35.099 (R2114)

Rijkswet Koninkrijksgeschillen



Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan artikel 12a van het StatuutPDF-document voor het Koninkrijk der Nederlanden (verder: het Statuut) waarin is bepaald dat bij Rijkswet voorzieningen worden getroffen voor de behandeling van bij Rijkswet aangewezen geschillen tussen het Koninkrijk en de landen.

In het wetsvoorstel is opgenomen dat de vaststelling van het bestaan van een geschil gebeurt tijdens een voortgezet overleg als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van het Statuut. Indien de bezwaren zien op de interpretatie van het bepaalde bij of krachtens het Statuut én deze bezwaren niet tijdens een voortgezet overleg zijn weggenomen, kan een Gevolmachtigde Minister verklaren dat dit bezwaar is blijven bestaan (geschil) en verzoeken om een oordeel van de Afdeling Koninkrijksgeschillen van de Raad van State van het Koninkrijk. De voorzitter van de raad van ministers van het Koninkrijk kan besluiten dit verzoek af te wijzen indien een zwaarwegend belang van het Koninkrijk onverwijlde besluitvorming vergt (artikel 1, tweede lid, eerste volzin). In een dergelijk geval kan de Gevolmachtigde Minister die het geschil kenbaar heeft gemaakt binnen twee maanden na de inwerkingtreding van de beslissing waar het geschil betrekking op heeft alsnog verzoeken de Afdeling Koninkrijksgeschillen – in het belang van de rechtsontwikkeling – te horen (artikel 1, tweede lid, tweede en derde volzin).

Een geschil kan betrekking hebben op iedere voorgenomen beslissing van de Rijksministerraad, behalve beslissingen of voorgenomen beslissingen waarvoor reeds bij rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur in een bijzondere procedure is voorzien (1), voorstellen van rijkswet of ontwerpen van algemene maatregelen van rijksbestuur (2), of beslissingen of voorgenomen beslissingen die op grond van een bijzondere regeling aan de Raad van State van het Koninkrijk of aan de Afdeling Koninkrijksgeschillen daarvan kunnen worden voorgelegd (3).

De Afdeling Koninkrijksgeschillen van de Raad van State van het Koninkrijk stelt naar aanleiding van een verzoek een oordeel vast en brengt deze ter kennis van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die vervolgens de partijen in kennis stelt van dat oordeel. De raad van ministers van het Koninkrijk volgt het oordeel van de Afdeling tenzij de aard en het gewicht van het geconstateerde bezwaar niet opweegt tegen een zwaarwegend belang, dan wel tenzij relevante feiten en omstandigheden die zich na het verzoek om een oordeel hebben voorgedaan, nopen tot een van het oordeel afwijkende beslissing.

De uiteindelijke beslissing, alsmede het oordeel van de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk worden gelijktijdig bekend gemaakt in de Staatscourant, tenzij dit op grond van artikel 26, vierde lid, van de Wet op de Raad van State achterwege kan blijven. In het geval dat van het oordeel wordt afgeweken, geldt een openbaarmakingsverplichting van de redenen voor de afwijking van het oordeel.

Tot slot voorziet het wetsvoorstel in een evaluatie binnen drie jaren na inwerkingtreding van de doeltreffendheid en effecten van de rijkswet in de praktijk.


Stand van zaken

Het voorstel (EK, A) is op 4 juli 2019 aangenomen door de Tweede Kamer.

Voor: SP, PvdA, GroenLinks, PvdD, DENK, 50PLUS, D66, VVD, SGP, CDA en ChristenUnie.

Tegen: PVV en FVD.

De Eerste Kamercommissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL) heeft op 9 april 2021 de memorie van antwoord (EK, J) ontvangen. Op 28 april 2021 heeft de commissie het verslag (EK, K) uitgebracht en heeft op 21 mei 2021 de nota naar aanleiding van het verslag (EK, L) ontvangen.

Op 28 mei 2021 heeft de commissie een brief (EK, P) van de staatssecretaris van BZK ontvangen met het verzoek om aanhouding van de plenaire behandeling van de Rijkswet Koninkrijksgeschillen. De Voorzitter heeft, na raadpleging van de commissie KOREL, dientengevolge besloten de plenaire behandeling aan te houden tot een nader te bepalen tijdstip.

De commissie besprak op 4 februari 2020 de brief van de minister van BZK van 30 januari 2020 (EK, C) met het standpunt van de Rijksministerraad ten aanzien van de reactiePDF-document van de vice-president van de Raad van State van 19 september 2019 op het amendement Thijsen c.s. (TK, 25) over een nieuwe Afdeling Koninkrijksgeschillen binnen de Raad van State.

De commissie heeft op 25 februari 2020 het voorlopig verslag (EK, D) uitgebracht. De commissie heeft op 11 december 2020 een brief aan de staatssecretaris van BZK inzake een rappel betreffende de memorie van antwoord voorstel Rijkswet Koninkrijksgeschillen (EK, E) verzonden. De staatssecretaris heeft op 5 januari 201 middels een brief (EK, F) gereageerd. Op 15 januari 2021 heeft de commissie de staatssecretaris een brief (EK, G) gestuurd inzake de planning betreffende de memorie van antwoord. De staatssecretaris heeft op 1 maart 2021 middels een brief (EK, H) gereageerd en naar aanleiding van deze brief heeft de commissie op 9 maart 2021 besloten een mondeling overleg te voeren met de staatssecretaris van BZK. Dit mondeling overleg vond plaats op 16 maart 2021 en op 29 maart 2021 heeft de commissie het verslag van dit mondeling overleg (EK, I) uitgebracht. Het videoverslag van dit overleg treft u hier aan.

De commissie heeft op 15 oktober 2019 de brief (EK 35.300 IV / CXIX, C) van de staatssecretaris van BZK inzake de uitvoering van motie-Van Raak c.s. (TK 35.099 (R2114), 23) en de motie-De Graaf c.s. (EK 34.300 IV / CXIX, P) besproken en is van oordeel dat de strekking van de Eerste Kamermotie-De Graaf c.s. ruimer is dan die van de Tweede Kamermotie-Van Raak c.s. en verzoekt de regering hiermee rekening te houden.


Kerngegevens

ingediend

29 november 2018

titel

Voorzieningen voor de behandeling van geschillen tussen het Koninkrijk en de landen (Rijkswet Koninkrijksgeschillen)

schriftelijke voorbereiding

inbreng geleverd door

ondertekening

inwerkingtreding

Op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip


Documenten

Bladeren:
[1-50] [51-62] documenten
Bladeren:
[1-50] [51-62] documenten