Toezegging Evaluatie (32.402) (T02174)
De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen van de leden Bruijn en Nooren, toe om de keuze voor en kosten van geschillenbeslechting, de juridische expertise bij geschillenbeslechting, de ontwikkeling van klachten en claims, en de regeldruk voor kleine zorgaanbieders bij de evaluatie − vijf jaar na inwerkingtreding van de wet − te betrekken. Op verzoek van het lid Bruijn zal de minister de Kamer vooraf informeren over de opzet van de evaluatie.
| Nummer | T02174 |
|---|---|
| Status | voldaan |
| Datum toezegging | 29 september 2015 |
| Deadline | 1 januari 2024 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | prof. dr. J.A. Bruijn (VVD) Drs. J.E.A.M. Nooren (PvdA) |
| Commissie | commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | evaluatie |
| Onderwerpen | geschillen geschillenbeslechting klachten regeldruk |
| Kamerstukken | Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (32.402) |
Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 7
De heer Bruijn (VVD):
Onze eerste vraag betreft de regeldruk. De regeldruk en de positie van kleinschalige zorgaanbieders zijn in de schriftelijke behandeling uitgebreid aan de orde geweest. [...] Hoe verwacht de minister, alles overziend, dat de uitvoeringslasten voor vooral de kleine zorgaanbieder zich zullen ontwikkelen? Is zij bereid om bij de evaluatie van deze wet, aangekondigd voor vijf jaar na inwerkingtreding, dit aspect nadrukkelijk mee te nemen en deze Kamer ter zake op de hoogte te stellen? Graag een toezegging.
Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 8
De heer Bruijn (VVD):
Niettegenstaande het voorgaande heeft de regering, vanwege het aantal vragen dat over juridisering is gesteld en de zorgen die erover leven in het veld, aangegeven bereid te zijn om dit aspect mee te nemen bij de evaluatie van deze wet, vijf jaar na inwerkingtreding. Graag vraag ik de minister om een bevestiging hiervan. Ook wil ik de minister de toezegging vragen om de evaluatie ter zake ook aan deze Kamer te doen toekomen en ons vooraf te informeren over de opzet van die evaluatie.
Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 9
De heer Bruijn (VVD):
Is de minister bereid te bevorderen dat een jurist altijd deel uitmaakt van de commissie, bijvoorbeeld door dit op te nemen in de AMvB inzake de erkenningsregeling? Is de minister bereid dit aspect mee te nemen bij de wetsevaluatie?
Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 31
Mevrouw Nooren (PvdA):
De minister zegt dat het laagdrempelig is. We hebben nu soms een klachtenfunctionaris of een klachtencommissie die gratis is, maar mensen moeten wel betalen voor de geschillencommissie en krijgen dat geld alleen terug als zij in het gelijk worden gesteld. Komt zij nog terug op mijnvraag daarover?
Minister Schippers:
Ik ben nu bij de eerste spreker, van het CDA, dus het loopt nog een tijdje door. Maar ik kan nu al antwoord geven, namelijk dat je dat zelf afspreekt. Het is nu op €50 gesteld. Je kunt ook afspreken dat je het op nul stelt. Ik zeg toe dat ik in de evaluatie expliciet zal meenemen hoe dat zich in de praktijk ontwikkelt.
Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 34
Minister Schippers:
Ik heb over de uitvoeringslasten van de kleine zorgaanbieder al aangegeven dat we er alles aan doen om het zo efficiënt mogelijk te laten inrichten. Ik zal het thema regeldruk ten gevolge van de Wkkgz expliciet meenemen in de evaluatie van de wet, zoals de VVD-fractie mij heeft gevraagd.
Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 36/37
Minister Schippers:
Ik kan toezeggen dat ik in de evaluatie ook aandacht zal besteden aan de nieuwe klachten- en geschillenregeling, waaronder de ontwikkeling van aantallen klachten en claims. Ik zal uw Kamer vooraf informeren over de opzet van de evaluatie.
[...]
Ik deel de mening dat de cliënt goede voorlichting moet krijgen over de keuze voor een geschilleninstantie of voor de burgerlijke rechter. Ik zal bij de verdere implementatie van het wetsvoorstel uitdrukkelijk aandacht geven aan deze voorlichting. De klachtenfunctionaris vervult hierbij ook een belangrijke rol. Hij kan de cliënt voorlichten over de verschillende routes en hij kan de verwachtingen managen. Ook heb ik een waarborg in de wet zelf opgenomen. De zorgaanbieder is verplicht om de cliënt goed over de klachten- en geschillenprocedure te informeren. Dat betekent dat de inspectie daarop toeziet en zo nodig kan optreden.
De heer Bruijn (VVD):
Dan nog iets over het voorlaatste punt. Het expliciet aangereikt krijgen van die keuzemogelijkheden voor de patiënt, is dat iets om in de evaluatie mee te nemen? Is de minister bereid om te kijken of dat kan?
Minister Schippers:
Dat lijkt mij prima.
[...]
Ik ben bereid om het vereiste van juridische expertise bij geschilbeslechting in de wetsevaluatie terug te laten komen.
Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 40
Minister Schippers:
Het bedrag van €50 is het bedrag dat partijen zelf hebben afgesproken. Ik heb overigens geen signaal ontvangen dat dit een belemmering is voor cliënten om een geschil aanhangig te maken, maar ik zal dit kostenaspect meenemen in de evaluatie.
Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 43
Minister Schippers:
Ik heb de zorg over de claimcultuur niet. Nederland kent zo'n cultuur niet. [...] Ik ben uiteraard bereid om de ontwikkeling van claims mee te nemen in de evaluatie.
[...]
Minister Schippers:
De geschillencommissie gaat ervan uit dat er geen kosten voor een advocaat en juridische bijstand worden gemaakt. Dat is het uitgangspunt van de geschillencommissie. Voor de kostenverdeling kunnen verschillende afspraken worden gemaakt in het kader van de geschillenregeling. Gebruikelijk is dat de cliënt wordt vrijgesteld van alle kosten als de klacht ongegrond wordt verklaard. Bij bestaande geschillencommissies is €50 een gangbaar bedrag dat cliënten moeten betalen als ze de commissie inschakelen. Zoals gezegd zal ik in de evaluatie meenemen hoe dit zich ontwikkelt.
Brondocumenten
-
behandeling Verslag EK 2015/2016, nr. 2, item 8
-
24 oktober 2023
nieuwe status: voldaan
Voortgang: -
19 oktober 2023
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang:documenten:-
-
brief van de minister voor LZS over Aanbieding onderzoek geschilleninstanties Wkkgz
Voor kennisgeving aangenomen op 24 oktober 2023
EK, AF
-
-
23 mei 2023
nieuwe deadline: 1 januari 2024
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
12 mei 2023
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
29 november 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
14 november 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
4 oktober 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
13 september 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
1 juli 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
17 mei 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
12 april 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
23 maart 2021
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
23 februari 2021
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
19 februari 2021
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
10 september 2019
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
5 september 2019
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
22 november 2018
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang:documenten:-
-
brief van de minister van VWS over waarborgen voor kwaliteit, afdoening van klachten en toezicht in het WMO-domein
voor kennisgeving aangenomen op 4 december 2018
EK 32.402 / 33.841, Y
-
-
11 april 2017
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
31 maart 2017
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
21 februari 2017
nieuwe deadline: 1 januari 2021
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
15 februari 2017
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief inzake Toezeggingen Wkkgz aan Eerste Kamer
voor kennisgeving aangenomen op 21 februari 2017
EK, U
-
-
Nulmeting Wet Kwaliteit, Klachten en Geschillen Zorg (Wkkgz)
-
-
29 september 2015
toezegging gedaan
Toezegging De Eerste Kamer voorzien van toekomstscenario’s en de indicatoren die hierin worden meegewogen (35.526) (T03125)
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Van Hattem (PVV) en De Bruijn-Wezeman (VVD), toe dat hij de Eerste Kamer informatie verschaft over de verschillende toekomstscenario’s inzake maatregelenpakket bestrijding covid-19, en hierbij betrekt welke indicatoren wel of niet worden meegewogen.
| Nummer | T03125 |
|---|---|
| Status | voldaan |
| Datum toezegging | 23 februari 2021 |
| Deadline | 1 juni 2021 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | R.G. de Bruijn-Wezeman (VVD) A.W.J.A. van Hattem (PVV) |
| Commissie | commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 toekomstscenario’s |
| Kamerstukken | Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (35.526) |
Handelingen I 2020-2021, nr. 26, item 12, blz. 2-3
De heer Van Hattem (PVV):
Ik snap dat de minister het exacte moment in de tijd niet kan zeggen, maar op de routekaart zijn bepaalde factoren van toepassing, zoals de minister zelf ook zegt. Dat kan inderdaad de mate van effectiviteit zijn van de vaccins, maar de R-waarde kan ook een factor zijn. Kan dit heel concreet worden aangegeven, zodat we als parlement kunnen toetsen welke indicatoren het kabinet meeneemt om bepaalde stappen wel of niet te zetten? Dan kunnen we die afweging ook duidelijk maken en weten we of een wet noodzakelijk is, of er bepaalde aanpassingen zijn en of dingen ingetrokken kunnen worden. Dan kunnen we onze controlerende taak als medewetgever adequaat uitoefenen.
De voorzitter:
Tot slot, de minister.
Minister De Jonge:
Zeker. Dat wil ik zeker doen. Ik zal dit betrekken bij de scenario's, waar ook om gevraagd is. Er is gevraagd om scenario's te schetsen van hoe de toekomst eruit zou kunnen zien. Dat heeft de VVD gevraagd, evenals, onder andere, het CDA. Hoe zien die toekomstscenario's eruit? Dat zal gepaard gaan met een hele hoop onzekerheden, maar ik zal daarin schetsen wanneer het moment gekomen is dat je überhaupt afscheid kunt nemen van de maatregelen en wanneer daarmee ook de noodzaak voor aparte wetgeving vervalt.
Mevrouw De Bruijn-Wezeman (VVD):
De noodzaak voor het afschalen van maatregelen: daar wil ik het eigenlijk … Ik ben geen viroloog, maar er zijn een aantal dingen die me toch opvallen in de discussie. Ten eerste speelt, ook bij het laagste niveau op de routekaart, het aantal besmettingen iedere keer nog een heel belangrijke rol, net als het aantal ziekenhuisopnames en het aantal ic-opnames. Ik snap dat laatste als het gaat om de vraag of we de zorg in de benen houden. Maar is er ook weleens aan gedacht dat we op een gegeven moment naar een bepaald niveau moeten waarop het aantal besmettingen er eigenlijk niet meer zo veel toe doet omdat we een beschermde bevolking hebben, behalve dat je in de gaten moet houden of er geen gevaarlijke mutanten tussen zitten en of het vaccin nog past bij het virus? Dan zou die indicator in feite op een gegeven moment uitgefaseerd moeten worden.
Dan nog iets anders. We hebben het er vanmorgen ook al over gehad dat het virus onder ons blijft. We zullen er waarschijnlijk meerdere jaren mee te maken hebben dat we een hoger niveau van zorg nodig hebben. Mensen die toch besmet raken, zullen ziekenhuisbedden en ic-bedden in beslag gaan nemen. Dat het in crisistijd niet lukt om zomaar eventjes de zorg op te schalen snap ik, maar op een gegeven moment zouden we ook kunnen zeggen dat we naar een hoger zorgniveau toe moeten. Pas uitfaseren op het moment dat alles weer is zoals het was, gaat 'm niet worden ...
De voorzitter:
Wat is uw vraag, mevrouw De Bruijn?
Mevrouw De Bruijn-Wezeman (VVD):
Mijn vraag is dus: wordt er ook op die manier naar de indicatoren gekeken, dus om daar echt heel anders mee om te gaan?
Minister De Jonge:
Over de langere termijn ben ik het eigenlijk ook met u eens, maar op een veel kortere termijn doen we dat door het OMT iedere drie weken te vragen opnieuw te adviseren over de indicatoren. Waarom doen we dat? Omdat je weet dat naar inschatting inmiddels zo'n 3 miljoen mensen de ziekte hebben doorgemaakt en dus zelf antistoffen hebben. Het zou best zo kunnen zijn dat die antistoffen ook weer een beetje afnemen en antistoffen voor de variant die we een jaar geleden kenden, anders zijn dan bijvoorbeeld de ZuidAfrikaanse variant. Niettemin, als je antistoffen hebt opgebouwd, blijf je echt nog wel een tijdje beschermd en als je ziek wordt, word je er op z'n minst minder ziek van. 3 miljoen mensen zijn dus langs de naturelle weg beschermd en inmiddels 1 miljoen mensen zijn gevaccineerd. Dat maakt 4 miljoen mensen beschermd. Als we nog eventjes doorgaan, verwacht ik half maart nog een miljoen mensen extra te hebben gevaccineerd en misschien eind maart nog een miljoen. En zo gaan we natuurlijk alleen maar rapper door in de komende tijd, met alle onzekerheden van dien. Maar er gaat een moment komen, ergens in het tweede kwartaal, dat je zo veel mensen hebt gevaccineerd, plus het aantal mensen dat langs naturelle weg al bescherming heeft opgedaan, dat het aantal besmettingen gaat afnemen, of, en dat is nog waarschijnlijker, het aantal opnames gaat afnemen ten opzichte van het aantal besmettingen. We hebben het OMT dus gevraagd dat de routekaart periodiek een update krijgt van de indicatoren waarlangs je de maatregelen legt, omdat de verhouding tussen het aantal besmettingen en het aantal ziekenhuisopnames gewoon gaat veranderen. Dat is in de afgelopen periode overigens enigszins aan het alterneren geweest, maar dat gaat nog meer en nog sneller veranderen. En dan kan het opeens ook heel rap gaan. Dat is eigenlijk wat je nu in Israël ziet. Dat is het interessante daarvan.
Overigens zien wij het nu zelf in verpleeghuizen. In de cijfers die vanmiddag zullen worden gepresenteerd, zie je dat het aantal verpleeghuislocaties met een besmetting enorm afneemt en dat het aantal besmette 90-plussers enorm afneemt. Het is dus heel interessant om te zien hoe snel vaccinatie daadwerkelijk tot een effect kan leiden. Dat is in alle onzekerheid het hoopvolle van wat we nu zien.
Over de langere termijn ben ik het ook eens. We zullen namelijk op een zeker moment gewoon te maken krijgen met een endemische situatie, het moment waarop het virus here to stay is, maar op zo'n manier dat mensen er in veel mindere mate ziek van worden, en als ze al ziek worden, zullen ze waarschijnlijk in mindere mate een bed nodig hebben. Als er sprake is van een structurele aanpassing op de nieuwe situatie, dan zullen we die aanpassing natuurlijk moeten doen. Vandaar ook dat we aan de slag gaan met scenario's. Die scenario's wil ik graag met u delen. U heeft daarbij als tijdstip genoemd: voorafgaand aan een volgende verlenging. Dat zeg ik heel graag toe.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Bepalende zeggenschap van de Staten-Generaal bij verlenging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 Verslag EK 2020/2021, nr. 26, item 12
-
7 juni 2022
nieuwe status: voldaan
Voortgang: -
12 april 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
28 september 2021
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
13 september 2021
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
6 juli 2021
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
18 juni 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de minister van VWS ter aanbieding van de wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 in verband met het doorvoeren van stap 4 uit het openingsplan en de introductie van herstel- en vaccinatiebewijzen voor reizigers en de stand van zaken van COVID-19
De ministeriële regeling is op 22 juni 2021 voor kennisgeving aangenomen.
EK 35.526 / 25.295, BQ
-
-
20 april 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
13 april 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de minister van VWS ter aanbieding van de Regelingen tot wijziging van de tijdelijke regeling maatregelen COVID 19 in verband met verlenging van het maatregelenpakket en het heropenen van de buitenschoolse opvang en de stand van zaken van COVID-19
Voor kennisgeving aangenomen op 20 april 2021.
EK 35.526 / 25.295, AQ
-
-
23 februari 2021
toezegging gedaan
Toezegging Plan van aanpak aanpassing Twm (35.526) (T03141)
De ministers van J&V en VWS zeggen de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Janssen (SP), De Boer (GroenLinks), Prins (CDA), toe dat zij voor het zomerreces zowel de inventarisatie naar aanleiding van de motie-Stoffer/Bikker (waarmee de regering wordt verzocht te bezien welke bepalingen in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Twm) kunnen vervallen), als het plan van aanpak voor de overgang naar de endemische fase, met bijpassend wettelijke arrangement (waarmee de Twm wordt ‘gestript’), tegemoet kan zien, zodat de behandeling van dit plan en de bijbehorende Twm nog voor de zomer plaats kan vinden.
| Nummer | T03141 |
|---|---|
| Status | voldaan |
| Datum toezegging | 25 mei 2021 |
| Deadline | 15 december 2021 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Justitie en Veiligheid Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | Mr.drs. M.M. de Boer (GroenLinks) mr. R.A. Janssen (SP) G. Prins (CDA) |
| Commissie | commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | aanpassingen coronamaatregelen plan van aanpak COVID-19 |
| Kamerstukken | Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (35.526) |
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 13-15
De heer Janssen (SP):
Ik heb wel een vraag aan de minister — misschien komt hij daar dadelijk in zijn beantwoording nog op — namelijk: hoe gaat het richting 1 september? Moeten we niet toe naar een andere weging per 1 september? Ik heb daar een aantal collega's over gehoord en ik heb het daar zelf ook vrij nadrukkelijk over gehad.
Minister Grapperhaus:
Dan ga ik daar alvast wat vragen over beantwoorden. Deze vraag lag besloten in de vragen van onder anderen de heer Janssen en mevrouw De Boer. […] Op 1 september loopt de wet weer af. De aanloop daarnaartoe is het ijkmoment om te bezien óf de Twm nog verlengd moet worden, en zo ja, of de gehele wet moet worden verlengd of — nu kom ik erop — dat alleen bepaalde delen moeten worden verlengd. Zoals wij het als kabinet bezien, is op dit moment een gedeeltelijke verlenging het meest waarschijnlijk. Als je langzaam het Twm-bootje gaat afduwen omdat je het niet meer nodig hebt, moet je ook kijken wat je permanent in de Wpg moet opnemen. In het Tweede Kamerdebat van 12 mei is een motie van de Tweede Kamerleden Stoffer en Bikker ingediend. Deze motie is aangehouden. De motie verzoekt de regering om met inachtneming van de actuele cijfers te bezien welke bepalingen in de wet, of welke onderdelen van de wet, reeds kunnen vervallen en de Kamer — ik zou denken: de Kamers — daar zo spoedig mogelijk over te informeren. Dat moet bij het eerstvolgende verlengingsverzoek duidelijk en uitgekristalliseerd zijn. Dan zou de vraag van mevrouw De Boer nog aan de orde kunnen komen. Op dit moment denken wij dat een verlenging van drie maanden echt nodig is. Over drie maanden is het half tot eind augustus, als ik het even goed optel. Dat is ietwat ongelukkig. Het zou heel goed kunnen dat we zeggen dat de eerstvolgende periode — voor zover er nog iets overblijft van de Twm — een kortere periode zal zijn. Dat zou ook nog kunnen.
De heer Janssen (SP):
Ik heb een korte tweede vraag, om ook gelegenheid aan mijn collega's te geven op dit punt. Kunnen wij dit nog voor het zomerreces tegemoetzien? Anders valt het een beetje in een gat tijdens de zomer, gezien de volgende verlenging per 1 september.
Minister Grapperhaus:
Dat zal eigenlijk moeten, precies om het gat waar ... Ik bedoel: tijdig voor het zomerreces. Daarbij heb ik altijd geleerd dat in de Eerste Kamer harder wordt gewerkt, waardoor het zomerreces daar later ingaat. Laat ik het zo formuleren: tijdig voor het Twééde Kamerzomerreces. Ik denk dat we, net als vorig jaar, die paar weken moeten gebruiken om met elkaar in contact te staan over hoe we ertegen aankijken.
De heer Janssen (SP):
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we een week later beginnen en ook een week langer doorwerken. Zo simpel is het, dus ik wil geen enkele Kamer tekortdoen. Maar dan is het inderdaad goed dat wij nog voor het zomerreces met enige spoed — het zal goed zijn om daar ook de data voor te reserveren — het hierover kunnen hebben, zodat wij niet in het reces geconfronteerd worden met zaken die we moeten veranderen, gelet op de omstandigheden die we dan hebben. Dan kunnen we ook de verwachtingen die we voor juli en augustus hebben daarin meenemen.
Mevrouw Prins (CDA):
Ik had een vraag over het feit dat u nu aangeeft dat u voor die tijdelijke wet met een delegatiebepaling komt, maar dan blijven we dus bij een tijdelijke wet. Eigenlijk is ons verzoek — dat hebben we heel uitdrukkelijk bij u neergelegd — dat wij afkomen van die tijdelijke wetten. We hadden een crisissituatie. Die is er niet meer. We hebben dat anderhalf jaar ervaren. Nu weten we ongeveer wel wat er kan gebeuren. We hebben diverse ervaringen daarmee gehad. Voor ons is de behoefte aan een toekomstplan heel duidelijk, een plan van aanpak met daarin een aantal criteria, zodat als je straks ergens komt, je weet wat je dan moet doen. Dan is het geen tijdelijke wet meer, maar hebben we heel duidelijk een nieuwe kaderwet of hoe u het ook wilt noemen. Dat maakt mij niet uit; laten we daar de discussie niet over hebben. Het mag ook een wijziging van de Wet publieke gezondheid zijn, maar wel dat we afkomen van dat tijdelijke en weer naar een reguliere parlementaire betrokkenheid gaan, met reguliere wet- en regelgeving.
Minister Grapperhaus:
Ik heb net al gewezen op de motie van de leden Stoffer en Bikker uit de Tweede Kamer, als gevolg waarvan we nou juist in kaart gaan brengen wat je permanent in de Wpg moet hebben enzovoorts. Daar komen we op terug bij uw beide Kamers.
Mevrouw Prins (CDA):
Wij onderkennen denk ik beiden dat de kans aanwezig is dat het virus terug komt, dan wel dat er andere besmettelijke varianten komen of andere virussen. Juist daarom zouden wij graag zien dat dit in wet- en regelgeving wordt vervat. Zo zit je niet meer consequent met tijdelijke maatregelen, maar heb je daar juist van tevoren over nagedacht. We hebben nu zo vaak toch het gevoel dat we op het allerlaatste moment een maatregel of een nieuwe wet moeten bespreken. Dat was eerder begrijpelijk. Daar hebben wij ook altijd alle begrip voor gehad. Dat hebben we ook verdedigd. Maar nu weten we wat ons te wachten kan staan. Die ervaring hebben wij opgedaan. Wij zouden nu graag zien — ik hoop dat u ons dat zou willen toezeggen; dat gaat iets verder dan de motie in de Tweede Kamer — dat wordt gekeken hoe je daadwerkelijk wet- en regelgeving kan maken op basis van de ervaring van de afgelopen periode voor de uitbraak van virussen, op welke manier dan ook.
Minister Grapperhaus:
Wij gaan zeker kijken hoe we nu op de beste manier met wet- en regelgeving door kunnen, maar ik ben nog enigszins terughoudend om te zeggen dat dat helemaal niet meer zou kunnen betekenen dat je met die tijdelijke maatregelen door moet gaan. […] Maar ik ben met u eens dat we moeten kijken hoe we straks doorgaan. Vandaar dat we in ieder geval, en misschien wel ietwat uitgebreider dan geformuleerd in de motie-Stoffer/Bikker, daarnaar gaan kijken.
Mevrouw Prins (CDA):
Mag ik dat dan toch vertalen als een toezegging van de kant van het kabinet dat er wordt gekeken naar een plan van aanpak, met de mogelijke consequenties voor wet- en regelgeving in dezen, met als doel de tijdelijke wet- en regelgeving zo minimaal mogelijk te houden?
Minister Grapperhaus:
Ik denk dat we het liefst die Twm zo scherp mogelijk stellen. Dat wil zeggen: geen regelgeving die niet nodig is. […]
Ik ga er namelijk van uit — u zag mij zonet ook even een blik wisselen met collega De Jonge — dat wij echt tijdig voor de zomer de inventarisatie-Stoffer/Bikker naar uw beider Kamers sturen. Laat ik die inventarisatie zo maar even noemen, anders moet ik steeds die zin herhalen. Dat gaan we in ieder geval doen. […] Een plan van aanpak komt er zeker. Tenminste, we noemen dat maar even het plan van aanpak, maar dat is niet echt een juridische term. Dat is denk ik duidelijk. Ik heb wat aangegeven over de inventarisatie-Stoffer/Bikker. Ik heb ook gesproken over de variant van delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet. Dat gaan we allemaal doen. Daar komen we ruimschoots voor het zomerreces bij uw Kamer mee terug.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 20-21
Minister Grapperhaus:
Maar ik herhaal het nog even: de motie-Stoffer/Bikker "verzoekt de regering, om, met inachtneming van de actuele cijfers, te bezien welke bepalingen in deze wet of onderdelen daarvan, reeds kunnen vervallen", enzovoorts. "Enzovoorts" is "... en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren" — laat ik het maar even helemaal hardop lezen. Dat gaan we doen, en daar worden natuurlijk de ervaringen van de afgelopen tijd in meegenomen. Als we bijvoorbeeld zeggen dat de 1,5 meter niet meer nodig is, wordt daarbij bijvoorbeeld ook gekeken of we vinden dat er toch misschien nog een mogelijkheid moet zijn voor een afstandsverplichting, zoals die nu in de Twm is geregeld. Misschien moet die bijvoorbeeld worden overgebracht naar de Wpg. Dat wil ik ook wel zeggen. En daar zullen we ons natuurlijk over uitspreken. Maar ik zei "als-dan" omdat ik op enig moment meende dat mevrouw De Boer vroeg of ik nu alvast iets kon toezeggen over hoe dan de verhoudingen gaan worden in de nieuwe wet. Dat vind ik ingewikkeld, want ik weet nog niet hoe die hele wet eventueel zou zijn. Ik hoop dat ik het nu duidelijk genoeg heb toegezegd. We gaan dat uiteraard meenemen en komen daar tijdig voor het zomerreces bij u op terug
Minister Grapperhaus:
Collega De Jonge zal straks nog wel iets zeggen over een plan van aanpak voor de toekomst van de Wpg. Daar kijkt men ook naar. Maar, zeg ik maar even heel duidelijk, die twee dingen moeten we echt een beetje uit elkaar houden. Het kabinet heeft straks een evaluatie door de Onderzoeksraad voor Veiligheid en er zijn nog een aantal andere grote onderzoeken die lopen. Ik ga me daar niet achter verschuilen, maar het zou ook aanmatigend zijn als ik hier zou zeggen: weet je wat, wij komen in de zomer enzovoorts. Met betrekking tot die grotere, breder getrokken visie op wat er allemaal is gebeurd en wat dat betekent voor de wetgeving en het beleid, maar ook voor de indeling van departementen en zo, moeten we ook kijken naar wat er uit de onderzoeken komt. Ik wil de toezegging aan mevrouw Prins duidelijk voor honderd procent gestand laten.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 24-28
Minister De Jonge:
Daar waar het gaat over de juridische situatie na 1 september, dus na de huidige verlenging die net is gepasseerd, zal het kabinet een voorstel moeten doen aan de Kamer. Het meest waarschijnlijke voorstel acht ik een tijdelijke wet die heel veel dunner is, met heel veel minder instrumentarium daarin, met alleen instrumenten die je voor de wat langere termijn zou willen gebruiken. En met daarbij een daadwerkelijk bepalende zeggenschap voor de Eerste Kamer; dat is zojuist de toezegging geweest van collega Grapperhaus namens het kabinet. Daarin zul je dus alleen de instrumenten opnemen waarvan je ook de verwachting hebt dat je ze zult gaan gebruiken. Die wettelijke constructie is wat mij betreft onderdeel van een plan van aanpak voor de volgende fase van de crisisbestrijding. In welke fase zitten we op dit moment? Eigenlijk is dat de overgang van de huidige epidemische naar de endemische fase die we verwachten. Dat is met nadruk een overgangsfase. Je bent natuurlijk niet van de ene op de andere dag in een endemische fase beland. Je zult voor de tussentijd dus nog een aantal maatregelen overeind moeten houden. Waarom? Omdat de vaccinatiegraad niet homogeen is. We verwachten een heel hoge vaccinatiegraad. In tegenstelling tot een aantal percentages dat ik heb gehoord, is de vaccinatiebereidheid juist aan het stijgen op dit moment, tot boven de 80% in het laatste onderzoek. Die is alleen niet homogeen. We weten dat er bijvoorbeeld op de biblebelt minder wordt gevaccineerd. We weten ook dat er in achterstandswijken minder wordt gevaccineerd. Dat is een zorg, want daar kan het virus blijven rondgaan. Dat maakt dat je nog een aantal maatregelen overeind moet houden. Welke dat exact zijn, zullen we uitwerken in een plan van aanpak, dat we voor de zomer aan de Kamer zullen doen toekomen. Daarin bespreken we de overgangsfase met elkaar: wat verwachten we dan van vaccineren en van testen, welke maatregelen willen we nog en welk wettelijk arrangement past daar dan het beste bij? Dat is een beetje een lang antwoord op de overzichtelijke vraag of er ook een einddatum aan de huidige wetten kan worden gegeven. Ja, voor wat betreft de huidige constructie zijn die gekoppeld aan de Twm. Daarmee hebben ze vooralsnog een einddatum van 1 september, want de verlenging loopt tot 1 september. Als we ze langer nodig hebben, zal het aan het kabinet zijn om daartoe een voorstel te doen aan de Kamer. En dan zal het aan de Kamer zijn om het daarmee eens te zijn. […]
We kunnen ook niet helemaal inschatten wat het effect is dat West-Europa, de Verenigde Staten en het VK snel gevaccineerd zullen zijn, maar heel veel delen van de wereld nog niet. We don't know wat het effect daarvan zal zijn op de manier waarop het virus zich ontwikkelt en de manier waarop mutaties zich onttrekken aan de toegediende vaccins. We hebben ons voor te bereiden op die situatie. Dat is het plan van aanpak dat we nu ontwikkelen. Daarbij hoort een wettelijk arrangement dat passend, proportioneel en adequaat is om in te kunnen grijpen als dat nodig is én wat in navolging van de motie-Janssen en de motie-De Boer daadwerkelijk bepalende zeggenschap regelt voor de Eerste Kamer. […]
Wij zullen een plan van aanpak maken voor de overgang van de huidige epidemische fase naar de endemische fase van straks. Wat is er nodig op het gebied van maatregelen? Wat is er nodig op het gebied van vaccineren? Wat is er nodig op het gebied van testen? Wat is er nodig qua crisisorganisatie? Dat plan van aanpak zal worden voorzien van een passend wettelijk arrangement vanaf 1 september. […]
Nu gaan we onmiskenbaar over naar een nieuwe fase. De Twm hebben we gemaakt voor de epidemische fase. Niet helemaal in het begin, want toen hebben we het gewoon gedaan met de Wet publieke gezondheid. Toen die geen adequate basis bleek, hebben we de Twm opgetuigd voor die epidemische fase. Daar zijn alle instrumenten in gekomen die nodig leken. Daar voegen we nu twee instrumenten aan toe, waarvan eigenlijk alle fracties zeggen: het is maar de vraag of we die voor de eeuwigheid nodig hebben. De opvattingen of we die voor nu nodig hebben, wisselen. Het kabinet is stellig van opvatting van wel en volgens mij geldt dat ook voor een meerderheid van de Eerste Kamer. Alleen zegt iedereen: ook weer niet voor de eeuwigheid. Het moet wel tijdelijk blijven.
Nu staan we ook aan de vooravond van de overgang van de epidemische fase naar de endemische fase. Dat betekent sowieso dat je een plan van aanpak moet maken. Wat heb je straks nog nodig op het gebied van maatregelen, testen en vaccineren? Welke crisisorganisatie past daarbij? Maar ook: welk wettelijk instrument past daarbij? Een meerderheid van de Kamer — en dat heeft college Grapperhaus ook uitgestraald — vindt dat de Twm in zijn huidige vorm waarschijnlijk niet het beste wettelijke arrangement is voor de volgende fase. Dan is de vraag van de Kamer: kom dan voor de zomer met een voorstel om wel een goed wettelijk arrangement neer te zetten dat past bij de volgende fase. Daarop zegt het kabinet: dat gaan we doen. We komen dus met een plan van aanpak voor de overgang naar die endemische fase en met een wettelijk arrangement dat daarbij past.
Dat betekent inderdaad sowieso een wijziging van de huidige Twm op het punt van de parlementaire betrokkenheid van de Eerste Kamer en ook op het punt van het instrumentarium dat bij de volgende fase past. Maatregelen die er sowieso uit kunnen, zullen we er sowieso uit halen. Maatregelen die je wel of niet nodig denkt te hebben, zullen met een aan-en-uitknop in dat wetsvoorstel komen te staan. Dat betekent inderdaad een parlementaire behandeling in Tweede en Eerste Kamer. […]
De huidige twee wetten liggen hier apart ter goedkeuring. Daarmee worden ze toegevoegd aan de instrumentenkist van de Twm. Als de Twm onverkort wordt verlengd, dan verleng je daarmee ook de huidige maatregelen. Maar wij kondigen aan dat we de Twm in zijn huidige vorm niet gaan verlengen. We gaan een plan van aanpak maken en kiezen daarbij het instrumentarium dat bij de volgende fase past. Of daar toegangstesten bij passen, daar ga ik zo meteen op in. Of daar quarantaineplicht bij past, daar ga ik zo meteen op in. Het is dus terecht om je bij iedere fase af te vragen of we het eigenlijk nog wel nodig hebben. Zeker. […]
Dankzij de interrupties heb ik gelukkig al kunnen toelichten dat we aan de vooravond staan van de overgangsfase, en dat we die overgangsfase moeten voorbereiden. Een plan van aanpak komt dus voor de zomer. Ik meen dat ik aan de Tweede Kamer half juni heb beloofd. Die datum zal in de richting van de Eerste Kamer hetzelfde zijn. Daarbij hoort een voorstel voor het bijpassende wettelijke arrangement. Daarbij neem ik graag de opdrachten mee die u vandaag heeft gegeven en die u wellicht nog zult geven.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 66-68
Mevrouw De Boer (GroenLinks):
Ook is toegezegd dat de regering voor de zomer komt met een inventarisatie met betrekking tot de wenselijkheid van het voortduren per maatregel uit de Twm, waarin wordt ingegaan op noodzaak, effectiviteit en proportionaliteit, en met een plan van aanpak en de bijbehorende wettelijke regelingen voor de volgende fase: de overgang naar de endemische fase. Die wettelijke regeling kan bestaan uit verlenging van delen van de Twm en/of andere wettelijke arrangementen. Deze voorstellen zullen we dan ook uiterlijk 13 juli in de Eerste Kamer plenair moeten behandelen. Wanneer worden deze voorstellen bij de Tweede Kamer ingediend?
Mevrouw Prins (CDA):
Mevrouw de voorzitter. Allereerst dank aan de ministers voor de beantwoording van de vele vragen. Wij zijn blij met de duidelijke toezegging dat er nog voor de zomer een plan van aanpak komt met verkenning van de mogelijke opties, juist nu wij ons, zo is de verwachting, in een overgangsfase bevinden van een pandemie naar een endemie. In dat plan is er aandacht voor de verschillende situaties die zich kunnen voordoen, met zo mogelijk indicatiefactoren, inclusief het daartoe benodigde wettelijke arrangement. Dit alles heeft als doel om weg te komen van het tijdelijke wettelijke kader naar een wettelijk kader dat besproken kan worden in beide Kamers. Mevrouw de voorzitter. Ik vraag de minister of wij dit correct hebben weergegeven.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 77
Allereerst mevrouw De Boer. Zou het nog kunnen lukken om die behandeling van het plan van aanpak en de bijbehorende Twm, waarbij de tijdelijke wet wordt gestript en de motie-Janssen en de motie-De Boer eraan worden toegevoegd, nog voor de zomer te laten plaatsvinden? Wat mij betreft wel. Ik denk dat dat mogelijk moet zijn. Trouwens, het zal gewoon moeten, want je hebt 'm nodig vanaf 1 september. Als het niet hoeft, zouden we daar niet over moeten willen vergaderen in het zomerreces, dus laten we het gewoon doen voor het reces, wat mij betreft.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 79
Minister De Jonge:
Mevrouw Prins refereert aan de toezegging om een plan van aanpak te maken voor de overgangsfase van de epidemische fase naar de endemische fase. Dat gaan we inderdaad doen, met een oriëntatie op de vraag wat dat betekent voor ons vaccinatiebeleid, voor ons testbeleid, voor de maatregelen en voor de juridische vormgeving daarvan, en voor onze crisisorganisatie. Wij willen dat gelijktijdig delen met uw Kamer op het moment dat we de gewijzigde Twm aan de Kamer voorleggen, zodat we die debatten in één keer kunnen voeren. Zoals toegezegd aan mevrouw De Boer zal dat voor de zomer zijn.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2020/2021, nr. 38, item 8
-
-
7 juni 2022
nieuwe status: voldaan
Voortgang: -
12 april 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
28 september 2021
nieuwe deadline: 15 december 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
13 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
25 mei 2021
toezegging gedaan
Toezegging Proportionaliteit toegangstesten in plan van aanpak (35.807) (T03143)
De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Kluit (GroenLinks) en Van der Voort (D66), toe om proportionaliteit onderdeel te maken van het plan van aanpak en daarbij in te gaan op de vraag hoe om te gaan met toegangstesten op langere termijn: in welke situaties is dat proportioneel, wanneer zijn toegangstesten niet meer nodig of moeten juist weer worden ingezet (de zgn. aan-en-uitknop) en wat is de drempelwaarde daarvoor?
| Nummer | T03143 |
|---|---|
| Status | afgevoerd |
| Datum toezegging | 25 mei 2021 |
| Deadline | 1 juli 2021 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA) Prof.dr. P.H.J. van der Voort M.Sc. (D66) |
| Commissie | commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | gezondheidstesten proportionaliteit toegangstesten COVID-19 |
| Kamerstukken | Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen (35.807) |
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 27
De heer Van der Voort (D66):
Ik kan het erg kort houden, voorzitter. Die aan-en-uitknop intrigeert me. We hebben het eerder over een pauzeknop gehad, maar nu hebben we het over een aan-en-uitknop. Stel dat we straks in een situatie komen waarin we ons weer normaal kunnen gedragen, althans zoals we ons herinneren van een tijdje gelegen. Dan zijn we natuurlijk op onze hoede voor nieuwe varianten en voor een nieuwe toename van de besmettelijkheid. Is de minister bereid om op voorhand alvast aan te geven bij welk niveau van toename van het aantal besmette personen die knop weer aangaat?
Minister De Jonge:
Dat laat zich op dit moment heel erg moeilijk voorspellen. Ik wil daar heel graag op terugkomen op het moment dat wij met het plan van aanpak komen. Ik heb u de vraag horen stellen en ik snap de vraag ook. Ik vind het een terechte vraag. Voor nu hebben we het sowieso nodig, want het aantal besmettelijken is op dit moment nog boven de 100.000. Dat betekent dat de kans dat je iemand tegenkomt nog vrij groot is. Als je vrolijk in het theater naast elkaar zit, of als je bij het Songfestival naast elkaar staat en je zou niet aan toegangstesten doen, dan is het risico dat je die verspreiding gaande houdt, veel te groot. Met de huidige vaccinatiegraad en de huidige besmettingsgraad is het risico om die evenementen weer te laten doorgaan, zoals we dat zouden willen, gewoon nog te groot.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 31-32
Mevrouw Kluit
Het tweede punt gaat daar ook over. Proportionaliteit moet je aantonen. Op het moment dat er te weinig besmettingen in Nederland zijn, gaan de valspositieven enorm toenemen. Wij hebben gepleit om er een bodem in te leggen, wanneer we wel en niet toegangstesten gaan vragen.
Mevrouw Kluit (GroenLinks):
Minister, mijn collega heeft een getal aangegeven en zij heeft u uitgedaagd. U levert daar nog niet op, maar ik ga u toch vragen om dat wel te doen.
De voorzitter:
Wat is uw vraag, mevrouw Kluit? Een korte vraag, een interruptie.
Mevrouw Kluit (GroenLinks):
Hoe wil de minister proportionaliteit aangeven? Wat heeft hij nodig om daar op korte termijn criteria bij te leveren?
Minister De Jonge:
Ik ga het wedervoorstel doen om dat onderdeel te maken van het plan van aanpak, want voor dit moment hebben we dat sowieso nodig. Anders moeten er langer kleinere groepjes in het theater en kunnen er voorlopig geen festivals plaatsvinden. Als we dat allemaal wel willen, dan hebben we voorlopig toegangstesten nodig. De tijdshorizon is gekoppeld aan de tijdshorizon van de huidige Twm. Wat we nodig hebben, is een plan van aanpak voor de overgangsfase van pandemie of van epidemie naar endemie. Daarin zullen we het ook moeten hebben over: hoe gaan we dan om met het toegangstesten voor de langere termijn? Ik kan me voorstellen dat u daarin de beschrijving wilt hebben: in welke situatie is dat op dat moment proportioneel? Die kan ik u in dat plan van aanpak geven. Dat kan ik niet op dit moment doen, omdat het voor deze fase op die manier niet geldt.
Mevrouw Kluit (GroenLinks):
Ik hoor hier een toezegging van de minister dat er voor toegangstesten een bodem moet zijn. Hij gaat die formuleren voor de volgende stap die we zetten. De reden is dat we op dit moment sowieso op een niveau zitten waarop het proportioneel is. Vat ik dat goed samen?
Zeker, ja.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 38-39
Minister De Jonge:
Mevrouw Kluit vraagt wanneer de inzet van toegangstesten eigenlijk proportioneel is.
[…]
Ik hoor weleens mensen zeggen: nu gaat het kabinet de testsamenleving invoeren, of zo. Dat zult u mij nooit horen zeggen, want ik vind dat een niet-nastrevenswaardig beeld. Nee, we gaan niet "de testsamenleving" invoeren. We gaan weer mooie dingen mogelijk maken. We gaan theaters zien vol te krijgen, we gaan restaurants zien vol te krijgen, we gaan evenementen weer mogelijk maken. Dat is wat we gaan doen. Als dat alleen maar veilig kan door toegangstesten, zullen we in die tijdelijke situatie de toegangstesten gebruiken. Daarna kappen we daar weer mee, behalve als het, in het beeld van mevrouw Kluit, nodig is om ze weer uit de gereedschapskist te halen. Ik heb al toegezegd dat ik in een plan van aanpak zal terugkomen op de criteria die daar dan bij passen. Ik snap wel dat u daarbij om criteria vraagt.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 45-47
De heer Van der Voort (D66):
Ja, precies. Dus als je ervan uitgaat dat dat is waar het om gaat, is het dan ook voor de hand liggend dat de aan-en-uitknop, die je ook voor de coronatoegangsbewijzen kan gebruiken, afhangt van het besmettingsrisico in de populatie, dus laten we zeggen van de prevalentie?
Minister De Jonge:
Zeker, dus de prevalentie of incidentie van besmettingen in relatie tot de vaccinatiegraad, in relatie tot de bescherming. Zo zul je altijd de som moeten maken.
De heer Van der Voort (D66):
U bent dus bereid, begrijp ik hieruit, om zo'n prevalentiemeting mee te nemen. Het is natuurlijk ook wel heel fijn om daar transparant over te zijn, zodat iedereen in Nederland weet waar we staan en of de toegangstesten in deze epidemiologische situatie dan ook nog lang aan de hand zijn, of dat we misschien al tegen een ondergrens aan zitten waaronder het niet meer nodig is.
Minister De Jonge:
Nou, dat denk ik nog niet hoor. Was het maar zo. Uw bestelling is heel helder geweest. Volgens mij deelt u die bestelling met mevrouw Kluit. U zegt eigenlijk: ik wil weten wanneer toegangstesten niet meer nodig is, en ook wanneer het eventueel weer aangezet zou kunnen worden als je het tegen de winterperiode mogelijkerwijs weer nodig hebt. Ik heb de bestelling goed genoteerd. Ik vind ook dat wij aan de slag moeten om voorspelbaar te zijn over wanneer je een instrument wel of niet inzet, en dat ook gerationaliseerd te doen. In zijn algemeenheid geldt dat deze wet het niet mogelijk maakt om toegangstesten in te zetten als er niet meer vrijheden voor terug kunnen komen. Dat is namelijk de proportionaliteitsweging die in de wet zit. Op grond daarvan moeten we onze maatregelen en onze ministeriële regeling maken. Op grond daarvan beoordeelt de Kamer ook of die weging adequaat is gemaakt. Nadat de wet is gewijzigd, kan ook de Eerste Kamer die proportionaliteitsweging maken per vastgestelde regeling in de nahangprocedure. […]
Ik verwacht dat dan na enige tijd het toegangstesten niet meer nodig zal zijn. De vraag is: zou er weer een moment kunnen komen waarop toegangstesten weer wel nodig is? U heeft de bestelling gedaan om daarvoor de parameters te articuleren. Dat snap ik ook. Die parameters zijn besmettingsgraad en beschermingsgraad, dus vaccinatie/infectie. Dat zal de combinatie zijn tegen de achtergrond waarvan je dit besluit zou moeten kunnen nemen.
[…]
Dan is de vervolgvraag van mevrouw Kluit en de heer Van der Voort een veel moeilijker vraag, namelijk: wat zouden dan de epidemiologische randvoorwaarden zijn waaronder je op den duur dat toegangstesten weer aan zou willen zetten? Die is nog moeilijker, want tegen die tijd heb je een hogere vaccinatiegraad, maar wellicht een mutatie waardoor je er weer anders naar kijkt of een te heterogene verdeling van de vaccinatiegraad waardoor je er toch weer anders naar moet kijken et cetera. Ik wil daar dus even ruimte hebben voordat ik die proportionaliteitsparameters goed kan bepalen. Voor het nu geldt het zoals ik zojuist schetste.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 51
Minister De Jonge:
Dan was er de discussie met de heer Van der Voort en met mevrouw Kluit over wat de epidemiologische randvoorwaarden zijn waaronder je eventueel dat toegangstesten ook later nog een keer ...
De voorzitter:
Daar heeft u al een aantal keer antwoord op gegeven en volgens mij was dat niet de vraag van meneer Van Strien.
Minister De Jonge:
Daar gaan we mee aan de slag. Dat wilde ik nog zeggen.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 66
Mevrouw Kluit (GroenLinks):
Allereerst dank voor de toezegging dat de automatische koppeling tussen de Twm en de testwet eruit wordt gehaald en dat we dus niet een hele volledige Twm hebben als we door willen gaan met het testen in het najaar. Dank ook voor de toezegging om een aan-en-uitknop te maken waarmee duidelijk wordt op welke momenten er sprake kan zijn van toegangsbewijzen bij niet-essentiële sectoren. We begrijpen dat we daar nu met 100.000 besmettingen aan voldoen, maar we vinden het ook heel belangrijk dat dit specifiek wordt. Dus de motie met D66 laten we staan, maar dat is een aanmoedigingsmotie om te zorgen dat dit goed op orde komt.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 70
De heer Van der Voort (D66):
Dan het tweede punt: de foutpositieven. Ik heb de minister horen zeggen dat een laag niveau van besmettelijkheid het aantal foutpositieven zo doet toenemen dat op een goed moment het inzetten van testen niet meer proportioneel is. Ik reken voor dat met 50.000 besmettelijken in Nederland, er bij het testen van 10.000 mensen 30 waarpositief testen. Bij een specificiteit van 99,8% — dat is de hoge waarde waar collega Verkerk op wees — is het aantal foutpositieven dan 20. De vraag aan de minister is of een verhouding van 30 waarpositieven versus 20 foutpositieven de ondergrenswaarde is. Als we dat naar 25.000 besmettelijke personen in Nederland terugbrengen, dan zijn er 15 waarpositief en 20 foutpositief. Het is op zichzelf dus geen moeilijke berekening en geen moeilijke inschatting.
Nou zegt de minister dat voor de nieuwe wetgeving die drempelwaarde of ondergrens benoemd zal gaan worden. We zijn ontzettend blij dat die beweging ingezet wordt. Maar wat is er eigenlijk op tegen om nu al in een ministeriële regeling op te nemen dat het toepassen van de testen vervalt bij bijvoorbeeld 25.000 of 50.000 besmettelijken in Nederland? Wij maken dit punt ook omdat een foutpositieve test niet zonder gevolgen is voor de persoon bij wie die wordt vastgesteld. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de quarantaine die eruit voortvloeit en ook aan de familieleden. Wij dus blij dat de minister deze beweging reeds maakt. De motie die GroenLinks en D66, dat zijn mevrouw Kluit en ik, willen indienen, zien wij dan ook als een aanmoedigingsmotie.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 80
Minister De Jonge:
Wat is erop tegen om nu in de regeling op te nemen dat het toepassen van testen vervalt bij 25.000? Ik wil er nog even over nadenken of dat het getal is dat wij moeten hebben. Toegangstesten zullen vanaf stap 6 van het openingsplan — de stap waarbij de basismaatregelen komen te vervallen — in principe niet meer worden ingezet, tenzij. Op dat "tenzij" ga ik op verzoek van mevrouw Kluit in bij het plan van aanpak. Wat wil je in de instrumentenkist hebben voor de langere termijn? Bijvoorbeeld als het risico zich voordoet waarop het OMT wijst, namelijk een afnemende bescherming door afnemende antistoffen, een heterogene vaccinatiegraad en bijvoorbeeld een nieuwe mutatie. Dat kan een situatie zijn waarin je juist weer wel toegangstesten wil doen, om te voorkomen dat er dingen dicht moeten. Dat was de oproep van mevrouw Kluit. Wat is dan de drempelwaarde daarvoor? Daar ga ik op in. Dat ga ik uitwerken. Ik noem nog geen getallen, omdat dat al te arbitrair zou zijn.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2020/2021, nr. 38, item 8
-
-
7 juni 2022
nieuwe status: afgevoerd
Voortgang: -
12 april 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
23 november 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
9 november 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
14 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
13 juli 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 juli 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de minister van VWS ter aanbieding van de Regeling van 6 juli 2021 houdende wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 in verband met vaststellen van de veilige afstand op nul meter, het Besluit in verband met het vaststellen van de veilige afstand op nul meter en de stand van zaken COVID-19
Op 13 juli 2021 voor kennisgeving aangenomen.
EK 35.526 / 25.295, BS
-
-
25 mei 2021
toezegging gedaan
Toezegging Regionale covid-19-maatregelen bij regionale uitbraak (35.526) (T03144)
De minister van VWS zegt, naar aanleiding van een vraag van het lid Verkerk (ChristenUnie), toe dat, afhankelijk van het risiconiveau, bij een regionale uitbraak, regionaal kan worden ingegrepen en landelijke maatregelen achterwege kunnen blijven.
| Nummer | T03144 |
|---|---|
| Status | voldaan |
| Datum toezegging | 25 mei 2021 |
| Deadline | 1 januari 2022 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie) |
| Commissie | commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | overig |
| Onderwerpen | coronamaatregelen regio's COVID-19 |
| Kamerstukken | Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (35.526) |
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 38
Minister De Jonge:
De heer Verkerk vraagt over de heftige uitbraak of in regio's kan worden gecontamineerd met een regionale lockdown. Is dat ook wat het kabinet voor ogen heeft? Dat is nu al het instrumentarium van het kabinet. Feit is alleen dat vanaf risiconiveau drie en vier het echt noodzakelijk is landelijke maatregelen te treffen, omdat het dan gegeven de besmettingsgraad gewoon niet meer lukt om het lokaal te houden. Mijn aanname is juist dat we weer toe gaan naar lokale ingrepen, omdat we dalen qua risiconiveau. Dit is de instrumentatie die past bij risiconiveau één.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 36-37
De heer Verkerk (ChristenUnie):
Ik ben heel blij om te horen dat de minister ook denkt in termen van de hamer en de dans. In de afgelopen periode hebben we gezien dat de echte voorstanders van die hamer en de dans zeggen: de klap zou harder moeten zijn geweest. Ik hoor de minister zeggen: als we weer op lage niveaus zitten, wil ik weer meer regionaal gaan denken. Kijkend naar de toekomst en niet naar het verleden, want dat zat anders in elkaar, vraag ik de minister of hij dan bereid is om scherper na te denken of er als het in een regio misgaat — dat kan de oostelijke mijnstreek zijn, dat kan de biblebelt zijn — een forse klap met die hamer kan worden gegeven, omdat het niet mag overslaan.
Minister De Jonge:
Onderdeel van die proportionaliteit is: als je het regionaal af kunt, moet je het ook regionaal doen. In dat opzicht ben ik het zeer met u eens. Stel dat er, nadat we een behoorlijke vaccinatiegraad hebben opgebouwd, toch ergens een regionale uitbraak zou zijn, bijvoorbeeld in een regio als de biblebelt, dan zou je regionaal moeten kunnen ingrijpen zonder daarmee het hele land weer lastig te vallen. Dat lijkt mij een zeer logische gedachte. Het blijft onderdeel van het instrumentarium.[…]
Ik begrijp goed wat u zegt. Regionaal ingrijpen moet kunnen. Ik zeg er wel bij dat we in een andere fase terechtkomen, een fase waarin we sowieso een behoorlijke mate van bescherming hebben opgebouwd door vaccinatie en doordat mensen de infectie hebben doorgemaakt en om die reden antistoffen hebben opgebouwd. We komen echt in een andere fase terecht, ook met het risico op influx van nieuwe varianten. We beginnen namelijk qua bescherming niet op nul. Daarmee zijn we echt op een andere manier beschermd.
Moeten dus de ingrepen in het volgend jaar nog zo rigoureus zijn als in het afgelopen jaar? Ik denk eerlijk gezegd van niet. Om die reden moeten we heel precies kijken hoe die volgende fase eruitziet, wat de epidemiologische risico's zijn qua vaccinatiegraad, qua afname van de antistoffen bijvoorbeeld, qua risico op nieuwe mutaties. We moeten ons testbeleid, ons vaccinatiebeleid maar ook onze andere maatregelen enten op die epidemiologische risico's. Regionaal waar dat kan en landelijk als het per se moet.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 66
Mevrouw Kluit (GroenLinks):
Dank ook voor de toezegging aan de heer Verkerk dat regionale spreiding van maatregelen mogelijk is. Ik had daar een vraag over, maar die werd al beantwoord. Het is mooi dat daarnaar gekeken gaat worden en dat die spreiding ingezet gaat worden als dat kan.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 71
De heer Verkerk (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik heb nog een paar punten. Als eerste wil ik u toch hartelijk danken voor de toezegging om ook op regioniveau te gaan kijken naar de risiconiveaus en ook daar maatregelen te treffen. Ik ben het volledig met u eens dat dat alleen werkt bij de niveaus 1 en 2 en niet bij de niveaus 3 en 4. Toch dank voor de toezegging.
Ik vond ook het debat over de hamer en de dans met u erg leuk. Er is nog één punt dat ik graag in zou willen brengen om toch nog een uiterste poging te doen. U heeft gesproken over proportionaliteit en ook aangegeven dat het niet altijd makkelijk was om de Tweede Kamer en deze Kamer te overtuigen van bepaalde maatregelen. Dat heb ik ook gezien. Er is alleen wel één bijzonder punt. Als we in een situatie zitten dat er een uitbraak in één bepaalde regio is, dan komt het hele verhaal over proportionaliteit anders te liggen als je sterkere maatregelen wilt. Het kan namelijk ook overgaan naar andere regio's. Ik zou dat graag bij u willen aanbevelen. Wilt u kijken of u daar iets van aanmoediging, toezegging of weet ik wat richting mijn kant over kunt geven?
De heer Verkerk (ChristenUnie):
Nog even de vraag rond de hamer en de dans. Ik heb u gevraagd: als je op lokaal niveau bezig bent, kun je dan niet strengere maatregelen nemen omdat de proportionaliteit toch anders komt te liggen?
Minister De Jonge:
Dat kan wel degelijk. Sterker nog, als de besmettingsgraad generiek weer laag is en je ziet onverhoopt ergens een uitbraak ... Ondanks de vaccinatie is er ergens een uitbraak. Het kan niet anders dan dat er kennelijk een hele heterogene vaccinatiegraad is bereikt. Als dat het geval is, dan is het wel degelijk mogelijk om inderdaad die lokale hamer uit de kast te halen en daar een flinke mep mee uit te delen. Dat moet zeker kunnen. Op dat moment, gegeven die situatie, kan dat wel degelijk een proportionele afweging zijn. Zeker, absoluut.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2020/2021, nr. 38, item 8
-
7 juni 2022
nieuwe status: voldaan
Voortgang: -
12 april 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
28 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
13 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
25 mei 2021
toezegging gedaan
Toezegging Opheffen mondkapjesplicht in openingsplan (35.526) (T03145)
De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Raven (OSF), toe te bekijken op welke plek het opheffen van de mondkapjesplicht in het openingsplan past.
| Nummer | T03145 |
|---|---|
| Status | afgevoerd |
| Datum toezegging | 25 mei 2021 |
| Deadline | 1 juli 2021 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | A.C.M. Raven (OSF) |
| Commissie | commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | overig |
| Onderwerpen | coronamaatregelen mondkapjesplicht COVID-19 |
| Kamerstukken | Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (35.526) |
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 29
Minister De Jonge:
De heer Raven vroeg waarom er niks is opgenomen over de mondkapjesplicht. Hij gaf aan dat dat op z'n minst een omissie is. Dat klopt, dat is inderdaad een omissie en dat onderwerp gaan we toevoegen. Maar ik verwacht dat dat zeker niet voor stap 4 zal zijn. Het zal niet al bij stap 3 zijn. Dat is niet omdat we met zes lakstempels erop aangetoond hebben gekregen dat de mondkapjesplicht de allerbeste bijdrage levert, maar met zo'n groot aantal besmettelijke personen — nog steeds boven de 100.000 — helpen alle kleine beetjes. We moeten voorlopig dus nog vasthouden aan de mondkapjesplicht, maar ook daarvoor geldt de proportionaliteitstoets en de proportionaliteitsweging. Die weging hebben we ook te maken op het moment dat je ervanaf gaat.
Kun je dat verlichten voor mensen die al gevaccineerd zijn? Onderling kan dat wel en gebeurt dat ook, bijvoorbeeld in zorginstellingen, verpleeghuizen of instellingen voor gehandicaptenzorg, maar in het openbare leven kan dat natuurlijk niet, want daar kun je niet op handhaven. Je bent dan überhaupt de grip op de handhaving kwijt.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 34-35
De heer Raven (OSF):
Ik wil even een statement maken. Volgens mij is dit een van de laatste keren dat ik dit kapje afdoe. Het verhaal dat de minister vertelt, is een beetje teleurstellend in die zin dat ik eigenlijk had gedacht dat hij op hetzelfde level zou zitten als Joe Biden. Die zei vorige week: mensen die gevaccineerd zijn, kunnen dat kapje rustig weggooien. Ik denk eerlijk gezegd dat we dat hier ook zouden moeten gaan nastreven.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Raven (OSF):
De vraag is of we dat gaan nastreven en of de minister daar een versnelling in kan maken. Ik wil daarbij opmerken dat hier volgens mij de wet van Murphy aan de orde is. Hoe is het mogelijk dat de mondkapjesplicht niet vermeld staat tussen alle zaken die nu versoepeld gaan worden?
Minister De Jonge:
Nou, er is vooral nog geen plek aangegeven in het openingsplan voor wanneer je daarvan af zou kunnen. Het heeft gewoon een medische achtergrond en een handhavingsachtergrond. In de Verenigde Staten heeft men een groot probleem. Daar heeft men precies een gebrek aan een hoge vaccinatiegraad en een homogeen opgebouwde vaccinatiegraad. Er worden daar allerlei acties ondernomen om de vaccinatiegraad te verhogen, van allerlei gratis toestanden tot je niet meer aan de mondkapjesplicht hoeven houden. Stel je voor dat we dat in Nederland zouden doen: in de Jumbo hoef je geen mondkapje meer op als je gevaccineerd bent. Dan zie je dus mensen zonder en met een mondkapje rondlopen. De handhaver zou op dat moment moeten beoordelen of dat terecht is of niet. Dat kan natuurlijk niet. Dan krijg je een heel ingewikkeld handhavingsprobleem. Het effect daarvan zal zijn dat er niet meer wordt gehandhaafd. Dan is de 1,5 meter gewoon weg en zijn mondkapjes gewoon weg. De medische vraag is dan vervolgens of dat op dit moment al verantwoord is. Het antwoord op die vraag is natuurlijk nee. We hebben volgens het OMT-advies van vandaag, geloof ik, 117.000 of 119.000 besmettelijken. Dat betekent dat er nog een gerede kans is dat u, als u bananen staat te wegen bij de Jumbo, naast iemand staat die besmettelijk is en die niet thuis is gebleven omdat hij klachten had. Dan is het wel fijner als hij gewoon zijn mondkapje opdoet en gewoon 1,5 meter afstand houdt.
De heer Raven (OSF):
Nu raak ik nog meer teleurgesteld, want nu gaan we de mondkapjesplicht afhankelijk stellen van de handhaafbaarheid. Dat is een risico dat we vandaag sowieso nemen op het moment dat we de tijdelijke wet gaan aannemen. Het moet dan wel tijdelijk zijn, en echt tot het strikt noodzakelijke worden beperkt. Maar wat de minister nu aangeeft, is een uitvoeringsprobleem ...[…] Dat uitvoeringsprobleem kan nooit de reden zijn dat we de mondkapjesplicht handhaven.
Minister De Jonge:
Maar ik geef ook aan dat het een combinatie is. Ik denk dat, als je voor gevaccineerden de mondkapjes en de 1,5 meter zou loslaten in het publieke domein, de handhaving weg is. Dat bent u denk ik met mij eens. Ik denk dat het heel belangrijk is om dat in ogenschouw te nemen. Als je daarmee nu al de 1,5 meter en de mondkapjes ten grave zou dragen, heb je ze dus ook niet meer als beschermende maatregel. Vervolgens is de vraag of de epidemiologische situatie al zodanig is dat je je een dusdanige versloffing van de basismaatregelen kunt veroorloven. Het antwoord op die vraag is natuurlijk nee.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 72
De heer Raven (OSF):
Dank u wel, voorzitter. Onze vragen zijn voornamelijk via de interrupties beantwoord, maar niet allemaal naar tevredenheid, zoals bijvoorbeeld het verzoek om het opheffen van de algemene mondkapjesplicht. Ik dacht aan te kunnen sluiten bij Joe Biden, die dat voor gevaccineerden heeft afgeschaft. Dat zou hier in Nederland ook mogelijk moeten zijn. De regering gebruikt als argument dat dat moeilijk handhaafbaar is. Dat is wat ons betreft de wereld op de kop, want de basis is niet handhaving, maar openstelling van de maatschappij en zaken weer mogelijk maken. Maatregelen moeten niet langer duren dan strikt noodzakelijk. De vraag is of de mondkapjesplicht nog heel lang moet duren.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 83
Minister De Jonge:
Ik ga heel rap naar de heer Raven. Hij kwam nog een keer terug op de mondkapjesplicht. Ik zeg u graag toe dat ik kijk op welke plek in het openingsplan dit goed past. Ik vind het alleen moeilijk om in het openbare domein een onderscheid te maken tussen wel- en niet-gevaccineerden. Dat lijkt me niet verstandig om te doen. Dat is niet omdat ik handhaven zo belangrijk vind. Het punt is dat als je niet meer kunt handhaven, de 1,5 meter kwijt is. Die vind ik voorlopig nog wel belangrijk, want anders duurt het langer voordat we van de pandemie af zijn.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2020/2021, nr. 38, item 8
-
7 juni 2022
nieuwe status: afgevoerd
Voortgang: -
12 april 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
28 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
14 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
13 juli 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 juli 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de minister van VWS ter aanbieding van de Regeling van 6 juli 2021 houdende wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 in verband met vaststellen van de veilige afstand op nul meter, het Besluit in verband met het vaststellen van de veilige afstand op nul meter en de stand van zaken COVID-19
Op 13 juli 2021 voor kennisgeving aangenomen.
EK 35.526 / 25.295, BS
-
-
6 juli 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de minister van VWS ter aanbieding van de Regeling van 6 juli 2021 houdende wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 in verband met vaststellen van de veilige afstand op nul meter, het Besluit in verband met het vaststellen van de veilige afstand op nul meter en de stand van zaken COVID-19
Op 13 juli 2021 voor kennisgeving aangenomen.
EK 35.526 / 25.295, BS
-
-
25 mei 2021
toezegging gedaan
Toezegging Zelftesten (35.807) (T03146)
De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Kluit (GroenLinks), toe de vraag op welk moment de inzet van (al dan niet begeleide) zelftesten verantwoord mogelijk is, mee te nemen bij de uitwerking van het zelftesten en het kijken over de grens om te zien hoe men dat daar doet.
| Nummer | T03146 |
|---|---|
| Status | afgevoerd |
| Datum toezegging | 25 mei 2021 |
| Deadline | 1 september 2021 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA) |
| Commissie | commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | overig |
| Onderwerpen | gezondheidstesten toegangstesten zelftesten COVID-19 |
| Kamerstukken | Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen (35.807) |
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 40
Minister De Jonge:
De zelftesten. Ik denk niet dat het mogelijk is om zelftesten nu al in te zetten, omdat ik nog niet goed weet hoe ik dan moet voorkomen dat er zou worden gefraudeerd. Waarom is dat belangrijk? Dat is gegeven het besmettingsrisico. Stel je voor: je bent nog niet gevaccineerd, er is een groot festival en zelftesten zouden oké zijn. In de leeftijdsgroep 18 tot 24 zitten juist een heleboel besmettelijken. Stel: je steekt het wattenstaafje in de neus van je kleine broertje, je zorgt voor een positieve testuitslag, je uploadt die uitslag zelf op de site en dan kun je als gevolg daarvan een QR-code krijgen. Dan ga je naar binnen, terwijl je eigenlijk misschien besmettelijk bent. Daar moeten we een oplossing voor vinden. In de Tweede Kamer is mij, ik meen door uw partijgenoot Lisa Westerveld, aangereikt om eens te kijken hoe ze dat in Engeland hebben opgelost. Daar wil ik graag naar kijken, maar we hebben op dit moment nog geen systeem.
Tegelijkertijd is het haakje in de wet alvast gecreëerd. Zodra er een mogelijkheid is om met zelftesten de drempel nog verder te verlagen, is dat misschien best een hele mooie mogelijkheid. Op dit moment kan het dus nog niet, maar de opdracht is er wel om dit op een goede manier te gaan uitwerken.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 46, 48-49
Minister De Jonge:
Ten aanzien van de zelftesten snap ik goed wat u bedoelt, maar ik zou het voor nu riskant vinden om zelftesten in te zetten, omdat ik nu nog niet goed die zelftesten kan linken aan zo'n toetssysteem. Als ik het nu zou doen, vrees ik dat ik vrij snel het fenomeen toegangstesten om zeep help. Het hoeft maar op een paar evenementen mis te gaan en het hele geloof in toegangstesten is weg. Ik heb de opdracht op me genomen, daartoe aangemoedigd door GroenLinks moet ik zeggen, want het kwam niet helemaal bij mezelf vandaan en het kwam ook niet helemaal van harte bij mezelf vandaan. Ik ga ermee aan de slag en het is in de wet geamendeerd als mogelijkheid om aan te zetten op het moment dat we daarvoor een betrouwbaar systeem kunnen ontwikkelen. Er schijnt iets te zijn in het VK wat op een goede manier wordt gebruikt. Zelftesten is laagdrempeliger. Als je daar begeleid zelftesten van zou kunnen maken door een begeleide afname zodat het vinkje door een ander wordt gezet dan jezelf, zou dat bijvoorbeeld kunnen helpen. En dan moeten we dat gaan inregelen. Zover is het nog niet. Ik moet daar eerst nog mee aan de slag.
Ik snap het punt van de minister dat zelftesten een hoger risico kennen, omdat je niet precies weet in wiens neus dat stokje is gegaan. Tegelijkertijd constateer ik ook maar dat we, zolang de VNG niet handhaaft, niet weten hoeveel mensen zonder toegangsbewijs naar binnen komen. In Denemarken, waar ze de testsamenleving helemaal hebben uitgerold, is heel nadrukkelijk duidelijk geworden dat de horecaondernemer niet kijkt of er getest is als je oom agent niet langs stuurt om te controleren. Dan gebeurt wat er gebeurt en gaan mensen dat niet meer van tevoren doen. Het verschil tussen een testinfrastructuur en een zelftest is in de praktijk misschien minder groot dan we denken. In alle systemen zitten loopholes. […]
Ik ben altijd heel erg voor pittige gesprekken. Wat u volgens mij wilt, is het zelftesten. Waarom? Om het testen laagdrempeliger te maken en de drempel van de afstand tot zo'n teststraat voor mensen niet te groot te maken. Dat is uw inzet. Die snap ik heel goed. Het eerste wat we daaraan doen, is de bereikbaarheidsnormen goed vaststellen en zorgen voor een heel fijnmazige afnamestructuur. Het tweede wat we daarvoor doen, is ervoor zorgen dat we onderzoeken hoe we de zelftesten zouden kunnen inbouwen. Daar ben ik alleen nog niet. Tot die tijd wil ik het niet doen voorkomen alsof zelftesten een alternatief zou kunnen zijn voor toegangstesten. Dat is het vooralsnog gewoon niet.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 66
Mevrouw Kluit (GroenLinks):
En dan … Ik moet het even lezen. Ik snap dat het complex is — overigens ook zoals ik het opgeschreven heb. We doen net alsof de testen die we doen in de testinfrastructuur een grotere betrouwbaarheid hebben dan een zelftest. Strikt genomen kan dat ook zo zijn als je de ene met de andere test vergelijkt. Je kunt de frauduleuze handelingen beter voorspellen als iemand ergens naartoe gaat. Tegelijkertijd is er wel een bepaald punt waarop dat kantelt. Als mensen niet naar een testcentrum gaan en als er niet gehandhaafd wordt, en ze zomaar een café of restaurant kunnen inlopen, ontstaat daar openheid. Als je laagdrempelige testen toestaat, heb je kans dat meer mensen testen dan wanneer je hoogdrempelig kwalitatief goede testen toelaat. Ik wil de minister vragen om daarnaar te kijken in het plan van aanpak voor de zelftesten. Waar zit nou dat punt dat je zelftesten op slecht bereikbare locaties kunt inzetten zonder dat je daar enorme extra risico's op binnenhaalt? En dat is omdat ik in deze teststructuur zie dat grote groepen mensen hier niet goed aan mee kunnen doen.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 77
Minister De Jonge:
Dan het zelftesten mogelijk maken aan de deur. Wat zou nou het moment zijn waarop dat verantwoord mogelijk is? Ik neem die vraag mee bij de uitwerking van het zelftesten en het kijken over de grens om te zien hoe men dat daar doet. Ik kan er niet op voorhand iets van zeggen, maar ik vind wel dat ik daarop terug moet komen. Ik vind het een gelegitimeerde vraag.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2020/2021, nr. 38, item 8
-
-
7 juni 2022
nieuwe status: afgevoerd
Voortgang: -
12 april 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
28 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
14 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
13 juli 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
6 juli 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de minister van VWS ter aanbieding van de Regeling van 6 juli 2021 houdende wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 in verband met vaststellen van de veilige afstand op nul meter, het Besluit in verband met het vaststellen van de veilige afstand op nul meter en de stand van zaken COVID-19
Op 13 juli 2021 voor kennisgeving aangenomen.
EK 35.526 / 25.295, BS
-
-
6 juli 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de minister van VWS ter aanbieding van de Regeling van 6 juli 2021 houdende wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 in verband met vaststellen van de veilige afstand op nul meter, het Besluit in verband met het vaststellen van de veilige afstand op nul meter en de stand van zaken COVID-19
Op 13 juli 2021 voor kennisgeving aangenomen.
EK 35.526 / 25.295, BS
-
-
25 mei 2021
toezegging gedaan
Toezegging Loslaten groepsgrootte in openingsplan (35.807) (T03149)
De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Kluit (GroenLinks), toe in stap 4 van het openingsplan de maximale groepsgrootte los te laten voor instellingen die 1,5 m kunnen aanhouden.
| Nummer | T03149 |
|---|---|
| Status | afgevoerd |
| Datum toezegging | 25 mei 2021 |
| Deadline | 1 september 2021 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA) |
| Commissie | commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | overig |
| Onderwerpen | coronamaatregelen groepsgrootte COVID-19 |
| Kamerstukken | Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen (35.807) |
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 66
Mevrouw Kluit (GroenLinks):
Als je de 1,5 meter aanhoudt als instelling of organisatie, kom je nog wel in stap 4 de groepsgroottes tegen. Ik snap de logica daar niet helemaal meer van. We zijn ingeënt — de aantallen nemen toe — de 1,5 meter wordt aangehouden en dus zou het besmettingsrisico laag moeten zijn. Dus wij zouden graag horen dat die groepsgrootte losgelaten wordt vanaf stap 4.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 77
Minister De Jonge:
Dan mevrouw Kluit over de doorstroomlocaties, de 1,5 meter en de groepsgrootte. Ik denk dat het voornemen van het kabinet helemaal aansluit bij datgene wat u zou wensen. Is het mogelijk om de afbakening van de groepsgrootte op enig moment los te laten? Ik denk dat het zeker te overwegen is. Ik kom daar ook graag op terug bij de verdere uitwerking van niet zozeer stap 3, maar stap 4 van het openingsplan. Dat is een.
Twee is dat ik uw bijdrage zo hoor dat u zegt: als een instelling met 1,5 meter open kan en daarmee prima uit de voeten kan, waarom ook niet? En dan is toegangstesten toch zeker niet per se nodig? Nee, inderdaad. Dat is altijd een toegevoegde optie. Bij doorstroomlocaties, musea bijvoorbeeld, heb ik al aangegeven dat ik niet veel toegevoegde waarde zie voor toegangstesten op dit moment. In andere sectoren weer wel. Het blijft echter altijd een vrijwillige optie. Als instellingen zeggen "laat mij gewoon met die 1,5 meter werken, want ik kan daar prima mee uit de voeten", dan is dat altijd goed. Ik denk dus dat de ideeën daar op eenzelfde lijn liggen.
Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 81
Mevrouw Kluit (GroenLinks):
Ik vertaal dit als een toezegging dat we in stap 4 de maximale groepsgrootte voor deze locaties loslaten. Ik laat het helemaal aan de minister over om daarin dan de datum te prikken.
Minister De Jonge:
Exact. Geef me die ruimte in ieder geval wel, want dat is wel nodig.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2020/2021, nr. 38, item 8
-
7 juni 2022
nieuwe status: afgevoerd
Voortgang: -
12 april 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
28 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
13 september 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
25 mei 2021
toezegging gedaan
Toezegging Vervalbepaling Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874) (T03216)
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Nicolaï (PvdD), toe dat hij de vervalbepaling van artikel VIII van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 nader zal beschouwen om te bezien of dit een opschortingsbepaling kan worden. De Kamer zal daarover geïnformeerd worden.
| Nummer | T03216 |
|---|---|
| Status | afgevoerd |
| Datum toezegging | 13 juli 2021 |
| Deadline | 1 januari 2022 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | prof. mr. P. Nicolaï (PvdD) |
| Commissie | commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | overig |
| Onderwerpen | vervalbepaling COVID-19 |
| Kamerstukken | Verlengingsprocedures Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874) |
Handelingen I 2020-2021, nr. 45, item 2, blz. 21
De heer Nicolaï (PvdD):
Dan kom ik bij het andere punt, namelijk of het geschut niet te grof is. Want we kunnen alleen ja of nee zeggen. Ik denk dat mevrouw De Bruijn daar een heel terechte vraag over gesteld heeft en dat het ook goed is dat we daarover geïnformeerd zijn, want als er nee gezegd wordt, betekent dat dat de gereedschapskist zoals die in de Wet publieke gezondheid zit, eruit valt. Dat is het gevolg. Dat is eigenlijk het gevolg van een stukje wetgevingstechniek en dat is heel makkelijk op te lossen. Mijn vraag aan de minister is dan ook of hij bereid is om daar eens naar te kijken. Wat er nu staat, is dat met ingang van drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, die hoofdstukken vervallen. Maar als je dat "vervallen" vervangt door dat de werking ervan wordt opgeschort, dan kan je in het KB de opschorting ongedaan maken of eerder opschorten. Dan heb je in feite hetzelfde systeem van die Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag. Dat is een kleine wijziging maar daarmee voorkomen we dat we in een situatie komen dat als er toch een conflict is tussen de regering en de Kamer, waarbij de Kamer het hoog speelt en zegt "als je niet wil luisteren gaan we die wet niet goedkeuren", er een gat ontstaat. En dat moeten we vermijden. Dus als we in vrede en goedgemutst de wet hier willen goedkeuren, is mijn vraag of de regering kan toezeggen: we gaan jullie op tijd informeren over de gereedschapskist en we gaan nog eens kijken of, nu we het zo geregeld hebben, het woordje "vervallen" eigenlijk wel het juist woordje is in die bepaling.
Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 2, blz. 9-27
Minister De Jonge:
(…)
Dan zegt de heer Nicolaï dat de vervalbepaling van de Twm nu wat grof geschut lijkt. Hij vraagt of wij bereid zijn om te kijken hoe dat anders kan worden opgelost, namelijk dat instrumenten niet vervallen, maar dat de werking daarvan wordt opgeschort. Ik denk dat de heer Nicolaï daar wel een punt heeft. Het is nu inderdaad of aan of uit, maar eenmaal uit betekent ook uit de gereedschapskist. Je moet dan echt een nieuw wetgevingstraject starten om het weer in de gereedschapskist te krijgen. Dat heeft iets grofs inderdaad. Je zou ook nog anders kunnen redeneren. Als je het artikel in de wet laat staat, dus per KB verlengt, hoef je het nog niet te gebruiken. Dat is de facto, niet de jure, maar de facto, ook een vorm van opschorting natuurlijk. Zo staan er heel veel artikelen in de wet die we op dit moment niet gebruiken, die we wel gebruikt hebben, maar die op dit moment ongebruikt in de gereedschapskist laten zitten. Dat is een vorm van opschorting, in praktische zin. Maar u heeft gelijk. Het zou nog mooier zijn als je ook een artikel zou kunnen opschorten. Dus daar gaan we naar kijken. Dat is een interessante suggestie.
(…)
De heer Nicolaï (PvdD):
Ik had de minister om twee toezeggingen gevraagd. Hij is daar wel op ingegaan, maar voor mijn gevoel niet duidelijk genoeg. (…).
Ten tweede. We hebben het gehad over het gat dat eventueel valt doordat in artikel 8 het woordje "vervallen" staat. Ik had aan de minister gevraagd of hij bereid is om daar nog eens naar te kijken en dat op te lossen. Is de minister daartoe bereid? En kunnen we daar dan ook op korte termijn over geïnformeerd worden?
Minister De Jonge:
(…)
Naar het tweede wil ik ook kijken, maar niet met spoed. Er zijn ook nog heel veel andere klussen te klaren, dus dit gaat wel eventjes duren. Maar het is wel een interessante optie. U zegt eigenlijk: maak er geen harde vervalbepaling van, maar mogelijk een opschortingsbepaling. Dat vergt natuurlijk gewoon een wetswijziging. Als we erover uitgestudeerd zijn dat we die andere wetswijziging meenemen, is dit ook een wetswijziging die we mogelijkerwijs zouden moeten gaan doorvoeren. Dat komt dan veel meer in de buurt van de kersttoezegging aan mevrouw Prins en mevrouw De Boer. Ik ga dit meenemen bij die vraag: zou de huidige Twm eigenlijk wel zo tijdelijk moeten blijven, of moet je niet ook voor de huidige crisis toch al over naar een wat meer permanente bepaling in de Wpg? Die vraag ga ik voor de kerst beantwoorden. Daar neem ik uw vraag ook in mee.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling wetsvoorstel 35874 en debat over de verlenging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 Verslag EK 2020/2021, nr. 46, item 2
-
behandeling wetsvoorstel 35874 en debat over de verlenging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 Verslag EK 2020/2021, nr. 45, item 2
-
7 juni 2022
nieuwe status: afgevoerd
Voortgang: -
12 april 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
13 juli 2021
toezegging gedaan
Toezegging Aanpassing Wet publieke gezondheid (35.874) (T03217)
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden De Boer (GroenLinks) en Prins (CDA), toe dat hij de Kamer vóór de kerst een brief zal sturen met beschouwingen over een aanpassing van de Wet publieke gezondheid voor de huidige covid-19-crisis.
| Nummer | T03217 |
|---|---|
| Status | voldaan |
| Datum toezegging | 13 juli 2021 |
| Deadline | 15 december 2021 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | Mr.drs. M.M. de Boer (GroenLinks) G. Prins (CDA) |
| Commissie | commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | Wet publieke gezondheid COVID-19 |
| Kamerstukken | Verlengingsprocedures Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874) |
Handelingen I 2020-2021, nr. 45, item 2, blz. 2-6
Mevrouw De Boer (GroenLinks):
(…)
Verder valt ons op dat de evaluaties die genoemd worden zich slechts heel beperkt richten op het juridische instrumentarium in crisissituaties. Voldeed dit? Zijn er onderdelen die moeten worden vastgelegd in permanente noodwetgeving die indien nodig tot leven kan worden gebracht? Vanzelfsprekend weer met rechtsstatelijke waarborgen, zoals adviezen van de Raad van State en betrokkenheid van het parlement. Of is het beter ervoor te kiezen de gehele inhoud van de Twm te laten vallen en bij een nieuwe crisis weer een geheel nieuwe tijdelijke wet op te tuigen? Zijn dit soort vragen ook onderwerp van evaluatie en reflectie?
(…)
Mevrouw Prins (CDA):
(…)
Meneer de voorzitter. In mei hebben wij van de minister een toezegging gekregen inzake een toekomstvisie voor een samenleving met virussen. In de Tweede Kamer heeft de minister tijdens het debat op 7 juli aan ChristenUnie en CDA toegezegd om voor de kerst met een evaluatie en een schets van bijbehorende wetgevingsinstrumenten te komen, omdat hij eerst wil wachten op diverse evaluaties. Natuurlijk hebben wij begrip voor zorgvuldig handelen, voor lessen van de vele evaluaties. Alleen, het virus wacht daar niet op. Dit spoedwetsvoorstel bestendigt in feite weer de tijdelijkheid van deze zo relevante wet- en regelgeving, met inbreuk op de diverse grondrechten. Wij — ik spreek in dezen mede namens de ChristenUnie — zouden de minister dan ook om een duidelijke toezegging willen vragen om vóór een mogelijke verlenging van de tijdelijke wet per 1 december een regulier wetsvoorstel te presenteren, waarbij de regering in geval van uitbraken van virussen die leiden tot onacceptabele belastbaarheid van de zorg en die kwetsbare mensen buiten verhouding treft, binnen de kaders van deze nieuwe wet de juiste maatregelen kan treffen.
Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 2, blz. 12
Minister De Jonge:
(…)
Kortom, ik heb inderdaad in het vorige debat toegezegd aan mevrouw De Boer en mevrouw Prins dat het ons gaat lukken om voor de kerst een brief te sturen waarin wij onze beschouwingen geven over een aanpassing van de Wpg voor de huidige crisis. Stel dat je op enige moment af zou willen van het werken met de tijdelijke wet, welke artikelen zou je dan voorlopig nog even moeten toevoegen aan de Wpg om de huidige crisis te kunnen bestrijden? Het is te veel gevraagd om dan ook al te kunnen komen tot een daadwerkelijk wetsvoorstel dat gaat over het bestrijden van de volgende pandemie, dus een daadwerkelijk toekomstbestendige Wpg. Ik denk dat u ons daar overvraagd, want de evaluaties zullen nog niet ver genoeg zijn afgerond om die vragen daadwerkelijk te kunnen beantwoorden.
Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 19, blz. 14
Minister De Jonge:
(…)
Dan kom ik op de vragen. Er is nog een enkele vraag die moet worden beantwoord. Die gaat over die brief van voor de kerst over de Wpg eigenlijk als opvolger van de tijdelijke wet. Zo heb ik u gehoord. Allereerst denk ik dat we moeten onderscheiden wat in de huidige Wpg zou moeten wijzigen als we liever afstappen van de Twm en liever overgaan tot een gewijzigde Wpg om de huidige crisis mee kunnen te bezweren. Dat is de brief die ik in december, dus niet voor december, kan sturen. Daar zou een voorstel uit naar voren kunnen komen om inderdaad toe gaan naar een wijziging van de Wpg, maar ik wil op de inhoud van die brief niet vooruitlopen. Dat is dus één.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling wetsvoorstel 35874 en debat over de verlenging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 Verslag EK 2020/2021, nr. 46, item 2
-
behandeling wetsvoorstel 35874 en debat over de verlenging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 Verslag EK 2020/2021, nr. 45, item 2
-
7 juni 2022
nieuwe status: voldaan
Voortgang: -
12 april 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
13 juli 2021
toezegging gedaan
Toezegging Naleving, controle en handhaving (35.961) (T03320)
De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Karakus (PvdA) en Verkerk (ChristenUnie), toe dat hij de minister van J&V zal vragen de Kamer te informeren over de naleving, controle en handhaving. Daarbij zal de Kamer ook geïnformeerd worden over het plan ter intensivering van de controle, waarover nu met de sectoren het gesprek wordt gevoerd.
| Nummer | T03320 |
|---|---|
| Status | afgevoerd |
| Datum toezegging | 30 november 2021 |
| Deadline | 1 januari 2022 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Justitie en Veiligheid Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | H. Karakus (PvdA) Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie) |
| Commissie | commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | controles coronamaatregelen handhaving naleving |
| Kamerstukken | Inzet coronatoegangsbewijzen bij niet-essentiële detailhandel en niet-essentiële dienstverlening op publieke plaatsen (35.961) |
Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 10-11
Minister De Jonge:
De heer Karakus vroeg: hoe kunnen we de handhaving verder versterken? Maken we nou ook een handhavingsplan? Ik heb allereerst gezegd: handhaving is belangrijk. Het is wel het sluitstuk, maar het is belangrijk. In het kader van handhaving zijn dus zware sancties mogelijk en die worden ook toegepast: waarschuwen en daarna sluiten. In het kader van controle is het goed om ondernemers te ondersteunen om dit goed in te vullen. Dan gaat het soms over voorlichting, maar gaat het ook over ondersteuning. De minister van JenV spreekt hier actief over met zijn collega's in het Veiligheidsberaad: de burgemeesters. Daarnaast zijn de ministers van EZK en JenV met de sectoren in gesprek om te komen tot goede controle- en handhavingsplannen. We vinden ook dat ondernemers daar goed financieel in moeten worden ondersteund. Het kan zijn dat er aanvullend mensen moeten worden ingezet uit de handhaving, zoals uit het veld van beveiligers en handhavers.
Samen wordt op dit moment gekeken wat er nodig is. Ik stel voor dat ik collega Grapperhaus vraag om u daarover te informeren, naar aanleiding van uw vraag en die van GroenLinks, en goed over het voetlicht te brengen wat er aanvullend wordt gedaan, boven op de 45 miljoen die al is ingezet voor de gemeenten om de controle te bevorderen.
De heer Karakus (PvdA):
Dank voor de beantwoording en dank voor de toezegging dat er een plan komt. Het gaat niet alleen maar om het onderdeel handhaving. Volgens mij zijn we het er met elkaar over eens dat naleving het belangrijkste is. Handhaving kan ook betekenen dat je mensen op straat vriendelijk aanspreekt: u heeft uw mondkapje niet op. Of: u houdt geen afstand. Dat is ook een vorm van gedrag. Dus dat soort onderdelen, de naleving, controle en handhaving, zouden als het ware in één plan terug moeten komen. Hoe gaan we dat doen? Aan de ene kant stimuleren we gedrag.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Karakus (PvdA):
Hoe gaan we controleren en hoe gaan we handhaven? Ik wacht dus het plan van de minister af.
Minister De Jonge:
Even in alle precisie, want anders verwacht u meer van collega Grapperhaus dan hij van plan was te gaan waarmaken. We hebben al 45 miljoen beschikbaar gesteld aan de gemeenten, die daarmee hun eigen gemeentelijke handhaving intensiveren. Ze maken ook afspraken met sportverenigingen et cetera. Collega Grapperhaus en de collega's van EZK zijn met de verschillende sectoren in gesprek over de vraag: hoe zou je nou de controle — dus niet de handhaving, maar de controle — verder kunnen intensiveren? Nou, zeggen die sectoren, het zou al geweldig helpen als we daar ook financieel in worden ondersteund. Daar zijn we als kabinet toe bereid. Met de sectoren komen we dus tot plannen die de controle moeten intensiveren. Daarvan zeg ik: dat gesprek loopt nu. Dat plan over de controle willen we graag aan de Kamer doen toekomen, om te laten zien: het is niet alleen maar handhaving, het is ook gewoon het versterken van de controle. Wat we natuurlijk willen zien, is dat die nalevingscijfers omhooggaan. Dat zien we de afgelopen weken wel een beetje. Dat is dus goed, maar het is niet goed genoeg.
De voorzitter:
Dank u wel. Tot slot, meneer Karakus.
De heer Karakus (PvdA):
Ik weet niet of we het over hetzelfde plan hebben. Nogmaals, mij gaat het erom dat we met elkaar overtuigd zijn. Het gaat me niet om de financiële middelen. Daar heb ik wel om gevraagd, maar het gaat niet om de hoogte van het bedrag. Soms is het efficiënter om zo min mogelijk financiële middelen in te zetten. Mensen aanspreken heeft soms meer effect dan alleen maar geld pompen in moeilijke dingen. Handhaven gaat ook om de mogelijkheden en de onmogelijkheden. Hoe staat het met de juridische basis? Kunnen we mensen erop aanspreken? Kunnen we dingen sluiten? Of kan het veel soepeler? Ik ben het ermee eens dat het het meest effectief is vormgegeven.
De voorzitter:
Wat zijn uw vragen?
De heer Karakus (PvdA):
De vraag is: waarom kan er geen generiek plan komen op die onderdelen, waardoor we de overtuiging hebben dat het in goede handen is?
Minister De Jonge:
Ik ben er een beetje beducht voor dat we dingen over gaan doen. Die 45 miljoen is al aan de veiligheidsregio's ter beschikking gesteld. Die veiligheidsregio's zetten dat geld in op plekken waarvan zij zelf van opvatting zijn dat die het meest noodzakelijk zijn voor de handhaving. Ik ben zeer bereid om aan Grapperhaus te vragen om eens helder te maken waar dat nou aan opgemaakt wordt en of dat de meest effectieve inzet is. Dat is één element. Het tweede element voegen we eraan toe. We gaan daarbij met die sectoren om de tafel over de vraag hoe zij hun controle zouden kunnen versterken. Als die sectoren aan ons terugzeggen dat zij daar wel financieel bij geholpen willen worden, dan zeggen wij als kabinet dat we daarvoor openstaan. Dat laatste leidt tot een nieuwe interventie en ik licht graag aan de Kamer toe wat collega Grapperhaus daarover afspreekt. Het is dus handhaving en controle. De kern is natuurlijk dat je de nalevingscijfers omhoog wilt krijgen. Dat is de kern.
De heer Verkerk (ChristenUnie): Nog even een korte vraag. Ik heb heel veel goede dingen gehoord die beide ministeries gaan doen. Ik vind het heel belangrijk dat de controle en handhaving omhooggaan. In het vorige debat heb ik de minister van JenV gevraagd om de Kamer regelmatig te informeren over de resultaten. Dat kon hij niet toezeggen. Ik zou het fijn vinden als u dat wél kan toezeggen. Het mag in de maandelijkse stand-van-zakenbrief. Ik zou graag willen volgen hoe goed dit gaat.
Minister De Jonge: Ik snap dat eigenlijk wel goed. Als hij hier gestaan had, had hij denk ik gezegd: dat gaan we doen. Ik ga dus graag met hem opnemen in welke vorm dit kan. Dan kunnen we tegelijkertijd tegemoetkomen aan de toezegging aan de heer Karakus. Ik zou het heel fijn vinden als ik het mag doen in de voortgangsbrief.
De heer Verkerk (ChristenUnie): Prima. Ik dank u.
Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 29-30
De heer Karakus (PvdA):
Vandaag hebben we onze zorgen geuit over de gevolgen van de gebrekkige handhaving. Laat ik vooropstellen: alles heeft de doelstelling om ervoor te zorgen dat de stijging van het coronavirus ingeperkt wordt, zodat we kunnen voorkomen dat de druk op de zorg toeneemt. Het genomen maatregelenpakket zou daar een bijdrage aan moeten leveren. Wij hebben aangegeven dat wij de vraag hebben hoe effectief dat is. Daar hebben we nog geen helder antwoord op gekregen. Morgen loop ik, na al het debat van vandaag en vorige week, misschien in de Afrikaanderwijk en de mensen vragen dan wat dit betekent. Ze vragen: komen we sneller aan de beurt voor de zorg of is het zo dat het zorgpersoneel het dan minder druk gaat krijgen? Kan de minister nog een keer aangeven wat dit voor de zorg betekent? Want dat is onze doelstelling. Wat is het effect van het maatregelenpakket? En ik heb het dan dus niet alleen maar over het CTB, maar over het totale maatregelenpakket. Nogmaals, onze doelstelling is het voorkomen van druk op de zorg. Graag daar dus nog antwoord op.
Dan het tweede. Woorden zijn belangrijk, en het voorkomen van druk op de zorg zou ook het verhaal naar buiten moeten worden. Creëer draagvlak. Schets perspectief. "Beste mensen, het is lastig, maar als we ons houden aan het maatregelenpakket, dan heeft dat dit als voordeel, voor u en voor ons." Maak er een goed verhaal van. Straks krijgt u nog een kans om daarop te oefenen, beste minister.
Dan naleving. Ik ben blij dat de minister aangeeft dat naleving belangrijk is en dat, om de naleving te verhogen, controleren en handhaven een belangrijk onderdeel van de aanpak gaan worden. We willen inderdaad de pakkans bij een overtreding verhogen, omdat wij denken dat dit effect heeft op de naleving. Zijn we overtuigd geraakt door de beantwoording van de minister? Twijfel. We hebben het vertrouwen dat de minister met een goed plan van aanpak komt, maar daar willen we van overtuigd worden. Misschien moeten we daar nog aan koppelen dat het snel aangeleverd wordt. Als het volgende maatregelenpakket zich aandient, dan is het voor ons cruciaal om het nieuwe maatregelenpakket op dat punt goed te kunnen beoordelen. Misschien kunt u dat een onderdeel maken van het voorstel. Hoe gaat u handhaven? Wat is het effect? Kunnen we dat inzichtelijk krijgen?
Voorzitter. Al met al hebben we daar dus nog onze zorgen over. Maar we vertrouwen erop dat de minister en de regering ons vertrouwen hierin niet zullen schaden en dat de minister ons ontzorgt bij de vraag hoe we de naleving gaan verhogen en hoe we een goed en degelijk plan van aanpak in elkaar gaan zetten.
Dat gezegd hebbende, zou mijn advies naar de fracties zijn om akkoord te gaan met deze wetgeving. Ik adviseer positief, onder de toezegging van de minister dat we een degelijk plan van aanpak krijgen, waardoor wij overtuigd zijn.
Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 32-33
Minister De Jonge:
Dan ga ik verder. Wat betreft de vragen, gaat het volgens mij nog over de vraag die de heer Karakus op tafel heeft gelegd. Hij zegt, over dat maatregelenpakket: je moet kunnen blijven uitleggen wat eigenlijk het doel is van dat maatregelenpakket. Ik hecht daar ook aan. Ik denk eigenlijk dat de gemeenschappelijke grond die ons, hoezeer we het ook oneens kunnen zijn, allemaal verbindt, is: hoe kunnen we zorgen dat de zorg voor ons allemaal, voor iedereen die zorg nodig heeft, toegankelijk blijft? Dat betekent op de korte termijn gewoon het interveniëren en het nemen van stevige maatregelen, die niet fijn zijn, die zeer beperkend zijn en die ook grondrechtenbeperkend zijn, om de toegankelijkheid van de zorg zo veel als mogelijk te waarborgen voor iedereen. Dat is het doel van de maatregelen op de korte termijn. Vervolgens is het doel om nog steeds veilig, maar ook zo open mogelijk de rest van de winter door te komen. Dat is het doel van de maatregelen die we nu toevoegen aan de gereedschapskist, om ze op enig moment ook als alternatief voor de zeer beperkende maatregelen te kunnen toevoegen. Dat is het doel en zo wil ik ook telkens proberen om te blijven uitleggen waarom we doen wat we doen.
En dan heeft u helemaal gelijk: je moet maatregelen kunnen handhaven. En als je ze niet kunt handhaven, ga er dan maar van uit dat de controle achteruit zal gaan. En als de controle achteruit zal gaan, ga er dan maar van uit dat ook de naleving dus uiteindelijk achteruit zal gaan. Naleving, controle en handhaving gaan hand in hand. Ik heb u al verteld over de 45 miljoen. Ik heb u al verteld over de beschikbaarheid aan de kant van het kabinet van aanvullende middelen voor de sectoren om de controle verder te versterken. Ik heb u verteld over de wekelijkse monitoring van de naleving en dat we echt willen zien dat die naleving omhoog gaat. U heeft gezegd: ik wil dat eigenlijk gewoon vervat zien in een plan van aanpak, op basis van de gesprekken die op dit moment met de veiligheidsregio's worden gevoerd en die met de sectoren worden gevoerd. Ik zeg u graag toe dat ik collega Grapperhaus vraag u apart een brief te sturen over de naleving, de controle en de handhaving. Die integraliteit hoort daarbij.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2021/2022, nr. 8, item 9
-
12 juli 2022
nieuwe status: afgevoerd
Voortgang: -
7 juni 2022
nieuwe status: afgevoerd
Voortgang: -
17 mei 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
18 januari 2022
nieuwe status: deels voldaan
Voortgang: -
14 december 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten:-
-
brief van de minister van J&V over naleving, controle en handhaving van de Coronamaatregelen
EK 35.899 / 35.961 / 35.526, N
-
-
30 november 2021
toezegging gedaan
Toezegging PCR-testen (35.961) (T03321)
De minister van VWS zegt, naar aanleiding van vragen van het lid Faber-van der Klashorst (PVV) toe de informatie over PCR-testen nogmaals naar de Kamer te sturen.
| Nummer | T03321 |
|---|---|
| Status | voldaan |
| Datum toezegging | 30 november 2021 |
| Deadline | 1 januari 2022 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | M.H.M. Faber-van de Klashorst (PVV) |
| Commissie | commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | PCR-testen COVID-19 |
| Kamerstukken | Inzet coronatoegangsbewijzen bij niet-essentiële detailhandel en niet-essentiële dienstverlening op publieke plaatsen (35.961) |
Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 15-16
Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):
Dank u, voorzitter. Het was niet één vraag, maar tig vragen. Er is geen enkele vraag van de PVV-fractie beantwoord, dus ik ga ze gewoon nog een keer stellen. De minister was natuurlijk een beetje teleurstellend daarin, maar ik ga ervan uit dat hij het nu goed gaat maken. Ik heb een vraag gesteld over het testen. Is er van het begin af aan eenduidig getest? Is daar een standaardprocedure voor? Na hoeveel cycli wordt er uitgelezen? En dan is er ook nog de vraag: stel dat er een standaardprocedure is, hoe wordt die geborgd en wat houdt die in?
Minister De Jonge:
Ik heb die vragen wel gehoord, maar ik heb ze ook geregistreerd als vragen die niet gingen over het wetsvoorstel van vandaag. Die vragen gaan namelijk over het PRC-protocol en waar het hier vandaag helemaal niet over gaat, is over PCR-testen. Het gaat over testen voor toegang. Dat zijn antigentesten. Dat is helemaal geen PCR. Ik heb die vragen overigens meerdere malen beantwoord aan uw collega's in de Tweede Kamer en ook aan het lid Van Haga. Het RIVM heeft daar een prachtige bijlage van gemaakt en als ik die aan u zou voorlezen, denk ik dat de voorzitter mij onmiddellijk zou afhameren.
Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):
Ik laat mij toch echt niet zo afschepen. Dat ten eerste. Dit is een wetsvoorstel dat beoogt het aantal besmettingen te laten dalen. Besmettingen worden vastgesteld met testen. Ik heb hier een testvraag. Dat is de basis van de hele zaak. De basis is: wanneer is iemand positief getest? Want uit een positieve test rolt een besmettelijkheid, als ik het zo allemaal lees. Dus ik daar gewoon antwoord op hebben. We hebben recht op deze informatie, want dit zéér basaal.
Minister De Jonge:
Toch even heel precies. Dit wetsvoorstel gaat over de verbreding van het toepassingsbereik van coronatoegangsbewijzen. Coronatoegangsbewijzen worden uitgereikt aan mensen die zijn genezen of gevaccineerd of getest. Welke test geldt er dan? Een antigentest, dus geen PCR. Het is echt niet zo dat PCR hier ook maar iets mee te maken heeft; helemaal niets. Het is daarnaast zo dat ik meerdere malen op dit soort vragen antwoord heb gegeven. Ik ben natuurlijk ook bereid om u alles te doen toekomen wat u altijd al een keer had willen weten over PCR-protocollen in internationale standaarden. Maar dit is geen debat tussen wetenschappers. Straks zijn wij labmedewerker van de maand, maar wat voegt dat toe aan het politieke debat dat wij hier horen te hebben?
De voorzitter:
Ik hoor u zeggen dat u wel bereid bent om dan schriftelijk wat informatie te sturen.
Minister De Jonge:
Alles, tuurlijk.
Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 16
Minister De Jonge:
Dit wetsvoorstel raakt niet aan PCR-testen; niet, gewoon niet, helemaal niet. Het gaat over 3G. 3G is gevaccineerd, genezen of getest. De testen die daarvoor worden gebruikt, zijn antigentesten. De Stichting Open Nederland gebruikt antigentesten en geen PCR voor Testen voor Toegang. Het zou ook wel een hele dure grap worden, overigens. Dan over PCR-gebruik. Daar heb ik de Kamer meerdere malen over geïnformeerd. Ik heb op 12 oktober een uitvoerige bijlage aan de Kamer gestuurd. Daarin staat alles wat je hartje begeert over afkapwaarden, over cycli en over de internationale standaarden rondom PCR. Maar ik acht het echt niet zinvol om dat onderdeel te maken van een politiek debat. Ik zie wel dat het af en toe gebeurt en wordt geprobeerd, om daarmee te tornen, kennelijk, aan de betrouwbaarheid van de PCR-test. Maar PCR is de internationale standaard, de gouden standaard als het gaat over de vaststelling of iemand besmet is of niet. Ik ben meer dan bereid om nog een keer die bijlage aan de Kamer te sturen, als u daar prijs op stelt, maar ik zie niet hoe het raakt aan het wetsvoorstel dat we hier vandaag behandelen. Ik zie ook niet hoe we een zinvol politiek debat kunnen hebben over de standaarden die gelden voor laboratoriummedewerkers.
Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 21
Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):
De minister geeft aan dat er bij een hogere infectiedruk meer maatregelen komen. Dat hangt dus ook weer af van het aantal besmettingen. Daarom is het zo jammer dat we het hier niet mogen hebben over hoe betrouwbaar de PCR-test is. Ik wil toch vragen of de minister welwillend is om de standaardprocedure van hoe de PCR-test wordt afgenomen naar de Kamer te sturen. Dan hebben we tenminste een beetje inzage in de keuken en in hoe die PCR-testen lopen. Dan wil ik ook graag het volgende weten: het aantal cycli, wanneer er wordt uitgelezen, wat de primers zijn enzovoort.
Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 31
Minister De Jonge:
Dan de vraag van de PVV of ik alles over PCR-testen naar de Eerste Kamer wil sturen. Dat heb ik al gedaan, maar dat wil ik nog wel een keer doen als ik u daar gelukkig mee maak.
Brondocumenten
-
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2021/2022, nr. 8, item 9
-
7 juni 2022
nieuwe status: voldaan
Voortgang: -
12 april 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
30 november 2021
toezegging gedaan
Toezegging Vervalbepaling Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.899) (T03330)
De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Nicolaï (PvdD), toe om in de voortgangsbrief van december (naar aanleiding van T03021) uitvoerig in te gaan op de suggestie van de heer Nicolaï om een andere bepaling in de wet vast te leggen waarin staat dat de regels niet vervallen maar worden opgeschort.
| Nummer | T03330 |
|---|---|
| Status | afgevoerd |
| Datum toezegging | 23 november 2021 |
| Deadline | 1 januari 2022 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Kamerleden | prof. mr. P. Nicolaï (PvdD) |
| Commissie | commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | vervalbepaling COVID-19 |
| Kamerstukken | Goedkeuringswet derde verlenging geldingsduur Twm covid-19 (35.899) |
Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 47-48.
De heer Nicolaï (PvdD):
(…) Als ik het goed begrijp, vertelde de minister eigenlijk dat we in december inzicht zouden krijgen in de gereedschapskist die de minister de komende winter nodig denkt te hebben. Ik zou graag nog even ergens aan willen herinneren, of het nou een toezegging was of niet. Mevrouw De Bruijn-Wezeman en ik hebben op een gegeven moment opgemerkt dat zolang we nog werken met het systeem van de Tijdelijke wet maatregelen, en die goedkeuring voor de verlenging dus nodig is, we een probleem hebben. Als wij namelijk besluiten om niet te verlengen, dan vervallen alle bevoegdheden. In mijn herinnering had u toegezegd dat we begin december van u zouden horen of het volgende een mogelijke wijziging zou zijn. Mijn voorstel was om "vervallen" te vervangen door "opschorten". Die wijziging zou dan ook snel doorgevoerd moeten worden.
De Voorzitter:
Dus wat is uw vraag?
De heer Nicolaï (PvdD):
Mijn vraag is: is die toezegging er en kunnen we daarop rekenen?
Minister De Jonge:
Nee kijk, bij de verlenging werkt het eigenlijk als volgt. Iedere drie maanden beargumenteren we opnieuw welke artikelen we wel en niet nodig hebben.
De heer Nicolaï (PvdD):
Sorry dat ik u onderbreek, maar dat was de vraag niet. De vraag was als volgt. Zoals het nu in de wet staat, vervallen alle bevoegdheden als wij die als Kamer niet zouden goedkeuren. Het is dus alles of niks. We hebben eigenlijk helemaal niks. Ik denk dat er hier namelijk geen mens is die zegt dat u geen enkele bevoegdheid nodig heeft. Het gaat dus altijd om de soort bevoegdheden. Daarom is toen aan de orde gekomen om een andere bepaling in de wet te hebben, die stelt dat de regels niet vervallen maar worden opgeschort. Dan heeft u in die opschortingsperiode nog steeds de mogelijkheid om met andere regels te komen, die wel tot tevredenheid van de Kamer leiden.
De Voorzitter:
Ik denk dat uw vraag helder is, meneer Nicolaï
De heer Nicolaï (PvdD):
Dat was de vraag.
Minister De Jonge:
Ik was ook begonnen die vraag te beantwoorden, namelijk door te zeggen dat we bij elke verlenging echt per bepaling kijken of we die nog nodig hebben. Wij doen u voorafgaand aan het slaan van het KB altijd het OMT-advies en ook de voorgenomen beslissing vanuit het kabinet toekomen. Daarop kunt u al interveniëren. Vervolgens maken we dat KB. Het is inderdaad een keuze om een bepaling te laten vervallen of niet. U heeft daarvoor in de plaats de vraag gezet of je ook aan opschorting zou kunnen doen. Daarvan heb ik gezegd dat mij dat niet heel erg logisch leek, omdat ik denk dat je kunt beredeneren waarom je iets nog nodig hebt, maar dat vervolgens niet hoeft aan te zetten in een ministeriële regeling. De facto is het slapend laten voortbestaan van enkele artikelen uit de wet een vorm van opschorting. Je gebruikt die namelijk niet in een ministeriële regeling. Ook al staat die bepaling in die verlengde wet, je hoeft die niet aan te zetten. Het slapend zijn van die bepaling is eigenlijk een vorm van opschorting. Opschorting is dus nauwelijks van toegevoegde waarde ten aanzien van de proportionaliteitsweging van de verlenging van de Twm ten opzichte van de huidige situatie die al in de wet geregeld is.
De Voorzitter:
De heer Nicolaï, uw derde interruptie.
De heer Nicolaï (PvdD):
Ze slapen niet, maar ze zijn vervallen. Als je vervalt, dan slaap je niet meer. Dan moet je dus een nieuwe wet maken waarin je die bevoegdheden weer opneemt. Dat is een ernstig proces. Daarom was het voorstel om ze te laten slapen. Dat slapen is dat je in de wet het woordje "vervallen" vervangt door het woordje "opschorten". Daarover zou u nadenken. Ik hoef het niet op dit moment te horen, maar ik zou graag de toezegging van de minister krijgen dat hij ons daarover nog informeert.
Minister De Jonge:
Aan het einde van het jaar. Laten wij het dan zo doen. Aan het einde van het jaar zou ik sowieso — dat heb ik in het vorige debat toegezegd aan onder anderen mevrouw De Boer, meen ik, maar volgens mij ook aan mevrouw Prins — een schets geven van het juridisch instrumentarium dat het kabinet nodig acht voor het komende jaar. Dan vertellen wij in welke mate wij denken dat die verlengingen nog aan de orde zijn en vanaf welk moment wij denken dat de bepalingen die nog wat langer nodig zijn, zullen kunnen indalen in de Wpg. In die brief kan ik natuurlijk ook ingaan op de suggestie die de heer Nicolaï ook in het vorige debat heeft gedaan. Dat wil ik graag doen.
Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 76.
De heer Nicolaï (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Ik dank beide ministers voor de beantwoording. Ik heb niet op alle vragen antwoord gekregen, maar daar heb ik ook niet zo'n behoefte meer aan. Ik wil wel één ding toch nog even voorleggen waar we kort over gediscussieerd hebben en dat is de kwestie van de vervalbepaling. Ik heb een idee dat er bij de minister of bij zijn wetgevingsambtenaren toch een grote misvatting is, want er staat gewoon in artikel VIII een vervalbepaling. Er staat: "Met ingang van drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet vervallen: a. hoofdstuk Va, paragraaf 1a van hoofdstuk VII (…) Wet publieke gezondheid". Dus die hoofdstukken, die bepalingen, vervallen. In die bepalingen staan eigenlijk alle bevoegdheden opgesomd die de minister en de Kroon, voor zover het gaat om die AMvB, hebben. Als die bepalingen vervallen, dan vallen ze niet in slaap, maar dan vervallen ze. Dan worden ze dus gewoon verwijderd uit de wet. Daarover hebben we het toen gehad, ook mevrouw De Bruijn-Wezeman, die zei: als we niet instemmen met de verlenging, valt alles uit die wet weg. Dat wil niemand op z'n geweten hebben, dus je kan eigenlijk niet serieus beraadslagen over of je wel of niet gaat instemmen met verlenging. Daarvan heb ik gezegd: kijk daar nou eens goed naar. Als je van "vervallen" "opschorten" maakt, worden die bepalingen opgeschort. Voor een korte tijd zijn die bepalingen dus niet werkzaam, maar ze staan nog wel in de wet. In de korte tijd kunnen de regering en de Kamer overleggen over onder welke omstandigheden er alsnog kan worden ingestemd.
Ik zou toch graag nog een keer aan de minister willen voorhouden om daar nog eens naar te kijken, en zou daar, zoals hij ook heeft toegezegd, eigenlijk gewoon volgende maand een reactie op willen krijgen of hij bereid is om dat in feite aan te passen. Het kan ook iets anders worden. Ik hoorde de heer Janssen de vorige keer zeggen: misschien willen wij dat helemaal niet. Er moet in ieder geval nagedacht worden over de vraag hoe je werkelijk gestalte kan geven aan de zeggenschap van in dit geval de Eerste Kamer. Als je alleen maar ja of nee kunt zeggen zonder dat je discussie kunt hebben over wat je wel en niet wil bewaren aan bevoegdheden, is dat eigenlijk geen zeggenschap. Dat wil ik nog graag aan de minister meegeven.
Dank u wel, voorzitter.
Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8, blz. 86
Minister De Jonge:
Dan de heer Nicolaï. Ik ga er gewoon schriftelijk op terugkomen. Ik zie dat mijn overtuigingskracht vanavond in de richting van de heer Nicolaï op dit punt gewoon onvoldoende is. Ik ga hier schriftelijk op terugkomen. In de brief, de decemberbrief, waarin we vooruitblikken op welk wetgevingsinstrumentarium we eigenlijk nodig hebben, ga ik uitvoerig, maar dan ook echt uitvoerig en uitputtend, in op de suggestie die de heer Nicolaï doet, om daarmee op recht te doen aan zijn andermaal gemaakte punt van vanavond
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2021/2022, nr. 7, item 8
-
7 juni 2022
nieuwe status: afgevoerd
Voortgang: -
12 april 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
18 januari 2022
nieuwe status: openstaand
Voortgang: -
14 december 2021
nieuwe status: openstaand
Voortgang:documenten: -
23 november 2021
toezegging gedaan