Rappelabele toezeggingen Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Vooruitblik september 2023)



Dit is het rappel vanaf 02-07-23 tot 02-01-24.

 




Toezegging Toezending conceptversie richtlijn (22.112 / 31.544, CK) (T01237)

De staatssecretaris voor Europese Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een verzoek van de commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis der Koningin, toe dat, wanneer het richtlijnvoorstel in de besluitvormende fase komt, het kabinet voorafgaande aan de desbetreffende Raad de definitieve (concept)versie van de richtlijn aan de Eerste Kamer opstuurt.


Kerngegevens

Nummer T01237
Status openstaand
Datum toezegging 7 april 2009
Deadline 1 juli 2026
Voormalige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Schriftelijk overleg
Categorie overig
Onderwerpen discriminatie
gelijke behandeling
richtlijnen
Kamerstukken Europees voorstel voor richtlijn gelijke behandeling (31.544)
Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie (22.112)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2008/09, 22 112 / 31 544, CK, p. 2:

De commissie verzoekt de regering de definitieve versie van de richtlijn waarover in de Raad besluitvorming moet plaatsvinden ruimschoots voorafgaand aan de desbetreffende Raad aan de Kamer te doen toekomen opdat nog de mogelijkheid van een (nader) overleg bestaat.

Kamerstukken I 2008/09, 22 112 / 31 544, CK, p. 3:

Wanneer het richtlijnvoorstel in de besluitvormende fase komt, zal het kabinet – zodra de betreffende stukken beschikbaar zijn – voorafgaande aan de desbetreffende Raad de definitieve (concept)versie van bovengenoemde richtlijn aan u doen toekomen.

Zie voor meer informatie ook Edossier E080071


Brondocumenten


Historie







Toezegging Voorlichting Raad van State Caribisch Nederland (34.877) (T02533)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van diverse leden toe, de Raad van State op korte termijn om voorlichting te vragen over de wijze waarop de Nederlandse regering met Caribisch Nederland omgaat (inclusief de rol van de gezaghebber, het Cft en de Rijksvertegenwoordiger in relatie tot de bewindspersoon) en over de coördinerende rol van de staatssecretaris van BZK ten aanzien van Caribisch Nederland. De voorlichtingsaanvraag zal met de Kamer worden gedeeld.


Kerngegevens

Nummer T02533
Status voldaan
Datum toezegging 6 februari 2018
Deadline 1 januari 2025
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Mr. Th.C. de Graaf (D66)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Caribisch Nederland
Raad van State
voorlichting van de Raad van State
Kamerstukken Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius (34.877)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 17

Staatssecretaris Knops

Mijn voorstel is nu om de Raad van State op niet al te lange termijn om advies te vragen ten aanzien van de wijze waarop wij in Nederland omgaan met de BES-eilanden. Dat moeten we ook breder zien: het gaat daarbij ook om de rol van het Cft, de rol van de Rijksvertegenwoordiger, de rol van de gezaghebber in relatie tot de bewindspersoon. We moeten het niet alleen zien in de enge relatie binnen het kabinet. We moeten dus kijken of die sturing versterkt kan worden. Vooralsnog wil ik voorstellen om het pad van de praktische invulling door die hoogambtelijke stuurgroep af te lopen en dat bewindspersonenoverleg goed te laten functioneren.

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 20

Staatssecretaris Knops

Ik heb al iets gezegd over de coördinerende rol van BZK. Ik zal de Kamer op de hoogte houden van de voortgang. Ik zal natuurlijk eerst via het kabinet voorlichting moeten vragen aan de Raad van State, maar ik ben voornemens om dat te doen. Ik heb dat ook aangegeven in de ministerraad.

De heer De Graaf (D66):

(...) We hebben grepen dat u heeft toegezegd dat u voorlichting zult vragen aan de Raad van State over de coördinatiefunctie. Ik neem aan dat u die voorlichting op korte termijn zult vragen in een aparte voorlichtingsaanvraag. Zou u die aanvraag willen delen met deze Kamer?

Staatssecretaris Knops:

Ik zal dat uiteraard eerst aan de ministerraad voorleggen. We zullen het daar erover hebben. Ik zal uw punt daarin meewegen en meenemen, maar het is een besluit van de ministerraad. Ik kan er dus niet op vooruitlopen, maar ik zou er op zichzelf geen bezwaar tegen hebben, juist omdat ik het wat breder wil trekken dan het advies dat de Raad van State nu gegeven heeft. Er is in deze Kamer een motie aangenomen over de positie van de Rijksvertegenwoordiger. Je moet het hele stelsel van aansturing vanuit Europees Nederland nog eens goed tegen het licht houden, ook bijvoorbeeld als het gaat om regelgeving die gewoon wordt uitgerold over de Noordzee heen richting het westen.

Kamerstukken II, 2017/18, 34877, nr. 4, p. 6

Een algemene bepaling over de coördinatie van de Minister (thans Staatssecretaris) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten aanzien van de Caribische openbare lichamen zoals de Afdeling suggereert, past niet goed in het onderhavige wetsvoorstel. Dat ziet immers alleen op het bestuur van Sint Eustatius en is slechts tijdelijk van aard. Het kabinet zal zich op deze suggestie beraden en er in een later stadium op terugkomen, zoals ook geldt voor een aantal suggesties van de commissie van wijzen om de bestaande vormgeving van de verhouding tussen Europees en Caribisch Nederland te heroverwegen. Het kabinet overweegt om over deze onderwerpen voorlichting aan de Afdeling te vragen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Autonomiedebat Caribisch Nederland (34.877) (T02536)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van het lid Kok (PVV) toe, de discussie over autonomie in Caribisch Nederland en wat de Commissie van Wijzen daarover in haar rapport heeft geschreven, te willen voeren maar niet voor de zomer van 2018.


Kerngegevens

Nummer T02536
Status voldaan
Datum toezegging 6 februari 2018
Deadline 1 januari 2025
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Mr. C.J. Kok (PVV)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen autonomie
Caribisch Nederland
Kamerstukken Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius (34.877)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 2.

De heer Kok (PVV)

Ten slotte kunnen we niet om het grote autonomie vraagstuk heen. Het loopt als een rode draad door dit dossier. De fractie van de PVV pleit ervoor om als tweede spoor gelijktijdig de optie van volledige autonomie in beeld te brengen. Te constateren is dat het kabinet wel bereid is om de visie op vergaande autonomie te accepteren, maar dat het tussenmodel van een autonoom land binnen het Koninkrijk afwijst. Hoe valt dit met elkaar te rijmen? Wat stelt de staatssecretaris zich voor bij dat "meer inhoudelijke gesprek" over autonomie? Het zelfbeschikkingsrecht ligt tenslotte bij de eilanden zelf.

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 23.

Staatssecretaris Knops

De heer Kok wierp de discussie op over een autonoom land binnen het Koninkrijk. Het is nu een openbaar lichaam. Het is geen land, maar hij probeert zich een autonoom land binnen het Koninkrijk voor te stellen. Ik wil die discussie en alle andere discussies met alle plezier voeren, maar dat lijkt me meer iets voor het debat dat nog gaat komen. Voor uw beeld zeg ik dat ik de Tweede Kamer heb toegezegd dat, hoewel de commissie daar natuurlijk aanbevelingen voordoet, dit de komende maanden niet mijn hoofdprioriteit is en dat ik me echt wil richten op het verbeteren van de relatie, het leveren en het herstel van vertrouwen. Ik ga die andere discussie niet uit de weg, maar die komt niet voor de zomer, want ik wil dat er ook van laten afhangen. Die houding heb ik wel en die wil ik ook toezeggen: ik wil uiteraard in gesprek gaan met alle eilanden over hun positie en verhouding, maar wel met respect voor de wetgeving die we met elkaar hebben afgesproken. We treden dus niet buiten de wettelijke kaders.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Effecten van de wet (34.349) (T02615)

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Bikker (ChristenUnie), Lintmeijer (GroenLinks) en Nooren (PvdA), toe om contact te houden met de betrokken sectoren om de effecten van de wet, inclusief het effect op het aantal personen dat gezichtsbedekkende kleding draagt, in kaart te brengen. Ontwikkelingen in andere Europese landen worden hierbij betrokken. De Kamer wordt over 2-3 jaar geïnformeerd.


Kerngegevens

Nummer T02615
Status voldaan
Datum toezegging 12 juni 2018
Deadline 1 juli 2024
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Mr. M.H. Bikker (ChristenUnie)
Drs. F.C.W.C. Lintmeijer (GroenLinks)
Drs. J.E.A.M. Nooren (PvdA)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen boerka's
gezichtsbedekkende kleding
nikab
Kamerstukken Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding (34.349)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 33, item 4 - blz. 28-30

Minister Ollongren: Dan een vraag die ik misschien al eerder had moeten beantwoorden: mevrouw Nooren vroeg of ik inmiddels zicht heb op het aantal draagsters van de boerka of de nikab, want daar zal het in de praktijk vaak om gaan. Eigenlijk is dat heel moeilijk te schatten of te stellen. We weten het dus niet precies. Er is geen recent onderzoek naar gedaan. De aantallen die genoemd worden, zijn 200 tot 400, maar dat is een schatting en is niet gebaseerd op nader precies onderzoek. Dit was overigens ook een vraag van mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Ik heb daar zelf mijn persoonlijke impressie bij gegeven. Mijn indruk — maar die is gebaseerd op één stad, waarin ik wat meer heb rondgefietst — is dat dit toeneemt. Ook als het wetsvoorstel van kracht wordt, ben ik benieuwd wat de effecten zijn. De minister noemt van het aantal draagsters eigenlijk schattingen die ik in 2009 heb gezien. Dat is dus echt wel eventjes geleden. Heeft de minister die belangstelling niet alsnog? Welke hang naar feitenkennis heeft zij op dit gebied?

Minister Ollongren: Ik zou natuurlijk liegen als ik zou zeggen dat mijn hang naar feitenkennis niet heel groot zou zijn, want dat is die altijd. Maar het is dus wel een feit dat we het niet precies weten. Wat ik natuurlijk wel kan doen, is kijken wat er is gebeurd in andere landen met een soortgelijk verbod, zij het dat dat in andere landen vaak net wat verder gaat. Dat geeft iets van een indicatie. In Frankrijk denken ze, maar heel hard is het niet, ook daar, dat het aantal draagsters van nikabs en boerka's is afgenomen na het verbod. Het lijkt mij goed dat we dat hier ook proberen te duiden, maar ja, ik kan niet anders dan zeggen dat er geen andere cijfers zijn dan de cijfers die blijkbaar al een aantal jaren worden gehanteerd. Ik heb geen aanwijzingen dat dat aantal is toegenomen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Dan twee punten. In 2009 lukt het klaarblijkelijk wel om tot een getal te komen, of in ieder geval een bandbreedte. Dan vind ik het wat lijdzaam, ook in de antwoorden van de voorganger van de minister, maar goed, in die schoenen staat ze, dat het daarna niet meer kan. Laat ik dat als opmerking meegeven, maar er zit ook wel een vraag van reflectie in; die proeft de minister wel.

Ten tweede ben ik benieuwd naar die effecten, omdat ik twee mogelijkheden zie: iemand legt de boerka af en neemt weer deel aan de maatschappij, wat toe te juichen zou zijn, of iemand gaat binnen zitten. Ik heb uit Oostenrijk begrepen dat het fiftyfifty is. Als wij nu niet weten hoeveel mensen het zijn, dan kunnen we ook heel lastig inschatten wat de effecten zijn; of dat fiftyfifty is of totaal anders. Vandaar mijn oproep om nog meer hang naar feitenkennis, hoezeer ik ook toejuich dat de minister die heeft.

De voorzitter: Meneer Lintmeijer, aansluitend.

De heer Lintmeijer (GroenLinks): In aanvulling daarop, maar misschien ook vooruitlopend op de antwoorden die nog komen: als we het dan toch preciezer willen weten, laten we dan ook echt een serieuze evaluatie instellen en er serieus onderzoek naar doen, waarbij we niet alleen kijken naar de aantallen sec, maar vooral naar de effecten die het heeft op het gedrag van met name vrouwen met nikabs en boerka's. Ik weet het niet, mevrouw Bikker weet het niet, de minister geeft zelf ook aan in de antwoorden dat ze het niet weet. Dat blijft toch dun ijs om op te schaatsen? Laten we de afspraak maken dat we een stevige evaluatie erop loslaten. Op het moment dat daar uitkomsten van zijn, kunnen we ook nog overwegen hoe we met die uitkomsten omgaan. Leidt dat tot nieuwe, extra maatregelen of minder maatregelen?

Minister Ollongren: Op zich begrijp ik dat betoog van de heer Lintmeijer wel, maar daar stel ik tegenover dat de reden voor het voorstel voor een beperkt verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding niet is dat het om grote aantallen gaat. Sterker nog, ik heb juist betoogd dat dit niet het geval is. Wij weten niet precies over hoeveel mensen het gaat in het geval van nikabs en boerka's, maar ik weet wel dat het niet om grote aantallen gaat. Dat is dus ook niet de reden voor het wetsvoorstel. Ik zal straks komen op mogelijke gedragseffecten en gevolgen hiervan. In mijn inleiding zei ik al dat het moeilijk te voorspellen is; het gaat in hoge mate over menselijk gedrag. Ik ben het wel met de heer Lintmeijer eens dat het van belang is om te weten of dit bijvoorbeeld leidt tot het mijden van zorg of het niet gaan naar de rechter en dat soort zaken. Dat is heel goed om te weten. Ik ben het ook zeer met hem eens dat we dat wel in de gaten moeten houden, ook al gaat het niet over grote aantallen.

De heer Lintmeijer (GroenLinks): Een aanvulling. Het gaat inderdaad niet over grote aantallen. Mijn fractie maakt zich wel zorgen over wat het effect op de gezinnen is, als blijkt dat het inderdaad fiftyfifty is; als vrouwen thuisblijven en niet meer met hun kind mee naar school gaan, niet meer met hun kind naar de dokter gaan en daardoor ook kinderen in een ongewis isolement meeslepen. Dan is het multipliereffect groter dan ik zou wensen, ook al zou het maar om twee mensen gaan. Wat ons betreft is een evaluatie of een goed onderzoek daarnaar niet alleen bedoeld om het precies te weten, maar ook om te kijken of we moeten optreden op het moment dat die effecten ontstaan.

Minister Ollongren: Dat zouden ongewenste effecten zijn, dat ben ik met de heer Lintmeijer eens, ook al gaat het om kleine aantallen. Daarvoor zijn ook andere oplossingen denkbaar. De praktijk zal het moeten uitwijzen, want ik kan dat niet bewijzen, dat mensen vaak zullen kiezen om dan iemand anders met dat kind mee te laten gaan of om dat op een andere manier op te lossen. Ik heb trouwens ook heel veel vertrouwen in de professionals waarmee we te maken hebben, ook in de zorg en in het onderwijs. Ik denk dat we die ruimte ook moeten geven aan mensen, om te kijken of zij in de praktijk dan tot goede oplossingen komen.

De voorzitter: Mevrouw Bikker, nog één keer op dit punt en dan klaar ermee.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Voorzitter, dat vind ik ook, maar ik zou wel graag antwoord hebben op de vragen die ik net stelde.

De voorzitter: Meneer Lintmeijer, ook tot slot op dit punt.

De heer Lintmeijer (GroenLinks): Nog even aansluitend. De minister heeft veel vertrouwen in de professionals, maar de kern van het betoog dat meerdere fracties hier hebben gehouden, is dat professionals ook zonder wetgeving heel wel in staat zijn om om te gaan met vrouwen die met een boerka of nikab binnenkomen, dus voor die professionals hoeft u het niet te doen. De minister zegt dat zij bij de uitvoering van de wet heel veel vertrouwen heeft in die professionals, maar die zeggen dat die wet het hun niet makkelijker maakt. Dat vind ik een kringredenering die zichzelf in de staart bijt.

Minister Ollongren: Nee, want het gaat om twee verschillende dingen. Vertrouwen in de professional spreek ik in algemene zin graag uit, maar ook binnen deze wet. De wet is niet gemaakt op verzoek van deze sectoren, maar zal de sectoren wel helpen om een eenduidige norm te hebben en straks als die norm er is, binnen die norm te handelen. Het vertrouwen dat ik zonet uitsprak in de professionals, zag juist op de schrijnende situaties waarvoor de heer Lintmeijer vreesde.

De voorzitter: Het antwoord op mevrouw Bikker.

Minister Ollongren: Ik denk dat zij op de vraag over de aantallen doelde en op haar wens om meer feitenkennis te hebben. Dat ben ik met haar eens, maar tot nu toe is het nog niet gelukt om dat heel precies te krijgen. Als de wet in werking is getreden, kunnen we proberen daar zicht op te krijgen. Ik zal daar zeker mijn best voor doen, voorzitter.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Is dit een toezegging? Dat bespaart mij in de tweede termijn.

Minister Ollongren: Een toezegging om mijn best te doen is het absoluut, maar ik realiseer mij heel goed dat het tot nu toe heel lastig is gebleken. Ik denk niet dat dit per se heel makkelijk wordt na deze wet, maar het lijkt mij goed om het in de gaten te houden.

Misschien mag ik in antwoord op mevrouw Bikker ook even ingaan op de internationale situatie en wat we daarvan hebben geleerd, want dat geeft iets van een houvast. Ik noemde Frankrijk al, waar sinds 2011 zo'n verbod geldt, in de hele openbare ruimte, overigens. Volgens de Franse regering is het aantal dragers van gezichtsbedekkende kleding na invoering van het verbod met de helft afgenomen. Er zijn boetes uitgedeeld. Die zijn overigens wel goed te meten. Dat waren er meer dan 1.000 tot en met 2014, dus in een beperkte periode van drie jaar. De handhaving van het verbod verloopt in het merendeel van de gevallen zonder toepassing van dwangmiddelen en al helemaal zonder het ontstaan van openbareordeverstoringen, gelukkig. In België, waar hetzelfde verbod geldt sinds 2011, zijn er geen getallen bekend. Sinds kort is er ook een algeheel verbod in Oostenrijk en in Denemarken, maar dat is relatief nieuw, dus daar zijn ook nog geen getallen bekend.

Mevrouw Nooren vroeg ook nog of het een averechts effect kan hebben op mensen met een islamitische achtergrond, op hun recht om als minderheid hun godsdienst te belijden. Het wetsvoorstel is godsdienstneutraal. Het ziet niet op alleen de boerka en de nikab. Het ziet op de communicatie, de herkenbaarheid op die plekken waar mensen elkaar tegemoet treden. In die zin denk ik niet dat datgene wat mevrouw Nooren vreest, zich hoeft voor te doen. Het ziet nadrukkelijk op gezichtsbedekkende kleding. Het ziet niet op uitdrukkingen van een religie. Daar zijn een heleboel voorbeelden en vormen van. De nikab en de boerka zijn daar maar een klein onderdeel van.

Mevrouw Nooren (PvdA): Voor alle duidelijkheid, het is een worsteling. We hebben een wet aan de orde waarvan we niet weten hoe die gaat werken. Als we dat gaan voorspellen, is dat voor ons allemaal lastig. Ik bedoelde niet die 200 tot 400 personen die het betreft, want ik denk dat we een goed debat erover hadden dat je elkaars gezicht moet kunnen zien om een aantal dingen voor elkaar te krijgen. De vraag gaat over de implicaties van de wet voor een wat bredere groep, waar je verschillend over kan denken. Welke toonzetting geeft deze regering, waar u onderdeel van uitmaakt? Ik begrijp dat deze regering zegt: is dat een onderwerp van gesprek, wilt u dat in kaart brengen? Welk effect heeft deze wet daarop? Hoe kijkt u als D66-minister aan tegen een doelgroep die zegt: goh, waarom moet dit zo, want het loopt nu toch ook goed? Dat is de vraag die ik wilde stellen.

Minister Ollongren: Daar zal ik tegen zeggen wat ik zonet ook heb betoogd. Ik heb het dan over de reden voor het wetsvoorstel die dus niet ziet op uitingen van geloofsovertuigingen maar op communicatie. Mijn voorganger heeft met een aantal nikabdraagsters gesproken. Er zijn zeker moeders die zeggen dat als deze wet van kracht wordt, ze niet meer naar bijvoorbeeld de school van hun kind willen gaan. Dat effect zal er zeker zijn. Daar staat tegenover dat er ook vrouwen zijn die zeggen er dan de voorkeur aan te geven wel naar de school van hun kind te gaan. Het is dus een heel persoonlijke afweging die mensen zullen maken en waarbij het lastig is om er een algemene uitspraak over te doen.

De voorzitter: Mevrouw Nooren, maar wel graag kort.

Mevrouw Nooren (PvdA): Dan sluit ik aan bij mevrouw Bikker. Het zou fijn zijn om de effecten van dit wetsvoorstel op de verbonden samenleving te weten om er enig gevolg aan te kunnen geven, want misschien komt na dit wetsvoorstel nog wel een wetsvoorstel. Het is dan wel goed om te weten welk effect zo'n wet heeft op de samenhang in de maatschappij.

Minister Ollongren: Ik proef uit de inbreng van mevrouw Nooren en ook anderen dat er inderdaad veel behoefte is om die effecten in kaart te brengen. Zorgmijding is zo'n effect. Verder noem ik het effect op scholen. Ik zeg de Kamer graag toe dat ik dat in de gaten houd. Ik stel mij voor om dat te doen door in gesprek te gaan met organisaties die daarmee te maken hebben. Dat is misschien niet zo kwantitatief als mevrouw Bikker het zou willen, maar geeft ons in ieder geval een idee van de effecten die het heeft.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 33, item 4 - blz. 33

Minister Ollongren: De heer Köhler had ook aandacht voor bijvoorbeeld zorg mijden, en de gevolgen voor kinderen of ouderen. Ik heb zojuist al betoogd dat dit geen gewenst effect van het wetsvoorstel zou zijn, want het is belangrijk dat mensen goed voor hun kinderen blijven zorgen en naar consultatiebureaus gaan, maar het is wel een persoonlijke keuze van ouders. Ik zei zojuist dat ik geen grote effecten verwacht, omdat ik verwacht dat mensen voor een andere oplossing zullen kiezen als ze die gezichtsbedekkende kleding echt niet af willen doen. Garanties daarvoor kan ik op dit moment echter niet geven. Het is wel iets waar wij voor aandacht voor zullen moeten hebben en houden. Ik heb mevrouw Bikker zojuist al toegezegd dat ik met de instellingen in gesprek blijf.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 33, item 4 - blz. 39

Mevrouw Nooren (PvdA): Ten slotte ben ik blij met de toezegging van de minister om het effect van de wet, de toegang van leden van het gezin — ik trek het maar even breed — tot cruciale sectoren als het onderwijs, de zorg, de rechtbank, het College voor de Rechten van de Mens, et cetera, te monitoren. En ik vroeg me af of er niet een landelijke veiligheidsmonitor is of een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat dit soort thema's weleens aan de orde heeft, waarin het effect van zo'n wetsvoorstel kan worden meegenomen. Ik heb daarvoor zelf nog geen concreet voorstel, maar de minister misschien wel.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 33, item 4 - blz. 40

De heer Lintmeijer (GroenLinks): Dat heeft ook te maken met het volgende punt, namelijk de effecten van de wet op het gedrag. Bevordert die wet nou juist de emancipatie van vrouwen omdat ze nu hun nikab of boerka afleggen en meer mee gaan doen aan het openbare leven of kruipen ze terug in schulp, wat wij buitengewoon betreurenswaardig zouden vinden? De minister zegt dat zij de vinger aan de pols houdt. Dat is een toezegging die een eindje de goede weg op gaat. Ik zou graag een wat scherpere toezegging hebben van de minister over de manier waarop zij de vinger aan de pols gaat houden. Ik vraag haar om over twee of misschien drie jaar haar bevindingen hier te delen, al dan niet voorzien van aanbevelingen over ongewenste effecten en hoe we daar verder mee om zouden kunnen gaan. Die toezegging mag dus een slagje scherper wat mijn fractie betreft.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 33, item 4 - blz. 41

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Ik heb mijn verwondering erover uitgesproken dat een aantal feiten, met name wat betreft het aantal vrouwen dat een gezichtsbedekkende sluier draagt, in 2009 wel bekend kon zijn en daarna niet meer. Ik blijf dat opmerkelijk vinden en ik markeer dat toch maar, vooral omdat hier veel partijen zijn die geloven in vooruitgang — ik doe dat eigenlijk ook best vaak — en dat dan hier niet zou kunnen. Dus hoe zit dat dan? Daarom dank ik de minister er des te meer voor dat zij een kwalitatieve toezegging heeft gedaan om in ieder geval het inzicht te vergroten. Ik hoor nog wel graag van haar op welk moment we dat dan inzichtelijk krijgen en wat die kwalitatieve toezegging dan verder precies inhoudt, zodat we dan ook een moment hebben om echt met elkaar in gesprek te gaan over wat we beoogd hebben met de wetgeving en om inzichtelijk te krijgen hoe het staat met groei en met de verhouding tot de samenleving. Dat is niet allereerst wat dit stuk van de wetgeving beoogt, maar het is natuurlijk wel een neveneffect.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 33, item 4 - blz. 49

Minister Ollongren: Ik kom te spreken over het effect. Ik zal daar straks in de richting van mevrouw Bikker ook nog iets over zeggen, maar mevrouw Nooren vroeg daar ook naar. Ja, dat klopt, die toezegging heb ik gedaan. We zullen het effect in de gaten houden. Hoe gaan we dat precies doen? Ik zei net: in ieder geval door steeds met de instellingen in overleg te blijven. Als er andere en betere manieren zijn om dat te doen, zullen we dat natuurlijk graag overnemen. Ik hoorde zojuist al een suggestie van mevrouw Nooren op dat punt. We moeten even kijken naar de manier. Het zal inderdaad vaak kwalitatief zijn. Het zal misschien ook gericht zijn op een heel specifiek aantal instellingen. Maar de toezegging staat in ieder geval.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 33, item 4 - blz. 50-51

Minister Ollongren: De emancipatiekant hiervan. Ik begrijp dat de heer Lintmeijer dit punt opbrengt. Het is een relevant punt. Ik heb in eerste termijn gezegd dat we de effecten hiervan op dit moment niet goed kunnen overzien. Het is als zodanig niet het oogmerk van het voorstel, maar hoe draagsters van gezichtsbedekkende kleding hiermee om zullen gaan, dat is iets dat we moeten afwachten. Beide situaties zouden zich kunnen voordoen. Mensen zouden ervoor kunnen kiezen om die minder te dragen of op bepaalde plekken niet meer te dragen, maar het kan ook zijn dat mensen dat juist wel doen. Het punt is begrijpelijk, maar dat is niet waar het wetsvoorstel op ziet.

De heer Lintmeijer (GroenLinks): Ik had de minister gevraagd of zij dat vinger aan de pols houden daadwerkelijk vorm zou kunnen geven en of wij over een gerede tijd, twee tot drie jaar, een rapportage kunnen krijgen over hoe dit heeft uitgepakt.

Minister Ollongren: Dat klopt en dat lijkt mij een redelijke wens. Ik zei al dat ik nog even goed moet bedenken en afspreken hoe wij dat in de praktijk in de gaten kunnen houden, maar het lijkt mij heel redelijk om af te spreken dat we daar op een termijn van twee of drie jaar op terugkomen. Dat zou ook de toezegging kunnen zijn die ik al aan mevrouw Bikker heb gedaan.

Ik ben inmiddels bij de VVD. Het belangrijkste punt van de heer Schouwenaar betrof het grensgebied met de Wet openbare manifestaties. Daar kom ik zo nog op, omdat ik nog een motie van de SGP op dat punt heb.

Ik heb de toezegging aan mevrouw Bikker herhaald. Misschien is het goed om nog even in haar richting te zeggen dat het lastig is om heel precieze cijfers uit de onderzoeken tot nu toe te halen. Ik weet het dus niet. Wij weten niet of het aantal vrouwen is toegenomen of niet. Onderzoek op dat gebied is buitengewoon lastig. Het is een beetje zoals het is. De uitwerking van het huidige wetsvoorstel is daarom des te belangrijker. Dat zal gebeuren door in overleg te gaan met de betrokken partijen. Ik zal ook met andere collega's moeten overleggen over hoe wij dat gaan doen. Ik heb zojuist aangegeven dat wij daar op een termijn van twee of drie jaar in ieder geval een beeld van zouden moeten kunnen schetsen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Ik ben blij met die toezegging, maar wat kan ik over die twee of drie jaar ongeveer verwachten? Wat heeft de minister in gedachten over wat wij dan terugkrijgen? Het is nu wel heel vaag.

Minister Ollongren: Twee dingen. In de eerste plaats: kunnen de instellingen en de sectoren die het betreft ermee uit de voeten? Twee, een heel belangrijke, zoals ik ook in eerste termijn heb gezegd: heeft het bepaalde gedragseffecten, zoals zorg mijden of mensen die bepaalde plekken, ook de rechter, niet meer bezoeken? Het lijkt mij heel belangrijk om te proberen dat in beeld te krijgen. Ik vond het overigens ook interessant dat mevrouw Bikker zei: zouden we niet het bredere Europese verband erbij kunnen betrekken? We kijken natuurlijk ook naar wat er in andere landen is gebeurd. Wij scharen ons nu in een rijtje van landen waar recentelijk nog twee zijn bijgekomen. Het lijkt mij heel goed om in de gaten te houden of het zich bij ons, al hebben wij een net iets andere wet dan men in de andere landen heeft, anders of op een soortgelijke manier ontwikkelt dan daar. Die suggestie neem ik graag mee.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Dank voor die heldere toezegging. Ik begrijp dat zij over twee tot drie jaar ook de ontwikkelingen in de andere landen meeneemt. Dat lijkt mij raadzaam.

Minister Ollongren: Dat klopt.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Proefprojecten (34.453) (T02736)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer toe dat tot aan de inwerkingtreding van de wet proefprojecten georganiseerd zullen worden, om zo veel mogelijk ervaringen op te doen die kunnen worden meegenomen bij de implementatie van het stelsel.


Kerngegevens

Nummer T02736
Status voldaan
Datum toezegging 23 april 2019
Deadline 1 juli 2025
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Milieu en Wonen
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen bouwen
kwaliteitsborging
proefprojecten
Kamerstukken Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (34.453)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2018/19, 34 453, L, p. 1

Minister Ollongren: Om te komen tot de door uw Kamer gevraagde zorgvuldige voorbereiding en implementatie van het nieuwe stelsel van kwaliteitsborging is de inwerkingtreding van het wetsvoorstel voorzien gelijk met de Omgevingswet per 1 januari 2021. Uit de recent aan u toegezonden evaluatie van lopende proefprojecten blijkt dat met het beoogde stelsel belangrijke verbeteringen in de bouwkwaliteit te bereiken zijn. De periode tot aan inwerkingtreding wil ik met partijen benutten om het aantal proefprojecten te intensiveren. Hierover heb ik in het bestuursakkoord met de gemeenten afspraken gemaakt.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 27, item 10 - blz. 9

Minister Ollongren: En ik heb ook toegezegd dat tot aan de inwerkingtreding proefprojecten georganiseerd zullen worden, om zo veel mogelijk ervaringen op te doen die kunnen worden meegenomen bij de implementatie van het stelsel.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Voortgangsrapportage (34.453) (T02737)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Fiers (PvdA), Lintmeijer (GroenLinks) en Bikker (ChristenUnie) toe om de Kamer vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet jaarlijks een voortgangsrapportage te sturen. Hierbij wordt ook een plan van aanpak voor de monitoring en de tussentijdse evaluatie gevoegd. De minister zal in de voortgangsrapportage ingaan op de routekaart voor gebouwen in de gevolgklassen 2 en 3.


Kerngegevens

Nummer T02737
Status voldaan
Datum toezegging 23 april 2019
Deadline 1 januari 2024
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Mr. M.H. Bikker (ChristenUnie)
drs. M.C.T. Fiers (GroenLinks-PvdA)
Drs. F.C.W.C. Lintmeijer (GroenLinks)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen bouwen
kwaliteitsborging
voortgangsrapportage
Kamerstukken Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (34.453)


Uit de stukken

Handelingen I 2018-2019, nr. 27, item 10 - blz. 4

Mevrouw Fiers (PvdA): De totstandkoming van deze wet kent een lange geschiedenis. Dit lange voortraject toont meteen de complexiteit van de bouwwereld en de verschillende, soms tegenstrijdige, belangen bij het bouwproces. Dit lange voortraject maakt ook direct duidelijk dat de bouwpraktijk in Nederland niet met één wetswijziging veranderd wordt; daar is veel meer voor nodig. Ik kom daar zo meteen nog op terug. Maar eerst alvast de vraag aan de minister of zij bereid is om deze Kamer tot aan het moment van de invoering jaarlijks een voortgangsrapportage te geven. In de vorige inbrengen zijn daar ook regelmatig vragen over gesteld. Er moet nog veel gebeuren. Ik denk dat het belangrijk is dat we dat goed kunnen blijven volgen.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 27, item 10 - blz. 11

Minister Ollongren: Dan ga ik naar mevrouw Fiers van de Partij van de Arbeid, die nog een aantal vragen had. Zo vroeg zij of ik bereid zou zijn om de Kamer jaarlijks een voortgangsrapportage te sturen, zeg maar op weg naar de inwerkingtreding. Natuurlijk ben ik bereid om dat te doen, zodat de Kamer de ontwikkelingen in voldoende mate kan volgen.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 27, item 10 - blz. 14

De heer Lintmeijer (GroenLinks): We hebben hier een wet die tot een behoorlijk fundamentele wijziging leidt van de wijze van kwaliteitsborging en toezicht. We hebben een wetsvoorstel waarover de Eerste Kamer ingewikkelde afwegingen maakt en waarvan veel fracties niet zeker weten of ze het gaan steunen of niet. Dan vind ik waar de minister mee komt, verwijzen naar haar eerdere teksten, echt mager. Ik zie geen gebaar in de zin van: als ik u op die manier tegemoetkom, komen we een beetje verder. Ik blijf zeggen dat de argumentatie van de minister op dit punt achterblijft bij wat wij verwachten.

Minister Ollongren: Ik zal nog één poging doen, want ik zou het betreuren als de heer Lintmeijer daarbij blijft. Het gaat hem om de monitoring en de tussentijdse evaluatie. Ik heb net al aan mevrouw Vlietstra toegezegd het parlement regelmatig te zullen informeren over hoe het gaat met de voorbereiding. Ik zou daarbij kunnen betrekken hoe we de monitoring en de tussentijdse evaluatie gaan vormgeven. Ik ben bereid om, voordat de wet in werking treedt, de Kamer daarover te informeren, zodat de Kamer er een eigenstandig oordeel over kan vormen. De heer Lintmeijer kan dan op basis daarvan constateren of zijn stelling bewaarheid wordt of dat mijn verwachting toch uitkomt en het in zijn ogen concreet genoeg is.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 27, item 10 - blz. 15

Minister Ollongren: Tot slot, de vraag van de heer Lintmeijer over monitoring. Ik heb zojuist al een toezegging gedaan over de monitoring. Mijn suggestie is om de Kamer niet alleen over de voortgang te berichten, maar daarbij ook echt een plan van aanpak voor de monitoring te voegen, in de hoop de heer Lintmeijer op dat punt in voldoende mate tegemoet te komen.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 27, item 10 - blz. 17

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Het is te prijzen dat de minister daarin wat optimistischer is dan ik, als ik het rapport van de OVV over de situatie in Eindhoven lees. Ik heb de routekaart voor de categorieën 2 en 3, die zwaardere categorieën, eigenlijk nog helemaal niet scherp. Dit wetsvoorstel gaat al het nodige vragen van gemeenten, zeker tegelijk met de Omgevingswet, waarmee we ook het nodige vragen van de gemeenten. De minister weet dat als geen ander. Dat is het ene. Het andere is dat ik toch wel de indruk had dat de heer Joustra sprak over dit wetsvoorstel. Hoe beleeft de minister dat dan?

Minister Ollongren: Rome is ook niet op één dag gebouwd. Ik geloof dat ik dat na dit weekend wel mag zeggen. Ik heb zonet al tegen de heer Pijlman gezegd dat ik dat punt zie. Er is voor gekozen om te beginnen met de meest eenvoudige en overzichtelijke categorie, maar ik wil ook opstarten met proefprojecten met categorie 2 en 3. Ik ben daar de gesprekken ook al over gestart. Het Rijksvastgoedbedrijf doet daar al proefprojecten mee. Andere partijen zijn daartoe ook bereid. Dus ik zie dat punt, maar we moeten ons wel realiseren dat het tijd zal kosten alvorens we een alomvattend stelsel hebben dat ook voor de meest ingewikkelde categorieën geldt. Overigens heb je natuurlijk vaak te maken met de grote, zeer professionele partijen, van wie je dit soort kwaliteitsvereisten sowieso mag verwachten. Ik geloof dat mevrouw Bikker en ik het op de inhoud niet oneens zijn, maar we moeten onszelf wel de tijd geven en gunnen om daar ook te komen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Maar binnen welke tijd wil de minister dat dan wel op de orde hebben? Is het alleen een kwestie van tijd of is het ook een kwestie van investeren? Dan denk ik aan geld. Moeten gemeenten daarin ook in die zin bijdragen? Ik ben dus benieuwd wanneer de routekaart klaar is en hoeveel daar, naast het tijdsaspect, financieel voor nodig is.

Minister Ollongren: Dat kan ik hier nu niet zo beantwoorden. Ik kan wel toezeggen om deze aspecten mee te nemen in de brief die ik aan mevrouw Fiers heb beloofd om u op de hoogte te houden van de voortgang.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Het instellen van een onafhankelijke evaluatiecommissie (34.986) (T02849)

De minister voor Milieu en Wonen zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Nooren (PvdA), Baay-Timmerman (50PLUS), Kluit (GroenLinks), Rietkerk (CDA) en Verkerk (ChristenUnie), toe een evaluatiecommissie in te stellen van deskundigen om een onafhankelijke evaluatie van de Omgevingswet te waarborgen. De Kamer zal geïnformeerd worden bij brief over de wijze van inrichting van de evaluatiecommissie voorafgaand aan de voorhang van het inwerkingtredings-KB en elk jaar zal een evaluatiebrief verzonden worden naar de Kamer.


Kerngegevens


Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 17, item 3, blz. 12-21

Mevrouw Nooren (PvdA):

(...)

Daarmee kom ik op het laatste inhoudelijke punt van mijn fractie. Wij vinden het niet alleen belangrijk dat de invoering de komende jaren wordt begeleid door een nationaal programma. Ik had het er eerder over. Wij vinden het ook cruciaal dat er een onafhankelijke commissie komt die de voortgang van de invoering en de implementatie monitort en daarbij aandacht heeft voor zaken die ik eerder in mijn betoog aan de orde heb gesteld. Ik noem de cultuurverandering, de manier van participatie vormgeven, het omgaan met de lokale ruimte van de Omgevingswet, het DSO et cetera, et cetera. Is de minister bereid zo'n commissie in te stellen en hun bevindingen ter beschikking te stellen aan de beide Kamers van de Staten-Generaal?

(...)

Mevrouw Baay-Timmerman (50PLUS):

(...)

Voorzitter. Mijn fractie zal zich aansluiten bij de nog te stellen vragen van de Partij voor de Dieren aangaande de rechtmatigheid, bij de vragen van de ChristenUnie over het rapport-Remkes, bij de vragen van GroenLinks over de toetsing van de open normen en bij de vragen van het CDA over de onafhankelijke evaluatiecommissie. Dit zal echter niet voorkomen dat herhaling of overlapping van vragen plaatsvindt.

(...)

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Ja. Wij zouden ook graag een onafhankelijke evaluatie zien. Mijn collega's gaan daar nog verder op in. Graag ook aan ons antwoord op de vraag of die er komt.

Handelingen I 2019-2020, nr. 18, item 3, blz. 6-16

De heer Rietkerk (CDA):

(...)

Wat de evaluatie betreft vraagt de CDA-fractie mede namens de fracties van onder andere VVD, 50PLUS, D66, GroenLinks, Forum voor Democratie en de ChristenUnie, en in lijn met de PvdA-fractie, waarom er in de wet geen waarborgen zijn opgenomen voor een onafhankelijke evaluatie, terwijl de regering die wel nastreeft. De regering ondersteunt in het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State het belang van een onafhankelijke evaluatie van de wet. De regering heeft geen aanleiding gezien om de onafhankelijkheid van de evaluatie nader in de wet zelf vast te leggen.

De regering laat het in het midden, ook na drie vragenronden, waarbij de CDA-fractie iedere keer op dit punt is door gaan vragen. Waarom ziet de regering dit niet zitten? En waarom geeft de regering iedere keer een procesantwoord, zonder inhoudelijk in te gaan op de noodzaak van die onafhankelijke evaluatie? In plaats daarvan krijgen we een procesantwoord in de trant van dat we eerst ervaring moeten opdoen met wetten, AMvB's, regelingen en dat soort zaken, en dat er dan eventueel gekeken kan worden. Daar nemen wij geen genoegen mee. De CDA-fractie hecht eraan om een onafhankelijke evaluatiecommissie in te stellen, die de jaarlijkse evaluatie van de Omgevingswet cum suis, ook gelet op de monitorcijfers, in beeld brengt. Op dit punt vraagt de CDA-fractie een toezegging van de minister.

(...)

De heer Verkerk (ChristenUnie):

(...)

Voorzitter. De bovenstaande conclusie is van gerenommeerde wetenschappers. Een vergelijkbare conclusie heeft de Raad van State getrokken. Nu schaart de commissie-Remkes zich in deze rij. Daarom is het van belang dat er een uitermate goede evaluatie van de Omgevingswet komt om te onderzoeken of die zorg in de praktijk ook terecht is. Kan de minister toezeggen dat - ik verwijs daarbij ook naar de bijdrage van collega Rietkerk - dat er een onafhankelijke evaluatie van de Omgevingswet komt? En dat bij deze evaluatie expliciet aandacht gegeven wordt aan de mogelijke aantasting van genoemde staatsrechtelijke noties?

Handelingen I 2019-2020, nr. 18, item 6, blz. 5-59

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(...)

(...) Een aantal van u heeft gevraagd om een onafhankelijke evaluatiecommissie. Ik wil heel graag duidelijk maken dat ik dat cruciaal vind. We zijn daar met elkaar bij. Het moet inderdaad een onafhankelijke evaluatie zijn die ons een breed en onafhankelijk beeld geeft van wat de verschillende effecten zijn.

(...)

(...) Ik hecht een groot belang aan een onafhankelijke evaluatie. Ik zal dan ook een commissie van deskundigen aanstellen om die onafhankelijkheid te borgen. Ik ben ook graag bereid om u bij de brief die voor de zomer gestuurd wordt, te informeren over hoe we dat willen gaan inrichten.

(...)

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(...)

Dan over de evaluatie en hoe die commissie is opgehangen. Ik denk dat ik daar later ook nog op terugkom. Laat ik in ieder geval zeggen dat ik heel erg belangrijk vind, en dat hoor ik bij u allemaal, dat we echt gaan naar een onafhankelijke evaluatiecommissie. We zullen zorgen dat we in de brief die voor de zomer komt, zullen aangeven hoe we dat willen inrichten. En mocht u daar dan nog andere gedachten over hebben, dan kunnen we daar ook altijd nog met uw Kamer over van gedachten wisselen.

(...)

De heer Rietkerk (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Twee vragen aan de minister. De eerste vraag gaat over de toezegging, waar we als Kamer blij mee zijn, dat er ook wat de minister betreft een onafhankelijke evaluatiecommissie komt. Dat is tenminste duidelijk. Dat was tot nu toe niet duidelijk. Maar ik heb ook aangegeven dat ik graag een jaarlijkse rapportage wil. Daar heeft de minister nog niet op gereageerd. Dat is mijn eerste vraag.

(...)

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Het lijkt mij heel belangrijk dat we in deze fase, waarin we veel stappen met elkaar aan het nemen zijn en ook veel vragen van decentrale overheden krijgen, strak de vinger aan de pols houden en we inderdaad naar een jaarlijkse rapportage toe gaan.

(...)

De heer Rietkerk (CDA):

(...)

Dan de evaluatie. De minister heeft wat ons betreft, en andere fracties gaven het ook aan, heel duidelijk een toezegging gedaan voor het instellen van een onafhankelijke evaluatiecommissie. De minister zei uiteindelijk op vragen en interrupties dat de minister ook van plan is om dat jaarlijks te doen. Graag hoor ik of ik dat zo goed verstaan heb.

(...)

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(...)

Meneer Rietkerk vroeg of hij goed had begrepen dat ik heb toegezegd dat er een onafhankelijke evaluatiecommissie komt en dat er een jaarlijkse evaluatiebrief komt. Het antwoord op beide vragen is ja.


Brondocumenten


Historie







Toezegging In de voortgangsbrief aandacht besteden aan wijze van evaluatie en monitoring (34.864) (T02887)

De minister voor Milieu en Wonen zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Rietkerk (CDA), toe dat in de voortgangsbrief uiteengezet wordt hoe de onafhankelijke evaluatie na vijf jaar en de jaarlijkse monitoring vorm worden gegeven.


Kerngegevens

Nummer T02887
Status afgevoerd
Datum toezegging 11 februari 2020
Deadline 1 januari 2024
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Milieu en Wonen
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden drs. Th.W. Rietkerk (CDA)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Aanvullingswet bodem Omgevingswet
evaluaties
monitoring
Kamerstukken Aanvullingswet bodem Omgevingswet (34.864)


Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 20, item 17, blz. 11-14

De heer Rietkerk (CDA):

(…)

Dan het vierde en laatste punt: de monitoring en de evaluatie. De minister heeft in het debat op 27 en 28 januari aan deze Kamer toegezegd dat er een onafhankelijke evaluatiecommissie komt die jaarlijks rapporteert en dat we dat ook digitaal kunnen volgen. Dank daarvoor. Kan de minister aangeven of er ook specifiek door die onafhankelijke evaluatiecommissie wordt gerapporteerd over vergunningverlening, toezicht en handhaving, zeker met betrekking tot het thema bodem?

(…)

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(…)

(…) De heer Rietkerk vroeg ook of ik kan toezeggen dat de onafhankelijke evaluatiecommissie de monitor VTH ook meeneemt als het om de bodem gaat. Ook mevrouw Kluit vroeg dat. Het antwoord is: ja, de monitor VTH kan input leveren. We gaan dus jaarlijks monitoren en een keer in de vijf jaar is er een evaluatie. Dan komt er informatie naar de Kamers toe. We moeten die twee zaken niet door elkaar halen.

De heer Rietkerk (CDA): Een verduidelijkende vraag. De onafhankelijke evaluatiecommissie rapporteert jaarlijks. Hoe past dat erbij?

Minister Van Veldhoven-van der Meer: De onafhankelijke evaluatiecommissie doet de evaluatie na die vijf jaar. Elk jaar komt er een monitoring. Je wilt het stelsel ook even in werking zien om te kunnen evalueren of het werkt. Daar kijkt die onafhankelijke evaluatiecommissie dus naar. In de tussentijd blijven we al die dingen monitoren. Daar krijgt u ook jaarlijks een monitoringsverslag van.

De heer Rietkerk (CDA):

Dan zijn we des te meer geïnteresseerd in de voortgangsbrief, omdat we volgens mij een toezegging hebben uit het debat van 27 en 28 januari. Daarin heeft de CDA-fractie met andere fracties geen motie ingediend, omdat de toezegging is gegeven dat de onafhankelijke evaluatiecommissie jaarlijks rapporteert. Dan zullen we goed kijken naar de formulering.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dat heb ik misschien niet goed in mijn hoofd. Dan zullen we even goed kijken naar de formulering in de brief. Daar gaan we absoluut nog even naar kijken. We delen met elkaar dat onafhankelijk het beeld moet worden vastgesteld. Ik zal nog even nakijken hoe het precies daar is toegezegd. We zullen ook zorgen dat het in de brief helder verwoord wordt.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Monitor ouderenhuisvesting (35.578) (T03048)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Verkerk (ChristenUnie), toe de monitor ouderenhuisvesting naar de Eerste Kamer te sturen.


Kerngegevens

Nummer T03048
Status voldaan
Datum toezegging 1 december 2020
Deadline 30 september 2023
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen monitor
seniorenwoningen
Kamerstukken Eenmalige huurverlaging huurders met een lager inkomen (35.578)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 12, item 9 - blz. 23

De heer Verkerk (ChristenUnie): Ik dank de minister voor haar pleidooi voor duurzame woningen, voor alle lagen van de bevolking. De mensen met een betere beurs kunnen zich een goed geïsoleerd huis permitteren, waar het heel prettig wonen is. Zouden wij dat alleen willen hebben voor mensen met een goede beurs? Ik zou dat heel jammer vinden. Ik wil de minister hartelijk danken voor wat zij heeft gezegd. Ik vraag de minister om nog iets meer te zeggen over de cijfers. En waarom? Een krachtig beleid is onmogelijk zonder zeer stevige cijfers.

(…)

Handelingen I 2020-2021, nr. 12, item 9 - blz. 26

Minister Ollongren: De heer Verkerk — die bedoelde ik — vraagt terecht aandacht voor het bouwen van de juiste woningen. Dat is terecht, want het verschilt nogal. In ons kleine land zijn er grote regionale verschillen. Ook zijn er verschillen in de huisvesting die nodig is. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan de studentenhuisvesting, waar we een monitor voor hebben, of aan de ouderenhuisvesting, waar we ook een monitor voor hebben. Deze monitor komt overigens voor het einde van het jaar. Ik zal zorgen dat uw Kamer die krijgt.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Met de landen te bespreken dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk de mogelijkheid wordt geboden tot het aangaan van een huwelijk tussen partners van gelijk geslacht en de Kamer daarover te informeren (35.570 IV) (T03273)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Dittrich (D66), toe met de Caribische landen van het Koninkrijk te bespreken dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk de mogelijkheid wordt geboden tot het aangaan van een huwelijk tussen partners van gelijk geslacht en de Kamer daarover te informeren.


Kerngegevens

Nummer T03273
Status deels voldaan
Datum toezegging 6 april 2021
Deadline 1 januari 2025
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden mr. B.O. Dittrich (D66)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen homohuwelijken
Kamerstukken Begrotingsstaten Koninkrijksrelaties en BES-fonds 2021 (35.570 IV)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.49

De heer Dittrich (D66)

Voorzitter, tot slot één ding dat ik niet heb kunnen bespreken. Wij hebben op 1 april hier — in Nederland bedoel ik — de openstelling van het huwelijk gevierd. Daar werden allerlei mensen geïnterviewd, ook van de eilanden. Die zeiden tegen ons: "Het is toch echt heel jammer dat wij, paren van gelijk geslacht, niet op Curaçao of Aruba kunnen trouwen. Wij moeten dan naar Bonaire, terwijl wij wel gelijke rechten willen hebben en daar ook recht op hebben volgens de uitspraak van de Hoge Raad." Dus mijn vraag aan de staatssecretaris is: welke invloed kan Nederland uitoefenen, zodat gelijke rechten ook echt gelijke rechten zullen zijn in heel het Koninkrijk?

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.54

Knops:

De heer Dittrich vroeg wat voor invloed Nederland kan uitoefenen om ervoor te zorgen dat gelijke rechten, in dit geval dat partners van gelijk geslacht kunnen trouwen, in heel het Koninkrijk gelijke rechten zijn. Ik ben bereid om dit punt met de landen te bespreken. Als ik daar nu meer info over had, had ik dat gezegd. Maar ik heb nu niet meer info dan dit, dus ik kom erop terug.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Wetswijzigingen op het punt van Waterschappen in artikel 5.2 derde lid Woo (33.328/35.112) (T03366)

De Minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Koole, toe de wet te wijzigen zodat ook waterschappen onder artikel 5.2, derde lid, Wet open overheid vallen, zodra zich daartoe een gelegenheid voordoet.


Kerngegevens

Nummer T03366
Status voldaan
Datum toezegging 28 september 2021
Deadline 1 januari 2025
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Prof.dr. R.A. Koole (PvdA)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen amendementen
evaluaties
waterschappen
wetswijziging
Kamerstukken Novelle Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid (35.112)
Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid (33.328)


Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 7

De heer Koole (PvdA):

Het is bovendien vreemd dat in de opsomming in het derde lid van dat artikel 5.2 de waterschappen niet zijn genoemd. In antwoord op een vraag hierover zeggen de initiatiefnemers geen goede reden te zien om de waterschappen niet op te nemen, maar ja, dat is nu eenmaal niet gebeurd. Daarom hebben we de minister gevraagd om na mogelijke aanname van dit wetsvoorstel een wijziging voor te bereiden die de waterschappen ook opneemt in artikel 5.2, derde lid. Het antwoord van de minister bevreemdt nogal. De strekking van dat derde lid is dat de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de formele bestuurlijke besluitvorming transparant moeten zijn en dat dit in het bijzonder geldt voor bestuursorganen die politiek verantwoording afleggen aan de democratisch verkozen organen over beleid en wetgeving, aldus de minister. So far, so good. Maar dan vervolgt de minister: "Die overwegingen spelen in mindere mate een rol bij waterschappen." Nu breekt mijn klomp, zou ik bijna willen zeggen. In tijden waarin de waterschappen ook zelf vinden dat hun belang vooral door de klimaatcrisis is toegenomen en zij al een kwarteeuw beschikken over democratisch verkozen organen is er toch geen enkele reden om de waterschappen niet op te nemen in dat artikel 5.2, lid 3? Dus vraag ik de minister of zij het met de indieners eens is dat er geen goede reden is om de waterschappen niet op te nemen. En kan zij alsnog toezeggen om na de mogelijke aanname van dit wetsvoorstel een wijziging voor te bereiden die de waterschappen ook opneemt in artikel 5.2, lid 3?

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 52

Minister Ollongren:

De waterschappen vallen ook gewoon onder de Woo, geen misverstand daarover. Maar ze vallen niet onder dat specifieke onderdeel dat er via het amendement in is gekomen. Ik denk dat het in het grote geheel echt een klein accentverschil is. Ik heb niet de neiging om dat nu meteen te gaan repareren door een wetswijziging. Op een gegeven moment wordt de wet geëvalueerd en dat leidt vermoedelijk nog tot verbeteringen en aanpassingen. Dat zou misschien een goed moment zijn om dit onderdeel te corrigeren.

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 52

De heer Koole (PvdA):

Ik dank de minister dat zij over het belangrijke onderwerp van de waterschappen ook spreekt. Ik begrijp dat de minister zegt niet geneigd te zijn dit gelijk na aanname van de wet te repareren. Maar kan de minister misschien toezeggen dat, als de wet om andere redenen toch wordt aangepast, dit element ook zal worden meegenomen?

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 52

Minister Ollongren:

Laten we dat afspreken. Ik suggereerde al dat te doen bij de evaluatie, maar er zou wellicht al een eerder moment kunnen zijn. Ik wil graag zeggen wat de heer Koole suggereert, namelijk dat we dit doen zodra zich daartoe een gelegenheid voordoet. Dat lijkt mij verstandig.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Casuïstiek opnemen in de memorie van toelichting (35.657) (T03540)

De minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Koole (PvdA), toe in de memorie van toelichting van de nieuwe Wet financiering politieke partijen casuïstiek op te nemen rondom het onderwerp giften.


Kerngegevens

Nummer T03540
Status openstaand
Datum toezegging 11 oktober 2022
Deadline 1 juli 2026
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Prof.dr. R.A. Koole (PvdA)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen casus
giften
memorie van toelichting
Kamerstukken Evaluatiewet Wet financiering politieke partijen (35.657)


Uit de stukken

Handelingen I 2022/23, nr. 3, item 10, p. 38.

Minister Bruins Slot:

Volgens mij is het goed om in het gesprek dat we met elkaar hebben ook verder te praten over die snijvlakken. Zoals ik eerder heb aangegeven, wil ik ook een handreiking maken over de uitvoering van deze wet. Ik vind het in dat kader heel zinvol om, zoals de heer Koole aangeeft, een aantal van dit soort casus verder uit te werken in de handreiking om een handvat te bieden aan politieke partijen waar ze zich aan kunnen houden.

De heer Koole (PvdA):

Ik vind de toezegging heel prettig, maar ik zou daar nog aan willen toevoegen: niet alleen in de handreiking aan politieke partijen, maar ook in de memorie van toelichting bij de nieuwe wet die gaat komen. Het gaat erom dat je op dat soort casuïstiek een bepaalde ordening hebt "wat geldt wel en niet als gift, waar liggen de grenzen", en dat een aantal voorbeelden wordt uitgewerkt, zodat je er bij die wet toch wat meer zicht op hebt dan op dit moment.

Minister Bruins Slot:

Dat is zinvol om te doen. Eens.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evaluatieopdracht in concept aan beide Kamer (35.657) (T03541)

De minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Dittrich (D66), toe de evaluatieopdracht inzake de Evaluatiewet Wet financiering politieke partijen te delen met de Eerste Kamer.


Kerngegevens

Nummer T03541
Status openstaand
Datum toezegging 11 oktober 2022
Deadline 1 januari 2026
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden mr. B.O. Dittrich (D66)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen concept evaluatieopdracht
Kamerstukken Evaluatiewet Wet financiering politieke partijen (35.657)


Uit de stukken

Handelingen I 2022/23, nr. 3, item 3, p. 7.

De heer Dittrich (D66):

Voorzitter. De werking van het wetsvoorstel wordt al een jaar na de Tweede Kamerverkiezingen geëvalueerd. Graag hoor ik van de minister waar specifiek op gelet gaat worden bij de evaluatie. Kan de evaluatieopdracht met de Eerste Kamer worden gedeeld, zodat wij er ook nog invloed op kunnen uitoefenen, mocht dat nodig zijn? Ik begreep dat de heer Ganzevoort ook al over die evaluatie gesproken heeft. Ik sluit me bij zijn vragen daarover aan.

Handelingen I 2022/23, nr. 3, item 10, p. 21.

Minister Bruins Slot:

Dat zal dan gaan om de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Gezien het feit dat een groot aantal amendementen van de Tweede Kamer is aangenomen, vind ik het niet onlogisch om in dit geval de evaluatieopdracht in concept aan beide Kamers te sturen. Ook omdat er vanuit de Kamer een behoorlijke beïnvloeding is geweest op een aantal aspecten van de wet.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Indexering van giften in de wet politieke partijen (35.657) (T03543)

De minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een motie van het lid Koffeman (PvdD), toe om in het kader van de Wet politieke partijen ook naar een indexering van giften en schulden te kijken.


Kerngegevens

Nummer T03543
Status openstaand
Datum toezegging 11 oktober 2022
Deadline 1 juli 2026
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden drs. N.K. Koffeman (PvdD)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen giften
indexering
politieke partijen
Kamerstukken Evaluatiewet Wet financiering politieke partijen (35.657)


Uit de stukken

Handelingen I 2022/23, nr. 3, item 10, p. 31.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het opnemen van gefixeerde maximumbedragen in de Wet financiering politieke partijen zich slecht verhoudt tot situaties van inflatie;

overwegende dat automatische indexatie gerelateerd aan het prijsindexcijfer om die reden gewenst is;

verzoekt de regering indexatie van genoemde maxima op zo kort mogelijke termijn in de wet op te nemen, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Zij krijgt letter I (35657)

Handelingen I 2022/23, nr. 3, item 10, p. 39.

Minister Bruins Slot:

De heer Koffeman vraagt om te indexeren in de Evaluatiewet Wet financiering politieke partijen. Ik kan de heer Koffeman wel volgen als het erom gaat om voor de toekomst in de Wet politieke partijen te bekijken of er een indexering van giften en schulden moet plaatsvinden, om zo het bedrag op een goede hoogte te houden. Dus ik wil hem wel toezeggen om in het kader van de Wet politieke partijen inderdaad ook naar een indexering van giften en schulden te kijken. Ik kan zijn argument wel volgen dat na verloop van jaren, zeker bij een hogere inflatie, het reële bedrag steeds minder wordt. Ik zou de motie onder letter I dus willen ontraden, maar wel de toezegging willen doen om dat in de Wet politieke partijen op te pakken.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Termijn in de Wet politieke partijen betreft werkdagen (35.657) (T03544)

De minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een motie van de leden Koffeman (PvdD) en Prast (PvdD), toe voor de Wet politieke partijen helder te maken dat het bij de driedagentermijn werkdagen betreft en geen zaterdag, zondag en feestdagen.


Kerngegevens

Nummer T03544
Status openstaand
Datum toezegging 11 oktober 2022
Deadline 1 juli 2026
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden drs. N.K. Koffeman (PvdD)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen feestdagen
werkdagen
wet politieke partijen
zaterdag
zondag
Kamerstukken Evaluatiewet Wet financiering politieke partijen (35.657)


Uit de stukken

Handelingen I 2022/23, nr. 3, item 10, p. 31.

De heer Koffeman (PvdD):

Wij hebben ook gewisseld over de driedagentermijn, die we algemeen toch wel als tamelijk onuitvoerbaar zien, niet alleen omdat je, als je een huis erft, dat binnen drie dagen getaxeerd en gemeld moet hebben, maar ook omdat het, als er weekenden en feestdagen in vallen, niet helemaal duidelijk is of de dag waarop de gift binnenkomt ook meetelt. Daarom zouden we duidelijkheid willen hebben. Die duidelijkheid zou ik willen zoeken via de volgende motie.

De voorzitter:

Door de leden Koffeman en Prast wordt de volgende motie voorgesteld:

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de termijn waarbinnen politieke partijen giften boven een bepaald minimum moeten melden in de Wet financiering politieke partijen omschreven wordt als "binnen drie dagen";

overwegende dat deze bepaling als onuitvoerbaar beschouwd kan worden in situaties waarbinnen zon-, zater- en feestdagen vallen;

verzoekt de regering te bewerkstelligen dat de termijn gewijzigd wordt in drie werkdagen, ook wanneer daarvoor een novelle noodzakelijk zou zijn, en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Zij krijgt letter J (35657).

Handelingen I 2022/23, nr. 3, item 10, p. 39.

Minister Bruins Slot:

In de motie onder letter J vraagt de heer Koffeman om in een novelle in ieder geval zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdagen uit te sluiten. Ik heb betoogd dat op basis van de huidige wetgeving in de Algemene termijnenwet de zaterdag en zondag níet worden meegeteld en ook aangegeven dat op basis van de huidige Algemene termijnenwet ook voor feestdagen de termijn wordt opgeschort. In die zin kan ik tegen de heer Koffeman zeggen: het is al geregeld, er is geen novelle voor nodig. Ik heb toegezegd voor de Wet politieke partijen helder te zullen maken dat we het over werkdagen hebben. Daar zal ik dat dus sowieso doen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Taakomschrijving regeringscommissaris (33.118/34.986) (T03561)

De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Verkerk (ChristenUnie) en Rietkerk (CDA), toe dat met de bestuurlijke partners gekeken wordt naar de taakomschrijving van de regeringscommissaris en dat de Kamer hierover geïnformeerd wordt.


Kerngegevens

Nummer T03561
Status voldaan
Datum toezegging 7 maart 2023
Deadline 1 januari 2024
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden drs. Th.W. Rietkerk (CDA)
Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen bestuurlijke partners
Omgevingswet
regeringscommissaris
Kamerstukken Invoeringswet Omgevingswet (34.986)
Omgevingsrecht (33.118)


Uit de stukken

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 3 - blz. 16

De heer Verkerk (ChristenUnie):

(…)

“Het derde punt is elkaar tegensprekende wetten en regelingen in combinatie met verschillende definities. Hoe kan de minister het verbeterproces op dit punt faciliteren? Dat proces gaat pas echt starten als we de Omgevingswet invoeren. Hoe wil de minister hierop regie voeren? Hoe gaat dit als het wetgeving betreft die onder de verschillende departementen valt? Kan de minister bijvoorbeeld toezeggen dat er een regeringscommissaris komt die deze punten adresseert en met snelheid en doorzettingsmacht dat verbetertraject in gaat slaan?”

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 9 - blz. 8

De heer Rietkerk (CDA):

(…)

“Overigens sluit ik ook aan bij het interview met Arno Visser, de president van de Algemene Rekenkamer, uit januari 2023. Hij stelde: je maakt geen beleid, je maakt papier, en nog meer papier. Dit is een schijnwereld waarin wij elkaar gevangenhouden in stukken, modellen, schema's en systemen. Wat ons betreft zou de uitvoering van het integraal ruimtelijk beleid centraler moeten staan in de komende jaren. Is de waardering van de uitvoerende ambtenaren wel in balans met het belang van een effectieve uitvoering? Is er niet een regeringscommissaris nodig voor deze uitvoering? Kan de minister hierop reageren? En kan hij toezeggen dat bij de begrotingsbehandelingen samen met de provincies op hoofdlijnen in beeld gebracht wordt hoeveel beleidscapaciteit er is voor die integrale ruimtelijkbeleidopgave, maar dat ook in beeld gebracht wordt hoeveel uitvoeringscapaciteit er is op het gebied van het ruimtelijk beleid en wat het effect daarvan is?”

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 9 - blz. 19

Minister De Jonge:

(…)

“Hoe kunnen we het verbeterproces inrichten op elkaar tegensprekende wetten en regelingen? Is een regeringscommissaris daar niet aangewezen? Samenhang en consistentie zijn zeker bij het tot stand brengen van de Omgevingswet hele belangrijke factoren geweest, ook in de parlementaire behandeling. Daarom ook de eenduidigheid in procedures, bijvoorbeeld. Die heeft ook te maken met die consistentie, de eenduidigheid en de samenhang. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid voor die wet moet ik die eenduidigheid ook in de toekomst bewaken. Als dus een van de collega's een aanpassing wenst te doen op de Omgevingswet die eigenlijk contrair is aan de uitgangspunten van die Omgevingswet, of als men een nieuw instrument wenst te introduceren dat helemaal niet past bij de instrumentenkoffer die we hebben, dan is het wel aan mij om te zorgen dat dat goed komt. Wij hebben al eerder gezegd dat we daarvoor een regeringscommissaris op het oog hebben. De heer Rietkerk had ook nog een andere functie op het oog voor diezelfde regeringscommissaris; daar kom ik zo op terug. Maar in ieder geval moet die regeringscommissaris in ons beeld juist dit doen: de consistentie bewaken, tegenstrijdigheden signaleren, voorstellen doen hoe die op te lossen, ook als departementen met elkaar in dispuut zijn over hoe het eigenlijk zou moeten.”

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 9 - blz. 44

Minister De Jonge:

(…)

“Door de heer Verkerk werd al gehint op de regeringscommissaris. Ik heb al geantwoord wat in ieder geval de taak wordt van de regeringscommissaris, namelijk daar waar medewetgevers, zoals een ander departement, ideeën hebben over een aanpassing van de Omgevingswet die eigenlijk in strijd zijn met de basisbeginselen van de Omgevingswet, het de taak is van de regeringscommissaris om dat te signaleren en om een oplossing aan te dragen die wij dan zullen volgen.

De heer Rietkerk vraagt of het zinvol zou kunnen zijn om te kijken hoe de regeringscommissaris ook in de uitvoeringspraktijk actief kan zijn. Dus niet daar waar verschillende departementen conflicterende ideeën hebben, maar daar waar het veel meer gaat over het vastlopen van de uitvoeringspraktijk om daarmee ook de uitvoeringspraktijk belangrijk te maken, ook voor de regeringscommissaris. Laat ik de toezegging doen dat ik graag met de bestuurlijke partners goed wil kijken naar de taakomschrijving voor de regeringscommissaris. Laten we dus afspreken dat we die sowieso gaan aanstellen en dat ik u dan informeer over wat nou de exacte taak van de regeringscommissaris kan zijn. Ik wil niet dat hij de evaluatiecommissie gaat overdoen. Dat wilt u ook niet. Ik wil ook niet dat hij in een soort jaarlijkse monitoringssituatie terechtkomt. Dat wilt u ook niet. U vraagt wel: moet je niet behalve interdepartementale issues ook uitvoeringskwesties juist bij die regeringscommissaris willen beleggen, zodat je ook een VAR hebt in de uitvoering van de Omgevingswet? Zo hoor ik u. Dat snap ik wel en ik ga op die manier kijken naar de taakomschrijving voor deze regeringscommissaris.”


Brondocumenten


Historie







Toezegging Realiseren centrale, integrale testomgeving (33.118/34.986) (T03562)

De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Klip-Martin (VVD), Verkerk (ChristenUnie) en Rietkerk (CDA), toe dat op korte termijn na inwerkingtreding van de Omgevingswet een centrale, integrale testomgeving wordt gerealiseerd.


Kerngegevens

Nummer T03562
Status deels voldaan
Datum toezegging 7 maart 2023
Deadline 1 juli 2026
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden drs. T. Klip-Martin (VVD)
drs. Th.W. Rietkerk (CDA)
Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Invoeringswet Omgevingswet
Omgevingswet
testomgeving
Kamerstukken Invoeringswet Omgevingswet (34.986)
Omgevingsrecht (33.118)


Uit de stukken

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 3 - blz. 10

Mevrouw Klip-Martin (VVD):

(…)

“De adviescommissie ICT maakt zich zorgen over het ontbreken van een formeel, serieus mastertestplan en van een centrale integrale testomgeving. Een mastertestplan lijkt er te komen in de loop van de komende maanden. Klopt dat, vragen wij de minister. De adviescommissie ICT ziet zo'n integrale testomgeving voor softwareleveranciers als een conditio sine qua non om verschillende typen testresultaten met elkaar te verbinden. De heer Janssen had het daar ook al over. Volgens de decentrale overheden was het realiseren hiervan tot nu toe technisch heel moeilijk, maar zijn die problemen opgelost en kan zo'n centrale testomgeving er nu komen. De minister spreekt echter in zijn recente antwoorden over de noodzaak tot het doorvoeren van enkele technische wijzigingen. Kan de minister een toezegging doen over het op korte termijn realiseren van zo'n centrale integrale testomgeving en, zo ja, over welke termijn hebben we het dan?”

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 3 - blz. 16

De heer Verkerk (ChristenUnie):

(…)

“Voorzitter. In het gesprek met de Adviescommissie ICT is uitvoerig gesproken over een integrale en centrale testomgeving. De minister is hier uitgebreid op ingegaan bij de beantwoording van de vragen.”

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 3 - blz. 18

De heer Verkerk (ChristenUnie):

(…)

“Voorzitter. In het gesprek met het Adviescollege ICT-toetsing is uitvoerig gesproken over het integraal en centraal testen. De minister is hierop uitgebreid ingegaan tijdens de beantwoording van de vragen. Eigenlijk zegt de minister: we doen het al en waar we het nog niet doen, gaan we het doen. Ik begrijp het antwoord van de minister. Toch zou ik daar meer toelichting op willen hebben. Dan gaat het mij ook met name om de rol van Axini. Als ik het goed begrijp, heeft dit bureau specifieke expertise voor het testen van complexe systemen. Dat heeft te maken met het feit dat hun aanpak gebaseerd is op bewezen formele procedures als ook op een modelmatige aanpak. Dat zou leiden tot meer gericht en efficiënt testen met als gevolg dat er meer inzicht wordt verkregen in de kwaliteit van het systeem. Ik zou hierop graag een reactie van de minister willen hebben en ook de reactie c.q. toezegging willen ontvangen dat de minister er echt voor zorgt dat er een integrale en centrale testomgeving komt. Ik sluit ook aan bij alles wat mevrouw Klip heeft gezegd.”

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 9 - blz. 6

De heer Rietkerk (CDA):

“Het eerste punt gaat over de complexe gebiedsontwikkelingen. Onze fractie heeft daar vragen over gesteld, samen met een aantal fracties. Ik constateer in ieder geval dat er op dit gebied geen blokkerende bevindingen zijn geconstateerd voor de inwerkingtreding op 1 januari 2024. Dat is een belangrijk punt. Dit als eerste antwoord op een vraag van mevrouw Fiers. Wij vragen de minister: constateren we dit juist? Het AcICT heeft aangegeven dat de ontwikkeling van het DSO uitermate belangrijk is als het gaat om een integrale testomgeving. Andere woordvoerders zijn daar ook op ingegaan. Mijn vraag sluit aan bij de vragen van mevrouw Klip van de VVD-fractie. Mijn vraag aan de minister is: is de huidige situatie werkbaar en waaruit blijkt dat als het gaat om de integrale testomgeving en de overleggen die daarvoor worden gehouden?”

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 9 - blz. 29

Minister De Jonge:

(…)

“De heer Rietkerk vraagt welke gesprekken er plaatsvinden voor de integrale testomgeving. Welke afstemming vindt er plaats met bestuurlijke partners over de vormgeving, inhoud en financiering daarvan? Is de huidige situatie werkbaar en waar blijkt dat uit? AcICT adviseert ons om naast de testomgevingen die we al hebben een aanvullende integrale ketentestomgeving te realiseren voor leveranciers. Een extra omgeving waarop DSO-LV en de decentrale softwareleveranciers aanpassingen die in de gehele DSO-keten moeten worden doorgevoerd, in samenhang met elkaar kunnen testen. Ik ben het ook eens dat dat van belang is.

De integrale ketentestomgeving voor leveranciers wordt dus opgepakt en wordt gerealiseerd. Momenteel spreken we daartoe concreet met de bestuurlijke partijen over wat die ketentestomgeving zou moeten kunnen. Op basis daarvan kan ik afleiden wat daarvan de kosten zullen zij. Dat kan ik nu nog niet beantwoorden. In de huidige periode van stabilisatie voor inwerkingtreding, dus zonder nieuwe DSO-LV-ontwikkeling, kunnen we ook nog zonder. Er is dus nog tijd om die integrale ketentestomgeving te ontwikkelen. Bij verdere doorontwikkeling van het DSO is die extra testomgeving gewenst en dat is ook zo besproken met de leveranciers.”

(…)

Minister De Jonge:

“Ik probeer naar eer en geweten de vragen zo goed als mogelijk te beantwoorden. Uiteraard maak ik daarbij gebruik van ambtelijke ondersteuning. Dat zult u mij niet kwalijk nemen. Ik had u ook al opgebiecht dat ik geen ICT-deskundige ben. Overigens heb ik daarbij geconstateerd dat geen van ons in deze zaal dat is. Dat maakt dat hele technische vragen moeten worden voorzien van een heel technisch antwoord dat ik niet helemaal uit eigen werk aan u voordraag. Dat beken ik ook grif. Mevrouw Klip vraagt of ik een toezegging kan doen over het op korte termijn realiseren van zo'n integrale testomgeving. Ook de heer Verkerk vraagt dat. Ja dus, zeg ik ook in de richting van de heer Rietkerk. Die aanvullende permanente integrale ketentestomgeving moet er komen. Ik deel dat die nodig is, zij het dat dat na inwerkingtreding oké is en niet nodig is voorafgaand aan inwerkingtreding, omdat we juist die stabiliseringsperiode ingaan met het DSO.”

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 9 - blz. 50

Mevrouw Klip-Martin (VVD):

“Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de minister te bedanken voor al zijn uitvoerige antwoorden. Via hem bedank ik ook alle ambtenaren die aan de overkant van de gang in twee kamers hard aan het werk zijn ten behoeve van de minister, maar indirect dus ook ten behoeve van ons. Ik begin ook even met het bedanken van de minister voor zijn toezeggingen aan de VVD-fractie. Ik noem ze voor de volledigheid toch nog maar even. Ik noem de toezegging dat naast het mastertestplan dat er komt, er een centrale, integrale testomgeving komt, niet vóór de invoering, maar wel snel daarna. In ieder geval vijf jaar wordt doorgegaan met de ondersteuning op allerlei verschillende manieren bij de invoering van de Omgevingswet. En het programma Aan de slag met de Omgevingswet blijft in ieder geval anderhalf jaar voortbestaan, maar mogelijk langer als daar de wens toe of vraag naar bestaat.”


Brondocumenten


Historie







Toezegging Overleg met VNG over participatiebeleid (33.118/34.986) (T03563)

De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Moonen (D66), toe dat overleg met VNG zal plaatsvinden over de wijze waarop gemeenten het best kunnen worden gewezen op belang van participatiebeleid.


Kerngegevens

Nummer T03563
Status voldaan
Datum toezegging 7 maart 2023
Deadline 1 januari 2024
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Ir. ing. C.P.M. Moonen (D66)
Commissie commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen gemeenten
Omgevingswet
participatiebeleid
VNG
Kamerstukken Invoeringswet Omgevingswet (34.986)
Omgevingsrecht (33.118)


Uit de stukken

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 3 - blz. 26

Mevrouw Moonen (D66):

“(…) Het is belangrijk dat we leven in een land waar mensen ook kunnen meepraten over hun leefomgeving en waar de overheden de stem van mensen ook echt serieus neemt. Voor de fractie van D66 zijn voor een succesvolle werking van de Omgevingswet ten minste zes zaken nog van heel groot belang. Ik ga daar ook toezeggingen over vragen. Ik begin waar we volgens mij moeten beginnen, namelijk bij de burger en bij participatie. Een aantal collega's spraken daar ook al over; de heer Verkerk sprak over participatie en mevrouw Kluit eveneens. Het idee van participatie is namelijk dat er een verschuiving plaatsvindt van juridische procedures achteraf naar betrokkenheid vooraf, maar om hieraan invulling te geven, is het volgens het Kennislab nodig dat er een preproductieomgeving komt. Mevrouw Fiers legde volgens mij de vinger op de zere plek toen ze antwoord gaf aan de heer Verkerk. Mevrouw Fiers vroeg of het nu wel beter wordt met die participatie. Volgens mij stelde zij die vraag terecht, want uit de positionpaper van het Kennislab blijkt dat het lastig is om die concepten te testen. Het Kennislab zegt eigenlijk dat een landelijke voorziening nodig is die het mogelijk maakt om concepten van besluiten te publiceren en onderwerp te laten zijn van participatie. Mijn vraag is dan ook of de minister kan toezeggen dat deze preproductieomgeving er komt, evenals die landelijke voorziening voor participatie. Participatie is voor D66 namelijk een heel belangrijk onderwerp. Dat was zij ook ten tijde van de invoering van de Omgevingswet. Ik heb daarover ook meerdere toezeggingen gekregen. Ik vind het heel belangrijk dat ook de motie-Nooren, waar wij coarchitect van waren, in de praktijk uitgevoerd kan worden.”

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 3 - blz. 29

Mevrouw Moonen (D66):

“Ik denk dat we een onderscheid moeten maken tussen twee gradaties. Enerzijds neem je het participatiebeleid op in je omgevingsvisie of omgevingsplan. Dat is verplicht door de motie-Nooren. Dat is één aspect. Dat is niet vrijblijvend. Ik heb net geciteerd wat we toen, met heel veel steun in deze Kamer, hebben geregeld voor de participatie. Ik vind het ook heel goed dat we dat hebben geregeld. Daarnaast — daar heb ik in mijn betoog veel aandacht voor gevraagd, want daar zit een deel van mijn zorg — moet je voorgenomen besluiten en kwesties kunnen agenderen en communiceren zodat burgers daadwerkelijk kunnen participeren. Daar stelde de heer Nicolaï terecht een vraag over. Burgers weten dan dat er een woonwijk wordt gebouwd of dat er een spoorlijn wordt aangelegd, en dat ze mee mogen doen in een vroege fase. Daarvoor heb je die preproductieomgeving nodig, ook in het digitale stelsel. Maar het Kennislab Omgevingswet schrijft dat die niet gereed is. Daarom heb ik daar een toezegging over gevraagd.”

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 9 - blz. 61

Minister De Jonge:

“Ga ik de gemeenten nog een keer wijzen op het belang van een eigen participatiebeleid? Dat zeg ik graag toe. Ik ga met de VNG in overleg over de manier waarop ik dat het beste zou kunnen doen.”


Brondocumenten


Historie







Toezegging Rentmeesterschap in nota Ruimte (33.118/34.986) (T03565)

De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Verkerk (ChristenUnie), toe dat rentmeesterschap de grondtoon vormt voor de nota Ruimte. Bovendien wordt de manier waarop de dialoog wordt vormgegeven betrokken bij wijze waarop wordt gemonitord en de evaluatie wordt ingericht.


Kerngegevens

Nummer T03565
Status deels voldaan
Datum toezegging 7 maart 2023
Deadline 1 juli 2025
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Nota Ruimte
Omgevingswet
rentmeesterschap
Kamerstukken Invoeringswet Omgevingswet (34.986)
Omgevingsrecht (33.118)


Uit de stukken

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 3 - blz. 18

De heer Verkerk (ChristenUnie):

(…)

“Voorzitter. Dit debat gaat niet alleen over de techniek van de Omgevingswet. Dit debat gaat vooral over hoe wij als burgers en overheid op een verantwoorde manier met onze omgeving omgaan. Het gaat over de urgente opgaven waar we als samenleving voor staan. Het zou weleens zo kunnen zijn dat de belangrijkste vraag is: draagt het nieuwe stelsel van de Omgevingswet bij aan een betere leefomgeving voor onze kinderen en kleinkinderen? Ik zou de minister ook willen vragen om op deze vraag expliciet te reflecteren.”

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 9 - blz. 63

Minister De Jonge:

(…)

“Dan de heer Verkerk. Hij onderstreept nog een keer de gedachtewisseling die wij hadden over de codificatie van de morele norm dat we generaties na ons van betekenis moeten laten zijn in de beslissing die we nu nemen, het rentmeesterschap in onze traditie en gelukkig in veler tradities. Dat is meer dan het hebben van een mooie, morele uitspraak en meer dan het hebben van een wettelijke opdracht. Het is echt ons dagelijks werk. Ik vind het heel mooi hoe dat geïnstrumenteerd is in het ruimtelijk beleid, als het voorkomen dat je afwentelt op volgende generaties. De hele manier waarop we omgaan met het klimaatadaptief inrichten van de bebouwde omgeving gaat eigenlijk daarover. Natuurlijk kun je huizen bouwen in de uiterwaarden, maar je weet wel dat de mensen die daar komen te wonen, een enorme rekening gepresenteerd krijgen over 20 of 25 jaar, gegeven de klimaatverandering. Doe het dus maar niet. Dat is water en bodem sturend. In alles wat we doen, zitten dus eigenlijk dit type morele noties verweven. Het is belangrijk om dat op een goede manier met elkaar te blijven bespreken.

Ik weet één ding heel erg zeker. We gaan straks een hele route in op weg naar die nieuwe Nota Ruimte, overigens ook met een planMER-procedure. Daarom beginnen we er heel vroeg mee, want dat ding duurt verschrikkelijk lang. Daarin gaan we heel nadrukkelijk en bij herhaling dit gesprek met elkaar hebben. Wat zijn eigenlijk de belangrijkste uitgangspunten in ons ruimtelijk beleid? Rentmeesterschap, als grondtoon, is een van de allerbelangrijkste uitgangspunten in het ruimtelijk beleid, vaak geformuleerd als: niet afwentelen op een volgende generatie. Dat doe je door nu de goede keuzes te maken, door überhaupt nu keuzes te maken en die keuzes niet telkens maar uit te stellen.”

De heer Verkerk (ChristenUnie):

“Ik mag constateren dat ik het helemaal eens ben met de minister. Fijn wat u zegt over het vervolg en hoe u daarmee om wilt gaan. U zei in uw eerste termijn dat we heel goed moeten bedenken dat het DSO een stuk techniek is. Nu gebruik ik mijn woorden: dat softe — hoe werk je samen en hoe ga je normen toepassen? — is misschien nog wel veel belangrijker. Ik zou dus ook de minister willen vragen om, wanneer hij de eerste stap zet, dat op papier zet en wanneer dat in dialoog komt, dan ook rondom al dat soort dingen juist ook deze dialoog te organiseren. Ik vraag hem om daar ook iets van een toezegging te doen, zodat ook voor ons als Kamer duidelijk is dat de techniek belangrijk is, maar dat de cultuur daaromheen ook belangrijk is. Daarvoor moeten we continu vechten. Ik ben organisatiekundige. We weten hoe belangrijk dialogen zijn. We moeten het elke keer weer zeggen, want we vergeten het. Dat zit kennelijk in ons. Ik zou dus ook op dat punt willen vragen of de minister die stap zou willen zetten en iets van een toezegging zou willen doen.”

Minister De Jonge:

“Natuurlijk. Ten aanzien van die notie van rentmeesterschap geldt gewoon de toezegging dat dat een van de grondtonen zal zijn, in welke formulering dan ook, in die nieuwe Nota Ruimte. Dat is meer dan een kreet, meer dan een uitspraak, meer dan een notie. Dat moet onze houding zijn waarmee we vormgeven aan ruimtelijk beleid. Sterker nog, dat is een van de belangrijkste redenen om weer aan ruimtelijk beleid te gaan doen. De huidige verdeling van de schaarste met het ontbreken van rijksregie kent op dit moment vaak geen eerlijke uitkomsten en te vaak krijgt het recht van de sterkste voorrang. Daar moeten we mee stoppen. Dat is eigenlijk de belangrijkste notie.”

Minister De Jonge:

“Het tweede is de manier waarop we de dialoog vormgeven. Ik zou die willen betrekken bij de manier waarop we monitoren en waarop we de evaluatie inrichten. Daar gaat het eigenlijk over. Hoe kun je zorgen dat waar DSO techniek is, je daarachter het gesprek organiseert om de samenwerking te verbeteren? De manier waarop de wet in de praktijk uitpakt, is bij uitstek iets wat je in de praktijk ook moet willen monitoren. Op die manier wil ik daar dus mee omgaan.”

De heer Verkerk (ChristenUnie):

“Ik dank u wel. Ik zie in alle eerlijkheid beide dingen even als een stukje toezegging waarop we kunnen terugkomen voor het totale debat in de Kamer.”


Brondocumenten


Historie







Toezegging Tijdreizen opnieuw testen en problemen oplossen (33.118/34.986) (T03566)

De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Rietkerk (CDA), toe dat tijdreizen bij IKT Fase 4 opnieuw getest zal worden en dat het probleem is opgelost voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.


Kerngegevens

Nummer T03566
Status voldaan
Datum toezegging 7 maart 2023
Deadline 1 januari 2024
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden drs. Th.W. Rietkerk (CDA)
Commissie commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Digitaal Stelsel Omgevingswet
Omgevingswet
tijdreizen
IKT
Kamerstukken Invoeringswet Omgevingswet (34.986)
Omgevingsrecht (33.118)


Uit de stukken

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 9 - blz. 7

De heer Rietkerk (CDA):

(…)

“Dan constateren wij ook dat er bij IKT-3 nog bevindingen waren op het gebied van tijdreizen. De basis van het tijdreizen werkt goed en dat is ook al eerder aangetoond. Maar er is gebleken dat niet alle informatiekundige objecten in de content even goed tijdreisbaar waren. Mijn vraag aan de minister is: wanneer is dit probleem opgelost? Kan de minister toezeggen dat in het kader van IKT-4 dit opnieuw kan worden getest en dat dit probleem is opgelost voor inwerkingtreding?”

(…)

De heer Rietkerk (CDA):

“Nee, want ik heb een toezegging gevraagd over IKT-4 als het gaat om tijdreisbaarheid. Ik heb gevraagd het probleem dat daarbij gesignaleerd is op te lossen en dat mee te nemen in die test. Ik heb gevraagd dit probleem op te lossen voor de inwerkingtreding. Daar wil ik van de minister een toezegging op.”

Handelingen I 2022-2023, nr. 21, item 9 - blz. 29

Minister De Jonge:

(…)

“Dan het tijdreizen. Daar is een aantal vragen over gesteld. Tijdreizen is een functionaliteit waarmee teruggekeken kan worden in de viewers van het DSO welk besluit wanneer waar van kracht was. Hoe zag bijvoorbeeld het omgevingsplan er op een bepaald adres zes maanden geleden uit? De functie tijdreizen zoals die nu in het DSO zit, voldoet aan de afspraken uit het bestuursakkoord van 2015. Ik denk dat dat belangrijk is. In de positionpaper van de Raad voor de rechtspraak van 22 februari 2023 is bevestigd dat de betreffende functionaliteit door de rechtspraak is getest en dat die functie voldoet aan de randvoorwaarden die destijds zijn gesteld. De Raad van State sluit zich op dit punt aan bij de Raad voor de rechtspraak. Het feit dat het DSO en dus die viewer voldoen aan die randvoorwaarden, betekent overigens niet dat er geen verbeteringen mogelijk zijn in het resultaat van dat tijdreizen in de viewerdocumenten op de kaart. Die verbeteringen zitten niet zozeer in het tijdreizen zelf, maar meer in de weergave. We gaan dan wel erg ver de techniek in, maar we willen die verbeteringen nog wel verwerken, omdat de Raad van State en ook de Raad voor de rechtspraak zeggen dat het verstandig is om dat te doen. Die verbeteringen zullen worden verwerkt en ze zullen worden getest in IKT-4, ook met de begeleidingsgroep.”


Brondocumenten


Historie







Toezegging Informeren verdeling tijdelijke extra beheerkosten (33.118 / 34.986) (T03715)

De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Kluit (GroenLinks-PvdA), toe dat hij de Kamer zal informeren over de tijdelijke verdeling van de extra beheerkosten tot en met 2029.


Kerngegevens

Nummer T03715
Status openstaand
Datum toezegging 11 juli 2023
Deadline 31 maart 2026
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen beheerskosten
Omgevingswet
Kamerstukken Invoeringswet Omgevingswet (34.986)
Omgevingsrecht (33.118)


Uit de stukken

Handelingen I 2022-2023, nr. 42, item 10 - blz. 1-2

Mevrouw Kluit (GroenLinks-PvdA):

(…)

“De kern is dat wij heel graag onomwonden horen dat de financiële dekking voor het uitstel, het beheer en onderhoud en de doorontwikkeling van de Omgevingswet op tijd en meerjarig beschikbaar komt, waarmee wij uiterlijk in de begroting van 2024 en verder bedoelen.”

(…)

Mevrouw Kluit (GroenLinks-PvdA):

“Dank u wel, voorzitter. De laatste vraag. Gaan de CA-middelen, dus de middelen uit het coalitieakkoord voor gemeenten, nog in 2024 richting de gemeentes, of niet? Er wordt een motie overwogen, maar ik hoop echt oprecht dat we het met toezeggingen afkunnen.”

Handelingen I 2022-2023, nr. 42, item 10 - blz. 2

Minister De Jonge:

(…)

“Op één punt is wel discussie en dat is de verdeling van die tijdelijke extra beheerkosten tot en met 2029. Dus van de hele financiële plaat gaat de discussie over de verdeling van de kosten van 43 tot 60 miljoen. We hebben er heel erg veel ambtelijke gesprekken over gevoerd en ook een aantal keren bestuurlijk, waar ik deze week weer mee verder ga. Dus ik hoop daar uit te komen en dan laat ik het u weten. We zijn elkaar wel een heel eind genaderd, maar we zijn er nog niet uit op dit punt.”

Handelingen I 2022-2023, nr. 42, item 12 - blz. 1

de Voorzitter:

(…)

“Door de leden Kluit, Van der Goot, Nanninga, Janssen, Van Rooijen en Van Langen-Visbeek wordt de volgende motie voorgesteld:

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet al in 2021 heeft toegezegd om de uitvoering van de Omgevingswet financieel voldoende te instrumenteren en dat deze eerste toezegging nadien opgevolgd is door meerdere nieuwe toezeggingen die deze eerste toezegging herbevestigden;

constaterende dat in het debat over het koninklijk besluit Omgevingswet de regering heeft toegezegd voor 1 juli met een herijkt financieel beeld te komen en de Kamer voor de zomer te informeren over de financiering daarvan, zodat ruim voor het opstellen van de begroting 2024 en verder er financiële duidelijkheid is voor decentrale overheden;

constaterende dat de Kamer het belang van die toezeggingen heeft benadrukt met een breed aangenomen motie Kluit (33118, 34986, letters EY);

constaterende dat de Voorjaarsnota tegemoetkomt aan noch die motie noch deze toezeggingen en er een nieuw Integraal Financieel Beeld ligt, waaruit blijkt dat de totale kosten en de terugverdientijd van de Omgevingswet voor decentrale overheden stevig oplopen en dat de regering steeds heeft uitgesproken decentrale overheden bij te staan wanneer er kostenoverschrijdingen zouden komen;

verzoekt de regering om in de begroting Binnenlandse Zaken voor 2023 en verder de meerjarige dekking voor die bekende en nieuwe kosten voor invoering, beheer en onderhoud en doorontwikkeling van het DSO naar ambitieniveau 3 langjarig op te nemen;

verzoekt de regering om de extra middelen voor de gemeenten uit het coalitieakkoord, de zogenaamde CA-gelden, nog in 2024 aan die decentrale overheden ter beschikking te stellen, en de Kamer daarover uiterlijk 9 september 2023 te informeren, zodat de gemeenten zich komende maanden goed kunnen voorbereiden,

en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt letter FL (33118, 34986).”

Handelingen I 2022-2023, nr. 42, item 12 - blz. 2

De heer Rietkerk (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Het spitst zich op dit moment toe op de prognose beheer, van 43 miljoen in een oplopende range tot 60 miljoen. Ik vraag de minister nog eens te bevestigen dat daarover overeenstemming is met de medeoverheden. Hebben we dat als Kamer goed verstaan? De tweede en laatste vraag gaat over het samen-uit-samen-thuisprincipe. Kennelijk is daar meer tijd voor nodig dan deze Kamer in de motie had gewild. Kan de minister duiding geven wanneer dat overleg, los van de inhoud, tot een goede afronding komt? Dit vraag ik in verband met het dictum van de motie, want dat rept van 9 september. Kan de minister aangeven of het voor of na de vakantie lukt? Op welk moment komt hij met hom of kuit? Daalt het dan ook neer in de begroting van 2024 en verder? Dank u wel, voorzitter.

Handelingen I 2022-2023, nr. 42, item 12 - blz. 3

Minister De Jonge:

(…)

Voorzitter, dank u wel. Dank voor de ingediende motie. (…) Er staat genoeg in om naar aanleiding daarvan het een en ander te verduidelijken.

Eerst even terug naar de kosten van de Omgevingswet. Daar zijn in het verleden al financiële afspraken over gemaakt. Eigenlijk zijn die afspraken niet gewijzigd. De

basisafspraken staan dus gewoon. Voor de transitiekosten betekent dat dat iedereen zijn eigen broek moet ophouden, want uiteindelijk ga je er ook weer aan "verdienen". Dat

betekent dat je de voorinvesteringen zelf betaalt en daarna ook de revenuen mag houden. Dat is één. Twee. De kosten van de voorzieningen voor het Digitaal Stelsel zijn voor het Rijk. Voor de voorzieningen van het beheer geldt: samen uit, samen thuis. Over dat derde onderdeel gaat het nu. Daar gaat de discussie ook nog over. Ter bevestiging in de richting van de heer Rietkerk: dat gaat inderdaad over een reeks die begint op 43 miljoen in 2024 en eindigt op 60 miljoen in 2029. Daarover zijn we het eens. aarover zijn alle partijen het eens, dus aan de kant van het Rijk, het stelsel, en de rijksbevoegd gezagen: de waterschappen, de gemeenten en de provincies.

Handelingen I 2022-2023, nr. 42, item 12 - blz. 4

Minister De Jonge:

Over de verdeling ervan. Over de hoogte van de kosten, de 43, zijn we het eens. We zijn het ook eens over de kostenposten die in gezamenlijkheid de 43 bepalen. Er wordt

natuurlijk wel altijd bij gezegd: "Zou naar de toekomst toe het beheer ook niet op een andere manier kunnen worden vormgegeven? Zou het niet verder gestandaardiseerd

kunnen worden? Kan de governance niet eenvoudiger?" Dat gaan we allemaal ook doen, want als je minder geld kunt opmaken aan beheer, moet je het vooral niet na willen laten. Maar voor nu moet wel die meerjarige reeks worden gedekt, want anders heb je geen zekerheid over de beheerkosten. Over de hoogte ervan verschillen we niet van opvatting, maar over de verdeling ervan wel, namelijk over de implicatie van "samen uit, samen thuis". De oorspronkelijke afspraak is dus: samen uit, samen thuis. Als je "samen uit, samen thuis" toepast in de verdeelsleutel over die 43 tot 60 miljoen, dan zijn we het inderdaad … Althans, vier van de vijf partijen zouden daarmee kunnen leven en een van de vijf niet. Die ene is de Unie. Dan over de verdeelsleutel van de beheerkosten. 70% wordt gedragen door de gemeenten. Die zijn het dus eens. Het is dus niet de gemeente die hiervan zegt dat het niet zou kunnen. Die 70% wordt gedragen door de gemeenten en die zijn het dus eens. 6% wordt gedragen door de provincies. Die zijn het ook eens. 19% wordt gedragen door rijkspartijen. Die zijn het ook eens. Dat zijn de rijksbevoegd gezagen plus BZK als stelselverantwoordelijke, hoewel wij hier helemaal geen bijdrage aan zouden hoeven leveren, want dat past helemaal niet bij de financiële afspraken. De snelle rekenaar heeft uitgevonden dat er dan nog 5% overblijft. En over die 5%: de partij van de 5% is het niet eens. Dat om het een beetje tot de proporties terug te brengen. Daarover hebben we gewoon het gesprek met elkaar. Dat gesprek vervolg ik donderdag. Ik hoop dat ik er dan uit ben. Dan teken ik op vrijdag nog een brief aan mevrouw Kluit en iedereen in deze Kamer die dat met interesse volgt. Het zou ook zomaar kunnen zijn dat dat net niet lukt. Dan wordt het na de vakantie.


Brondocumenten


Historie