Rappelabele toezeggingen Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Rappel september 2021)



Dit is het rappel tot 02-07-21.


Toezegging Verdrag tegen handel in menselijke organen (33.506) (T02594)

De Minister voor Medische Zorg en Sport zal de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Don, op de hoogte houden van de ontwikkelingen omtrent de ratificatie van het Verdrag inzake orgaanhandel.


Kerngegevens

Nummer T02594
Status voldaan
Datum toezegging 30 januari 2018
Deadline 1 januari 2023
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Medische Zorg en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden H.M. Don (SP)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen orgaanhandel
ratificatie
verdragen
Kamerstukken Initiatiefvoorstel-Pia Dijkstra over het opnemen van een actief donorregistratiesysteem (33.506)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 17- item 6, blz. 3

De heer Don (SP):

Het aantal illegaal verkregen donororganen neemt internationaal gezien toe. Dat is een uiterst verwerpelijke ontwikkeling. Mag ik de regering vragen of ons land op korte termijn de Europese conventie uit 2015 van de Raad van Europa tegen de handel in menselijke organen gaat tekenen? Waarom is dit eigenlijk nog niet gebeurd?

Handelingen I 2017-2018, nr. 17- item 6, blz. 56

Minister Bruins:

De tweede vraag van de SP-fractie gaat over het verdrag inzake orgaanhandel. Gaat de regering op korte termijn het verdrag inzake orgaanhandel tekenen? Over de ratificatie van dit verdrag vindt overleg plaats tussen mijn ministerie en dat van Justitie en Veiligheid. Ik zal uw Kamer graag op de hoogte houden van de ontwikkelingen. De Wet op de orgaandonatie is op dit punt in ieder geval heel duidelijk: illegale orgaandonatie en orgaandonatie tegen een vergoeding die verder gaat dan een onkostenvergoeding zijn verboden.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Aandacht voor kwetsbare groepen en jongeren in de aanvullende preventieaanpak van drugsgebruik (34.997) (T02813)

De Minister voor Medische Zorg en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Dittrich (D66) en Bikker (ChristenUnie), toe in de aanvullende preventieaanpak van drugsgebruik expliciet aandacht te hebben voor kwetsbare groepen en jongeren.


Kerngegevens

Nummer T02813
Status voldaan
Datum toezegging 5 november 2019
Deadline 1 januari 2021
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Medische Zorg en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Mr. M.H. Bikker (ChristenUnie)
mr. B.O. Dittrich (D66)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen coffeeshops
preventiebeleid
softdrugs
volksgezondheid
Kamerstukken Wet experiment gesloten coffeeshopketen (34.997)


Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 5, item 4 - blz. 3

De heer Dittrich (D66):

Dat brengt mij ertoe om te zeggen dat ik begin jaren negentig, toen ik rechter was in de rechtbank van Alkmaar, veel psychiatriezaken deed en met een autootje van de rechtbank alle instellingen afging. Wat mij toen opviel, was dat er nogal wat jongeren in die inrichtingen zaten met een cannabispsychose. Vanuit zo'n psychose waren ze gevaarlijk geworden voor zichzelf of voor de omgeving. Er zijn dus kwetsbare groepen in de samenleving bij wie cannabis slecht uitwerkt. Graag krijg ik een toezegging van de ministers dat het Trimbos-instituut in het kader van de preventieve aanpak kwetsbare groepen specifiek aandacht zal gaan besteden aan jongeren in de instellingen.

Handelingen I 2019-2020, nr. 5, item 4 - blz. 9

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Cannabisgebruik kan volgens een groeiend aantal onderzoeken psychoses veroorzaken, een risico waarvoor snel meer aandacht moet komen volgens vooraanstaande psychiaters. Welke gevolgen heeft deze bevinding voor dit experiment? Waarom wordt niet stevig ingezet op het verminderen van het aantal jonge gebruikers en het aantal startende gebruikers, juist als duidelijk is dat jonge mensen een vergroot risico lopen? Of is die vermindering wel het doel van de meegeleverde preventieve aanpak bij dit experiment?

Handelingen I 2019-2020, nr. 5, item 11 - blz. 2

Minister Bruins:

Ook wordt er een aanvullende preventieaanpak opgesteld, waarin we ook aandacht hebben voor kwetsbare groepen. Dat betreft ook kwetsbare groepen in instellingen; we zullen dat punt expliciet meenemen. Op dit moment brengt het Trimbos-instituut in kaart hoe een afgewogen geheel van aanvullende preventiemaatregelen eruit kan zien. Dat is echt lang, lang, lang voordat we aan de experimenteerfase beginnen, helemaal klaar en gereed.

(…)

Minister Bruins:

Ik zei al dat wij specifiek aandacht zullen hebben voor jongeren in instellingen. Dat zeg ik naar aanleiding van de vraag van de heer Dittrich, maar ook mevrouw Bikker is daarop ingegaan.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Nadere gedachtewisseling (34.104 / 31.839, V) (T02833)

Voordat een formeel wetgevingstraject zal worden ingegaan, zal de Minister van VWS met de Kamer bespreken of er voldoende lessen zijn getrokken uit de decentralisaties in het sociaal domein, bijvoorbeeld naar aanleiding van de contourennota, die rond de zomer gestuurd zal worden, en/of de conceptwetgeving met aanpassingen van de Jeugdwet, die voor de zomer in consultatie zal gaan.


Kerngegevens

Nummer T02833
Status voldaan
Datum toezegging 21 januari 2020
Deadline 1 juli 2022
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Mondeling overleg
Categorie overig
Onderwerpen gezondheidszorg
jeugdzorg
maatschappelijke ondersteuning
Stelselherziening
Kamerstukken Langdurige zorg (34.104)
Jeugdzorg (31.839)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2019/20, 34104 / 31839, V, p. 26-27

De voorzitter: Daar hebben we volgens mij een gezamenlijk standpunt over. We willen allemaal dat we reële informatie krijgen om daar iets zinnigs over te kunnen zeggen. Ik hoor een pleidooi om dat toch iets meer aandacht te geven aan de voorbereidende kant, dus meer doordenken hoe we dat scherp kunnen krijgen.

Minister De Jonge: Dat we meer aan de voorkant doordenken waaraan we straks gaan afmeten of het succesvol was of niet. Dat gebeurt natuurlijk lang niet altijd. De gegevens in het sociaal domein die we wél hebben, zijn vaak helemaal niet zo eenduidig te interpreteren. Dat geldt zeker voor de jeugdzorg. Dus die feitenbasis moet beter op orde, maar dan zou ik dat schriftelijk moeten toesturen, want we doen er ongelofelijk veel aan; het voert veel te ver om dat nu allemaal te recapituleren. We werken aan een veel betere feitenbasis onder überhaupt het functioneren van de jeugdzorg, ook een centrale feitenbasis. Men is destijds wat terughoudend geweest om al te gecentraliseerd aan gegevensverzameling te doen omdat men heeft gezegd: pas nou op dat je niet langs die weg de beleidsvrijheid van gemeenten gaat inperken.

De voorzitter: Ik kijk naar de tijd. Ik weet niet hoe u in de tijd zit, maar wij hadden tot 18.00 uur afgesproken en het is nu 18.05 uur. Er staat nog één mooie reflectieve vraag open, namelijk in hoeverre wij zo’n wetgevingsproces ook met elkaar beter kunnen doen, als ik het goed samenvat. […] Wij zien ook wat dat betreft met veel interesse uit naar de brieven die eraan komen en de voorstellen van uw kant. Op het moment dat u zegt dat u een gedachtewisseling als deze daarbij nog een keer nuttig acht, bieden wij die bij dezen ook aan.

Minister De Jonge: Veel beter en veel preciezer van tevoren bedenken waaraan ik nou straks eigenlijk ons succes ga afmeten, wat is nou straks mijn bewijs voor succes, of juist het bewijs voor het uitblijven daarvan? Daar ben ik heel erg voor, ik ben daar erg freakerig in. […] Maar ik heb ook gezien hoe ingewikkeld het is als die indicatoren niet al bestaan. Want dan moet je ze gaan bedenken. Je wilt geen bureaucratie toevoegen. Dus dat is heel moeilijk om op een goede manier te doen. We zijn daar wel mee bezig. We verstevigen die feitenbasis op dit moment. Ik denk dat het verstandig is om daar nog eens over door te praten. […] En toch heeft dat allemaal niet kunnen voorkomen dat we op een aantal punten echt onvoldoende hebben voorzien, doorzien en doorgeëxerceerd wat de impact zou zijn van zo’n grote beleidswijziging en zo’n groot traject in één keer. Ik denk dat we daaruit de les moeten trekken: zo groot, pas nou op, probeer het nou in stappen te doen die je beter kunt overzien. Dat zal ik ook zeker doen. Ik ga graag in op het aanbod dat u doet om voordat we echt in een formeel wetgevingstraject komen ook nog nader van gedachten te wisselen om te kijken of we nou voldoende de lessen hebben getrokken van die decentralisatie bij het aangaan van het traject, bijvoorbeeld rondom die contourennota.

Kamerstukken I 2019/20, 34104 / 31839, V, p. 28

Minister De Jonge: Dus graag maak ik gebruik van het aanbod dat u doet om nader door te spreken. In de Tweede Kamer is dat denk ik in maart/april, ergens in die buurt, rondom een stand van denken van de contourennota die we zullen sturen. Dat zou natuurlijk ook best een moment kunnen zijn om dan ook het gesprek met de Eerste Kamer te vervolgen. […] Een tweede mogelijkheid, het hele aangrijpingspunt, zou kunnen zijn het ontwerp van de aanpassingen van de Jeugdwet dat we in consultatie zullen doen tegen de zomervakantie, en de contourennota zelf, die we tegen de zomervakantie zullen sturen. Dat betekent dat we net na de zomer daar het overleg over kunnen hebben. Dus dat zouden zomaar planningssuggesties kunnen zijn, maar overigens voeg ik mij uiteraard naar de planning zoals u die zelf maakt en ik laat me graag uitnodigen. Ik ben paraat als u mij roept.)


Brondocumenten


Historie







Toezegging Proportionaliteit toegangstesten in plan van aanpak (35.807) (T03143)

De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Kluit (GroenLinks) en Van der Voort (D66), toe om proportionaliteit onderdeel te maken van het plan van aanpak en daarbij in te gaan op de vraag hoe om te gaan met toegangstesten op langere termijn: in welke situaties is dat proportioneel, wanneer zijn toegangstesten niet meer nodig of moeten juist weer worden ingezet (de zgn. aan-en-uitknop) en wat is de drempelwaarde daarvoor?


Kerngegevens

Nummer T03143
Status afgevoerd
Datum toezegging 25 mei 2021
Deadline 1 juli 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA)
Prof.dr. P.H.J. van der Voort M.Sc. (D66)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen gezondheidstesten
proportionaliteit
toegangstesten
COVID-19
Kamerstukken Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen (35.807)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 27

De heer Van der Voort (D66):

Ik kan het erg kort houden, voorzitter. Die aan-en-uitknop intrigeert me. We hebben het eerder over een pauzeknop gehad, maar nu hebben we het over een aan-en-uitknop. Stel dat we straks in een situatie komen waarin we ons weer normaal kunnen gedragen, althans zoals we ons herinneren van een tijdje gelegen. Dan zijn we natuurlijk op onze hoede voor nieuwe varianten en voor een nieuwe toename van de besmettelijkheid. Is de minister bereid om op voorhand alvast aan te geven bij welk niveau van toename van het aantal besmette personen die knop weer aangaat?

Minister De Jonge:

Dat laat zich op dit moment heel erg moeilijk voorspellen. Ik wil daar heel graag op terugkomen op het moment dat wij met het plan van aanpak komen. Ik heb u de vraag horen stellen en ik snap de vraag ook. Ik vind het een terechte vraag. Voor nu hebben we het sowieso nodig, want het aantal besmettelijken is op dit moment nog boven de 100.000. Dat betekent dat de kans dat je iemand tegenkomt nog vrij groot is. Als je vrolijk in het theater naast elkaar zit, of als je bij het Songfestival naast elkaar staat en je zou niet aan toegangstesten doen, dan is het risico dat je die verspreiding gaande houdt, veel te groot. Met de huidige vaccinatiegraad en de huidige besmettingsgraad is het risico om die evenementen weer te laten doorgaan, zoals we dat zouden willen, gewoon nog te groot.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 31-32

Mevrouw Kluit

Het tweede punt gaat daar ook over. Proportionaliteit moet je aantonen. Op het moment dat er te weinig besmettingen in Nederland zijn, gaan de valspositieven enorm toenemen. Wij hebben gepleit om er een bodem in te leggen, wanneer we wel en niet toegangstesten gaan vragen.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Minister, mijn collega heeft een getal aangegeven en zij heeft u uitgedaagd. U levert daar nog niet op, maar ik ga u toch vragen om dat wel te doen.

De voorzitter:

Wat is uw vraag, mevrouw Kluit? Een korte vraag, een interruptie.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Hoe wil de minister proportionaliteit aangeven? Wat heeft hij nodig om daar op korte termijn criteria bij te leveren?

Minister De Jonge:

Ik ga het wedervoorstel doen om dat onderdeel te maken van het plan van aanpak, want voor dit moment hebben we dat sowieso nodig. Anders moeten er langer kleinere groepjes in het theater en kunnen er voorlopig geen festivals plaatsvinden. Als we dat allemaal wel willen, dan hebben we voorlopig toegangstesten nodig. De tijdshorizon is gekoppeld aan de tijdshorizon van de huidige Twm. Wat we nodig hebben, is een plan van aanpak voor de overgangsfase van pandemie of van epidemie naar endemie. Daarin zullen we het ook moeten hebben over: hoe gaan we dan om met het toegangstesten voor de langere termijn? Ik kan me voorstellen dat u daarin de beschrijving wilt hebben: in welke situatie is dat op dat moment proportioneel? Die kan ik u in dat plan van aanpak geven. Dat kan ik niet op dit moment doen, omdat het voor deze fase op die manier niet geldt.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Ik hoor hier een toezegging van de minister dat er voor toegangstesten een bodem moet zijn. Hij gaat die formuleren voor de volgende stap die we zetten. De reden is dat we op dit moment sowieso op een niveau zitten waarop het proportioneel is. Vat ik dat goed samen?

Minister De Jonge:

Zeker, ja.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 38-39

Minister De Jonge:

Mevrouw Kluit vraagt wanneer de inzet van toegangstesten eigenlijk proportioneel is.

[…]

Ik hoor weleens mensen zeggen: nu gaat het kabinet de testsamenleving invoeren, of zo. Dat zult u mij nooit horen zeggen, want ik vind dat een niet-nastrevenswaardig beeld. Nee, we gaan niet "de testsamenleving" invoeren. We gaan weer mooie dingen mogelijk maken. We gaan theaters zien vol te krijgen, we gaan restaurants zien vol te krijgen, we gaan evenementen weer mogelijk maken. Dat is wat we gaan doen. Als dat alleen maar veilig kan door toegangstesten, zullen we in die tijdelijke situatie de toegangstesten gebruiken. Daarna kappen we daar weer mee, behalve als het, in het beeld van mevrouw Kluit, nodig is om ze weer uit de gereedschapskist te halen. Ik heb al toegezegd dat ik in een plan van aanpak zal terugkomen op de criteria die daar dan bij passen. Ik snap wel dat u daarbij om criteria vraagt.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 45-47

De heer Van der Voort (D66):

Ja, precies. Dus als je ervan uitgaat dat dat is waar het om gaat, is het dan ook voor de hand liggend dat de aan-en-uitknop, die je ook voor de coronatoegangsbewijzen kan gebruiken, afhangt van het besmettingsrisico in de populatie, dus laten we zeggen van de prevalentie?

Minister De Jonge:

Zeker, dus de prevalentie of incidentie van besmettingen in relatie tot de vaccinatiegraad, in relatie tot de bescherming. Zo zul je altijd de som moeten maken.

De heer Van der Voort (D66):

U bent dus bereid, begrijp ik hieruit, om zo'n prevalentiemeting mee te nemen. Het is natuurlijk ook wel heel fijn om daar transparant over te zijn, zodat iedereen in Nederland weet waar we staan en of de toegangstesten in deze epidemiologische situatie dan ook nog lang aan de hand zijn, of dat we misschien al tegen een ondergrens aan zitten waaronder het niet meer nodig is.

Minister De Jonge:

Nou, dat denk ik nog niet hoor. Was het maar zo. Uw bestelling is heel helder geweest. Volgens mij deelt u die bestelling met mevrouw Kluit. U zegt eigenlijk: ik wil weten wanneer toegangstesten niet meer nodig is, en ook wanneer het eventueel weer aangezet zou kunnen worden als je het tegen de winterperiode mogelijkerwijs weer nodig hebt. Ik heb de bestelling goed genoteerd. Ik vind ook dat wij aan de slag moeten om voorspelbaar te zijn over wanneer je een instrument wel of niet inzet, en dat ook gerationaliseerd te doen. In zijn algemeenheid geldt dat deze wet het niet mogelijk maakt om toegangstesten in te zetten als er niet meer vrijheden voor terug kunnen komen. Dat is namelijk de proportionaliteitsweging die in de wet zit. Op grond daarvan moeten we onze maatregelen en onze ministeriële regeling maken. Op grond daarvan beoordeelt de Kamer ook of die weging adequaat is gemaakt. Nadat de wet is gewijzigd, kan ook de Eerste Kamer die proportionaliteitsweging maken per vastgestelde regeling in de nahangprocedure. […]

Ik verwacht dat dan na enige tijd het toegangstesten niet meer nodig zal zijn. De vraag is: zou er weer een moment kunnen komen waarop toegangstesten weer wel nodig is? U heeft de bestelling gedaan om daarvoor de parameters te articuleren. Dat snap ik ook. Die parameters zijn besmettingsgraad en beschermingsgraad, dus vaccinatie/infectie. Dat zal de combinatie zijn tegen de achtergrond waarvan je dit besluit zou moeten kunnen nemen.

[…]

Dan is de vervolgvraag van mevrouw Kluit en de heer Van der Voort een veel moeilijker vraag, namelijk: wat zouden dan de epidemiologische randvoorwaarden zijn waaronder je op den duur dat toegangstesten weer aan zou willen zetten? Die is nog moeilijker, want tegen die tijd heb je een hogere vaccinatiegraad, maar wellicht een mutatie waardoor je er weer anders naar kijkt of een te heterogene verdeling van de vaccinatiegraad waardoor je er toch weer anders naar moet kijken et cetera. Ik wil daar dus even ruimte hebben voordat ik die proportionaliteitsparameters goed kan bepalen. Voor het nu geldt het zoals ik zojuist schetste.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 51

Minister De Jonge:

Dan was er de discussie met de heer Van der Voort en met mevrouw Kluit over wat de epidemiologische randvoorwaarden zijn waaronder je eventueel dat toegangstesten ook later nog een keer ...

De voorzitter:

Daar heeft u al een aantal keer antwoord op gegeven en volgens mij was dat niet de vraag van meneer Van Strien.

Minister De Jonge:

Daar gaan we mee aan de slag. Dat wilde ik nog zeggen.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 66

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Allereerst dank voor de toezegging dat de automatische koppeling tussen de Twm en de testwet eruit wordt gehaald en dat we dus niet een hele volledige Twm hebben als we door willen gaan met het testen in het najaar. Dank ook voor de toezegging om een aan-en-uitknop te maken waarmee duidelijk wordt op welke momenten er sprake kan zijn van toegangsbewijzen bij niet-essentiële sectoren. We begrijpen dat we daar nu met 100.000 besmettingen aan voldoen, maar we vinden het ook heel belangrijk dat dit specifiek wordt. Dus de motie met D66 laten we staan, maar dat is een aanmoedigingsmotie om te zorgen dat dit goed op orde komt.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 70

De heer Van der Voort (D66):

Dan het tweede punt: de foutpositieven. Ik heb de minister horen zeggen dat een laag niveau van besmettelijkheid het aantal foutpositieven zo doet toenemen dat op een goed moment het inzetten van testen niet meer proportioneel is. Ik reken voor dat met 50.000 besmettelijken in Nederland, er bij het testen van 10.000 mensen 30 waarpositief testen. Bij een specificiteit van 99,8% — dat is de hoge waarde waar collega Verkerk op wees — is het aantal foutpositieven dan 20. De vraag aan de minister is of een verhouding van 30 waarpositieven versus 20 foutpositieven de ondergrenswaarde is. Als we dat naar 25.000 besmettelijke personen in Nederland terugbrengen, dan zijn er 15 waarpositief en 20 foutpositief. Het is op zichzelf dus geen moeilijke berekening en geen moeilijke inschatting.

Nou zegt de minister dat voor de nieuwe wetgeving die drempelwaarde of ondergrens benoemd zal gaan worden. We zijn ontzettend blij dat die beweging ingezet wordt. Maar wat is er eigenlijk op tegen om nu al in een ministeriële regeling op te nemen dat het toepassen van de testen vervalt bij bijvoorbeeld 25.000 of 50.000 besmettelijken in Nederland? Wij maken dit punt ook omdat een foutpositieve test niet zonder gevolgen is voor de persoon bij wie die wordt vastgesteld. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de quarantaine die eruit voortvloeit en ook aan de familieleden. Wij dus blij dat de minister deze beweging reeds maakt. De motie die GroenLinks en D66, dat zijn mevrouw Kluit en ik, willen indienen, zien wij dan ook als een aanmoedigingsmotie.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 80

Minister De Jonge:

Wat is erop tegen om nu in de regeling op te nemen dat het toepassen van testen vervalt bij 25.000? Ik wil er nog even over nadenken of dat het getal is dat wij moeten hebben. Toegangstesten zullen vanaf stap 6 van het openingsplan — de stap waarbij de basismaatregelen komen te vervallen — in principe niet meer worden ingezet, tenzij. Op dat "tenzij" ga ik op verzoek van mevrouw Kluit in bij het plan van aanpak. Wat wil je in de instrumentenkist hebben voor de langere termijn? Bijvoorbeeld als het risico zich voordoet waarop het OMT wijst, namelijk een afnemende bescherming door afnemende antistoffen, een heterogene vaccinatiegraad en bijvoorbeeld een nieuwe mutatie. Dat kan een situatie zijn waarin je juist weer wel toegangstesten wil doen, om te voorkomen dat er dingen dicht moeten. Dat was de oproep van mevrouw Kluit. Wat is dan de drempelwaarde daarvoor? Daar ga ik op in. Dat ga ik uitwerken. Ik noem nog geen getallen, omdat dat al te arbitrair zou zijn.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Positie jongeren in voortgangsbrieven (35.570) (T03264)

De minister van Algemene Zaken zegt, naar aanleiding van een vraag van het lid Rosenmöller (GroenLinks), toe dat in de voortgangsbrieven aan de Kamer regelmatig aandacht zal worden besteed aan de positie van jongeren en de wijze waarop hun visie beter bij het coronabeleid kan worden betrokken.


Kerngegevens

Nummer T03264
Status voldaan
Datum toezegging 27 oktober 2020
Deadline 1 januari 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden P. Rosenmöller (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Coronacrisis
coronamaatregelen
jongeren
Kamerstukken Miljoenennota 2021 (35.570)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/21, nr. 7, item 13, blz. 25/26

Minister Rutte:

Ik had de heer Rosenmöller beloofd om nog nader in te gaan op de positie van jongeren. Laat ik daarover zeggen dat ik het natuurlijk zeer met hem eens ben dat jongeren zeer worden geraakt. Iedereen wordt geraakt door de crisis, maar ook zeker jongeren, en ook zeker sociaal-economisch. We zijn met collega's in het kabinet langs een aantal invalshoeken aan het kijken hoe we de stem van jongeren beter bij het beleid kunnen betrekken. […] Ik deel echter het punt van de heer Rosenmöller dat het belangrijk is om niet alleen losse maatregelen te nemen in deze moeilijke tijden, maar ook na te denken over de samenhang. Ik kan de gevolgen voor jongeren vanavond niet meteen minder maken. Het kabinet is hierover in goed gesprek met jongerenorganisaties, gemeenten, veiligheidsberaad en anderen, om samen te verkennen hoe we jongeren al op korte termijn perspectief kunnen bieden. Ook voor de langere termijn is het thema geagendeerd in de besluitvorming voor corona, belegd bij de directeur-generaal Samenleving en COVID-19.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Kortheidshalve nog even deze vraag. U zei zelf ook al dat er nog een verschil is tussen al deze losse maatregelen en de noodzaak daarin samenhang aan te brengen en perspectief te bieden aan die jongeren. De vraag is: wanneer zien we daar het product van?

Minister Rutte:

We zijn met jongerenorganisaties in gesprek over hoe we hen kunnen betrekken bij de vormgeving van het beleid. Het is niet zo dat dat op een gegeven moment af is. Dat is een proces. Ik verwacht binnenkort, of de komende tijd, ook zelf weer met jongerenorganisaties aan tafel te zitten. Ik heb inmiddels vier gesprekken gehad met jongerenorganisaties, van heel jonge mensen, maar ook van studenten, over hun betrokkenheid. Ik heb heel concreet gesproken over huisvesting, onderwijs, milieu en andere zaken en over hun bijdrage in het kader van corona die ze moeten en ook willen leveren. Daartoe zijn ze zeer gemotiveerd. Dat leidt ook weer tot een inktvlekeffect binnen de jongerengemeenschap. Maar er is geen nieuwe beleidsnota voorzien waarin dat allemaal samenkomt.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Het gaat mij ook niet om een nieuwe beleidsnota. Het gaat mij erom dat onder andere die jongerenorganisaties zelf tevreden zijn met betrekking tot het perspectief dat hen door het kabinet geboden wordt. Dat is natuurlijk maar een deel van het antwoord, want het kabinet kan niet alles. Als zij tevreden zijn, dan kunt u dat ons laten weten en dan komen dat soort vragen de komende dagen en weken niet meer.

Minister Rutte:

Ik ga nog een stap verder. Ik zou willen dat jongerenorganisaties ons helpen om dat perspectief te schetsen. De gesprekken zijn gaande om dat voor elkaar te krijgen. Laten we gewoon afspreken dat we in de voortgangsbrief die we naar de Kamer sturen daar regelmatig aandacht voor vragen. Ik ben me zeer bewust van dit belang.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Rapportage programma (Ont)regel de zorg (35.570) (T03265)

De minister van Algemene Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Bredenoord (D66), toe dat zij eind 2020 de rapportage van het programma (Ont)Regel de Zorg zal ontvangen.


Kerngegevens

Nummer T03265
Status voldaan
Datum toezegging 27 oktober 2020
Deadline 1 januari 2021
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Medische Zorg en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Prof.dr. A.L. Bredenoord (D66)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen administratieve lasten
regeldruk
zorgsector
Kamerstukken Miljoenennota 2021 (35.570)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/21, nr. 7, item 11, blz. 31

Mevrouw Bredenoord (D66):

Ik denk dat de minister-president nu refereert aan het programma (Ont)Regel de Zorg. We weten dat een van de grootste problemen van mensen die in de zorg werken de administratieve lastendruk is. Dat geldt vooral voor de verpleging en de verzorging. Kunt u wat vertellen over de stand van zaken van dat programma? Volgens mij loopt dat nu een of twee jaar. Is het nu al gelukt om een deel van die regels eruit te halen?

Minister Rutte

Minister Rutte: Ja, alleen is het natuurlijk niet voor niets dat wij met Prinsjesdag zijn gekomen met de aanvullingen op dat hele actieprogramma Werken in de Zorg uit 2018. Dat was om die boost erop te zetten en structureel nog eens 130 miljoen extra vrij te maken. Dat is de komende jaren, vanaf 2023, structureel. Dat is om ervoor te zorgen dat mensen die werken in de zorg ook meer plezier ervaren. Dat heeft inderdaad niet alleen met administratieve lasten te maken. Dat heeft ook echt te maken met vraagstukken rondom het kunnen verhogen van de deeltijdfactor. Dat leidt natuurlijk ook meteen tot afname van de werkdruk. Hoe kun je zorgen voor roosterboosters, zoals dat in het vakjargon heet, zodat je zelf kunt beïnvloeden hoe je rooster eruit komt te zien? Je krijgt dan niet van hogerhand bepaald waar je die dag komt te staan. Als ik met verpleegkundigen praat, gaat het los van misschien de harde geldkant van het vak, toch heel sterk om dit soort zaken. Heb ik grip op mijn werk? Als ik dan werk, ben ik dan niet de helft van de tijd kwijt aan rapportageverplichtingen?

Mevrouw Bredenoord (D66):

Mogen wij daaruit dus concluderen dat de eerste positieve ontwikkelingen daar al gaande zijn en dat u echt kunt zeggen dat mensen rapporteren dat ze minder last hebben van die administratieve lastendruk en dat ze meer autonomie ervaren?

Minister Rutte: Zo goed zit ik er niet in. Dat moet ik even checken. Ik zal dat vragen voor de tweede termijn, maar dat zou dan uit het programma van 2018 komen. Dat kan nog niet voortkomen uit het initiatief van Prinsjesdag, want dat is te recent. Ik kom dus terug met: zijn er op de korte termijn nog meer dingen te doen om de werkdruk in de zorg te verminderen en zijn er uit het programma van 2018 al inzichten over de ervaring van de administratieve lastendruk?

Handelingen I 2020/21, nr. 7, item 13, blz. 1-2

Minister Rutte:

Voorzitter. Ik kom dan bij de vragen die ik eerder had willen beantwoorden. Ik zie mevrouw Bredenoord in haar bankje zitten. Ik had haar in de eerste termijn beloofd om op twee vragen in de tweede termijn terug te komen, maar ik heb ze nu al. De eerste was of er uit het programma (Ont)Regel de Zorg al inzichten zijn over de manier waarop de administratieve lasten zich ontwikkelen. Eind dit jaar, zo kan ik op die vraag antwoorden, stuurt de minister voor Medische Zorg en Sport een eindrapportage aan de Tweede Kamer, waarin dieper wordt ingegaan op de resultaten en de geleerde lessen.

Ik kan wel iets zeggen over de eerste inzichten die zijn opgedaan. Eén. Het gebeurt op de werkvloer. Gaandeweg de uitvoering van het programma wordt steeds duidelijker dat het wegnemen van knelpunten op landelijk niveau eigenlijk maar beperkt effect heeft. Zorgverleners ervaren ook werkdruk als gevolg van regels binnen de zorginstelling waar zij werkzaam zijn. Dat blijkt soms nog erger te zijn dan wat wij vanuit de landelijke politiek veroorzaken. Dat betekent dat slechts een klein deel direct voortkomt uit verplichtingen die de overheid oplegt. Ook partijen als zorgverzekeraars, gemeenten, toezichthouders, branche- en beroepsverenigingen en zorginstellingen zelf zijn deel van de oorzaak. Dat is een eerste inzicht. Er komt dus eind dit jaar een uitgebreide rapportage naar de Kamer.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Kabinetsstandpunt draaiboek FMS en KNMG (35.570) (T03266)

De minister van Algemene Zaken zegt, naar aanleiding van vragen van de leden Van Rooijen (50PLUS) en Bredenoord (D66), toe dat de Kamer geïnformeerd zal worden over het oordeel van het kabinet over het draaiboek van de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en de Artsenfederatie KNMG.


Kerngegevens

Nummer T03266
Status voldaan
Datum toezegging 27 oktober 2020
Deadline 1 januari 2021
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Medische Zorg en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Prof.dr. A.L. Bredenoord (D66)
drs. M.J. van Rooijen (50PLUS)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen leeftijdscriterium
ziekenhuizen
intensive care
Kamerstukken Miljoenennota 2021 (35.570)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/21, nr. 7, item 11, blz. 33

Minister Rutte

Het draaiboek is nu in consultatie. Dat wordt daarna voorgelegd aan de twee organisaties: de Federatie Medisch Specialisten FMS en de artsenfederatie KNMG. Daarna gaat het naar de inspectie en die aanbieding is voorzien op dit moment — daar gaan wij niet over, maar de FMS — in november. De timing is nog niet precies bekend. Als IGJ zegt dat dit de veldnorm is, zullen wij het beoordelen en uw Kamer daarover informeren. Ik kan alleen maar zeggen dat de FMS naar november streeft. Ik kan niet zeggen "het is november", want daar gaan wij niet over. Het zijn allemaal als-danvragen, maar één als-danavraag is politiek en maatschappelijk van groot belang en die hebben we ook eerder beantwoord. Een leeftijdscriterium doorslaggevend op basis van niet-medische overwegingen is voor ons niet acceptabel.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Kunt u toezeggen dat als dit bij het kabinet komt — u zegt: we zullen de Kamer informeren — u over zo'n principieel vraagstuk zo snel mogelijk duidelijkheid zult bieden? Dit is ook voor 50PLUS een heel groot vraagstuk. Wij worden heel vaak benaderd over wat toen de "code zwart" heette, want dat lag ineens op straat. Gelukkig heeft het kabinet daarover een duidelijk signaal gegeven. Dat was redelijk onzorgvuldig — ik moet voorzichtig zijn — naar mijn gevoel. Het punt is of er op redelijke termijn daarna duidelijkheid komt over de duidelijkheid die de minister-president wil geven.

Minister Rutte:

Sterker nog, ik ben niet zelf de hele dag met deze teksten bezig, want dit ligt op het terrein van de volksgezondheid. Maar mijn informatie is dat zodra — "zodra" staat hier op mijn papier — de inspectie bevestigt dat zij het draaiboek als veldnorm beschouwt, het kabinet dat beoordeelt en het kabinet vervolgens de Kamer over het oordeel zal informeren. Daarbij hebben we eerder gezegd dat het leeftijdscriterium doorslaggevend als niet-medische overweging niet acceptabel is. Er wordt ambtelijk meegeluisterd, maar ik begrijp het zo dat in de planning wij dat oordeel geven en meteen daarover de Kamer informeren. Als ik dat verkeerd zeg, kom ik erop terug. Het lijkt me wel logisch in de volgorde der dingen.

Mevrouw Bredenoord (D66):

In de eerdere versies van het draaiboek die naar buiten zijn gekomen, wordt niet zozeer over leeftijdscriteria gesproken maar wordt gewerkt met brede categorieën van leeftijden

Ik begrijp niet goed of de minister-president nu eigenlijk zegt dat het kabinet die brede categorieën kan omarmen op het moment dat andere overwegingen niet meer relevant zijn. Als je alle medische criteria al hebt meegewogen en er blijft nog steeds schaarse, zouden we in die brede categorieën kunnen gaan kijken. Bedoelt de minister-president dit of wil hij dat die categorieën helemaal niet genoemd worden?

Minister Rutte:

Ik ga de onderhandelingen met de twee federaties niet nu via de Eerste Kamer doen. Dat gaat niet. Ik denk dat we de dingen in volgorde moeten doen. Het kabinet heeft duidelijk gemaakt wat wij vinden, omdat het maatschappelijk belangrijk is om die norm te stellen. Het is nu eerst aan de federaties om de consultatie te laten plaatsvinden. Dan gaan wij kijken wat erin staat en zullen we daar een oordeel over vormen. Maar ik wil niet nu in detail gaan onderhandelen over wat precies het leeftijdscriterium is en of dat een bracket of een leeftijd is. Dat gaat mij te ver in een openbaar debat. Dat gaat niet.

Mevrouw Bredenoord (D66):

U zegt dat het kabinet duidelijk heeft gemaakt wat het vindt, maar ik vind het helemaal niet duidelijk wat het kabinet daarvan vindt. Daarom vraag ik ernaar. Ik denk dat nog onduidelijk is hoe u daarin staat en hoe u het proces, de governance, beoordeelt.

Minister Rutte:

Wij hebben gezegd dat wij een leeftijdscriterium niet acceptabel vinden, maar ik ga dat nu niet verder invullen. Het is nu eerst aan de beide koepels om te werken aan het draaiboek en er besluitvorming over te hebben. Dan gaat de inspectie er iets van vinden en vervolgens zullen wij de Kamer informeren over onze beoordeling daarvan. Mocht er een leeftijdscriterium in voorkomen als doorslaggevend voor het niet-medische deel, dan zullen we er op dat moment een oordeel over geven. Maar ik kan niet nu gaan onderhandelen via de Eerste Kamer met twee federaties. Dat gaat niet.

Mevrouw Bredenoord (D66): Ik weet niet of ik op de inhoud met collega Van Rooijen op hetzelfde uitkom, maar qua proces ben ik het wel met hem eens. Het lijkt een beetje alsof deze discussie vooruitgeduwd wordt. Dat snap ik prima, want het is geen fijne discussie. Ik wil u wel vragen om haast te maken met hier duidelijkheid over te scheppen. Als we hierover moeten gaan praten op het moment waarop de ic's vol zijn, zijn we te laat. Dan hebben we chaos.

Minister Rutte:

Dat is helemaal niet aan de orde. De twee koepels zijn bezig. Zij weten wat wij ervan vinden. Zodra zij daarmee klaar zijn, gaat het naar de inspectie. Daarna beoordelen wij wat de inspectie als veldnorm gaat accepteren en dan zullen wij kijken of dat ook voor ons maatschappelijk acceptabel is. Dat is de rol van de politiek. Dat gaat allemaal heel snel. Daar zal het naar mijn verwachting niet op hangen. Het gaat om een meer principieel vraagstuk. Mensen zijn angstig en zeggen: ja, maar ik ben wat ouder en dan kom ik misschien niet in aanmerking voor een ic-plek. Dat vind ik heel ingewikkeld.


Brondocumenten


Historie