Rappelabele toezeggingen Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Rappel februari 2022)



Dit is het rappel tot 10-01-22.


Toezegging Voortgangsrapportage (34.453) (T02737)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Fiers (PvdA), Lintmeijer (GroenLinks) en Bikker (ChristenUnie) toe om de Kamer vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet jaarlijks een voortgangsrapportage te sturen. Hierbij wordt ook een plan van aanpak voor de monitoring en de tussentijdse evaluatie gevoegd. De minister zal in de voortgangsrapportage ingaan op de routekaart voor gebouwen in de gevolgklassen 2 en 3.


Kerngegevens

Nummer T02737
Status voldaan
Datum toezegging 23 april 2019
Deadline 1 januari 2024
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Mr. M.H. Bikker (ChristenUnie)
drs. M.C.T. Fiers (GroenLinks-PvdA)
Drs. F.C.W.C. Lintmeijer (GroenLinks)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen bouwen
kwaliteitsborging
voortgangsrapportage
Kamerstukken Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (34.453)


Uit de stukken

Handelingen I 2018-2019, nr. 27, item 10 - blz. 4

Mevrouw Fiers (PvdA): De totstandkoming van deze wet kent een lange geschiedenis. Dit lange voortraject toont meteen de complexiteit van de bouwwereld en de verschillende, soms tegenstrijdige, belangen bij het bouwproces. Dit lange voortraject maakt ook direct duidelijk dat de bouwpraktijk in Nederland niet met één wetswijziging veranderd wordt; daar is veel meer voor nodig. Ik kom daar zo meteen nog op terug. Maar eerst alvast de vraag aan de minister of zij bereid is om deze Kamer tot aan het moment van de invoering jaarlijks een voortgangsrapportage te geven. In de vorige inbrengen zijn daar ook regelmatig vragen over gesteld. Er moet nog veel gebeuren. Ik denk dat het belangrijk is dat we dat goed kunnen blijven volgen.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 27, item 10 - blz. 11

Minister Ollongren: Dan ga ik naar mevrouw Fiers van de Partij van de Arbeid, die nog een aantal vragen had. Zo vroeg zij of ik bereid zou zijn om de Kamer jaarlijks een voortgangsrapportage te sturen, zeg maar op weg naar de inwerkingtreding. Natuurlijk ben ik bereid om dat te doen, zodat de Kamer de ontwikkelingen in voldoende mate kan volgen.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 27, item 10 - blz. 14

De heer Lintmeijer (GroenLinks): We hebben hier een wet die tot een behoorlijk fundamentele wijziging leidt van de wijze van kwaliteitsborging en toezicht. We hebben een wetsvoorstel waarover de Eerste Kamer ingewikkelde afwegingen maakt en waarvan veel fracties niet zeker weten of ze het gaan steunen of niet. Dan vind ik waar de minister mee komt, verwijzen naar haar eerdere teksten, echt mager. Ik zie geen gebaar in de zin van: als ik u op die manier tegemoetkom, komen we een beetje verder. Ik blijf zeggen dat de argumentatie van de minister op dit punt achterblijft bij wat wij verwachten.

Minister Ollongren: Ik zal nog één poging doen, want ik zou het betreuren als de heer Lintmeijer daarbij blijft. Het gaat hem om de monitoring en de tussentijdse evaluatie. Ik heb net al aan mevrouw Vlietstra toegezegd het parlement regelmatig te zullen informeren over hoe het gaat met de voorbereiding. Ik zou daarbij kunnen betrekken hoe we de monitoring en de tussentijdse evaluatie gaan vormgeven. Ik ben bereid om, voordat de wet in werking treedt, de Kamer daarover te informeren, zodat de Kamer er een eigenstandig oordeel over kan vormen. De heer Lintmeijer kan dan op basis daarvan constateren of zijn stelling bewaarheid wordt of dat mijn verwachting toch uitkomt en het in zijn ogen concreet genoeg is.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 27, item 10 - blz. 15

Minister Ollongren: Tot slot, de vraag van de heer Lintmeijer over monitoring. Ik heb zojuist al een toezegging gedaan over de monitoring. Mijn suggestie is om de Kamer niet alleen over de voortgang te berichten, maar daarbij ook echt een plan van aanpak voor de monitoring te voegen, in de hoop de heer Lintmeijer op dat punt in voldoende mate tegemoet te komen.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 27, item 10 - blz. 17

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Het is te prijzen dat de minister daarin wat optimistischer is dan ik, als ik het rapport van de OVV over de situatie in Eindhoven lees. Ik heb de routekaart voor de categorieën 2 en 3, die zwaardere categorieën, eigenlijk nog helemaal niet scherp. Dit wetsvoorstel gaat al het nodige vragen van gemeenten, zeker tegelijk met de Omgevingswet, waarmee we ook het nodige vragen van de gemeenten. De minister weet dat als geen ander. Dat is het ene. Het andere is dat ik toch wel de indruk had dat de heer Joustra sprak over dit wetsvoorstel. Hoe beleeft de minister dat dan?

Minister Ollongren: Rome is ook niet op één dag gebouwd. Ik geloof dat ik dat na dit weekend wel mag zeggen. Ik heb zonet al tegen de heer Pijlman gezegd dat ik dat punt zie. Er is voor gekozen om te beginnen met de meest eenvoudige en overzichtelijke categorie, maar ik wil ook opstarten met proefprojecten met categorie 2 en 3. Ik ben daar de gesprekken ook al over gestart. Het Rijksvastgoedbedrijf doet daar al proefprojecten mee. Andere partijen zijn daartoe ook bereid. Dus ik zie dat punt, maar we moeten ons wel realiseren dat het tijd zal kosten alvorens we een alomvattend stelsel hebben dat ook voor de meest ingewikkelde categorieën geldt. Overigens heb je natuurlijk vaak te maken met de grote, zeer professionele partijen, van wie je dit soort kwaliteitsvereisten sowieso mag verwachten. Ik geloof dat mevrouw Bikker en ik het op de inhoud niet oneens zijn, maar we moeten onszelf wel de tijd geven en gunnen om daar ook te komen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Maar binnen welke tijd wil de minister dat dan wel op de orde hebben? Is het alleen een kwestie van tijd of is het ook een kwestie van investeren? Dan denk ik aan geld. Moeten gemeenten daarin ook in die zin bijdragen? Ik ben dus benieuwd wanneer de routekaart klaar is en hoeveel daar, naast het tijdsaspect, financieel voor nodig is.

Minister Ollongren: Dat kan ik hier nu niet zo beantwoorden. Ik kan wel toezeggen om deze aspecten mee te nemen in de brief die ik aan mevrouw Fiers heb beloofd om u op de hoogte te houden van de voortgang.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Verlenging wet (35.424) (T02845)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Kox (SP), toe haar zo spoedig mogelijk in te lichten over een voornemen de wet bij koninklijk besluit te verlengen.


Kerngegevens

Nummer T02845
Status voldaan
Datum toezegging 6 april 2020
Deadline 1 november 2020
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden M.J.M. Kox (SP)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Schriftelijk overleg
Categorie brief/nota
Onderwerpen decentrale overheden
digitaal vergaderen en besluiten
verlengingen
Kamerstukken Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming provincies, gemeenten, waterschappen en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (35.424)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2019/20, 35 424, B, p. 12-13

De leden van de SP-fractie: De leden van de SP-fractie begrijpen de bepaling in het wetsvoorstel dat – vanwege nu nog niet te voorziene omstandigheden – verlenging vanwege noodzakelijke beperkingen en het in acht nemen van sociale distantie na 1 september 2020 nodig kan zijn en dat het niet dienstbaar is daarvoor een geheel nieuwe wet te moeten maken en derhalve in voorliggend wetsvoorstel verlenging ervan per koninklijk besluit mogelijk wordt gemaakt. Deelt de regering echter de opvatting van de leden van de SP-fractie dat een voornemen tot verlenging per koninklijk besluit niet alleen tenminste twee maanden vóór inwerkingtreding door de regering kenbaar gemaakt moet worden, maar ook desgewenst met beide Kamers besproken zal worden?

De regering: Vanaf welk moment weer fysieke vergaderingen mogelijk zijn, is op dit moment nog niet te zeggen. Evenmin is het mogelijk aan te geven wanneer hierover duidelijkheid ontstaat. Uiteraard streeft de regering er naar alle betrokkenen, inclusief de Kamers, hierover tijdig in te lichten. Of – gelet op de onvoorspelbaarheid van de ontwikkelingen en het zomerreces – een verlenging twee maanden van te voren aangekondigd kan worden en bespreking met de Kamers mogelijk is, is op dit moment nog niet te zeggen. Wel zeg ik u toe de Kamers over dit voornemen in te lichten, zodra hier meer duidelijkheid over bestaat.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Toezending nulmeting VTH vóór voorhang inwerkingtredings-KB (34.986) (T02854)

De minister voor Milieu en Wonen zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Kluit (GroenLinks), toe de nulmeting over vergunningverlening, handhaving en toezicht (VTH) vóór de voorhang van het inwerkingtredings-KB de Kamer toe te sturen.


Kerngegevens

Nummer T02854
Status afgevoerd
Datum toezegging 28 januari 2020
Deadline 1 juli 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Milieu en Wonen
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Invoeringswet Omgevingswet
Nulmeting
Omgevingswet
Vergunningverlening Toezicht en Handhaving
Kamerstukken Invoeringswet Omgevingswet (34.986)


Opmerking

zie ook toezegging T02442

Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 17, item 3, blz. 16

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

(…)

Ik begin met een aantal procedurele observaties en daarna inhoudelijke. Allereerst vragen wij ons af of dit wel het goede moment is om het in de Kamer al te hebben over de invoeringswet. Wat ons betreft ontbreekt er echt hele belangrijke informatie, die onmisbaar is, over wat er gebeurt bij decentrale overheden, de uitvoeringspraktijk of zelfs gewone mensen.

Waar gaat het dan om? Bijvoorbeeld om het DSO en de werking daarvan. We weten niet wat de uitvoeringskosten zijn voor de decentrale overheden. We weten ook niet wat de doorontwikkelkosten zijn en welk tempo daarin gemaakt gaat worden. Een BIT-advies of een gateway review zou wat ons betreft onmisbaar zijn geweest. En dan heb ik het ook over de inschatting van de kosten van de uitvoeringspraktijk. Wij vinden het echt onbestaanbaar dat deze inschatting dit najaar ter beschikking komt en dat wij het nu al hebben over invoering, terwijl wij de jeugdzorg en de Wmo achter de rug hebben. Ik heb het over de nulmeting in de VHT-kolom: vergunningverlening, handhaving, toezicht. We weten niet hoe het daar nu mee voorstaat, dus laat staan dat we weten wat deze wet wat dat aangaat, gaat brengen.

Handelingen I 2019-2020, nr. 18, item 6, blz. 8-9

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

In de introductie heb ik gevraagd om een aantal sets aan informatie voor het koninklijk besluit. U zei een beetje tussen neus en lippen door dat u die allemaal zal geven. Ik wil even checken of dat dan ook echt alle informatie is. Ik heb gevraagd om het BIT-advies en de Gateway Review. Ik heb ook gevraagd om de kosteninschatting voor decentrale overheden en de nulmeting voor de VHT-kolom. Zitten die daar dan allemaal bij?

(…)

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(…) U vroeg ook nog naar een nulmeting. Waarvan was die nulmeting? Dat weet ik even niet meer uit mijn hoofd.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Dat ging over de VHT-kolom; de vergunningverlening, handhaving en toezicht.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

We zullen ook proberen om dat voor het KB inzichtelijk te maken.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Brede financiële consequenties van het DSO voor decentrale overheden (34.985) (T03000)

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Rietkerk (CDA), toe dat de brede financiële consequenties van het DSO voor provincies, gemeenten en waterschappen in december in beeld komen, of in ieder geval voor de voorhang van het inwerkingtredings-KB inzake de Omgevingswet.


Kerngegevens

Nummer T03000
Status deels voldaan
Datum toezegging 30 juni 2020
Deadline 1 januari 2026
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister voor Natuur en Stikstof
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden drs. Th.W. Rietkerk (CDA)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Aanvullingswet natuur Omgevingswet
Digitaal Stelsel Omgevingswet
natuur
Omgevingswet
Kamerstukken Aanvullingswet natuur Omgevingswet (34.985)


Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 34, item 12, blz. 6-20

De heer Rietkerk (CDA):

(…)

Dan de uitvoeringskosten. De uitvoeringskosten zijn wat de CDA-fractie betreft nog onvoldoende in beeld en om een antwoord te geven op de vraag of dat haalbaar en betaalbaar is, is dat wel nodig. In de memorie van antwoord geeft de minister een deelantwoord op de vragen van de CDA-fractie met betrekking tot meerjarige investeringen. De fractie van het CDA vraagt de minister om bij de jaarlijkse evaluatie meerjarig inzicht te geven in de noodzakelijke kosten voor aankoop, inrichting en beheer van natuurgebieden. We begrijpen dat het overzicht bij de beantwoording van de vragen nog tot 2027 liep, maar deze investering reikt tot 2040 of 2050. Kunnen de provincies bij het aannemen van deze wetsvoorstellen de natuur goed in het digitale systeem voegen, in het DSO, en zijn ze daar financieel toe geëquipeerd? Dat zijn vragen die voorgangers ook stelden. Kan de minister ook ingaan op de brief van de VNG namens de gemeenten waarin staat dat zij zorgen hebben over de financiering van de uitwerking van het DSO? Kunnen de extra middelen — ik dacht 300 miljoen per jaar — die volgens mij door minister Schouten zijn gepresenteerd namens het kabinet ook ingezet worden voor het oplossen van knelpunten specifiek met betrekking tot Natura 2000, zodat je natuurherstel krijgt, maar er ook ontwikkelruimte komt?

(…)

De heer Rietkerk (CDA):

Natuur is een van de onderdelen van het DSO. Kan de minister toezeggen dat de brede financiële consequenties van het DSO voor provincies, gemeenten en waterschappen in december in beeld komen, of in ieder geval voor het slaan van het KB?

Minister Ollongren:

Ja, zeker. Dat klopt. We hebben daar eigenlijk wel goede afspraken over gemaakt met de provincies. Zij hebben daar een reservering voor opgenomen. Wij staan voor het centrale deel en de medeoverheden staan voor het decentrale deel. Dat gaat goed.

De heer Rietkerk (CDA):

De VNG-brief die wethouders bij ons onder de aandacht brengen als het gaat om de uitvoering, geeft een wat ander perspectief. Zij geven zorgen weer in brede zin, en over corona. Daarin worden ook de omgevingswetgeving, de uitvoering, kwaliteit en capaciteit van mensen, en het DSO genoemd. Herkent deze minister dat, of niet?

Minister Ollongren:

Het coronapunt herken ik zeker. Dat is ook een van de redenen waarom we na onderling overleg met alle betrokken overheden gezegd hebben: laten we kiezen voor een latere inwerkingtredingsdatum. Corona heeft de boel namelijk een tijd stilgelegd. Dat herken ik dus zeker.

Over de financiën: provincies hebben hier gewoon middelen voor vrijgemaakt. Gemeenten hebben in het geheel van hun financiën soms wel knelpunten. Dat herken ik, in die zin dat dat niet per se gerelateerd is aan dit traject. Sommige gemeenten moeten überhaupt nog eens heel goed kijken naar de gemeentelijke financiën. Daarover is het kabinet in gesprek met zowel de VNG als met individuele gemeenten.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Cumulatief effectonderzoek MER (34.682) (T03063)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Kluit (GroenLinks) en Crone (PvdA), toe nog eens na te zullen denken over een cumulatief effectonderzoek met betrekking tot de milieueffectrapportages (MER’s) van gemeenten en provincies.


Kerngegevens

Nummer T03063
Status deels voldaan
Datum toezegging 1 december 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden drs. F.J.M. Crone (GroenLinks-PvdA)
drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Mondeling overleg
Categorie legisprudentie
Onderwerpen cumulatieve effecten
milieueffectrapportage
Nationale Omgevingsvisie
Kamerstukken Nationale Omgevingsvisie (34.682)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2020/21, 34682, G, p. 9

Mevrouw Kluit (GroenLinks): Dank aan de minister. De MER van de NOVI liet zien dat er met name op het vlak van leefomgevingskwaliteit heel veel kansen liggen met het beleid in de NOVI, maar ook heel veel risico's. Het is dus geen gelopen race wat dat betreft. We beginnen ook niet op nul. Daar zit met name de zorg van mijn fractie. Als je gaat kijken naar de biodiversiteit, dan zie je dat 90% van ons habitattype al ernstig onder druk staat. We moeten er dus heel snel voor zorgen dat we die kwaliteit gaan verbeteren. U wilt de cumulatieve effecten in beeld gaan brengen. Mijn vraag is eigenlijk of dat gaat op basis van de MER's die ze lokaal maken. Want ik heb een beetje zorg daarover. We gaan nu allemaal plannen maken. Die krijgen effecten. Voordat die terug te zien zijn in de monitor, ben je vijf, zes jaar verder. Dat kan de ontwikkeling op biodiversiteitsniveau eigenlijk niet meer hebben. Hetzelfde geldt natuurlijk voor klimaat. We moeten eigenlijk meteen de handen aan de kraan hebben zitten. Daar zou het instrument van de planMER's op gemeentelijk niveau een rol kunnen spelen. Ik heb in het debat over de Omgevingswet gevraagd of alle gemeentes en provincies gevraagd kunnen worden om een MER te maken. Wij wachten nog op de antwoorden daarop. Ik weet dus niet of daar al zicht op is. Als dat er is, horen we dat natuurlijk graag. Hoe brengen we de cumulatieve effecten in beeld? Dat is de ene vraag. De andere is inderdaad hoe het bij de gemeentes staat.

(…)

Kamerstukken I 2020/21, 34682, G, p. 10-11

Minister Ollongren: Ik kijk even wat dit is. Ik krijg van alles aangereikt, voorzitter. Gelukkig maar! Ja, dan ga ik een poging doen om de vraag van mevrouw Kluit over de cumulatieve effecten van decentrale plannen te beantwoorden. Ik kijk even of dit goed is. Ik hoor wel van mevrouw Kluit of ze dit antwoord voldoende vindt. Ik heb in mijn inleiding al gezegd dat we afspraken hebben in het RES-proces over de analyse door het PBL over effecten op natuur, landschappen et cetera. We hebben ook nog gezegd dat we naar de samenwerkingsafspraken kijken, waarin afgesproken wordt om voldoende aandacht te schenken aan de kwetsbare aspecten van de leefomgeving. Daarnaast hebben we een tweejaarlijkse monitor. Ik hoorde mevrouw Kluit net spreken over vijf à zes jaar en zeggen dat dat te lang is. Dat begrijp ik ook. De tweejaarlijkse monitor brengt de cumulatieve effecten in beeld. Dat betekent dat je dus, met die frequentie, ook in staat bent om het bij te stellen, als dat mogelijk is. In afzonderlijke RES'en is vaak sprake van een planMER. Datzelfde geldt ook voor omgevingsplannen.

(…)

Kamerstukken I 2020/21, 34682, G, p. 11-13

Mevrouw Kluit (GroenLinks): Dank voor de beantwoording, maar dat was niet helemaal mijn vraag. Die ging niet specifiek over de RES'en, maar over de omgevingsplannen en de omgevingsvisies van de gemeentes. Volgens uw invaller -- ik weet niet precies hoe ik die moet noemen -- zouden gemeentes en provincies in principe zowel voor hun omgevingsvisie als hun omgevingsplan een MER hebben moeten maken. Daaruit blijken dan al bepaalde effecten. De vraag is: doen gemeentes en provincies dat al? De tweede is: houden jullie de cumulatieve effecten daarvan in beeld? En misschien nog het volgende, want dit is belangrijk: ook al monitor je iets elke twee jaar, er zit vijf, zes jaar tussen de planvormvorming en de effectmeting. In de biodiversiteitsstudies komt dus eigenlijk naar voren: als je nu beleid uitzet en de doelen daarvan wil realiseren door te meten hoe het later gaat, dan ben je voor biodiversiteit in ieder geval te laat. Je moet eigenlijk al aan de voorkant toetsen: wat zijn de effecten en wat kunnen wij nu doen om te zorgen dat het goed gaat?

Minister Ollongren: Ja, ik begrijp de vraag van mevrouw Kluit nu beter. Het klopt inderdaad wat zij zegt. Wat dat betreft kan ik haar zorg niet helemaal wegnemen, want wij hebben niet afgesproken dat er ook nog centraal toezicht komt op de decentrale plannen. Er is ook geen goedkeuringsplicht vooraf of iets dergelijks, dus ook niet op de decentrale MER's. Ik denk dat dat haar zorg is. Ik zei net dat we de cumulatieve uitkomst meten via de PBL-monitor. Tot op zekere hoogte, als je het op het centrale niveau bekijkt, is de zorg van mevrouw Kluit inderdaad een zorg, maar je moet natuurlijk hopen en ook afspreken dat daar op het decentrale niveau in voldoende mate rekening mee wordt gehouden, want de biodiversiteit is voor het hele land, maar juist ook lokaal natuurlijk ongelofelijk belangrijk.

Mevrouw Kluit (GroenLinks): Dan zou ik de minister toch een beetje willen prikkelen op dit vlak, want het gaat niet goed met de biodiversiteit, niet in het stedelijk gebied en niet in het agrarisch gebied. Is het mogelijk om toch zo'n cumulatief effectonderzoek te doen op die MER's? Want we hebben gewoon echt niet meer de tijd om hiermee te wachten.

De voorzitter: De vraag is even of dat onderdeel is van de NOVI, waar we het nu over hebben.

Mevrouw Kluit (GroenLinks): Nou, het is er wel onderdeel van, omdat uit de MER van de NOVI heel duidelijk blijkt dat er uit het NOVI-beleid grote negatieve effecten en grote voordelige effecten kunnen komen. Maar die moeten dus grotendeels lokaal naar boven komen drijven. Mijn pleidooi is dat we dat nu doen en dat we dat niet aan de monitor koppelen, omdat we dan te laat zijn.

Minister Ollongren: Ja, maar de vraag is … Maar goed, ik ben nu ook zoekende naar wat de oplossing is. De gewone regels, Natura 2000 et cetera, gelden natuurlijk gewoon. Het is niet zo dat decentraal zomaar wat kan gebeuren. Ik denk dat het belang van het verbeteren van de biodiversiteit decentraal juist heel erg op het netvlies staat. Ik ben een beetje op zoek -- maar ik zal het nog nader overwegen -- hoe je dat in de monitoringsystematiek kunt verbeteren, of dat je dat meer in het lokale en het decentrale moet hebben. Maar goed, ik ga dat nog even op me laten inwerken. Ik heb nu het eerlijke antwoord gegeven. Zo zit het.

Mevrouw Kluit (GroenLinks): Dank. Eerlijke antwoorden hebben altijd mijn voorkeur, dus dat is sowieso fijn. Dat het op het lokale niveau goed op het netvlies staat, durf ik te betwijfelen. Als we kijken …

De heer Crone (PvdA): Mag ik mevrouw Kluit op dit punt bijvallen? Want het is natuurlijk toch vaak zo dat de wethouder of de gedeputeerde denkt: ja, maar als ik nu hier dat datacenter of die blokkendoos voor de distributie krijg, dan is het oké. Ze belijden het soms meer met de mond dan in werkelijkheid. Ik ben het dus met mevrouw Kluit eens. Het moderne thema is nu, naast grootschalige veeteelt, de "chemificatie" van het platteland. Dat is natuurlijk op dit moment het thema van biodiversiteitsaantasting, dat we dadelijk geen insecten meer hebben. Het gevolg daarvan is natuurlijk helemaal vreselijk.

De voorzitter: Ik heb de minister volgens mij horen zeggen dat zij nu antwoord heeft gegeven voor zover dat op dit moment kan en dat zij nog even doordenkt. Ik neem aan dat ze dus terugkomt op deze vraag van mevrouw Kluit, die ondersteund wordt door de heer Crone. Ik heb meteen een nieuw woord geleerd: "chemificatie".

De heer Crone (PvdA): Ja, een nieuw onderzoek.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Verslagen landelijke regietafels openbaar en verantwoording (35.570 VII / 35.570 B / 35.570 C) (T03212)

De Minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Hattem (PVV), toe na te gaan of de verslagen van de landelijke regietafels, in ieder geval de Landelijke Regietafel Migratie, openbaar zijn en hoe duidelijkheid gecreëerd kan worden voor wat betreft de verantwoording van dergelijke regietafels.


Kerngegevens

Nummer T03212
Status voldaan
Datum toezegging 11 mei 2021
Deadline 1 januari 2023
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden A.W.J.A. van Hattem (PVV)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen openbaarheid
regietafels
verantwoording
verslagen
Kamerstukken Begrotingsstaten Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2021 (35.570 VII)
Begrotingsstaat provinciefonds 2021 (35.570 C)
Begrotingsstaat gemeentefonds 2021 (35.570 B)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 36, item 10, blz. 40-41.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik hoor de minister de landelijke regietafels noemen, althans de Landelijke Regietafel Migratie, waarvan ze zelf voorzitter is. Ik hoor graag van de minister of als zij die regietafel voorzit of erbij betrokken is of mee organiseert, er dan ook wordt nagedacht op welke manier de volksvertegenwoordigers op zowel centraal als decentraal niveau bij die regietafels worden betrokken. Op welke wijze kunnen zij kennisnemen van bijvoorbeeld verslagen, documenten en andere zaken, zodat de transparantie van zulk soort regietafels bevorderd wordt en het niet alleen maar een interne bestuurlijke aangelegenheid blijft? Hoe gaat de minister daarmee om?

Handelingen I 2020-2021, nr. 36, item 10, blz. 41

Minister Ollongren: Dat is natuurlijk een terecht en ook belangrijk punt. Degenen die aan tafel zitten, vertegenwoordigen meestal niet alleen hun eigen gemeente. De vertegenwoordigers zijn over het algemeen wethouders, maar soms ook burgemeesters, gedeputeerden en commissarissen van de Koning, een beetje afhankelijk van het onderwerp waarover we het hebben. Dat betekent dat zij ofwel namens hun koepel aanwezig zijn, dus namens de VNG, ofwel namens hun eigen gemeente of allebei. Dat betekent dat er verschillende kanalen zijn om die democratische verankering te organiseren. Dat kan rechtstreeks zijn. Als iemand bijvoorbeeld zijn eigen gemeente vertegenwoordigt, dan is het gewoon de wethouder die daarover verantwoording aflegt aan de gemeenteraad. Is het voor de VNG, dan is het iets anders. Maar in iedere gemeente waar een wethouder de afvaardiging is voor de VNG, is dat natuurlijk bekend. Op het moment dat jij namens jouw collega-wethouders die een bepaalde portefeuille behartigen in zo'n overleg bent, is dat ook bekend in jouw eigen gemeente. Voor zover ik weet, zijn de verslagen na afloop gewoon openbaar, maar ik zou dat moeten nagaan. Ze worden in ieder geval verspreid onder alle deelnemers en verder is er niks geheims aan, maar ik zal het nog even dubbelchecken voor de heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Dank voor de toezegging om dat te checken. Maar het punt is: dit is de theorie. Ik ben zelf in de unieke gelegenheid om zowel op lokaal niveau, als op provinciaal en in deze Kamer actief te mogen zijn. En op al die niveaus heb ik al gevraagd om zulke verslagen. Ik heb al gevraagd naar de organisatie en transparantie van zulke regietafels. En op elk niveau krijg ik te horen: ja, maar dit ligt bij de rijksoverheid. Of men zegt: dat doet de CdK, en die staat niet onder controle van Provinciale Staten. Of elders krijgen we te horen: ja, maar dat wordt door de wethouder gedaan. En de wethouder stuurt me weer naar ... Ik word dus van het kastje naar de muur gestuurd en het is een heel onduidelijke situatie bij zulke interbestuurlijke overlegtafels. Dus mijn vraag aan de minister is: hoe kan daar een duidelijker complex worden gecreëerd wat betreft verantwoording, controle, en een stukje kaderstelling en sturing, op een manier waardoor de volksvertegenwoordiging daar beter vat en controle op kan krijgen?

Handelingen I 2020-2021, nr. 36, item 10, blz. 41.

Minister Ollongren:

Ik vind het een mooi streven en ik ben voor die transparantie. Het hangt ook een beetje van het specifieke gremium af; laten we daar ook duidelijk over zijn. Dat specifieke gremium moet daar ook een keuze in maken. Ik kies er heel vaak voor om gewoon via de Kamer verantwoording af te leggen. Dat doen we bijvoorbeeld ook bij de Landelijke Regietafel Migratie en Integratie. Na zo'n overleg gaan er gewoon Kamerbrieven uit. Maar ik ben graag bereid om nog eens te kijken hoe dat per overleg is georganiseerd. Soms zal het lopen via de koepelorganisatie, via de VNG, soms zal het rechtstreeks gebeuren. Maar het doel van iedereen is natuurlijk om daar goede besluitvorming met elkaar te realiseren. En om met die besluitvorming ook iets te doen, zul je uiteindelijk natuurlijk ook je volksvertegenwoordiging daarin mee moeten nemen en zul je haar daarover moeten informeren. Anders kan het ook niet..)


Brondocumenten


Historie







Toezegging In de periodieke rapportage aan de Kamer aandacht besteden aan de wijze waarop de burgers van Sint Eustatius worden geïnformeerd over de uitvoering van de Wet herstel voorzieningen Sint Eustatius en hoe de gang van zaken wordt ervaren (35.570 IV) (T03271)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Dittrich (D66), toe in de periodieke rapportage aan de Kamer aandacht besteden aan de wijze waarop de burgers van Sint Eustatius worden geïnformeerd over de uitvoering van de Wet herstel voorzieningen Sint Eustatius en hoe de gang van zaken door hen wordt ervaren.


Kerngegevens

Nummer T03271
Status voldaan
Datum toezegging 6 april 2021
Deadline 1 juni 2021
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden mr. B.O. Dittrich (D66)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen bestuurlijke ingreep
rapportage
Sint Eustatius
Kamerstukken Begrotingsstaten Koninkrijksrelaties en BES-fonds 2021 (35.570 IV)


Opmerking

Zie ook
- Dossier 34877
- Dossier 35422

Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.38-39

De heer Dittrich (D66):

Ik wil graag even doorgaan op de vraag van de heer Rosenmöller. Ik stel niet de ingreep ter discussie — want dat was logisch; dat moest gebeuren — maar de manier waarop gehandeld is op Sint-Eustatius. Hoe hebben de regeringscommissaris en de anderen die Nederland heeft aangesteld, de bevolking geprobeerd mee te krijgen? Je kan een foto maken van hoe het was en hoe het nu is, en zeggen: kijk, er zijn verbeteringen. Vervolgens gaan mensen weg. Van Rij gaat weg. Wat is er dan ingedaald bij de bevolking op grond waarvan zij zeggen: hé, we zouden het anders moeten aanpakken? Wat is de benaderingswijze geweest van de bevolking?

Knops:

Er is in ieder geval door het bestuur, dus in dit geval de regeringscommissaris en de plaatsvervangend regeringscommissaris, in de afgelopen periode heel veel aan gedaan, door middel van townhallmeetings en via de radio, om te vertellen wat de intenties zijn en wat er gebeurd is. Radio is daar natuurlijk heel belangrijk. Er zijn geen kranten. Het is vooral Facebook en radiostations. De politiek is daar ook zeer actief met allerlei eigen radiostations. Elke avond zijn er wel programma's te beluisteren. Ik krijg soms de transcripten van die programma's. Daar staan heel veel dingen in, ook over vaccinatie bijvoorbeeld, die gewoon niet kloppen. Wat doe je daartegen? Hoe probeer je op het niveau te komen van feiten en fictie? Dat is heel ingewikkeld. Mensen mogen uiteindelijk vrij kiezen, ze mogen een vrije mening hebben over hoe zij vinden dat het gegaan is. En wellicht dat ook emoties een rol spelen, iets waar we het eerder over hadden in de richting van Sint-Maarten ten opzichte van Nederland. Die zijn er al van oudsher.

Ik weet het niet. Ik vind het ingewikkeld om daar hier en nu de analyse op los te laten. Wat ik wel in de richting van de heer Dittrich kan zeggen, is dat we hier heel in het bijzonder eens wat nader op zullen inzoomen. Ik denk dat dat ook goed is voor het debat dat eventueel nog komt bij de rapportage van mei. Ik ben graag bereid om daar met uw Kamer over te debatteren en ondertussen natuurlijk de regeringscommissaris te vragen om ook een nadere duiding daarvan te geven. Het gaat daarbij om de vraag wat dat dan precies is en vooral hoe we kunnen voorkomen dat er een soort beeld ontstaat dat het nu slechter is dan het was. Dat is dus echt niet zo. Je kunt feitelijk gewoon heel goed aantonen wat er de afgelopen jaren gebeurd is.

Maar ik ben ook niet helemaal doof voor de retoriek die ik af en toe hoor. Dat is toch met mensen gesprek gaan. Dat doe ik ook. Ik heb de laatste keer dat ik daar was, gesproken met alle leden van de eilandsraad. Ik heb uiteraard gesproken met de regeringscommissaris. Ik heb ook gesproken met mensen die daar gewoon werken, dus niet alleen met gewone burgers maar ook met mensen die bij bedrijven en organisaties werken. Die spreek ik altijd. Daar hoor je ook wel andere geluiden. Het is dus echt niet zo dat het geluid dat je in de eilandsraad hoort altijd het geluid is wat onder de bevolking leeft.

De heer Dittrich (D66):

Ik zou u graag willen meegeven dat er op het eiland wordt gezegd: waarom is er nooit een soort townhallmeeting georganiseerd? Het gaat dan over een meeting waarbij heel veel bewoners bij elkaar konden komen, waarbij uitleg werd gegeven over de plannen en waarbij werd gevraagd: wat vinden jullie daarvan?

Knops:

Die zijn wel georganiseerd.

De heer Dittrich (D66):

Nou, er wordt op het eiland gezegd dat dat in hele beperkte mate en in kleine kring is gebeurd, maar juist niet voor degenen die normaal gesproken al moeilijk te bereiken zijn. Het zou dus een mogelijkheid zijn om in de toekomst te kijken hoe je je rechtstreeks tot de bevolking kan wenden om te voorkomen dat er allerlei onwaarheden of onfeitelijkheden de ronde doen.

Knops:

Dat is volgens mij een terecht punt. Ik stel voor dat ik daar in die rapportage in mei op terugkom. Ondertussen proberen we dieper te gaan en kijken we waar het 'm in zit. Maar voor zover ik geïnformeerd ben, zijn er wel degelijk townhallmeetings geweest. Dat is het voordeel van een kleine schaal. Ik heb ze zelf ook een aantal keer gedaan. Niet iedereen kon daarbij zijn, maar het wordt dan uitgezonden, dus je kunt best veel mensen heel direct bereiken. Wij zijn volstrekt transparant over wat we doen. We hebben helemaal niets te verbergen. Sterker nog, het zou heel raar zijn als we daar niet transparant over zouden zijn. Alles wat we doen en wat we aan input en output hebben, kan gedeeld worden. Het is overigens ook heel zichtbaar. Ik zal dat element — hoe wordt het daar beleeft, hoe wordt het gepercipieerd? — uitvoerig mee willen nemen in de volgende rapportage. Dat zou ik graag willen toezeggen.

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.52

Knops:

Ik heb al aangegeven dat ik goed wil kijken naar wat is gezegd over Sint-Eustatius. Ik moet even iets corrigeren. Ik zei dat er townhallmeetings zijn geweest. Ik was ervan overtuigd dat die waren geweest. Ze zijn er ook geweest, maar in tijden van covid was het natuurlijk lastiger. Er zijn wel facebooksessies geweest, maar ik denk dat dat best nog wel wat intensiever zou kunnen, zeker met de ervaring die we nu hebben. Ik had al eerder toegezegd dat ik daarop terug zal komen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Het aanspreken van de Caribische landen van het Koninkrijk op hun autonome bevoegdheid om internationale verdragen te implementeren, waaronder een EVRM-proof uitwerking van de vluchtelingenprocedures in Curaçao (35.570 IV) (T03272)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Rosenmöller (GroenLinks), toe zich ervoor in te spannen om de Caribische landen van het Koninkrijk, op basis van aanbevelingen in het AIV-rapport, getiteld “Fundamentele rechten in het Koninkrijk: eenheid in bescherming”, aan te spreken op de implementatie van een aantal internationale verdragen, waaronder het EVRM-proof uitwerken van de vluchtelingenprocedure op Curaçao.


Kerngegevens

Nummer T03272
Status voldaan
Datum toezegging 6 april 2021
Deadline 1 juni 2023
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden P. Rosenmöller (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen AIV, adviesaanvragen
implementatie
internationale verdragen
VN-Vluchtelingenverdrag
Kamerstukken Begrotingsstaten Koninkrijksrelaties en BES-fonds 2021 (35.570 IV)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.42-43

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Een aantal collega's kunnen zich denk ik nog goed de gesprekken herinneren die wij hadden bij de Koraal Spechtgevangenis, waar de barakken stonden en waar mensen al lang zaten. Dat zijn beelden die niet van je netvlies afgaan. U bent er vast zelf ook geweest. Eén van die elementen is dat Curaçao geen ondertekenaar is van het VN-Vluchtelingenverdrag. Vindt Nederland nu dat het land Curaçao er goed aan zou doen om dat te heroverwegen en zich wel aan te sluiten bij dat verdrag?

Knops: Het belangrijkste is …

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Het mag gewoon met ja of nee.

Knops: Ja, nee dat ... Toch even een stap terug, zeg ik in de richting van de heer Rosenmöller. Het is een taak van de landen zelf om dit ordentelijk in te regelen. Wat voor mij van belang is, is dat je je houdt aan de richtlijnen die ook voor Nederland gelden, of je dat verdrag nu wel of niet ondertekent. Dat is wat we nu proberen te doen. Ik snap wel dat die handtekening heel belangrijk is, maar het gaat om de vraag of je de juiste procedures hebt ingeregeld. Het is echt aan het land Curaçao om dat te doen. Overigens worden er in het AIV-advies een aantal dingen over gezegd, onder andere over de manier waarop internationale verdragen geïmplementeerd worden in de verschillende landen. Daar worden nogal wat opmerkingen over gemaakt. Het kan dus ook beter. Alleen lijkt het mij niet zo gepast om het in deze fase waarin we nu verkeren aan Curaçao te vragen. Ik vind het veel belangrijker dat de praktische invulling ervan EVRMproof is, bestaande tekorten gesignaleerd worden, ertegen opgetreden wordt en ernaar gehandeld wordt. In alle vragen die ik daarover heb beantwoord — de Kamerleden hebben namelijk ook contacten en komen mensen tegen, en mensenrechtenorganisaties doen meldingen — kan ik niets anders, omdat wij daar ter plekke ook geen bevoegdheid en doorzettingsmacht hebben om te zeggen: u doet het niet goed. Het moet op basis van vrijwilligheid van de landen. Wij vinden het een heel belangrijk onderwerp. Ik heb dat regelmatig aan de orde gesteld in de gesprekken met de minister-presidenten. Maar wij hebben gezegd: het is aan de landen zelf. Wij willen de landen wel helpen en stellen middelen ter beschikking, maar zij moeten dan compliant zijn of handelen in lijn met deze verdragen.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Dat is toch best een lang antwoord. Ik kan mij heel goed voorstellen dat je toch net een iets minder formele benadering kiest dan de uwe. Ik denk namelijk dat het land Nederland vindt dat het goed is als zo veel mogelijk landen zijn aangesloten bij het VN-Vluchtelingenverdrag. Waarom zou je dan de vraag of Curaçao aangesloten zou moeten zijn, als land in ons Koninkrijk, niet gewoon bevestigend beantwoorden?

Knops: Omdat we zojuist een hele discussie hadden over autonomie en wat wel en wat niet voor of namens de landen gezegd zou kunnen worden. Ik vind dat de landen op de punten waar het aan hen is, op basis van het Statuut waar zij zich toe verhouden, ook gewoon die verantwoordelijkheid moeten pakken. Ik ben het niet oneens met de heer Rosenmöller als hij zegt dat het "goed zou zijn als". Maar het is niet aan mij, in mijn positie, om daar nu een oordeel over te geven. Het is niet aan mij om tegen Curaçao te zeggen wat ze wel of niet moeten doen. Wat voor Nederland van belang is, is dat die procedures goed ingeregeld zijn. We komen nog te spreken over het AIV-advies. We hebben daar ook al afspraken over gemaakt, want er zijn meer verdragen die nog ergens in de la liggen. Het lijkt mij dus sowieso een goed punt om dit met de landen verder op te pakken, maar ik zei al dat het mij in de huidige situatie, feitelijk midden in een crisis, niet het meest prioritaire onderwerp lijkt. Ik vind het belangrijk dat we binnen het Koninkrijk op een ordentelijke en humane wijze omgaan met mensen die asiel zoeken of zeggen dat ze asiel aanvragen en dat we een scheiding maken tussen mensen die vanwege migratiedoeleinden naar het Koninkrijk komen en mensen die echt recht hebben op bescherming. Volgens mij is dat waar het op dit moment, nu, om zou moeten gaan. Ik wil dit best een keer opbrengen in de contacten met de landen, maar dat moeten we dan ook in het proces van dat AIV-rapport doen, want er zijn meer zaken waar dit voor zou kunnen gelden.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Ik denk dat we er in de derde ronde van dit interruptiedebatje uit komen. Want als u ons dat zou willen toezeggen, dan zeg ik: graag. Dat doet niets af aan de autonomie van de landen. Dat betreft eigenlijk gewoon het verkeer tussen landen in het Koninkrijk zoals dat in de Europese Unie ook plaatsvindt, waarbij je dingen van elkaar vraagt zonder dat je die vraag gelijk interpreteert als een interventie in de autonomie van een land in de EU of in dit geval een land in ons eigen Koninkrijk. De slotvraag zou dan zijn of u wel kunt garanderen — volgens mij doet u dat — dat de wijze waarop we dan met vluchtelingen omgaan, wel EVRM-proof is. Want dat is waar het uiteindelijk natuurlijk om gaat.

Knops: Als u mij nu vraagt of ik dat kan garanderen, dan veronderstelt dat dat ik ook daarvoor de verantwoordelijkheid zou dragen of zou kunnen dragen. Dat kan ik niet, want dit is een verantwoordelijkheid van het land. Maar ik kan wel zeggen dat wij er alles aan doen, ook met onze mensen, om ervoor te zorgen dat die procedures daar goed worden ingericht. Maar we moeten heel precies zijn over waar die verantwoordelijkheden liggen. Op het moment dat de heer Rosenmöller mij dus vraagt om garanties uit te spreken, veronderstelt dat dat ik daar een bevoegdheid in zou hebben. Die heb ik niet. Wel is het in het kader van de waarborgfunctie zo dat uiteraard altijd ultimo het Koninkrijk aanspreekbaar is in het geval dat er geen redres mogelijk is.

De voorzitter: De heer Rosenmöller, tot slot.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Daar heeft u helemaal gelijk in, voorzitter. De staatssecretaris heeft ook gelijk met betrekking tot de verantwoordelijkheidsverdeling. Maar dan maken we het even af. Dan zeggen we dat u zich inspant om het autonome land Curaçao er zo veel mogelijk op aan te spreken, opdat het inderdaad EVRM-proof is.

Knops: Dat lijkt me een aardige samenvatting van wat we overigens ook al doen in de contacten met de landen. Ik zou het dus iets willen verbreden, omdat er op basis van het AIV-rapport een aantal verdragen zijn waar deze discussie over gevoerd zou moeten worden, juist omdat het het hele Koninkrijk raakt. Het is ook in Nederlands belang om dit soort onderwerpen te adresseren en de landen waar nodig aan te sporen en aan te spreken op het feit dat men onderdeel van een koninkrijk is met alle rechten en plichten die daarbij horen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Met de landen te bespreken dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk de mogelijkheid wordt geboden tot het aangaan van een huwelijk tussen partners van gelijk geslacht en de Kamer daarover te informeren (35.570 IV) (T03273)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Dittrich (D66), toe met de Caribische landen van het Koninkrijk te bespreken dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk de mogelijkheid wordt geboden tot het aangaan van een huwelijk tussen partners van gelijk geslacht en de Kamer daarover te informeren.


Kerngegevens

Nummer T03273
Status deels voldaan
Datum toezegging 6 april 2021
Deadline 1 januari 2025
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden mr. B.O. Dittrich (D66)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen homohuwelijken
Kamerstukken Begrotingsstaten Koninkrijksrelaties en BES-fonds 2021 (35.570 IV)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.49

De heer Dittrich (D66)

Voorzitter, tot slot één ding dat ik niet heb kunnen bespreken. Wij hebben op 1 april hier — in Nederland bedoel ik — de openstelling van het huwelijk gevierd. Daar werden allerlei mensen geïnterviewd, ook van de eilanden. Die zeiden tegen ons: "Het is toch echt heel jammer dat wij, paren van gelijk geslacht, niet op Curaçao of Aruba kunnen trouwen. Wij moeten dan naar Bonaire, terwijl wij wel gelijke rechten willen hebben en daar ook recht op hebben volgens de uitspraak van de Hoge Raad." Dus mijn vraag aan de staatssecretaris is: welke invloed kan Nederland uitoefenen, zodat gelijke rechten ook echt gelijke rechten zullen zijn in heel het Koninkrijk?

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.54

Knops:

De heer Dittrich vroeg wat voor invloed Nederland kan uitoefenen om ervoor te zorgen dat gelijke rechten, in dit geval dat partners van gelijk geslacht kunnen trouwen, in heel het Koninkrijk gelijke rechten zijn. Ik ben bereid om dit punt met de landen te bespreken. Als ik daar nu meer info over had, had ik dat gezegd. Maar ik heb nu niet meer info dan dit, dus ik kom erop terug.


Brondocumenten


Historie







Toezegging De Kamer te informeren over de exacte invulling van de dialoogtafels in het kader van het Adviescollege dialooggroep slavernijverleden (35.570 IV) (T03274)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Recourt (PvdA), toe de Kamer te informeren over de exacte invulling van de dialoogtafels in het kader van het Adviescollege dialooggroep slavernijverleden.


Kerngegevens

Nummer T03274
Status voldaan
Datum toezegging 6 april 2021
Deadline 1 juli 2021
Voormalige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden mr. J. Recourt (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen dialooggroep
slavernijverleden
Kamerstukken Begrotingsstaten Koninkrijksrelaties en BES-fonds 2021 (35.570 IV)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 33, item 7, p.6

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Mijn fractie heeft ook een concreet voorstel op dit punt. Dat voorstel ziet op het meest gevoelige onderdeel van onze relatie: de omstandigheid dat ons Koninkrijk is gebouwd op het racisme en de onderdrukking die eigen zijn aan een koloniaal systeem. Dit beladen verleden speelt impliciet en expliciet tot op de dag van vandaag een rol. Expliciet als we met name van de bestuurders van Sint Maarten het niet-subtiele verwijt krijgen dat we ons gedragen als koloniale en racistische onderdrukkers. Maar ook impliciet in de verhoudingen, in het denken en in het zelfbewustzijn, in het niet nemen van verantwoordelijkheid voor fouten die zijn gemaakt, ook niet voor fouten die zijn gemaakt in een veel verder verleden.

Voorzitter. Laten we onderzoeken welke belemmeringen er bestaan in de samenwerking die voortkomen uit het koloniale verleden, in Nederland en in de drie overige landen van ons Koninkrijk, ieder op hun eigen manier. Dit onderzoek kan het best worden uitgevoerd door een niet bij het Koninkrijk betrokken onderzoeker. Het perspectief van een buitenstaander kan ons wijzen op eventuele blinde vlekken. Je weet niet wat je niet ziet. Daarbij ben ik geïnspireerd door het boek Revolusi van de Belg Van Reybrouck, over de onafhankelijkheid van Indonesië.

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.41-42

Knops:

De heer Recourt heeft ook gevraagd of ik bereid ben om te bekijken in hoeverre er op dit moment belemmeringen bestaan in de relatie met de landen die voortkomen uit het koloniale verleden. Hij vroeg aan mij ook om dat onderzoek voor te bereiden en te financieren. Zoals u weet, is vorig jaar het Adviescollege dialooggroep slavernijverleden ingesteld. Dat heeft de taak, de dialoog vorm te geven over het slavernijverleden en over de doorwerking daarvan, gericht op de Nederlandse samenleving en het Caribische deel van het Koninkrijk. Ik zou de resultaten van die dialooggroep eerst eens willen afwachten. Dat adviescollege gaat natuurlijk met iets komen dat wellicht de basis zou kunnen zijn voor het verzoek van de heer Recourt. Maar ik kan op dit moment niet overzien wat de omvang en de reikwijdte daarvan is. Ik zie op dit moment dan ook geen toegevoegde waarde in het opstarten van een separaat onderzoek, zoals de heer Recourt vraagt. En het lijkt mij ook niet dat ik daarover nu een positief oordeel zou moeten geven, gezien de status waarin het kabinet nu verkeert en gezien die achtergrond van de dialooggroep.

De heer Recourt (PvdA):

Ik ken de opdracht van de dialooggroep niet. Ik kan me zo voorstellen dat de vraag van mijn fractie daar niet toe behoort. Maar goed, ik snap de positie van de staatssecretaris ook wel. Dat kan een opstapje zijn. Achtergrond van mijn vraag is vooral om dat gesprek aan te gaan, want dit is echt een roze olifant in de kamer. Laat ik het op mezelf betrekken: ík ben anders gaan denken over het koloniale verleden en hoe wij daar in staan. Ik ben bij mezelf nagegaan: wat neem ík daar nou van mee? Ik denk dat dat een proces is van deze tijd. Ik denk dat ik hierin niet alleen sta, want ik ben een kind van mijn tijd. Dus ik vraag de staatssecretaris in ieder geval om waar hij dat tegenkomt, dat ook niet uit de weg te gaan en dat gesprek te stimuleren.

Knops:

Dat laatste mag u van mij verwachten. Ik zei aan het begin van mijn inleiding dat ik blanco, of neutraal eigenlijk, in het Koninkrijksdossier gestapt ben, zonder enig vooroordeel of vooringenomenheid of wat dan ook. Achteraf beschouw ik het als een cadeau dat ik dit mocht doen. Toen ik het kreeg, had ik geen idee van wat het zou inhouden. Ik ben erin gedoken en ik heb vooral met heel veel mensen gesproken en mensen leren kennen, 8.000 kilometer verder, die vanuit een totaal andere historie redeneren soms. Wat mij opvalt, als je het gesprek aangaat, als je vanuit respect met elkaar daarover spreekt, is dat heel veel bespreekbaar is. Dus de vraag is — maar goed, misschien loop ik al vooruit op uw onderzoeksvraag en op de antwoorden die daaruit zouden moeten komen — of het echte probleem is dat we elkaar niet begrijpen of dat soms ook om politieke redenen dit onderwerp wordt ingezet.

In de contacten die ik heb met mijn counterparts — dat klinkt zo negatief, want ik beschouw ze niet als counterparts; er zijn mensen bij die ik inmiddels beschouw als vrienden — en die ik de afgelopen jaren vanuit hun verantwoordelijkheid bezig heb gezien om de eilanden verder te ontwikkelen, heb ik heel open gesprekken hierover gehad. Die zijn verrijkend, want ook ik ben achter dingen gekomen die ik daarvoor nog niet kende. Ik heb het nooit als een hindernis of een sta-in-de-weg of een belemmering, zoals u zei, ervaren in de contacten. Ik heb wel gezien dat mensen die ik niet kende bijvoorbeeld dit punt opwierpen, maar bij de mensen met wie je de gesprekken hebt, die je ook persoonlijk leert kennen en bij wie je op een gegeven moment ziet wat je gemeenschappelijke drijfveer is, speelt dat veel minder. Dus onbekend maakt onbemind, ook in dezen, maar dat is slechts mijn persoonlijke ervaring.

De heer Recourt (PvdA):

Maar juist om te kunnen inschatten of de verwijten die soms komen terecht of onterecht zijn — soms denk ik ook: dat is volkomen onterecht — moet je er dieper in duiken. Maar goed, ik heb gezegd: we wachten even af. Dan wel de vervolgvraag: weet u wanneer die … Hoe heette die groep alweer? Dat ben ik nu even vergeten.

Knops:

Adviescollege dialooggroep slavernijverleden.

De heer Recourt (PvdA):

Kijk! Wanneer komen die met een rapport?

Knops:

Dat ga ik even voor u na. Daar krijgt u in tweede termijn een antwoord op. Die is ingesteld onder verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ik ga dat even na.

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.48

De heer Recourt (PvdA):

Het tweede geldt voor de relatie. Daar heb ik met name aandacht gevraagd voor dat lelijke verleden dat "kolonialisme" heet; en kolonialisme, dat is uitbuiting en racisme. En dat is een debat dat niet alleen individueel gevoerd moet worden, maar ook structureel. Dus ik zal daar nog wel een paar keer op terugkomen, omdat ik echt denk dat dat binnen ons Koninkrijk zoals dat nu is nog te weinig aan de orde is geweest op een manier die ... Nou ja, we spreken hier, we hebben het erover gehad, we zitten hier in de senaat, we zijn hier niet in een café of thuis of weet ik wat, maar het is een officieel huis. En datzelfde geldt voor de relaties tussen de landen: ook daar moet dat aan de orde zijn. Maar de eerste stap... Afwachten wat dat rapport doet. Ik hoor straks nog wanneer dat rapport komt en op welke manier het Koninkrijk daarin betrokken is. En ik begrijp dat het alleen over racisme gaat; kolonialisme is natuurlijk nog wel iets meer dan dat. Maar goed, die eerste stap is gezet en ook dat gaan we gewoon de komende jaren verder zetten en verder duwen. Dus ook daar dank voor.

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.53

Knops:

De heer Recourt heeft nogmaals een pleidooi gehouden om eens na te denken over het Statuut — daar heb ik in eerste termijn al iets over gezegd — en de relatie en de samenwerking. Hij noemde in dat kader de dialoog slavernijverleden. Die zit hier ook ergens tussen. Het spijt me, voorzitter. Ik had gewoon even moeten vragen om een schorsing.

De voorzitter:

Dat kan alsnog, als u dat wenst.

Knops:

Nu ligt alles door elkaar, maar het komt goed. Het worden er steeds minder. Dat is een dialooggroep die in 2021 een rapport zou opleveren. Dat was voorzien voor 1 mei 2021, maar dat wordt nu voor het zomerreces verwacht. Er vinden ook gesprekstafels plaats in de Caribische delen van het Koninkrijk. De dialooggroep zal eigen keuzes maken over de exacte invulling van die gesprekstafels. Dus voor het zomerreces wordt u daarover bericht.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Met de landen in gesprek te treden over de uitvoering van de Eerste Kamermotie-De Graaf en de Tweede Kamermotie-Van Raak inzake de verantwoordelijkheidsverdeling binnen het Koninkrijk der Nederlanden (35.570 IV) (T03275)

De staatsecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Gerkens (SP), toe in gesprek te treden met de Caribische Landen van het Koninkrijk over de uitvoering van de Eerste Kamermotie-De Graaf en de Tweede Kamermotie-Van Raak inzake de verantwoordelijkheidsverdeling binnen het Koninkrijk der Nederlanden.


Kerngegevens

Nummer T03275
Status openstaand
Datum toezegging 6 april 2021
Deadline 31 december 2025
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden A.M.V. Gerkens (SP)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Koninkrijk
verantwoordelijkheidsverdeling
Kamerstukken Begrotingsstaten Koninkrijksrelaties en BES-fonds 2021 (35.570 IV)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 33, item 7, p.4

Mevrouw Gerkens (SP):

Dan iets anders. Nederland is dankzij het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden verantwoordelijk voor een onduidelijke waslijst aan zaken in de landen. Dat leidt volgens onze fractie tot onduidelijkheid, ongelijkwaardigheid en ruzie. Dat is de reden waarom mijn partij aan de overkant in 2019 een motie indiende waarin wij vroegen om een gezamenlijk overleg, om meer duidelijke invulling te geven aan de taken van de landen afzonderlijk en van het Koninkrijk als geheel. Op 2 oktober 2019 heeft de staatssecretaris aan de Eerste Kamer toegezegd invulling te geven aan de motie-De Graaf uit 2016 door de motie-Van Raak uit 2019 uit te voeren. Hoe staat het nu met deze invulling? Daarna was er de motie-Van Raak van vorig jaar, die aan alle landen vraagt om een visie te geven op het Koninkrijk en aan te geven wie verantwoordelijk is voor wat. Hoe staat het met de uitvoering van die moties?

Handelingen I 2020-2021, nr. 33, item 7, p.30-31

Knops:

Daarmee kom ik meteen op die positie van de coördinerend staatssecretaris. Daarover is natuurlijk ook in het verleden al het een en ander gezegd. Ik heb het geluk gehad dat ik veel collega's in het kabinet had die ontvankelijk waren voor mijn observaties na mijn eerste bezoeken, toen ik daar was, en toen ik zei: er moet echt iets gebeuren. Ik noem eerst Tamara van Ark, maar na haar zijn er anderen gevolgd. Ik zou een nieuw kabinet toewensen dat men dat misschien nog wat sterker verankert, om te voorkomen dat de mensen op de eilanden met "de torens van Van Raak" geconfronteerd worden. Laat ik de ministeries in Den Haag zo maar even noemen. De heer Van Raak van de SP had het daar altijd heel beeldend over. Waar is mevrouw Gerkens? O, ze zit daar. De heer Van Raak heeft, vind ik, wel een beetje gelijk als hij het heeft over " die torens in Den Haag". We hebben dus geprobeerd om een soort "eenloketfunctie" te maken, met een stuurgroep en zo. Dat is dus echt wel vebeterd, maar er zou nog een slag overheen kunnen, niet in de laatste plaats door het IBO-rapport waar de heer Recourt niet over wilde spreken. Maar daarmee doet hij zichzelf onrecht aan, want de heer Recourt was daar voorzitter van. In dat rapport worden echt een aantal concrete handreikingen gedaan om het de mensen op de eilanden beter te laten gaan en om die overbodige bureaucratie weg te halen.

Het ongevraagde advies van de Raad van State van toen, en het IBO-rapport gaan op een heel concrete manier in op de vraag hoe je die verhoudingen kunt veranderen. Ook op dat vlak is toen in 2010 de keuze gemaakt om het op een bepaalde manier te organiseren, met alle goede bedoelingen. Maar na tien jaar is het echt wel tijd om eens te kijken naar wat er anders kan, en vooral naar wat er beter kan.

En soms gaat het gewoon ook heel plat om muntjes, om geld. Met de VNG hebben we natuurlijk vaak de discussie over de vraag of gemeenten voldoende middelen uit het Gemeentefonds krijgen. Ik weet één ding zeker: de eilanden hebben op dit moment structureel te weinig ruimte in die vrije uitkering. We hebben dat continu incidenteel bijgeplust. Nou, ik begeef me een beetje op glad ijs door hier nu allerlei wensenlijstjes te gaan voorlezen, maar ik zou zeggen: aan die vrije uitkering moet echt wat gebeuren door een nieuw kabinet. Dat moet anders geregeld worden. Daarbij raken we ook aan de positie van de Rijksvertegenwoordiger.

Ik ben overigens best positief, ik ben eigenlijk heel positie over wat we de afgelopen jaren op de BES-eilanden hebben bereikt. Dat heeft voor een deel te maken met het feit dat de departementen, zoals VWS en OCW, gewoon hun dingen daar op een goede manier doen, zodat er voor de bestuurders daar minder verantwoordelijkheden zijn dan in de autonome landen. Dus kleinschaligheid is soms ook een voordeel. Maar beste mensen, het is heel ver weg en als je een orkaan over je dak krijgt, dan kun je dat echt niet allemaal zelf betalen. Dus dat heeft dit kabinet ook moeten doen om ervoor te zorgen dat die eilanden kunnen functioneren, maar ik ben echt onder de indruk van de veerkracht, maar ook van de bestuurskracht van de eilanden.

Handelingen I 2020-2021, nr. 33, item 7, p.47

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik mis in de beantwoording ook hoe de staatssecretaris kijkt naar het idee om samen met de bewoners invulling te gaan geven aan de taak- en rolverdeling in het Koninkrijk. Ik verwees hierbij naar de moties van de leden De Graaf en Van Raak. Misschien heb ik het gemist, maar volgens mij heb ik daar geen reactie op gehad. Ik besef terdege dat de staatssecretaris demissionair is, maar hij kan natuurlijk een richtlijn meegeven in een overdrachtsdossier, als dat er komt, want we weten natuurlijk niet hoe de toekomst eruitziet. Ik heb daarom ook de motie van de heer Rosenmöller gesteund.

Handelingen I 2020-2021, nr. 33, item 7, p.54

Knops:

Mevrouw Gerkens vroeg hoe het stond met de invulling van de motie-Van Raak over de verantwoordelijkheidsverdeling. Volgens mij heb ik die vraag al beantwoord in eerste termijn. In het najaar van 2019 heb ik met de premiers van de landen overleg gehad. De landen hebben positief gereageerd op het verzoek om daarover in gesprek te gaan, maar vanwege corona is dat nog niet gelukt. Hopelijk kunnen we rond de zomer met een werkgroep van start gaan. Dat is natuurlijk ook afhankelijk van een aantal zaken. Zo zijn er nu ook weer verkiezingen in Aruba. Zo is er altijd wat. Ook wij hebben natuurlijk verkiezingen gehad. Die waren wel gepland, maar die in Aruba niet, althans: ze waren niet voor juni gepland maar oorspronkelijk voor september. Ik weet niet in hoeverre dat invloed zal gaan hebben, maar er wordt uitvoering gegeven aan deze motie. Dat zeg ik u toe.


Brondocumenten


Historie