Rappelabele toezeggingen Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Totaaloverzicht februari 2022)



Dit is het rappel tot 01-01-50.


Toezegging Evaluatie (32.402) (T02174)

De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen van de leden Bruijn en Nooren, toe om de keuze voor en kosten van geschillenbeslechting, de juridische expertise bij geschillenbeslechting, de ontwikkeling van klachten en claims, en de regeldruk voor kleine zorgaanbieders bij de evaluatie − vijf jaar na inwerkingtreding van de wet − te betrekken. Op verzoek van het lid Bruijn zal de minister de Kamer vooraf informeren over de opzet van de evaluatie.


Kerngegevens

Nummer T02174
Status voldaan
Datum toezegging 29 september 2015
Deadline 1 januari 2024
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden prof. dr. J.A. Bruijn (VVD)
Drs. J.E.A.M. Nooren (PvdA)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen geschillen
geschillenbeslechting
klachten
regeldruk
Kamerstukken Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (32.402)


Opmerking

Zie ook brief van 18 november 2018 (32402/33841, Y)

Uit de stukken

Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 7

De heer Bruijn (VVD):

Onze eerste vraag betreft de regeldruk. De regeldruk en de positie van kleinschalige zorgaanbieders zijn in de schriftelijke behandeling uitgebreid aan de orde geweest. [...] Hoe verwacht de minister, alles overziend, dat de uitvoeringslasten voor vooral de kleine zorgaanbieder zich zullen ontwikkelen? Is zij bereid om bij de evaluatie van deze wet, aangekondigd voor vijf jaar na inwerkingtreding, dit aspect nadrukkelijk mee te nemen en deze Kamer ter zake op de hoogte te stellen? Graag een toezegging.

Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 8

De heer Bruijn (VVD):

Niettegenstaande het voorgaande heeft de regering, vanwege het aantal vragen dat over juridisering is gesteld en de zorgen die erover leven in het veld, aangegeven bereid te zijn om dit aspect mee te nemen bij de evaluatie van deze wet, vijf jaar na inwerkingtreding. Graag vraag ik de minister om een bevestiging hiervan. Ook wil ik de minister de toezegging vragen om de evaluatie ter zake ook aan deze Kamer te doen toekomen en ons vooraf te informeren over de opzet van die evaluatie.

Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 9

De heer Bruijn (VVD):

Is de minister bereid te bevorderen dat een jurist altijd deel uitmaakt van de commissie, bijvoorbeeld door dit op te nemen in de AMvB inzake de erkenningsregeling? Is de minister bereid dit aspect mee te nemen bij de wetsevaluatie?

Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 31

Mevrouw Nooren (PvdA):

De minister zegt dat het laagdrempelig is. We hebben nu soms een klachtenfunctionaris of een klachtencommissie die gratis is, maar mensen moeten wel betalen voor de geschillencommissie en krijgen dat geld alleen terug als zij in het gelijk worden gesteld. Komt zij nog terug op mijnvraag daarover?

Minister Schippers:

Ik ben nu bij de eerste spreker, van het CDA, dus het loopt nog een tijdje door. Maar ik kan nu al antwoord geven, namelijk dat je dat zelf afspreekt. Het is nu op €50 gesteld. Je kunt ook afspreken dat je het op nul stelt. Ik zeg toe dat ik in de evaluatie expliciet zal meenemen hoe dat zich in de praktijk ontwikkelt.

Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 34

Minister Schippers:

Ik heb over de uitvoeringslasten van de kleine zorgaanbieder al aangegeven dat we er alles aan doen om het zo efficiënt mogelijk te laten inrichten. Ik zal het thema regeldruk ten gevolge van de Wkkgz expliciet meenemen in de evaluatie van de wet, zoals de VVD-fractie mij heeft gevraagd.

Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 36/37

Minister Schippers:

Ik kan toezeggen dat ik in de evaluatie ook aandacht zal besteden aan de nieuwe klachten- en geschillenregeling, waaronder de ontwikkeling van aantallen klachten en claims. Ik zal uw Kamer vooraf informeren over de opzet van de evaluatie.

[...]

Ik deel de mening dat de cliënt goede voorlichting moet krijgen over de keuze voor een geschilleninstantie of voor de burgerlijke rechter. Ik zal bij de verdere implementatie van het wetsvoorstel uitdrukkelijk aandacht geven aan deze voorlichting. De klachtenfunctionaris vervult hierbij ook een belangrijke rol. Hij kan de cliënt voorlichten over de verschillende routes en hij kan de verwachtingen managen. Ook heb ik een waarborg in de wet zelf opgenomen. De zorgaanbieder is verplicht om de cliënt goed over de klachten- en geschillenprocedure te informeren. Dat betekent dat de inspectie daarop toeziet en zo nodig kan optreden.

De heer Bruijn (VVD):

Dan nog iets over het voorlaatste punt. Het expliciet aangereikt krijgen van die keuzemogelijkheden voor de patiënt, is dat iets om in de evaluatie mee te nemen? Is de minister bereid om te kijken of dat kan?

Minister Schippers:

Dat lijkt mij prima.

[...]

Ik ben bereid om het vereiste van juridische expertise bij geschilbeslechting in de wetsevaluatie terug te laten komen.

Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 40

Minister Schippers:

Het bedrag van €50 is het bedrag dat partijen zelf hebben afgesproken. Ik heb overigens geen signaal ontvangen dat dit een belemmering is voor cliënten om een geschil aanhangig te maken, maar ik zal dit kostenaspect meenemen in de evaluatie.

Handelingen I 2014-2015, nr. 2 - item 8 - p. 43

Minister Schippers:

Ik heb de zorg over de claimcultuur niet. Nederland kent zo'n cultuur niet. [...] Ik ben uiteraard bereid om de ontwikkeling van claims mee te nemen in de evaluatie.

[...]

Minister Schippers:

De geschillencommissie gaat ervan uit dat er geen kosten voor een advocaat en juridische bijstand worden gemaakt. Dat is het uitgangspunt van de geschillencommissie. Voor de kostenverdeling kunnen verschillende afspraken worden gemaakt in het kader van de geschillenregeling. Gebruikelijk is dat de cliënt wordt vrijgesteld van alle kosten als de klacht ongegrond wordt verklaard. Bij bestaande geschillencommissies is €50 een gangbaar bedrag dat cliënten moeten betalen als ze de commissie inschakelen. Zoals gezegd zal ik in de evaluatie meenemen hoe dit zich ontwikkelt.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Tussentijdse evaluaties (33.506) (T02589)

De Minister voor Medische Zorg en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Strik en Nooren, toe de wet tussentijds te evalueren, zowel tijdens de voorbereiding als na de inwerkingtreding van de wet. Daarbij zal onder meer worden gekeken naar de positie van nabestaanden en het aannemelijkheidsvereiste, en naar de aard en omvang van de demografische kenmerken van de categorie 'geen bezwaar'. De evaluaties zullen worden aangeboden aan de Kamer.


Kerngegevens

Nummer T02589
Status voldaan
Datum toezegging 30 januari 2018
Deadline 1 januari 2024
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Medische Zorg en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Drs. J.E.A.M. Nooren (PvdA)
mr. dr. M.H.A. Strik (GroenLinks)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen donorregistratiesysteem
evaluaties
orgaandonaties
Kamerstukken Initiatiefvoorstel-Pia Dijkstra over het opnemen van een actief donorregistratiesysteem (33.506)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 17- item 6, blz. 16

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Is de minister bereid om bij een evaluatie na te gaan hoe dit aannemelijkheidsvereiste uitpakt en of het wellicht verzacht zou moeten worden?

Handelingen I 2017-2018, nr. 17- item 6, blz. 55

Minister Bruins:

Voorafgaand aan de start van de campagne zal worden onderzocht op welke manieren het voorlichten, informeren en begeleiden het meest effectief is. Ik ben wel een voorstander van tussentijdse evaluaties, zowel voor als na de inwerkingtreding van de wet, zoals men dat nu ook in Wales doet. Niet eerst een pilot dus, maar wel tussentijdse evaluaties tijdens de voorbereiding en uitvoering van de wet.

Handelingen I 2017-2018, nr. 17- item 6, blz. 57

Minister Bruins:

Dan de vraag naar de evaluatie van de aannemelijkheid. Bent u bereid bij de evaluatie van de wet na te gaan hoe de mogelijkheid voor nabestaanden om de aannemelijkheid van een "ja" of een "geen bezwaar" te betwisten in de praktijk uitpakt? Ja, ik wil graag een toezegging doen op dat punt. Ik ben voorstander van tussentijdse evaluaties en daar zou ik, als de wet wordt aangenomen, dit punt bij willen betrekken.

Handelingen I 2017-2018, nr. 18- item 4, blz. 5

Mevrouw Nooren (PvdA):

We vinden het van belang dat in deze evaluaties aandacht wordt besteed aan de aard, omvang en demografische kenmerken— zoals leeftijd, geslacht en opleidingsniveau — van de groep mensen die geregistreerd staan als geen bezwaar hebbend.

[...]

Ik was gebleven bij de evaluaties. Het gaat om de aard en de omvang van demografische kenmerken voor de groep mensen die geregistreerd staan als geen bezwaar hebbend. Wij gaan ervan uit dat de minister bij de vormgeving van zijn beleid en de voorlichting daar gevolgen aan verbindt. Wij horen graag of de minister dat ook zo ziet. Mijn fractie neemt aan, en ik vraag het maar voor de zekerheid, dat de evaluaties van de wet ook naar deze Kamer gestuurd zullen worden.

Handelingen I 2017-2018, nr. 18- item 4, blz. 35

Minister Bruins:

Mevrouw Nooren heeft ook gevraagd of ik de aard en omvang van de demografische kenmerken van de geen bezwaarcategorie meeneem in de evaluatie. De cijfers worden nu op leeftijd bijgehouden door het CIBG, het instituut dat het Donorregister beheert. Daarnaast houdt het CBS gegevens bij ten aanzien van leeftijd en herkomst. Beide gegevens kunnen wij gebruiken bij de evaluatie. Wel moeten wij daarbij de privacyregels in acht nemen. Dat geldt als vanzelf, maar dat dit thema bij de evaluatie aan bod kan komen en dat de Kamer die evaluatie dan krijgt, lijkt mij prima.

Handelingen I 2017-2018, nr. 19- item 7, blz. 7

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voor ons is het daarom ook van belang dat de minister ook heeft toegezegd de positie van nabestaanden te betrekken bij de evaluatie. Mocht daaruit blijken dat die rechtszekerheid niet voldoende wordt geborgd of dat er te veel geschillen gaan bestaan tussen nabestaanden en artsen, dan zou dat reden kunnenzijn om de stap te zetten naar wettelijke verankering. Op dit moment zien wij daar te weinig redenen voor.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Verdrag tegen handel in menselijke organen (33.506) (T02594)

De Minister voor Medische Zorg en Sport zal de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Don, op de hoogte houden van de ontwikkelingen omtrent de ratificatie van het Verdrag inzake orgaanhandel.


Kerngegevens

Nummer T02594
Status voldaan
Datum toezegging 30 januari 2018
Deadline 1 januari 2023
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Medische Zorg en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden H.M. Don (SP)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen orgaanhandel
ratificatie
verdragen
Kamerstukken Initiatiefvoorstel-Pia Dijkstra over het opnemen van een actief donorregistratiesysteem (33.506)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 17- item 6, blz. 3

De heer Don (SP):

Het aantal illegaal verkregen donororganen neemt internationaal gezien toe. Dat is een uiterst verwerpelijke ontwikkeling. Mag ik de regering vragen of ons land op korte termijn de Europese conventie uit 2015 van de Raad van Europa tegen de handel in menselijke organen gaat tekenen? Waarom is dit eigenlijk nog niet gebeurd?

Handelingen I 2017-2018, nr. 17- item 6, blz. 56

Minister Bruins:

De tweede vraag van de SP-fractie gaat over het verdrag inzake orgaanhandel. Gaat de regering op korte termijn het verdrag inzake orgaanhandel tekenen? Over de ratificatie van dit verdrag vindt overleg plaats tussen mijn ministerie en dat van Justitie en Veiligheid. Ik zal uw Kamer graag op de hoogte houden van de ontwikkelingen. De Wet op de orgaandonatie is op dit punt in ieder geval heel duidelijk: illegale orgaandonatie en orgaandonatie tegen een vergoeding die verder gaat dan een onkostenvergoeding zijn verboden.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Dossiercontrole (33.980) (T02676)

De minister voor Medische Zorg en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Ganzevoort en Nooren, toe na te gaan of de verschillen tussen ongecontracteerde zorg, waarbij toestemming van de verzekerde nodig is, en gecontracteerde zorg, waarbij geen expliciete toestemming nodig is, in beeld kunnen worden gebracht, teneinde zicht te krijgen op het nut van dossiercontrole.


Kerngegevens

Nummer T02676
Status openstaand
Datum toezegging 17 december 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Medische Zorg en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Prof.dr. R.R. Ganzevoort (GroenLinks)
Drs. J.E.A.M. Nooren (PvdA)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen fraudebestrijding
medische dossiers
naturapolissen
restitutie polissen
Kamerstukken Verbeteren van toezicht, opsporing, naleving en handhaving in de zorg (33.980)


Uit de stukken

Handelingen I 2018-2019, nr. 12 - item 2, blz. 5

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Uiteindelijk komen we dan ook bij het argument dat deze bevoegdheden al bestaan bij naturapolissen en dat dit dus alleen maar een uitbreiding daarvan zou zijn. In de tijd dat het ziekenfonds en de particuliere verzekeringen werden samengevoegd tot het huidige stelsel, zijn de eigenaardigheden van beide stelsels blijven bestaan. De restitutiepolissen worden nu alsnog onder hetzelfde regime gebracht. Natuurlijk, voor die uniformiteit is wel wat te zeggen, maar waarom dan niet de andere kant op geharmoniseerd? Waarom niet ook bij naturapolissen het inzagerecht geschrapt? Daar speelt immers de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer evenzeer.

De proportionaliteit van dat onderdeel is wat ons betreft tot op de dag van vandaag niet aangetoond. Voor zover wij het konden nagaan, wordt namelijk niet bijgehouden hoe

vaak die dossiercontrole ook echt leidde tot het aantonen van fraude op een wijze die zonder dossiercontrole niet mogelijk was geweest. Oftewel: de effectiviteit van dit

vergaande middel is niet vast te stellen en dat pleit eerder voor afschaffen dan voor uitbreiden.

Voordat we deze voorliggende stap zouden kunnen zetten, zou er dan ook op zijn minst eerst een evaluatie moeten plaatsvinden van het verschil tussen de twee groepen met

het oog op de effectiviteit van het instrument. Heeft de minister zo'n evaluatie laten uitvoeren voordat hij met dit voorstel kwam? Is hij bereid om zo'n evaluatie te doen uitvoeren? Dit ligt er al een paar jaar, dus er kan nog wel wat uitstel bij. We hebben nu eenmaal de hele mooie situatie dat we twee groepen hebben, de een met en de ander

zonder dossiercontrole. Een ideale situatie voor een mooi onderzoek, zou ik zeggen.

Handelingen I 2018-2019, nr. 12 - item 2, blz.24

Mevrouw Nooren (PvdA):

Is het mogelijk om met zorgverzekeraars in gesprek te gaan om in lijn met zijn gedachten te gaan handelen, om te gaan experimenteren met een redelijke termijn en het effect daarvan op de fraudebestrijding? Het proces van optimalisering komt op die manier niet stil te liggen.

Minister Bruins:

Voorzitter. Eerst de eerste vraag van mevrouw Nooren. In de bijdrage van de heer Ganzevoort zat een opmerking over een evaluatie. Kun je de situatie waarin ongecontracteerde zorg plaatsvindt en toestemming van de verzekerde nodig is, vergelijken met een situatie waarin gecontracteerde zorg

wordt verleend waar geen expliciete toestemming van de verzekerde voor nodig is? Als je die twee situaties naast elkaar zou zetten, zou je inzicht kunnen krijgen in het nut van deze controle. Dat zegt iets over de materialiteit of de proportionaliteit van het voorstel. Die handschoen wil ik oppakken. Ik wil kijken hoe ik dat in beeld kan brengen. Dat komt, denk ik, tegemoet aan de vraag die mevrouw Nooren heeft gesteld. Ik heb er de hulp van de verzekeraars voor nodig. Dat moet ik dus gaan navragen; ze luisteren vast mee, dus ze kunnen de raderen aanzetten. Dat is één.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Nadere gedachtewisseling (34.104 / 31.839, V) (T02833)

Voordat een formeel wetgevingstraject zal worden ingegaan, zal de Minister van VWS met de Kamer bespreken of er voldoende lessen zijn getrokken uit de decentralisaties in het sociaal domein, bijvoorbeeld naar aanleiding van de contourennota, die rond de zomer gestuurd zal worden, en/of de conceptwetgeving met aanpassingen van de Jeugdwet, die voor de zomer in consultatie zal gaan.


Kerngegevens

Nummer T02833
Status voldaan
Datum toezegging 21 januari 2020
Deadline 1 juli 2022
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Mondeling overleg
Categorie overig
Onderwerpen gezondheidszorg
jeugdzorg
maatschappelijke ondersteuning
Stelselherziening
Kamerstukken Langdurige zorg (34.104)
Jeugdzorg (31.839)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2019/20, 34104 / 31839, V, p. 26-27

De voorzitter: Daar hebben we volgens mij een gezamenlijk standpunt over. We willen allemaal dat we reële informatie krijgen om daar iets zinnigs over te kunnen zeggen. Ik hoor een pleidooi om dat toch iets meer aandacht te geven aan de voorbereidende kant, dus meer doordenken hoe we dat scherp kunnen krijgen.

Minister De Jonge: Dat we meer aan de voorkant doordenken waaraan we straks gaan afmeten of het succesvol was of niet. Dat gebeurt natuurlijk lang niet altijd. De gegevens in het sociaal domein die we wél hebben, zijn vaak helemaal niet zo eenduidig te interpreteren. Dat geldt zeker voor de jeugdzorg. Dus die feitenbasis moet beter op orde, maar dan zou ik dat schriftelijk moeten toesturen, want we doen er ongelofelijk veel aan; het voert veel te ver om dat nu allemaal te recapituleren. We werken aan een veel betere feitenbasis onder überhaupt het functioneren van de jeugdzorg, ook een centrale feitenbasis. Men is destijds wat terughoudend geweest om al te gecentraliseerd aan gegevensverzameling te doen omdat men heeft gezegd: pas nou op dat je niet langs die weg de beleidsvrijheid van gemeenten gaat inperken.

De voorzitter: Ik kijk naar de tijd. Ik weet niet hoe u in de tijd zit, maar wij hadden tot 18.00 uur afgesproken en het is nu 18.05 uur. Er staat nog één mooie reflectieve vraag open, namelijk in hoeverre wij zo’n wetgevingsproces ook met elkaar beter kunnen doen, als ik het goed samenvat. […] Wij zien ook wat dat betreft met veel interesse uit naar de brieven die eraan komen en de voorstellen van uw kant. Op het moment dat u zegt dat u een gedachtewisseling als deze daarbij nog een keer nuttig acht, bieden wij die bij dezen ook aan.

Minister De Jonge: Veel beter en veel preciezer van tevoren bedenken waaraan ik nou straks eigenlijk ons succes ga afmeten, wat is nou straks mijn bewijs voor succes, of juist het bewijs voor het uitblijven daarvan? Daar ben ik heel erg voor, ik ben daar erg freakerig in. […] Maar ik heb ook gezien hoe ingewikkeld het is als die indicatoren niet al bestaan. Want dan moet je ze gaan bedenken. Je wilt geen bureaucratie toevoegen. Dus dat is heel moeilijk om op een goede manier te doen. We zijn daar wel mee bezig. We verstevigen die feitenbasis op dit moment. Ik denk dat het verstandig is om daar nog eens over door te praten. […] En toch heeft dat allemaal niet kunnen voorkomen dat we op een aantal punten echt onvoldoende hebben voorzien, doorzien en doorgeëxerceerd wat de impact zou zijn van zo’n grote beleidswijziging en zo’n groot traject in één keer. Ik denk dat we daaruit de les moeten trekken: zo groot, pas nou op, probeer het nou in stappen te doen die je beter kunt overzien. Dat zal ik ook zeker doen. Ik ga graag in op het aanbod dat u doet om voordat we echt in een formeel wetgevingstraject komen ook nog nader van gedachten te wisselen om te kijken of we nou voldoende de lessen hebben getrokken van die decentralisatie bij het aangaan van het traject, bijvoorbeeld rondom die contourennota.

Kamerstukken I 2019/20, 34104 / 31839, V, p. 28

Minister De Jonge: Dus graag maak ik gebruik van het aanbod dat u doet om nader door te spreken. In de Tweede Kamer is dat denk ik in maart/april, ergens in die buurt, rondom een stand van denken van de contourennota die we zullen sturen. Dat zou natuurlijk ook best een moment kunnen zijn om dan ook het gesprek met de Eerste Kamer te vervolgen. […] Een tweede mogelijkheid, het hele aangrijpingspunt, zou kunnen zijn het ontwerp van de aanpassingen van de Jeugdwet dat we in consultatie zullen doen tegen de zomervakantie, en de contourennota zelf, die we tegen de zomervakantie zullen sturen. Dat betekent dat we net na de zomer daar het overleg over kunnen hebben. Dus dat zouden zomaar planningssuggesties kunnen zijn, maar overigens voeg ik mij uiteraard naar de planning zoals u die zelf maakt en ik laat me graag uitnodigen. Ik ben paraat als u mij roept.)


Brondocumenten


Historie







Toezegging Broncode Google en Apple (35.538) (T03013)

De minister van VWS zegt, naar aanleiding van een opmerking van het lid Gerkens (SP), bereid te zijn om in Europees verband met Google en Apple het gesprek aan te gaan om zo veel mogelijk van de broncode te openbaren en zal de Kamer daarover periodiek informeren.


Kerngegevens

Nummer T03013
Status voldaan
Datum toezegging 6 oktober 2020
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden A.M.V. Gerkens (SP)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen informatiebeveiliging
technologiebedrijven
software
Kamerstukken Tijdelijke wet notificatieapplicatie covid-19 (35.538)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/2021, nr. 3, item 3, blz. 45-48

Minister De Jonge:

Een andere vraag komt van de SP-fractie en die gaat over het publiceren van de broncode door Google en Apple. Is de minister bereid om samen met andere partijen in de EU de druk daarvoor op te voeren? Apple en Google hebben al grote delen van hun broncode openbaar gemaakt. In Europees verband wordt die nu beoordeeld. Uiteraard zijn we bereid om in Europees verband dit onderwerp verder te blijven bespreken. Overigens wordt de werking van de API voortdurend gemonitord en geëvalueerd door onafhankelijke deskundigen. Dit wordt gecoördineerd in Europees verband.

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik denk dat het heel belangrijk is — en ik geloof dat de minister dat ook heeft aangegeven — dat we heel zorgvuldig zijn als het op veiligheid aankomt en dat we goede antwoorden krijgen en goede antwoorden geven. Het is absoluut niet waar dat grote delen van de broncode al openbaar zijn gemaakt. Er is alleen een heel klein gedeelte, een snippet, openbaar gemaakt, maar die hele Google en Apple exposure notification is nog een grote black box. We kunnen niet zien wat daarin gebeurt. Ik ben blij met de toezegging van de minister — want zo ervaar ik die — dat hij in Europees verband de druk op Google en Apple wil gaan opvoeren dat ze die broncode gaan publiceren. Mijn vraag aan de minister is: hoe gaat u dat doen en hoe gaat u daarover terug rapporteren naar deze Kamer?

Minister De Jonge:

Ik zal u heel precies laten weten — dat ga ik wel schriftelijk doen — welk deel van de broncode daadwerkelijk op dit moment al gecontroleerd is. Dat wordt in ieder geval in Europees verband gecoördineerd. Dat geldt volgens mijn informatie voor een groot deel van de broncode van Google en Apple. De werking van die API wordt voortdurend gemonitord en geëvalueerd. Ik laat u schriftelijk precies weten wat daarvan geworden is en ik zal u ook laten weten op welke manier wij verder met Google en Apple in Europees verband het gesprek aangaan om zo veel mogelijk van de broncode te openbaren.

Handelingen I 2020/21, nr. 4, item 3, blz. 9-10

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik ben dan ook blij met de toezegging van de minister om met zijn collega's in Europees verband, Google en Apple onder druk te zetten om de Google- en Apple Exposure Notification te open-sourcen. We moeten namelijk echt weten wat die API doet. De minister gaf aan dat de API alleen maar de codes heeft, maar dat klopt niet. De API is onlosmakelijk verbonden met het besturingssysteem en weet dus alles over je telefoon en, zoals al terecht door anderen is gezegd, Google en Apple weten alles over zijn gebruiker. Wat zij verzamelen, weten we niet. Dat kunnen wij niet zien. Inderdaad ligt er nu vanuit de Europese Commissie het verzoek om die API te onderzoeken, maar dat zal bijzonder lastig zijn als het geen open source is. Daarom denkt mijn fractie dat de minister met gemak medestanders hiervoor vindt in Europa. Mijn vraag aan hem is om ons zo spoedig mogelijk te laten weten hoe hij dit ter hand gaat nemen. Hoe sneller het geregeld is, hoe beter.

Handelingen I 2020/21, nr. 4, item 3, blz. 23

Minister De Jonge:

De SP vraagt nog of ik de eerste Kamer kan informeren voor het onder druk zetten van Google en Apple. Volgens mij vroeg u het iets sierlijker dan nu hier op papier staat, maar het antwoord is ja, dat zeg ik uiteraard graag toe. We zijn in gesprek met Google en Apple over zo veel mogelijk transparantie. Daar zal ook internationaal druk op moeten worden gezet en dat moeten we inderdaad ook in Europees verband doen. Ik zal u daar periodiek van op de hoogte stellen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Privacyvoorwaarden corona-app (35.538) (T03016)

De minister van VWS zegt, naar aanleiding van een opmerking van het lid De Boer (GroenLinks), toe de app buiten werking te stellen, als die niet langer voldoet aan de privacyvoorwaarden.


Kerngegevens

Nummer T03016
Status voldaan
Datum toezegging 6 oktober 2020
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Mr.drs. M.M. de Boer (GroenLinks)
Commissie commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen Tijdelijke wet notificatieapplicatie covid-19
COVID-19
privacy
Kamerstukken Tijdelijke wet notificatieapplicatie covid-19 (35.538)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/2021, nr.4, item 3, blz. 8

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Ik heb de minister horen zeggen dat hij met de hand op zijn hart kan verklaren dat de app voor 100% voldoet aan de voorwaarden die de wet stelt. Ik heb ook gehoord dat hij niet bereid is om de app nog een keer te laten testen, een soort eindtoets door de ROS en de AP, maar ook dat er wel aandacht blijft voor de veiligheids- en privacyaspecten, onder andere door het bugbountyprogramma dat hij noemde. Hij gaat ervan uit dat de AP zelf gaat acteren als er zorgen zijn. Ik zal mijn vraag dan ook herformuleren. Kan de minister toezeggen dat de app, als blijkt dat hij toch niet of niet langer voldoet aan de privacystandaarden die de wet vraagt, direct buiten werking wordt gesteld tot dat wel het geval is? Met deze toezegging kan ik mijn fractie — of mijn fractieleden, want we moeten hoofdelijk stemmen, geloof ik —adviseren om voor de wet te stemmen. […] Daarom zien wij de noodzaak, maar ik hoor graag nog de toezegging dat de app, als blijkt dat toch niet aan de privacystandaarden voldaan wordt, al dan niet tijdelijk buiten werking zal worden gesteld.

Handelingen I 2020/21, nr. 4, item 3, blz.23

Minister De Jonge:

GroenLinks vraagt bij monde van mevrouw De Boer of ik wil toezeggen dat als de app niet langer voldoet aan de privacyvoorwaarden, die buiten werking wordt gesteld. Ja, als er een enorme privacy breach zou zijn waardoor je niet meer aan je standaarden kunt voldoen, dan moet je daar ook de consequenties aan verbinden. Dus dat lijkt mij part of the deal.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Overdracht bevoegdheden (35.526) (T03018)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid De Boer (GroenLinks), toe binnen twee dagen aan beide Kamers mededeling te doen van besluiten om bevoegdheden van de burgemeester over te hevelen naar de voorzitter van de veiligheidsregio.


Kerngegevens

Nummer T03018
Status voldaan
Datum toezegging 26 oktober 2020
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Mr.drs. M.M. de Boer (GroenLinks)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen burgemeesters
veiligheidsregio's
COVID-19
Kamerstukken Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (35.526)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 6, item 6- blz. 10.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Een onderdeel waar democratische controle wel tekortschiet en dat nog niet genoemd is, is de bevoegdheid van de minister om te besluiten bevoegdheden van de burgemeester weer over te hevelen naar de voorzitter van de veiligheidsregio. De regering heeft geschreven bereid te zijn de Kamer te informeren over dergelijke besluiten en nader te bezien hoe daaraan op praktische wijze invulling kan worden gegeven, maar dat is mij wat te vrijblijvend. Kan de regering niet gewoon toezeggen dat dergelijke besluiten binnen twee dagen aan de beide Kamers zullen worden meegedeeld, net zoals bij andere regelingen en besluiten op grond van deze wet ook binnen twee dagen mededeling wordt gedaan?

Handelingen I 2020-2021, nr. 6, item 6- blz. 44.

Minister De Jonge:

Ik kom op de bevoegdheid van de minister van VWS om te besluiten om de bevoegdheden van de burgemeester over te dragen aan de voorzitter van de veiligheidsregio. Kan de regering toezegging dat dat type besluiten binnen twee dagen wordt voorgelegd aan beide Kamers? Het antwoord is: ja, dat zullen wij uiteraard doen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Voortgangsberichten (35.526) (T03021)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen van de leden Van Dijk (SGP), Prins-Modderaar (CDA) en De Boer (GroenLinks), via de maandelijkse voortgangsberichten op de hoogte houden van de ontwikkelingen en het toekomstperspectief.


Kerngegevens

Nummer T03021
Status afgevoerd
Datum toezegging 26 oktober 2020
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Mr.drs. M.M. de Boer (GroenLinks)
mr. D.J.H. van Dijk (SGP)
G. Prins (CDA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen informatievoorziening
ontwikkelingen
COVID-19
Kamerstukken Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (35.526)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 6, item 3, blz. 19

De heer Van Dijk (SGP):

Het is echter ook belangrijk om perspectief te bieden wat betreft de duur en de ingrijpendheid van de coronamaatregelen in de periode voorafgaand en na de introductie van een vaccin. Immers, ook wanneer een vaccin tegen corona wordt gevonden, zullen waarschijnlijk maandenlang, zo niet langer, maatregelen nodig zijn. […] Wat zeggen we tegen al die mensen die vrezen dat we nooit van de maatregelen afkomen? Welk perspectief geven we hun?

Handelingen I 2020-2021, nr. 6, item 6- blz. 45

Minister De Jonge:

De heer Van Dijk zei: ook wanneer er een vaccin gevonden is, zullen er waarschijnlijk nog maandenlang maatregelen nodig zijn. Hij vroeg: hoelang is zo'n situatie gerechtvaardigd en welk perspectief kunnen we bieden aan de mensen die vrezen dat we nooit van de maatregelen af komen? Dat is een terechte vraag, die we best heel veel horen. Het perspectief op de korte termijn is dat het lukt om heel veel meer mogelijk te maken dan nu mogelijk is, als we in staat zijn met ons gedrag het virus eronder te houden. Voor de langere termijn geldt dat we als wereldbevolking pas echt beschermd zijn als er een vaccin is of als de behandelingen zo ongelofelijk veel beter zijn dat de ernst en de schade van corona heel veel minder zijn. Maar het liefst wil je voorkomen dat mensen ziek worden. Ik hoop dus van harte dat er op z'n minst een aantal werkzame en effectieve exemplaren zitten tussen al die vaccins die we nu in de race hebben. Dat hoop ik. Dat is het perspectief. Maar het perspectief voor de kortere termijn is dat er weer veel meer mogelijk is als we met elkaar die golf weten te breken en ervoor zorgen dat we weer in control komen, ook al is dat virus nog niet weg.

Handelingen I 2020-2021, nr. 6, item 6- blz. 69.

Mevrouw Prins-Modderaar (CDA):

Normaal is de toekomst al onzeker, maar in deze huidige crisistijd met het grillige virus neemt de onzekerheid extreem toe. Mogen wij aannemen dat het kabinet dan ook verschillende scenario's ontwikkelt om te bezien hoe we nog slimmer met de gevolgen van het virus kunnen omgaan? […] En in dat kader zouden wij graag de toezegging hebben dat bij de maandelijkse informatievoorziening, zoals is aangegeven in deze tijdelijke wet, de beide Kamers steeds worden geïnformeerd over de ontwikkelde scenario's met hun voor- en nadelen.

Handelingen I 2020-2021, nr. 6, item 6- blz. 72.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Verder was er vanavond weer in het nieuws dat mensen perspectief nodig hebben; dat wordt ook gemist in de communicatie. Dus het moet niet alleen maar gaan over wat voor maatregelen ons allemaal te wachten staan, maar ook over waar we naartoe gaan. Dus nogmaals, die communicatie kan wat beter.

Handelingen I 2020-2021, nr. 6, item 6- blz. 79.

Minister De Jonge:

De verschillende toekomstscenario's. Ik denk dat dit aansluit bij de oproep van meerdere fracties: geef nou vooral dat perspectief. Dat proberen we zo goed als mogelijk te doen. Tegelijkertijd moet je er wel eerlijk over zijn dat er veel onzekerheid is. Daar moeten we denk ik wel eerlijk in zijn. Tegelijkertijd is er wel degelijk perspectief, niet alleen op de langere termijn als het gaat over vaccins, waar we hard aan werken maar waar we ook zo duidelijk mogelijk over willen zijn wat er wanneer beschikbaar komt, maar ook ten aanzien van bijvoorbeeld behandelingen en ten aanzien van de mogelijkheden die sneltesten bieden. Dus we zullen u in alle voortgangsberichten op de hoogte brengen van de ontwikkelingen in dat perspectief.


Brondocumenten


Historie







Toezegging De Eerste Kamer voorzien van toekomstscenario’s en de indicatoren die hierin worden meegewogen (35.526) (T03125)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Van Hattem (PVV) en De Bruijn-Wezeman (VVD), toe dat hij de Eerste Kamer informatie verschaft over de verschillende toekomstscenario’s inzake maatregelenpakket bestrijding covid-19, en hierbij betrekt welke indicatoren wel of niet worden meegewogen.


Kerngegevens

Nummer T03125
Status voldaan
Datum toezegging 23 februari 2021
Deadline 1 juni 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden R.G. de Bruijn-Wezeman (VVD)
A.W.J.A. van Hattem (PVV)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Tijdelijke wet maatregelen Covid-19
toekomstscenario’s
Kamerstukken Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (35.526)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 26, item 12, blz. 2-3

De heer Van Hattem (PVV):

Ik snap dat de minister het exacte moment in de tijd niet kan zeggen, maar op de routekaart zijn bepaalde factoren van toepassing, zoals de minister zelf ook zegt. Dat kan inderdaad de mate van effectiviteit zijn van de vaccins, maar de R-waarde kan ook een factor zijn. Kan dit heel concreet worden aangegeven, zodat we als parlement kunnen toetsen welke indicatoren het kabinet meeneemt om bepaalde stappen wel of niet te zetten? Dan kunnen we die afweging ook duidelijk maken en weten we of een wet noodzakelijk is, of er bepaalde aanpassingen zijn en of dingen ingetrokken kunnen worden. Dan kunnen we onze controlerende taak als medewetgever adequaat uitoefenen.

De voorzitter:

Tot slot, de minister.

Minister De Jonge:

Zeker. Dat wil ik zeker doen. Ik zal dit betrekken bij de scenario's, waar ook om gevraagd is. Er is gevraagd om scenario's te schetsen van hoe de toekomst eruit zou kunnen zien. Dat heeft de VVD gevraagd, evenals, onder andere, het CDA. Hoe zien die toekomstscenario's eruit? Dat zal gepaard gaan met een hele hoop onzekerheden, maar ik zal daarin schetsen wanneer het moment gekomen is dat je überhaupt afscheid kunt nemen van de maatregelen en wanneer daarmee ook de noodzaak voor aparte wetgeving vervalt.

Mevrouw De Bruijn-Wezeman (VVD):

De noodzaak voor het afschalen van maatregelen: daar wil ik het eigenlijk … Ik ben geen viroloog, maar er zijn een aantal dingen die me toch opvallen in de discussie. Ten eerste speelt, ook bij het laagste niveau op de routekaart, het aantal besmettingen iedere keer nog een heel belangrijke rol, net als het aantal ziekenhuisopnames en het aantal ic-opnames. Ik snap dat laatste als het gaat om de vraag of we de zorg in de benen houden. Maar is er ook weleens aan gedacht dat we op een gegeven moment naar een bepaald niveau moeten waarop het aantal besmettingen er eigenlijk niet meer zo veel toe doet omdat we een beschermde bevolking hebben, behalve dat je in de gaten moet houden of er geen gevaarlijke mutanten tussen zitten en of het vaccin nog past bij het virus? Dan zou die indicator in feite op een gegeven moment uitgefaseerd moeten worden.

Dan nog iets anders. We hebben het er vanmorgen ook al over gehad dat het virus onder ons blijft. We zullen er waarschijnlijk meerdere jaren mee te maken hebben dat we een hoger niveau van zorg nodig hebben. Mensen die toch besmet raken, zullen ziekenhuisbedden en ic-bedden in beslag gaan nemen. Dat het in crisistijd niet lukt om zomaar eventjes de zorg op te schalen snap ik, maar op een gegeven moment zouden we ook kunnen zeggen dat we naar een hoger zorgniveau toe moeten. Pas uitfaseren op het moment dat alles weer is zoals het was, gaat 'm niet worden ...

De voorzitter:

Wat is uw vraag, mevrouw De Bruijn?

Mevrouw De Bruijn-Wezeman (VVD):

Mijn vraag is dus: wordt er ook op die manier naar de indicatoren gekeken, dus om daar echt heel anders mee om te gaan?

Minister De Jonge:

Over de langere termijn ben ik het eigenlijk ook met u eens, maar op een veel kortere termijn doen we dat door het OMT iedere drie weken te vragen opnieuw te adviseren over de indicatoren. Waarom doen we dat? Omdat je weet dat naar inschatting inmiddels zo'n 3 miljoen mensen de ziekte hebben doorgemaakt en dus zelf antistoffen hebben. Het zou best zo kunnen zijn dat die antistoffen ook weer een beetje afnemen en antistoffen voor de variant die we een jaar geleden kenden, anders zijn dan bijvoorbeeld de ZuidAfrikaanse variant. Niettemin, als je antistoffen hebt opgebouwd, blijf je echt nog wel een tijdje beschermd en als je ziek wordt, word je er op z'n minst minder ziek van. 3 miljoen mensen zijn dus langs de naturelle weg beschermd en inmiddels 1 miljoen mensen zijn gevaccineerd. Dat maakt 4 miljoen mensen beschermd. Als we nog eventjes doorgaan, verwacht ik half maart nog een miljoen mensen extra te hebben gevaccineerd en misschien eind maart nog een miljoen. En zo gaan we natuurlijk alleen maar rapper door in de komende tijd, met alle onzekerheden van dien. Maar er gaat een moment komen, ergens in het tweede kwartaal, dat je zo veel mensen hebt gevaccineerd, plus het aantal mensen dat langs naturelle weg al bescherming heeft opgedaan, dat het aantal besmettingen gaat afnemen, of, en dat is nog waarschijnlijker, het aantal opnames gaat afnemen ten opzichte van het aantal besmettingen. We hebben het OMT dus gevraagd dat de routekaart periodiek een update krijgt van de indicatoren waarlangs je de maatregelen legt, omdat de verhouding tussen het aantal besmettingen en het aantal ziekenhuisopnames gewoon gaat veranderen. Dat is in de afgelopen periode overigens enigszins aan het alterneren geweest, maar dat gaat nog meer en nog sneller veranderen. En dan kan het opeens ook heel rap gaan. Dat is eigenlijk wat je nu in Israël ziet. Dat is het interessante daarvan.

Overigens zien wij het nu zelf in verpleeghuizen. In de cijfers die vanmiddag zullen worden gepresenteerd, zie je dat het aantal verpleeghuislocaties met een besmetting enorm afneemt en dat het aantal besmette 90-plussers enorm afneemt. Het is dus heel interessant om te zien hoe snel vaccinatie daadwerkelijk tot een effect kan leiden. Dat is in alle onzekerheid het hoopvolle van wat we nu zien.

Over de langere termijn ben ik het ook eens. We zullen namelijk op een zeker moment gewoon te maken krijgen met een endemische situatie, het moment waarop het virus here to stay is, maar op zo'n manier dat mensen er in veel mindere mate ziek van worden, en als ze al ziek worden, zullen ze waarschijnlijk in mindere mate een bed nodig hebben. Als er sprake is van een structurele aanpassing op de nieuwe situatie, dan zullen we die aanpassing natuurlijk moeten doen. Vandaar ook dat we aan de slag gaan met scenario's. Die scenario's wil ik graag met u delen. U heeft daarbij als tijdstip genoemd: voorafgaand aan een volgende verlenging. Dat zeg ik heel graag toe.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Koppeling suggesties Covid-19 maatregelen en weging (35.526) (T03137)

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Kluit (GroenLinks), toe dat in alle brieven die de Kamer zal ontvangen met betrekking tot Covid-19 maatregelen, altijd een directe koppeling zal worden gelegd tussen suggesties voor maatregelen en een weging waarom die wel of niet meegenomen worden.


Kerngegevens

Nummer T03137
Status afgevoerd
Datum toezegging 20 april 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen interpellatie
maatregelen
COVID-19
Kamerstukken Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (35.526)


Uit de stukken

Handelingen I , 2020-2021, nr. 35, item 8, blz. 7

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Hoor ik de minister dan zeggen dat er in alle brieven die we nog gaan krijgen, altijd een directe koppeling zal worden gelegd tussen suggesties voor maatregelen en een weging waarom die wel of niet meegenomen worden?

Handelingen I , 2020-2021, nr. 35, item 8, blz. 7

Minister De Jonge:

Ja. Ik meen oprecht dat dat in alle andere brieven het geval is geweest en dat dat ook in de komende brieven het geval zal zijn.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Plan van aanpak aanpassing Twm (35.526) (T03141)

De ministers van J&V en VWS zeggen de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Janssen (SP), De Boer (GroenLinks), Prins (CDA), toe dat zij voor het zomerreces zowel de inventarisatie naar aanleiding van de motie-Stoffer/Bikker (waarmee de regering wordt verzocht te bezien welke bepalingen in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Twm) kunnen vervallen), als het plan van aanpak voor de overgang naar de endemische fase, met bijpassend wettelijke arrangement (waarmee de Twm wordt ‘gestript’), tegemoet kan zien, zodat de behandeling van dit plan en de bijbehorende Twm nog voor de zomer plaats kan vinden.


Kerngegevens

Nummer T03141
Status voldaan
Datum toezegging 25 mei 2021
Deadline 15 december 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Mr.drs. M.M. de Boer (GroenLinks)
mr. R.A. Janssen (SP)
G. Prins (CDA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen aanpassingen
coronamaatregelen
plan van aanpak
COVID-19
Kamerstukken Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (35.526)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 13-15

De heer Janssen (SP):

Ik heb wel een vraag aan de minister — misschien komt hij daar dadelijk in zijn beantwoording nog op — namelijk: hoe gaat het richting 1 september? Moeten we niet toe naar een andere weging per 1 september? Ik heb daar een aantal collega's over gehoord en ik heb het daar zelf ook vrij nadrukkelijk over gehad.

Minister Grapperhaus:

Dan ga ik daar alvast wat vragen over beantwoorden. Deze vraag lag besloten in de vragen van onder anderen de heer Janssen en mevrouw De Boer. […] Op 1 september loopt de wet weer af. De aanloop daarnaartoe is het ijkmoment om te bezien óf de Twm nog verlengd moet worden, en zo ja, of de gehele wet moet worden verlengd of — nu kom ik erop — dat alleen bepaalde delen moeten worden verlengd. Zoals wij het als kabinet bezien, is op dit moment een gedeeltelijke verlenging het meest waarschijnlijk. Als je langzaam het Twm-bootje gaat afduwen omdat je het niet meer nodig hebt, moet je ook kijken wat je permanent in de Wpg moet opnemen. In het Tweede Kamerdebat van 12 mei is een motie van de Tweede Kamerleden Stoffer en Bikker ingediend. Deze motie is aangehouden. De motie verzoekt de regering om met inachtneming van de actuele cijfers te bezien welke bepalingen in de wet, of welke onderdelen van de wet, reeds kunnen vervallen en de Kamer — ik zou denken: de Kamers — daar zo spoedig mogelijk over te informeren. Dat moet bij het eerstvolgende verlengingsverzoek duidelijk en uitgekristalliseerd zijn. Dan zou de vraag van mevrouw De Boer nog aan de orde kunnen komen. Op dit moment denken wij dat een verlenging van drie maanden echt nodig is. Over drie maanden is het half tot eind augustus, als ik het even goed optel. Dat is ietwat ongelukkig. Het zou heel goed kunnen dat we zeggen dat de eerstvolgende periode — voor zover er nog iets overblijft van de Twm — een kortere periode zal zijn. Dat zou ook nog kunnen.

De heer Janssen (SP):

Ik heb een korte tweede vraag, om ook gelegenheid aan mijn collega's te geven op dit punt. Kunnen wij dit nog voor het zomerreces tegemoetzien? Anders valt het een beetje in een gat tijdens de zomer, gezien de volgende verlenging per 1 september.

Minister Grapperhaus:

Dat zal eigenlijk moeten, precies om het gat waar ... Ik bedoel: tijdig voor het zomerreces. Daarbij heb ik altijd geleerd dat in de Eerste Kamer harder wordt gewerkt, waardoor het zomerreces daar later ingaat. Laat ik het zo formuleren: tijdig voor het Twééde Kamerzomerreces. Ik denk dat we, net als vorig jaar, die paar weken moeten gebruiken om met elkaar in contact te staan over hoe we ertegen aankijken.

De heer Janssen (SP):

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we een week later beginnen en ook een week langer doorwerken. Zo simpel is het, dus ik wil geen enkele Kamer tekortdoen. Maar dan is het inderdaad goed dat wij nog voor het zomerreces met enige spoed — het zal goed zijn om daar ook de data voor te reserveren — het hierover kunnen hebben, zodat wij niet in het reces geconfronteerd worden met zaken die we moeten veranderen, gelet op de omstandigheden die we dan hebben. Dan kunnen we ook de verwachtingen die we voor juli en augustus hebben daarin meenemen.

Mevrouw Prins (CDA):

Ik had een vraag over het feit dat u nu aangeeft dat u voor die tijdelijke wet met een delegatiebepaling komt, maar dan blijven we dus bij een tijdelijke wet. Eigenlijk is ons verzoek — dat hebben we heel uitdrukkelijk bij u neergelegd — dat wij afkomen van die tijdelijke wetten. We hadden een crisissituatie. Die is er niet meer. We hebben dat anderhalf jaar ervaren. Nu weten we ongeveer wel wat er kan gebeuren. We hebben diverse ervaringen daarmee gehad. Voor ons is de behoefte aan een toekomstplan heel duidelijk, een plan van aanpak met daarin een aantal criteria, zodat als je straks ergens komt, je weet wat je dan moet doen. Dan is het geen tijdelijke wet meer, maar hebben we heel duidelijk een nieuwe kaderwet of hoe u het ook wilt noemen. Dat maakt mij niet uit; laten we daar de discussie niet over hebben. Het mag ook een wijziging van de Wet publieke gezondheid zijn, maar wel dat we afkomen van dat tijdelijke en weer naar een reguliere parlementaire betrokkenheid gaan, met reguliere wet- en regelgeving.

Minister Grapperhaus:

Ik heb net al gewezen op de motie van de leden Stoffer en Bikker uit de Tweede Kamer, als gevolg waarvan we nou juist in kaart gaan brengen wat je permanent in de Wpg moet hebben enzovoorts. Daar komen we op terug bij uw beide Kamers.

Mevrouw Prins (CDA):

Wij onderkennen denk ik beiden dat de kans aanwezig is dat het virus terug komt, dan wel dat er andere besmettelijke varianten komen of andere virussen. Juist daarom zouden wij graag zien dat dit in wet- en regelgeving wordt vervat. Zo zit je niet meer consequent met tijdelijke maatregelen, maar heb je daar juist van tevoren over nagedacht. We hebben nu zo vaak toch het gevoel dat we op het allerlaatste moment een maatregel of een nieuwe wet moeten bespreken. Dat was eerder begrijpelijk. Daar hebben wij ook altijd alle begrip voor gehad. Dat hebben we ook verdedigd. Maar nu weten we wat ons te wachten kan staan. Die ervaring hebben wij opgedaan. Wij zouden nu graag zien — ik hoop dat u ons dat zou willen toezeggen; dat gaat iets verder dan de motie in de Tweede Kamer — dat wordt gekeken hoe je daadwerkelijk wet- en regelgeving kan maken op basis van de ervaring van de afgelopen periode voor de uitbraak van virussen, op welke manier dan ook.

Minister Grapperhaus:

Wij gaan zeker kijken hoe we nu op de beste manier met wet- en regelgeving door kunnen, maar ik ben nog enigszins terughoudend om te zeggen dat dat helemaal niet meer zou kunnen betekenen dat je met die tijdelijke maatregelen door moet gaan. […] Maar ik ben met u eens dat we moeten kijken hoe we straks doorgaan. Vandaar dat we in ieder geval, en misschien wel ietwat uitgebreider dan geformuleerd in de motie-Stoffer/Bikker, daarnaar gaan kijken.

Mevrouw Prins (CDA):

Mag ik dat dan toch vertalen als een toezegging van de kant van het kabinet dat er wordt gekeken naar een plan van aanpak, met de mogelijke consequenties voor wet- en regelgeving in dezen, met als doel de tijdelijke wet- en regelgeving zo minimaal mogelijk te houden?

Minister Grapperhaus:

Ik denk dat we het liefst die Twm zo scherp mogelijk stellen. Dat wil zeggen: geen regelgeving die niet nodig is. […]

Ik ga er namelijk van uit — u zag mij zonet ook even een blik wisselen met collega De Jonge — dat wij echt tijdig voor de zomer de inventarisatie-Stoffer/Bikker naar uw beider Kamers sturen. Laat ik die inventarisatie zo maar even noemen, anders moet ik steeds die zin herhalen. Dat gaan we in ieder geval doen. […] Een plan van aanpak komt er zeker. Tenminste, we noemen dat maar even het plan van aanpak, maar dat is niet echt een juridische term. Dat is denk ik duidelijk. Ik heb wat aangegeven over de inventarisatie-Stoffer/Bikker. Ik heb ook gesproken over de variant van delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet. Dat gaan we allemaal doen. Daar komen we ruimschoots voor het zomerreces bij uw Kamer mee terug.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 20-21

Minister Grapperhaus:

Maar ik herhaal het nog even: de motie-Stoffer/Bikker "verzoekt de regering, om, met inachtneming van de actuele cijfers, te bezien welke bepalingen in deze wet of onderdelen daarvan, reeds kunnen vervallen", enzovoorts. "Enzovoorts" is "... en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren" — laat ik het maar even helemaal hardop lezen. Dat gaan we doen, en daar worden natuurlijk de ervaringen van de afgelopen tijd in meegenomen. Als we bijvoorbeeld zeggen dat de 1,5 meter niet meer nodig is, wordt daarbij bijvoorbeeld ook gekeken of we vinden dat er toch misschien nog een mogelijkheid moet zijn voor een afstandsverplichting, zoals die nu in de Twm is geregeld. Misschien moet die bijvoorbeeld worden overgebracht naar de Wpg. Dat wil ik ook wel zeggen. En daar zullen we ons natuurlijk over uitspreken. Maar ik zei "als-dan" omdat ik op enig moment meende dat mevrouw De Boer vroeg of ik nu alvast iets kon toezeggen over hoe dan de verhoudingen gaan worden in de nieuwe wet. Dat vind ik ingewikkeld, want ik weet nog niet hoe die hele wet eventueel zou zijn. Ik hoop dat ik het nu duidelijk genoeg heb toegezegd. We gaan dat uiteraard meenemen en komen daar tijdig voor het zomerreces bij u op terug

Minister Grapperhaus:

Collega De Jonge zal straks nog wel iets zeggen over een plan van aanpak voor de toekomst van de Wpg. Daar kijkt men ook naar. Maar, zeg ik maar even heel duidelijk, die twee dingen moeten we echt een beetje uit elkaar houden. Het kabinet heeft straks een evaluatie door de Onderzoeksraad voor Veiligheid en er zijn nog een aantal andere grote onderzoeken die lopen. Ik ga me daar niet achter verschuilen, maar het zou ook aanmatigend zijn als ik hier zou zeggen: weet je wat, wij komen in de zomer enzovoorts. Met betrekking tot die grotere, breder getrokken visie op wat er allemaal is gebeurd en wat dat betekent voor de wetgeving en het beleid, maar ook voor de indeling van departementen en zo, moeten we ook kijken naar wat er uit de onderzoeken komt. Ik wil de toezegging aan mevrouw Prins duidelijk voor honderd procent gestand laten.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 24-28

Minister De Jonge:

Daar waar het gaat over de juridische situatie na 1 september, dus na de huidige verlenging die net is gepasseerd, zal het kabinet een voorstel moeten doen aan de Kamer. Het meest waarschijnlijke voorstel acht ik een tijdelijke wet die heel veel dunner is, met heel veel minder instrumentarium daarin, met alleen instrumenten die je voor de wat langere termijn zou willen gebruiken. En met daarbij een daadwerkelijk bepalende zeggenschap voor de Eerste Kamer; dat is zojuist de toezegging geweest van collega Grapperhaus namens het kabinet. Daarin zul je dus alleen de instrumenten opnemen waarvan je ook de verwachting hebt dat je ze zult gaan gebruiken. Die wettelijke constructie is wat mij betreft onderdeel van een plan van aanpak voor de volgende fase van de crisisbestrijding. In welke fase zitten we op dit moment? Eigenlijk is dat de overgang van de huidige epidemische naar de endemische fase die we verwachten. Dat is met nadruk een overgangsfase. Je bent natuurlijk niet van de ene op de andere dag in een endemische fase beland. Je zult voor de tussentijd dus nog een aantal maatregelen overeind moeten houden. Waarom? Omdat de vaccinatiegraad niet homogeen is. We verwachten een heel hoge vaccinatiegraad. In tegenstelling tot een aantal percentages dat ik heb gehoord, is de vaccinatiebereidheid juist aan het stijgen op dit moment, tot boven de 80% in het laatste onderzoek. Die is alleen niet homogeen. We weten dat er bijvoorbeeld op de biblebelt minder wordt gevaccineerd. We weten ook dat er in achterstandswijken minder wordt gevaccineerd. Dat is een zorg, want daar kan het virus blijven rondgaan. Dat maakt dat je nog een aantal maatregelen overeind moet houden. Welke dat exact zijn, zullen we uitwerken in een plan van aanpak, dat we voor de zomer aan de Kamer zullen doen toekomen. Daarin bespreken we de overgangsfase met elkaar: wat verwachten we dan van vaccineren en van testen, welke maatregelen willen we nog en welk wettelijk arrangement past daar dan het beste bij? Dat is een beetje een lang antwoord op de overzichtelijke vraag of er ook een einddatum aan de huidige wetten kan worden gegeven. Ja, voor wat betreft de huidige constructie zijn die gekoppeld aan de Twm. Daarmee hebben ze vooralsnog een einddatum van 1 september, want de verlenging loopt tot 1 september. Als we ze langer nodig hebben, zal het aan het kabinet zijn om daartoe een voorstel te doen aan de Kamer. En dan zal het aan de Kamer zijn om het daarmee eens te zijn. […]

We kunnen ook niet helemaal inschatten wat het effect is dat West-Europa, de Verenigde Staten en het VK snel gevaccineerd zullen zijn, maar heel veel delen van de wereld nog niet. We don't know wat het effect daarvan zal zijn op de manier waarop het virus zich ontwikkelt en de manier waarop mutaties zich onttrekken aan de toegediende vaccins. We hebben ons voor te bereiden op die situatie. Dat is het plan van aanpak dat we nu ontwikkelen. Daarbij hoort een wettelijk arrangement dat passend, proportioneel en adequaat is om in te kunnen grijpen als dat nodig is én wat in navolging van de motie-Janssen en de motie-De Boer daadwerkelijk bepalende zeggenschap regelt voor de Eerste Kamer. […]

Wij zullen een plan van aanpak maken voor de overgang van de huidige epidemische fase naar de endemische fase van straks. Wat is er nodig op het gebied van maatregelen? Wat is er nodig op het gebied van vaccineren? Wat is er nodig op het gebied van testen? Wat is er nodig qua crisisorganisatie? Dat plan van aanpak zal worden voorzien van een passend wettelijk arrangement vanaf 1 september. […]

Nu gaan we onmiskenbaar over naar een nieuwe fase. De Twm hebben we gemaakt voor de epidemische fase. Niet helemaal in het begin, want toen hebben we het gewoon gedaan met de Wet publieke gezondheid. Toen die geen adequate basis bleek, hebben we de Twm opgetuigd voor die epidemische fase. Daar zijn alle instrumenten in gekomen die nodig leken. Daar voegen we nu twee instrumenten aan toe, waarvan eigenlijk alle fracties zeggen: het is maar de vraag of we die voor de eeuwigheid nodig hebben. De opvattingen of we die voor nu nodig hebben, wisselen. Het kabinet is stellig van opvatting van wel en volgens mij geldt dat ook voor een meerderheid van de Eerste Kamer. Alleen zegt iedereen: ook weer niet voor de eeuwigheid. Het moet wel tijdelijk blijven.

Nu staan we ook aan de vooravond van de overgang van de epidemische fase naar de endemische fase. Dat betekent sowieso dat je een plan van aanpak moet maken. Wat heb je straks nog nodig op het gebied van maatregelen, testen en vaccineren? Welke crisisorganisatie past daarbij? Maar ook: welk wettelijk instrument past daarbij? Een meerderheid van de Kamer — en dat heeft college Grapperhaus ook uitgestraald — vindt dat de Twm in zijn huidige vorm waarschijnlijk niet het beste wettelijke arrangement is voor de volgende fase. Dan is de vraag van de Kamer: kom dan voor de zomer met een voorstel om wel een goed wettelijk arrangement neer te zetten dat past bij de volgende fase. Daarop zegt het kabinet: dat gaan we doen. We komen dus met een plan van aanpak voor de overgang naar die endemische fase en met een wettelijk arrangement dat daarbij past.

Dat betekent inderdaad sowieso een wijziging van de huidige Twm op het punt van de parlementaire betrokkenheid van de Eerste Kamer en ook op het punt van het instrumentarium dat bij de volgende fase past. Maatregelen die er sowieso uit kunnen, zullen we er sowieso uit halen. Maatregelen die je wel of niet nodig denkt te hebben, zullen met een aan-en-uitknop in dat wetsvoorstel komen te staan. Dat betekent inderdaad een parlementaire behandeling in Tweede en Eerste Kamer. […]

De huidige twee wetten liggen hier apart ter goedkeuring. Daarmee worden ze toegevoegd aan de instrumentenkist van de Twm. Als de Twm onverkort wordt verlengd, dan verleng je daarmee ook de huidige maatregelen. Maar wij kondigen aan dat we de Twm in zijn huidige vorm niet gaan verlengen. We gaan een plan van aanpak maken en kiezen daarbij het instrumentarium dat bij de volgende fase past. Of daar toegangstesten bij passen, daar ga ik zo meteen op in. Of daar quarantaineplicht bij past, daar ga ik zo meteen op in. Het is dus terecht om je bij iedere fase af te vragen of we het eigenlijk nog wel nodig hebben. Zeker. […]

Dankzij de interrupties heb ik gelukkig al kunnen toelichten dat we aan de vooravond staan van de overgangsfase, en dat we die overgangsfase moeten voorbereiden. Een plan van aanpak komt dus voor de zomer. Ik meen dat ik aan de Tweede Kamer half juni heb beloofd. Die datum zal in de richting van de Eerste Kamer hetzelfde zijn. Daarbij hoort een voorstel voor het bijpassende wettelijke arrangement. Daarbij neem ik graag de opdrachten mee die u vandaag heeft gegeven en die u wellicht nog zult geven.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 66-68

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Ook is toegezegd dat de regering voor de zomer komt met een inventarisatie met betrekking tot de wenselijkheid van het voortduren per maatregel uit de Twm, waarin wordt ingegaan op noodzaak, effectiviteit en proportionaliteit, en met een plan van aanpak en de bijbehorende wettelijke regelingen voor de volgende fase: de overgang naar de endemische fase. Die wettelijke regeling kan bestaan uit verlenging van delen van de Twm en/of andere wettelijke arrangementen. Deze voorstellen zullen we dan ook uiterlijk 13 juli in de Eerste Kamer plenair moeten behandelen. Wanneer worden deze voorstellen bij de Tweede Kamer ingediend?

Mevrouw Prins (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Allereerst dank aan de ministers voor de beantwoording van de vele vragen. Wij zijn blij met de duidelijke toezegging dat er nog voor de zomer een plan van aanpak komt met verkenning van de mogelijke opties, juist nu wij ons, zo is de verwachting, in een overgangsfase bevinden van een pandemie naar een endemie. In dat plan is er aandacht voor de verschillende situaties die zich kunnen voordoen, met zo mogelijk indicatiefactoren, inclusief het daartoe benodigde wettelijke arrangement. Dit alles heeft als doel om weg te komen van het tijdelijke wettelijke kader naar een wettelijk kader dat besproken kan worden in beide Kamers. Mevrouw de voorzitter. Ik vraag de minister of wij dit correct hebben weergegeven.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 77

Minister De Jonge:

Allereerst mevrouw De Boer. Zou het nog kunnen lukken om die behandeling van het plan van aanpak en de bijbehorende Twm, waarbij de tijdelijke wet wordt gestript en de motie-Janssen en de motie-De Boer eraan worden toegevoegd, nog voor de zomer te laten plaatsvinden? Wat mij betreft wel. Ik denk dat dat mogelijk moet zijn. Trouwens, het zal gewoon moeten, want je hebt 'm nodig vanaf 1 september. Als het niet hoeft, zouden we daar niet over moeten willen vergaderen in het zomerreces, dus laten we het gewoon doen voor het reces, wat mij betreft.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 79

Minister De Jonge:

Mevrouw Prins refereert aan de toezegging om een plan van aanpak te maken voor de overgangsfase van de epidemische fase naar de endemische fase. Dat gaan we inderdaad doen, met een oriëntatie op de vraag wat dat betekent voor ons vaccinatiebeleid, voor ons testbeleid, voor de maatregelen en voor de juridische vormgeving daarvan, en voor onze crisisorganisatie. Wij willen dat gelijktijdig delen met uw Kamer op het moment dat we de gewijzigde Twm aan de Kamer voorleggen, zodat we die debatten in één keer kunnen voeren. Zoals toegezegd aan mevrouw De Boer zal dat voor de zomer zijn.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Proportionaliteit toegangstesten in plan van aanpak (35.807) (T03143)

De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Kluit (GroenLinks) en Van der Voort (D66), toe om proportionaliteit onderdeel te maken van het plan van aanpak en daarbij in te gaan op de vraag hoe om te gaan met toegangstesten op langere termijn: in welke situaties is dat proportioneel, wanneer zijn toegangstesten niet meer nodig of moeten juist weer worden ingezet (de zgn. aan-en-uitknop) en wat is de drempelwaarde daarvoor?


Kerngegevens

Nummer T03143
Status afgevoerd
Datum toezegging 25 mei 2021
Deadline 1 juli 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA)
Prof.dr. P.H.J. van der Voort M.Sc. (D66)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen gezondheidstesten
proportionaliteit
toegangstesten
COVID-19
Kamerstukken Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen (35.807)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 27

De heer Van der Voort (D66):

Ik kan het erg kort houden, voorzitter. Die aan-en-uitknop intrigeert me. We hebben het eerder over een pauzeknop gehad, maar nu hebben we het over een aan-en-uitknop. Stel dat we straks in een situatie komen waarin we ons weer normaal kunnen gedragen, althans zoals we ons herinneren van een tijdje gelegen. Dan zijn we natuurlijk op onze hoede voor nieuwe varianten en voor een nieuwe toename van de besmettelijkheid. Is de minister bereid om op voorhand alvast aan te geven bij welk niveau van toename van het aantal besmette personen die knop weer aangaat?

Minister De Jonge:

Dat laat zich op dit moment heel erg moeilijk voorspellen. Ik wil daar heel graag op terugkomen op het moment dat wij met het plan van aanpak komen. Ik heb u de vraag horen stellen en ik snap de vraag ook. Ik vind het een terechte vraag. Voor nu hebben we het sowieso nodig, want het aantal besmettelijken is op dit moment nog boven de 100.000. Dat betekent dat de kans dat je iemand tegenkomt nog vrij groot is. Als je vrolijk in het theater naast elkaar zit, of als je bij het Songfestival naast elkaar staat en je zou niet aan toegangstesten doen, dan is het risico dat je die verspreiding gaande houdt, veel te groot. Met de huidige vaccinatiegraad en de huidige besmettingsgraad is het risico om die evenementen weer te laten doorgaan, zoals we dat zouden willen, gewoon nog te groot.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 31-32

Mevrouw Kluit

Het tweede punt gaat daar ook over. Proportionaliteit moet je aantonen. Op het moment dat er te weinig besmettingen in Nederland zijn, gaan de valspositieven enorm toenemen. Wij hebben gepleit om er een bodem in te leggen, wanneer we wel en niet toegangstesten gaan vragen.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Minister, mijn collega heeft een getal aangegeven en zij heeft u uitgedaagd. U levert daar nog niet op, maar ik ga u toch vragen om dat wel te doen.

De voorzitter:

Wat is uw vraag, mevrouw Kluit? Een korte vraag, een interruptie.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Hoe wil de minister proportionaliteit aangeven? Wat heeft hij nodig om daar op korte termijn criteria bij te leveren?

Minister De Jonge:

Ik ga het wedervoorstel doen om dat onderdeel te maken van het plan van aanpak, want voor dit moment hebben we dat sowieso nodig. Anders moeten er langer kleinere groepjes in het theater en kunnen er voorlopig geen festivals plaatsvinden. Als we dat allemaal wel willen, dan hebben we voorlopig toegangstesten nodig. De tijdshorizon is gekoppeld aan de tijdshorizon van de huidige Twm. Wat we nodig hebben, is een plan van aanpak voor de overgangsfase van pandemie of van epidemie naar endemie. Daarin zullen we het ook moeten hebben over: hoe gaan we dan om met het toegangstesten voor de langere termijn? Ik kan me voorstellen dat u daarin de beschrijving wilt hebben: in welke situatie is dat op dat moment proportioneel? Die kan ik u in dat plan van aanpak geven. Dat kan ik niet op dit moment doen, omdat het voor deze fase op die manier niet geldt.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Ik hoor hier een toezegging van de minister dat er voor toegangstesten een bodem moet zijn. Hij gaat die formuleren voor de volgende stap die we zetten. De reden is dat we op dit moment sowieso op een niveau zitten waarop het proportioneel is. Vat ik dat goed samen?

Minister De Jonge:

Zeker, ja.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 38-39

Minister De Jonge:

Mevrouw Kluit vraagt wanneer de inzet van toegangstesten eigenlijk proportioneel is.

[…]

Ik hoor weleens mensen zeggen: nu gaat het kabinet de testsamenleving invoeren, of zo. Dat zult u mij nooit horen zeggen, want ik vind dat een niet-nastrevenswaardig beeld. Nee, we gaan niet "de testsamenleving" invoeren. We gaan weer mooie dingen mogelijk maken. We gaan theaters zien vol te krijgen, we gaan restaurants zien vol te krijgen, we gaan evenementen weer mogelijk maken. Dat is wat we gaan doen. Als dat alleen maar veilig kan door toegangstesten, zullen we in die tijdelijke situatie de toegangstesten gebruiken. Daarna kappen we daar weer mee, behalve als het, in het beeld van mevrouw Kluit, nodig is om ze weer uit de gereedschapskist te halen. Ik heb al toegezegd dat ik in een plan van aanpak zal terugkomen op de criteria die daar dan bij passen. Ik snap wel dat u daarbij om criteria vraagt.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 45-47

De heer Van der Voort (D66):

Ja, precies. Dus als je ervan uitgaat dat dat is waar het om gaat, is het dan ook voor de hand liggend dat de aan-en-uitknop, die je ook voor de coronatoegangsbewijzen kan gebruiken, afhangt van het besmettingsrisico in de populatie, dus laten we zeggen van de prevalentie?

Minister De Jonge:

Zeker, dus de prevalentie of incidentie van besmettingen in relatie tot de vaccinatiegraad, in relatie tot de bescherming. Zo zul je altijd de som moeten maken.

De heer Van der Voort (D66):

U bent dus bereid, begrijp ik hieruit, om zo'n prevalentiemeting mee te nemen. Het is natuurlijk ook wel heel fijn om daar transparant over te zijn, zodat iedereen in Nederland weet waar we staan en of de toegangstesten in deze epidemiologische situatie dan ook nog lang aan de hand zijn, of dat we misschien al tegen een ondergrens aan zitten waaronder het niet meer nodig is.

Minister De Jonge:

Nou, dat denk ik nog niet hoor. Was het maar zo. Uw bestelling is heel helder geweest. Volgens mij deelt u die bestelling met mevrouw Kluit. U zegt eigenlijk: ik wil weten wanneer toegangstesten niet meer nodig is, en ook wanneer het eventueel weer aangezet zou kunnen worden als je het tegen de winterperiode mogelijkerwijs weer nodig hebt. Ik heb de bestelling goed genoteerd. Ik vind ook dat wij aan de slag moeten om voorspelbaar te zijn over wanneer je een instrument wel of niet inzet, en dat ook gerationaliseerd te doen. In zijn algemeenheid geldt dat deze wet het niet mogelijk maakt om toegangstesten in te zetten als er niet meer vrijheden voor terug kunnen komen. Dat is namelijk de proportionaliteitsweging die in de wet zit. Op grond daarvan moeten we onze maatregelen en onze ministeriële regeling maken. Op grond daarvan beoordeelt de Kamer ook of die weging adequaat is gemaakt. Nadat de wet is gewijzigd, kan ook de Eerste Kamer die proportionaliteitsweging maken per vastgestelde regeling in de nahangprocedure. […]

Ik verwacht dat dan na enige tijd het toegangstesten niet meer nodig zal zijn. De vraag is: zou er weer een moment kunnen komen waarop toegangstesten weer wel nodig is? U heeft de bestelling gedaan om daarvoor de parameters te articuleren. Dat snap ik ook. Die parameters zijn besmettingsgraad en beschermingsgraad, dus vaccinatie/infectie. Dat zal de combinatie zijn tegen de achtergrond waarvan je dit besluit zou moeten kunnen nemen.

[…]

Dan is de vervolgvraag van mevrouw Kluit en de heer Van der Voort een veel moeilijker vraag, namelijk: wat zouden dan de epidemiologische randvoorwaarden zijn waaronder je op den duur dat toegangstesten weer aan zou willen zetten? Die is nog moeilijker, want tegen die tijd heb je een hogere vaccinatiegraad, maar wellicht een mutatie waardoor je er weer anders naar kijkt of een te heterogene verdeling van de vaccinatiegraad waardoor je er toch weer anders naar moet kijken et cetera. Ik wil daar dus even ruimte hebben voordat ik die proportionaliteitsparameters goed kan bepalen. Voor het nu geldt het zoals ik zojuist schetste.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 51

Minister De Jonge:

Dan was er de discussie met de heer Van der Voort en met mevrouw Kluit over wat de epidemiologische randvoorwaarden zijn waaronder je eventueel dat toegangstesten ook later nog een keer ...

De voorzitter:

Daar heeft u al een aantal keer antwoord op gegeven en volgens mij was dat niet de vraag van meneer Van Strien.

Minister De Jonge:

Daar gaan we mee aan de slag. Dat wilde ik nog zeggen.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 66

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Allereerst dank voor de toezegging dat de automatische koppeling tussen de Twm en de testwet eruit wordt gehaald en dat we dus niet een hele volledige Twm hebben als we door willen gaan met het testen in het najaar. Dank ook voor de toezegging om een aan-en-uitknop te maken waarmee duidelijk wordt op welke momenten er sprake kan zijn van toegangsbewijzen bij niet-essentiële sectoren. We begrijpen dat we daar nu met 100.000 besmettingen aan voldoen, maar we vinden het ook heel belangrijk dat dit specifiek wordt. Dus de motie met D66 laten we staan, maar dat is een aanmoedigingsmotie om te zorgen dat dit goed op orde komt.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 70

De heer Van der Voort (D66):

Dan het tweede punt: de foutpositieven. Ik heb de minister horen zeggen dat een laag niveau van besmettelijkheid het aantal foutpositieven zo doet toenemen dat op een goed moment het inzetten van testen niet meer proportioneel is. Ik reken voor dat met 50.000 besmettelijken in Nederland, er bij het testen van 10.000 mensen 30 waarpositief testen. Bij een specificiteit van 99,8% — dat is de hoge waarde waar collega Verkerk op wees — is het aantal foutpositieven dan 20. De vraag aan de minister is of een verhouding van 30 waarpositieven versus 20 foutpositieven de ondergrenswaarde is. Als we dat naar 25.000 besmettelijke personen in Nederland terugbrengen, dan zijn er 15 waarpositief en 20 foutpositief. Het is op zichzelf dus geen moeilijke berekening en geen moeilijke inschatting.

Nou zegt de minister dat voor de nieuwe wetgeving die drempelwaarde of ondergrens benoemd zal gaan worden. We zijn ontzettend blij dat die beweging ingezet wordt. Maar wat is er eigenlijk op tegen om nu al in een ministeriële regeling op te nemen dat het toepassen van de testen vervalt bij bijvoorbeeld 25.000 of 50.000 besmettelijken in Nederland? Wij maken dit punt ook omdat een foutpositieve test niet zonder gevolgen is voor de persoon bij wie die wordt vastgesteld. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de quarantaine die eruit voortvloeit en ook aan de familieleden. Wij dus blij dat de minister deze beweging reeds maakt. De motie die GroenLinks en D66, dat zijn mevrouw Kluit en ik, willen indienen, zien wij dan ook als een aanmoedigingsmotie.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 80

Minister De Jonge:

Wat is erop tegen om nu in de regeling op te nemen dat het toepassen van testen vervalt bij 25.000? Ik wil er nog even over nadenken of dat het getal is dat wij moeten hebben. Toegangstesten zullen vanaf stap 6 van het openingsplan — de stap waarbij de basismaatregelen komen te vervallen — in principe niet meer worden ingezet, tenzij. Op dat "tenzij" ga ik op verzoek van mevrouw Kluit in bij het plan van aanpak. Wat wil je in de instrumentenkist hebben voor de langere termijn? Bijvoorbeeld als het risico zich voordoet waarop het OMT wijst, namelijk een afnemende bescherming door afnemende antistoffen, een heterogene vaccinatiegraad en bijvoorbeeld een nieuwe mutatie. Dat kan een situatie zijn waarin je juist weer wel toegangstesten wil doen, om te voorkomen dat er dingen dicht moeten. Dat was de oproep van mevrouw Kluit. Wat is dan de drempelwaarde daarvoor? Daar ga ik op in. Dat ga ik uitwerken. Ik noem nog geen getallen, omdat dat al te arbitrair zou zijn.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Regionale covid-19-maatregelen bij regionale uitbraak (35.526) (T03144)

De minister van VWS zegt, naar aanleiding van een vraag van het lid Verkerk (ChristenUnie), toe dat, afhankelijk van het risiconiveau, bij een regionale uitbraak, regionaal kan worden ingegrepen en landelijke maatregelen achterwege kunnen blijven.


Kerngegevens

Nummer T03144
Status voldaan
Datum toezegging 25 mei 2021
Deadline 1 januari 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen coronamaatregelen
regio's
COVID-19
Kamerstukken Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (35.526)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 38

Minister De Jonge:

De heer Verkerk vraagt over de heftige uitbraak of in regio's kan worden gecontamineerd met een regionale lockdown. Is dat ook wat het kabinet voor ogen heeft? Dat is nu al het instrumentarium van het kabinet. Feit is alleen dat vanaf risiconiveau drie en vier het echt noodzakelijk is landelijke maatregelen te treffen, omdat het dan gegeven de besmettingsgraad gewoon niet meer lukt om het lokaal te houden. Mijn aanname is juist dat we weer toe gaan naar lokale ingrepen, omdat we dalen qua risiconiveau. Dit is de instrumentatie die past bij risiconiveau één.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 36-37

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Ik ben heel blij om te horen dat de minister ook denkt in termen van de hamer en de dans. In de afgelopen periode hebben we gezien dat de echte voorstanders van die hamer en de dans zeggen: de klap zou harder moeten zijn geweest. Ik hoor de minister zeggen: als we weer op lage niveaus zitten, wil ik weer meer regionaal gaan denken. Kijkend naar de toekomst en niet naar het verleden, want dat zat anders in elkaar, vraag ik de minister of hij dan bereid is om scherper na te denken of er als het in een regio misgaat — dat kan de oostelijke mijnstreek zijn, dat kan de biblebelt zijn — een forse klap met die hamer kan worden gegeven, omdat het niet mag overslaan.

Minister De Jonge:

Onderdeel van die proportionaliteit is: als je het regionaal af kunt, moet je het ook regionaal doen. In dat opzicht ben ik het zeer met u eens. Stel dat er, nadat we een behoorlijke vaccinatiegraad hebben opgebouwd, toch ergens een regionale uitbraak zou zijn, bijvoorbeeld in een regio als de biblebelt, dan zou je regionaal moeten kunnen ingrijpen zonder daarmee het hele land weer lastig te vallen. Dat lijkt mij een zeer logische gedachte. Het blijft onderdeel van het instrumentarium.[…]

Ik begrijp goed wat u zegt. Regionaal ingrijpen moet kunnen. Ik zeg er wel bij dat we in een andere fase terechtkomen, een fase waarin we sowieso een behoorlijke mate van bescherming hebben opgebouwd door vaccinatie en doordat mensen de infectie hebben doorgemaakt en om die reden antistoffen hebben opgebouwd. We komen echt in een andere fase terecht, ook met het risico op influx van nieuwe varianten. We beginnen namelijk qua bescherming niet op nul. Daarmee zijn we echt op een andere manier beschermd.

Moeten dus de ingrepen in het volgend jaar nog zo rigoureus zijn als in het afgelopen jaar? Ik denk eerlijk gezegd van niet. Om die reden moeten we heel precies kijken hoe die volgende fase eruitziet, wat de epidemiologische risico's zijn qua vaccinatiegraad, qua afname van de antistoffen bijvoorbeeld, qua risico op nieuwe mutaties. We moeten ons testbeleid, ons vaccinatiebeleid maar ook onze andere maatregelen enten op die epidemiologische risico's. Regionaal waar dat kan en landelijk als het per se moet.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 66

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Dank ook voor de toezegging aan de heer Verkerk dat regionale spreiding van maatregelen mogelijk is. Ik had daar een vraag over, maar die werd al beantwoord. Het is mooi dat daarnaar gekeken gaat worden en dat die spreiding ingezet gaat worden als dat kan.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 71

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb nog een paar punten. Als eerste wil ik u toch hartelijk danken voor de toezegging om ook op regioniveau te gaan kijken naar de risiconiveaus en ook daar maatregelen te treffen. Ik ben het volledig met u eens dat dat alleen werkt bij de niveaus 1 en 2 en niet bij de niveaus 3 en 4. Toch dank voor de toezegging.

Ik vond ook het debat over de hamer en de dans met u erg leuk. Er is nog één punt dat ik graag in zou willen brengen om toch nog een uiterste poging te doen. U heeft gesproken over proportionaliteit en ook aangegeven dat het niet altijd makkelijk was om de Tweede Kamer en deze Kamer te overtuigen van bepaalde maatregelen. Dat heb ik ook gezien. Er is alleen wel één bijzonder punt. Als we in een situatie zitten dat er een uitbraak in één bepaalde regio is, dan komt het hele verhaal over proportionaliteit anders te liggen als je sterkere maatregelen wilt. Het kan namelijk ook overgaan naar andere regio's. Ik zou dat graag bij u willen aanbevelen. Wilt u kijken of u daar iets van aanmoediging, toezegging of weet ik wat richting mijn kant over kunt geven?

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 84

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Nog even de vraag rond de hamer en de dans. Ik heb u gevraagd: als je op lokaal niveau bezig bent, kun je dan niet strengere maatregelen nemen omdat de proportionaliteit toch anders komt te liggen?

Minister De Jonge:

Dat kan wel degelijk. Sterker nog, als de besmettingsgraad generiek weer laag is en je ziet onverhoopt ergens een uitbraak ... Ondanks de vaccinatie is er ergens een uitbraak. Het kan niet anders dan dat er kennelijk een hele heterogene vaccinatiegraad is bereikt. Als dat het geval is, dan is het wel degelijk mogelijk om inderdaad die lokale hamer uit de kast te halen en daar een flinke mep mee uit te delen. Dat moet zeker kunnen. Op dat moment, gegeven die situatie, kan dat wel degelijk een proportionele afweging zijn. Zeker, absoluut.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Opheffen mondkapjesplicht in openingsplan (35.526) (T03145)

De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Raven (OSF), toe te bekijken op welke plek het opheffen van de mondkapjesplicht in het openingsplan past.


Kerngegevens

Nummer T03145
Status afgevoerd
Datum toezegging 25 mei 2021
Deadline 1 juli 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden A.C.M. Raven (OSF)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen coronamaatregelen
mondkapjesplicht
COVID-19
Kamerstukken Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (35.526)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 29

Minister De Jonge:

De heer Raven vroeg waarom er niks is opgenomen over de mondkapjesplicht. Hij gaf aan dat dat op z'n minst een omissie is. Dat klopt, dat is inderdaad een omissie en dat onderwerp gaan we toevoegen. Maar ik verwacht dat dat zeker niet voor stap 4 zal zijn. Het zal niet al bij stap 3 zijn. Dat is niet omdat we met zes lakstempels erop aangetoond hebben gekregen dat de mondkapjesplicht de allerbeste bijdrage levert, maar met zo'n groot aantal besmettelijke personen — nog steeds boven de 100.000 — helpen alle kleine beetjes. We moeten voorlopig dus nog vasthouden aan de mondkapjesplicht, maar ook daarvoor geldt de proportionaliteitstoets en de proportionaliteitsweging. Die weging hebben we ook te maken op het moment dat je ervanaf gaat.

Kun je dat verlichten voor mensen die al gevaccineerd zijn? Onderling kan dat wel en gebeurt dat ook, bijvoorbeeld in zorginstellingen, verpleeghuizen of instellingen voor gehandicaptenzorg, maar in het openbare leven kan dat natuurlijk niet, want daar kun je niet op handhaven. Je bent dan überhaupt de grip op de handhaving kwijt.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 34-35

De heer Raven (OSF):

Ik wil even een statement maken. Volgens mij is dit een van de laatste keren dat ik dit kapje afdoe. Het verhaal dat de minister vertelt, is een beetje teleurstellend in die zin dat ik eigenlijk had gedacht dat hij op hetzelfde level zou zitten als Joe Biden. Die zei vorige week: mensen die gevaccineerd zijn, kunnen dat kapje rustig weggooien. Ik denk eerlijk gezegd dat we dat hier ook zouden moeten gaan nastreven.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Raven (OSF):

De vraag is of we dat gaan nastreven en of de minister daar een versnelling in kan maken. Ik wil daarbij opmerken dat hier volgens mij de wet van Murphy aan de orde is. Hoe is het mogelijk dat de mondkapjesplicht niet vermeld staat tussen alle zaken die nu versoepeld gaan worden?

Minister De Jonge:

Nou, er is vooral nog geen plek aangegeven in het openingsplan voor wanneer je daarvan af zou kunnen. Het heeft gewoon een medische achtergrond en een handhavingsachtergrond. In de Verenigde Staten heeft men een groot probleem. Daar heeft men precies een gebrek aan een hoge vaccinatiegraad en een homogeen opgebouwde vaccinatiegraad. Er worden daar allerlei acties ondernomen om de vaccinatiegraad te verhogen, van allerlei gratis toestanden tot je niet meer aan de mondkapjesplicht hoeven houden. Stel je voor dat we dat in Nederland zouden doen: in de Jumbo hoef je geen mondkapje meer op als je gevaccineerd bent. Dan zie je dus mensen zonder en met een mondkapje rondlopen. De handhaver zou op dat moment moeten beoordelen of dat terecht is of niet. Dat kan natuurlijk niet. Dan krijg je een heel ingewikkeld handhavingsprobleem. Het effect daarvan zal zijn dat er niet meer wordt gehandhaafd. Dan is de 1,5 meter gewoon weg en zijn mondkapjes gewoon weg. De medische vraag is dan vervolgens of dat op dit moment al verantwoord is. Het antwoord op die vraag is natuurlijk nee. We hebben volgens het OMT-advies van vandaag, geloof ik, 117.000 of 119.000 besmettelijken. Dat betekent dat er nog een gerede kans is dat u, als u bananen staat te wegen bij de Jumbo, naast iemand staat die besmettelijk is en die niet thuis is gebleven omdat hij klachten had. Dan is het wel fijner als hij gewoon zijn mondkapje opdoet en gewoon 1,5 meter afstand houdt.

De heer Raven (OSF):

Nu raak ik nog meer teleurgesteld, want nu gaan we de mondkapjesplicht afhankelijk stellen van de handhaafbaarheid. Dat is een risico dat we vandaag sowieso nemen op het moment dat we de tijdelijke wet gaan aannemen. Het moet dan wel tijdelijk zijn, en echt tot het strikt noodzakelijke worden beperkt. Maar wat de minister nu aangeeft, is een uitvoeringsprobleem ...[…] Dat uitvoeringsprobleem kan nooit de reden zijn dat we de mondkapjesplicht handhaven.

Minister De Jonge:

Maar ik geef ook aan dat het een combinatie is. Ik denk dat, als je voor gevaccineerden de mondkapjes en de 1,5 meter zou loslaten in het publieke domein, de handhaving weg is. Dat bent u denk ik met mij eens. Ik denk dat het heel belangrijk is om dat in ogenschouw te nemen. Als je daarmee nu al de 1,5 meter en de mondkapjes ten grave zou dragen, heb je ze dus ook niet meer als beschermende maatregel. Vervolgens is de vraag of de epidemiologische situatie al zodanig is dat je je een dusdanige versloffing van de basismaatregelen kunt veroorloven. Het antwoord op die vraag is natuurlijk nee.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 72

De heer Raven (OSF):

Dank u wel, voorzitter. Onze vragen zijn voornamelijk via de interrupties beantwoord, maar niet allemaal naar tevredenheid, zoals bijvoorbeeld het verzoek om het opheffen van de algemene mondkapjesplicht. Ik dacht aan te kunnen sluiten bij Joe Biden, die dat voor gevaccineerden heeft afgeschaft. Dat zou hier in Nederland ook mogelijk moeten zijn. De regering gebruikt als argument dat dat moeilijk handhaafbaar is. Dat is wat ons betreft de wereld op de kop, want de basis is niet handhaving, maar openstelling van de maatschappij en zaken weer mogelijk maken. Maatregelen moeten niet langer duren dan strikt noodzakelijk. De vraag is of de mondkapjesplicht nog heel lang moet duren.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 83

Minister De Jonge:

Ik ga heel rap naar de heer Raven. Hij kwam nog een keer terug op de mondkapjesplicht. Ik zeg u graag toe dat ik kijk op welke plek in het openingsplan dit goed past. Ik vind het alleen moeilijk om in het openbare domein een onderscheid te maken tussen wel- en niet-gevaccineerden. Dat lijkt me niet verstandig om te doen. Dat is niet omdat ik handhaven zo belangrijk vind. Het punt is dat als je niet meer kunt handhaven, de 1,5 meter kwijt is. Die vind ik voorlopig nog wel belangrijk, want anders duurt het langer voordat we van de pandemie af zijn.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Zelftesten (35.807) (T03146)

De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Kluit (GroenLinks), toe de vraag op welk moment de inzet van (al dan niet begeleide) zelftesten verantwoord mogelijk is, mee te nemen bij de uitwerking van het zelftesten en het kijken over de grens om te zien hoe men dat daar doet.


Kerngegevens

Nummer T03146
Status afgevoerd
Datum toezegging 25 mei 2021
Deadline 1 september 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen gezondheidstesten
toegangstesten
zelftesten
COVID-19
Kamerstukken Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen (35.807)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 40

Minister De Jonge:

De zelftesten. Ik denk niet dat het mogelijk is om zelftesten nu al in te zetten, omdat ik nog niet goed weet hoe ik dan moet voorkomen dat er zou worden gefraudeerd. Waarom is dat belangrijk? Dat is gegeven het besmettingsrisico. Stel je voor: je bent nog niet gevaccineerd, er is een groot festival en zelftesten zouden oké zijn. In de leeftijdsgroep 18 tot 24 zitten juist een heleboel besmettelijken. Stel: je steekt het wattenstaafje in de neus van je kleine broertje, je zorgt voor een positieve testuitslag, je uploadt die uitslag zelf op de site en dan kun je als gevolg daarvan een QR-code krijgen. Dan ga je naar binnen, terwijl je eigenlijk misschien besmettelijk bent. Daar moeten we een oplossing voor vinden. In de Tweede Kamer is mij, ik meen door uw partijgenoot Lisa Westerveld, aangereikt om eens te kijken hoe ze dat in Engeland hebben opgelost. Daar wil ik graag naar kijken, maar we hebben op dit moment nog geen systeem.

Tegelijkertijd is het haakje in de wet alvast gecreëerd. Zodra er een mogelijkheid is om met zelftesten de drempel nog verder te verlagen, is dat misschien best een hele mooie mogelijkheid. Op dit moment kan het dus nog niet, maar de opdracht is er wel om dit op een goede manier te gaan uitwerken.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 46, 48-49

Minister De Jonge:

Ten aanzien van de zelftesten snap ik goed wat u bedoelt, maar ik zou het voor nu riskant vinden om zelftesten in te zetten, omdat ik nu nog niet goed die zelftesten kan linken aan zo'n toetssysteem. Als ik het nu zou doen, vrees ik dat ik vrij snel het fenomeen toegangstesten om zeep help. Het hoeft maar op een paar evenementen mis te gaan en het hele geloof in toegangstesten is weg. Ik heb de opdracht op me genomen, daartoe aangemoedigd door GroenLinks moet ik zeggen, want het kwam niet helemaal bij mezelf vandaan en het kwam ook niet helemaal van harte bij mezelf vandaan. Ik ga ermee aan de slag en het is in de wet geamendeerd als mogelijkheid om aan te zetten op het moment dat we daarvoor een betrouwbaar systeem kunnen ontwikkelen. Er schijnt iets te zijn in het VK wat op een goede manier wordt gebruikt. Zelftesten is laagdrempeliger. Als je daar begeleid zelftesten van zou kunnen maken door een begeleide afname zodat het vinkje door een ander wordt gezet dan jezelf, zou dat bijvoorbeeld kunnen helpen. En dan moeten we dat gaan inregelen. Zover is het nog niet. Ik moet daar eerst nog mee aan de slag.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Ik snap het punt van de minister dat zelftesten een hoger risico kennen, omdat je niet precies weet in wiens neus dat stokje is gegaan. Tegelijkertijd constateer ik ook maar dat we, zolang de VNG niet handhaaft, niet weten hoeveel mensen zonder toegangsbewijs naar binnen komen. In Denemarken, waar ze de testsamenleving helemaal hebben uitgerold, is heel nadrukkelijk duidelijk geworden dat de horecaondernemer niet kijkt of er getest is als je oom agent niet langs stuurt om te controleren. Dan gebeurt wat er gebeurt en gaan mensen dat niet meer van tevoren doen. Het verschil tussen een testinfrastructuur en een zelftest is in de praktijk misschien minder groot dan we denken. In alle systemen zitten loopholes. […]

Minister De Jonge:

Ik ben altijd heel erg voor pittige gesprekken. Wat u volgens mij wilt, is het zelftesten. Waarom? Om het testen laagdrempeliger te maken en de drempel van de afstand tot zo'n teststraat voor mensen niet te groot te maken. Dat is uw inzet. Die snap ik heel goed. Het eerste wat we daaraan doen, is de bereikbaarheidsnormen goed vaststellen en zorgen voor een heel fijnmazige afnamestructuur. Het tweede wat we daarvoor doen, is ervoor zorgen dat we onderzoeken hoe we de zelftesten zouden kunnen inbouwen. Daar ben ik alleen nog niet. Tot die tijd wil ik het niet doen voorkomen alsof zelftesten een alternatief zou kunnen zijn voor toegangstesten. Dat is het vooralsnog gewoon niet.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 66

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

En dan … Ik moet het even lezen. Ik snap dat het complex is — overigens ook zoals ik het opgeschreven heb. We doen net alsof de testen die we doen in de testinfrastructuur een grotere betrouwbaarheid hebben dan een zelftest. Strikt genomen kan dat ook zo zijn als je de ene met de andere test vergelijkt. Je kunt de frauduleuze handelingen beter voorspellen als iemand ergens naartoe gaat. Tegelijkertijd is er wel een bepaald punt waarop dat kantelt. Als mensen niet naar een testcentrum gaan en als er niet gehandhaafd wordt, en ze zomaar een café of restaurant kunnen inlopen, ontstaat daar openheid. Als je laagdrempelige testen toestaat, heb je kans dat meer mensen testen dan wanneer je hoogdrempelig kwalitatief goede testen toelaat. Ik wil de minister vragen om daarnaar te kijken in het plan van aanpak voor de zelftesten. Waar zit nou dat punt dat je zelftesten op slecht bereikbare locaties kunt inzetten zonder dat je daar enorme extra risico's op binnenhaalt? En dat is omdat ik in deze teststructuur zie dat grote groepen mensen hier niet goed aan mee kunnen doen.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 77

Minister De Jonge:

Dan het zelftesten mogelijk maken aan de deur. Wat zou nou het moment zijn waarop dat verantwoord mogelijk is? Ik neem die vraag mee bij de uitwerking van het zelftesten en het kijken over de grens om te zien hoe men dat daar doet. Ik kan er niet op voorhand iets van zeggen, maar ik vind wel dat ik daarop terug moet komen. Ik vind het een gelegitimeerde vraag.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Loslaten groepsgrootte in openingsplan (35.807) (T03149)

De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Kluit (GroenLinks), toe in stap 4 van het openingsplan de maximale groepsgrootte los te laten voor instellingen die 1,5 m kunnen aanhouden.


Kerngegevens

Nummer T03149
Status afgevoerd
Datum toezegging 25 mei 2021
Deadline 1 september 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen coronamaatregelen
groepsgrootte
COVID-19
Kamerstukken Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen (35.807)


Uit de stukken

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 66

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Als je de 1,5 meter aanhoudt als instelling of organisatie, kom je nog wel in stap 4 de groepsgroottes tegen. Ik snap de logica daar niet helemaal meer van. We zijn ingeënt — de aantallen nemen toe — de 1,5 meter wordt aangehouden en dus zou het besmettingsrisico laag moeten zijn. Dus wij zouden graag horen dat die groepsgrootte losgelaten wordt vanaf stap 4.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 77

Minister De Jonge:

Dan mevrouw Kluit over de doorstroomlocaties, de 1,5 meter en de groepsgrootte. Ik denk dat het voornemen van het kabinet helemaal aansluit bij datgene wat u zou wensen. Is het mogelijk om de afbakening van de groepsgrootte op enig moment los te laten? Ik denk dat het zeker te overwegen is. Ik kom daar ook graag op terug bij de verdere uitwerking van niet zozeer stap 3, maar stap 4 van het openingsplan. Dat is een.

Twee is dat ik uw bijdrage zo hoor dat u zegt: als een instelling met 1,5 meter open kan en daarmee prima uit de voeten kan, waarom ook niet? En dan is toegangstesten toch zeker niet per se nodig? Nee, inderdaad. Dat is altijd een toegevoegde optie. Bij doorstroomlocaties, musea bijvoorbeeld, heb ik al aangegeven dat ik niet veel toegevoegde waarde zie voor toegangstesten op dit moment. In andere sectoren weer wel. Het blijft echter altijd een vrijwillige optie. Als instellingen zeggen "laat mij gewoon met die 1,5 meter werken, want ik kan daar prima mee uit de voeten", dan is dat altijd goed. Ik denk dus dat de ideeën daar op eenzelfde lijn liggen.

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 81

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Ik vertaal dit als een toezegging dat we in stap 4 de maximale groepsgrootte voor deze locaties loslaten. Ik laat het helemaal aan de minister over om daarin dan de datum te prikken.

Minister De Jonge:

Exact. Geef me die ruimte in ieder geval wel, want dat is wel nodig.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Onverwijld antwoorden (35.874) (T03215)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van der Voort (D66), toe dat schriftelijke vragen over een goedkeuringswet binnen een paar dagen worden beantwoord.


Kerngegevens

Nummer T03215
Status afgevoerd
Datum toezegging 13 juli 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Prof.dr. P.H.J. van der Voort M.Sc. (D66)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen COVID-19
Kamerstukken Verlengingsprocedures Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 45, item 2, blz. 3

De heer Van der Voort (D66):

(…)

Een zorg die de D66-fractie heeft, is de termijn waarop de goedkeuringswet in de Tweede Kamer en daarna in de Eerste Kamer wordt afgehandeld. Een ronde schriftelijke vragen kan al gauw een aantal weken tot maanden in beslag nemen. Daarmee kan de afhandeling van een goedkeuringswet als mosterd na de maaltijd komen. Onze fractie zou geholpen zijn met de toezegging dat beantwoording van schriftelijke vragen over de goedkeuringswet zowel voor Tweede als Eerste Kamer binnen enkele dagen zal worden afgehandeld.

Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 2, blz. 1

Minister De Jonge:

(…)

Dan kom ik op de vragen die daarover zijn gesteld. Ik begin met de vraag van de heer Van der Voort of de minister kan toezeggen dat voor beide goedkeuringswetten de schriftelijke ronde steeds binnen een paar dagen wordt beantwoord. Ja, want de wet schrijft voor "onverwijld". Dat is een pracht van een woord. Dat betekent gewoon "zo snel mogelijk". Zo snel mogelijk bij een goedkeuringswet is: een paar dagen. Langer dan dat hoeft dat eigenlijk niet te duren.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Vervalbepaling Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874) (T03216)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Nicolaï (PvdD), toe dat hij de vervalbepaling van artikel VIII van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 nader zal beschouwen om te bezien of dit een opschortingsbepaling kan worden. De Kamer zal daarover geïnformeerd worden.


Kerngegevens

Nummer T03216
Status afgevoerd
Datum toezegging 13 juli 2021
Deadline 1 januari 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden prof. mr. P. Nicolaï (PvdD)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen vervalbepaling
COVID-19
Kamerstukken Verlengingsprocedures Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 45, item 2, blz. 21

De heer Nicolaï (PvdD):

Dan kom ik bij het andere punt, namelijk of het geschut niet te grof is. Want we kunnen alleen ja of nee zeggen. Ik denk dat mevrouw De Bruijn daar een heel terechte vraag over gesteld heeft en dat het ook goed is dat we daarover geïnformeerd zijn, want als er nee gezegd wordt, betekent dat dat de gereedschapskist zoals die in de Wet publieke gezondheid zit, eruit valt. Dat is het gevolg. Dat is eigenlijk het gevolg van een stukje wetgevingstechniek en dat is heel makkelijk op te lossen. Mijn vraag aan de minister is dan ook of hij bereid is om daar eens naar te kijken. Wat er nu staat, is dat met ingang van drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, die hoofdstukken vervallen. Maar als je dat "vervallen" vervangt door dat de werking ervan wordt opgeschort, dan kan je in het KB de opschorting ongedaan maken of eerder opschorten. Dan heb je in feite hetzelfde systeem van die Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag. Dat is een kleine wijziging maar daarmee voorkomen we dat we in een situatie komen dat als er toch een conflict is tussen de regering en de Kamer, waarbij de Kamer het hoog speelt en zegt "als je niet wil luisteren gaan we die wet niet goedkeuren", er een gat ontstaat. En dat moeten we vermijden. Dus als we in vrede en goedgemutst de wet hier willen goedkeuren, is mijn vraag of de regering kan toezeggen: we gaan jullie op tijd informeren over de gereedschapskist en we gaan nog eens kijken of, nu we het zo geregeld hebben, het woordje "vervallen" eigenlijk wel het juist woordje is in die bepaling.

Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 2, blz. 9-27

Minister De Jonge:

(…)

Dan zegt de heer Nicolaï dat de vervalbepaling van de Twm nu wat grof geschut lijkt. Hij vraagt of wij bereid zijn om te kijken hoe dat anders kan worden opgelost, namelijk dat instrumenten niet vervallen, maar dat de werking daarvan wordt opgeschort. Ik denk dat de heer Nicolaï daar wel een punt heeft. Het is nu inderdaad of aan of uit, maar eenmaal uit betekent ook uit de gereedschapskist. Je moet dan echt een nieuw wetgevingstraject starten om het weer in de gereedschapskist te krijgen. Dat heeft iets grofs inderdaad. Je zou ook nog anders kunnen redeneren. Als je het artikel in de wet laat staat, dus per KB verlengt, hoef je het nog niet te gebruiken. Dat is de facto, niet de jure, maar de facto, ook een vorm van opschorting natuurlijk. Zo staan er heel veel artikelen in de wet die we op dit moment niet gebruiken, die we wel gebruikt hebben, maar die op dit moment ongebruikt in de gereedschapskist laten zitten. Dat is een vorm van opschorting, in praktische zin. Maar u heeft gelijk. Het zou nog mooier zijn als je ook een artikel zou kunnen opschorten. Dus daar gaan we naar kijken. Dat is een interessante suggestie.

(…)

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik had de minister om twee toezeggingen gevraagd. Hij is daar wel op ingegaan, maar voor mijn gevoel niet duidelijk genoeg. (…).

Ten tweede. We hebben het gehad over het gat dat eventueel valt doordat in artikel 8 het woordje "vervallen" staat. Ik had aan de minister gevraagd of hij bereid is om daar nog eens naar te kijken en dat op te lossen. Is de minister daartoe bereid? En kunnen we daar dan ook op korte termijn over geïnformeerd worden?

Minister De Jonge:

(…)

Naar het tweede wil ik ook kijken, maar niet met spoed. Er zijn ook nog heel veel andere klussen te klaren, dus dit gaat wel eventjes duren. Maar het is wel een interessante optie. U zegt eigenlijk: maak er geen harde vervalbepaling van, maar mogelijk een opschortingsbepaling. Dat vergt natuurlijk gewoon een wetswijziging. Als we erover uitgestudeerd zijn dat we die andere wetswijziging meenemen, is dit ook een wetswijziging die we mogelijkerwijs zouden moeten gaan doorvoeren. Dat komt dan veel meer in de buurt van de kersttoezegging aan mevrouw Prins en mevrouw De Boer. Ik ga dit meenemen bij die vraag: zou de huidige Twm eigenlijk wel zo tijdelijk moeten blijven, of moet je niet ook voor de huidige crisis toch al over naar een wat meer permanente bepaling in de Wpg? Die vraag ga ik voor de kerst beantwoorden. Daar neem ik uw vraag ook in mee.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Aanpassing Wet publieke gezondheid (35.874) (T03217)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden De Boer (GroenLinks) en Prins (CDA), toe dat hij de Kamer vóór de kerst een brief zal sturen met beschouwingen over een aanpassing van de Wet publieke gezondheid voor de huidige covid-19-crisis.


Kerngegevens

Nummer T03217
Status voldaan
Datum toezegging 13 juli 2021
Deadline 15 december 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Mr.drs. M.M. de Boer (GroenLinks)
G. Prins (CDA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Wet publieke gezondheid
COVID-19
Kamerstukken Verlengingsprocedures Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 45, item 2, blz. 2-6

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

(…)

Verder valt ons op dat de evaluaties die genoemd worden zich slechts heel beperkt richten op het juridische instrumentarium in crisissituaties. Voldeed dit? Zijn er onderdelen die moeten worden vastgelegd in permanente noodwetgeving die indien nodig tot leven kan worden gebracht? Vanzelfsprekend weer met rechtsstatelijke waarborgen, zoals adviezen van de Raad van State en betrokkenheid van het parlement. Of is het beter ervoor te kiezen de gehele inhoud van de Twm te laten vallen en bij een nieuwe crisis weer een geheel nieuwe tijdelijke wet op te tuigen? Zijn dit soort vragen ook onderwerp van evaluatie en reflectie?

(…)

Mevrouw Prins (CDA):

(…)

Meneer de voorzitter. In mei hebben wij van de minister een toezegging gekregen inzake een toekomstvisie voor een samenleving met virussen. In de Tweede Kamer heeft de minister tijdens het debat op 7 juli aan ChristenUnie en CDA toegezegd om voor de kerst met een evaluatie en een schets van bijbehorende wetgevingsinstrumenten te komen, omdat hij eerst wil wachten op diverse evaluaties. Natuurlijk hebben wij begrip voor zorgvuldig handelen, voor lessen van de vele evaluaties. Alleen, het virus wacht daar niet op. Dit spoedwetsvoorstel bestendigt in feite weer de tijdelijkheid van deze zo relevante wet- en regelgeving, met inbreuk op de diverse grondrechten. Wij — ik spreek in dezen mede namens de ChristenUnie — zouden de minister dan ook om een duidelijke toezegging willen vragen om vóór een mogelijke verlenging van de tijdelijke wet per 1 december een regulier wetsvoorstel te presenteren, waarbij de regering in geval van uitbraken van virussen die leiden tot onacceptabele belastbaarheid van de zorg en die kwetsbare mensen buiten verhouding treft, binnen de kaders van deze nieuwe wet de juiste maatregelen kan treffen.

Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 2, blz. 12

Minister De Jonge:

(…)

Kortom, ik heb inderdaad in het vorige debat toegezegd aan mevrouw De Boer en mevrouw Prins dat het ons gaat lukken om voor de kerst een brief te sturen waarin wij onze beschouwingen geven over een aanpassing van de Wpg voor de huidige crisis. Stel dat je op enige moment af zou willen van het werken met de tijdelijke wet, welke artikelen zou je dan voorlopig nog even moeten toevoegen aan de Wpg om de huidige crisis te kunnen bestrijden? Het is te veel gevraagd om dan ook al te kunnen komen tot een daadwerkelijk wetsvoorstel dat gaat over het bestrijden van de volgende pandemie, dus een daadwerkelijk toekomstbestendige Wpg. Ik denk dat u ons daar overvraagd, want de evaluaties zullen nog niet ver genoeg zijn afgerond om die vragen daadwerkelijk te kunnen beantwoorden.

Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 19, blz. 14

Minister De Jonge:

(…)

Dan kom ik op de vragen. Er is nog een enkele vraag die moet worden beantwoord. Die gaat over die brief van voor de kerst over de Wpg eigenlijk als opvolger van de tijdelijke wet. Zo heb ik u gehoord. Allereerst denk ik dat we moeten onderscheiden wat in de huidige Wpg zou moeten wijzigen als we liever afstappen van de Twm en liever overgaan tot een gewijzigde Wpg om de huidige crisis mee kunnen te bezweren. Dat is de brief die ik in december, dus niet voor december, kan sturen. Daar zou een voorstel uit naar voren kunnen komen om inderdaad toe gaan naar een wijziging van de Wpg, maar ik wil op de inhoud van die brief niet vooruitlopen. Dat is dus één.


Brondocumenten


Historie







Toezegging De Kamer vooraf informeren over het verlengings-KB (35.874) (T03220)

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Nicolaï (PvdD), toe dat de Kamer steeds per brief geïnformeerd wordt voorafgaand aan het slaan van het verlengings-KB over wat de inhoud van het verlengings-KB gaat worden, opdat de Kamer daarop kan interveniëren.


Kerngegevens

Nummer T03220
Status afgevoerd
Datum toezegging 13 juli 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden prof. mr. P. Nicolaï (PvdD)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen verlengings-KB
COVID-19
Kamerstukken Verlengingsprocedures Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.874)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 45, item 2, blz. 20

De heer Nicolaï (PvdD):

(…)

Ik heb de regering horen zeggen, ook in debatten over de coronamaatregelen, dat er altijd goed naar moties gekeken wordt en dat moties ook worden uitgevoerd. En eigenlijk zou ik de minister willen vragen of hij hier kan toezeggen dat de regering, als deze wet wordt aangenomen, voordat een KB tot verlenging wordt vastgesteld, tijdig in een schriftelijke notitie aan beide Kamers aangeeft welke bevoegdheden uit de gereedschapskist zij wenst te behouden. Ik zeg het maar ook meteen: ik overweeg op dat punt een motie.

Handelingen I 2020-2021, nr. 46, item 2, blz. 27

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik had de minister om twee toezeggingen gevraagd. Hij is daar wel op ingegaan, maar voor mijn gevoel niet duidelijk genoeg. Ik zou nog een keer aan de minister willen vragen of hij kan toezeggen dat voordat een KB tot verlenging aan de orde komt, beide Kamers schriftelijk worden geïnformeerd over welke bevoegdheden de regering wenst te behouden en welke er komen te vervallen. Dat is mijn eerste vraag. Graag daar een uitdrukkelijk antwoord op.

(…)

Minister De Jonge:

Het antwoord op de eerste vraag is sowieso: jazeker. Per brief informeren we u voorafgaand aan het slaan van het verlengings-KB over wat de inhoud van het verlengings-KB gaat worden, opdat u daarop kunt interveniëren.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Naleving, controle en handhaving (35.961) (T03320)

De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Karakus (PvdA) en Verkerk (ChristenUnie), toe dat hij de minister van J&V zal vragen de Kamer te informeren over de naleving, controle en handhaving. Daarbij zal de Kamer ook geïnformeerd worden over het plan ter intensivering van de controle, waarover nu met de sectoren het gesprek wordt gevoerd.


Kerngegevens

Nummer T03320
Status afgevoerd
Datum toezegging 30 november 2021
Deadline 1 januari 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden H. Karakus (PvdA)
Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen controles
coronamaatregelen
handhaving
naleving
Kamerstukken Inzet coronatoegangsbewijzen bij niet-essentiële detailhandel en niet-essentiële dienstverlening op publieke plaatsen (35.961)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 10-11

Minister De Jonge:

De heer Karakus vroeg: hoe kunnen we de handhaving verder versterken? Maken we nou ook een handhavingsplan? Ik heb allereerst gezegd: handhaving is belangrijk. Het is wel het sluitstuk, maar het is belangrijk. In het kader van handhaving zijn dus zware sancties mogelijk en die worden ook toegepast: waarschuwen en daarna sluiten. In het kader van controle is het goed om ondernemers te ondersteunen om dit goed in te vullen. Dan gaat het soms over voorlichting, maar gaat het ook over ondersteuning. De minister van JenV spreekt hier actief over met zijn collega's in het Veiligheidsberaad: de burgemeesters. Daarnaast zijn de ministers van EZK en JenV met de sectoren in gesprek om te komen tot goede controle- en handhavingsplannen. We vinden ook dat ondernemers daar goed financieel in moeten worden ondersteund. Het kan zijn dat er aanvullend mensen moeten worden ingezet uit de handhaving, zoals uit het veld van beveiligers en handhavers.

Samen wordt op dit moment gekeken wat er nodig is. Ik stel voor dat ik collega Grapperhaus vraag om u daarover te informeren, naar aanleiding van uw vraag en die van GroenLinks, en goed over het voetlicht te brengen wat er aanvullend wordt gedaan, boven op de 45 miljoen die al is ingezet voor de gemeenten om de controle te bevorderen.

De heer Karakus (PvdA):

Dank voor de beantwoording en dank voor de toezegging dat er een plan komt. Het gaat niet alleen maar om het onderdeel handhaving. Volgens mij zijn we het er met elkaar over eens dat naleving het belangrijkste is. Handhaving kan ook betekenen dat je mensen op straat vriendelijk aanspreekt: u heeft uw mondkapje niet op. Of: u houdt geen afstand. Dat is ook een vorm van gedrag. Dus dat soort onderdelen, de naleving, controle en handhaving, zouden als het ware in één plan terug moeten komen. Hoe gaan we dat doen? Aan de ene kant stimuleren we gedrag.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Karakus (PvdA):

Hoe gaan we controleren en hoe gaan we handhaven? Ik wacht dus het plan van de minister af.

Minister De Jonge:

Even in alle precisie, want anders verwacht u meer van collega Grapperhaus dan hij van plan was te gaan waarmaken. We hebben al 45 miljoen beschikbaar gesteld aan de gemeenten, die daarmee hun eigen gemeentelijke handhaving intensiveren. Ze maken ook afspraken met sportverenigingen et cetera. Collega Grapperhaus en de collega's van EZK zijn met de verschillende sectoren in gesprek over de vraag: hoe zou je nou de controle — dus niet de handhaving, maar de controle — verder kunnen intensiveren? Nou, zeggen die sectoren, het zou al geweldig helpen als we daar ook financieel in worden ondersteund. Daar zijn we als kabinet toe bereid. Met de sectoren komen we dus tot plannen die de controle moeten intensiveren. Daarvan zeg ik: dat gesprek loopt nu. Dat plan over de controle willen we graag aan de Kamer doen toekomen, om te laten zien: het is niet alleen maar handhaving, het is ook gewoon het versterken van de controle. Wat we natuurlijk willen zien, is dat die nalevingscijfers omhooggaan. Dat zien we de afgelopen weken wel een beetje. Dat is dus goed, maar het is niet goed genoeg.

De voorzitter:

Dank u wel. Tot slot, meneer Karakus.

De heer Karakus (PvdA):

Ik weet niet of we het over hetzelfde plan hebben. Nogmaals, mij gaat het erom dat we met elkaar overtuigd zijn. Het gaat me niet om de financiële middelen. Daar heb ik wel om gevraagd, maar het gaat niet om de hoogte van het bedrag. Soms is het efficiënter om zo min mogelijk financiële middelen in te zetten. Mensen aanspreken heeft soms meer effect dan alleen maar geld pompen in moeilijke dingen. Handhaven gaat ook om de mogelijkheden en de onmogelijkheden. Hoe staat het met de juridische basis? Kunnen we mensen erop aanspreken? Kunnen we dingen sluiten? Of kan het veel soepeler? Ik ben het ermee eens dat het het meest effectief is vormgegeven.

De voorzitter:

Wat zijn uw vragen?

De heer Karakus (PvdA):

De vraag is: waarom kan er geen generiek plan komen op die onderdelen, waardoor we de overtuiging hebben dat het in goede handen is?

Minister De Jonge:

Ik ben er een beetje beducht voor dat we dingen over gaan doen. Die 45 miljoen is al aan de veiligheidsregio's ter beschikking gesteld. Die veiligheidsregio's zetten dat geld in op plekken waarvan zij zelf van opvatting zijn dat die het meest noodzakelijk zijn voor de handhaving. Ik ben zeer bereid om aan Grapperhaus te vragen om eens helder te maken waar dat nou aan opgemaakt wordt en of dat de meest effectieve inzet is. Dat is één element. Het tweede element voegen we eraan toe. We gaan daarbij met die sectoren om de tafel over de vraag hoe zij hun controle zouden kunnen versterken. Als die sectoren aan ons terugzeggen dat zij daar wel financieel bij geholpen willen worden, dan zeggen wij als kabinet dat we daarvoor openstaan. Dat laatste leidt tot een nieuwe interventie en ik licht graag aan de Kamer toe wat collega Grapperhaus daarover afspreekt. Het is dus handhaving en controle. De kern is natuurlijk dat je de nalevingscijfers omhoog wilt krijgen. Dat is de kern.

De heer Verkerk (ChristenUnie): Nog even een korte vraag. Ik heb heel veel goede dingen gehoord die beide ministeries gaan doen. Ik vind het heel belangrijk dat de controle en handhaving omhooggaan. In het vorige debat heb ik de minister van JenV gevraagd om de Kamer regelmatig te informeren over de resultaten. Dat kon hij niet toezeggen. Ik zou het fijn vinden als u dat wél kan toezeggen. Het mag in de maandelijkse stand-van-zakenbrief. Ik zou graag willen volgen hoe goed dit gaat.

Minister De Jonge: Ik snap dat eigenlijk wel goed. Als hij hier gestaan had, had hij denk ik gezegd: dat gaan we doen. Ik ga dus graag met hem opnemen in welke vorm dit kan. Dan kunnen we tegelijkertijd tegemoetkomen aan de toezegging aan de heer Karakus. Ik zou het heel fijn vinden als ik het mag doen in de voortgangsbrief.

De heer Verkerk (ChristenUnie): Prima. Ik dank u.

Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 29-30

De heer Karakus (PvdA):

Vandaag hebben we onze zorgen geuit over de gevolgen van de gebrekkige handhaving. Laat ik vooropstellen: alles heeft de doelstelling om ervoor te zorgen dat de stijging van het coronavirus ingeperkt wordt, zodat we kunnen voorkomen dat de druk op de zorg toeneemt. Het genomen maatregelenpakket zou daar een bijdrage aan moeten leveren. Wij hebben aangegeven dat wij de vraag hebben hoe effectief dat is. Daar hebben we nog geen helder antwoord op gekregen. Morgen loop ik, na al het debat van vandaag en vorige week, misschien in de Afrikaanderwijk en de mensen vragen dan wat dit betekent. Ze vragen: komen we sneller aan de beurt voor de zorg of is het zo dat het zorgpersoneel het dan minder druk gaat krijgen? Kan de minister nog een keer aangeven wat dit voor de zorg betekent? Want dat is onze doelstelling. Wat is het effect van het maatregelenpakket? En ik heb het dan dus niet alleen maar over het CTB, maar over het totale maatregelenpakket. Nogmaals, onze doelstelling is het voorkomen van druk op de zorg. Graag daar dus nog antwoord op.

Dan het tweede. Woorden zijn belangrijk, en het voorkomen van druk op de zorg zou ook het verhaal naar buiten moeten worden. Creëer draagvlak. Schets perspectief. "Beste mensen, het is lastig, maar als we ons houden aan het maatregelenpakket, dan heeft dat dit als voordeel, voor u en voor ons." Maak er een goed verhaal van. Straks krijgt u nog een kans om daarop te oefenen, beste minister.

Dan naleving. Ik ben blij dat de minister aangeeft dat naleving belangrijk is en dat, om de naleving te verhogen, controleren en handhaven een belangrijk onderdeel van de aanpak gaan worden. We willen inderdaad de pakkans bij een overtreding verhogen, omdat wij denken dat dit effect heeft op de naleving. Zijn we overtuigd geraakt door de beantwoording van de minister? Twijfel. We hebben het vertrouwen dat de minister met een goed plan van aanpak komt, maar daar willen we van overtuigd worden. Misschien moeten we daar nog aan koppelen dat het snel aangeleverd wordt. Als het volgende maatregelenpakket zich aandient, dan is het voor ons cruciaal om het nieuwe maatregelenpakket op dat punt goed te kunnen beoordelen. Misschien kunt u dat een onderdeel maken van het voorstel. Hoe gaat u handhaven? Wat is het effect? Kunnen we dat inzichtelijk krijgen?

Voorzitter. Al met al hebben we daar dus nog onze zorgen over. Maar we vertrouwen erop dat de minister en de regering ons vertrouwen hierin niet zullen schaden en dat de minister ons ontzorgt bij de vraag hoe we de naleving gaan verhogen en hoe we een goed en degelijk plan van aanpak in elkaar gaan zetten.

Dat gezegd hebbende, zou mijn advies naar de fracties zijn om akkoord te gaan met deze wetgeving. Ik adviseer positief, onder de toezegging van de minister dat we een degelijk plan van aanpak krijgen, waardoor wij overtuigd zijn.

Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 32-33

Minister De Jonge:

Dan ga ik verder. Wat betreft de vragen, gaat het volgens mij nog over de vraag die de heer Karakus op tafel heeft gelegd. Hij zegt, over dat maatregelenpakket: je moet kunnen blijven uitleggen wat eigenlijk het doel is van dat maatregelenpakket. Ik hecht daar ook aan. Ik denk eigenlijk dat de gemeenschappelijke grond die ons, hoezeer we het ook oneens kunnen zijn, allemaal verbindt, is: hoe kunnen we zorgen dat de zorg voor ons allemaal, voor iedereen die zorg nodig heeft, toegankelijk blijft? Dat betekent op de korte termijn gewoon het interveniëren en het nemen van stevige maatregelen, die niet fijn zijn, die zeer beperkend zijn en die ook grondrechtenbeperkend zijn, om de toegankelijkheid van de zorg zo veel als mogelijk te waarborgen voor iedereen. Dat is het doel van de maatregelen op de korte termijn. Vervolgens is het doel om nog steeds veilig, maar ook zo open mogelijk de rest van de winter door te komen. Dat is het doel van de maatregelen die we nu toevoegen aan de gereedschapskist, om ze op enig moment ook als alternatief voor de zeer beperkende maatregelen te kunnen toevoegen. Dat is het doel en zo wil ik ook telkens proberen om te blijven uitleggen waarom we doen wat we doen.

En dan heeft u helemaal gelijk: je moet maatregelen kunnen handhaven. En als je ze niet kunt handhaven, ga er dan maar van uit dat de controle achteruit zal gaan. En als de controle achteruit zal gaan, ga er dan maar van uit dat ook de naleving dus uiteindelijk achteruit zal gaan. Naleving, controle en handhaving gaan hand in hand. Ik heb u al verteld over de 45 miljoen. Ik heb u al verteld over de beschikbaarheid aan de kant van het kabinet van aanvullende middelen voor de sectoren om de controle verder te versterken. Ik heb u verteld over de wekelijkse monitoring van de naleving en dat we echt willen zien dat die naleving omhoog gaat. U heeft gezegd: ik wil dat eigenlijk gewoon vervat zien in een plan van aanpak, op basis van de gesprekken die op dit moment met de veiligheidsregio's worden gevoerd en die met de sectoren worden gevoerd. Ik zeg u graag toe dat ik collega Grapperhaus vraag u apart een brief te sturen over de naleving, de controle en de handhaving. Die integraliteit hoort daarbij.


Brondocumenten


Historie







Toezegging PCR-testen (35.961) (T03321)

De minister van VWS zegt, naar aanleiding van vragen van het lid Faber-van der Klashorst (PVV) toe de informatie over PCR-testen nogmaals naar de Kamer te sturen.


Kerngegevens

Nummer T03321
Status voldaan
Datum toezegging 30 november 2021
Deadline 1 januari 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden M.H.M. Faber-van de Klashorst (PVV)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen PCR-testen
COVID-19
Kamerstukken Inzet coronatoegangsbewijzen bij niet-essentiële detailhandel en niet-essentiële dienstverlening op publieke plaatsen (35.961)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 15-16

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Dank u, voorzitter. Het was niet één vraag, maar tig vragen. Er is geen enkele vraag van de PVV-fractie beantwoord, dus ik ga ze gewoon nog een keer stellen. De minister was natuurlijk een beetje teleurstellend daarin, maar ik ga ervan uit dat hij het nu goed gaat maken. Ik heb een vraag gesteld over het testen. Is er van het begin af aan eenduidig getest? Is daar een standaardprocedure voor? Na hoeveel cycli wordt er uitgelezen? En dan is er ook nog de vraag: stel dat er een standaardprocedure is, hoe wordt die geborgd en wat houdt die in?

Minister De Jonge:

Ik heb die vragen wel gehoord, maar ik heb ze ook geregistreerd als vragen die niet gingen over het wetsvoorstel van vandaag. Die vragen gaan namelijk over het PRC-protocol en waar het hier vandaag helemaal niet over gaat, is over PCR-testen. Het gaat over testen voor toegang. Dat zijn antigentesten. Dat is helemaal geen PCR. Ik heb die vragen overigens meerdere malen beantwoord aan uw collega's in de Tweede Kamer en ook aan het lid Van Haga. Het RIVM heeft daar een prachtige bijlage van gemaakt en als ik die aan u zou voorlezen, denk ik dat de voorzitter mij onmiddellijk zou afhameren.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik laat mij toch echt niet zo afschepen. Dat ten eerste. Dit is een wetsvoorstel dat beoogt het aantal besmettingen te laten dalen. Besmettingen worden vastgesteld met testen. Ik heb hier een testvraag. Dat is de basis van de hele zaak. De basis is: wanneer is iemand positief getest? Want uit een positieve test rolt een besmettelijkheid, als ik het zo allemaal lees. Dus ik daar gewoon antwoord op hebben. We hebben recht op deze informatie, want dit zéér basaal.

Minister De Jonge:

Toch even heel precies. Dit wetsvoorstel gaat over de verbreding van het toepassingsbereik van coronatoegangsbewijzen. Coronatoegangsbewijzen worden uitgereikt aan mensen die zijn genezen of gevaccineerd of getest. Welke test geldt er dan? Een antigentest, dus geen PCR. Het is echt niet zo dat PCR hier ook maar iets mee te maken heeft; helemaal niets. Het is daarnaast zo dat ik meerdere malen op dit soort vragen antwoord heb gegeven. Ik ben natuurlijk ook bereid om u alles te doen toekomen wat u altijd al een keer had willen weten over PCR-protocollen in internationale standaarden. Maar dit is geen debat tussen wetenschappers. Straks zijn wij labmedewerker van de maand, maar wat voegt dat toe aan het politieke debat dat wij hier horen te hebben?

De voorzitter:

Ik hoor u zeggen dat u wel bereid bent om dan schriftelijk wat informatie te sturen.

Minister De Jonge:

Alles, tuurlijk.

Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 16

Minister De Jonge:

Dit wetsvoorstel raakt niet aan PCR-testen; niet, gewoon niet, helemaal niet. Het gaat over 3G. 3G is gevaccineerd, genezen of getest. De testen die daarvoor worden gebruikt, zijn antigentesten. De Stichting Open Nederland gebruikt antigentesten en geen PCR voor Testen voor Toegang. Het zou ook wel een hele dure grap worden, overigens. Dan over PCR-gebruik. Daar heb ik de Kamer meerdere malen over geïnformeerd. Ik heb op 12 oktober een uitvoerige bijlage aan de Kamer gestuurd. Daarin staat alles wat je hartje begeert over afkapwaarden, over cycli en over de internationale standaarden rondom PCR. Maar ik acht het echt niet zinvol om dat onderdeel te maken van een politiek debat. Ik zie wel dat het af en toe gebeurt en wordt geprobeerd, om daarmee te tornen, kennelijk, aan de betrouwbaarheid van de PCR-test. Maar PCR is de internationale standaard, de gouden standaard als het gaat over de vaststelling of iemand besmet is of niet. Ik ben meer dan bereid om nog een keer die bijlage aan de Kamer te sturen, als u daar prijs op stelt, maar ik zie niet hoe het raakt aan het wetsvoorstel dat we hier vandaag behandelen. Ik zie ook niet hoe we een zinvol politiek debat kunnen hebben over de standaarden die gelden voor laboratoriummedewerkers.

Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 21

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

De minister geeft aan dat er bij een hogere infectiedruk meer maatregelen komen. Dat hangt dus ook weer af van het aantal besmettingen. Daarom is het zo jammer dat we het hier niet mogen hebben over hoe betrouwbaar de PCR-test is. Ik wil toch vragen of de minister welwillend is om de standaardprocedure van hoe de PCR-test wordt afgenomen naar de Kamer te sturen. Dan hebben we tenminste een beetje inzage in de keuken en in hoe die PCR-testen lopen. Dan wil ik ook graag het volgende weten: het aantal cycli, wanneer er wordt uitgelezen, wat de primers zijn enzovoort.

Handelingen I 2021/22, nr. 8, item 9, blz. 31

Minister De Jonge:

Dan de vraag van de PVV of ik alles over PCR-testen naar de Eerste Kamer wil sturen. Dat heb ik al gedaan, maar dat wil ik nog wel een keer doen als ik u daar gelukkig mee maak.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Langetermijnstrategie in relatie tot scenario’s WRR en KNAW (35.899) (T03324)

De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden De Bruijn-Wezeman (VVD), Verkerk (ChristenUnie) en Karakus (PvdA), toe om in het eerste kwartaal van 2022 te komen met een plan van aanpak – de langetermijnstrategie – voor de wijze waarop moet worden omgegaan met de vijf scenario’s van WRR en KNAW; daarbij zal ook worden ingegaan op de gevolgen voor de zorg, de pandemische paraatheid en het door het lid Verkerk geschetste paradigma.


Kerngegevens


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 3 – blz. 23

Mevrouw De Bruijn-Wezeman (VVD):

(…)

Ook geeft de minister in een brief aan de Tweede Kamer aan voor het eind van het jaar de beleidsagenda voor de pandemische paraatheid toe te zenden. Maar wij lezen in de brief ook dat die beleidsagenda geen betrekking heeft op de huidige pandemie en de bestrijding daarvan. Wordt hier niet iets overgeslagen? Is het gezien het huidige beeld van de pandemie niet hoog tijd om ook deze samenleving mee te nemen in de meest waarschijnlijke scenario's van deze pandemie, zoals in het WRR-rapport en het KNAW-advies is aangegeven, en ook daar beleid voor uit te werken? Ook graag een reactie hierop. Ik sluit me ook aan bij de vragen van mevrouw Prins hierover

(…)

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 3.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Voorzitter. Daarmee kom ik op de toekomst van het coronabeleid. Het WRR- en KNAW-rapport Navigeren en anticiperen in onzekere tijden, van september 2021, schetst vijf scenario's. In het debat met de Tweede Kamer heeft minister De Jonge — als ik het goed heb — aangegeven dat hij de twee uitersten, namelijk terug naar normaal en de worst case, minder waarschijnlijk acht. Hij wil zich voorbereiden op de middelste drie, namelijk covid als griepplus, covid als externe dreiging en de continue strijd waarin COVID-19 een serieuze bedreiging blijft. Onze fractie kan de minister hierin volgen.

Voorzitter. Onze fractie is ook van mening dat deze drie scenario's ons uitnodigen om de vanzelfsprekendheid van beide paradigma's ter discussie te stellen. Dat komt scherp naar voren als je beide paradigma's platslaat, excuus daarvoor. Zwart-wit uitgedrukt: het technologische paradigma doet geen recht aan de verantwoordelijkheid van de samenleving en het tegenparadigma doet geen recht aan de verantwoordelijkheid van de overheid. Daarom zoek ik naar een alternatief, dat rechtdoet aan de verantwoordelijkheid van de overheid en aan die van de samenleving. Ik wil, gezien de achtergrond van beide ministers, dan ook putten uit katholieke en protestante tradities.

Voorzitter. Ik wil graag de optie van het democratische paradigma op tafel leggen. Het woord "democratisch" kies ik bewust. Het lijkt mij belangrijk om vanuit de rechtsstaat en de controle van de macht na te denken over de toekomst van het coronabeleid. Het lijkt mij belangrijk om te benadrukken dat de democratie alleen kan bloeien als zij gedragen wordt door de samenleving. Ik verwijs hiervoor naar het rapport-Remkes.

Voorzitter. Ik werk dit concreter uit in drie punten. Het eerste punt is: het kabinet en de minister van Volksgezondheid houden altijd de verantwoordelijkheid om regie te nemen. Dat past bij de Grondwet en de Wet publieke gezondheid. Ik kies het woord "regie" met opzet. Wie regie neemt, legt kaders voor beleid vast en spreekt over randvoorwaarden. Maar regie laat ook ruimte.

Daarmee kom ik bij mijn tweede punt: lokale overheden hebben ook een belangrijke verantwoordelijkheid. Ik zou in dat kader het katholieke subsidiariteitsbeginsel in herinnering willen brengen. Ik verwijs daarbij naar de encycliek van paus Pius XI uit 1931. Ik heb het nagezocht voor de minister. Concreet betekent dit dat hogere overheden niet hoeven doen wat lagere overheden zelf aankunnen. In de afgelopen anderhalf jaar concentreerden de lagere overheden zich op de verdediging, uitvoering en handhaving van het beleid. Het is de vraag of binnen de kaders van het kabinetsbeleid niet meer ruimte moet komen voor lokale overheden. Immers, iedereen beseft dat er een groot verschil is tussen stedelijke gemeenten met een hoge bevolkingsdichtheid, een lage vaccinatiegraad en veel culturele activiteiten en een plattelandsgemeente met een lage

bevolkingsdichtheid, een hoge vaccinatiegraad en nauwelijks culturele activiteiten.

In de derde plaats is er ook een eigen verantwoordelijkheid voor de samenleving. Dat sluit mooi bij de traditie van denkers als Abraham Kuyper en Herman Dooyeweerd, die de samenleving tekenden als een medley van verschillende maatschappelijke verbanden. Elk verband, zoals vriendenkringen, families, onderwijsinstellingen, bedrijven, sportverenigingen of kerken, heeft daarbij een eigen doel, een eigen karakter en een eigen waardepalet. In dit verband refereer ik ook aan het advies van het Sociaal en Cultureel Planbureau om te verkennen of er niet meer zeggenschap en verantwoordelijkheid richting de maatschappelijke verbanden verlegd kan worden.

Voorzitter. Bij het voorbereiden van deze bijdrage heb ik me meerdere keren afgevraagd of dit het goede moment is om de toekomst van het coronabeleid te verkennen en een alternatief op tafel te leggen. We naderen immers code zwart en dan wordt de ruimte om na te denken automatisch kleiner. Toch leg ik het op tafel, omdat ik vind dat we ons moeten voorbereiden op de verschillende scenario's die de WRR en de KNAW hebben geschetst. Ook leg ik in ieder geval dit alternatief op tafel, omdat dit in overeenstemming is met de hoofdaanbevelingen van het genoemde rapport. Het rapport wijst onder andere op de inzet van een brede maatschappelijke schokbestendigheid en de bescherming van de waarden van de democratische rechtsstaat. Graag een reactie van de ministers. Ik zou ook graag de toezegging willen dat u een analyse geeft van het alternatief dat onze fractie op tafel legt, als u een meer gedetailleerde reactie op het genoemde rapport geeft.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 37-38.

Minister De Jonge:

Die langetermijnstrategie waar mensen terecht om vragen, willen wij als volgt opzetten. De aanpak die we nu hebben gekozen, is de aanpak voor dit najaar tot over de winter heen. Vanaf dat moment zal het moment aanbreken waarop iedereen immuniteit heeft opgebouwd, ofwel langs de lijn van vaccinatie, ofwel omdat ze de infectie hebben doorgemaakt. Dat doet weer een nieuwe fase aanbreken, waarin je daadwerkelijk kunt zeggen dat je inderdaad aan de lange termijn begint. Hoe het virus zich op dat moment zal gedragen, is op dit moment niet zo heel moeilijk te voorspellen. De KNAW en de WRR — er werd al aan gerefereerd — hebben een vijftal scenario's uitgewerkt. Het kabinet heeft gezegd dat het in het eerste kwartaal van 2022 op die scenario's zal reageren. We moeten sowieso eerst die winterfase door met elkaar.

Het gaat zoals gezegd om vijf scenario's: terug naar normaal, griep-plus, externe dreiging, continue strijd en worst case. Welk van die scenario's het wordt, kiezen we niet zelf. Het virus kiest dat voor ons. Wij kiezen alleen de aanpak, de strategie die past bij het scenario. Dat zullen wij met elkaar moeten bespreken. Dat zal zijn in het eerste kwartaal van 2022. Wij zijn nu bezig met de voorbereiding voor het bouwen aan die strategie en die aanpak.

[…]

Kortom, wij zullen ons tot al die scenario's moeten verhouden. In het eerste kwartaal zullen wij een aanpak, een strategie moeten voorleggen aan uw beide Kamers van de wijze waarop moet worden omgegaan met de verschillende scenario's en hoe wij onze voorbereidingen daarop treffen. Dat maakt dat ik de toezegging gestand moet doen die ik heb gedaan in het vorige debat, namelijk dat we eind december een schets geven van de wetgevende grond onder de te nemen maatregelen. Daarbij acht ik het waarschijnlijk dat wij nog een aantal keren de Tijdelijke wet maatregelen zullen moeten verlengen, maar vanaf dat moment zullen wij de bepalingen die wij nog nodig denken te hebben, moeten opnemen in de Wpg. Op basis van de evaluatie van de crisis zullen wij de Wpg daadwerkelijk toekomstbestendig moeten maken. U vroeg om een tipje van de sluier, hier heeft u hem. Kan ik het nog preciezer zeggen: ja, in december. Nu nog niet. Dus dat is het eerste moment, in december.

Het tweede moment is in het eerste kwartaal van 2022. Dan zullen wij in een daadwekelijke kabinetsreactie komen met een antwoord op de scenario's die de WRR en de KNAW geschetst hebben. Is dat niet laat? Nou, eerder is het eigenlijk niet mogelijk, behalve dan wanneer het gaat over deze winter. Maar die reactie hebben we al gegeven met onze aanpak voor het najaar, die we 14 september aan uw Kamer hebben gestuurd. Daarin hebben we drie scenario's aangegeven, waarvan er twee niet erg waarschijnlijk zijn en eentje wel. Op dat ene scenario hebben we de aanpak met de drie risiconiveaus met de grenswaarden aangegeven en ook de maatregelen die daarbij passen

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 40

Mevrouw De Bruijn-Wezeman (VVD):

(…)

Ik dank de minister voor het doorkijkje dat hij heeft gegeven ten aanzien van de scenario's die hij genoemd heeft en de toekomst, de middellange termijn en de langere termijn, voor zover hij dat kan zeggen. U heeft ook al gekeken naar volgend jaar en een aantal maatregelen genoemd: het boosteren, het testen en quarantainemaatregelen. U heeft het ook over de 1,5 meter gehad. Gaat u straks ook aandacht besteden aan wat dat palet betekent voor de zorg en voor de capaciteit in de zorg? Als u dat bij dezen toezegt ... Ik hoop dat daar inderdaad voldoende aandacht aan wordt besteed in de uitwerking

Minister De Jonge:

Zeker. We moeten deze winter doorkomen en ons prepareren op, ons verhouden tot ieder scenario, ook weer voor de komende winter. Nog los van deze pandemie willen we in het kader van de pandemische paraatheid — dat was nog een laatste blokje dat ik aan de strategie moest toevoegen — op een volgende pandemie echt beter voorbereid zijn dan we waren op deze. We zullen ons ook moeten beraden op: wat is eigenlijk de zorgcapaciteit die je sowieso wilt hebben en hoe kun je die op een goede manier opschalen, waar dat nu zo veel pijn en moeite kost en overigens ook in de aansturing zo veel pijn en moeite kost?

Mevrouw De Bruijn-Wezeman (VVD):

Daar wilde ik inderdaad de seizoensparaatheid nog aan toevoegen. Dat gaat dan waarschijnlijk ook meespelen. Maar goed, als dat de aandacht heeft, dank u wel.

Minister De Jonge:

Helemaal, absoluut.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 45-46.

De heer Karakus (PvdA):

De minister komt straks met de lange termijn en met vijf scenario's. Mijn vraag is: maken al die dilemma's bij elkaar onderdeel uit van de scenario's? Krijgen we daar ook nog inzicht in? Opschalen en afschalen heeft immers ook consequenties. Als je opschaalt, dan heeft dat ook consequenties voor afschalen. Dat betekent dat mensen langer op zorg moeten wachten. Het zou weleens een keuze kunnen zijn om te zeggen: we maken een andere keuze voor een scenario, want we accepteren niet dat mensen langer op zorg moeten wachten.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Karakus (PvdA):

Om te voorkomen dat ik anders heel veel vragen heb, heb ik de volgende vraag: is het een idee om die discussie te koppelen aan die vijf scenario's, waarbij de minister ook de zorgkant koppelt aan de keuzes voor de scenario's en de genomen maatregelen?

Minister De Jonge:

Ik denk dat er een onderscheid is tussen scenario's voor deze winter en scenario's voor de langere termijn. U stelt de vraag over de vijf scenario's van de KNAW en de WRR. Mijn antwoord is: jazeker, want daar zal namelijk bij horen in welke mate covid ons ook in het volgende winterseizoen parten zal gaan spelen. Dat komt dan boven op de seizoensgriep. Dan krijgen we dus een seizoensgebonden covidbelasting en een seizoensgebonden griepbelasting van de zorg. Hoe kun je die zorg dusdanig opschaalbaar maken dat je de reguliere zorg — wat nu wel echt heel erg sterk het geval is — minder belast dan nu? Dat zal onderdeel moeten zijn van de aanpak die mee kan ademen met de door de KNAW geschetste scenario's. Daar komen we op terug in het eerste kwartaal.

Voor deze winter speelt eigenlijk datzelfde verhaal, zij het op een iets andere manier. Namelijk: je kunt minder anticiperen, want de tijd is daarvoor te kort. En de mate van uitgewoondheid van de zorg is al dusdanig dat je op dit moment niet meer alles kunt verlangen van de zorg. Ik denk dat dit maakt dat je deze winter telkens de balans zult moeten maken tussen de mate waarin overbelasting verantwoord is en de mate waarin we afschaling van de reguliere zorg verantwoord vinden. De keerzijde daarvan is: welke maatregelen ben je bereid te nemen, waarbij je altijd op het netvlies moet hebben wat daarvan dan de schade is voor de samenleving?

[…]

De heer Karakus (PvdA):

Dit is mijn laatste vraag. Ik snap de redenering. Begrijp ik het goed dat de Kamer straks vijf scenario's krijgt, en dat de consequenties voor de zorg onderdeel vormen van deze scenario's? Als je zegt dat we willen voorkomen dat mensen langer op de zorg moeten wachten, dan lijkt het mij logisch dat je strengere maatregelen moet nemen. Dat is ook een keuze. Begrijp ik goed dat die vijf scenario's zo transparant voorgelegd gaan worden?

De voorzitter:

Tot slot de minister.

Minister De Jonge:

Nogmaals, ik wil deze winter en de volgende periode toch even uit elkaar halen. Ik denk dat we ons in de scenario's richting de volgende periode sowieso zullen moeten voorbereiden op een seizoensgebonden extra belasting voor de zorg. Wat betekent dit dan voor de manier waarop je de zorg inricht? Dat is naar de toekomst toe, maar dat gaat ons deze winter niet helpen. Deze winter speelt de afweging in de scherpte, zoals u die ook noemt. In welke mate kun je over wat voor een periode de zorg zo overbelasten als we nu al aan het doen zijn? Vanaf welk moment is het onverantwoord om de acuut planbare zorg — dat is de zorg die binnen zes weken moet plaatsvinden — nog langer uit te stellen? Welke maatregelen moet je nu dus bereid zijn om te nemen? Je moet inderdaad op zoek gaan naar deze balans.

De heer Karakus (PvdA):

Ik snap het. Begrijp ik het goed dat die vijf scenario's voor de lange termijn transparant worden voorgelegd?

Minister De Jonge:

Ja, uiteraard. In het eerste kwartaal komt het plan van aanpak vanuit het kabinet op dat punt.

De voorzitter:

Dat is in 2022.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 48-49.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik kan hem hierin volgen wat betreft de eerste maanden of zelfs deze winter. U gaat in het eerste kwartaal reageren op het rapport van de WRR en de KNAW. Zou u, als u daarop reageert, ook kunnen meenemen wat de mogelijkheden van de scenario's zijn of van het paradigma dat ik geschetst heb in relatie tot die scenario's?

Minister De Jonge:

Heel graag, want daar past het ook echt omdat dat gaat over de langere termijn. Daarbij heb je je natuurlijk te verhouden tot de verschillende scenario's die de KNAW en WRR op papier hebben gezet. Verschillende van die scenario's bieden ook meer mogelijkheden om er een paradigmashift van te maken. Waar ligt het zwaartepunt in wie de maatregelen heeft te nemen op enig moment? In welke mate zijn we beschermd? Is de verdere bescherming ook iets van hoe een samenleving zich verhoudt tot de risico's die dan nog over zijn van het virus? In welke mate vraagt het een dominante, acterende overheid om te doen wat we allemaal willen, namelijk het beschermen van onze kwetsbare mensen en het beschermen van de zorg tegen overbelasten?

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Ik dank u wel.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 74

Mevrouw De Bruijn-Wezeman (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil beide ministers bedanken voor de gegeven antwoorden en minister De Jonge voor de toezeggingen over de brieven over de lange- en middellangetermijnstrategie inzake de huidige pandemie en de algemene pandemische paraatheid, en de daarbij horende wetgevingstrajecten.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8; blz. 77

De heer Karakus (PvdA):

Ook voor de lange termijn hebben we aangegeven waarom dat belangrijk is, waarom je de verwachting van de samenleving moet managen en waarom het belangrijk is dat je er helder over bent dat corona eigenlijk misschien een onderdeel gaat worden van ons leven. Gelukkig heeft de minister toegezegd om dat te doen. Wij zijn blij met de vijf scenario's die gaan komen, met name ook met de transparantie en het meenemen van de zorg daarin.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8; blz. 77

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik wil ook de minister van VWS danken voor zijn constructieve reactie op het democratische paradigma wat ik heb voorgesteld en voor zijn toezegging om daar nader op in te gaan als hij een reactie zal geven op het rapport van de WRR en de KNAW. Nogmaals hartelijk dank daarvoor.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Snellere behandeling verlenging Twm covid-19 (35.899) (T03329)

De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Janssen (SP) en De Boer (GroenLinks), toe zich in te zetten om bij de verlengingen van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Twm covid-19) sneller te handelen, door enerzijds het verlengings-KB eerder te publiceren – rekening houdend met het proportionaliteitsvereiste – en onverwijld daarna de goedkeuringswet in te dienen en anderzijds de vragen vanuit de Tweede Kamer over de goedkeuringswet zo spoedig mogelijk te beantwoorden.


Kerngegevens

Nummer T03329
Status afgevoerd
Datum toezegging 23 november 2021
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden Mr.drs. M.M. de Boer (GroenLinks)
mr. R.A. Janssen (SP)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen COVID-19
Kamerstukken Goedkeuringswet derde verlenging geldingsduur Twm covid-19 (35.899)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 26-27.

Minister De Jonge:

(…)

Allereerst de vragen die gaan over de Twm, de verlenging van de tijdelijke wet. Helemaal in lijn met de moties van De Boer en Janssen is de bepalende zeggenschap in de wet geregeld. Dat maakt dat er een goedkeuringswet wordt behandeld na het slaan van het koninklijk besluit. Ik begrijp dat uw Kamer veel liever veel eerder dit debat had gehad. De vlotheid van behandeling in de Tweede Kamer speelt ook parten in de Eerste Kamer. Kan dat dan niet heel veel eerder? Dat is de vraag die de heer Janssen stelt. Ja, natuurlijk. De behandeling in de Tweede Kamer zou sneller hebben gekund. Als het departement of ik daaraan kan bijdragen, ben ik graag bereid om dat toe te zeggen.

Zou je ook heel veel eerder het KB kunnen slaan zodat eerder de goedkeuringswet wordt gemaakt? Dat verhoudt zich niet heel goed met het proportionaliteitsvereiste zoals dat in de Twm is opgenomen, namelijk: je zult bij iedere verlenging opnieuw moeten beargumenteren waarom de maatregelen die je wenst te behouden in de wettelijke gereedschapskist op dat moment nog steeds proportioneel worden geacht. Dat betekent dat voor ieder verlengings-KB er allereerst een advies aan het RIVM wordt gevraagd. Vervolgens wordt het verlengings-KB voor advisering voorgelegd aan de Raad van State. De proportionaliteitstoets hoor je te doen in het licht van de epidemiologische context. Als je die heel veel eerder zou doen, weet je eigenlijk helemaal niet welk epidemiologisch gesternte er geldt bij de verlenging.

Het tweede wat ons denk ik parten speelt in de snelheid der dingen, is dat de wet drie maanden geldt en elke drie maanden moet worden verlengd. Dat was niet per se het voornemen van het kabinet. U weet dat de tijdelijke wet aanvankelijk een termijn kende van een jaar, dat het kabinet daar op basis van het advies van de Raad van State een halfjaar van heeft gemaakt en dat de Kamer daar vervolgens drie maanden van heeft gemaakt. Ik heb weleens gezegd dat als de Eerste Kamer daar destijds ook nog iets over had kunnen zeggen, het misschien wel anderhalve maand zou zijn geweest. Drie maanden is al een hele korte periode. Dat tekent zich wel. We hebben vandaag het KB van de vierde verlenging gepubliceerd. Dus dat maakt ook dat de verlengingsbesluiten zich heel kort op elkaar voltrekken.

De heer Janssen (SP):

Dank, maar als we kijken naar de situatie nu, zien we het volgende. De minister heeft publiekelijk aangekondigd dat hij het wel waarschijnlijk acht dat er ook een vijfde verlenging aan zit te komen. Op 2 november heeft de minister gezegd: die vierde verlenging moet er komen. En vandaag, op de 23ste, krijgen wij de goedkeuringswet van het KB binnen. Dan is mijn vraag: heeft u dan op 2 november het besluit genomen dat die vierde verlenging die u aankondigde er moet komen, eigenlijk zonder dat die al voldoende gemotiveerd was? Of was de motivering al zo ver rond dat eigenlijk op dat moment het huiswerk al gedaan was en dat het KB, het goedkeuringsbesluit en het advies van de Raad van State ook sneller gevolgd hadden kunnen worden? Ik kan me niet voorstellen dat de minister een verlenging aankondigt zonder dat hij zich ervan vergewist heeft dat die ook proportioneel is.

Minister De Jonge:

Zeker, dat moet inderdaad. Het verlengingsbesluit is van 22 november. Dat is het verlengingsbesluit dat vandaag is gepubliceerd, dat vandaag is betekend. Dat verlengingsbesluit kent per artikel een uitvoerige motivatie waarom dat artikel moet worden voortgezet. Onverwijld — dat is de opdracht uit de wet: onverwijld — zal de goedkeuringswet worden ingediend. Die zal vandaag of morgen bij de Tweede Kamer worden ingediend. Ik hoop dat de Tweede Kamer die dan ook onverwijld behandelt. Dat betekent dat wij dan ook onverwijld hierover komen te spreken in de Eerste Kamer. Maar het is een zeer uitvoerig beargumenteerde voortzetting van de huidige wettelijke bepalingen; die staat in de vierde verlenging.

De heer Janssen (SP):

Het antwoord gaat langs mijn vraag. Mijn vraag was: had de minister op 2 november, dus drie weken geleden, toen hij aankondigde dat die vierde verlenging noodzakelijk zou zijn, alle argumenten en proportionaliteit al afgewogen? Als dat zo was, dan hadden het KB en de goedkeuringswet ook eerder kunnen komen.

Minister De Jonge:

Volgens mij was het op 2 november niet heel erg moeilijk om te voorspellen dat er sprake zou zijn van die noodzakelijkheid van de verlenging. Dat is ook de context waarin ik heb gezegd: het is best aannemelijk om te veronderstellen dat er nog een verlenging zal moeten volgen. Maar zeker weten doe je dat natuurlijk niet, en je doet het altijd in de context van dat moment. Niettemin heb je ieder keer opnieuw, bij iedere verlenging — dat is namelijk het proportionaliteitsvereiste zoals het in de wet staat — te betogen dat de betreffende artikelen ook noodzakelijk zullen blijken te zijn. Dat proces verrichten we bij iedere verlenging heel zorgvuldig, en dat maakt dat we niet heel ver van tevoren die goedkeuringswet aan de Kamer kunnen sturen.

De Voorzitter:

Meneer Janssen, uw derde interruptie.

De heer Janssen (SP):

Het is de derde, en voor de derde keer stel ik dezelfde vraag: was de minister er op 2 november al van overtuigd dat alle argumenten en de proportionaliteit voorhanden waren om te zorgen dat die vierde verenging er moest komen? Want dan had het KB gewoon eerder geslagen kunnen worden. Dan hadden die hele uitvoerige documentatie, die hele uitvoerige onderbouwing en motivering op dat moment al klaar geweest kunnen zijn. Anders heeft de minister op 2 november gezegd dat er een verlenging nodig was, zonder dat het gemotiveerd was. Als die motivering er al was, had dit KB gewoon eerder geslagen kunnen worden.

Minister De Jonge:

Volgens mij heb ik mij op 2 november zo uitgedrukt dat het logisch was te veronderstellen dat er een vierde verlenging zou volgen, en dat het logisch was te veronderstellen dat er na die vierde wellicht ook een vijfde zou gaan volgen. Zo heb ik mij uitgedrukt, maar dat laat onverlet dat je per artikel — dat is namelijk de opdracht uit de wet — de proportionaliteitstoets zult moeten doen. Dat betekent dat je dat zult moeten onderbouwen op grond van een OMT advies, en dat je het vervolgens ook aan de Raad van State voorlegt.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Aansluitend op de vraag van de heer Janssen heb ik uw brief van vandaag aan ons er even bij gepakt. Daaruit blijkt dat op 1 november advies is gevraagd aan de Raad van State over het verlengings-KB. Dus toen was, in antwoord op de vraag van de heer Janssen, de motivering van de verschillende maatregelen bekend. En op 10 november heeft de Raad van State geadviseerd. Dus de vraag is: waarom had niet op 11 november dat KB geslagen kunnen worden en onverwijld daarna de goedkeuringswet ingediend kunnen worden? Het advies van de Raad van State lag er. Zeg dat u nog twee dagen nodig heeft om dat advies te verwerken, waarom hadden dan niet op 13 november de volgende stappen gezet kunnen worden?

Minister De Jonge:

Excuus, maar dit vraagt om een terugblik op de afgelopen weken om te zien wat er op welke dag exact is verstouwd. Me dunkt dat het departement een hoge productie heeft gekend op van alles en nog wat, bijvoorbeeld als het gaat over het verlengingsbesluit of de wetgeving. Wij doen dat zo snel mogelijk. De vraag van de heer Janssen was: kan zoiets heel erg veel eerder? Zo heb ik de vraag in ieder geval geïnterpreteerd. Kijk, een dag of een week eerder zal mogelijk zijn. Maar kan iets heel erg veel eerder? Daarvan zeg ik dat dit zich slecht verhoudt met het proportionaliteitsvereiste uit de wet, want je zult de argumentatie altijd in de context van dat moment moeten doen.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Dat snap ik. Ik wil niet op één of twee dagen gaan zitten, maar wij hebben het hier over een termijn van ongeveer tien dagen. Het advies van de Raad van State is van 11 november. Dan vind ik 23 november ruim aan de tijd voor iets wat al afgewogen is en waarbij volgens de Raad van State alleen in de toelichting nog het een en ander moet worden veranderd. Ik snap dat u zegt: we kunnen dit niet anderhalve maand van tevoren gaan doen. Maar als u uitgaat van zoals het nu is gebeurd, dus zeg maar 1 november KB, dan denk ik: een maand van tevoren, prima. Dan is het OMT-advies afgewogen en is de toelichting gegeven. Dan is het naar de Raad van State gestuurd. Die doet er tien dagen over. Misschien kunnen zij dat ook nog drie dagen sneller doen. Dan zou het toch zo mooi zijn als drie weken, maar in ieder geval een week of twee, voordat die verlenging in moet gaan, de goedkeuringswet er ligt. Dan heb ik niet de illusie dat dit in twee weken door het hele parlement is, maar ik denk dat alles wat we kunnen doen om het te versnellen, toch zou kunnen gebeuren.

Minister De Jonge:

Laat ik het zo zeggen. Uit uw reactie merk ik dat u er begrip voor heeft dat wij het beargumenteerde besluit niet veel eerder dan een maand van tevoren kunnen voorleggen aan de Raad van State. We hebben weleens eerder, bijna pro forma, een besluit willen voorleggen aan de Raad van State. Die heeft daar toen, volgens mij terecht, gehakt van gemaakt — dat ging toen over de 1,5 meter — omdat het besluit ontijdig was en het niet in de context van de epidemiologische situatie van dat moment kon worden beargumenteerd. Ik denk dat een maand een reële termijn is. Kunnen we binnen die maand sneller acteren? Ik denk dat terecht door mevrouw De Boer wordt geconstateerd dat daar wel meer snelheid in gemaakt zou kunnen worden. Zelf dacht ik daar meer ruimte in te zien in de beantwoording van de vragen vanuit de Tweede Kamer. Mevrouw De Boer zegt: je kunt eigenlijk ook daarvoor nog wel wat meer ruimte pakken, door al eerder het KB te publiceren en onverwijld de verlengingswet erachteraan te doen. Dat zou ik over de afgelopen maand zeer goed kunnen verklaren tegen de achtergrond van alle wetgevingsproductie die is gedraaid vanuit het ministerie van VWS. Overigens had ik dat liever niet gedaan, maar het is gewoon nodig gebleken. Ik vind het een terechte opdracht om naar de toekomst toe te kijken of we daar sneller in kunnen acteren.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8, blz.74

De heer Janssen (SP):

Als ik even kijk naar de procedure van de verlenging van de tijdelijke wet, ben ik blij dat we het erover hebben gehad dat die niet ideaal was, om het even heel eufemistisch uit te drukken. Ik bedoel dat we een dag voor het verstrijken van deze termijn erover gaan stemmen. Na zelf een aantal vragen gesteld te hebben en na het doorvragen van collega De Boer, kwamen we er toch toe dat het aan de voorkant ruimte maken voor het indienen al zou kunnen helpen met het aan het eind niet aan de achterkant terug te hoeven winnen wat we aan de voorkant verloren hebben. Neem als voorbeeld deze verlenging, met 1 november en 10 november en het versturen op 23 november. Ik noem wat we aan de voorkant kunnen winnen. Ik heb de minister uiteindelijk zo begrepen dat hij dat ook ziet en zich daarvoor in zal zetten. Dat geeft wat mij betreft ook aan hoe serieus het kabinet deze wet neemt.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Vervalbepaling Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.899) (T03330)

De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Nicolaï (PvdD), toe om in de voortgangsbrief van december (naar aanleiding van T03021) uitvoerig in te gaan op de suggestie van de heer Nicolaï om een andere bepaling in de wet vast te leggen waarin staat dat de regels niet vervallen maar worden opgeschort.


Kerngegevens

Nummer T03330
Status afgevoerd
Datum toezegging 23 november 2021
Deadline 1 januari 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden prof. mr. P. Nicolaï (PvdD)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen vervalbepaling
COVID-19
Kamerstukken Goedkeuringswet derde verlenging geldingsduur Twm covid-19 (35.899)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 47-48.

De heer Nicolaï (PvdD):

(…) Als ik het goed begrijp, vertelde de minister eigenlijk dat we in december inzicht zouden krijgen in de gereedschapskist die de minister de komende winter nodig denkt te hebben. Ik zou graag nog even ergens aan willen herinneren, of het nou een toezegging was of niet. Mevrouw De Bruijn-Wezeman en ik hebben op een gegeven moment opgemerkt dat zolang we nog werken met het systeem van de Tijdelijke wet maatregelen, en die goedkeuring voor de verlenging dus nodig is, we een probleem hebben. Als wij namelijk besluiten om niet te verlengen, dan vervallen alle bevoegdheden. In mijn herinnering had u toegezegd dat we begin december van u zouden horen of het volgende een mogelijke wijziging zou zijn. Mijn voorstel was om "vervallen" te vervangen door "opschorten". Die wijziging zou dan ook snel doorgevoerd moeten worden.

De Voorzitter:

Dus wat is uw vraag?

De heer Nicolaï (PvdD):

Mijn vraag is: is die toezegging er en kunnen we daarop rekenen?

Minister De Jonge:

Nee kijk, bij de verlenging werkt het eigenlijk als volgt. Iedere drie maanden beargumenteren we opnieuw welke artikelen we wel en niet nodig hebben.

De heer Nicolaï (PvdD):

Sorry dat ik u onderbreek, maar dat was de vraag niet. De vraag was als volgt. Zoals het nu in de wet staat, vervallen alle bevoegdheden als wij die als Kamer niet zouden goedkeuren. Het is dus alles of niks. We hebben eigenlijk helemaal niks. Ik denk dat er hier namelijk geen mens is die zegt dat u geen enkele bevoegdheid nodig heeft. Het gaat dus altijd om de soort bevoegdheden. Daarom is toen aan de orde gekomen om een andere bepaling in de wet te hebben, die stelt dat de regels niet vervallen maar worden opgeschort. Dan heeft u in die opschortingsperiode nog steeds de mogelijkheid om met andere regels te komen, die wel tot tevredenheid van de Kamer leiden.

De Voorzitter:

Ik denk dat uw vraag helder is, meneer Nicolaï

De heer Nicolaï (PvdD):

Dat was de vraag.

Minister De Jonge:

Ik was ook begonnen die vraag te beantwoorden, namelijk door te zeggen dat we bij elke verlenging echt per bepaling kijken of we die nog nodig hebben. Wij doen u voorafgaand aan het slaan van het KB altijd het OMT-advies en ook de voorgenomen beslissing vanuit het kabinet toekomen. Daarop kunt u al interveniëren. Vervolgens maken we dat KB. Het is inderdaad een keuze om een bepaling te laten vervallen of niet. U heeft daarvoor in de plaats de vraag gezet of je ook aan opschorting zou kunnen doen. Daarvan heb ik gezegd dat mij dat niet heel erg logisch leek, omdat ik denk dat je kunt beredeneren waarom je iets nog nodig hebt, maar dat vervolgens niet hoeft aan te zetten in een ministeriële regeling. De facto is het slapend laten voortbestaan van enkele artikelen uit de wet een vorm van opschorting. Je gebruikt die namelijk niet in een ministeriële regeling. Ook al staat die bepaling in die verlengde wet, je hoeft die niet aan te zetten. Het slapend zijn van die bepaling is eigenlijk een vorm van opschorting. Opschorting is dus nauwelijks van toegevoegde waarde ten aanzien van de proportionaliteitsweging van de verlenging van de Twm ten opzichte van de huidige situatie die al in de wet geregeld is.

De Voorzitter:

De heer Nicolaï, uw derde interruptie.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ze slapen niet, maar ze zijn vervallen. Als je vervalt, dan slaap je niet meer. Dan moet je dus een nieuwe wet maken waarin je die bevoegdheden weer opneemt. Dat is een ernstig proces. Daarom was het voorstel om ze te laten slapen. Dat slapen is dat je in de wet het woordje "vervallen" vervangt door het woordje "opschorten". Daarover zou u nadenken. Ik hoef het niet op dit moment te horen, maar ik zou graag de toezegging van de minister krijgen dat hij ons daarover nog informeert.

Minister De Jonge:

Aan het einde van het jaar. Laten wij het dan zo doen. Aan het einde van het jaar zou ik sowieso — dat heb ik in het vorige debat toegezegd aan onder anderen mevrouw De Boer, meen ik, maar volgens mij ook aan mevrouw Prins — een schets geven van het juridisch instrumentarium dat het kabinet nodig acht voor het komende jaar. Dan vertellen wij in welke mate wij denken dat die verlengingen nog aan de orde zijn en vanaf welk moment wij denken dat de bepalingen die nog wat langer nodig zijn, zullen kunnen indalen in de Wpg. In die brief kan ik natuurlijk ook ingaan op de suggestie die de heer Nicolaï ook in het vorige debat heeft gedaan. Dat wil ik graag doen.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 76.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Ik dank beide ministers voor de beantwoording. Ik heb niet op alle vragen antwoord gekregen, maar daar heb ik ook niet zo'n behoefte meer aan. Ik wil wel één ding toch nog even voorleggen waar we kort over gediscussieerd hebben en dat is de kwestie van de vervalbepaling. Ik heb een idee dat er bij de minister of bij zijn wetgevingsambtenaren toch een grote misvatting is, want er staat gewoon in artikel VIII een vervalbepaling. Er staat: "Met ingang van drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet vervallen: a. hoofdstuk Va, paragraaf 1a van hoofdstuk VII (…) Wet publieke gezondheid". Dus die hoofdstukken, die bepalingen, vervallen. In die bepalingen staan eigenlijk alle bevoegdheden opgesomd die de minister en de Kroon, voor zover het gaat om die AMvB, hebben. Als die bepalingen vervallen, dan vallen ze niet in slaap, maar dan vervallen ze. Dan worden ze dus gewoon verwijderd uit de wet. Daarover hebben we het toen gehad, ook mevrouw De Bruijn-Wezeman, die zei: als we niet instemmen met de verlenging, valt alles uit die wet weg. Dat wil niemand op z'n geweten hebben, dus je kan eigenlijk niet serieus beraadslagen over of je wel of niet gaat instemmen met verlenging. Daarvan heb ik gezegd: kijk daar nou eens goed naar. Als je van "vervallen" "opschorten" maakt, worden die bepalingen opgeschort. Voor een korte tijd zijn die bepalingen dus niet werkzaam, maar ze staan nog wel in de wet. In de korte tijd kunnen de regering en de Kamer overleggen over onder welke omstandigheden er alsnog kan worden ingestemd.

Ik zou toch graag nog een keer aan de minister willen voorhouden om daar nog eens naar te kijken, en zou daar, zoals hij ook heeft toegezegd, eigenlijk gewoon volgende maand een reactie op willen krijgen of hij bereid is om dat in feite aan te passen. Het kan ook iets anders worden. Ik hoorde de heer Janssen de vorige keer zeggen: misschien willen wij dat helemaal niet. Er moet in ieder geval nagedacht worden over de vraag hoe je werkelijk gestalte kan geven aan de zeggenschap van in dit geval de Eerste Kamer. Als je alleen maar ja of nee kunt zeggen zonder dat je discussie kunt hebben over wat je wel en niet wil bewaren aan bevoegdheden, is dat eigenlijk geen zeggenschap. Dat wil ik nog graag aan de minister meegeven.

Dank u wel, voorzitter.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8, blz. 86

Minister De Jonge:

Dan de heer Nicolaï. Ik ga er gewoon schriftelijk op terugkomen. Ik zie dat mijn overtuigingskracht vanavond in de richting van de heer Nicolaï op dit punt gewoon onvoldoende is. Ik ga hier schriftelijk op terugkomen. In de brief, de decemberbrief, waarin we vooruitblikken op welk wetgevingsinstrumentarium we eigenlijk nodig hebben, ga ik uitvoerig, maar dan ook echt uitvoerig en uitputtend, in op de suggestie die de heer Nicolaï doet, om daarmee op recht te doen aan zijn andermaal gemaakte punt van vanavond


Brondocumenten


Historie







Toezegging Overzicht communicatie ter voorkoming polarisatie (35.899) (T03331)

De minister van VWS zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Karakus (PvdA), toe om een overzicht te maken met wat er betreffende communicatie wordt gedaan om mogelijke polarisatie te voorkomen.


Kerngegevens

Nummer T03331
Status voldaan
Datum toezegging 23 november 2021
Deadline 1 juli 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden H. Karakus (PvdA)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen communicatie
polarisatie
COVID-19
Kamerstukken Goedkeuringswet derde verlenging geldingsduur Twm covid-19 (35.899)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8; blz. 1–2.

De heer Karakus (PvdA):

(…)

Voorzitter. Dan misschien wel de meest prangende zorg die de PvdA-fractie op dit moment heeft. Onze fractie maakt zich grote zorgen over de groeiende tweedeling in onze samenleving. De gekozen maatregelen lijken de samenleving te polariseren: gevaccineerden tegen ongevaccineerden, voorstanders van 2G tegen tegenstanders. De samenleving lijkt steeds vaker te bestaan uit groepen die lijnrecht tegenover elkaar staan doordat de weerstand tegen het coronabeleid steeds heviger lijkt te worden. Het blijft daarom van het grootste belang om als overheid te zorgen voor draagvlak voor de maatregelen en begrip voor elkaar onder de burgers. Als de overheid wispelturig handelt, het nut en de noodzaak van de maatregelen niet helder aan de inwoners kan of wil uitleggen, en de effecten niet zichtbaar zijn, werkt dat wantrouwen in de hand. Hoe reflecteert de regering op haar rol in de groeiende polarisatie van onze samenleving? Graag een reactie.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8; blz. 23

De heer Karakus (PvdA):

Ik had nog gevraagd of de regering wilde reflecteren op haar rol in de groeiende polarisatie. Krijg ik antwoord van deze minister of van minister De Jonge?

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 65 - 67

De heer Karakus (PvdA):

De laatste vraag betreft de toezegging om te reageren op de groeiende polarisatie en de rol van de regering daarin.

Minister De Jonge:

Ja. Vanuit de wil om wat voortgang te boeken, heb ik een aantal bochtjes iets te kort genomen. Dus excuus daarvoor.

(…)

Dan de vragen over polarisatie. College Grapperhaus heeft daar al iets over gezegd. Ik had die zelf gekoppeld aan de coronatoegangsbewijzen, omdat ik meende dat daar ook de koppeling in de vraagstelling zat. Misschien ben ik daarmee zelf te kort door de bocht gegaan. Ik krijg vrij vaak de vraag of de maatregelen die je neemt, of je dat nou wilt of niet, niet ook bijdragen aan de tweedeling in de samenleving. Dat kan natuurlijk zo zijn. Dat is waar. Maar de vervolgvraag is: is dat dan aanleiding om de maatregelen die wel nodig zijn, dan maar niet te nemen? Dat kan dan toch ook weer niet het geval zijn. We hebben nu eenmaal de opdracht om kwetsbare mensen te beschermen en de zorg te beschermen tegen overbelasting. Het is wel een aanvullende opdracht, denk ik, voor de politiek om proportionele maatregelen te nemen en telkens in ogenschouw te nemen dat een flink deel van de mensen te lijden heeft onder het virus, maar dat een nog veel groter deel inmiddels te lijden heeft onder de maatregelen tegen het virus. Dat maakt dat we ons zeer bewust moeten zijn van alles wat je met maatregelen aanricht. We zien een afnemende solidariteit en de hele crisis is één grote test van onze solidariteit. Tijdens de eerste golf zijn we glansrijk geslaagd voor die test. Bij iedere volgende golf is de mate waarin we voor die test van solidariteit slagen afnemend. De laatste tijd gaan we echt maar met de hakken over de sloot. Dat laat onverlet dat ik er ook op wil vertrouwen en erin blijf geloven dat als de nood echt aan de man is, we echt wel weer schouder aan schouder kunnen staan.

Dat maakt dat we behoedzaam moeten zijn in de ruigheid van de maatregelen die we treffen. Dat maakt wel dat we ons er ook van bewust moeten zijn dat na twintig maanden crisis niet iedereen meer even woest enthousiast is over de maatregelen die we nemen en dat niet iedereen het altijd meer even goed kan meemaken. Dat geeft een extra druk op de politiek om in goed evenwicht op maatregelen te besluiten. Maar het kan nooit betekenen — zo bedoelt u het ook niet — dat je maatregelen om de lieve vrede maar niet meer neemt. Want wat je dan terugkoopt, is iets waar je later heel veel spijt van krijgt.

De Voorzitter:

Mag ik u vragen om een korte interruptie? Eventueel kunt u er dan in uw tweede termijn verder op ingaan.

De heer Karakus (PvdA):

Zeker. Natuurlijk moet je maatregelen nemen, maar mij gaat het ook om de vraag: wat zou de rol van de overheid daarin kunnen zijn? Je kunt er ook voor kiezen om te zeggen "we gaan de effecten beter toelichten" of "we gaan proberen om die groepen beter bij elkaar te brengen; daar zetten we iets voor op". Dus je kan meer dan alleen maar zeggen: we hebben maatregelen. Natuurlijk moet je maatregelen hebben. Dat kan polarisatie veroorzaken, maar de vraag was meer: wat kan de overheid daaraan doen, om die groepen toch enigszins bij elkaar te houden?

Minister De Jonge:

Ik ben in ieder geval bereid om alles wat u me aanbeveelt te doen, behalve nog meer in talkshows te acteren. Dat doe ik liever niet, als het niet hoeft, ook omdat het zo veel tijd kost. Ik heb niks tegen talkshows, maar het kost zo veel tijd. Zonder twijfel is er nog ruimte ter verbetering van de communicatie. Zonder twijfel is er nog ruimte ter verbetering van de toelichting van het waarom van maatregelen, dat mensen het ook daadwerkelijk kunnen meemaken. Ik hoop niet dat u mij een resultaatsverplichting oplegt ten aanzien van het enthousiasme voor de maatregelen die we moeten nemen, want we moeten ook bereid zijn maatregelen te treffen als mensen er niet enthousiast over zijn.

Ik zag een onderzoek naar de laatste persconferentie. Aan de kijkcijfers lag het niet; heel veel mensen hebben de persconferentie gevolgd. Ik geloof dat de inhoud van de communicatie van de persconferentie onder de bevolking als geheel een bereik had van zo'n 75%. De waardering voor het feit dat er maatregelen genomen waren, was ook heel erg hoog, maar over welke maatregelen dat moesten zijn, was men behoorlijk verdeeld. Met die verdeeldheid hebben we het ook wel eventjes te doen. Dat laat onverlet dat er een opdracht is aan ons om zo goed mogelijk de noodzaak ervan over het voetlicht te krijgen, maar of we iedereen enthousiast kunnen krijgen, weet ik niet.

De Voorzitter:

Dit debat gaat tot na middernacht duren, zo waarschuw ik u vast, meneer Karakus. Dus als u het in uw tweede termijn kunt doen, zeg ik "graag", maar ik geef u uiteraard het woord.

De heer Karakus (PvdA):

Dank u wel. Mijn allerlaatste punt. Is de minister bereid om wat er wordt gedaan, wat er kan worden gedaan een keer op een rijtje te zetten voor deze Kamer?

Minister De Jonge:

Qua communicatie bedoelt u? Jazeker. Absoluut, heel graag zelfs.

De Voorzitter:

Dank u voor toezegging. (…)

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8; blz. 77

De heer Karakus (PvdA):

Voorzitter. Een paar dingen nog. Tijdens mijn inbreng probeer ik altijd kritisch te zijn, maar ook opbouwend. Ik probeer ook te onderbouwen waarom iets nodig is. We maken ons inderdaad zorgen over polarisatie. Mevrouw De Boer heeft heel goed aangegeven dat het een karig antwoord was. Het gaat niet om relscheppers, want die moet je hard aanpakken. Het gaat er ook niet om dat je geen maatregelen moet nemen, want die moeten genomen worden. Maar het gaat om alles daartussen, want er zijn ook veel mensen die door wispelturig handelen van de regering niet meer helder hebben waar het allemaal over gaat en daardoor ook geen begrip meer hebben. Je raakt zo ook het draagvlak kwijt. Wij signaleren dat en roepen op om daar wat aan te doen. Kijk ook kritisch naar uw eigen handelen! De minister heeft een brief toegezegd, dus wij zijn benieuwd naar die brief.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Onderliggend lijden bij ziekenhuisopname na coronabesmetting (35.899) (T03333)

De minister van VWS zegt, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Hattem (PVV), toe na te gaan in hoeverre hij de Kamer op een aanvullende, kwalitatieve manier kan informeren over onderliggend lijden bij ziekenhuisopname na een coronabesmetting.


Kerngegevens

Nummer T03333
Status voldaan
Datum toezegging 23 november 2021
Deadline 1 juli 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Kamerleden A.W.J.A. van Hattem (PVV)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen gezondheidsrisico’s
onderliggend lijden
ziekenhuizen
COVID-19
Kamerstukken Goedkeuringswet derde verlenging geldingsduur Twm covid-19 (35.899)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 3 – blz. 6.

De heer Van Hattem (PVV):

Als het kabinet toch onderzoek laat verrichten, doe dat dan niet alleen achteraf en zorg ervoor dat er goed onderzoek kan worden verricht door meetbare indicatoren vast te stellen. Dan kan het parlement de maatregel ook op objectieve gronden beoordelen en vooraf heldere afwegingen maken. Kom eens met duidelijke cijfers over bijvoorbeeld onderliggend lijden bij ziekenhuisopnames en overlijden. Kan de minister dat toezeggen zodat een motie hierover in tweede termijn niet nodig is? Zulk onderzoek en het helder stellen van meetbare indicatoren is niet onnodig administreren, zoals de minister eerder suggereerde, maar is concrete uitgangspunten vastleggen om goed te kunnen regeren. Meten is weten en noodzakelijk voor effectief beleid.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 69.

De heer Van Hattem (PVV):

Dank, voorzitter. Ik heb nog wel wat punten om aan te halen. Allereerst heb ik in eerste termijn een aantal vragen gesteld die nog niet beantwoord zijn. Ik heb bijvoorbeeld gevraagd of wij als Kamer de cijfers kunnen krijgen over onderliggend lijden bij ziekenhuisopnames en overlijdens, zodat we wat dat betreft ook duidelijkheid en inzicht hebben.

Handelingen I 2021/22, nr. 7, item 8 – blz. 84 - 85.

Minister De Jonge:

De heer Van Hattem vroeg naar de cijfers ten aanzien van het onderliggend lijden. Die worden op die manier niet geadministreerd en geregistreerd. Als je bij een ziekenhuis op bezoek gaat, kunnen ze daar kwalitatief best een hele hoop over zeggen. Zo weten we ook dat bij de mensen die gevaccineerd zijn en in het ziekenhuis liggen, vaak sprake is van onderliggend lijden, van comorbiditeit. Maar onderliggend lijden als zodanig wordt niet centraal geadministreerd zodat ik die cijfers u centraal zou kunnen doen toekomen. Ik vraag toch uw begrip daarvoor.

De Voorzitter:

De heer Van Hattem. Mag het wel kort?

De heer Van Hattem (PVV):

Ik hou het kort. Ik heb heel veel begrip voor de minister. Er zijn op dit vlak natuurlijk heel veel beperkingen rondom privacy, de AVG et cetera. Maar het zou wel helpen als wij er een duidelijker beeld van kunnen krijgen. We krijgen nu heel veel cijfers te zien van overlijdens aan corona en de ziekenhuisopnames. Maar we hebben gewoon heel slecht in beeld of dat nu de voornaamste factor is. Ik bedoel dat iemand bijvoorbeeld in een verdergaand stadium van kanker zit en ook nog te maken heeft met een coronabesmetting, maar dat de kankerbehandeling eigenlijk het grootste punt van zorg is op medisch vlak. Is daar niet iets van een duidelijker beeld van te schetsen?

De Voorzitter:

Dank u wel.

De heer Van Hattem (PVV):

Dat kan ook op geaggregeerd niveau. Kan de minister daar misschien op reageren?

De Voorzitter:

Uw vraag is helder. We houden het even bij één vraag, meneer Van Hattem, als u het goed vindt. Gaat uw gang, minister.

Minister De Jonge:

Ik snap uw zoektocht, althans, de zoektocht van de heer Van Hattem, zeg ik uiteraard via de voorzitter. Geeft u mij even de gelegenheid om na te gaan wat daarover in aanvullende, waarschijnlijk meer kwalitatieve zin te zeggen zou zijn. Ik begrijp de zoektocht wel.

(…)


Brondocumenten


Historie