gebieds- of contactverbod (32.551)
Voorwaardelijke veroordeling en voorwaardelijke invrijheidstelling (32.319)


Uit de stukken

Handelingen I 2010-2011, nr. 6- blz. 33

Mevrouw Broekers-Knol (VVD):

(...)

"Het tweede punt is maar heel klein. Zullen de evaluaties van wetsvoorstel 32551 en die van wetsvoorstel 32319 tegelijkertijd plaatsvinden? Van het ene weten wij het, maar van het andere weten wij het nog niet zeker."

Handelingen I 2010-2011, nr. 6- blz. 36

Staatssecretaris Teeven:

"Mevrouw Broekers heeft gevraagd of de evaluaties van de twee wetten gelijktijdig kunnen worden uitgevoerd. Ik zal de evaluaties samenvoegen en de termijn aanhouden die is toegezegd aan de Tweede Kamer, zijnde binnen vijf jaar."

Handelingen I 2010-2011, nr. 6- blz. 36

Mevrouw Broekers-Knol (VVD):

"Ik heb in de stukken gezien dat de minister van Veiligheid en Justitie in de Tweede Kamer heeft toegezegd dat wet 32551 na drie jaar zou worden geëvalueerd. Ik hoor de staatssecretaris nu vijf jaar zeggen."

Handelingen I 2010-2011, nr. 6- blz. 36

Staatssecretaris Teeven:

"Als in de stukken staat dat wij aan de Tweede Kamer hebben toegezegd dat het drie jaar is, houden wij ons uiteraard aan de termijn van drie jaar. Ik ga ervan uit dat mevrouw Broekers het goed heeft gelezen. Wij berichten de Kamers uiteraard als er na drie jaar nog geen volledige evaluatie kan zijn. Die situatie kan ik mij voorstellen. Ik heb alle vragen beantwoord."


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evaluatie drie jaar na inwerkingtreding Transgenderwet (33.351) (T01914)

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden De Boer (GroenLinks), Quik-Schuijt (SP) en Scholten (D66), toe dat de wet drie jaar na de inwerkingtreding geëvalueerd wordt. Bij deze evaluatie zal onder andere, mede in reactie op vragen en opmerkingen van de leden Lokin-Sassen (CDA), Beuving (PvdA) en Duthler (VVD), aandacht worden besteed aan ervaringen van minderjarige transgenders en hun ouders in relatie tot de leeftijdsgrens. De staatssecretaris zegt ten slotte toe dat het Transgender Netwerk Nederland (TNN) bij de evaluatie zal worden betrokken.


Kerngegevens

Nummer T01914
Status voldaan
Datum toezegging 16 december 2013
Deadline 1 januari 2019
Voormalige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Mr.drs. M.M. de Boer (GroenLinks)
mr. A.C. Quik-Schuijt (SP)
Mr. M.C. Scholten (D66)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen evaluatie
leeftijdsgrens
transgenders
wijziging geslacht in geboorteakte
Kamerstukken Wijziging vermelding van geslacht in de geboorteakte (33.351)


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 13, item 2 − blz. 6

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Is de regering het met ons eens dat het laten vervallen van een leeftijdsgrens meer recht doet aan de diversiteit van de leeftijd waarop de problemen zich voordoen en de medische en psychologische implicaties van ieder geval afzonderlijk? Zo ja, is de regering bereid alsnog te bezien of afschaffing van het leeftijdsvereiste met behoud van ouderlijke verantwoordelijkheid conform Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel conform de WGBO als men daaraan de voorkeur zou geven, alsmede met behoud van het advies van een deskundige en de procedure bij de rechtbank, niet de voorkeur verdient? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze denkt de staatssecretaris dat te kunnen realiseren? Zo nee, is de staatssecretaris bereid tot een evaluatie op korte termijn van het thans voorgestelde stelsel?

Handelingen I 2013-2014, nr. 13, item 2 − blz. 9

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

De motie-Dijkstra waarin om een evaluatie binnen drie jaar wordt gevraagd, heeft het in de Tweede Kamer niet gehaald. Wij vinden dit onbegrijpelijk bij een zo ingrijpende wetswijziging, dit temeer daar de vertegenwoordiging van de meest belanghebbenden, TNN, ook zelf hierom vraagt. Wij hebben van TNN een vragenlijst ontvangen en verzoeken dringend een evaluatie uit te voeren en de vragen van TNN daarbij te betrekken. Het gaat in het kader van deze behandeling te ver om deze vragen te noemen, maar wij zijn bereid ze de staatssecretaris ter hand te stellen.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Wij danken de staatssecretaris voor zijn uitgebreide en adequate beantwoording van onze schriftelijke vragen. Wij noteren dat de evaluatie, wanneer daar aanleiding voor is, vervroegd kan worden uitgevoerd en dat dit bijvoorbeeld zou kunnen spelen ten aanzien van het deskundigenonderzoek. Ik heb hier gehoord dat er alle reden kan zijn om dat ook op de leeftijd te betrekken.

(...)

Naar wij aannemen zal de leeftijdsgrens worden betrokken bij de evaluatie van de wet. Kan de staatssecretaris toezeggen dat daarbij ook uitdrukkelijk de mogelijkheid en wenselijkheid van het mogelijk maken van het wijzigen van het geslacht op de geboorteakte voor minderjarigen onder de 16 zal worden betrokken?

Handelingen I 2013-2014, nr. 13, item 2 − blz. 14

Mevrouw Scholten (D66):

In de Tweede Kamer is een evaluatie van dit wetsvoorstel over vijf jaar toegezegd. Mijn fractie zou er niet tegen zijn wanneer die periode wordt bekort naar bijvoorbeeld drie jaar. Kan de staatssecretaris dit toezeggen? In die evaluatie zou de vraag kunnen worden onderzocht of de genderteams voldoende zijn in omvang of dat het aantal moet worden uitgebreid, afhankelijk van eventuele wachtlijsten. Misschien kan ook het aantal weigeringen worden onderzocht en de gronden daarvan, alsook misschien de ervaringen uit Argentinië en Portugal, waar zelfs een deskundigenverklaring niet nodig is en de transgenders zich direct bij de burgerlijke stand kunnen melden.

Mijn fractie kan zich voorshands vinden in de leeftijdsgrens van 16 jaar, hoewel zij het betoog van mevrouw Beuving kan ondersteunen. In de Tweede Kamer is een amendement verworpen met de strekking om die leeftijd waarop de transgender met toestemming van de ouders de procedure in kan gaan, te verlagen naar 12 jaar. Ik tel vooralsnog mijn knopen in deze Kamer en zal hier niet een dergelijke motie indienen. Wij wachten wel de evaluatie af, zij het dat daarbij zeker ook dient te worden betrokken de vraag hoeveel 16-minners zich melden voor hormoonbehandeling. De verwachting is namelijk dat met de leeftijdsgrens van 16 jaar voor de officiële wijziging van de vermelding, de medische vraag naar hormoonbehandeling voor jongeren, de 16-minners, zal toenemen. Als dat zo zou zijn, is er reden om de leeftijdsgrens in de komende jaren opnieuw onder ogen te zien. Deze vraag zouden wij ook graag bij de evaluatie willen betrekken.

Handelingen I 2013-2014, nr. 13, item 4 − blz. 42

Staatssecretaris Teeven:

Alle woordvoerders, mevrouw Scholten het nadrukkelijkst, hebben gevraagd of de evaluatie niet sneller kan plaatsvinden. Ik heb eerst over een langere periode gesproken. Dat is in de Tweede Kamer ook onderwerp van bespreking geweest. De eerste evaluatie zou na vijf jaar plaatsvinden. De vraag is gesteld of de evaluatie na drie jaar kan plaatsvinden. Ik wil graag toezeggen dat er na drie jaar een evaluatie plaatsvindt. Daarbij zal ook zonder meer aandacht worden besteed aan de ervaringen van minderjarigen en hun ouders in relatie tot de leeftijdsgrens. Sommige sprekers hebben immers aarzelingen over de grens van 16 jaar en zouden liever een grens van 18 jaar zien – daar heeft mevrouw Duthler over gesproken – terwijl anderen juist verwezen naar de ook in de Tweede Kamer gevoerde discussie over een lagere grens en de betrokkenheid van ouders. Naar mijn mening moet dat in de evaluatie aan de orde komen, maar ook de vraag of er voldoende deskundigen zijn aangewezen – zodat er dus geen wachtlijsten ontstaan – zou in de evaluatie aan de orde moeten komen. Er is op dit moment geen enkele reden om dat te veronderstellen, want wij denken dat er in Groningen, Leiden en Amsterdam voldoende capaciteit is. Tegen mevrouw Quik zeg ik dat het TNN vanzelfsprekend zal worden betrokken bij die evaluatie.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Onderzoek weigerende observandi (32.398) (T02558)

De minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen van de leden Baay-Timmerman, Barth, Bikker, De Bruijn-Wezeman, Dercksen, Van Dijk, Oomen-Ruijten, Schnabel, Strik en Wezel, toe om de alternatieven voor de regeling voor weigerende observandi te onderzoeken en hierover met experts en belanghebbenden (waaronder de tbs-advocaten) het gesprek aan te gaan. De Kamer zal voor eind 2018 een eerste verkenning ontvangen. In aanloop naar de evaluatie van de wet zullen een of twee van die veelbelovende alternatieve of aanpalende maatregelen verder worden uitgewerkt.


Kerngegevens


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 15 - item 3, blz. 25

Minister Dekker:

Ook wanneer uw Kamer met de wet instemt, zal ik mij in de toekomst blijven inzetten voor andere mogelijkheden om het probleem van de weigerende observandi terug te dringen en de effectiviteit van de tbs-maatregel te verhogen.

Het WODC doet op dit moment onderzoek naar het aantal keren dat de rechter bij een weigerende observandus toch een tbs-maatregel heeft opgelegd. In het kader van dit onderzoek wordt aan rechters en officieren van justitie de vraag voorgelegd of zij zelf verbetermogelijkheden zien. Ik denk dat dit refereert aan een opmerking die de heer

Schnabel maakte, dat je in sommige rechtszaken ziet dat rechters zonder een concludent advies van het PBC tot het opleggen van die maatregel overgaan.

Andere suggesties zal ik daarbij ook heel serieus onderzoeken. Allereerst de suggestie van de voorzitter van de Autoriteit Persoonsgegevens om in de wet op te nemen dat het OM bij een succesvolle weigeraar de mogelijkheid heeft om uiterlijk binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van de veroordeling, aan de rechter te vragen om aanvullend of in plaats van de al opgelegde gevangenisstraf alsnog tbs op te leggen. Er zijn ook andere suggesties gedaan, bijvoorbeeld in de Tweede Kamer, over de zogeheten tweefasenstructuur of het tweefasenproces. Dat is net weer een iets andere variant, maar wel een interessante en de moeite waard om even goed naar te kijken. De mogelijkheid om, wanneer in detentie blijkt dat er sprake is van een stoornis, ook na het opleggen van de straf alsnog tbs op te leggen, is een andere suggestie waar ik naar wil kijken. Hetzelfde geldt voor enkele suggesties die zijn gedaan door de tbs-advocaten.

Een aantal van u heeft gisteren ook een duit in het zakje gedaan, zou je oneerbiedig kunnen zeggen. De heer Van Dijk had het over de meewerkplicht, mevrouw Wezel dacht aan een net iets andere variant van de suggestie van de Autoriteit Persoonsgegevens en mevrouw De Bruijn opperde de introductie van de voorlopige tbs-maatregel. De heer Dercksen heeft ook een punt, want hij heeft uitgebreid stilgestaan bij het rapport van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, waarin wordt gezegd dat je bij risico-taxaties ook kunt kijken naar meer statistische modellen die daarover voorspellingen doen. Je zit daarbij wel met de vraag hoe je statistische informatie die betrekking heeft op een groep, kunt gebruiken bij een individueel advies. Dat is best ingewikkeld. Ik vind dat we alle goede adviezen die er liggen, moeten meenemen. Dat vraagt echter wel tijd, niet alleen omdat ik alle voorstellen wil bestuderen, zowel als het gaat om de conformiteit met grondrechten als om de praktische uitvoerbaarheid, maar ook omdat veel suggesties een forse stelselwijziging met zich meebrengen. Ik moet daar echt even goed naar kijken.

Mijn voorstel is als volgt: ik denk dat het haalbaar moet zijn om voor eind 2018 een serieuze eerste verkenning te doen van alle opties die nu op tafel liggen. Hierdoor kunnen we een gevoel krijgen welke daarvan de echt haalbare en wenselijke opties zijn en welke plussen en minnen eraan vastzitten. Als het eerder kan, zou dat mooi zijn, maar ik denk dat eind 2018 een redelijk tijdpad is. Vervolgens moet het mogelijk zijn om ook in aanloop naar de evaluatie van deze wet — dat is ongeveer drie jaar vanaf nu — een of twee van die veelbelovende alternatieve of aanpalende maatregelen verder uit te werken, zodat bij de wetsevaluatie ook een integrale discussie kan worden gevoerd.

De heer Dercksen (PVV):

Dank hiervoor. Ik zie dat als een toezegging om er serieus naar te kijken. Ik wil erop wijzen dat dit systeem in de Angelsaksische landen al wordt toegepast. De vraag die u er zelf over stelt, is eenvoudig te beantwoorden door te toetsen hoe dit in andere landen gebeurt. Het rapport dat is geschreven, handelde voornamelijk over zedendelinquenten. Ik zou het graag willen verbreden naar alle tbs-delicten. Als ik het rapport goed doorgrond, denk ik dat daarbij een grote mate van aansluiting te vinden is.

Minister Dekker:

Ik neem dat graag mee. Ik weet dat in Canada dit soort modellen meer worden toegepast dan op dit moment in Nederland het geval is. Ik denk dat we daarvan kunnen leren.

Handelingen I 2017-2018, nr. 15 - item 3, blz. 26

Mevrouw Barth (PvdA):

Mijn tweede vraag is of hij bereid is om naar aanleiding van het signaal van de tbs-advocaten van vorige week met hen in gesprek te gaan en op een open manier met hen te spreken over waarom zij hun cliënten op dit moment soms nog steeds adviseren om niet mee te werken, ondanks het feit dat er bijvoorbeeld, mede op hun verzoek, enorm hard gewerkt is aan het bekorten van de behandelduur in de tbs.

Minister Dekker:

Ook het gesprek met de tbs-advocaten pak ik op. Zo'n onderzoek dat we doen, is niet alleen maar een kwestie van bureauonderzoek. We gaan ook in gesprek met heel veel experts en belanghebbenden over hoe zij precies in dit vraagstuk zitten.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Re-integratie (ex-) gedetineerden (32.398) (T02560)

De minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Wezel, toe om de kabinetsreactie op het onderzoek van de Raad voor de Strafrechtstoepassingen Jeugdbescherming over de re-integratie van (ex-)gedetineerden in afschrift naar de Eerste Kamer te sturen.


Kerngegevens

Nummer T02560
Status voldaan
Datum toezegging 16 januari 2018
Deadline 1 januari 2019
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Mr. A.M.T. Wezel EMoC (SP)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen gedetineerden
re-integratie
reclassering
Kamerstukken Wet forensische zorg (32.398)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 14 - item 3, blz. 15

Mevrouw Wezel (SP):

Tot slot het laatste punt ter zake van de nazorg. Van belang is dat alle gestraften na de gevangenisstraf en na de tbs-behandeling weer goed voorbereid in de samenleving komen, voor de samenleving maar ook voor zichzelf. Uit een onderzoek van de Raad voor de Strafrechtstoepassingen Jeugdbescherming van oktober 2017 blijkt dat gemeenten, gevangenissen en reclassering gebrekkig samenwerken bij de nazorg voor gedetineerden die vrijkomen. Gemeenten worden vaak te laat en gebrekkig geïnformeerd. De nazorg is bedoeld om te voorkomen dat gedetineerden na hun vrijlating weer in de fout gaan. Die kans is klein als ze een identiteitsbewijs, onderdak, inkomen, zorgen, zo nodig, hulp bij het aanpakken van hun schuldenkrijgen. Maar dat gaat vaak mis, bijvoorbeeld omdat gemeenten niet of te laat te horen krijgen dat een gedetineerde weer op vrije voeten komt, zo concludeert de RSJ.

Handelingen I 2017-2018, nr. 14 - item 3, blz. 78

Mevrouw Wezel (SP):

Zou de minister kunnen toezeggen dat hij schriftelijk reageert op de vraag naar aanleiding van het onderzoek van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming van oktober 2017 over de gebrekkige samenwerking tussen gemeenten, gevangenissen en reclassering en over hoe dat verbeterd kan worden? Dat is dan op het gebied van nazorg, identiteit, verwijzen, onderdak, inkomen, zorg, schuldenproblematiek enzovoort.

Minister Dekker:

Het antwoord daarop is: ja, want dat soort adviezen van de RSJ krijgen altijd een reactie van het kabinet.

Mevrouw Wezel (SP):

En daar krijgen wij dan ook een afschrift van?

Minister Dekker:

Normaal gesproken krijgt de Tweede Kamer het, maar als u het wilt, dan krijgt ook u een afschrift.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Rechtsbijstand (32.399 / 31.996 / 32.398) (T02564)

De minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Strik, toe om de rechtsbijstand aan de kwetsbare doelgroepen uit de gedwongen zorgwetten als aandachtspunt mee te nemen in de herziening van het stelsel rond de rechtsbijstand.


Kerngegevens

Nummer T02564
Status voldaan
Datum toezegging 16 januari 2018
Deadline 1 januari 2019
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen advocaten
rechtsbijstand
vergoedingen
Kamerstukken Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (32.399)
Wet forensische zorg (32.398)
Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (31.996)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 14 - item 3, blz. 37

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Verder nog een punt over de rechtsbijstand. Een randvoorwaarde voor een goede rechtspositie van patiënten is de toegang tot kwalitatief goede rechtshulp. Uit het rapport van de commissie-Van der Meer kwam naar voren dat de werklast van de advocaat mede is toegenomen door een beddenreductie in de psychiatrische zorg en de tendens die hiermee samenhangt om mensen sneller naar huis te sturen. Dit zou tot gevolg hebben dat er meer voorwaardelijke machtigingen worden opgelegd. Volgens de commissie-Van der Meer geven advocaten aan dat de vergoeding van vier punten voor de voorwaardelijke machtiging niet toereikend is, omdat zij er in elk geval vijf tot zeven uur aan werken. In het regeerakkoord belooft het kabinet de aanbeveling van de commissie-Van der Meer over te nemen. Wat gaat dit betekenen voor de forfaitaire vergoeding? Mijn fractie meent dat het om een urgent probleem gaat, ook omdat vanwege de werkdruk nu vaak al niet-gespecialiseerde advocaten de belangen behartigen van heel kwetsbare cliënten.

Handelingen I 2017-2018, nr. 14 - item 3, blz. 78

Minister Dekker:

Mevrouw Strik vroeg naar de rechtsbijstand. Dat is eigenlijk een veel groter dossier. Daar ligt een enorme opgave om te kijken hoe we de middelen die we beschikbaar hebben voor rechtsbijstand, op een goede manier kunnen inzetten. Van der Meer geeft aan dat dat enorm wringt. Ik heb tegen de Tweede Kamer gezegd dat ik er heel veel waarde aan hecht om rust te brengen op dit dossier en om dit jaar met alle partners — de sociale advocatuur en de orde — te kijken of we kunnen komen tot herziening van het stelsel. Daar zal ook dit dan onderdeel van uitmaken.

Handelingen I 2017-2018, nr. 15 - item 3, blz. 14

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ten aanzien van rechtsbijstand gaf de minister voor Rechtsbescherming aan wel een verantwoordelijkheid te zien. Hij zei dat dat onderdeel is van een algemener vraagstuk. Door de commissie-Van der Meer wordt dit natuurlijk in zijn geheel bekeken. Ik wil de minister erop wijzen dat het hier gaat om de meest precaire situaties. Er wordt dwang uitgeoefend, dus er worden vrijheidsrechten ingeperkt, door de overheid ten aanzien van de meest kwetsbare groep burgers die we hebben en die kunnen zich daar niet zelfstandig tegen verweren. Er moet dus voldoende aandacht daarvoor zijn.

Handelingen I 2017-2018, nr. 15 - item 3, blz. 28

Minister Dekker:

De laatste vraag van mevrouw Strik was misschien geen vraag, maar nog eens een extra onderstreping van het aandachtspunt dat als we praten over de ondersteuning van mensen in de forensische zorg, we het ook hebben over een kwetsbare doelgroep. Volgens mij was dit overigens ook een breder punt en ging het niet alleen over forensische zorg, maar had het ook betrekking op de andere twee wetten. Ik vind het eerlijk gezegd een heel terecht punt dat dit een extra aandachtspunt moet zijn, ook als we kijken naar een herziening van het stelsel rond de rechtsbijstand. Ik neem dat graag in onze analyse mee.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dank voor deze toezegging.


Brondocumenten


Historie







Toezegging De Kamer informeren over de financiële kaders voor de digitalisering van de rechtspraak (KEI) (34.775 VI) (T02606)

De Minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Vlietstra, toe de Kamer in het najaar te informeren over de financiële kaders voor de digitalisering van de rechtspraak (KEI).


Kerngegevens

Nummer T02606
Status voldaan
Datum toezegging 22 mei 2018
Deadline 1 oktober 2018
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden J.G. Vlietstra (PvdA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen digitalisering
financiële kaders
KEI
rechtspraak
Staat van de rechtsstaat
Kamerstukken Begrotingsstaten Justitie en Veiligheid 2018 (34.775 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 29-30

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Kan de minister mij dan in ieder geval melden op welk moment die duidelijkheid wel komt? Want het gaat niet zomaar om een tegenvaller. Het gaat over grote bedragen en als die door de rechtspraak zelf opgehoest moeten worden, kan dat tot vergaande kwalitatieve consequenties leiden.

Minister Dekker:

Dat kán, maar ook daar moeten we niet op vooruitlopen. Ik kom daarmee bij u terug in het najaar. Ik denk namelijk dat we dan hopelijk zowel op het gebied van KEI en eventueel van de extra kosten die dat met zich meebrengt, als op het gebied van het doorlichtingsonderzoek meer inzicht zullen hebben. Over dat doorlichtingsonderzoek heb ik met de Raad voor de rechtspraak afspraken gemaakt. Ik vind dat ze daar ook echt even kritisch moeten kijken naar hun eigen organisatie en waar ze verder nog ruimte zien. Tegen die tijd weten we wat de financiële kaders zijn. Ik zal u daarover informeren.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Onderzoek naar signalen van stijging aantal verstekvonnissen waar zittingslocaties zijn opgeheven (34.775 VI) (T02609)

De Minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Baay-Timmerman en Van Bijsterveld, toe onderzoek te laten verrichten naar signalen dat het aantal verstekvonnissen is gestegen waar zittingslocaties zijn opgeheven.


Kerngegevens

Nummer T02609
Status openstaand
Datum toezegging 22 mei 2018
Deadline 1 juli 2020
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Mr. M.H.H. Baay-Timmerman (50PLUS)
prof. dr. S.C. van Bijsterveld (CDA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen rechtspraak
Staat van de rechtsstaat
verstekvonnissen
Wet herziening gerechtelijke kaart
zittingslocatie
Kamerstukken Begrotingsstaten Justitie en Veiligheid 2018 (34.775 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 3, pg. 15

Mevrouw Baay-Timmermans (50PLUS):

Naast het project KEI werd de reorganisatie HGK ingevoerd (herziening gerechtelijke kaart) hetgeen inhield dat het aantal van negentien arrondissementsparketten werd teruggebracht tot tien arrondissementsparketten. De onvoldoende budgetten voor HGK en KEI drukten dusdanig op het totale budget dat veel te weinig geld overbleef voor de daadwerkelijke rechtspraak.

Wat hebben deze ontwikkelingen betekend voor de burgers? Is toegang tot het recht voor iedereen die dat nodig heeft nog voldoende geborgd? Betekent de vermindering van het aantal arrondissementsparketten ook een fysieke belemmering voor de kwetsbare burger om zijn of haar recht te halen? Zorgt verdere digitalisering van procederen niet voor nog meer onbegrip bij de burger? We hebben een groep van 2,5 miljoen laaggeletterden in Nederland en ook grote groepen ouderen die niet gewend zijn om met computers om te gaan. Voor hen vormt deze digitalisering een nog grotere drempel om hun recht te halen, zo blijkt uit de praktijk. Het oorspronkelijke doel om via digitalisering te komen tot eenvoudiger toegang tot de rechter blijkt illusionair. Voor de burger is het niet makkelijker en veroorzaakt het veelal een tegengesteld effect van hetgeen ermee werd beoogd.

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 1

Van Bijsterveld (CDA):

Voorzitter. De zelfstandige, goed functionerende kantongerechten, laagdrempelige, dicht bij de burger staande, bereikbare voorzieningen met een vlotte afhandeling van zaken, zijn ondergebracht bij de rechtbanken en buitenlocaties zijn opgeheven. Juist waar zittingsplaatsen zijn opgeheven, is het aantal verstekvonnissen sterk gestegen. Nu zijn of worden allerlei pilots uitgezet, zoals de buurtrechter of de vrederechter. Hoe wil de minister bereiken dat deze laatste rechters weer geografisch en wat toegankelijkheid betreft dicht bij de burger komen te staan, met dezelfde waarborgen van een onafhankelijke en onpartijdige rechter?

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 29-30

Minister Dekker:

Voorzitter, nog twee laatste vragen als het gaat om de herziening gerechtelijke kaart. Mevrouw Baay-Timmerman en mevrouw Van Bijsterveld vroegen of met de herschikking van locaties gewaarborgd was dat iedereen nog steeds toegang heeft. De evaluatie heeft niet uitgewezen dat bijvoorbeeld het aantal verstekvonnissen is gestegen waar zittingslocaties zijn opgeheven, dus dat de mensen niet meer naar de zaak toe zouden kunnen komen. De evaluatiecommissie doet wel de aanbeveling om daar naar aanleiding van signalen in die richting nader onderzoek naar te doen. Ik kan u toezeggen dat ik dat ook ga doen. Het onderzoek is van belang omdat meer verstekken erop kunnen wijzen dat een meer gespreid aanbod van laagdrempelige rechtspraak nodig is.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Kamer schriftelijk informeren over richtinggevend perspectief herziening stelsel van de rechtsbijstand (34.775 VI) (T02610)

De Minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Strik, Baay-Timmerman en Vlietstra, toe de Kamer snel na de zomer, voor Prinsjesdag, schriftelijk te informeren over het richtinggevend perspectief voor de herziening van de rechtsbijstand.


Kerngegevens

Nummer T02610
Status voldaan
Datum toezegging 22 mei 2018
Deadline 1 oktober 2018
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Mr. M.H.H. Baay-Timmerman (50PLUS)
mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
J.G. Vlietstra (PvdA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen herziening
rechtsbijstand
Staat van de rechtsstaat
stelsel
Kamerstukken Begrotingsstaten Justitie en Veiligheid 2018 (34.775 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 3, pg. 11

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter. Ik refereerde zojuist al aan andere factoren die de toegang tot de rechter beperken. Deels betreft het de verhoging van de griffierechten, maar het betreft ook de beperkte toegang tot de rechtsbijstand. Ik denk aan kleine ondernemingen en in elk geval zzp'ers voor wie een rechtsbijstandsverzekering een te hoge drempel vormt. Maar ook andere groepen rechtszoekenden met een laag inkomen lopen aan tegen een beperkte toegang tot gefinancierde rechtsbijstand. De regering heeft in het coalitieakkoord geschreven dat geen enkel rechtsgebied wordt uitgezonderd van de rechtsbijstand, en dat is winst. Maar wat betreft de omvang en de criteria tasten wij nog in het duister. Volgens het regeerakkoord moet herziening van de rechtsbijstand binnen de bestaande budgettaire kaders blijven. Daar lijkt zich een probleem voor te doen. De commissie-Van der Meer concludeert immers dat er sprake is van ernstig achterstallig onderhoud in de gefinancierde rechtsbijstand. Als het aantal toevoegingen niet afneemt, zal het budget fors omhoog moeten om de beloning op peil te houden. De minister heeft eind november vorig jaar laten weten zes maanden uit te trekken voor een nader overleg en verkenning met het veld. Wat heeft dit tot nu toe opgeleverd en welke maatregelen kunnen we verwachten? Is het uiteindelijk niet toch een politieke keuze die moet worden gemaakt voor een toegankelijk stelsel van rechtsbijstand, een keuze die misschien onvermijdbaar geld kost?

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 3, pg. 15

Mevrouw Baay-Timmerman (50PLUS):

De bezuinigingen van de afgelopen jaren op het systeem van gefinancierde rechtsbijstand eisen hun tol. In het rapport van Herman van der Meer, president van het gerechtshof Amsterdam, getiteld Andere Tijden komt helder naar voren dat de sociale advocaten veel meer werk hebben aan zaken dan waarvoor ze betaald krijgen. Het gevolg is leegloop uit de sociale advocatuur. De NRC schreef op 17 mei jongsleden: "Kabinet onderschat diepte van de crisis in de rechtshulp". Onze fractie vraagt aan de minister hoe hij denkt deze crisis op te lossen.

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 3, pg. 20

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Op de vraag over de hoogte van de vergoeding voor de sociale advocatuur is antwoord gegeven door de commissie-Van der Meer. Die komt tot de conclusie dat de vergoeding beneden de maat is en dat ten minste 127 miljoen euro extra nodig is om advocaten die voor hun inkomen afhankelijk zijn van de gefinancierde rechtsbijstand, een redelijk inkomen te garanderen en — zeg ik erbij — te behouden voor de sociale advocatuur. In de deskundigenbijeenkomst hebben we kunnen horen dat de sociale advocatuur leegloopt en dat kantoren omvallen omdat ze het financieel niet redden. Twee weken geleden schortte de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland het overleg met de minister op omdat ze geen vertrouwen meer heeft in de uitkomst van de gesprekken, nu de minister vasthoudt aan zijn standpunt dat er geen geld bijkomt. "Het systeem stort in, steeds meer gepassioneerde advocaten stoppen met het verlenen van gefinancierde rechtsbijstand", aldus de VSAN in haar persbericht. Dat klinkt buitengewoon ernstig. De nood is hoog. Is de minister dat met ons eens? Wanneer komt hij nu eindelijk met zijn visie op de gesubsidieerde rechtsbijstand en de financiering daarvan?

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 39

Minister Dekker:

Dan de rechtsbijstand. U hebt daarover de minister-president al behoorlijk aan de tand gevoeld op 4 december. Daarbij ging het met name over de uitvoerbaarheid van het rapport van de commissie-Van der Meer binnen de bestaande financiële kaders. De minister-president heeft toen aangegeven dat er een brief zou komen. Die kunt u snel na de zomer ontvangen. Daarin wil ik een richtinggevend perspectief schetsen op de herziening van het stelsel van de rechtsbijstand en voor de consequenties die dat heeft voor het huidige stelsel. Een aantal leden daagde mij uit: licht nu al eens een tipje van de sluier op. Dat doe ik graag. Mijn doel bij de herziening van het stelsel is dat wij enerzijds de rechtzoekende een snelle, laagdrempelige en adequate oplossing van haar of zijn geschil bieden, maar anderzijds de betrokken professional, de advocaat, een adequate vergoeding geven. Ik haal die twee elementen even naar voren, omdat ze de bandbreedte aangeven waarbinnen wij tot een adequaat stelsel willen komen. Ik zeg heel nadrukkelijk "we", want op dit moment vinden er echt met heel veel partijen, ook met de advocatuur, allerlei gesprekken en sessies plaats om te komen tot een herontwerp en tot de ontwikkeling van nieuwe ideeën.

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 48

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

De rechtsbijstand. Daarvan zegt de minister dat hij na de zomer met een richtinggevend perspectief komt. Nou is "na de zomer" een rekbaar begrip. Dus misschien kan de minister daar iets preciezer over zijn. Ik zeg dat ook omdat mijn beeld is dat de urgentie hoog is. Niet voor niks heeft de VSAN twee weken geleden het overleg met deze minister opgeschort. Dus voelt de minister die urgentie en kan hij iets exacter aangeven wanneer oplossingen te verwachten zijn? In dat kader heeft hij het ook gehad over het belang van aandacht voor de positie van lagere inkomensgroepen. Mag ik dat uitleggen als een toezegging dat u binnen dat richtinggevend perspectief — ik vind dat een wat onmogelijk woord, maar het zijn uw woorden — rekening houdt met de positie van lage inkomens?

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 54

Minister Dekker:

Dan de brief over de rechtsbijstand na de zomer. Het klopt dat dat ruim is geformuleerd, maar als ik erachter plak "voor Prinsjesdag", is het een overzienbare periode. Dat is in ieder geval onze ambitie.

Dan is gevraagd naar ons perspectief: houden we in de contourennota voor het nieuwe stelsel voor rechtsbijstand rekening met de lage inkomens? Jazeker, daar is de rechtsbijstand natuurlijk ook vooral voor bedoeld, dus dat zal ik daar expliciet in meenemen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Kamer schriftelijk informeren na gesprek orde over toekomstvisie advocatuur (34.775 VI) (T02611)

De Minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Backer, toe in gesprek te treden met de Nederlandse Orde van Advocaten over een toekomstvisie voor de advocatuur en vervolgens de Kamer hierover schriftelijk te informeren.


Kerngegevens

Nummer T02611
Status voldaan
Datum toezegging 22 mei 2018
Deadline 1 januari 2019
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Jhr.mr. J.P. Backer (D66)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Experimenteerwetgeving
Nederlandse Orde van Advocaten
sociale advocatuur
Staat van de rechtsstaat
toekomstvisie
Kamerstukken Begrotingsstaten Justitie en Veiligheid 2018 (34.775 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 3, pg. 8

De heer Backer (D66):

Ik sprak net over de Orde, maar er zijn natuurlijk grote verschillen binnen de beroepsgroep. Die beroepsgroep is toch belangrijk in het geheel van de rechtsstaat. Een ontwikkeling is de Zuidas-advocatuur: kwalitatief hoogwaardige dienstverlening zeer specifiek op het financieel domein en overnames — ik wil niet zeggen dat dit op andere plaatsen in Nederland niet zo is, integendeel — heel belangrijk voor Nederland als vestigingsplaats voor bedrijven en een uitstekende opleidingsplek voor internationale ervaring en vaardigheden. Maar wat doet die hoge specialisatie met de brede basis van de beroepsgroep? Zijn de wel heel erg gespecialiseerde jonge advocaten breder inzetbaar in andere sectoren van het recht, eventueel ook in sociale advocatuur met de onderwerpen huur, sociaalverzekeringsrecht, arbeidsrecht en asielrecht? Is de financiële opleidingscapaciteit in de kleinere kantoren niet aanwezig dan zou dit bij de grotere kantoren gewaarborgd moeten zijn. Is er überhaupt een visie van het kabinet op de toekomst van de advocatuur in ons land? Die zou ik dan graag vernemen. Als die visie er niet is hoop ik dat die ontwikkeld wordt.

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 40

Minister Dekker:

De heer Backer stelde de vraag eigenlijk wat breder — en ook mevrouw Van Bijsterveld ging daarop in — over het onderscheid tussen sociaal en commercieel, eigenlijk de hele ontwikkeling in de advocatuur, waarbij je ook steeds meer specialisatie ziet. Dat is te verklaren, want die is soms nodig om een goede kwaliteit te bieden, maar dat stelt ons wel voor vragen als: wat betekent dat nu voor de advocatuur in de toekomst? Ik denk dat dezelfde discussie ook opgaat voor het notariaat. Ook daar zie je grote veranderingen optreden. Ik werd uitgedaagd om daar eens een visie over neer te leggen. Nu ben ik daarin enigszins terughoudend omdat je juist bij die juridische beroepen ziet dat er een heel sterke beroepsgroep is en dat de orde hier ook zelf uitgesproken ideeën over heeft. Ik vind dat zij het voortouw moeten nemen bij het schetsen van de toekomstvisie hoe de advocatuur er in de toekomst uitziet. Tegelijkertijd zijn er weinig beroepen die zo gereguleerd zijn als de advocatuur. Het raakt ook wetgeving en dus ben ik wel degelijk betrokken.

Misschien mag ik het volgende doen, zo zeg ik tegen de heer Backer. Als ik nu het gesprek aanga met de orde hoe wij dit wellicht als gezamenlijk project aan de vork kunnen steken en ik u in een brief schrijf hoe wij dat willen uitwerken, komt dat wellicht het meest in de buurt bij de visie die u vraagt. Ik deel uw nieuwsgierigheid en uw vraag naar hoe de advocatuur zich in de toekomst gaat ontwikkelen.

De heer Backer (D66):

Dat lijkt me een uitstekende gedachte. Het is geen oproep om de advocatuur groter te gaan reguleren, maar ik kom erop omdat we een aantal interacties hebben besproken, zoals de Experimenteerwet en de problematiek van de sociale advocatuur. Het lijkt me een uitstekende gedachte. Dank u.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Kamer schriftelijk informeren over toepassing algoritmen en kunstmatige intelligentie in de rechtspleging (34.775 VI) (T02612)

De Minister voor Rechtsbescherming zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Strik, Van Bijsterveld en Duthler, toe in het najaar, kort na de zomer, te komen met een brief waarin enkele gedachtelijnen worden neergezet rond de toepassing van algoritmen en kunstmatige intelligentie in de rechtspleging.


Kerngegevens

Nummer T02612
Status voldaan
Datum toezegging 22 mei 2018
Deadline 1 oktober 2018
Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden prof. dr. S.C. van Bijsterveld (CDA)
mr. dr. A.W. Duthler (Fractie-Duthler)
mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen algoritmen
horizontale privacy
kunstmatige intelligentie
rechtspleging
Staat van de rechtsstaat
Kamerstukken Begrotingsstaten Justitie en Veiligheid 2018 (34.775 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 3, pg. 11

Mevrouw Strik (Groenlinks):

Voorzitter. Ik noemde al eerder het toenemend verlies aan grip voor burgers door de zich razendsnel ontwikkelende technologie. Daar moet de politiek een antwoord op hebben. Toekomstige algoritmen bijvoorbeeld kunnen in één dag meer doorzoeken dan talrijke juristen en advocaten in heel hun leven. Vrijwel onfeilbare leugendetectors kunnen in de nabije toekomst in onze hersenen zien aan de hand van fmri-scans of we wel of niet liegen. Ook gezichtsherkenning zal straks niet meer weg te denken zijn in veel domeinen van het overheidsbeleid. Bij de opdracht om een verdere digitalisering van onze rechtsstaat op een veilige manier in te richten en te borgen, is de grootste uitdaging om de technologie de baas te blijven. Zeker als het raakt aan fundamentele mensenrechten, is de wereldwijde vrije markt niet de aangewezen partij om de macht te hebben. Algoritmen zijn immers allesbehalve neutraal of waardevrij. Neem softwareprogramma's die rechters in de Verenigde Staten bijstaan en die berekenen of een verdachte opnieuw de fout ingaat. Die blijken ronduit te discrimineren. Het algoritme voorspelde in 60% van de gevallen correct of iemand weer opnieuw de fout inging, maar de foutmarge bleek bij zwarte Amerikanen twee keer zo groot. Ook in Nederland worden big data ingezet om risicoprofielen te destilleren: bij woonfraude, financiële fraude en inzet van politie. Is de regering het met ons eens dat het juist van groot belang is dat er controle en transparantie is als het algoritme aan fundamentele grondrechten van onze burgers raakt?

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 1

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Inmiddels ontstaan ook allerlei privé-initiatieven tot rechtspraak, zoals e-Court. In hoeverre moeten wij als samenleving accepteren dat er aan een geschil beslechtende beslissing geen mens meer te pas komt? Kunnen wij geschillenbeslechting overlaten aan een algoritme of is het in essentie een menselijke activiteit? Graag een reactie van de minister.

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 9

Mevrouw Duthler (VVD):

De digital transformation, of in gewoon Nederlands de digitale transformatie, wordt gezien als de volgende stap in de digitale evolutie. Het bijzondere van de huidige digitale transformatie ligt niet zozeer in snellere computers of nog betere programma's, maar in het altijd verbonden zijn van mens en machine met zijn omgeving. Een omgeving waarin het internet uit het bewustzijn van de mens zal verdwijnen. Het is er namelijk gewoon, of we nu onze smartphone uit onze jaszak halen, een apparaat aanzetten of een ruimte binnenlopen: we zijn verbonden met alles en iedereen om ons heen, zonder dat we daar verder nog over nadenken. Het ontbreken ervan zou zoiets zijn als het niet meer opkomen van de zon in de morgen. In dat verband spreken we wel van "the augmented human being". De convergentie van nanotechnologie, biotechnologie, informatietechnologie en cognitieve wetenschappen heeft niet alleen invloed op de mensenrechten, maar ook op het fundamentele concept van wat een "human being" karakteriseert. Grenzen tussen mens en machine, tussen online- en offlineactiviteiten, tussen de fysieke en de virtuele wereld, tussen natuurlijk en kunstmatig, tussen realiteit en virtualiteit vervagen als gevolg van die eerder genoemde digital transformation. De mensheid vergroot haar mogelijkheden met behulp van machines, robots en software. Dan komen we aan bij die augmented human being. Hoe bereidt de regering zich op dergelijke ontwikkelingen voor?

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 41

Minister Dekker:

Ik ben ter voorbereiding bezig met een brief waarin ik enkele gedachtelijnen zal neerzetten rond de toepassing van algoritmen en kunstmatige intelligentie in de rechtspleging. De Tweede Kamer heeft me daarom gevraagd. Die brief kunt u in het najaar verwachten, kort na de zomer. Ik ben ook bezig met het ontwikkelen van een visie op waar ik het in het begin over had, namelijk horizontale privacy en de aandacht die we moeten besteden aan de mogelijkheden om het gebruik van bepaalde nieuwe technieken te normeren, voor zover die technieken van invloed kunnen zijn op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Handelingen I 2017/2018, nr. 30, item 6, pg. 42

Mevrouw Duthler (VVD):

Dit scheelt in de tweede termijn. Mag ik dit opvatten als een toezegging van de minister dat hij een overkoepelend standpunt zal formuleren over de wijze waarop we met dit soort ontwikkelingen om moeten gaan als we kijken naar die kernwaarden van de rechtsstaat, in brede zin?

Minister Dekker:

Ik maak 'm even heel specifiek. Ik heb de Tweede Kamer toegezegd dat ik in het najaar kom met een visie waarin ik het aspect van horizontale privacy meeneem. Maar er is ook nog het bredere vraagstuk hoe kunstmatige intelligentie raakt aan menselijke waardigheid en andere fundamentele grondrechten. Dat is echt wat breder dan dat, want dan heb je het ook over de effecten op gelijkheid, noem maar op. Dat vraagt iets meer tijd. Dat vraagt ook dat dat onderzoek is afgerond, en natuurlijk komen we, als dat onderzoek klaar is, met een kabinetsstandpunt op basis van de aanbevelingen die dat onderzoek oplevert.

Mevrouw Duthler (VVD):

Maar is dat dan het kabinetsstandpunt over die horizontale privacy, of is dat dan het bredere standpunt, waarin die onderwerpen die u net ook noemde betrokken zullen worden? Het gaat dan dus echt om de onderwerpen vrijheid van informatie, de verwevenheid van mens en machine, en vrije keuze. Is het zo dat echt die onderwerpen daarin worden betrokken, of beperkt de minister het echt alleen maar tot die horizontale privacy?

Minister Dekker:

Voorzitter, mag ik het volgende doen? Over die horizontale privacy kan ik duidelijk zijn. Dat weet ik toevallig, daar ga ik over en daar heb ik al verschillende malen met de Tweede Kamer over gedebatteerd. Dat komt in het najaar. Misschien mag ik dat bredere punt dan meenemen in mijn beantwoording van de tweede termijn. Dan plan ik nog even ruggespraak om te bekijken waar dat precies in de tijd zit. Er lopen nog onderzoeken, maar ik kan nog niet helemaal overzien wanneer die worden afgerond.


Brondocumenten


Historie