Rappelabele toezeggingen Buitenlandse Zaken (Totaaloverzicht oktober 2024)



Dit is het rappel tot 01-01-50.


Toezegging Vergadering Parlementaire Assemblee en werklast EHRM (32.125 en 32.123 V) (T01191)

De minister van Buitenlandse Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag/opmerking van het lid Kox, toe na de verkiezingen een vergadering van de Parlementaire Assemblee bij te zullen wonen. De minister van Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag/opmerking van het lid Strik, toe dat hijzelf of de minister van Buitenlandse Zaken – afhankelijk van de werklast en prioriteiten - een vergadering van de Parlementaire Assemblee bij zal wonen.

zie ook


Kerngegevens

Nummer T01191
Status deels voldaan
Datum toezegging 20 april 2010
Deadline 1 juli 2014
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden M.J.M. Kox (SP)
mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Europese Samenwerkingsorganisaties (ESO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Parlementaire Assemblee
Kamerstukken Staat van de Europese Unie 2009-2010 (32.125)
Begrotingsstaten Buitenlandse Zaken 2010 (32.123 V)


Uit de stukken

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1134

De heer Kox (SP): Morgen worden de voorstellen van Jagland besproken. Is de minister daar zelf bij of is daar iemand anders van onze regering bij? Mij is opgevallen dat de huidige secretaris-generaal van de Raad van Europa buitengewoon bij de tijd is en buitengewoon inspirerend werkt, maar ook choquerend kan werken. Een opmerking van hem die op mij veel indruk maakte, was dat tegenwoordig bij heel veel organisaties wordt gesproken over synergie, maar dat bij deze organisatie sprake is van -- ik vertaal het maar even in het Nederlands -- "nynergie": ongeveer alles werkt tegen elkaar in; wat het ene orgaan doet, wordt door het andere orgaan gesaboteerd. Er moet daar dus opgeruimd worden. In die zin begrijp ik dat regeringen en ministers niet altijd klaar staan met een zak geld om problemen op te lossen bij de Raad van Europa. De Raad van Europa moet eerst zelf een hoop problemen oplossen, maar op het eind van de dag zullen toch middelen beschikbaar moeten zijn om al het werk te kunnen verrichten dat de Raad van Europa inmiddels, zeker in de afgelopen vijftien jaar, op zijn bordje heeft gekregen. Misschien is het goed dat wij samen -- de Nederlandse delegatie, de Eerste Kamer en de minister -- nadenken over de list die wij moeten verzinnen om anderen tot een redelijkere opstelling te krijgen. Misschien is het goed als de minister op korte termijn naar Straatsburg komt. Wij zien daar altijd graag ministers verschijnen om de assemblee toe te spreken. Dan zou de minister daarop kunnen wijzen. Het geluid van een minister en een regering dat het geld mag kosten als het goed is en als het geld moet kosten, zouden wij daar best kunnen gebruiken. Ik ondervraag altijd alle ministers op dit punt. Het zou mij genoegen doen als ik de Nederlandse minister zou kunnen ondervragen en als die dan zegt: ja natuurlijk, dat weet je toch? Dat zou erg nuttig kunnen zijn.

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1136

Mevrouw Strik (GroenLinks): Toen nog staatssecretaris Albayrak is eerder uitgenodigd voor de junisessie van de Parlementaire Assemblee om haar vreemdelingenbeleid uit te leggen. Het zou geweldig zijn als de minister van Justitie die uitnodiging kan overnemen. Wellicht dat hij dan de kans krijgt om de zaak verder uit te leggen.

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1141

Minister Verhagen: Ik dank de heer Kox, ook voor de waarderende woorden over de communicatie. Hoewel ik werd gesouffleerd en op het goede pad werd gezet door zijn fractiegenoot die mij de suggestie aan de hand deed, was ik al van plan om naar de Raad van Europa te gaan. Dat was al min of meer gepland in mijn agenda. Ik was van plan om naar Straatsburg toe te gaan. Toen kwam ik in de omstandigheid dat ik niet alleen meer minister van Buitenlandse Zaken was, maar ook minister voor Ontwikkelingssamenwerking en staatssecretaris van Europese Zaken. Daarbij zullen er op korte termijn verkiezingen van de Tweede Kamer plaatsvinden en ben ik door mijn partij geschikt bevonden om op de kandidatenlijst te staan. Derhalve is mijn agenda ietwat druk geworden. Ik heb Straatsburg nog steeds staan, maar ik hoop daar na de verkiezingen van 9 juni heen te kunnen gaan. Ik ben het met de heer Kox eens dat het van belang is dat er ook ministers komen. Ik zal dus zo snel mogelijk na de verkiezingen bekijken hoe mijn nieuwe agenda

eruitziet.

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1141

Mevrouw Broekers-Knol (VVD): Als minister!

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1141

Minister Verhagen: Dan zijn er eerst heel lange onderhandelingen.

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1142

De voorzitter: Wij zullen het erbij schrijven op het toezeggingenlijstje.

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1142

Minister Verhagen: Dat is goed!

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1142

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ik heb nog een aantal vragen liggen waaronder de vriendelijke opwekking van mevrouw Strik om een inhoudelijk verhaal in Straatsburg te komen houden, maar die is inmiddels ingehaald door de vraag van de heer Kox aan minister Verhagen om geld naar Straatsburg te komen brengen. Ik begrijp nu hoe de volgorde van prioriteiten is. Ik wacht even op het moment waarop deze reacties op een, voor degene die de Handelingen maakt, hoorbare vorm worden uitgesproken.

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1142

De heer Kox (SP): Staatssecretaris Albayrak zou eind juni bij de aanbieding van twee rapporten over migratie en vluchtelingen aanwezig zijn. Als de minister daar de regering zou willen vertegenwoordigen – hij is bij wijze van spreken al genoteerd, want er is al genoteerd dat Nederland een spreker zal leveren – is hij van harte welkom. Als hij minister Verhagen dan ook nog meeneemt die wellicht ook nog iets over geld kan zeggen, zullen zij een geweldig populair duo zijn. Ik meen dat de aanwezigheid van de minister – en nu ben ik serieus – eind juni bij de behandeling van die rapporten op prijs zal worden gesteld.

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1142

Minister Hirsch Ballin: Ik dank de heer Kox voor deze toelichting. Ik tast nu even in het duister of voor mevrouw Strik de prioriteiten ook zo liggen. Zij knikt ja. Ik zal uiteraard rekening houden met de agenda. Minister Verhagen heeft al gezegd dat hij de taken van onze vroegere collega's Koenders en Timmermans heeft moeten overnemen. Ik heb de taken moeten overnemen van onze vroegere collega's Albayrak en Ter Horst. Dus ik kom in een combat des générosités met collega Verhagen wat betreft de werklast en de prioriteiten, maar u mag uit onze reacties in combinatie afleiden dat voor ons beiden de Raad van Europa zeer hoog genoteerd staat.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Informeren over toetreding EU tot EVRM (33.877) (T01941)

De Minister van Buitenlandse Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Kox (SP), toe de Kamer op de hoogte te houden van ontwikkelingen ten aanzien van de toetreding van de Europese Unie tot het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).


Kerngegevens

Nummer T01941
Status openstaand
Datum toezegging 15 april 2014
Deadline 1 januari 2015
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden M.J.M. Kox (SP)
Commissie commissie voor Europese Zaken (EUZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen staat van de Unie
toetreding
EVRM
Kamerstukken Staat van de Europese Unie 2014 (33.877)


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 27, item 3 - blz. 19

De heer Kox (SP):

Ik hoor ook graag wanneer de toetreding van de EU tot het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens eindelijk zou kunnen plaatsvinden. We wachten daar eigenlijk al veel te lang op. Of zijn er nieuwe beren op de weg verschenen?

Handelingen I 2013-2014, nr. 27, item 8 - blz. 35

Minister Timmermans:

Nederland hecht aan toetreding van de Europese Unie tot het EVRM. We werken daar hard aan. De Commissie heeft advies gevraagd aan het EU-hof. Dat advies wordt over een paar maanden verwacht, na de zomer. Om de toetredingsakkoorden te optimaliseren, zullen we ook interne toepassingsregels moeten opstellen. Dat ligt stil tot het advies van het hof beschikbaar is. Samen met een aantal andere lidstaten hebben we er bij de Commissie op aangedrongen om daarmee toch door te gaan, ondanks het feit dat we nog op het advies van het hof zitten te wachten. Ik zal de Kamer goed op de hoogte houden van de ontwikkelingen op dat vlak.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Rapportage benutting Associatieverdrag EU-Oekraïne voor versterking minderheden in Oekraïne (34.669) (T02424)

De minister van Buitenlandse Zaken zegt toe te rapporteren over de wijze waarop het Associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne ook expliciet wordt benut om de positie van joodse, christelijke en andere minderheden in Oekraïne te versterken.


Kerngegevens

Nummer T02424
Status openstaand
Datum toezegging 23 mei 2017
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden mr. D.J.H. van Dijk (SGP)
Commissie commissie voor Europese Zaken (EUZA)
commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen minderheden
Oekraïne
Kamerstukken Regeling inwerkingtreding van de goedkeuring Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie met Oekraïne (34.669)


Uit de stukken

Eerste termijn

Minister van Buitenlandse Zaken, B. Koenders:

De SGP-fractie heeft terecht gevraagd: het is ook belangrijk dat u denkt aan de minderheden; zou dat niet meer aandacht moeten krijgen in Oekraïne? De bescherming van mensenrechten ontstaat heel langzaam vanuit de traditie van het communisme en een door de staat gedirigeerde en soms corrupte regering. Wij hadden het daar net al over. Dat is iets wat langzaam maar zeker moet veranderen. Het interessante van de keuze die de Oekraïense bevolking nu heeft gemaakt, is dat zij daar eigenlijk mee zegt: daar willen wij aan werken; dat is ons doel. Daarom stonden die mensen op het Maidanplein. Het gaat om de gemeenschappelijke waarden waarop de Europese Unie is gebouwd, waaronder de eerbiediging van democratische beginselen, de fundamentele rechten van de mens, de vrijheden en het beginsel van de rechtsstaat. We zijn er nog lang niet, maar ik zie wel dat dit omarmd en gebruikt wordt en onderdeel is van het discours. Daaraan wordt men afgemeten. Dat wordt steeds belangrijker in de politieke discussie binnen Oekraïne. Daarin wordt vervolgens weer specifiek aandacht gegeven aan de bescherming van minderheden. Het is een essentieel element van de associatieovereenkomst en daarmee dus ook een element van de controle en monitoring.

Ook bilateraal spant Nederland zich op dit vlak in. Onze ambassade in Kiev ondersteunt de positie van religieuze minderheden en bevordert tolerantie via het MATRA- en mensenrechtenfonds. Een voorbeeld daarvan is het project Dialogue Involving Religious Communities, om het maar in goed Nederlands te zeggen. Het gaat daarin precies om het punt waarop de heer Van Dijk doelt: promoting tolerance, acceptance and peace-building in Ukraine. Dat project brengt op een buitengewoon goede manier, in ieder geval voor zover ik dat gerapporteerd heb gekregen, verschillende christelijke, joodse en moslimgroepen in een serieuze dialoog bijeen.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank voor uw beantwoording en dan vooral voor het slot daarvan, waarin u expliciet ingaan op de christelijke, joodse en andere minderheden. Is het denkbaar dat u deze Kamer van uw inzet op dit terrein op de hoogte stelt? Hoe kunnen we dat volgen?

Minister van Buitenlandse Zaken, B. Koenders:

Ik denk dat het zeker mogelijk is de Kamer op de hoogte te houden van mijn inzet op dit terrein. Wel moet ik even nadenken over wat de handigste methode is: alleen op dit belangrijke punt, of iets breder op regelmatige basis? Ik heb net een bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU bijgewoond over dit soort associatieakkoorden. Daar zijn wij mee bezig en daarvan wordt verslag gedaan. Ik zal ervoor zorgen dat u op dit punt een extra rapportage krijgt, apart of in de brief die daarover gaat.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank voor die toezegging.

Tweede termijn

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Voorzitter. Ik zeg de minister en de nu afwezige premier graag hartelijk dank voor de kwieke beantwoording. Ik ga het kort houden. Ik dank de minister nogmaals voor zijn toezegging om het verdrag ook expliciet te benutten om de positie van joodse, christelijke en andere minderheden in Oekraïne te versterken. We blijven graag op de hoogte daarvan.



Historie







Toezegging Toetreding EU tot EVRM (34.775) (T02499)

De Minister van Algemene Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Kox (SP), toe dat de regering het parlement periodiek blijft informeren over toetreding van de Europese Unie tot het EVRM.


Kerngegevens

Nummer T02499
Status openstaand
Datum toezegging 5 december 2017
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden M.J.M. Kox (SP)
Commissie commissie voor Europese Zaken (EUZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen Europese Unie
toetreding
EVRM
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 10, item 3 - blz. 39

De heer Kox (SP): Ik deel natuurlijk de opvatting van collega Strik dat er best wat centen bij kunnen bij andere Europese organisaties. Die kunnen naar mijn mening wel bij de EU weggehaald worden, maar er is natuurlijk meer. De EU moet toetreden tot het EVRM, maar dat schiet niet op. En de EU zou kunnen toetreden tot het Europees Sociaal Handvest, maar in de sociale pijler, die net in Göteborg in aanwezigheid van de minister-president is afgesproken, wordt er niet of nauwelijks gerefereerd aan het Europees Sociaal Handvest dat onze sociale grondrechten garandeert. Moeten we niet alleen van de regering meer geld vragen, bijvoorbeeld voor de Raad van Europa, maar ook vragen om aan te dringen op het eindelijk maken van vaart met de toetreding van de Europese Unie tot het EVRM en op het overwegen om toe te treden tot het Europees Sociaal Handvest? Dat kost geen geld en dat verbetert de situatie.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 3 - blz. 30

Minister Rutte: Dan is er een vraag gesteld over het EVRM. Het kabinet is groot voorstander van de toetreding tot het EVRM en maakt zich daar in Brussel ook sterk voor. De stand van zaken is dat we wachten op een voorstel van de Commissie over hoe om te gaan met het bindende advies van het Europees Hof dat het concepttoetredingsverdrag in strijd is met de EU-verdragen. Dat loopt nu. Wij roepen de Commissie steeds op tot spoedige presentatie van het betreffende voorstel. We zullen het parlement periodiek blijven informeren hierover. Het was ook een toezegging aan de heer Kox bij het verslag van de Raad Algemene Zaken in september om het parlement er regelmatig over te informeren.

NB. dit is een bevestiging van toezegging T01941 uit 2014.

Zie T01941 voor de actuele stand van zaken.


Brondocumenten


Historie

  • 5 december 2017
    toezegging gedaan






Toezegging Informeren Eerste Kamer over Nederlandse inzet voor transparantieagenda (34.841) (T02583)

De Minister van Buitenlandse Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Apeldoorn (SP), toe ook de Eerste Kamer blijvend te informeren over de inzet van de Nederlandse regering over de transparantieagenda in Europa.


Kerngegevens

Nummer T02583
Status openstaand
Datum toezegging 10 april 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden prof. dr. E.B. van Apeldoorn (SP)
Commissie commissie voor Europese Zaken (EUZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen Openbaarheid van Raadsdocumenten
raad
transparantie
Kamerstukken Staat van de Europese Unie 2018 (34.841)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 26, item 8 - blz. 38

Van Apeldoorn (SP):

Er wordt al jaren gedebatteerd over het zogenaamde democratische tekort van Europa. Er wordt alleen bar weinig aan gedaan. De besluitvorming in de EU is te veel aan het zicht van de burger, maar ook van nationale parlementen onttrokken. De commissies Europese Zaken van de Tweede en de Eerste Kamer hebben in het najaar het paper Opening up Closed Doors gepresenteerd aan de collega-parlementariërs van de COSAC en het vervolgens met de steun van maar liefst 26 EU-parlementen aan de voorzitter van de

Europese Raad, Tusk, verstuurd. Ik refereerde hier al aan tijdens een interruptie. Het stelt de SP-fractie buitengewoon teleur dat er nog geen enkele reactie van de Raad vernomen is. Men heeft de mond vol over de versterking van de rol van parlementen en de noodzaak van een politieke dialoog maar als door 26 EU-parlementen een initiatief wordt gesteund dat oproept tot transparantie, een noodzakelijk voorwaarde voor de uitoefening van onze controlerende taak als parlementen, dan is het oorverdovend stil.

Hoe kijkt het kabinet hier tegenaan? Is er door de regering in de Raad voor gepleit om in ieder geval met een antwoord te komen? In een kabinetsreactie op het paper zegt de

regering zich te blijven inspannen op dit gebied. Dat verheugt ons. Maar graag horen wij van de minister wat de actuele stand van zaken in dezen is. Waar hebben die inspanningen tot nog toe, ook bij recente toppen, uit bestaan en wat hebben die opgeleverd? Welke inspanningen mogen wij op dit gebied nog wanneer verwachten? Zou de minister kunnen toezeggen ook deze Kamer periodiek te informeren over de inspanningen ten aanzien van

de transparantieagenda die hij zo proactief zegt te omarmen?

[...]

Minister Blok:

Transparantie en het initiatief van deze Kamer om tot een COSAC-advies te komen om die transparantie te bevorderen. De Nederlandse regering heeft op een aantal terreinen

steeds gepleit voor meer transparantie. Tegen die achtergrond juichen wij ook het initiatief van dat COSAC-document zeer toe. Het zal op 26 april worden besproken in de Raadswerkgroep Informatie, dus het staat op de agenda. De Nederlandse inzet blijft dat er stappen worden gezet wat betreft die transparantie. We zullen de Kamer daar ook over blijven informeren.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Intrekking Wet zorgplicht kinderarbeid (34.506) (T02721)

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Lokin-Sassen, toe geen gebruik te maken van de mogelijkheid die de Wet zorgplicht kinderarbeid biedt om de wet bij Koninklijk Besluit weer in te trekken. De minister zegt toe dat eventuele intrekking altijd per wet zal geschieden.


Kerngegevens

Nummer T02721
Status openstaand
Datum toezegging 23 april 2019
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
Huidige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
Kamerleden Mr. P.E.M.S. Lokin-Sassen (CDA)
Prof.dr. H.W. Overbeek (SP)
Commissie commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen intrekkingen
Koninklijk Besluit
Wet zorgplicht kinderarbeid
Kamerstukken Initiatiefvoorstel-Kuiken Wet zorgplicht kinderarbeid (34.506)


Uit de stukken

Handelingen I 2018-2019, nr. 27-11 - blz. 13

Mevrouw Lokin-Sassen:

Ten slotte "hebben de heer Schaap en mevrouw Lokin" — ik citeer nog steeds de minister — "voorts gevraagd of het niet voor de hand had gelegen om de toezichthouder door de wet te laten aanwijzen. Het antwoord luidt bevestigend. In samenhang hiermee hebben mevrouw Lokin en de heer Overbeek gevraagd of het niet vreemd is dat de wet bij koninklijk besluit kan worden ingetrokken. Ook hier ga ik in mee. Ik kan dan ook toezeggen dat ik van deze mogelijkheid geen gebruik zal maken". Het is mooi dat de minister deze toezegging doet, maar uit staatsrechtelijk oogpunt is het wat onze fractie betreft niet voldoende. Het is namelijk staatsrechtelijk onjuist om een wet bij Koninklijk Besluit in te trekken. Een wet behoort te worden ingetrokken door een andere wet. Moet, uit staatsrechtelijk oogpunt, dan deze wet niet alleen om die reden al worden veranderd?

De heer Overbeek

Voorzitter. Tot onze vreugde heeft de minister in eerste termijn in antwoord op vragen onzerzijds toegezegd dat zij geen gebruik zal maken van de in artikel 12, lid 2 gegeven mogelijkheid om de wet in de toekomst bij Koninklijk Besluit in te trekken. Wellicht ten overvloede: betekent dit dat de wet alleen door de beide Kamers via een intrekkingswet kan worden ingetrokken? Graag een bevestiging van de minister.

Minister Kaag

Er was ook een vraag van mevrouw Lokin-Stassen of de intrekking van de wet bij Koninklijk Besluit niet een staatsrechtelijke gruwel is. Ik merk op dat een dergelijke figuur inderdaad op gespannen voet staat met het uitgangspunt dat wijziging of intrekking van een regeling geschiedt bij regeling van gelijke orde. Van dit uitgangspunt wordt soms afgeweken doordat bij wet lagere regelgeving wordt ingetrokken. U merkt vast dat ik dit letterlijk voorlees. Zo ligt het in de rede dat een wet die beoogt een zelfstandige algemene maatregel van bestuur te vervangen, tevens voorziet in de intrekking van die zelfstandige AMvB. Van een intrekking van de hogere regelgeving door een regeling of besluit dat lager in de hiërarchie staat, ken ik zelf geen precedenten. Ik kan bevestigen — wellicht nogmaals naar aanleiding van de vraag van de heer Overbeek — dat als er geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om de wet bij Koninklijk Besluit in te trekken, er inderdaad een nieuwe wet nodig is.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Actieve inzet effectief EU-instrumentarium bij rechtsstaatschending (35.295) (T03395)

De minister van Buitenlandse Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Apeldoorn (SP), toe dat de regering zich, mede in het geval van een verdragswijziging, actief zal inzetten voor een effectief EU-instrumentarium bij rechtsstaatschending door lidstaten.


Kerngegevens

Nummer T03395
Status openstaand
Datum toezegging 8 februari 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden prof. dr. E.B. van Apeldoorn (SP)
Commissie commissie voor Europese Zaken (EUZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen artikel 7 EU-verdrag
rechtsstaatschending
Kamerstukken EU en de rechtsstaat (35.295)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/2022, nr. 16, item 11 - blz. 12-13

De heer Van Apeldoorn (SP):

Goed. Ik wil nog even terugkomen op het punt van de verdragswijziging, waarover de minister zegt: de weg daarnaartoe is vol doornen en distels. Dat spreekt vanzelf; dat is een lange weg. Maar dat betekent niet dat je die weg niet bij voorbaat op zou moeten gaan of proberen daarop te gaan. We zien dit in de context van de discussie over een verdragswijziging, zoals die nu mogelijk al op de agenda staat in het kader van de conferentie over de toekomst van Europa. Kan de minister dan concreet aan deze Kamer toezeggen dat de Nederlandse regering dit zal agenderen als een van de punten waarop het Verdrag misschien gewijzigd zou moeten worden, om te komen tot een beter, effectiever instrumentarium voor de normen van de democratische rechtsstaat binnen de Europese Unie?

Minister Hoekstra:

Ja. Sterker nog, ik denk dat dat belangrijk is. Dat ben ik met de heer Van Apeldoorn eens. Maar ik zal ik ook bij elk van de subvragen beargumenteren dat ik het volgende vind. Als je met elkaar gelooft dat de Europese Unie er is voor het verdienen van geld, voor het drijven van handel en voor welzijn, maar dat het ook gaat om de waardegemeenschap, dan moet je dat ook serieus nemen. Dan zal je zelfs meer moeten doen dan dat alleen maar tijdens de conferentie naar voren brengen, in het kader van een eventuele wijziging van dat Verdrag. Nogmaals, ik denk dat dat laatste echt heel lastig wordt en heel veel werk gaat kosten, en dat een uitkomst die het op het gebied van de rechtsstaat beter maakt verre van gegarandeerd is. Maar ik ben het er zeer mee eens. Ik zou het eigenlijk breder willen trekken. Het zou én de conferentie én het Verdrag moeten zijn, waar ik graag naar zou willen kijken. Maar ik denk dat het veel meer onderdeel zou moeten zijn van de dialoog over een heleboel zaken waar we mee te maken hebben.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Over het feit dat het breder moet zijn, zijn de minister en ik het niet met elkaar oneens. Het punt is het volgende. Is de minister het eens met de analyse dat het, in het kader van het beter handhaven van de rechtsstatelijkheid in de EU, uiteindelijk zeer wenselijk zou zijn dat we komen tot een verdragswijziging op dit punt? Ik begrijp dat de weg ernaartoe moeilijk is en dat we, terwijl we die weg nog moeten bewandelen en de uitkomst onzeker is, ook andere dingen moeten doen. Daar is over gesproken. Maar evengoed vraag ik de minister of dat een weg zou kunnen zijn voor de Nederlandse regering. Als die mogelijkheid zich voordoet, dan zouden wij dat Verdrag graag gewijzigd zien op dit punt, bijvoorbeeld ten aanzien van artikel 7 of op een andere manier, een uitzetoptie, zodat in ieder geval duidelijker wordt verankerd in een nieuw verdrag dat het mogelijk is voor de EU om handhavend op te treden, met uiteindelijk ook uiterste consequenties voor lidstaten die flagrant en systematisch de regels van de rechtsstaat aan hun laars lappen.

Minister Hoekstra:

Ik zeg dat graag toe. Ik wil dat graag verder exploreren. Ik wil alleen steeds twee dingen tegelijkertijd doen. Ik wil er namelijk aan de ene kant op wijzen dat ik me daar, mits je het verstandig vormgeeft en mits je de formulering toepast die je vooruit in plaats van achteruit helpt, heel graag voor inzet. Ik ben er namelijk met velen in uw Kamer van overtuigd ben dat meer oog voor de rechtsstaat uiteindelijk in het belang van de Europese Unie en alle inwoners is. Alleen, ik moet daarbij steeds schetsen hoe ingewikkeld de weg daarnaartoe is, precies omdat er unanimiteit vereist is en er lidstaten zijn die hele andere opvattingen hebben en helemaal aan de andere kant van het touw trekken. Dus ik ben het er graag mee eens, maar het is ook mijn taak om daar de realistische verwachtingen naast te leggen, al is het maar om toekomstige teleurstellingen te voorkomen.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Tot slot. Dat begrijp ik. Fijn dat de minister ons wil behoeden voor teleurstellingen. Ik begrijp dat dat een heel lang en ingewikkeld proces zou worden. Ik denk dat de minister ook gelijk heeft, als hij realistisch is en zegt: we moeten het niet onderschatten en het zou ook een andere uitkomst kunnen hebben. Maar als je zegt "het wordt een moeilijke weg", dan kun je twee dingen doen. Je zegt: dan gaan we die weg überhaupt niet op en dan gaan we daar ook geen energie in steken. Of je kunt zeggen: uiteindelijk is dat toch heel belangrijk voor de Nederlandse regering en we gaan dus ook daarop inzetten. Maar ik proef in de woorden van de minister dat hij toezegt dat het een het ander niet uitsluit en dat dat dus, in de context van de discussie over een verdragswijziging, ook op de agenda kan komen wat de Nederlandse regering betreft.

Minister Hoekstra:

Ik ga nu op een derde manier proberen ja te zeggen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Actieve inzet regering in toetreding EU tot EVRM (35.295) (T03399)

De Minister van Buitenlandse Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Oomen-Ruijten (CDA) en Van Apeldoorn (SP), toe de Europese Commissie en de Raad aan te sporen op toetreding van de Europese Unie tot het EVRM.


Kerngegevens

Nummer T03399
Status openstaand
Datum toezegging 8 februari 2022
Deadline 1 januari 2023
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden prof. dr. E.B. van Apeldoorn (SP)
M.G.H.C. Oomen-Ruijten (CDA)
Commissie commissie voor Europese Zaken (EUZA)
commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen EU
toetreding
EVRM
Kamerstukken EU en de rechtsstaat (35.295)


Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 16, item 11, - blz. 46-47

Minister Hoekstra:

Voorzitter. Mevrouw Oomen vroeg of ik bereid ben toe te zeggen dat de Nederlandse regering de Europese Commissie, maar ook de collega's in de Raad, wil aansporen — zij had het over "manen" — om de verdragsrechtelijke verplichting tot toetreding tot het EHRM nu ook waar te maken. Het eerste deel van de vraag van de heer Van Apeldoorn lag in het verlengde daarvan. Voor de goede orde: die toetreding wordt in mijn optiek, zoals ik het begrepen heb, niet opgehouden in de Raad. De heronderhandelingen met de Raad van Europa naar aanleiding van het negatieve advies van het EU-Hof zijn thans in volle gang. Wij trekken daarbij nauw op met de Europese Commissie en gelijkgezinde lidstaten om die toetredingsonderhandelingen te bespoedigen. Daar zal ik me in ieder geval voor inzetten. Ik zie een blik op het gezicht van mevrouw Oomen die ik goed ken uit een wat langer verleden en die betekent dat nadere beraadslaging volgt.

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA):

Daar was ook een goede samenwerking, moet ik zeggen. Ik heb het gevoel dat het niet meer het Europees Hof van Justitie is dat ophoudt. Zou u dat nog eens na willen gaan? Het onderhandelingsmandaat ligt er ook van de zijde van de Europese Commissie, maar er zijn wat beren op de weg in de Raad, als ik goed geïnformeerd ben.

Minister Hoekstra:

Ik weet dat mevrouw Oomen altijd buitengewoon goed geïnformeerd is over hoe de hazen in Brussel lopen. Dat noopt onmiddellijk tot grote voorzichtigheid. Dit is het begrip dat ik van de situatie heb. Het doet eigenlijk niks af aan mijn toezegging in haar richting. Ik ben sowieso bereid om het gesprek met andere lidstaten en de Europese Unie en daarmee dus ook met de Commissie te hernemen. Ik begrijp namelijk heel goed het gevoelen waar ze uiting aan geeft: kunnen we hier op niet al te lange termijn vorderingen in maken? Ik zal daar dus mee doorgaan.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Actieve inzet voor transparantie in EU-besluitvorming (35.295) (T03400)

De Minister van Buitenlandse Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Apeldoorn (SP), toe zich te blijven inzetten voor transparantie in EU-besluitvorming.


Kerngegevens

Nummer T03400
Status openstaand
Datum toezegging 8 februari 2022
Deadline 1 juli 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden prof. dr. E.B. van Apeldoorn (SP)
Commissie commissie voor Europese Zaken (EUZA)
commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen besluitvorming
EU
transparantie
Kamerstukken EU en de rechtsstaat (35.295)


Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 16, item 11 - blz. 24

De heer Van Apeldoorn (SP):

Over de transparantie. Als blijkt, zoals volgens een aantal onderzoekers het geval was, dat de Europese Commissie niet erg transparant is en er een probleem is met de openbaarheid van bestuur, dan zou dat ook een zorg van de Nederlandse regering moeten zijn. Maar laat ik een andere vraag stellen. Ik had het in dit verband ook over een feit dat ermee te maken heeft, namelijk dat veel besluitvorming feitelijk in ambtelijke werkgroepen achter gesloten deuren wordt voorbereid. Er worden geen notulen gemaakt of ze zijn geheim. Soms zijn ze opvraagbaar, maar dat duurt dan jarenlang. Het gaat wel over de lidstaten. Daar zit nog een probleem van transparantie. Erkent de minister dat er op het gebied van transparantie nog veel nodig is binnen de EU? En is de regering bereid zich ervoor in te zetten, ook op basis van eerdere toezeggingen, om die transparantie beter te krijgen? Het gaat dan niet alleen over de Commissie, maar ook over de raden, de ambtelijke werkgroepen en de triloog.

Minister Hoekstra:

Ik was geneigd om "ja" en "ja" te zeggen, maar toen kwam er nog een vrij lange kleurschakering achteraan van voor wie dat allemaal zou moeten gelden. Ik zou de Kamer, en de heer Van Apeldoorn in het bijzonder, ervan willen verzekeren dat ik hier werk van zal blijven maken. Ik heb dat nadrukkelijk gedaan in de vorige periode en ik heb dat ook nadrukkelijk gedaan in samenspraak met de drie rapporteurs in de vorige Kamer uit de commissie voor Financiën, die toen soortgelijke kritiek hadden op het functioneren van de eurogroep en het gebrek aan transparantie daar. Ik zeg daar eerlijk bij: dat was met wisselend succes. Dit thema staat in Nederland heel hoog op de agenda. Wij kennen een ongekende mate van transparantie in vergelijking met veel andere lidstaten en Brussel. Maar ik ga ermee verder.

De voorzitter:

Meneer Van Apeldoorn, tot slot.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ja, tot slot. Ik ben blij met de toezegging dat de minister ermee verdergaat. Misschien komen we er verder over te spreken bij de Algemene Europese Beschouwingen, wat voor mijn fractie ook een zeer belangrijk punt is.

Minister Hoekstra:

Ik maak mij daar geen enkele illusie over. Dat thema zal terugkeren.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Bijwonen PACE-vergadering (35.295) (T03411)

De minister van Buitenlandse Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Apeldoorn (SP), toe een vergadering van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa bij te wonen, zodra daar gelegenheid voor is.

zie ook


Kerngegevens

Nummer T03411
Status openstaand
Datum toezegging 8 februari 2022
Deadline 1 januari 2023
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden prof. dr. E.B. van Apeldoorn (SP)
Commissie commissie voor Europese Zaken (EUZA)
commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa
Kamerstukken EU en de rechtsstaat (35.295)


Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 16 item 3 - blz. 23

De heer Van Apeldoorn (SP):

Mag ik trouwens even memoreren dat wij als Eerste Kamer een bijzonder hechte band hebben met deze organisatie voor mensenrechten en democratie, met erg actieve leden en sinds kort zelfs een lid van deze senaat als president van de Parlementaire Assemblee? Ik zie hem, de heer Kox, daar zitten op de publieke tribune. Gaat de minister binnenkort naar Straatsburg om ook de regeringsbanden aan te halen? Dan kan hij de belofte van verschillende voorgangers eindelijk inlossen.

Handelingen I 2021-2022, nr. 16 item 11 - blz. 17

Minister Hoekstra:

Dan heb ik nog een paar dingen in de categorie overig instrumentarium. Mij was ook niet ontgaan dat de heer Kox plaats heeft genomen op de linkertribune. Hij is uitgebreid door de heer Van Apeldoorn in het zonnetje gezet. Ik haast me natuurlijk meteen om richting de heer Van Apeldoorn te vertellen wie ik allemaal wel en niet gesproken heb. Normaal ben ik daar wat voorzichtig in. Maar de heer Kox en ik hebben elkaar telefonisch al weten te vinden en praten binnenkort ook bij over alles wat hij voor Europa gaat doen. En zodra daar gelegenheid voor is, ga ik ook graag naar Straatsburg. Laat ik dat via de heer Van Apeldoorn vast in de richting van de heer Kox zeggen. Ik heb eerder al gezegd, maar dat herhaal ik hier graag, dat ik het zelf geweldig vind dat hij dat gaat doen. Hij is daar wat mij betreft buitengewoon gekwalificeerd voor. Het is ook voor Nederland heel goed nieuws.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Bredewelvaartsanalyse lidmaatschap EU (36.259) (T03592)

De minister van Buitenlandse Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Backer (D66), toe de Kamer te informeren over de eventuele mogelijkheden van een bredewelvaartsanalyse van het lidmaatschap van de EU door nationale of Europese onderzoeksinstituten.


Kerngegevens

Nummer T03592
Status openstaand
Datum toezegging 18 april 2023
Deadline 1 januari 2024
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden Jhr.mr. J.P. Backer (D66)
Commissie commissie voor Europese Zaken (EUZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen bredewelvaartsanalyse
kosten-baten EU
onderzoeksinstituten
Kamerstukken Staat van de Europese Unie 2023 (36.259)


Uit de stukken

Handelingen I 2022-2023, nr. 27, item 11 - blz. 32.

De heer Backer (D66):

“De minister ging net even wat snel over de bredewelvaartstudie en de baten voor Nederland van Europa heen. Wie wat bewaart, die heeft wat. Ik heb hier de brief van een van zijn voorgangers, Stef Blok, van 22 februari 2021. Die gaat over de motie-Backer cum suis, Kamerstuk 35403, letter F, zeg ik maar even voor de Handelingen. Daarin is toen in een voetnoot iets toegezegd. Een termijn is een inspanningsverplichting, zei de minister.”

Minister Hoekstra:

“Zeker.”

De heer Backer (D66):

“Daarin is toegezegd om tegen maart 2021 aan de Kamer te rapporteren. Dat is gebeurd. Ik zie dat de minister aan het multitasken is.”

Minister Hoekstra:

“Zeker. Daar ben ik niet goed in.”

De heer Backer (D66):

“Vervolgens is in diezelfde brief gezegd: brede welvaart is erg moeilijk. Die discussie kennen wij ook van de rijksbegroting. Daarin was de discussie over de vraag hoe dat moet worden opgenomen ook aan de orde. We zijn nu in april 2023. Ik denk dat het inmiddels niet meer zo moeilijk is. Ik zou dus eigenlijk een toezegging willen hebben, nu wel met een inspanningsverplichting, dat in ieder geval de contouren van die verkenning zichtbaar worden voor deze Kamer, niet voor de zomer, maar toch wel dit jaar. Ik kan me best voorstellen dat het lastig is, maar het is wel doenlijk.”

Minister Hoekstra:

“Volgens mij heeft de inspanning plaatsgevonden, maar zeggen de instituten die we geraadpleegd hebben en die het werk zouden moeten doen: wij voelen ons daartoe niet geëquipeerd. Dat is in ieder geval hoe ik het begrijp. De toezegging die Blok heeft gedaan, die ik uiteraard tot en met de voetnoot aan toe, haarscherp op het netvlies had staan, is dat wij dat hebben doorgeleid als kabinet. Ik herinner me uit mijn vorige verantwoordelijkheid dat het al niet eenvoudig was in Nederland, maar het is waar dat we die brug uiteindelijk hebben weten te slechten. De Nederlandse onderzoeksinstituten hebben gezegd dat ze dit eigenlijk niet op Europees niveau kunnen doen. Ik wil dit best nog wel een keer opbrengen. Het ligt overigens niet in de eerste plaats bij mij, denk ik, maar ik wil best nog een keer kijken of iemand anders van de kabinetsleden — misschien is dat de minister van Financiën, misschien die van Sociale Zaken of een ander — dat nog een keer in een Europese vergadering wil opbrengen. Misschien dat er in Europa wel mensen zijn die dit werk kunnen doen, maar mijn begrip is dat de Nederlandse onderzoeksinstituten zich daartoe niet geëquipeerd voelen.”

Handelingen I 2022-2023, nr. 27, item 11 - blz. 32-33.

De heer Backer (D66):

“Ik citeer tot slot nog even uit de brief. "Het streven is om op middellange termijn een integraal beeld te realiseren voor toekomstige beleidsafwegingen. De komende onderzoeken van de Algemene Rekenkamer naar de toegevoegde waarde van de uitvoering van het EU-beleid in Nederland kunnen hieraan bijdragen " Het onderzoek is inmiddels gearriveerd en dat hebben we hier besproken. We zijn dus een stuk verder als de minister zegt dat hij of zijn collega dat in Europa zou willen onderzoeken. Maar uiteindelijk komt het terug bij het kabinet om te bekijken of dit een begaanbare weg is. Het is een begaanbare weg, want het is een kwestie van inzet en wil.”

Handelingen I 2022-2023, nr. 27, item 11 - blz. 33.

Minister Hoekstra:

“Ik vind het spannend om het te beloven namens de onderzoeksinstituten, die aan ons teruggeven dat zij dat eigenlijk niet kunnen, zo heb ik net begrepen uit de gedachtewisseling met de ambtenaren. Ik ben altijd gevoelig voor de logica van de ferme wil, zeker wanneer die terugslaat op dingen die wij zelf moeten doen. Wij zijn alleen niet degenen die het onderzoek kunnen leveren. Laat ik proberen het op één manier nog te verfraaien, misschien helpt dat. Als wij nou kijken of er een minister is bij wiens portefeuille het het meest logisch hoort om in Europa nog een keer te suggereren dat dit gebeurt — daar heeft men wellicht dat overzicht wel — zou dat een weg kunnen zijn. Een alternatief is dat we nog een keer aan de Rekenkamer vragen hoe men dat daar voor zich ziet, even luisterend naar de heer Backer. Ik ben nu hardop aan het improviseren op basis van zijn suggestie. Het is niet zozeer dat ik het niet wil, het is meer dat het kabinet het niet zelf kan doen en dat de onderzoeksinstituten aan ons hebben meegegeven dat ze, in goed Nederlands, überfragt zijn.”

De heer Backer (D66):

“Tot slot. Het zou natuurlijk al enorm helpen als uit die verkenningen een beschouwing komt van waarom het zo ingewikkeld is, wat ervoor gedaan zou moeten worden en hoe de weg naar die oplossing gevonden kan worden. Dan kan ook deze Kamer daarover meedenken.”

Minister Hoekstra:

“Ja. Ik houd het even bij het huiswerk waar ik mezelf nu al in heb gerommeld. Dan hernemen we dat met de Kamer. Dat zal mogelijk niet meer met de heer Backer zelf zijn, maar om de uitspraak over dat beroemde schilderij te parafraseren: op die manier blijft hij in ieder geval bij ons. Ik doel op het schilderij wat normaal gesproken achter u hing, voorzitter, maar dan in de vorige behuizing.”


Brondocumenten


Historie







Toezegging Informeren over verhouding tussen artikel 21 en artikel 1 van Verdrag Clustermunitie (36.410 V) (T03902)

De minister van Buitenlandse Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Nicolaï (PvdD), toe de verhouding tussen artikel 21 en artikel 1 van het Verdrag inzake Clustermunitie nader toe te lichten, in relatie tot het voornemen van het leveren van F-16 vliegtuigen aan Oekraïne.


Kerngegevens

Nummer T03902
Status voldaan
Datum toezegging 18 juni 2024
Deadline 1 juli 2024
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden prof. mr. P. Nicolaï (PvdD)
Commissie commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen clustermunitie
F16
Oekraïne
Verdrag inzake clustermunitie
Kamerstukken Begrotingsstaat Buitenlandse Zaken 2024 (36.410 V)


Uit de stukken

Handelingen I , 2023-2024, xxx,xx (de handelingen moeten nog worden vastgesteld).

Minister Bruins Slot:

[…]

Voorzitter. Dan de beide moties van de heer Nicolaï. Overigens dank aan de heer Nicolaï, want hij maakt, in ieder geval voor mij, de keten rond. Ik ben namelijk mijn eerste debat in de Tweede Kamer begonnen met dit verdrag. Toen ik de tekst nog even teruglas, las ik ook dat er toen, op dat moment, een Europees Kampioenschap was. Er zit dus een bepaalde volgordelijkheid in het vraagstuk. Of het was een WK, in 2010. Zo goed zit ik niet in het voetbal. Ik denk dat ik het niet meer zal hebben over Bavaria-babes, zoals in mijn maidenspeech stond. Dat doen we niet meer. De juristen internationaal recht die wij op het ministerie van Buitenlandse Zaken hebben zitten, zijn experts die op verschillende verdragen wereldwijd worden bevraagd over hoe ons gezichtspunt is. Daarom vertrouw ik op hun weging van artikel 1 en 21 van het verdrag waar de heer Nicolaï een extern advies over vraagt. Ik ben ervan overtuigd dat mijn internationaalrechtelijke juristen met hun deskundigheid en hun expertise dit echt op een goede manier lezen. Het verzoek in de motie met letter J om daar dan ook nog eens extern naar te laten kijken, wil ik ontraden.

De voorzitter:

Dan nog een interruptie van de heer Nicolaï van de Partij voor de Dieren.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dank voor het antwoord van de minister. Is de minister bereid om de redenering van haar deskundige juristen op papier naar ons toe te zenden, waaruit blijkt wat volgens die juristen precies de verhouding is tussen artikel 21 en artikel 1, en wil zij daar ook de vraag in betrekken of artikel 21 dan toch zou toestaan dat Nederland onvoorwaardelijk vliegtuigen ter beschikking stelt aan Oekraïne, terwijl duidelijk is dat Oekraïne die kan gebruiken om clustermunitie af te werpen?

Minister Bruins Slot:

Natuurlijk zeg ik ja tegen een informatieverzoek om dingen nog nader te duiden en netjes juridisch op te schrijven.

De heer Nicolaï (PvdD):

Mijn vraag is of wij een brief van u tegemoet kunnen zien waarin deze vragen worden beantwoord.

Minister Bruins Slot:

Sorry, u wilt het precies. Ik zorg dat ik de verhouding tussen artikel 21 en artikel 1 nog eens heel precies opschrijf. Misschien doe ik dat als onderdeel van bijvoorbeeld het verslag van de RBZ of iets anders. Maar ik zal nog een keer heel netjes opschrijven wat de verhouding is tussen artikel 21 en artikel 1 van het verdrag.

De voorzitter:

Tot slot de heer Nicolaï.

De heer Nicolaï (PvdD):

Met daarin opgenomen mijn vraag hoe dat zit met die steun?

Minister Bruins Slot:

Ja.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dank u wel.



Historie