Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Rappelabele toezeggingen Financiën (Totaaloverzicht januari 2018)



Dit is het rappel tot 01-01-50.

 




Toezegging Evaluatie regeling ANBI’s en SBBI’s (31.930) (T01183)

De staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen van het lid Essers toe om de regeling ten aanzien van ANBI’s en SBBI’s na enkele jaren te zullen evalueren.


Kerngegevens

Nummer T01183
Status voldaan
Datum toezegging 15 december 2009
Deadline 1 mei 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Prof.dr. P.H.J. Essers (CDA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen ANBI’s
evaluatie
SBBI’s
Kamerstukken Wijziging Successiewet 1956 inzake vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur (31.930)


Uit de stukken

Handelingen I 2009-2010, nr. 13 – blz. 456

Staatssecretaris De Jager: […] Ik kan een toezegging doen op het punt van de evaluatie. Ik zeg erbij dat een ANBI en een SBBI bij de belastinguitgaven onze financiënsystematiek volgen en daarmee automatisch periodiek worden geëvalueerd. Ik wil echter nog eens specifiek duidelijk toezeggen dat wij een en ander inderdaad zullen doen. Wij moeten natuurlijk wel iets kunnen evalueren, dus wij moeten een aantal jaren ervaring hebben met het nieuwe regime. Vervolgens kunnen wij tot evaluatie overgaan.

Handelingen I 2009-2010, nr. 13 – blz. 431

De heer Essers (CDA): […] Wij vertrouwen erop dat de Belastingdienst zich constructief en redelijk zal opstellen bij het toetsen van deze criteria ten aanzien van de hier bedoelde verenigingen. Dat geldt uiteraard ook voor het beleid ten aanzien van de toekomstige SBBI’s. Graag worden wij door de staatssecretaris periodiek op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen op dit terrein. Vanwege de grote betekenis van algemeen nut en het sociaal belang behartigende instellingen voor onze samenleving, of het nu ANBl’s of SBBI’s zijn, vinden wij het van groot belang dat deze regeling na verloop van een aantal jaren grondig wordt geëvalueerd. Een toezegging van de staatssecretaris hierover stellen wij zeer op prijs.

Handelingen I 2009-2010, nr. 13 – blz. 477

De heer Essers (CDA): […] Veel fiscale discussies en wetsvoorstellen gaan over de vraag hoe ondernemingen kunnen worden gestimuleerd. Dat zal ook volgende week weer blijken als wij het belastingpakket gaan behandelen. Dat is ook terecht, want ondernemingen zijn immers de motoren van onze economie. Maar zonder de verenigingen waar wij het vandaag vooral over gehad hebben, de koren, de gildes, de schutterijen, de fanfares en harmonieën, zal onze samenleving kil en kleurloos zijn. Daarom is het goed dat tijdens dit debat zoveel zorg en aandacht aan het levende culturele erfgoed is besteed. Wij stellen ook de toezegging van de staatssecretaris op prijs, dat de uitvoering van de regeling periodiek zal worden geëvalueerd en dat er ook over zal worden gerapporteerd, en dat de Belastingdienst zoals gebruikelijk constructief en redelijk met de ANBI- en SBBI-regeling zal omgaan.


Brondocumenten


Historie







Toezegging De regering zegt toe terughoudend te zijn met opstellen beleidsbesluiten voor de BES-eilanden (32.189/32.190/32.276) (T01257)

De staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Doek (CDA), toe om terughoudend om te gaan met beleidsbesluiten voor de BES-eilanden, zeker als daarmee op wetgeving vooruit gelopen wordt en als daarmee een structurele afwijking van het voorgestelde fiscale stelsel wordt beoogd. Een fundamentele wijziging zal geregeld worden bij wet.


Kerngegevens

Nummer T01257
Status openstaand
Datum toezegging 14 december 2010
Deadline 1 januari 2012
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden drs. H.A. Doek (CDA)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen Caribisch Nederland
fiscaal stelsel
Kamerstukken Invoeringswet fiscaal stelsel BES (32.276)
Douane- en Accijnswet BES (32.190)
Belastingwet BES (32.189)


Uit de stukken

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 6

Doek (CDA):

Ik wil kort iets aan de orde stellen wat ons in deze Kamer altijd erg interesseert, namelijk regelgeving bij ministeriële regeling. Onze fractie heeft gelezen dat de staatssecretaris de mogelijkheid om de eventuele overgangsproblematiek middels ministeriële regelgeving op te vangen, ziet als een aflopende zaak in de tijd. Dat lijkt ook logisch. Tevens geeft de regering in haar antwoord aan dit in geval van een structurele afwijking van bijvoorbeeld de Belastingwet BES altijd te doen door wetswijziging en daartoe een wetsvoorstel in te dienen. Mede omdat een en ander niet eenduidig in de wet is geregeld, zoals wel in artikel 22 van de IBES, gaat onze fractie ervan uit dat een en ander nu goed verankerd is in de wetsgeschiedenis. Als het echt om structurele afwijkingen gaat, doen wij het dus gewoon per wet. Wij dringen er wel op aan om in een dergelijke situatie waarbij het bij ministeriële regeling gebeurt, uiterst terughoudend te zijn met op wetgeving vooruitlopende beleidsbesluiten. Ook daarvan houden wij niet zo in deze Kamer. Op dit punt vragen wij een duidelijke toezegging en uitleg van de staatssecretaris.

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 11

Staatssecretaris Weekers:

Ik ga in het eerste blok "algemeen" in op de vraag van de heer Doek. De CDA-fractie vraagt om in het kader van de overgang naar het nieuwe stelsel terughoudendheid te betrachten. De heer Doek vraagt eigenlijk om terughoudend om te gaan met beleidsbesluiten, zeker als je daarmee op wetgeving vooruitloopt en als daarmee dus een structurele afwijking van het voorgestelde fiscale stelsel wordt beoogd. Ik kan dit natuurlijk snel toezeggen. Wij spreken vandaag over een nieuw fiscaal stelsel voor de BES-eilanden. Dit stelsel staat ons voor ogen. De heer Doek moet er ook op kunnen vertrouwen dat dit wordt neergezet. Waarom heb ik mij de mogelijkheid voorbehouden om bij beleidsbesluit zaken aan te passen? Dit gebeurt juist opdat ik niet hoef te wachten en dus snel in actie kan komen als er onbedoelde effecten optreden. Als ik voornemens ben om een fundamentele aanpassing te plegen in het fiscale recht van de BES-eilanden, spreekt het natuurlijk voor zich dat ik dan de Koninklijke weg ga. Als dit echter te lang duurt en dit intussen tot ongelukken op de BES-eilanden leidt, zal men het mij niet euvel duiden dat ik daar dan wel op vooruit moet lopen. Het is een hele omslag van het oude naar het nieuwe stelsel. Niet voor niets hebben wij vandaag nog een brief gekregen met enkele zorgen daarin. Ik begrijp best dat mensen zich zorgen maken over een verandering. Je kunt immers niet alles voorzien. Als zich straks echt vervelende en niet voorziene zaken aandienen, heb je in elk geval een gereedschapskist nodig om snel in te kunnen ingrijpen. Mocht dit leiden tot structurele aanpassingen, zullen wij natuurlijk snel met wetgeving komen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Fundamentele wijzigingen in de fiscale wetgeving voor de BES in een apart wetsvoorstel (32.189/32.190/32.276) (T01258)

De staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Doek (CDA), toe om niet-omvangrijke, maar wel ingrijpende en fundamentele, wijzigingen in de fiscale wetgeving voor de BES-eilanden in een apart wetsvoorstel aan het parlement voor te leggen.


Kerngegevens

Nummer T01258
Status openstaand
Datum toezegging 14 december 2010
Deadline 1 januari 2012
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden drs. H.A. Doek (CDA)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen Caribisch Nederland
fiscale wetgeving
Kamerstukken Invoeringswet fiscaal stelsel BES (32.276)
Douane- en Accijnswet BES (32.190)
Belastingwet BES (32.189)


Uit de stukken

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 6

Doek (CDA):

Een volgend punt is de toekomstige behandeling van fiscale wetgeving op de BES-eilanden. De regering is voornemens, toekomstige wetgeving niet anders te behandelen dan andere fiscale wetgeving in Nederland. In de woorden van de regering: "Dit betekent dat omvangrijke en ingrijpende wijzigingen in, of een gedeeltelijke of algehele herziening van de Belastingwet BES et cetera veelal een eigen wetsvoorstel zullen rechtvaardigen. Echter, wijzigingen die samenhangen met de koopkracht van de inwoners van de BES-eilanden of een overzienbare hoeveelheid wijzigingen in één of meerdere fiscale wetten voor de BES-eilanden kunnen naar de mening van de regering meelopen in de jaarlijkse belastingplancyclus." De CDA-fractie kan zich echter wel degelijk voorstellen dat er sprake kan zijn van niet omvangrijke maar wel ingrijpende wijzigingen. Uit de tekst zou je kunnen afleiden dat het alleen zou gaan om omvangrijke én ingrijpende wijzigingen. In het geval dat de wijziging niet omvangrijk is maar wel ingrijpend, hechten wij er dan ook aan dat de voorstellen in aparte wetsontwerpen aan het parlement worden voorgelegd.

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 11

Staatssecretaris Weekers:

De heer Doek heeft ook gevraagd of niet-omvangrijke, maar wel ingrijpende wijzigingen een apart wetsvoorstel rechtvaardigen. Toekomstige wijzigingen in de fiscale wetgeving voor de BES-eilanden wil ik eigenlijk niet anders behandelen dan andere wijzigingen in de Nederlandse fiscale wetgeving. Dit brengt met zich dat ik het met de leden van de CDA-fractie eens ben dat ingrijpende wijzigingen een eigen wetsvoorstel kunnen rechtvaardigen. Desalniettemin kunnen naar mijn mening wijzigingen die samenhangen met de koopkracht van de inwoners van de BES-eilanden of een overzienbare hoeveelheid wijzigingen in één of meerdere fiscale wetten voor de BES-eilanden in de jaarlijkse belastingplancyclus meelopen. Ik sta in dit kader dezelfde aanpak voor als te doen gebruikelijk bij de Nederlandse belastingwetgeving. Als wij bepaalde fundamentele wijzigingen willen doorvoeren en dit buiten het bestek van het belastingplan kan en dus buiten de tijdsdruk die daarop zit, ken ik de wens van de Eerste Kamer om dit op een eerder moment in het jaar te doen. Als dit mogelijk is, zal ik het zeker niet nalaten. Ik wil echter geen aparte behandeling voor de fiscale BES-wetgeving en Europees Nederlandse fiscale wetgeving.

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 20

Doek (CDA):

Namens mijn fractie had ik nogal aangedrongen op een bepaalde wijze van behandeling van wetsvoorstellen met betrekking tot de BES-eilanden. De staatssecretaris trok in verband daarmee een parallel met het Nederlandse belastingstelsel, de wijze waarop wij dit doen voor de Nederlandse belastingwetten. Mag ik hem er toch op wijzen dat het ook daarbij lang heeft geduurd voordat deze Kamer het voor elkaar had dat dingen zoals de Bosal-wetgeving werden geregeld. Met deze wetgeving heeft de staatssecretaris aan de andere zijde ook zelf te maken gehad. Deze zat eerst in het belastingpakket. Bij amendement is ze er in de Tweede Kamer uitgehaald, zodat wij daarover in deze Kamer apart konden oordelen. Ik dring er met name op aan om ter zake van de fiscale wetgeving voor de BES-eilanden een zekere mildheid te betrachten, omdat de gevoeligheid aan die kant, bij inwoners van die landen, toch anders ligt dan in het heel professioneel georganiseerde Nederland. In het kader van het omgaan met nieuwe inwoners van het Rijk, lijkt het mij verstandig om dit waar het maar enigszins kan, toch in een apart wetsvoorstel te doen. Dat hoeft dan niet als het om de gewone aanpassing van tabellen gaat et cetera, tenzij dit grote wijzigingen zijn.

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 23

Staatssecretaris Weekers:

Verder verzocht de heer Doek mij om mildheid te betrachten. Hij vroeg om zaken die veranderd worden in het kader van het fiscale BES-dossier niet te verstoppen in het belastingplan en om daar aparte wetgeving voor te ontwerpen. Als wij in het kader van de koopkrachtdiscussie of anderszins kleine reparaties moeten doen, lijkt het mij zinvol deze in het belastingplan op te nemen. Als er fundamentele zaken aan de orde zijn, ook al hebben zij een gering materieel belang, lijkt het mij goed om deze in een apart wetsvoorstel op te nemen, als dat ook maar enigszins mogelijk is, gelet op de tijd die daarvoor nodig is.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Om misbruik van het fiscaal systeem op de BES-eilanden te voorkomen en daarover te rapporteren (32.189/32.190/32.276) (T01261)

De staatssecretaris van financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Doek (CDA), Ten Hoeve (OSF), Ten Horn (SP) en Laurier (GroenLinks), toe dat de belastingdienst structureel gaat monitoren op enig misbruik van het fiscale systeem op de BES-eilanden. Verder zegt de staatssecretaris toe dat hierover in het belastingplan 2013 gerapporteerd zal worden. Daarnaast zegt de staatssecretaris toe dat reparatievoorstellen tussentijds ingediend zullen gaan worden als blijkt dat het fiscale systeem op de BES-eilanden niet werkt zoals verwacht. Deze zullen worden voorgelegd aan de Kamer.


Kerngegevens

Nummer T01261
Status deels voldaan
Datum toezegging 14 december 2010
Deadline 1 januari 2012
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden drs. H.A. Doek (CDA)
drs. H. ten Hoeve (OSF)
dr. G.H.M.M. ten Horn (SP)
drs. J.P. Laurier (GroenLinks)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen Caribisch Nederland
fiscaal stelsel
Kamerstukken Invoeringswet fiscaal stelsel BES (32.276)
Douane- en Accijnswet BES (32.190)
Belastingwet BES (32.189)


Uit de stukken

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 6

Doek (CDA):

Met betrekking tot de vestigingsplaatsfictie is onze fractie het met de regering eens dat de voorwaarden die aan lichamen worden gesteld om niet als gevestigd in Nederland te worden beschouwd, een voldoende barrière opwerpen voor het type offshorevennootschappen dat uitsluitend om fiscale redenen gevestigd zou worden op een van de BES-eilanden. Gezien de internationale gevoeligheid, waarbij ook Nederland sterk is betrokken, is het echter van het grootste belang dat de staatssecretaris de ontwikkelingen op dit vlak nauwgezet in de gaten houdt. Kan de staatssecretaris aangeven hoe hij dit gaat aanpakken?

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 7

Ten Hoeve (OSF):

De opbrengstbelasting en de vastgoedbelasting zijn waarschijnlijk in de omstandigheden van de drie kleine eilanden op zich een goede oplossing om de reële bedrijvigheid op een controleerbare manier te belasten en zelfs om allerhande andere bedrijven, financiële instellingen en stichtingen die aan de kwalificatie-eisen voldoen en die qua werkgelegenheid niet al te veel opleveren toch iets aan de overheid te laten bijdragen. Maar meer dan de vastgoedbelasting is het daarbij natuurlijk vooral cruciaal hoe de 5% opbrengstbelasting gaat uitpakken. Als het juist is wat Tax Justice ons voorhoudt, namelijk dat bij het doen van uitkeringen makkelijk deze belasting ontdoken kan worden, bijvoorbeeld door die uitkeringen in de vorm van leningen te verstrekken, dan zouden wij inderdaad een echt belastingparadijs creëren. Hoe ziet de staatssecretaris dat? Kan hij zulk misbruik voorkomen?

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 9

Ten Horn (SP):

Gaat de koninkrijksregering in de Staat van het Koninkrijk rapporteren in welke mate alle landen binnen ons Koninkrijk aan deze uitgangspunten voldoen? Gaat zij ook in op de vraag of de landen daarbij mogelijk in elkaars vaarwater zitten in keuzes voor fiscale regelingen die bijvoorbeeld het vestigingsklimaat beïnvloeden? Gaan Curaçao en Sint-Maarten overigens voor 31 december aan de eis van een sluitende begroting voldoen? Kan de staatssecretaris de zorgen wegnemen dat we met deze fiscale BES-wetgeving in de buurt komen van een belastingparadijs, zoals collega Ten Hoeve ook al vroeg? Deze zorgen werden op het blog van het internationale Tax Justice Network nogmaals onder de aandacht gebracht.

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 9

Laurier (GroenLinks):

In de tweede plaats leeft bij mijn fractie de vraag welk belastingklimaat op de BES-eilanden wordt gecreëerd. Op dat punt spreekt het Tax Justice Network, waarin een reeks gerenommeerde instellingen zijn verenigd, zijn zorg uit. De vraag wordt opgeworpen of binnen de grenzen van het land Nederland een belastingparadijsje wordt gecreëerd. De verdediging langs enerzijds de lijn van postbusbedrijven met tenminste drie medewerkers en een commercieel eigendom ter waarde van $50.000 en anderzijds de opbrengstbelasting die bepaalt dat 5% over de dividenden moet worden betaald, wordt in de ogen van dit netwerk te zwak geacht. Door middel van leningen zou bijvoorbeeld te gemakkelijk geld kunnen worden weggesluisd. Graag krijg ik hierop een reactie van de staatssecretaris. Ik sluit me ook aan bij de vraag van de heer Doek naar hoe dit soort ontwikkelingen in feite in de peiling wordt gehouden.

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 14

Staatssecretaris Weekers:

Dan heeft mevrouw Ten Horn de vraag gesteld of de BES-eilanden een belastingparadijs zijn. Trouwens ook de heer Laurier heeft er een vraag over gesteld, waarbij verwezen is naar het Tax Justice Network. Het antwoord op de vraag of er op genoemde eilanden sprake is van een belastingparadijs is volmondig nee. Ik heb zojuist al even anekdotisch verwezen naar de brief die wij heden nog hebben gekregen. Wij maken met de BES-wetten een nieuw modern en eenvoudig stelsel binnen het Koninkrijk. Het is waar dat er geen traditionele winstbelasting in is opgenomen. Ik begrijp wat dat betreft ook zeer wat de gevoeligheden daarover zijn. Het is echter zeker geen belastingparadijsachtig stelsel. Ten eerste is als alternatief voor de afwezigheid van de traditionele winstbelasting een robuuste vastgoedbelasting en opbrengstbelasting ontworpen. Ten tweede is cruciaal dat de BES-eilanden in zeer ruime mate aan internationale informatievoorziening over belastingzaken meedoen. Ten slotte heeft de vestigingsplaatsfictie tot gevolg dat het fiscale stelsel voor de BES-eilanden enkel aantrekkelijk is voor reële bedrijven. Bedrijven zonder economische binding met de BES-eilanden worden actief ontmoedigd zich op de BES-eilanden te vestigen. Daarmee zit men naar mijn mening internationaal onmiddellijk aan de goede kant van de streep.

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 20

Doek (CDA):

Ter zake van de vestigingsplaats van lichamen wacht ik met de staatssecretaris af waartoe dit leidt. Uiteindelijk is mij ook wel bekend dat ongetwijfeld zal worden geprobeerd om hiervan toch gebruik te maken, op een wijze die wij misschien "misbruik" zouden noemen.

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 20

Ten Hoeve (OSF):

Mijn tweede punt betreft de kwestie van het belastingparadijs. Ik help de staatssecretaris hopen dat dit helemaal niet gebeurt. Als er leningen worden verstrekt, zoals werd genoemd, zou ik me kunnen voorstellen dat weliswaar niet de eindafrekening wordt ontgaan, maar betaling wel een heel eind kan worden opgeschoven. Dan zou dat misschien toch heel aantrekkelijk kunnen zijn. Ook de heer Doek heeft gevraagd om dit te blijven monitoren. Ik denk dat er wel op moet worden gelet wat hierbij gebeurt.

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 21

Laurier (GroenLinks):

Ik ga verder met het belastingparadijs, om het zo maar even te noemen. De staatssecretaris zegde toe dat de vinger aan de pols zou worden gehouden en dat het gemonitord zou worden. Dat vinden wij heel belangrijk. Het is nu een beetje een welles-nietesspel over de vraag of de verdedigingslijnen voldoende zijn. Misschien kan de staatssecretaris in tweede termijn nog iets zeggen over de wijze van monitoren. Ziet hij in de verslaggeving ook een rol voor de Eerste Kamer?

Handelingen I 2010-2011, nr. 11 – blz. 23

Staatssecretaris Weekers:

De heer Doek, de heer Laurier en anderen hebben gewezen op de vestigingsplaats van lichamen. Zij zeiden: zorg ervoor dat er geen paradijselijke situatie ontstaat! Wij zijn ervan overtuigd dat er geen paradijselijke situatie ontstaat, maar wij zullen de vinger aan de pols houden. Het is niet de bedoeling dat deze situatie zal ontstaan. De heer Laurier vroeg hoe wij dat gaan monitoren. De belastingdienst aldaar zal dat structureel in de gaten houden. Mochten er vanuit de fiscale rechtspraktijk bepaalde signalen komen, dan ontvang ik die graag. Ik wil daarover rapporteren bij het belastingplan 2013. Dat lijkt mij een goed moment om hierop terug te komen. Mochten wij tussentijds zien dat zaken niet lopen zoals wij nu verwachten, dan zal ik uiteraard onmiddellijk reparatievoorstellen doen. Die zal ik dan expliciet aan de Kamer voorleggen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evaluatie bonusverbod (33.058) (T01528)

De Minister van Financiën, de heer mr.drs. J.C. de Jager, zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Ester (ChristenUnie), toe om het bonusverbod binnen drie jaar omvattend en grondig te evalueren. De minister geeft aan daarbij ook de mogelijkheid boetes terug te laten vloeien naar de schatkist te willen betrekken.


Kerngegevens

Nummer T01528
Status voldaan
Datum toezegging 22 mei 2012
Deadline 1 januari 2019
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Dr. P. Ester (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen bonusverbod
evaluatie
Kamerstukken Wet aansprakelijkheidsbeperking De Nederlandsche Bank (DNB) en Autoriteit Financiële Markten (AFM) en bonusverbod staatsgesteunde ondernemingen (33.058)


Uit de stukken

Handelingen I 2011-2012, nr. 4, blz. 8.

De heer Ester (ChristenUnie):

(...)

Ik rond af met een laatste punt. De ChristenUnie-fractie is de minister erkentelijk voor de toezegging die hij in de schriftelijke vragenronde aan de fractie heeft gedaan om de bonusregeling na drie jaar te evalueren. Wij gaan ervan uit dat dit op een grondige, omvattende en gezaghebbende wijze zal gebeuren. Gezien het heftige maatschappelijke debat rond bonussen in de financiële sector kan het belang van een brede en diepgaande evaluatie niet genoeg beklemtoond worden. Wij zien de resultaten van deze studie dan ook met grote interesse tegemoet. Ik vraag de minister om vanmiddag ook hier nog eens publiekelijk te bevestigen dat de bonusregeling stevig geëvalueerd zal worden. Daar zal een juiste maatschappelijke signaalwerking van uitgaan, waarvoor onze dank.

Handelingen I 2011-2012, nr. 6, blz. 29.

Minister de Jager:

(...)

"De heer Ester vraagt of ik kan bevestigen dat de toegezegde evaluatie stevig zal zijn. Dat kan ik toezeggen. Deze zal ik ook doen binnen drie jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel."

Handelingen I 2011-2012, nr. 6, blz. 31.

De heer Ester (ChristenUnie):

(...)

"Wij zijn de minister zeer erkentelijk voor zijn toezegging aan mijn fractie om het bonusverbod binnen drie jaar omvattend en grondig te evalueren. Wij zien uit naar de resultaten daarvan. Dan blijkt of het gemis van zo'n sanctieregeling in het onderzoek naar voren komt en of er behoefte is aan een additionele, aangescherpte en directe sanctieregeling."

Handelingen I 2011-2012, nr. 6, blz. 32.

Minister De Jager:

(...)

"Ben ik bereid om boetes naar de schatkist te heroverwegen? Laten wij dat bij een volgende evaluatie, bijvoorbeeld de evaluatie die ik net heb bevestigd aan de ChristenUnie, nog eens meenemen. Dit is inderdaad geen principieel punt, zoals ik net ook heb gezegd tegen de heer Postema."


Brondocumenten


Historie







Toezegging Optimaal blijven informeren van de Eerste Kamer over de gefaseerde realisatie van de bankenunie (33.400) (T01650)

De minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag/opmerking van het lid Postema PvdA) toe de Eerste Kamer optimaal te blijven informeren over het tijdpad van de oprichting van een toekomstige bankenunie.


Kerngegevens

Nummer T01650
Status openstaand
Datum toezegging 19 november 2012
Deadline 1 januari 2014
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Drs. A. Postema (PvdA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen bankenunie
Kamerstukken Miljoenennota 2013 (33.400)


Uit de stukken

Handelingen I 2012-2013, nr. 8 – blz. 53

De heer Postema (PvdA):

Ik kom even terug op de bankenunie. De fractie van de Partij van de Arbeid is voorstander van de totstandkoming van een dergelijke unie. We maken ons wel grote zorgen bij het initieel geschetste tijdpad. Het zou in de eerste opzet zelfs al per 1 januari 2013 ingaan. Is er inmiddels al meer bekend over die gefaseerde realisatie? Misschien nog belangrijker: is de minister bereid om ook de Eerste Kamer optimaal te blijven informeren over die onderdelen van een toekomstige bankenunie?

Minister Dijsselbloem:

Op de laatste vraag is het antwoord uiteraard "ja". We komen in Brussel niet alleen bijeen in de Ecofin maar beschikken ook over de bilaterale contacten met de Commissie. Daaruit is mij gebleken dat in ieder geval het probleem van het tijdpad met de vaste momenten waarop volgende fases zouden moeten ingaan, voldoende op de agenda staat. Daar zit echter een spanning in. Wij zeggen dat de kwaliteit voor gaat en dan pas het tijdpad, terwijl andere landen zeggen dat zij echt tempo willen maken. Voor dat laatste is ook een goed verhaal te houden, want de risico's voor de eurozone als geheel, de besmettingsgevaren tussen bankensector en nationale overheden, zijn de risico's die wij zo snel mogelijk moeten tackelen. Onze insteek is: we gaan het doen, maar we gaan het goed doen. Wij zijn bereid om alles te doen wat nodig is om het tempo erin te houden.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Aangaan gesprek met DNB over aanpassing van het garantieplafond bij positieve of negatieve ontwikkeling van crisisgerelateerde risico's (33.548) (T01667)

De minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag/opmerking van de Leden Reuten (SP), Backer (D66) en Ester (CU), toe bereid te zijn met DNB het gesprek te voeren over aanpassing van het garantieplafond als het risico zich in positieve of negatieve zin zou ontwikkelen. 


Kerngegevens

Nummer T01667
Status voldaan
Datum toezegging 12 maart 2013
Deadline 1 januari 2014
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Jhr.mr. J.P. Backer (D66)
Dr. P. Ester (ChristenUnie)
dr. G.A.T.M. Reuten (SP)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen De Nederlandsche Bank
jaarverslagen
overheidsfinanciën
risico's
Kamerstukken Incidentele suppletoire begroting winstafdracht De Nederlandsche Bank (DNB) 2013 (33.548)


Uit de stukken

Handelingen I 2012-2013, nr. 8 – blz. 75

Minister Dijsselbloem:

[...]

De heer Ester heeft gevraagd of ik op macroniveau meer duiding kan geven aan de risico's. De garantiestelling kan immers ook onvoldoende blijven. Dat is op zichzelf genomen natuurlijk waar. Het roept ook de vraag op wie nu eigenlijk de risico's beheerst. Moet je niet de risico's daar neerleggen waar ze kunnen worden beïnvloed? In dit geval is die vraag niet eenduidig te beantwoorden. Het is eigenlijk nog het minste te beïnvloeden door de Nederlandsche Bank zelf. Het is te beïnvloeden door de ECB, die beslissingen kan nemen over het openstellen en afsluiten van programma's. Het risico is natuurlijk te beïnvloeden door effectief optreden van Europese politici in het kader van de eurocrisis. Een deel van de risico's wordt door hen bestreden. Daarmee kun je niet zeggen dat de Nederlandsche Bank de risico's die aan dit soort programma's zitten, zelf het meest effectief kan bestrijden. Het stelsel van centrale banken, met name de ECB, kan dit wel en de Europese politiek kan dit ook, met name de ministers van Financiën in de eurogroep; daar kunnen de risico's worden bestreden. Daarom is er ook veel voor te zeggen om de risico's niet bij DNB te laten liggen.

De heer Ester heeft ook gevraagd naar de afbouwstappen van de garantie. Daarover heb ik zojuist gesproken. Het is een maximumplafond voor vijf jaar. Wij kunnen het tussentijds overwegen. Dat kan ook als het omhoog zou moeten. Dan zou de Nederlandsche Bank daarom kunnen vragen. Als het mogelijk is om het te verlagen, kunnen wij het gesprek met de Nederlandsche Bank voeren, maar in principe is het een afspraak voor vijf jaar en is het een plafond.

Handelingen I 2012-2013, nr. 8 – blz. 80-81

Minister Dijsselbloem:

Het jaarlijks terugbrengen van de garantie zou betekenen dat wij weer jaarlijks met de bank moeten gaan praten hoe wij ermee omgaan. Ik wil daar juist aan ontsnappen. Ik wil graag voor de komende vijf jaar – deze programma's hebben gemiddeld genomen een looptijd van vijf jaar – dit garantieplafond als maximum handhaven. Over vijf jaar kunnen wij dan zien hoe het ermee staat, of de eurocrisis achter de rug is, of alle schulden zijn afbetaald, en dan kunnen wij er een punt achter zetten. Het zou kunnen zijn dat de situatie zich heel gunstig ontwikkelt en dat dit maximum eigenlijk veel te ruim is. De heer Reuten zegt dat hij het dan graag wil verlagen. Tegelijkertijd kan ik niet met zekerheid zeggen dat als ik in de aanloop naar de Miljoenennota met de Nederlandsche Bank ga praten om een lager bedrag op te nemen, er niet ook tegenslagen zullen zijn en dat programma's toch weer worden verruimd om landen te helpen. Als zich dit voordoet, knelt onmiddellijk mijn plafond omdat ik het dan inmiddels heb verlaagd, zoals de heer Reuten heeft bepleit. Het voordeel van een iets ruimer plafond is dat het flexibiliteit biedt. Het is alleen maar een maximum dat wij kunnen gebruiken als het nodig is. Ik pleit daarin eigenlijk voor flexibiliteit. Anders moet ik vaker – net als nu – met incidentele suppletoire begrotingen naar deze Kamer terugkomen.

De heer Backer (D66):

Het vaker komen met suppletoire begrotingen moedig ik niet aan. Ik wil een suggestie doen die misschien kan helpen en die tegemoetkomt aan de gedachte die collega Reuten heeft geuit. Het is niet ongebruikelijk om in het garantie-instrument – de minister heeft mij schriftelijk bevestigd dat er garantie-instrumenten zullen zijn – te vermelden dat door de garantiegever al naar gelang de ontwikkeling van het risico, het plafond naar beneden gebracht kan worden. Ik zeg met nadruk kán worden en niet hoeft te worden. In de jaarrekening en in de begroting kan dit vermeld worden en dan is het met de mogelijkheid van de garantie keurig rond.

Minister Dijsselbloem:

Wij hebben nu, ik zal het maar huiselijk zeggen, in de overeenkomst die wij met de bank hebben opgesteld, niet de mogelijkheid opgenomen de garantie tussentijds te verhogen of te verlagen. Ik kan mij niet voorstellen dat de Nederlandsche Bank er bezwaren tegen heeft dat wij het plafond zouden kunnen aanpassen als het risico zich in positieve of negatieve zin zou ontwikkelen. Ik ben daar op zichzelf niet tegen en ik ben bereid daarover het gesprek met de Nederlandsche Bank te voeren. Wij kunnen daar dan ook praktische afspraken over maken. Wat ik niet zou willen toezeggen, is dat wij, op basis van wat de Nederlandsche Bank in de aanloop naar de Miljoenennota aan mij meldt over de ontwikkeling van het risico, iedere keer het plafond omlaag moeten brengen. Want dan ben ik de flexibiliteit kwijt en vrees ik dat ik in de loop van het jaar weer moet terugkomen met suppletoire begrotingen omdat het plafond te knellend is. Daarom pleit ik ervoor in principe 5,7% ruimte te houden. Als het zich versnelt en heel behoorlijk verlaagt, zal ik de opening naar de Nederlandsche Bank maken en het gesprek gaan voeren over verlaging van het plafond. Mijn hoofdpunt is en blijft het behoud van de flexibiliteit. Als wij elkaar zo kunnen begrijpen, kan ik het gesprek met DNB langs die lijn voeren.

De heer Reuten (SP):

De minister stelt mij gerust, maar maakt mij ook ongerust. Hij stelt mij gerust als hij zegt dat het maximum van de garantie vijf jaar is en dat hij over vijf jaar eventueel bij de Kamer terugkomt. Heb ik dat goed begrepen?

Minister Dijsselbloem:

Ik kom natuurlijk jaarlijks bij u terug, want het staat in de Miljoenennota. U kunt het dan uit die nota fietsen.

De heer Reuten (SP):

Dat kunnen ze aan de overkant.

Minister Dijsselbloem:

U kunt in ieder geval zeggen dat u het anders wilt. U hebt niet het recht van amendement, maar in een debat kan dit allemaal worden besproken.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Jaarverslag Staatsdeelnemingen ( C ) (T01841)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Ester (ChristenUnie), toe in de periodieke verantwoordingsrapportage, zijnde het Jaarverslag Staatsdeelnemingen, expliciet aandacht te besteden aan het publieke belang.


Kerngegevens


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 16, item 5 - blz. 56

De heer Ester (ChristenUnie): Nog een afrondende opmerking over het deelnemingenbeleid. Mijn fractie wil de minister, in dit geval die van Financiën, verzoeken of hij in de periodieke verantwoordingsrapportage ook expliciet aandacht wil besteden aan de wijze waarop het publieke belang steeds is geborgd en de afwegingen die daarbij golden. De perikelen rond Fyra en de investeringen van de Gasunie in Duitsland hebben ons harde lessen geleerd. Het analysekader van de POC kan ook hier een goede rol spelen.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 16, item 5 - blz. 76-77

Minister Dijsselbloem: De heer Ester heeft gevraagd of wij in de periodieke verantwoordingsrapportage, dat is het Jaarverslag Staatsdeelnemingen, expliciet aandacht willen besteden aan het publieke belang. Dat doen wij kort in het jaarverslag. Wij hebben in de nota staatsdeelnemingen opgenomen dat wij periodiek, dat wil zeggen één keer in de vier jaar als wij het ritme van de kabinetsperiode aanhouden, van alle staatsdeelnemingen opnieuw de vraag willen stellen of het goed is geregeld zowel in termen van wet- en regelgeving als van publiek belang. Dan wordt ook de vraag gesteld of aandeelhouderschap nog steeds aan de orde is en of het ook gewenst is voor de toekomst. Wij zullen het antwoord op die vragen in het Jaarverslag Staatsdeelnemingen opnemen. Wij zullen dus een ritme aanbrengen opdat wij de portefeuille regelmatig doorakkeren op het publiek belang en de wijze waarop wij dat borgen. Ik zeg dit dus graag toe.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 16, item 5 - blz. 83

De heer Ester (ChristenUnie): We danken de minister van Financiën voor zijn toezegging om periodiek te rapporteren over de borging van het publieke belang in de verantwoordingsrapportages rond het deelnemingenbeleid.


Brondocumenten


Historie

  • 9 juni 2015
    nieuwe commissie: commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
  • 9 juni 2015
    commissie vervallen: commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BZK/AZ)
  • 21 januari 2014
    toezegging gedaan






Toezegging Parlementaire betrokkenheid ( C ) (T01842)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Postema (PvdA), toe dat alle zaken die evident betrekking hebben op veranderingen in het aansturen en borgen van publieke belangen, of dat nu met verandering van wetgeving gepaard gaat of niet, via parlementaire behandeling worden bekrachtigd.


Kerngegevens

Nummer T01842
Status openstaand
Datum toezegging 21 januari 2014
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Drs. A. Postema (PvdA)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen privatisering
wetgeving
Kamerstukken Verbinding verbroken? Onderzoek naar de parlementaire besluitvorming over de privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten (C)


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 16, item 5 - blz. 76

Minister Dijsselbloem: Ook in de wijze waarop wij ABN AMRO op een gegeven moment weer zullen verkopen, zullen wij het publieke belang zeker stellen, bijvoorbeeld het bijeenhouden van deze bank en het behouden van deze bank voor de Nederlandse economie. Er zal veel worden geregeld, maar het besluit tot privatisering zal niet bij wetgeving gebeuren. Ik begrijp dat de heer Kox daar wel voor pleit, maar dat is niet nodig. Wat ons betreft kunnen wij daarover ook prima het debat met het parlement voeren zonder dat dit in een wet is opgenomen.

De heer Postema (PvdA): Ik wijs op een interessante voetnoot in het overzicht van de voorgenomen privatisering en verzelfstandigingen dat wij van minister Blok hebben ontvangen. Hierin staat namelijk: "Onder de definitie van privatisering wordt verstaan ook de oprichting van staatsdeelnemingen alsook de verkoop van aandelen van staatsdeelnemingen aan private partijen". Ik heb deze wat exotische definitie maar opgevat als ondersteuning van de bevinding van de onderzoekscommissie dat zaken die evident betrekking hebben op veranderingen in het aansturen en borgen van publieke belangen, of dat nu met verandering van wetgeving gepaard gaat of niet, via parlementaire behandeling worden bekrachtigd. Dat is naar mijn oordeel een belangrijke toezegging.

Minister Dijsselbloem: Dat is absoluut zo. Dat is al zo en ik zeg dat opnieuw toe. In het debat in de Tweede Kamer is nog gevraagd of ik voorzie dat de portefeuille staatsdeelnemingen zal uitbreiden. Ik heb geantwoord dat dit niet uit te sluiten is. Het is recentelijk nog gebeurd. Nog niet zo lang geleden is de Staat medeaandeelhouder geworden in het Havenbedrijf Rotterdam vanwege de toenmalige uitbreidingsbeslissingen. De Staat is nu met de gemeente Rotterdam mede-eigenaar. Dat gebeurt, maar het moet wel goed gemotiveerd zijn. Ook dan zal de Kamer nauwgezet worden geïnformeerd en zal het besliskader worden gebruikt.


Brondocumenten


Historie

  • 9 juni 2015
    nieuwe commissie: commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
  • 9 juni 2015
    commissie vervallen: commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BZK/AZ)
  • 21 januari 2014
    toezegging gedaan






Toezegging Evaluatie Wet houdbare overheidsfinanciën (33.416) (T01865)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Ester (ChristenUnie), toe de Wet houdbare overheidsfinanciën te evalueren en daarbij de ontwikkeling van investeringen en andere factoren die het EMU-saldo van de decentrale overheden hebben beïnvloed betrekken. Medio 2015 wordt hier voor het eerst naar gekeken.


Kerngegevens

Nummer T01865
Status voldaan
Datum toezegging 26 november 2013
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Dr. P. Ester (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen evaluatie
houdbare overheidsfinanciën
Kamerstukken Wet houdbare overheidsfinanciën (33.416)


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 10, item 10 - blz. 37

De heer Ester (ChristenUnie): De Wet Hof zal geëvalueerd worden. Is er overigens een reden dat het voorstel hiertoe niet zelf in de wet is opgenomen? Mijn fractie vraagt de minister, vooral de investeringskwestie een grote rol in de evaluatie te laten spelen. Dat is immers een kernpunt in de discussie tussen het Rijk, de gemeenten, provincies en waterschappen. Kan de minister dit toezeggen? Hier staan grote sociaaleconomische belangen en werkgelegenheidsbelangen op het spel. Decentrale overheden, zeker ook gemeenten, krijgen de komende paar jaar al genoeg voor de kiezen in het kader van de grote decentralisatietrajecten rond werk, jeugd en zorg.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 10, item 13 - blz. 70

Minister Dijsselbloem: De heer Ester heeft gevraagd waarom de wet geen evaluatiemoment bevat. Hij heeft ook gevraagd of er in de evaluatie aandacht zal zijn voor de investeringsniveaus. Zoals net al is gezegd, is met de decentrale overheden afgesproken dat medio 2015 wordt bezien of de verwachte daling van de norm zich ook aftekent en of de afgesproken verdere daling in 2016 en 2017 verantwoord en mogelijk is. De realisaties van het saldo in de dan achterliggende jaren dienen dan als input. Ook zullen wij de ontwikkeling van investeringen en andere factoren die het EMU-saldo van de decentrale overheden hebben beïnvloed, daarbij betrekken en bekijken of het verantwoord is om de tekortnorm geleidelijk aan te verlagen op weg naar dat begrotingsevenwicht op de middellange termijn. Het financieel akkoord dat wij met de decentrale overheden hebben gesloten, is een logische plek voor deze afspraak. Dat bestuurlijk overleg wordt dan hervat. Nogmaals, in de wet zelf zijn geen normen vastgelegd.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Aanpassing zinsnede artikel 2b, lid 1, Wet verplicht schatkistbankieren, inzake negatieve rente (33.540) (T01868)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Reuten (SP), toe dat bij de eerstvolgende wijziging van de wet verplicht schatkistbankieren in artikel 2b, lid 1, de zinsnede "de rente kan niet negatief zijn" wordt vervangen door "de rente zal niet negatief zijn".


Kerngegevens

Nummer T01868
Status openstaand
Datum toezegging 26 november 2013
Deadline 1 januari 2017
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden dr. G.A.T.M. Reuten (SP)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen schatkistbankieren
Kamerstukken Verplicht schatkistbankieren voor decentrale overheden (33.540)


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 10, item 10 - blz. 30

De heer Reuten (SP): (...)  luidt artikel 2b, lid 1: "Openbare lichamen ontvangen rente over de liquide middelen die zij in 's Rijks schatkist aanhouden. De rente kan niet negatief zijn." Ik neem aan dat in het laatste zinnetje bedoeld is "de rente zal niet negatief zijn" want het kan uiteraard wel. Ik vraag de minister om dit bij de eerstvolgende gelegenheid te wijzigen.

Handelingen I 2013-2014, nr. 10, item 13 - blz. 73-74

Minister Dijsselbloem: De heer Reuten heeft een opmerking gemaakt over de zinsnede "De rente kan niet negatief zijn". Hij zei dat daar moet staan: "De rente zal niet negatief zijn." Hij heeft gelijk. Bij een volgende wijziging van het wetsvoorstel zal dat worden gecorrigeerd. Want het kan natuurlijk wel, maar het is een beleidsmatige keuze om de rente niet negatief te laten zijn.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evaluatie wet schatkistbankieren zonder horizonbepaling (33.540) (T01870)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Postema (PvdA) en Ester (ChristenUnie), toe om de wet verplicht schatkistbankieren te evalueren en hierbij rekening te houden met de volgende elementen: het effect op de EMU-schuld, de gerealiseerde efficiencywinst, rendementseffecten en de autonomie van de decentrale overheden. Tevens zal de regering in de evaluatie nadrukkelijk kijken naar nut en noodzaak van het schatkistbankeren ingeval de EMU-normen feitelijk niet meer actueel zijn, in de zin dat ze niet meer dwingend zijn.


Kerngegevens

Nummer T01870
Status voldaan
Datum toezegging 26 november 2013
Deadline 1 juli 2019
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Dr. P. Ester (ChristenUnie)
Drs. A. Postema (PvdA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen evaluatie
schatkistbankieren
Kamerstukken Verplicht schatkistbankieren voor decentrale overheden (33.540)


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 10 item 10 - blz. 36

De heer Postema (PvdA): Voorzitter, ik rond af. Gegeven het risico dat nu of in de toekomst toch onverhoopt beleidsmatige sturing via het instrument van het schatkistbankieren plaats zal gaan vinden is het voor mijn fractie van groot belang dat de minister ons vandaag hierover comfort biedt. Daarbij past zeker een evaluatie, waarin ook de eventuele inpassing van een horizonbepaling dient te worden meegenomen. Wij wachten de beantwoording van onze vragen dan ook met belangstelling af.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 10 item 10 - blz. 38

De heer Ester (ChristenUnie): Schatkistbankieren zal risicoarm financieel beheer door lagere overheden in de hand werken. De ChristenUnie-fractie is een groot voorstander van prudent beleggingsbeleid en conservatief cashmanagement door lagere overheden. Dit wetsvoorstel bevordert dat. Schatkistbankieren zal per saldo ertoe leiden dat het rendement minder zal zijn. De omvang blijft ook hier wat in het ongewisse. Voor provincies en gemeenten die in risicoarm AAA-papier beleggen maakt het allemaal niet veel uit, zo schatten wij in. Zij kunnen immers profiteren van de gunstige financieringsvoorwaarden van het Rijk. Voor decentrale overheden die bewust meer risico nemen – uiteraard binnen grenzen die de Wet fido stelt – zal er sprake zijn van rendementsvermindering.

De richting van dit wetsvoorstel heeft onze instemming. Wel is er ook hier toch onzekerheid over de kwantitatieve effecten ervan. De minister heeft in de Tweede Kamer toegezegd de wet te zullen evalueren. Ook hier geldt dat in het wetsvoorstel zelf hierover niets is geregeld. Mijn fractie vraagt de minister om in de evaluatie expliciet aandacht te besteden aan het daadwerkelijke effect van schatkistbankieren op de verlaging van de EMU-schuld, de gerealiseerde efficiencywinst, de rendementseffecten voor decentrale overheden en de gemeentelijke en provinciale autonomie. Dat laatste punt is voor de ChristenUnie-fractie zeer belangrijk. Kan de minister die criteria toezeggen?

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 10 item 13 - blz. 72-73

Minister Dijsselbloem: Dan kom ik op een aantal meer specifieke vragen over schatkistbankieren. Ook daarbij is gevraagd naar een horizonbepaling. Een evaluatie van de wet heb ik toegezegd in de Tweede Kamer. Die zal er dan ook komen. Een horizonbepaling vind ik niet gewenst. Immers, het beheersen van de overheidsschuld in totaal is altijd belangrijk, ook als de schuld in de toekomst weer onder de 60% ligt. Hetzelfde geldt voor de aanvullende argumenten, zoals risicoreductie, het doelmatig beheren van overheidsmiddelen et cetera. Ik verwijs naar de argumenten die ik in mijn inleiding heb genoemd. Dit wetsvoorstel behoudt dus ook in de toekomst zeker zijn waarde.

De heer Postema (PvdA): Ik denk niet dat wij vandaag overeenstemming bereiken over nut en noodzaak van een horizonbepaling, maar het zou toch logisch zijn als het onderwerp als zodanig in de evaluatie wordt meegenomen?

Minister Dijsselbloem: Definieert de heer Postema het onderwerp dan als volgt? Moeten wij decentrale overheden in de toekomst, wanneer de staatsschuld bijvoorbeeld onder de 50% is gebracht, nog wel verplichten om hun overtollige publieke middelen te parkeren in de schatkist? Ik kan daar ja op zeggen. Maar dat is ook een politieke weging. Die gaat om de vraag hoe belangrijk je het vindt dat publieke middelen zorgvuldig en met beperkt risico worden beheerd, dat dat doelmatig gebeurt en dat dat ook in die situatie bijdraagt aan een zo laag mogelijke inleenbehoefte van de totale overheid op de kapitaalmarkten. Dat lijkt mij de set van argumenten waarom wij dit een goed wetsvoorstel vinden, die ook bij een lagere staatsschuld nog gelden. Ik ben bereid die discussie alsdan – op dat moment ben ik natuurlijk nog minister – met de heer Postema te vervolgen.

De heer Postema (PvdA): Wij gaan er ook van uit dat de heer Dijsselbloem dan nog minister is en dat wij dat dan zo gaan doen. Veel dank voor die toezegging. Ik denk niet dat wij elkaar vandaag gaan vinden op het onderdeel van de efficiency. Ik blijf daar maar een beetje vandaan. Als die efficiencyargumentatie namelijk zo sterk geldt, dan zou ik ook naar een inleenfaciliteit voor de decentrale overheden kijken en die is er nou net uitgehaald. Maar op dat punt gunnen wij het kabinet zijn eigen overweging. Nogmaals dank voor de toezegging over de evaluatie.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 10 item 13 - blz. 75

Minister Dijsselbloem: De heer Ester heeft een aantal suggesties gedaan voor de inhoud van de evaluatie van de wet. Hij heeft, terecht, vastgesteld dat de evaluatie niet in het wetsvoorstel zelf staat. Hij zou bepaalde elementen graag terugzien in de evaluatie. Hij noemde concreet het effect op de EMU-schuld, de gerealiseerde efficiencywinst, rendementseffecten en natuurlijk de autonomie van de decentrale overheden. Ik zeg hem graag toe dat deze elementen deel zullen uitmaken van de evaluatie.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 10 item 13 - blz. 78

De heer Postema (PvdA): Ten aanzien van het schatkistbankeren geldt eigenlijk eenzelfde soort verhaal. Veel dank voor de geboden helderheid. Daarnaast dank ik de minister voor zijn toezegging om in de evaluatie nadrukkelijk nog eens te kijken naar nut en noodzaak van het schatkistbankeren ingeval de EMU-normen feitelijk niet meer actueel zijn, in de zin dat ze niet meer dwingend zijn. Wij zouden echt graag zien dat dit te zijner tijd op die manier door de evaluatoren wordt bezien.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Toepassing sanctie-instrument Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit (33.752 / 33.753 / 33.754 / 33.755) (T01953)

De staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Essers (CDA) en Bröcker (VVD), toe dat maatregelen voor zover ze een sanctie inhouden alleen fraudeurs treffen. Om een sanctie te kunnen opleggen is opzet of ten minste grove schuld vereist. Pleitbare standpunten vallen daar nooit onder.


Kerngegevens


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 14, blz. 15

Ik denk dat het wel van belang is dat ik de heer Essers andermaal toezeg, net als in de schriftelijke stukken en in reactie op de inbreng van de heren Bröcker en Essers, dat maatregelen voor zover ze een sanctie inhouden alleen fraudeurs treffen, want om een sanctie te kunnen opleggen is opzet of ten minste grove schuld vereist. Pleitbare standpunten vallen daar natuurlijk nooit onder.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Informeren van de Kamer over Banking Structural Reform verordening (34.155) (T02169)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Van Apeldoorn (SP), toe de Kamer met grote regelmaat te informeren over de voortgang van de onderhandelingen over de Banking Structural Reform verordening.


Kerngegevens

Nummer T02169
Status voldaan
Datum toezegging 8 september 2015
Deadline 1 januari 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Prof.dr. E.B. van Apeldoorn (SP)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Banking Structural Reform
Kamerstukken Goedkeuring Overeenkomst betreffende de overdracht en mutualisatie van de bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (34.155)


Uit de stukken

Handelingen I 2014-2015, nr. 39, item 7 - blz. 6

De heer Van Apeldoorn:

Is de minister het met ons eens dat het probleem van too big to fail nog altijd niet is opgelost met deze bankenunie, en dat het resolutiefonds die oplossing ook niet gaat bieden? En dat terwijl er toch veel simpelere en doeltreffendere oplossingen denkbaar zijn. Als we nu eindelijk eens echt werk zouden maken van bijvoorbeeld de aanbeveling van de commissie-De Wit om banken te splitsen in een zakendeel en een nutsdeel, en als we banken kleiner, nationaler, in plaats van steeds groter en internationaler zouden maken, zouden we dan niet al een heel eind op weg zijn? Knip de banken op en zorg ervoor dat ze niet langer too big to fail zijn. Als we vervolgens het spaardeel van de banken in overheidshanden zouden brengen, er echte openbare nutsbedrijven van zouden maken, dan zouden we al helemaal op de goede weg zijn. Immers dit deel van het bankwezen vervult een kerntaak van publieke dienstverlening en mag daarom ook niet failliet gaan. De logica gebiedt dat wat niet failliet mag gaan, ook niet in private handen mag zijn. Dat is toch een logica die elke rechtgeaarde aanhanger van de vrijemarkteconomie zou moeten aanspreken, evenals elke rechtgeaarde socialist of sociaaldemocraat. Als we ook die vervolgstap zouden nemen, dan zou het overgebleven private deel van de bankensector, daar waar grote winsten gemaakt worden in het casino van de mondiale kapitaalmarkten, met alle risico's van dien, ook gewoon failliet kunnen gaan. Dan heb je het gemeenschappelijke afwikkelingsfonds in onze visie helemaal niet nodig. En dan zouden we niet weer een nieuwe stap hoeven nemen die leidt tot een verdere uitholling van de nationale democratie.

Handelingen I 2014-2015, nr. 39, item 7 - blz. 12

Minister Dijsselbloem:

De heer Van Apeldoorn heeft nog gevraagd, als je alles overziet, of de too-big-to-failproblematiek is opgelost. Hij zou graag een ja of nee horen. Er ligt nog één bouwsteen die niet is uitgevoerd. Dat is het rapport van Liikanen. Dat gaat over het scheiden binnen een bank of het uit elkaar trekken buiten de bank van zaken en nutsactiviteiten. De onderhandelingen daarover vinden nog plaats in Brussel, in de Raad en in het Parlement. Het Parlement moet er nog een positie over innemen. Het gaat over de Banking Structural Reform verordening. Ik zal ervoor zorgen dat de Kamer met grote regelmaat wordt geïnformeerd over de voortgang daarmee. Nederland is overigens grosso modo tevreden over de voorstellen van de Commissie op dat punt. Wij denken dat de verdere scheiding van activiteiten de stabiliteit in de sector nog verder zal verbeteren.


Brondocumenten


Historie







Toezegging SNS (34.300) (T02187)

De Minister van Financiën zegt de Kamer toe, naar aanleiding van het lid Van Apeldoorn, de Kamer te informeren over de SNS.


Kerngegevens

Nummer T02187
Status openstaand
Datum toezegging 17 november 2015
Deadline 1 januari 2020
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Prof.dr. E.B. van Apeldoorn (SP)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen nutsbedrijf
retailbanken
SNS Bank
volksbank
Kamerstukken Miljoenennota 2016 (34.300)


Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr.8 , - blz. 3

De heer Van Apeldoorn (SP):

Hoe staat het nu met de privatiseringsplannen met betrekking tot SNS? De eigen partij van de minister is het met ons eens dat SNS beter een nutsbedrijf kan blijven. Hoe kijkt de minister daartegen aan? De SP-fractie vraagt zich af inhoeverre de minister zich altijd laat leiden door het publieke belang van een stabiele Nederlandse bancaire sector en of hij zich niet te vaak laat inpakken door de sterke lobby van diezelfde sector. De recente onthullingen, die de geschiedenis in zullen gaan als "cocogate", doen onze fractie vrezen dat we te vaak de banken de dienst uit laten maken in plaats van proberen die banken echt dienstbaar te maken aan de samenleving. Cocogate staat helaas niet op zichzelf. De lobbymacht van grootbanken en hun al te nauwe banden met de politiek en toezichthouders - we zien dit bijvoorbeeld ook met de ECB, getuige recente onthullingen in de Financial Times - is een structureel probleem, dat onze democratie ondermijnt en voorkomt dat echt doorgepakt wordt. ING vindt dit soort "meedenken" normaal. Vindt de minister dat eigenlijk ook? Kan hij ons vertellen wie er nog meer "meedenkt" op dit niveau? Laat de minister bijvoorbeeld kritische ngo's op hetzelfde niveau meedenken?

Handelingen I 2015-2016, nr.8 , - blz. 43

Minister Dijsselbloem:

De SP-fractie had een vraag over SNS. Moet SNS niet worden behouden als volksbank voor de nutsfunctie? Alle grote retailbanken in Nederland, die we allemaal kennen, hebben een nutsfunctie. Zij dragen namelijk bij aan het bestaan van betalingsverkeer. Zij vervullen een nutsfunctie voor het betalingsverkeer voor particulieren en bedrijven. Dat zit voor mij niet in één bank. Dat zit ook niet in de vraag of die bank wel of niet in overheidshanden is. Ik wil die nutsfunctie veiligstellen. Dat doen we op verschillende manieren. Het model voor SNS is een eenvoudige bank met eenvoudige producten: de basic bank. Dat is precies de strategie en visie die SNS Bank nu ontwikkelt. Ook daar is dus wat mij betreft geen discussie over. Dan blijft de vraag over of de overheid dan die bank in handen moet houden. Daarover hebben we nog geen beslissing genomen. Die nemen we medio 2016. Ik zeg er wel bij dat mijn uitgangspunt is dat al deze interventies van de Staat tijdelijk waren. Dat heeft minister Bos gezegd toen hij ABN AMRO overnam, dat heeft Jan Kees de Jager na hem gezegd en ik zeg het beiden na. Dat waren tijdelijke interventies, dat is het uitgangspunt. De specifieke beslissing per instellingnemen we zorgvuldig en pas op zijn vroegst in de tweede helft van 2016 kom ik over SNS verder te spreken.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Btw-behandeling (34.117 / 34.320) (T02240)

De staatssecretaris van SZW zal, naar aanleiding van opmerkingen van diverse leden, de wens van de Kamer om een gelijke btw-behandeling toe te passen ten aanzien van de beheerkosten voor DC- en DB-regelingen, na ommekomst van de bevindingen van de advocaat-generaal in maart 2016, meenemen in de afwegingen van het kabinet hierover. De conclusies van het kabinet zullen zo spoedig mogelijk ter bespreking aan beide Kamers worden voorgelegd.


Kerngegevens


Opmerking

De Kamer heeft over dit onderwerp tevens de motie-Oomen-Ruijten aanvaard, waarin de regering om een voorstel tot reparatie wordt verzocht. De commissie SZW heeft op 6 juli 2017 een brief naar de staatssecretaris van zowel SZW als FIN gestuurd waarin de commissie te kennen geeft uit te zien naar nadere informatie over de btw-heffing wanneer de aanpassing van het pensioenstelsel nader gestalte krijgt (32043 / 33972, M). Op 3 april 2018 heeft de commissie besloten (daarnaast) de discussie in de Tweede Kamer te blijven volgen en dit onderwerp op een later moment in een gezamenlijke vergadering met de commissie Financiën te agenderen. Toezegging T02240 blijft in afwachting hiervan als deels voldaan geregistreerd staan.

Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr. 15 -item 13 - blz. 1 /2

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik wil derhalve beginnen met de btw-vrijstelling. Een groot aantal woordvoerders heeft gevraagd of het kabinet een onderzoek zou willen doen naar die btw-vrijstelling, ook voor DB-regelingen. De Kamer begrijpt dat ik na ommekomst van de eerste termijn nog even in conclaaf ben gegaan met mijn collega op Financiën, de heer Wiebes. Ik heb de Kamer gisteren goed beluisterd. De staatssecretaris van Financiën heeft gemeld dat er op dit moment een procedure bij de Hoge Raad loopt over die btw-behandeling van het beheer van de gemeenschappelijke beleggingsfondsen in relatie tot bedrijfspensioenfondsen. Het gerechtshof te Den Haag heeft de Belastingdienst gelijk gegeven, maar er is cassatie aangetekend bij de Hoge Raad. Ik heb begrepen dat in deze zaak een advocaat-generaal voor 31 maart 2016 conclusie neemt. In deze conclusie worden alle aspecten van de btw-vrijstelling meegenomen. Het betreft een onafhankelijk advies van de advocaat-generaal aan de Hoge Raad. De Hoge Raad doet normaal gesproken vrij snel daarna uitspraak. Ik denk, en dat leg ik de Kamer voor, dat het logisch is dat we de conclusie van de advocaat-generaal afwachten voordat we verdere stappen zetten. Ik heb goed begrepen dat een aantal leden overweegt om mij te vragen om nog een onafhankelijk onderzoek te entameren — samen met mijn collega van Financiën, stel ik mij zo voor — maar ik zou het een groot goed vinden als we die conclusie van de advocaat-generaal zouden kunnen afwachten. [...]

Maar wat ik terug heb gekregen vanuit Financiën, is dat een advocaat-generaal voor 31 maart die conclusie neemt. Daar vaar ik nu even op. Mevrouw Oomen vraagt: wat doe je dan vervolgens? Dat is iets wat we in de boezem van het kabinet hebben te bespreken. Ook daarop kan ik natuurlijk niet vooruitlopen. Ik weet niet precies welke conclusie de advocaat-generaal zal neerleggen. Vervolgens moeten we natuurlijk na ommekomst van die conclusie kijken wat de Hoge Raad daarmee doet. Daarna is het kabinet weer aanzet. Kortom, dat is de ordentelijke weg. Ik wil de Kamer nogmaals vragen om die conclusie af te wachten.

De heer Postema (PvdA):

Ik zou dat inderdaad graag met de staatssecretaris willen afwachten, maar ik heb het idee dat deze Kamer ook wel een helder signaal heeft willen meegeven. Dat is het signaal dat het nu in het huidige wetsvoorstel als EU-proof wordt gepresenteerd, met een ongelijk speelveld als gevolg, terwijl veel fracties, in ieder geval die van mij, hebben gezegd dat ze dat als zodanig onwenselijk vinden. Het is heel goed dat het straks, als die uitspraak er is, weer in de boezem van het kabinet wordt teruggenomen, maar ik wil de bevestiging horen dat de staatssecretaris het signaal vanuit de Kamer serieus neemt dat zij dat speelveld wel gelijkelijk ingevuld wil zien.

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik heb heel goed naar de Kamer geluisterd. Zij heeft het inderdaad gehad over het ongelijke speelveld en over het in Europa willen zijn van het beste jongetje of meisje van de klas. De Handelingen van dit debat spelen natuurlijk ook een rol bij de uiteindelijke afweging die het kabinet heeft te maken. Ik stel me zo voor dat op enig moment de conclusie vanuit het kabinet ook weer met beide Kamers wordt gedeeld, maar ik kan echt nog niet vertellen wanneer dat moment precies zal zijn.

Handelingen I 2015-2016, nr. 15 -item 13 - blz. 5/6

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA):

De staatssecretaris heeft een aantal opmerkingen gemaakt over de btw-vrijstelling. Als ik het goed begrijp, dan loopt er een procedure. De advocaat-generaal gaat een conclusie trekken voor 31 maart, nog afgezien van het feit dat een en ander langer dan de periode tot 31 maart zou kunnen gaan duren, maar dan komt het: dan zouden wij moeten afwachten tot de Hoge Raad met een arrest komt. In de tussentijd gaat het kabinet bespreken wat het moet gaan doen na de conclusie van de advocaat-generaal. Dat duurt mij wat te lang. Nu wil ik niet vervelend zijn en ik heb ook goed geluisterd naar de aardige woorden van de staatssecretaris. Daarom heb ik een motie, die ik een beetje had voorbereid, wat aangepast. [...] verzoekt de regering: opdracht te geven tot een onafhankelijk extern onderzoek naar de mogelijkheden om binnen de ruimte die de btw-richtlijn biedt ook in Nederland een gelijke btw-behandeling toe te passen wat betreft de beheerkosten voor DC- en DB-regelingen, rekening houdend met ontwikkelingen in de jurisprudentie; bij voorkeur bij de Voorjaarsnota te komen met een voorstel tot reparatie van deze problematiek dat zijn neerslag kan krijgen in de Fiscale verzamelwet 2016.

De heer Postema (PvdA):

Hoe moet het nou met dat onderzoek? Die onderzoekers zullen zelf toch ook zeer benieuwd zijn naar de uitspraak van de Hoge Raad? Hebben wij dan geen probleem van volgtijdelijkheid? Is het in die zin niet beter om de uitspraak van de Hoge Raad af te wachten en de staatssecretaris vooral ertoe op te roepen om daar naar aanleiding van die uitspraak een standpunt over in te nemen dan wel nader onderzoek naar te laten doen?

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA):

Ten eerste willen wij deze zaak niet op de lange baan schuiven. Ten tweede zegt de staatssecretaris dat de advocaat-generaal voor 31 maart met een advies zou komen. Daarna gaat men in de boezem van het kabinet overleggen wat daarmee te doen. Dat vinden wij te onzeker. Daarom dienen wij die motie in.

Handelingen I 2015-2016, nr. 15 -item 13 - blz. 7/8

De heer Kok (PVV):

De motie inzake het btw-onderscheid die ik gisteren zelf aankondigde, kan wat mij betreft achterwege blijven, nu mevrouw Oomen een motie heeft geconcipieerd met dezelfde strekking. Naar onze mening kan deze motie gewoon doorgang vinden. Wij zien het als een steun in de rug voor de staatssecretaris, zelfs nu er een procedure is gestart bij de Hoge Raad en wij die moeten afwachten, terwijl wij eigenlijk niet weten op welke termijn een en ander tot een einde zal worden gebracht.

De heer Elzinga (SP):

Het punt van de btw-vrijstelling was ook voor mijn fractie een van de hoofdpunten in eerste termijn. Dank voor de schets van de aanstaande ontwikkelingen in de jurisprudentie. De mening van de vorige sprekers dat het toch nog wel even gaat duren, deel ik ook. Ik waardeer het zeer dat de jurisprudentie en die ontwikkelingen uitermate belangrijk zijn en dat deze reflectie natuurlijk wordt meegenomen naar de boezem van het kabinet. Dat het verslag van dit debat ook wordt meegewogen, gaat mijn fractie niet ver genoeg. Ik denk dat wij hier in de Kamer een breed draagvlak hebben voor het standpunt dat de verschillen in btw-behandeling gewoon onwenselijk zijn. Wij staan eigenlijk op het standpunt dat de btw-vrijstelling ook voor DB-regelingen een belangrijk goed is. Wij zijn in dit huis van mening dat dit kan binnen de Europese regeling. Ook andere landen zijn van mening dat het kan. Het gebeurt ook. Wij hebben de motie van senator Oomen dan ook uit overtuiging meeondertekend. Wij zullen die ook steunen.

De heer Lintmeijer (GroenLinks):

De motie over de btw zullen we steunen. Ik snap dat de staatssecretaris eerst bekijkt waarmee de advocaat-generaal komt. Dat laat onverlet de inhoudelijke positie die deze Kamer heeft ingenomen ten aanzien van de wenselijkheid van een equal playing field. Wellicht zal alleen de oplossing van de zaak anders worden, afhankelijk van de uitspraak van de advocaat-generaal.

Handelingen I 2015-2016, nr. 15 -item 13 - blz. 9

Staatssecretaris Klijnsma:

De motie van mevrouw Oomen (34117/34320, letter H) over de btw-behandeling, die zij mede namens een groot aantal anderen heeft ingediend, is zeer relevant. In mijn betoog in eerste termijn heb ik mede namens mijn collega van Financiën — eerlijk gezegd hoort dit onderwerp bij hem thuis; ik zit hier namens het kabinet — verteld hoe de route is van de rechtsgang op dit punt. Ik blijf het een groot goed vinden dat de advocaat-generaal zijn bevindingen aan ons doet toekomen en dat we op dat punt bekijken hoe de situatie zich ontrolt. De strekking van de motie is dat we nu reeds opdracht zouden moeten geven tot een onafhankelijk extern onderzoek en dat we bij voorkeur bij de Voorjaarsnota zouden moeten komen met een voorstel tot reparatie van de problematiek. Dat is nu net een stapje te enthousiast.

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA):

Ik heb in vreselijke krabbelletters ook iets toegevoegd aan de motie, namelijk: "rekening houdend met ontwikkelingen in de jurisprudentie". Dit betekent dat u geen apart onderzoek meer moet doen, maar dat u, voordat u dat gaat onderzoeken in de boezem van uw kabinet, weet wat de Eerste Kamer vindt.

Staatssecretaris Klijnsma:

Kijk, dit is andere koek. Als dat zo is, als we dus eerst de jurisprudentie en dus vooral de bevindingen van de advocaat-generaal kunnen afwachten, dan is dat in lijn met wat het kabinet heel logisch vindt. Ook wij zijn natuurlijk benieuwd naar wat de advocaat-generaal zo meteen te berde brengt en willen alsdan heel graag nagaan welk pad afgelopen kan worden. Mocht er nog iets kunnen bij de Voorjaarsnota, dan zou dat heel plezierig zijn. De Kamer begrijpt dat ik dit laatste niet kan toezeggen. Wat doe ik nu met het oordeel over deze motie? Het is een beetje lastig. Ik ga nu even inzoomen. Er staat, zoals mevrouw Oomen heeft aangevuld, dat wij na ommekomst van de bevindingen van de advocaat-generaal kunnen bekijken hoe wij daarmee omgaan. Dat zal de Hoge Raad doen, maar het kabinet ook. Er staat tussen gekrabbeld dat we bij Voorjaarsnota zouden moeten komen met een voorstel. Ik duid deze motie zo dat als we dat niet zouden kunnen halen, de Eerste Kamer niet onmiddellijk — als ik mij zo mag uitdrukken — van haar à propos is. Als ik de motie zo mag uitleggen, dan kan ik het oordeel erover aan de Kamer laten.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Tussenlaag zzp-middeling (34.036) (T02259)

De Staatssecretaris van Financiën zegt toe, naar aanleiding van een opmerking van het lid Van Strien (PVV), erop toe te zien dat de tussenlaag van zzp-bemiddeling wordt voorkomen en de Kamer hierover te informeren.


Kerngegevens

Nummer T02259
Status openstaand
Datum toezegging 26 januari 2016
Deadline 1 juli 2020
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Ir.drs. G.A. van Strien (PVV)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen tussenlaag zzp-bemiddeling
zorg
Kamerstukken Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (34.036)


Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr.17 item 7, - blz.27

De heer Van Strien (PVV):

In het nieuwe stelsel hebben opdrachtnemer en opdrachtgever een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ze stellen immers samen een contract op of sluiten samen een of ander standaardcontract, terwijl die verantwoordelijkheid eerst vrijwel uitsluitend bij de opdrachtnemer lag. De opdrachtnemer hoefde immers alleen die VAR aan te vragen en toonde die desgewenst aan de opdrachtgever. Doordat nu de opdrachtgever ook effectief onderwerp van handhaving door de Belastingdienst kan worden, wat overigens op zich heel logisch lijkt, bestaat het risico dat opdrachtgevers middelen zoeken om eventuele risico's van inhuur van zzp'ers uit te sluiten. Het ontstaan van een tussenlaag van zzp-bemiddeling is in de pers genoemd. Een situatie waarbij de marges voor tussenpersonen bizar hoog zijn. Vooral in de zorg zou dit voorkomen. Het uiteindelijke gevolg zou kunnen zijn dat de zelfstandige hierdoor een lager tarief krijgt. Dat lijkt mijn fractie een ongewenste situatie. Ik zou het dan ook op prijs stellen als de staatssecretaris vooral op dit punt uitgebreid in zou willen gaan. Mogelijk kan hij onze zorgen op dit punt wegnemen. Het gaat ons daar bij vooral om de volgende vragen. Ziet de staatssecretaris ook die ontwikkeling van tussenpersonen tussen zzp'er en uiteindelijke opdrachtgever? Zo ja, acht hij die ontwikkeling ook ongewenst? Is hij bereid om ongewenste ontwikkelingen als deze, indien die zich voordoen krachtig te bestrijden?

Handelingen I 2015-2016, nr.17 item 7, - blz.42

Staatssecretaris Wiebes:

Disintermediation is in volle gang en dan zouden wij het tegenovergestelde gaan doen door het laten vervallen van de VAR. Dat is niet wenselijk en niet logisch. Ik kan ook niet bedenken waar dat aan zou kunnen liggen. De kern is namelijk dat intermediairs, zo ze bestaan en waar ze bestaan, ook ondernemingen zijn. Ze moeten zich op dezelfde manier aan dezelfde wet houden, met mogelijkerwijs modelovereenkomsten die van dezelfde site af komen. Voor hen geldt de DBA ook en zij worden ook gecontroleerd. Je kunt niet zeggen: ik word nu gecontroleerd, ik ben er verantwoordelijk voor, maar ik schuif het af naar iemand die buiten het blikveld zit. Dat kan niet want ook daar werkt de Belastingdienst. Ook voor intermediairs geldt dat een ondernemer een ondernemer is, een dienstverband een dienstverband en een werknemer een werknemer. De kaart van de payrolling wordt stevig getrokken, maar in veel gevallen heeft dit met andere dingen te maken dan met deze wet.

De heer Van Strien maakt zich zorgen of dit ook in de zorg zou kunnen gebeuren. Het lijkt mij onwenselijk als dit als gevolg hiervan gaat gebeuren. Het lijkt mij ook onlogisch. Ik verwerk het daarom in een toezegging. Ik ken nog twee andere collega's in het kabinet die dit onlogisch, maar ook zeer onwenselijk zouden vinden. Ik ga met hen afspreken dat wij er stevig op gaan letten. Ik ben ook bereid om, voordat de wet in werking treedt, terug te koppelen over wat wij zien gebeuren wat dit betreft. Als wij iets zien gebeuren, zal ik ook aangeven wat eraan te doen is. Er is namelijk geen reden voor, het levert geen maatschappelijke winst op, het is niet wenselijk en niet logisch, maar sommige onlogische dingen gebeuren echter toch. We zien ze nog niet, maar het is een belangrijk punt. Ik zeg daarom toe dat wij er speciaal op zullen letten.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Openbaarheid kern van overeenkomst (nieuwe constructie) (34.036) (T02262)

De Staatssecretaris van Financiën zegt, naar aanleiding van een opmerking van het lid Köhler (SP), de Kamer toe dat bepaalde gevallen geanonimiseerd en ontdaan van fiscale informatie, geschoond, op de site zal zetten en openbaar zal maken. (Dit betreft een nieuwe constructie, om net binnen de wet te blijven.)


Kerngegevens

Nummer T02262
Status openstaand
Datum toezegging 26 januari 2016
Deadline 1 juli 2020
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden F. Köhler (SP)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen fiscale informatie
geanonimiseerd
kern
overeenkomsten
Kamerstukken Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (34.036)


Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr.17 item 7, - blz.50

De heer Köhler (SP):

De staatssecretaris is eigenlijk op mijn uitdaging om met enige creativiteit te komen om het toch te kunnen doen —die openbaarheid — helemaal niet ingegaan. Ik doe daarom zelf maar een paar suggesties en verwacht van hem in tweede termijn een concrete toezegging zodat ik mijn fractie kan adviseren voor deze wet te stemmen. De eerste is dat de overeenkomsten niet alleen geanonimiseerd worden, maar ook worden ontdaan van alle bedrijfsspecifieke zaken zodat alleen de constructie overblijft, de kern van de over-eenkomst. Dat heeft mijn voorkeur. Het kan zijn dat de staatssecretaris dadelijk gaat antwoorden dat dat ook niet mag, omdat wij dan feitelijk die overeenkomst toch openbaar maken en de wet dat niet toestaat. Als de staatssecretaris van plan is om dat te antwoorden — ik ben dat overigens niet met hem eens — doe ik nog een andere suggestie. De Belastingdienst kan ook zelf kijken of er bij de vele aangeboden overeenkomsten, die hij voor de aanvrager niet mag publiceren, maar wel goedkeurt, niet een nieuw type overeenkomst zit. Een hele nieuwe constructie noem ik het maar even, om net binnen te wet te blijven. De Belastingdienst kan vervolgens zelf die constructie openbaar maken, in de vorm van een niet aanbevolen, maar wel mogelijke modelovereenkomst. Dat zou het minste zijn om tegemoet te komen aan ons dringende verlangen op dit punt.

Handelingen I 2015-2016, nr.17 item 7, - blz.51/52

Staatssecretaris Wiebes:

Ik vind zijn laatste idee creatief. De mensen die hiermee moeten werken, hebben hier razendsnel naar gekeken. Ik wil de heer Köhler de volgende toezegging doen voor het geval er daadwerkelijk een nieuwe constructie opduikt. Dat moet echt een nieuw inzicht zijn en geen kwestie van het verschuiven van bestaande knopjes of iets wat ergens in het midden tussen andere dingen uitkomt. Er moet echt iets opduiken waarvan wij kunnen zeggen dat het een nieuwe constructie is. Dat zal dan iemand zijn die op een andere manier dan de anderen probeert om onder het vaste dienst verband uit te komen, dan wel op andere manieren voordelen naar zich toe wil halen. Ik zeg toe dat ik die gevallen geanonimiseerd en ontdaan van fiscale informatie, geschoond dus, op de site zal zetten en openbaar zal maken. Ik loop daarmee wel een beetje langs het randje, maar ik zal ervoor zorgen dat het allemaal wel kan. Ik zeg er eerlijk bij dat ik hier baat bij heb. De geloofwaardigheid van de Belastingdienst is een van de dingen die in dit debat een rol hebben gespeeld. Ik heb baat bij een zo groot mogelijke geloofwaardigheid van de Belastingdienst. De toetsbaarheid maakt dat mensen kunnen zien wat er fout gaat. Ik geloof echter dat de geloofwaardigheid van de Belastingdienst hier op de lange termijn bij gebaat is. Ja, men kan zien dat de Belastingdienst soms iets fout doet, maar men kan ook zien dat eraan gewerkt wordt om dat te corrigeren. Men kan dan zien dat het hersteld wordt. Op die manier wordt de kwaliteit steeds hoger. Ik sta al in voor de kwaliteit, maar iedereen in deze zaal en ik zelf ook hebben er baat bij omdat zo toetsbaar en kwetsbaar mogelijk te doen, om open te zijn over wat er fout gaat en dat vervolgens te herstellen. Deze toezegging over de nieuwe constructies doe ik dus.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Inschatting aandeel schijnzelfstandigheid bij de formele evaluatie na 3 jaar (34.036) (T02264)

De Staatssecretaris van Financiën zegt, naar aanleiding van een vraag van het lid Köhler (SP), de Kamer toe dat hij beziet of bij de formele evaluatie na drie jaar op een of andere manier een poging gedaan kan worden om het aandeel schijnzelfstandigheid opnieuw te schatten.


Kerngegevens

Nummer T02264
Status openstaand
Datum toezegging 26 januari 2016
Deadline 1 juli 2020
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden F. Köhler (SP)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen evaluatie
schijnzelfstandigheid
Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties
Kamerstukken Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (34.036)


Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr.17 item 7, - blz.25

De heer Köhler (SP):

De Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties kan bij een goede uitvoering leiden tot het meer aansprakelijk stellen van werkgevers die gebruikmaken van schijnzelfstandigen, met als achterliggend doel het aantal schijnzelfstandigen te laten afnemen en betrokkenen te helpen aan een normaal dienstverband als werknemer. Maar het is zeker niet vanzelfsprekend dat dit doel gehaald wordt. Sommige mensen vrezen dat er nieuwe schijnconstructies ontstaan, bijvoorbeeld door een langere keten van contracten via intermediairs, waardoor de zelfstandige uiteindelijk nog slechter af is.

Het is daarom goed dat de wet na invoering binnen drie jaar geëvalueerd wordt. Om te zien of de schijnzelfstandigheid afneemt, is het nuttig om met een nulmeting te werken. Is of komt er zo'n meting?

Handelingen I 2015-2016, nr.17 item 7, - blz.45

Staatssecretaris Wiebes:

De tweede vraag van de heer Köhler was om nog even na te denken over de nulmeting. We hebben nu 2% tot 14%.Een nulmeting? Dat is een nulmeting van niets. Het is een prulmeting. Die is natuurlijk niet-benchmarkbaar. Die meting is geen grondslag voor een nauwkeurige vergelijking tussen nu en de toekomst. Ik kan toezeggen — dat kan ik nu al vastleggen — dat ik bezie of we bij de formele evaluatie na drie jaar op een of andere manier een poging kunnen doen om het aandeel schijnzelfstandigheid opnieuw te schatten. Dat is dan meer geschikt voor onafhankelijke oordeelsvorming dan voor vergelijking. Een vergelijking wordt nooit erg precies. Ik snap wel het verlangen van de heer Köhler om te weten of we maatschappelijk tevreden kunnen zijn met wat er ligt. Voor benchmarking is zij echter weinig geschikt.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evaluatie algemene zorgplicht Wet op het financieel toezicht (33.632) (T02389)

De Minister van Financiën zegt de Kamer toe X nieuwe evaluatie te zullen uitvoeren naar de doeltreffendheid en de effecten van artikel 4:24a Wft in de praktijk. De Staten-Generaal zal uiterlijk 1 januari 2022 een verslag met de bevindingen van deze evaluatie ontvangen. 


Kerngegevens

Nummer T02389
Status openstaand
Datum toezegging 30 december 2016
Deadline 1 januari 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Brief
Categorie evaluatie
Onderwerpen Wet op het financieel toezicht
zorgplicht
Kamerstukken Wijzigingswet financiële markten 2014 (33.632)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2016/2017, 33632, E, blz. 8

Zoals ik hiervoor heb aangegeven, ontbreken harde empirische gegevens met betrekking tot de algemene zorgplicht in de Wft aangezien er tot op heden nog niet formeel gehandhaafd is en er vooralsnog geen bestuursrechtelijke rechtspraak tot stand is gekomen. Het is naar mijn oordeel dan ook te vroeg om verdergaande conclusies te trekken ten aanzien van de doeltreffendheid en de effecten van de algemene zorgplicht zoals neergelegd in de Wft. In die zin kan een evaluatietermijn van drie jaar voor een open norm en vangnetbepaling als de algemene zorgplicht ook worden beschouwd als een vrij korte termijn. Eerst zal meer zicht op onder meer de (formele) handhavingspraktijk en ontwikkeling in de bestuursrechtelijke rechtspraak moeten ontstaan. Om die reden kondig ik hierbij aan dat er een nieuwe evaluatie zal worden uitgevoerd naar de doeltreffendheid en de effecten van artikel 4:24a Wft in de praktijk. De Staten-Generaal zal uiterlijk 1 januari 2022 een verslag met de bevindingen van deze evaluatie ontvangen. 


Brondocumenten


Historie

  • 30 december 2016
    toezegging gedaan






Toezegging Uitvoerbaarheid fiscale wetsvoorstellen (34.775) (T02492)

De Minister van Algemene Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Brinkman (CDA), toe per fiscaal wetsvoorstel nader te onderbouwen dat het uitvoerbaar is voor de Belastingdienst.


Kerngegevens

Nummer T02492
Status openstaand
Datum toezegging 5 december 2017
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Mr.drs. L.C. Brinkman (CDA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen Belastingdienst
fiscus
uitvoerbaarheid
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 10, item 3 - blz. 23

De heer Brinkman (CDA): Wij zien dat de staatssecretaris voor fiscale zaken haast heeft. Beseft hij dat de rechter na deze Kamer al vaak heeft getoond dat haastige spoed op zijn terrein zelden goed is? Kan hij nu bevestigen dat de Belastingdienst het regeerakkoord fiscaal gezien uitvoerbaar vindt, of moeten we nog nadere voorbehouden met betrekking tot zijn uitvoerende dienst aantekenen? Of denkt hij misschien wel dat er met het beleid fiscaal gezien te veel wordt geknutseld? Wij geven dan geen vrijbrief voor lukraak andere haastige maatregelen, omdat we in de smalle marges van de democratie moeten waken tegen malle charges ervan. Het gaat immers niet alleen over geld, maar ook over gewekt vertrouwen.

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 3 - blz. 21

Minister Rutte: Kan de Belastingdienst, zo vroeg het CDA, het regeerakkoord fiscaal uitvoeren of zijn er nog voorbehouden met betrekking tot de uitvoering vanwege de stand van zaken bij de Belastingdienst? Vorige week is een halfjaarsrapportage van de Belastingdienst verstuurd. Het is een lastig thema. We hebben er met de Belastingdienst steeds grondig contact over gehouden of op basis van alle beschikbare informatie getoetst kon worden door de dienst of onze plannen kunnen, zowel qua impact als qua invoeringsdatum. Zoals het er nu allemaal staat, is dat het geval en zegt de Belastingdienst: ja, dat kan. Dat betekent overigens wel dat wij ons realiseren dat we bij de uitwerking van al die maatregelen in wet- en regelgeving aan de hand van invoeringstoetsen steeds de impact vanuit het uitvoeringsperspectief voor de senaat nader in beeld zullen brengen. Dat is uiteraard al gebeurd voor de maatregelen in het Belastingplan 2018 en dat gaat nog gebeuren voor de andere maatregelen. Op zichzelf, op basis van de informatie die we hebben, is dit uitvoerbaar, maar wij zullen dat steeds per wetsvoorstel, per Belastingplan, nader onderbouwen.

De heer Brinkman (CDA): De minister-president noemt zo nadrukkelijk 2018, maar mijn vraag was erop gericht in hoeverre de uitvoerbaarheid van het regeerakkoord in fiscale zin voor de hele periode doenbaar is. Of moeten we op een later moment de mededeling van de Belastingdienst verwachten dat het regeerakkoord ingewikkeld in elkaar zit? Laat dat maar bij de Financiële Beschouwingen verder besproken worden, maar dát was de vraag.

Minister Rutte: Die vraag heb ik goed verstaan. Voor 2018 is al in het Belastingplan onderbouwd dat het kan. Voor alle plannen na 2018 heeft het kabinet al contact gehad met de Belastingdienst en het antwoord van de dienst was: dit kan ook. Alleen, ik vind wel dat we dat aan de Kamer onderbouwd moeten laten zien in uitvoeringstoetsen, zoals we dat ook geacht worden te doen. Maar het antwoord vanuit de Belastingdienst is: ja, wat jullie nu van plan zijn, kunnen wij doen.

(...)


Brondocumenten


Historie

  • 5 december 2017
    toezegging gedaan






Toezegging Financiële kloof eenverdieners (34.775) (T02493)

De Minister van Algemene Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Schalk (SGP), toe te blijven kijken naar mogelijkheden om de fiscale kloof voor eenverdieners te dichten.


Kerngegevens

Nummer T02493
Status openstaand
Datum toezegging 5 december 2017
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden P. Schalk (SGP)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen eenverdieners
fiscus
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 10, item 3 - blz. 45

De heer Schalk (SGP): Deze vraag stel ik natuurlijk ook in het licht van wat mijn fractie al heel lang als een graat in de keel steekt, namelijk de ongelijke behandeling van eenverdieners. En zeker, mijn fractie ziet dat er stevig onderhandeld is, waardoor de groei van koopkracht van eenverdieners niet meer lager is dan die van tweeverdieners. Dat is winst. Complimenten daarvoor. Maar u weet dat de SGP in 2015 aantoonde dat eenverdieners wel tot vijf keer meer belasting moesten betalen. In 2016 verslechterde dat tot zes keer zo veel. Gelukkig hoef ik vandaag niet te zeggen dat het zeven keer zo veel is geworden, maar ik zie ook geen verkleining van de kloof. In feite betekent dit dat de motie die in deze Kamer is aangenomen, nog steeds niet is uitgevoerd. Kan de minister-president bevestigen dat de koopkracht van eenverdieners nu wel gelijk behandeld wordt, maar dat de kloof in de belastingdruk niet is hersteld? Dit is geen punt van de SGP alleen; het is bekend dat de betreffende motie brede steun heeft in deze Kamer. Bovendien, na een oproep van de SGP-fractie in de Tweede Kamer stroomden er meer dan 700 brieven binnen. Het ministerie van Financiën heeft die brieven al gekregen. Ik heb ze nu maar meegenomen. Omdat ze ergens in ingepakt moesten worden, heb ik maar gepakt wat voorhanden was, want anders zou iemand denken dat het een cadeautje is. Maar het is alleen maar om het even mee te nemen hiernaartoe. Deze set krijgt u, minister-president. 720 brieven van mensen die aangeven dat er een probleem is rond het eenverdienerschap. Mijn vraag aan de minister-president is of hij kan toezeggen dat er een hernieuwde poging gedaan wordt om de oneerlijke belastingdruk voor eenverdieners aan te pakken

(...)

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 3 - blz. 21

Minister Rutte: Dat brengt mij bij een gevoelige kwestie, namelijk de belastingdruk voor eenverdieners. Daar heeft de heer Schalk aandacht voor gevraagd. Ik meld eerst het positieve nieuws, zo zeg ik ook tegen zijn buurman, de heer Kuiper, want dat is iets wat een aantal partijen in deze coalitie van belang vindt: eenverdieners profiteren volledig mee van de maatregelen van het regeerakkoord. Ze hebben evenveel voordeel als tweeverdieners. Een eenverdiener modaal gaat er in deze kabinetsperiode zelfs het meest op vooruit van alle huishoudens, gemiddeld 2% per jaar. Dat is per jaar bijna evenveel als in de hele periode tussen 2000 en 2018. Toen was het cumulatief 3%, nu in één periode 2%. We doen dus veel voor eenverdieners, maar tegelijkertijd is ook waar dat het volwaardig meeprofiteren van de maatregel niet betekent dat we het gat dat de heer Schalk heeft benoemd, gaan dichten of dat we dat helemaal kúnnen dichten. Het wordt misschien iets kleiner, omdat de koopkracht wat sneller stijgt dan gemiddeld, maar er is natuurlijk nog steeds een gat. Dat komt natuurlijk omdat er een aantal meer fundamentele keuzes zijn gemaakt in de afgelopen jaren over de arrangementen in ons belastingsysteem. Nogmaals, ik ben blij dat we er voor de komende jaren als coalitie in geslaagd zijn om ervoor te zorgen dat de eenverdieners zelf iets meer profiteren dan gemiddeld in Nederland.

Wat betekent dit nu verder? Want we weten dat dat voor partijen een aangelegen punt is. Wij zullen, zo kan ik de heer Schalk toezeggen, blijven kijken naar verdere mogelijkheden, uiteraard binnen een aantal beleidsmatige kaders, zoals werkgelegenheidseffecten en budgetten. Dat is niet makkelijk. Dat weet de heer Schalk, dat weet ik; daarover hoeven we elkaar niks wijs te maken. Dat is echt een ingewikkeld vraagstuk. Daar is ook over gesproken aan de overzijde bij de Algemene Financiële Beschouwingen. Dat heeft ertoe geleid dat er nog nadere gesprekken plaatsvinden tussen de Tweede Kamerfractie van de Staatkundig Gereformeerde Partij en de bewindslieden op Financiën om te bekijken wat de verdere mogelijkheden zijn. Verder kan ik melden dat het Centraal Planbureau in december met een studie komt over de belastingdruk van eenverdieners; ook dat zal ons nadere inzichten bieden.

De heer Schalk (SGP): Kort, mevrouw de voorzitter, want volgende week zal dit ongetwijfeld nog aan de orde komen. Ik heb juist gezien dat aan de overkant door de staatssecretaris, misschien niet wetend wat u daarvan vond, de deur naar de Trêveszaal behoorlijk stevig werd dichtgeklikt toen het ging over het onderzoeken van opties rond het oplossen van de kloof voor eenverdieners.

Minister Rutte: Mijn indruk is dat daar sprake is geweest van een misverstand. Dat is uitgesproken, voor zover ik heb begrepen, tussen de bewindslieden van Financiën en de fractie van de SGP. Dat heeft geleid tot vervolggesprekken, die ook gaan plaatsvinden. Het is goed dat de verhoudingen zo zijn dat we elkaar erop aanspreken, dat men niet boos wegloopt maar meteen contact met elkaar opneemt. Dat leidt tot vervolggesprekken.

De heer Schalk (SGP): Complimenten, dank u!


Brondocumenten


Historie

  • 5 december 2017
    toezegging gedaan






Toezegging Nationale risicoanalyse terrorismefinanciering (34.775) (T02501)

De Minister van Algemene Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Faber-van de Klashorst (PVV), toe dat nog in 2017 de nationale risicoanalyse terrorismefinanciering naar de Kamer wordt gestuurd.


Kerngegevens

Nummer T02501
Status voldaan
Datum toezegging 5 december 2017
Deadline 1 januari 2018
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden M.H.M. Faber-Van de Klashorst (PVV)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen risicoanalyse
terrorismefinanciering
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 3 - blz. 36-37

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV): Voorzitter, ik ben niet boos, maar ik mis nog wel een paar antwoorden op drie vragen. Ik had de minister-president gevraagd of hij op de hoogte was van de sterke vermoedens betreffende de opbrengst van halalproducten en de certificering daarvan, namelijk dat die zou kunnen worden ingezet door terroristische organisaties.

Minister Rutte: Ja, ik had die vraag even overgeslagen, maar ik vind het prima om erop in te gaan. Als het gaat om terroristische organisaties, daarvoor zijn verschillende inkomstenbronnen mogelijk, uit toch vooral illegale activiteiten. Dit jaar nog zal de nationale risicoanalyse ten aanzien van terrorismefinanciering naar de Kamer worden gestuurd. De Financial Intelligence Unit geeft prioriteit aan het nader financieel in beeld brengen van mogelijke jihadisten en facilitators en brengt de relevante financiële relaties in beeld. Het Financieel Expertise Centrum heeft in samenwerking met andere organisaties sinds 1 februari 2015 een project dat zich richt op het bestrijden van terrorismefinanciering. We trekken 13 miljoen extra uit voor de strijd tegen het terrorisme. Dat zijn allemaal dingen die wij doen. De specifieke geldstroom waaraan wordt gerefereerd, herken ik niet.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Ontwikkeling houdbaarheidstekort in relatie tot uitgavenontwikkeling zorg inzichtelijk maken (34.775/34.700) (T02506)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid De Grave (VVD), toe met het Centraal Planbureau (CPB) te spreken over de vraag of het planbureau in staat en bereid is om het houdbaarheidskort zowel inclusief als exclusief de ontwikkeling van de zorguitgaven inzichtelijk te maken. De Minister zal de Kamer informeren over de uitkomsten hiervan. De minister zegt tevens toe over de ontwikkeling van de zorguitgaven advies aan de WRR te vragen en dit eventuele advies bij bovenstaande toezegging te zullen betrekken.


Kerngegevens

Nummer T02506
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Mr. F.H.G. de Grave (VVD)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen hoofdlijnenakkoorden
houdbaarheidstekort
zorgsector
zorguitgaven
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)
Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 3 - blz. 4-5

De heer De Grave (VVD):

(...) Zonder de door het CPB verwachte ontwikkeling van de zorguitgaven, is het beeld van de overheidsfinanciën juist uiterst gezond, maar bij de beheersing van de zorguitgaven heeft mijn fractie twijfels over de komende kabinetsperiode. Beheersingsinstrumenten als een hoger eigen risico, hogere eigen bijdragen en ingrepen in het pakket zijn niet voorzien in het regeerakkoord. Op zich begrijpt mijn fractie dit. (...) Het gevolg is wel dat het regeerakkoord inzet opeen omvangrijk groeiafremmingspakket, zoals het dan heet, van een kleine 2 miljard en dan volledig in de curatieve sector op basis van nieuwe afspraken met de sector in nieuwe hoofdlijnenakkoorden. Bijzonder is dat het CPB heeft geweigerd deze 2 miljard volledig te honoreren als een realistische ombuiging; het komt op de helft.(...) Kan de minister aangeven waarom hij, in afwijking van het Centraal Planbureau, dit bedrag wel haalbaar acht en voor zijn budgettaire verantwoordelijkheid wil nemen?

Juist vanwege het grote effect van de aannamen rond de uitgavenontwikkeling “zorg” zou de VVD-fractie graag zien dat het houdbaarheidstekort in beeld wordt gebracht, in-en exclusief de ontwikkeling van de zorguitgaven, dit ter vergroting van het inzicht in onderliggende factoren. Is de minister bereid hierover in overleg te treden met het Centraal Planbureau?

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz 31, 32

Minister Hoekstra:

Voorzitter. De volgende vraag van de heer De Grave ging over wat het houdbaarheidstekort inclusief en exclusief de ontwikkelingen van de zorguitgaven zou zijn en of ik bereid zou zijn om daarover in overleg te treden met het CPB. Zoals ik al zei, dat treft, want de eerste gelegenheid daarvoor is morgen al. Hij vroeg ook of ik samen met het CPB een notitie zou willen maken en die naar de Eerste Kamer zou willen sturen. Nogmaals, het is zeer terecht dat de heer De Grave aandacht vraagt voor het probleem van de beheersbaarheid en de betaalbaarheid. Dat is ook voor dit kabinet, en voor mij in het bijzonder, een buitengewoon belangrijk aandachtspunt, precies vanwege wat ik zo-even beschreef, namelijk het gevaar dat de zorguitgaven, hoe valide ze op zichzelf ook zijn, het vermogen hebben om andere uitgaven te verdringen. Als je naar de afgelopen twintig jaar kijkt, dan zie je die beweging heel duidelijk. Dit heeft niet alleen de bijzondere belangstelling van het kabinet en de ministers van VWS, maar ook absoluut van mijzelf.

Om de heer De Grave verder te beantwoorden, zou ik nog een paar dingen willen opmerken. Ook de financieel woordvoerders in de Tweede Kamer hadden in grote meerderheid interesse in dit onderwerp, als dat de formulering is. Ook zij hebben gewezen op de risico’s die wij lopen door de verder oplopende zorgkosten. Zij hebben mij gevraagd de WRR te verzoeken om met een rapport te komen over dit onderwerp. Daarover ben ik op dit moment met de WRR in gesprek. Ik ga ook met het Planbureau in gesprek. Ik zou de heer De Grave om enige tijd willen vragen, zodat ik die dingen in samenhang kan bekijken en de Kamer daar in ieder geval schriftelijk, en indien gewenst en nodig ook mondeling, over kan informeren. Het probleem is evident. Ik denk dat we daar zeker de hulp van het Planbureau en de WRR bij kunnen gebruiken. Een belangrijk deel van de vraag gaat over het hoe.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Budgettaire norm voor ontwikkeling zorguitgaven onderzoeken (34.775/34.700) (T02507)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid De Grave (VVD), toe om in samenspraak met de het Centraal Planbureau en de WRR de mogelijkheid van een eigenstandige budgettaire norm voor de zorguitgaven, die is gekoppeld aan de ontwikkeling van het bbp, te zullen onderzoeken en de Kamer hierover een notitie te doen toekomen.


Kerngegevens

Nummer T02507
Status openstaand
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 juli 2020
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Mr. F.H.G. de Grave (VVD)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Bruto Binnenlands Product
nationaal inkomen
zorgnorm
zorguitgaven
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)
Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 3 - blz. 5

De heer De Grave (VVD):

Tevens leeft bij mijn fractie de gedachte of voor zorguitgaven niet aparte budgettaire afspraken zouden moeten worden gemaakt, een soort eigenstandige Zalmnorm; de Hoekstranorm mag die dan ook heten. Daarbij zou gedacht kunnen worden aan een koppeling aan de groei van het bbp. Dit betekent dat de zorguitgaven in de regeerperiode als percentage van het bbp gelijk blijven, wellicht met afwijkingen als het bbp duidelijk meer of minder groeit dan het langjarig gemiddelde. Het grote voordeel hiervan is dat er dan geen sprake meer is van verdringing van andere belangrijke collectieve uitgaven als veiligheid en onderwijs,evenals een oplopende zorgrekening voor burgers en bedrijven. Afwijking van deze norm kan natuurlijk altijd ex post op basis van politieke besluiten. Dan moet tevens worden aangegeven ten laste van welke andere collectieve uitgaven dit gaat of dat dit ten laste gaat van burgers of bedrijven.

Mijn fractie vraagt de minister van Financiën of hij bereid zou zijn om in samenspraak met het CPB deze Kamer een notitie te doen toekomen waarin hij nader ingaat op de voor- en nadelen van een aparte budgettaire norm voor de zorg, gekoppeld aan de groei van het bbp. Ik kijk uit naar zijn reactie.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz.32

Minister Hoekstra:

Om de heer De Grave verder te beantwoorden, zou ik nog een paar dingen willen opmerken. Ook de financieel woordvoerders in de Tweede Kamer hadden in grote meerderheid interesse in dit onderwerp, als dat de formulering is. Ook zij hebben gewezen op de risico’s die wij lopen door de verder oplopende zorgkosten. Zij hebben mij gevraagd de WRR te verzoeken om met een rapport tekomen over dit onderwerp. Daarover ben ik op dit momentmet de WRR in gesprek. Ik ga ook met het Planbureau in gesprek. Ik zou de heer De Grave om enige tijd willen vragen, zodat ik die dingen in samenhang kan bekijken en de Kamer daar in ieder geval schriftelijk, en indien gewenst en nodig ook mondeling, over kan informeren. Het probleem is evident. Ik denk dat we daar zeker de hulp van het Planbureau en de WRR bij kunnen gebruiken. Een belangrijkdeel van de vraag gaat over het hoe.

Dan nog even specifiek over die norm. Zou die daarbij kunnen helpen? Dat zou ik eigenlijk onderwerp willen maken van de dialoog met beide instituten. Dat lijkt mij zeer terecht. Ik zou die norm overigens graag direct willen omdopen tot de De Grave-norm, want als die er dan toch komt, lijkt het me verstandig dat ik niet beschuldigd word van nepotisme, maar uitsluitend van de inhoud.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Rapporteren over arbeidsproductiviteit (34.775/34.700) (T02508)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Rinnooy Kan (D66), toe het onderwerp arbeidsproductiviteit blijvend aandacht te zullen geven, hierover aan de Kamer te zullen rapporteren en indien gewenst over dit onderwerp nog met de Kamer in (mondeling) overleg te zullen treden.


Kerngegevens

Nummer T02508
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Prof.dr. A.H.G. Rinnooy Kan (D66)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen arbeidsproductiviteit
Commissie Opvoering Productiviteit
kennisintensiteit
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)
Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 5

De heer Rinnooy Kan (D66):

Ik rond af. De economische prestaties van een land zijn het product van participatie en productiviteit. De eerste ontwikkelt zich voor Nederland gunstig, maar de laatste, de pro-ductiviteit, lange tijd de parel in onze kroon, stijgt de laatstejaren nauwelijks tot niet. Dat is des te opmerkelijker nu de mobiele telefoon de persoonlijke productiviteit van alle hier aanwezigen tot zelfs op dit moment toe sterk verhoogt. Ook al de zo lang voorziene robotisering is nog niet in de productiviteitscijfers terug te vinden, terwijl juist de productiviteitsstijging in de industrie en de dienstensector de ruimte zou moeten scheppen om de kennisintensiviteit van onze economie verder te verhogen. Dat is nodig. In 1961 werdde Commissie Opvoering Productiviteit opgericht die jarenlang onder de hoede van de SER zegenrijk werk heeft verricht. Heeft de minister een verklaring voor deze stagnatie en wordt het geen tijd de COP een wederopstanding te gunnen?

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, items 7 - blz. 33

Minister Hoekstra:

Voorzitter. Dat brengt mij bij de vraag over de productiviteit van de heer Rinnooy Kan. Dat is natuurlijk een intrigerende vraag. Hij verwees daarbij naar de commissie die in ieder geval in, maar in denk ook na, de jaren zestig — in ieder geval ver voor mijn tijd — heeft gekeken naar de opvoering van de productiviteit. In veel industrielanden, niet alleen in Nederland, is de trendmatige groei van de arbeidsproductiviteit zeker in de laatste jaren afgezwakt. Recent onderzoek van het CPB vindt aanwijzingen dat die vertraging komt door, als je dat zo mag formuleren, terugkeer naar de normale productiviteitsgroei na de ICT-boom van de jaren negentig. Tegelijkertijd is dit een fascinerend onderwerp, want wij weten allemaal dat je de productiviteit kunt verhogen door meer uren te werken op een dag, meer dagen te werken per week, meer dagen te werken per jaar en dat dan met meer mensen te doen, maar ook door productiever te zijn per uur. Of zo’n commissie daarbij zou helpen, daar ben ik niet helemaal zeker van. Wel vraagt dit onderwerp blijvende aandacht. Misschien mag ik de heer Rinnooy Kan in ieder geval toezeggen dat wij dat zullen doen, dat wij daar ook nog een keer over zullen rapporteren, en dat wij deze discussie dan nog eens met elkaar kunnen hernemen.

De heer Rinnooy Kan (D66):

Heel graag. Toch zit er voor mij nog wel iets mysterieus in de ontwikkeling van die productiviteit; laten we zeggen de productiviteit per uur, want dat is waar Nederland traditio-neel heel sterk in was. (...) Ik bespaar u de details, ik sta hier naar een grote grafiek te kijken die dat illustreert, en die kunt u zelf vast ook wel vinden. Ik verwelkom uw toezegging, want mij dunkt dat niemand kan ontkennen dat voor een land als Nederland dit cijfer van heel grote betekenis is. Alles wat ertoe kan bijdragen dat wij begrijpen wat eraan schort en wat wij er dus aan zouden kunnen verbeteren, is een welkome bijdrage voor het leveren van inzicht.

Minister Hoekstra:

Zeker. Ik zal mij dan nog eens verdiepen in wat die commissie wel en niet gedaan heeft. De heer Rinnooy Kan had het over “zegenrijk werk”. Dat ga ik dan ook vast ontdekken.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Het nader informeren van de Eerste Kamer over het toezicht op en de fiscale aspecten van blockchains en bitcoins (34.775/34.700) (T02510)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Backer (D66), toe een brief te sturen over blockchains en bitcoins, zoals deze door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook aan de Tweede Kamer is toegezegd. 


Kerngegevens

Nummer T02510
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 februari 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Jhr.mr. J.P. Backer (D66)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen bitcoins
blockchaintechnologie
cryptovaluta
fiscaliteit
toezicht
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)
Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I  2017-2018, items 12, nr. 7 -  blz. 6

De heer Backer (D66):

Mijn eerste punt gaat over twee onderwerpen, namelijk de blockchaineconomie en de bitcoin. Ik ben bij 1914 begonnen, maar wil toch ook wel vooruitkijken. Dit zijn in toenemende mate elementen van speculatie geworden. Ik las dat er een digitale bankoverval is gepleegd. Ik moet me nog even voorstellen hoe dat precies gaat, maar er zijn kennelijk activa in omloop. Er worden ook futures verhandeld in Chicago. Het gaat dus kennelijk om geld. Ik heb twee vragen aan het kabinet. Is er enig financieel toezicht, of werkt u daaraan of gaat dat er komen? En wat zijn eigenlijk de fiscale aspecten? Zijn dit belastbare activa? Hoort het onder box 3? Als iemand een bankoverval pleegt, zou je denken dat er waarde is. En als er waarde is, denk ik dat de overheid, de Staat, daarvan mee kan profiteren.

Handelingen I 2017-2018, items 12, nr. 7 - blz. 34

Minister Hoekstra:

Ik ga van de beweging richting de degelijkheid die ik zie met betrekking tot bankenbuffers naar een veel speculatiever onderwerp, dat al dan niet toevallig is opgebracht door de heer Backer, namelijk blockchains en bitcoins. Nou wil het geval dat ik, als ik hier vandaag niet had moeten zijn, was uitgenodigd voor het vragenuurtje van de Tweede Kamer. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft mij daar vervangen. Hij dacht daarnaartoe te gaan —zo heb ik het in ieder geval begrepen — om alleen iets te zeggen over de combinatie van bitcoins en witwassen, maar hij is daar overvallen door een vragenvuur over bitcoins. Hij zal zich hebben afgevraagd waarom ik nou hier moest zijn en hij daar. Hij heeft daar uit mijn naam een brief toegezegd. Misschien mag ik de heer Backer en de rest van de Kamer ook deelgenoot maken van die brief en daarna eventueel het gesprek daarover met hem en anderen aangaan?

Minister Hoekstra:

Laat ik er overigens nog bij zeggen dat men ook in Europa wel bezig is met die antiwitwasregels. Ik denk dat we ons dat allemaal wel kunnen voorstellen. Ik heb eerder ook publiekelijk wel uitlatingen gedaan die denk ik toch zeer expliciet waren als het gaat om de risico’s die burgers nemen op het moment dat ze hun spaargeld in bitcoins stoppen. Dat is één. Twee is dat we allemaal ook wel zien dat zo’n type valuta, als ik het zo mag noemen, zich natuurlijk zeer goed leent voor degenen die geld willen witwassen. Het is dus ook niet voor niks dat men in Europa bezig is met antiwitwasregels voor wisselplatformen voor cryptovaluta.

De heer Backer (D66):

Ik denk dat het heel verstandig is dat we daar een brief over ontvangen. Het lijkt mij dat elk woord dat de minister hierover uitspreekt op een gouden schaaltje gewogen zal moeten worden, want hij spreekt over “valuta”, maar anderen spreken over een “piramidespel”. Ik denk dat hier veel geld in rondgaat, maar dat er ook gauw verkeerd geld in kan rondgaan. Er zou ook gauw de indruk kunnen ontstaan dat dit inderdaad een alternatieve valuta is zonder dat het hele systeem van correctie en toezicht daaraan verbonden is.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Rapport CPB aanbieden over belastingdruk eenverdieners en alleenstaanden (34.775/34.700) (T02511)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Schalk (SGP), toe om een rapport van het CPB aan te bieden, opdat gelegenheid bestaat daarover met de leden van de fractie van de SGP in de Tweede en in de Eerste Kamer, alsmede met leden van andere fracties die hiervoor belangstelling hebben, een vervolggesprek te hebben over de belastingdruk voor eenverdieners en alleenstaanden.


Kerngegevens

Nummer T02511
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 februari 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden P. Schalk (SGP)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen belastingdruk
eenverdieners
marginale druk
tweeverdieners
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)
Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, items 12, nr. 7 - blz. 21

De heer Schalk (SGP):

Vervolgens was er de motie-Dijkgraaf, die bepleitte omhaalbare opties in kaart te brengen om de substantiële verschillen tussen een- en tweeverdieners te verkleinen. (...) Maar er was een tegenstem van de voltallige coalitie, dus ook een tegenstem van CDA en ChristenUnie. En eerlijk gezegd had ik daar wel enig begrip voor. Deze beide partijen in de Tweede Kamer hadden deze motie namelijk helemaal niet nodig. Voor hen was het natuurlijk bekend dat er in de Eerste Kamer een veel steviger motie lag op dit terrein, met hun handtekening eronder. Steun aan de motie-Dijkgraaf zou dan een afzwakking zijn van hun eerdere steun aan de motie-Schalk, waarvan het dictum luidt: “Verzoekt de regering met voorstellen te komen om de substantiële verschillen te verkleinen en de Kamer hierover nader te informeren.” Met voorstellen komen, dus dat is meer dan met opties komen.

Deze motie werd destijds ondersteund door een meerderheid in deze Kamer. (...) Mogen de fracties van PVV, SP, OSF,50PLUS, PvdD, GL inmiddels misschien ook, CDA, ChristenUnie en SGP erop rekenen dat er aan hun wens gewerkt gaat worden? Ik zie met buitengewone belangstelling uit naar het antwoord van de regering, zeker nu uit de antwoorden van dezelfde regering blijkt dat er een breder probleem is, namelijk ook voor de alleenstaanden.

Er is nog een andere kwestie waar ik vragen over heb. Die sluit aan op een discussie die vorig jaar is gevoerd. Ik heb toen aan de hand van een tabel van het ministerie aangetoond welke problemen er zijn voor een gezin met een inkomen van €22.000. Als een kostwinner zich opwerkt en €10.000 bruto per jaar meer gaat verdienen, dan leverde dat in 2017 maar €355 netto op. Dus €10.000 bruto per jaar, €1 netto per dag. Op mijn verzoek kregen we nieuwe tabellen van de regering. Eerst alleen een tabel van 2021, die een verbetering laat zien. De heer Ester had het daar zojuist al over. Ik vond het goed dat hij dit pijnpunt heeft benoemd.

Vandaag spreken wij echter niet over 2021, maar over 2018. Die tabel kregen wij in tweede instantie toegezonden. Wat blijkt: het is erger geworden. Een salarisverhoging van €22.000 naar €32.000 levert netto nog maar €69 op, van €10.000 dus. Afgerond naar boven is dat 19 cent per dag. Oftewel, de belastingdruk is op dit traject 99,3%. (...) Hoe kijken de bewindslieden van CDA en D66 hiertegen aan? We kunnen toch niet blijven zeggen: wacht maar op 2021?

Handelingen I 2017-2018, items 12, nr. 7 - blz. 37, 38

Minister Hoekstra:

Voorzitter. Het is fijn dat de heer Van Strien mij toestaat dat even te parkeren, want ik was net begonnen met warm te lopen voor de eenverdieners. Ik zou daar wat uitgebreider bij stil willen staan, omdat ik weet hoe na dit aan het hart van de heer Schalk ligt. Ik zeg daar ook bij dat het kabinet hier zeker mee aan de slag gaat, zoals de minister-president dat ook heeft gezegd tijdens de Politieke Beschouwingen. Niet alleen hij, maar ook ik, en de staatssecretaris vanzelfsprekend ook, zijn zeer bereid om het vervolggesprek aan te gaan met de heer Schalk, maar ook met anderen die interesse in dit onderwerp hebben.

(...)

De minister-president heeft mij ook deelgenoot gemaakt van het gesprek. Zouden wij het als volgt mogen afspreken? Dit is volgens mij ook in relatie tot deTweede Kamerfractie van de SGP al gewisseld. Volgens mij komt het Planbureau binnenkort nog met een rapport. Laten we dat afwachten en meenemen in de discussie diede heer Schalk en ik ons voorstellen om samen te hebben, dan wel in aanwezigheid van anderen. Komt dat tegemoetaan zijn wens? Heb ik hem dan ook voldoende antwoord gegeven op het onderwerp “marginale druk”? Dat is misschien te veel uitlokking, voorzitter, zoals men dat aan de overkant noemt. Laat ik er kort wat over zeggen.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 79

De heer Schalk (SGP):

Voordat de minister aan de moties begint: ik heb nog de vraag gesteld, naast dank voor de royale toezegging en dergelijke rond het bekijken van de kloof tussen eenverdieners en tweeverdieners, of ook de problematiek rond de alleenstaanden meegenomen zou kunnen worden

Minister Hoekstra:

Excuus aan de heer Schalk. Het was zo’n klein blaadje met een zo korte vraag dat dit ergens in de stukken, die ik zelf in elkaar heb gevouwen, verloren is gegaan. Het antwoord is ja. Wat ik er nog aan wil toevoegen is dat ik mij realiseer dat dit onderwerp weliswaar de bijzondere belangstelling heeft van de heer Schalk, maar dat het vanzelf spreekt dat in beide Kamers het gesprek zal worden gevoerd met alle leden die zich daartoe geroepen voelen.

zie ook T02493


Brondocumenten


Historie







Toezegging Jaarlijks informeren over pensioenen in eigen beheer directeuren-grootaandeelhouders (dga's) (34.775/34.700) (T02512)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Rij (CDA), toe de Kamer te zullen informeren over het aantal belastingplichtingen dat in 2017 heeft gekozen voor een pensioen in eigen beheer. Tevens zal hij de Kamer - conform de toezegging van zijn ambtsvoorganger - jaarlijks informeren over het aantal dga’s wat gebruikmaakt van de afkoopregeling.


Kerngegevens

Nummer T02512
Status openstaand
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 juli 2020
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Mr. M.L.A. van Rij (CDA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen afkoopregeling
directeur-grootaandeelhouders
pensioen in eigen beheer
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)
Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, item 12, nr. 3 - blz. 21

De heer Van Rij (CDA)

Ook is er een bedrag van 1 miljard gereserveerd om in fiscale zin de doorsneesystematiek aan te pakken. Kan de staatssecretaris daarover al wat specifieker zijn? Wij weten uit ervaring in dit huis dat de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer een zeer lange weg heeft moeten afleggen, alvorens daar een parlementaire meerderheid voor ontstond. Deze wet is op 1 april jongstleden vertraagd ingegaan, nadat vorig jaar door de voorganger van deze staatssecretaris van Financiën werd besloten tot een novelle. Wanneer kan de staatsecretaris overigens aangeven hoeveel belastingplichtigen hebben gekozen voor een afkoop in 2017?

Handelingen I 2017-2018, item 12, nr. 7 - blz. 49

Staatssecretaris Snel:

Voorzitter. De heer Van Rij vroeg ook of ik kon aangeven hoeveel belastingplichtigen in 2017 hebben gekozen voor pensioen in eigen beheer. Daar heb ik het antwoord nog niet op, want dat krijg ik pas ietsje later, namelijk aan het eind van het eerste kwartaal 2018. De informatie wordt op dit moment door de Belastingdienst opgehaald. De laatste informatieformulieren over 2017 komen eind januari 2018 pas binnen en kort daarna kan ik een antwoord geven op die vraag. Overigens heeft mijn ambtsvoorganger al aangegeven dat wij uw Kamer jaarlijks zullen informeren over het aantal dga’s wat gebruik maakt van de afkoopregeling. Wij zullen dat beleid uiteraard niet aanpassen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Aanbieden brief over maatregelen ter vervanging van de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) (34.775/34.700) (T02513)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Sent (PvdA) en Ester (ChristenUnie), toe dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de brief aan de Tweede Kamer over de maatregelen uit het regeerakkoord op het gebied van de arbeidsmarkt en de maatregelen ter vervanging van de Wet DBA, ook naar de Eerste Kamer zal sturen.


Kerngegevens

Nummer T02513
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 februari 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Dr. P. Ester (ChristenUnie)
Prof.dr. E.M. Sent (PvdA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen arbeidsmarkt
schijnzelfstandigheid
Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties
zelfstandigen
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)
Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I  2017-2018, item 12, nr. 7 - blz. 2

Mevrouw Sent (PvdA):

Een laatste onevenwichtigheid betreft de scheefgroei die de laatste jaren is ontstaan in de belastingheffing op werknemers ten opzichte van zelfstandigen. Mijn fractie meent dat de onderliggende fiscale prikkels die leiden tot de sterke stijging van schijnzelfstandigheid aangepakt dienen teworden. Is de staatssecretaris dit met ons eens? Zo ja, wat mogen we dan op dit terrein van de regering verwachten?

Handelingen I 2017-2018, item 12, nr. 7 -  blz. 14

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik noemde al even de kloven op onze arbeidsmarkt. Die zijn groot en diep: tussen vast en flex, tussen zelfstandige en werknemer, tussen ondernemer en zzp’er. De overhaaste afschaffing van de VAR en de komst van de toch onvoldragen Wet DBA hebben die problemen op dearbeidsmarkt eerder verergerd dan verkleind. De ongerustheid is onverminderd groot. In het regeerakkoord zie ik een realistischer benadering van zzp’ers dan voorheen. (...) Maar nog steeds ontbreekt een omvattende analyse van het zzp-fenomeen. We herinneren ons allemaal zeer goed dat dat het vorige kabinet opbrak. En dat gold evenzeer voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de Wet DBA. Daar is in dit huis uitvoerig over gedebatteerd en mijn partij nam daar helder stelling in. Hoe gaat de staatssecretaris beide omissies aanpakken? Wanneer komt hij met een inhoudelijke visie en het inregelen van zijn Belastingdienst, zodat deze de uitvoering van het zzp-beleid op orde heeft? Ik hoor het graag.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 -  blz. 49

Staatssecretaris Snel:

Wij hopen die wetgeving in 2019 ook af te hebben en zodanig in te regelen dat iedereen daar tevreden mee is. Hoe we tot die tijd omgaan, met bijvoorbeeld het handhavingsmoratorium is iets wat ook in de begrotingsbehandeling van SZW naar voren is gekomen. Daar heeft de minister een brief beloofd over de arbeidsmarkt, over de maatregelen in het regeerakkoord en specifiek ook over de maatregelen ter vervanging van de DBA. Ik zal de minister vragen— dat wordt waarschijnlijk morgenochtend — of deze brief ook aan uw Kamer kan worden gezonden, zodat u daar inzicht in heeft. 


Brondocumenten


Historie







Toezegging Fiscale beleidsagenda aanbieden (34.700) (T02515)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, mede naar aanleiding van een vraag van het lid Sent (PvdA), toe om begin 2018 de fiscale beleidsagenda van de regering aan de Kamer te zenden, waarin ook de adviezen van de commissie- van Dijkhuizen zullen worden meegenomen. 


Kerngegevens

Nummer T02515
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 maart 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Prof.dr. E.M. Sent (PvdA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen belastingstelsels
fiscale beleidsagenda
herziening
vestigingsklimaat
Kamerstukken Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 -  blz. 2

Mevouw Sent (PvdA):

Meer in het algemeen verneemt de PvdA graag van de staatssecretaris welke hervormingen van het belastingstelsel hij wenselijk acht. Zo heeft de commissie-Van Dijkhuizen geadviseerd hoe te komen tot een eenvoudig, solide en fraudebestendig belastingstelsel dat bijdraagt aan de verbetering van de concurrentiekracht van Nederland. Welke hervormingen mogen we van de regering tegemoet zien? Het regeerakkoord stelt ons op dit punt niet gerust.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 50

Staatssecretaris Snel:

Dan vroeg mevrouw Sent ook nog welke hervormingen van het belastingstelsel ik wenselijk zou achten. Zij wees daarbij expliciet op de adviezen van de commissie-Van Dijkhuizen. Daar wil ik het volgende op zeggen. Ik ben van plan om in februari, dat wordt waarschijnlijk eind februari, een brief te sturen aan de Tweede Kamer en ik denk ook aan uw Kamer, die wij “fiscale beleidsagenda” zijn gaan noemen, waarin we eigenlijk — het belastingstelsel hangt immers op alle onderdelen met elkaar samen — in een keer integraal willen laten zien welke plannen we hebben voor de komende jaren. Dan pakken we alle elementen mee, inclusief ook een aantal adviezen van de commissie-Van Dijkhuizen. Maar omdat wij deze brief nu nog aan het construeren zijn, hoop ik dat mevrouw Sent er genoegen mee neemt dat we daar iets later begin volgend jaar op terugkomen en dan ook wat uitgebreider van gedachten kunnen wisselen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Kabinetsreactie aanbieden over evaluatie 30%-regeling (34.700) (T02516)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, mede naar aanleiding van een opmerking van het lid Van Rij (CDA), toe de kabinetsreactie op de evaluatie van de 30%-regeling aan de Kamer te zullen doen toekomen.


Kerngegevens

Nummer T02516
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 oktober 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Mr. M.L.A. van Rij (CDA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen 30%-regeling
expats
Kamerstukken Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 3 - blz. 17

De heer Van Rij (CDA):

Mevrouw de voorzitter. De CDA-fractie heeft met instemming kennisgenomen van de fiscale paragraaf in het regeerakkoord. (...) De tarieven in de vennootschaps-belasting worden verlaagd, vooral door middel van verbreding van de grondslag, onder andere minder renteaftrek,waar de heer Bakker zojuist al op wees. Ten tweede wordt de dividendbelasting afgeschaft. Ten derde wordt het misbruik van Nederlandse belastingverdragen unilateraal tegengegaan door middel van het invoeren van een bronbelasting op dividend, royalties en rente op geldstromen naar laag belaste jurisdicties. Ten vierde wil ik het behoud van de 30%-regeling benoemen. Die vier elementen moetende bouwstenen vormen voor het internationale fiscale beleid voor de komende tien jaar.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 51

Staatssecretaris Snel:

Ten slotte willen we ook nog komen met een kabinetsreactie op de evaluatie van de 30%-regeling. Die werd vanavond ook genoemd. We zullen bekijken of die regeling nog doet wat we willen. Er zijn dus meerdere trajecten. We pakken belastingontwijking hard aan, niet alleen op nationaal niveau, maar ook op Europees en internationaal niveau, binnen de OESO. Tegelijkertijd willen we ook zorgen voor een goed en reëel vestigingsklimaat.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Belastingrente koppelen aan reëel rendement (34.785) (T02517)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid De Grave (VVD), toe om bij de invulling van de motie-De Vries, zoals aangenomen door de Tweede Kamer, de concrete suggestie te betrekken om de belastingrente te koppelen aan het reëel behaalde rendement over vermogen, en hierover aan de Kamer te rapporteren.


Kerngegevens

Nummer T02517
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 april 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Mr. F.H.G. de Grave (VVD)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen belastingrente
reëel rendement
vermogen
Kamerstukken Belastingplan 2018 (34.785)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 3 - blz. 11

De heer De Grave (VVD):

In samenhang hiermee: een andere steen des aanstoots voor veel mensen, burgers en bedrijven — naar de meningvan mijn fractie terecht — is de hoogte van de belastingrente die de fiscus in rekening brengt, te weten 4% voor de inkomstenbelasting en 8% voor de vennootschapsbelasting. De fiscus zelf vergoedt geen rente. Dat wil zeggen, na een extreem lange periode. Ik zie hier allemaal mensen glimlachen; ze herkennen het allemaal. Dat is gewoon niet verdedigbaar en ook heel slecht, dat zeg ik serieus, voor het draagvlak in de samenleving voor belastingheffing. Dus, dacht ik, laten we de belastingrente meenemen in dit systeem van een heffing gebaseerd op het werkelijk behaalde rendement. Is dat nou niet prachtig? Dan betaalt de burger er belasting over en als de burger aanvankelijk te weinig heeft betaald, vergoedt hij of zij de fiscus de schade, dus het reëel behaalde rendement dat de fiscus zou hebben behaald als er volledig op tijd zou zijn betaald. Dat is eerlijk oversteken. De fiscus vergoedt, wij betalen de fiscus en de fiscus int wat de burger over zijn vermogen aan reëel behaald rendement heeft. Ik vraag op dit punt nadrukkelijk een toezegging van de bewindslieden. Zo nodig — en dit is voor mij uniek, voorzitter, want ik heb nog nooit een motie ingediend — heb ik een motie in mijn achterzak voorhet geval er niet wordt geantwoord tot tevredenheid van de VVD-fractie en van een aantal fracties die ook hebben meegetekend. Maar ik reken eerlijk gezegd op de overtuigingskracht van de argumenten en de redelijkheid ervan.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 54

Staatssecretaris Snel:

Er waren ook nog vragen over de belastingrente. De heer De Grave vroeg naar de hoge belastingrente. Hij zei eigenlijk: “Het is best wel unfair, of het wordt in ieder geval zo gevoeld. Het is asymmetrisch. Waarom sluit je niet aan bij een meer marktconform rentepercentage?” Op zich is deze oproep begrijpelijk. Hij is bepaald niet de enige die dit heeft gezegd. Sterker nog, in de Tweede Kamer is een motie aangenomen van een partijgenoot, van mevrouw De Vries, waarin het kabinet wordt opgeroepen om te onderzoeken in hoeverre de huidige regeling van de rente redelijk, billijk en rechtvaardig is en de gehanteerde percentages marktconform zijn, en welke eventuele aandachts- en verbeterpunten mogelijk zouden zijn. Ik denk dat dit min of meer dezelfde vraag is. Ik zal uw inbreng van vandaag ook bij deze motie betrekken, om het zo maar te zeggen. Ik zal proberen om daar voor 1 juli al over te rapporteren.

De heer De Grave (VVD):

Ik was zeer goed op de hoogte van die motie in de Tweede Kamer, maar dit is volgens mij toch nog wat anders. Dit is een heel concrete suggestie, namelijk om het te koppelen aan het reëel rendement, aan die discussie. (...) De motie in de Tweede Kamer was eigenlijk algemeen, zo van “dit systeem is niet goed, doe wat anders”. Dit is echt een concrete suggestie. Als u mij dus zou kunnen toezeggen dat u deze concrete suggestie in het kader van de herzieningvan de belastingrente zou willen meenemen — daar vroeg ik naar — dan kan die motie achterwege blijven. In die motie wordt u immers gevraagd om dit te onderzoeken en om de voor- en nadelen in kaart te brengen. Als u dit concrete punt in het kader van de motie van de Tweede Kamer wilt meenemen, dan kan de motie achterwege blijven.

Staatssecretaris Snel:

Voorzitter, ik zeg dat graag aan de heer De Grave toe.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evaluatie fiscale behandeling eigen woning vervroegen (34.819) (T02518)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen en vragen van de leden Van Rij (CDA) en Ester (ChristenUnie), toe in 2019 een evaluatie van de fiscale behandeling van de eigen woning uit te voeren en vervolgens de uitkomsten van deze evaluatie, alsmede een fiscale eindplaat van de eigen woning, aan de Kamer te zenden.


Kerngegevens

Nummer T02518
Status deels voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 januari 2020
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Dr. P. Ester (ChristenUnie)
Mr. M.L.A. van Rij (CDA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen eigenwoningregeling
fiscale behandeling eigen woning
Kamerstukken Geleidelijke uitfasering van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (34.819)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 3 - blz. 20, 21

De heer Van Rij (CDA):

De Wet inkomstenbelasting 2001 is op het punt van de eigenwoning een volstrekt ondoorzichtige lappendeken geworden. De Raad van State spreekt van een complexe stapeling van regelingen. De afgelopen zeventien jaren zijn zeven verschillende kabinetten daarvoor verantwoordelijk geweest. In de uitvoering levert dat problemen op. Je moet er als burger een aparte boekhouding op nahouden, wil je de cumulatie van de genomen maatregelen nog kunnen volgen. Dan is het niet meer schaatsen op glad ijs, maar schaatsen op bobbelig ijs met veel wakken. (...) Daar zitten inmiddels zo veel inconsistenties in, ook in de uitvoering, dat het in de uitvoering echt een probleem is, niet alleen bij de burger maar ook bij de Belastingdienst. De vraag is of we met de huidige wet al vereenvoudigingen kunnen doorvoeren. De staatssecretaris heeft in de Tweede Kamer al een evaluatie van die regeling toegezegd voor 2020. Ik wacht het antwoord van het kabinet hierop nog even af, als u het goedvindt. We zullen er in tweede termijn nog wel op terugkomen.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 16

De heer Ester (ChristenUnie):

Bij dit alles is het begrip “vermogen” in het geding in dit debat. Het eigen huis is om in te wonen én het is vermogen. Het is weliswaar geen vrij opneembaar vermogen, zoals spaargeld, maar het is vermogen. De vraag dringt zich dan ook op hoe de staatssecretaris hiertegen aankijkt. Tot welke bestemming van de eigen woning in het fiscale stelsel leidt het uitfaseren van de wet-Hillen? Welk fiscaal eindplaatje staat de staatssecretaris voor ogen? Dat heeft ook een beetje te maken met dat punt van de heer Van Rij van zo even. Ook de Raad van State maakte dit punt. Zou de staatssecretaris daar een toelichting op willen geven?

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 60, 61

Staatssecretaris Snel:

Dan ga ik verder met de opmerking, ook van de heer Van Rij overigens, dat het best complex is. Veel mensen vinden het ingewikkeld hoe het nu precies zit met het eigen huis en de fiscale eigenwoningregelingen. Dat snappen wij ook heel goed. Het is niet alleen complex voor de burger, maar ook voor de Belastingdienst. Tegelijk is het wel zo dat de maatregel-Hillen met de voorbereidingstijd die wij nemen, goed uitvoerbaar is. De heer Van Rij vroeg: is dat allemaal niet heel ingewikkeld geworden? Eigenlijk wilde ik daar het volgende over zeggen. Ik heb eerder in schriftelijke antwoorden aangegeven dat wij in 2020 een evaluatie van de eigenwoningregeling hebben. Dat wilden wij omdat wij het een aantal jaren geleden hadden gedaan en even de tijd wilden nemen om te bezien hoe dit uitpakt. Zeker ook gezien de discussies van de afgelopen maanden over al deze regelingen denk ik dat het mogelijk moet zijn om deze evaluatie wat te vervroegen, als dat behulpzaam is voor het gesprek waarin wij dit soort dingen kunnen meenemen. Wij hebben nog even gedacht aan 2018, maar dat is een zeer druk wetgevings- en uitvoeringsjaar, onder andere door de fiscale beleidsagenda en de belastingontwijking. Maar als een evaluatie van de regeling in 2019 helpt, wil ik graag toezeggen dat wij een evaluatie in dat jaar als haalbaar zien. Eigenlijk wil ik nu maar gewoon toezeggen dat wij dat gaan doen.

De heer Van Rij (CDA):

Ik ga hopelijk voor u tijd winnen, voorzitter, want als ik de toezegging van de staatssecretaris goed heb begrepen,voorkomt dit dat ik een motie ga indienen. Hij heeft gezegd:ik heb aan de Tweede Kamer voor 2020 al een evaluatie toegezegd ten aanzien van de fiscale behandeling van de eigen woning en die wil ik vervroegen. Met de beste wil van de wereld zou de staatssecretaris dat in 2018 wel willen doen, maar dat kan hij niet, gezien de drukke fiscale beleidsagenda. Ik zou tegen hem zeggen: wilt u er toch nog even over nadenken om het wellicht toch in 2018 te doen? Als dat echt niet kan, zal 2019 voor ons geen ramp zijn. Als in de evaluatie de inconsistenties die nu in de regeling zitten, de grote problemen met de uitvoerbaarheid en ook het punt van de rechtszekerheid maar in beeld worden gebracht, wil ik deze toezegging ook echt als een toezegging zien en dan heb ik ook geen behoefte om een motie in te dienen.

Staatssecretaris Snel:

Dit is echt mijn bedoeling. U noemde een lijstje van acht of negen maatregelen in de loop van de jaren. Nogmaals, als ik op feestjes en partijen moet uitleggen hoe het in elkaar zit, denk ik ook halverwege: hoe zat het ook alweer precies? Ik vind het heel goed dat wij het daarover hebben. Je mag je eigen woning niet helemaal vergelijken met sparen. Toch zijn daar wel box 1/box 3-discussies over. Ik denk dat het gewoon heel goed is dat wij het nog één keer tegen het licht houden: wat hebben wij nu de afgelopen jaren gedaan? Dan haak ik meteen in op de vraag van de heer Ester hoe ik aankijk tegen die eindplaat. Ik denk dat het verstandig is dat ik de evaluatie even eerst doe en dat wij vervolgens kijken waar dit kabinet uiteindelijk op wil uitkomen. Zijn wij er al, zijn wij er nog niet en wat moeten wij doen? Ik hoop dat ik daarmee de vragen van de heer Ester ook heb beantwoord.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Notitie aanbieden over herziening box 3 (34.785/34.700) (T02519)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Sent (PvdA), Ester (CU) en Nagel (50PLUS), toe nogmaals te bezien of en op welke wijze gekomen kan worden tot een box 3-heffing die aansluit bij het reëel behaalde rendement op vermogen en de Kamer hierover begin 2018 te informeren.


Kerngegevens

Nummer T02519
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 april 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Dr. P. Ester (ChristenUnie)
J.G. Nagel (50PLUS)
Prof.dr. E.M. Sent (PvdA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen box 3
reëel rendement
spaartegoed
vermogensrendementsheffing
Kamerstukken Belastingplan 2018 (34.785)
Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 3

Mevrouw Sent (PvdA):

Mijn fractie steunt het voorliggende box 3-voorstel om voor het rendement over het aan het spaardeel toegerekende gedeelte van de grondslag voortaan gebruik te maken van actuelere cijfers. Graag vernemen wij van de staatssecretaris welke additionele voorstellen wij van de regering zullen krijgen teneinde te komen tot een box 3-heffing die beter aansluit bij het werkelijke rendement.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 16

De heer Ester (ChristenUnie)

Voorzitter, ter afronding kort nog een paar andere punten. Mijn fractie is enthousiast over de box 3-maatregelen. Die zijn een flinke stap in de goede richting. Hopelijk vormen zij de opmaat naar wat we allemaal willen: het belasten van reëel rendement. Welk tijdpad heeft de staatssecretaris daarbij voor ogen?

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 24

De heer Nagel (50PLUS)

Dan heeft 5OPLUS nog een vraag over het vermogensrendement in box 3. In het regeerakkoord staat dat het sneller wordt aangesloten op het werkelijke rendement van de spaartegoeden. Is te voorspellen wanneer dit zal plaatsvinden? Want de afschaffing van de wet-Hillen heeft aangetoond dat de staatsecretaris snel kan handelen. En mogen wij ervan uitgaan dat, als de banken een rendement van 0,1% geven, de nieuwe belastingwetgeving dan ook echt van het werkelijke rendement uitgaat en dat deze onteigeningsbelasting ook inderdaad verdwijnt?

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 61

Staatssecretaris Snel:

Gaan wij nu verder naar de werkelijk genoten rendementen? Daar is al vrij uitgebreid onderzoek naar gedaan in 2016 en 2017 in het Keuzedocument box 3. De conclusie was dat het uitvoeren van de heffing voor de financiële instellingen voor burgers behoorlijk complex is. Voor de Belastingdienst is het structureel zelfs problematisch. Desalniettemin ben ik toch voornemens, gezien ons eigen regeerakkoord en alle vragen hier, om er nog eens een keer goed naar tekijken. Ik ben voornemens om mijn reactie begin volgend jaar zowel aan uw Kamer als aan de Tweede Kamer te sturen. Daarin ga ik hier nog een keer op in. Ik zeg wel: het is een prachtig voornemen en iedereen wil het, maar als je kijkt naar de uitvoeringslasten, zowel voor de burger, de gelieerde diensten die het aan ons moeten meedelen, als de Belastingdienst, is het echt feitelijk bijhouden van rendementen geen eenvoudige klus. Mijn toezegging is eigenlijk:ik ga er desalniettemin heel snel mee komen, niet alleen naar de Tweede Kamer, maar uiteraard ook naar uw Kamer.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Informeren over toepassing van heffingskortingen voor buitenlandse belastingplichtigen (34.786) (T02521)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Van Rij (CDA), Backer (D66) en Sent (PvdA), toe nader te onderzoeken hoe de wijziging in de toepassing van heffingskortingen voor buitenlandse belastingplichtigen kan worden uitgevoerd voor zowel kwalificerende als niet-kwalificerende werknemers, hierbij na te gaan of (uitvoerings)aspecten over het hoofd worden gezien en de Kamer hierover in het tweede kwartaal van 2018 te informeren.


Kerngegevens

Nummer T02521
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Jhr.mr. J.P. Backer (D66)
Mr. M.L.A. van Rij (CDA)
Prof.dr. E.M. Sent (PvdA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen buitenlandse belastingplichtigen
grenswerkers
heffingskorting
Kamerstukken Overige fiscale maatregelen 2018 (34.786)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 3 - blz. 22

De heer Van Rij (CDA):

Ten slotte brengen wij de problematiek van de grenswerknemers onder uw aandacht, zoals die gisteren ook beschreven is in Het Financieele Dagblad. Het gaat dan om belastingplich-tigen, met name uit Duitsland en België, die straks via een heel omslachtige procedure de algemene heffingskorting moeten terugvragen. Zou u daarop willen reageren? Heeft u daar in administratieve zin niet een betere oplossing voor? Wij hebben veel vertrouwen in beide bewindslieden en wachten met interesse hun antwoorden op onze vragen af.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 6

De heer Backer (D66):

Ten slotte grensarbeid. Mevrouw Sent sprak daar al over. Ik ben de laatste dagen vanuit allerlei uithoeken van het land benaderd, vanuit zowel Zeeuws-Vlaanderen als Twente als het Noorden, over de voorgenomen regeling onder artikel V uit de Overige fiscale maatregelen 2018, betrekking hebbend op de heffingskortingen. Die voorstellen kunnen een enorme impact hebben op de grensarbeid. We hebben het net gehad over consumenten, maar nu gaat het over grensarbeid. En zoals iemand die al jaren bezig is om de belemmeringen aan de grens op te heffen, het uitdrukte:Kafka woont aan de grens, want dit gaat precies in tegen de maatregelen waar we al jaren mee bezig zijn. Ik ben wel geïnteresseerd hoe dat zit. Is er in elk geval een impactassessment? Is er enig inzicht in hoe dit gaat werken? Zo niet:bezint eer ge begint. Het gaat pas in 2019 in. Laten we op dit punt even pas op de plaats maken, want we zijn op dit onderdeel nog niet overtuigd.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 2

Mevrouw Sent (PvdA):

Ten slotte lijkt het kabinet met de beperking toepassing heffingskortingen buitenlandse belastingplichtigen onbedoeld — naar ik aanneem — de aantrekkelijkheid van grensarbeid te verminderen. Grensarbeiders zullen immers meer moeite moeten doen om aanspraak te maken op de heffingskortingen in de Nederlandse inkomstenbelasting. Voor lager betaalde grensarbeiders is dit niet eenvoudig. En voor Nederlandse werkgevers is deze maatregel niet aantrekkelijk. Graag vragen wij de staatssecretaris om een oplossing voor deze onwenselijke neveneffecten. Indien noodzakelijk heb ik daarover een motie achter de hand, maar ik hoop vooral op een toezegging van de staatssecretaris op dit terrein.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 63, 64, 65

Staatssecretaris Snel:

De toezegging die ik hier wil doen, die ik in de Tweede Kamer nog niet heb gedaan, is dat de Belastingdienst niet afwacht wat er gebeurt, maar actief deze groep die in beeld is zal benaderen en aan zal geven: voor u komt er wijziging die er als volgt uitziet en dit moet u doen. Daarmee blijft het belangrijkste aspect van de wet gewaarborgd (...) Omdat wij in beeld hebben wie er recht op hebben, is dit relatief makkelijk te ondervangen door die mensen actief aan te schrijven. Ik verwacht dat het probleem dat nu gesignaleerd, door deze actieve benadering opgelost zal zijn. Dat is dus het voorstel dat ik nu wou doen.

De heer Backer (D66):

(...) Ik zou toch nog een stapje verder willen gaan dan wat u net heeft toegezegd. We hebben het wel eens eerder gedaan met een van uw voorgangers. U zegt dat dat de regeling passeert omdat die misschien inherent wel logisch is. Maar alvorens die in te voeren komt de staatssecretaris nog een keer hier terug om er met ons over te spreken en te rapporteren welke voorstellen hij dan in gedachten heeft. Dat vind ik een geruststellendere gedachte dan alleen maar de logica van de Belastingdienst, met alle respect.

Staatssecretaris Snel:

(...) Wat uw laatste punt betreft, geloof ik niet dat het verstandig zou zijn om te zeggen dat we alvast doorgaan, maar dat we pas verder moeten gaan nadat ik hier nog een keer heb aangetoond dat het goed is. Volgens mij hebben we er nu een helder beeld bij dat wat wij doen niet alleen de Belastingdienst helpt, maar ook de belastingplichtige. Ik denk dat het goed is om nog een keer te proberen om iets te vinden wat een pragmatische oplossing biedt voor deze hele groep van zowel kwalificerende als niet-kwalificerende mensen. Maar als blijkt dat we toch dingen over het hoofd zien — daar gaan we dan actief naar op zoek — en dat dat misschien zou kunnen verklaren waarom mensen in de grensstreek er toch een beetje ondersteboven van zijn, laten we dat dan in beeld brengen en daar in het tweede kwartaal over rapporteren. Ik denk wel dat de inzet moet blijven dat we onze wetten proberen na te leven. Dat doen we ook. Daarmee gaan we verder.

Dit treedt overigens pas op in 2019. Dat hebben we hier nog niet gezegd, maar u had het al gelezen in het wetsvoorstel. Dat geeft ons nog een beetje de tijd om ernaar te kijken. Als ik het zo mag begrijpen dat het fijn zou zijn dat ik dit nog een keer onderzoek en er in het tweede kwartaal op terugkom, dan wil ik dat graag aan de heer Backer toezeggen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Aanbieden beleidsbesluit schenkbelasting en huwelijkse voorwaarden (34.786) (T02522)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van de Ven (VVD), toe een afschrift van het gepubliceerde beleidsbesluit inzake de schenkbelasting en de huwelijkse voorwaarden aan de Kamer te doen toekomen. 


Kerngegevens

Nummer T02522
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 februari 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Mr. M.P.M. van de Ven (VVD)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen besluit
huwelijkse voorwaarden
schenk- en erfbelasting
schenkingen
Kamerstukken Overige fiscale maatregelen 2018 (34.786)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 3 - blz. 13

De heer Van de Ven (VVD):

De VVD-fractie vraagt de regering om het aangekondigde besluit over het mogelijk verschuldigd worden van schenkbelasting bij het aangaan van of tijdens huwelijk, voorafgaand aan de aangekondigde publicatie, voor te leggen aan de Eerste Kamer.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 -  blz. 65

Staatssecretaris Snel:

De heer Van de Ven vroeg ook nog naar het aangekondigde besluit inzake de schenkbelasting en de huwelijkse voorwaarden. Het antwoord is dat er inderdaad een voorgenomen beleidsbesluit daarvoor voorligt, maar dat een beleidsbesluit naar de aard alleen maar bestaande wetgeving kan uitleggen. We kunnen daar dus niet iets nieuws aan toevoegen. Een beleidsbesluit geeft verduidelijking van bestaande wet- en regelgeving. Ik ben uiteraard bereid om een afschrift van het gepubliceerde besluit — ik denk dat dat voor de heer Van de Ven niet heel veel nieuws zal bevatten, maar we gaan het wel doen — aan hem en aan de gehele Eerste Kamer toe te zenden.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Studie aanbieden over benutten van investeringsruimte in de begroting (34.775/34.700) (T02523)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, mede naar aanleiding van vragen van het lid Van Rij (CDA), toe nadere studie te verrichten naar de opties die de Raad van State heeft geschetst inzake het omgaan met investeringsruimte in de begroting en de Kamer te zullen informeren over de uitkomsten van deze studie.


Kerngegevens

Nummer T02523
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Mr. M.L.A. van Rij (CDA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen begrotingsbeleid
investeringsruimte
Raad van State
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)
Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 -  blz. 68

De heer Van Rij (CDA):

Ik had nog een klein punt, waar ik en ook anderen naar hadden gevraagd en dat betrof eigenlijk het advies van de Raad van State. De minister is wel ingegaan op de Raad van State: dat heeft toch te maken met het houdbaarheidssaldo en met het feit dat, als het even tegenzit, er bijgestuurd zal moeten worden. Maar de Raad van State heeft ook een aantal hele concrete suggesties gedaan. Daar is hij niet op ingegaan. Wellicht dat hij dat in tweede termijn toch nog kort wil doen. Dat betreft dan met name hoe hij omgaat met de investeringsruimte die er nu in de begroting zit. Er zijn eigenlijk drie technieken door de Raad van State daarvoor aangegeven: een voorlopige investeringsreserve, een begrotingsreserve of een enveloppe. Hij zal daar ongetwijfeld over nagedacht hebben.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 -  blz. 77

Minister Hoekstra:

Dan de vraag over de buffers en de Raad van State. Volgens mij schaart de heer Van Rij zich helemaal achter het punt dat de heren De Grave, Rinnooy Kan en Ester en vele anderen hebben gemaakt over prudent beleid en zuinigheid, als ik het zo mag noemen. Hij gaf in overweging om nog eens te studeren op de drie opties die de Raad van State biedt. Dat ga ik doen. Ik heb daar in mijn optiek net nog wat meer tijd voor omdat er geen mogelijkheid meer is om dat op zo korte termijn al in de praktijk te brengen. Ik stel dus voor dat ik daar verder op studeer en de heer Van Rij en anderen op enig moment deelgenoot maak van het resultaat van die studie.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Actuele indicatoren voor inkomensgelijkheid aanbieden (34.775/34.700) (T02524)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Vos (GroenLinks) toe, zodra deze beschikbaar zijn de nieuwe cijfers ten aanzien van de indicatoren voor ongelijkheid aan de Kamer toe te zenden. Tevens zegt de Minister toe het zogenoemde 'Blauwe Boekje' jaarlijks te zullen actualiseren aan de hand van de Miljoenennota.


Kerngegevens

Nummer T02524
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 oktober 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Ir. M.B. Vos (GroenLinks)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen cijfers
indicator
inkomens
koopkracht
ongelijkheid
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)
Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 36

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Als we het daar dan toch over hebben, wil ik het volgende opmerken. Naast de ginicoëfficiënt staan er nog drie andere maten om inkomensongelijkheid te meten. Die staan in uw prachtige Blauwe Boekje: de 80/20-ratio, de 90/10-ratio en de relatieve interkwartielafstand. Er zijn ook metingen die wel degelijk laten zien dat die inkomensongelijkheid toeneemt. Volgens mij ligt het niet zo eenvoudig als de minister zegt. De tabel in uw prachtige Blauwe Boekje loopt tot het jaar 2014. Voor mijn fractie zou het wel interessant zijn als u eenzelfde berekening van die vier maten van inkomensgelijkheid ook voor de jaren daarna en voor de nabije toekomst aan de Kamer zou kunnen doen toekomen.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 72

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter. Over de koopkracht en het inkomen kan ik niet anders dan constateren dat de laagste inkomens er in de komende periode inderdaad minder op vooruitgaan dan de groepen daarboven. Het kabinet zegt ook dat hoge inkomens nou eenmaal meer van economische groei profiteren. Wij hadden verwacht dat juist het kabinet er meer aan zou doen om dat gelijk te trekken. Ik zou het kabinet een beetje in navolging van het verzoek van de heer De Grave willen vragen of het bereid is om de informatie over die ongelijkheid volledig inzichtelijk te maken. De vier indicatoren die de minister zo prachtig in zijn blauwe boekje heeft geschreven zeggen iets over ongelijkheid, maar die lopen maar tot 2014. Bent u bereid om die indicatoren op zijn minst naar 2017 door te trekken en mogelijk ook al naar de rest van deze kabinetsperiode?

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 77

Minister Hoekstra:

Dan ben ik bij wat ik heb geclusterd als “inkomensgelijkheid”. Ik begin met de vraag van mevrouw Vos, want die zat wat mij betreft ook in die categorie. Die vraag ging over de indicatoren. Daar had ik al enthousiast “ja” bij geschreven, totdat ik het antwoord van mijn ambtenaren zag. Dat luidde namelijk: nee, dat gaat niet. Ik begrijp ook waarom. Ik denk dat het terecht is, want de cijfers gaan tot 2014. Dat zijn cijfers, ontleend aan de Miljoenennota. Ik zeg wel graag toe dat, zodra er nieuwe cijfers beschikbaar zijn, ik die zal delen met deze Kamer. Sowieso gaan wij het Blauwe Boekje ieder jaar updaten aan de hand van wat er in de Miljoenennota is verschenen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Brief sturen over de economische positie van ouderen in Nederland (34.819) (T02525)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Rij (CDA), toe de Kamer per brief nader te zullen informeren over de economische positie van ouderen in Nederland.


Kerngegevens

Nummer T02525
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Mr. M.L.A. van Rij (CDA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen armoede
economische positie
ouderen
referendum
Wet-Hillen
Kamerstukken Geleidelijke uitfasering van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (34.819)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, nr. 7 - blz. 68

De heer Van Rij (CDA):

Ik heb nog één vraag aan de bewindslieden: u kunt zich voorbereiden op een referendum. Daarin is de heer Nagel glashelder geweest en dat valt in hem te prijzen, hoewel ik het niet eens ben met hoe hij de discussie voert en de voorbeelden die hij noemt. Maar hij is daarin glashelder. Hoe gaat u zich als regering nu voorbereiden op dat referendum? Want ten aanzien van die zogenaamde framing hebben we al een klein debatje gehad. Ik denk dat de uitslag van zo’n referendum heel erg zal afhangen van hoe het een en ander gecommuniceerd wordt. Ik ben heel benieuwd of de regering daar al wat dieper over nagedacht heeft, want regeren is ook vooruitzien.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, nr. 7 -  blz. 78

Minister Hoekstra:

Dan de ouderen en de vraag van de heer Van Rij over het referendum. Het kabinet is dat onmiddellijk met de heer Van Rij eens. Het is de heer Nagel volstrekt toegestaan om een referendum te organiseren. De vraag van de heer Van Rij heb ik zo begrepen dat het ook verstandig zou zijn om nog eens uiteen te zetten hoe de positie van ouderen nu eigenlijk is. Dat zal ik graag doen. Het is in zijn algemeenheid goed om te benadrukken dat ouderen zich in Nederland in vergelijking met ouderen in het buitenland in een zeer goede positie bevinden. Ik meen dat alleen ouderen in Luxemburg een betere positie hebben. Het is ook zo dat onder alle groepen in Nederland de armoede nergens zo laag is dan onder ouderen. Als je naar alle leeftijdscategorieën kijkt, dan verkeren ouderen het minst vaak in armoede. Ik stel voor dat ik daar nog een brief aan wijd en die met deze en ook met de Tweede Kamer deel. Daarin zal ik deze kwestie meer in detail schetsen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Brief over maatregelen belastingontwijking (34.700/34.785) (T02526)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van het lid Sent (PvdA), toe om de Kamer per brief te informeren over de voorgenomen maatregelen van de regering inzake belastingontwijking en het vestigingsklimaat. 


Kerngegevens

Nummer T02526
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 maart 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Prof.dr. E.M. Sent (PvdA)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen belastingontwijkingen
fiscaliteit
vestigingsklimaat
Kamerstukken Belastingplan 2018 (34.785)
Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 -  blz. 2

Mevrouw Sent (PvdA):

De aanpak van fiscale constructies en belastingontwijking kunnen op de warme steun van de PvdA rekenen. Ook de G20 en de OESO hebben de strijd aangebonden met wereldwijde belastingontwijking. Welke inzet van de staatssecretaris mogen we op dit terrein verwachten? Nederland zou nog altijd dwarsliggen bij het aanpakken van belastingontwijking in Europa en daarmee nog steeds behoren tot de coalition of the unwilling. Mogen wij ervan uitgaan dat de regering zich zal inzetten om wetgeving over belastingontwijking snel van de grond te laten komen? Graag een bevestiging van de staatssecretaris.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 -  blz. 51, 53

Staatssecretaris Snel:

De focus komt door dit pakket aan maatregelen te liggen op een reële economie. We willen een interessant vestigingsklimaat hebben, niet meer voor doorstromers en brievenbussen, maar wel voor reële economie. Waarom willen we dat? Omdat dat banen, werkgelegenheid en voorspoed creëert. Het gaat over accentverschillen en over de vraag hoe de en-enbenadering vroeger was en nu. In het verleden werd het niet erg gevonden als er maatregelen waren waarin de grondslag van andere landen minder beschermd werd. Maar nu zeggen we: ook daar willen we geen deel meer van uitmaken. Wij denken dat de bronbelastingen die we voor ogen hebben op dividenden, rente en royalty’s extreem effectieve maatregelen gaan zijn. Sterker nog, de aankondiging van de maatregelen leidt er al toe dat er minder op geconstrueerd zal worden.

Ik noem nu een paar maatregelen, maar we vinden dit zo belangrijk dat we begin volgend jaar met een aparte brief gaan komen, nog naast de fiscale beleidsagenda, waarin we specifiek aandacht zullen besteden aan het fiscaal vestigingsklimaat. 


Brondocumenten


Historie







Toezegging Brief sturen over vervanging loonkostensubsidie door loondispensatie (34.700) (T02527)

De Minister van Financiën zegt, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Apeldoorn (SP), toe dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de brief over de maatregel van loondispensatie, die de minister aan de Tweede Kamer zal toezenden, ook naar de Eerste Kamer zal sturen.


Kerngegevens

Nummer T02527
Status voldaan
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 januari 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Prof.dr. E.B. van Apeldoorn (SP)
Commissie commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen loondispensatie
loonkostensubsidies
werknemers
Kamerstukken Miljoenennota 2018 (34.775)
Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I, 2017-2018, nr. 12, item 7 -  blz. 67

De heer Van Apeldoorn (SP):

Eén specifiek punt heeft de minister niet beantwoord: hoe een bepaalde maatregel een van de kwetsbaarste groepen in onze samenleving treft, arbeidsbeperkten. Het gaat dan specifiek over de in het regeerakkoord aangekondigde vervanging van de loonkostensubsidie door loondispensatie. Dat zou betekenen dat de mensen die het betreft gaan werken onder het minimumloon. De minister heeft eerder in zijn beantwoording in de eerste termijn gezegd dat werken moet lonen. Mijn vraag aan de minister blijft of hij niet vindt dat dit principe ook hier gehuldigd zou moeten worden. Dus graag alsnog een reactie.

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 -  blz. 78

Minister Hoekstra:

De heer Van Apeldoorn vroeg naar de loondispensatie. Dat was iets wat was blijven liggen uit de eerste termijn, als ik eerlijk ben. Weliswaar onbedoeld, maar toch. In het regeerakkoord wordt loonkostensubsidie aan de werkgever voor nieuwe gevallen vervangen door loondispensatie voor de werknemer. Dit moet nog worden uitgewerkt. De staatssecretaris van SZW komt voor de begrotingsbehandeling van SZW met een brief hierover. Ik zou daarom de heer Van Apeldoorn willen vragen om wat extra tijd.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Misschien spreekt het voor zich, maar die brief komt dan ook naar de Eerste Kamer? Dan hoef ik niet bij te houden dat die onze kant op komt.

Minister Hoekstra:

Laat ik ervoor zorgen dat dit voor de heer Van Apeldoorn wordt bijgehouden. Ik heb ook goed opgeslagen dat de leden tijdens het kennismakingsgesprek hebben verzocht dat brieven aan de Eerste Kamer ook aan de Eerste Kamer worden gericht en niet een kopie zijn van die aan de Tweede Kamer. Ik zal dat met de juiste hoffelijkheid hier presenteren.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Vragen van Eerste Kamerleden beantwoorden in memorie van toelichting bij wetsvoorstel afschaffing dividendbelasting (34.700) (T02529)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van meerdere leden, toe in de memorie van toelichting bij het voorgenomen wetsvoorstel voor de afschaffing van de dividenbelasting, in te gaan op de diverse vragen en (sub)onderwerpen die tijdens het plenaire debat over het pakket Belastingplan 2018 door de leden hierover al aan de orde zijn gesteld.


Kerngegevens

Nummer T02529
Status afgevoerd
Datum toezegging 12 december 2017
Deadline 1 oktober 2019
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Financiën
Kamerleden Prof.dr. E.B. van Apeldoorn (SP)
Dr. P. Ester (ChristenUnie)
Mr. F.H.G. de Grave (VVD)
Ir.drs. G.A. van Strien (PVV)
Ir. M.B. Vos (GroenLinks)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen afschaffing dividendbelasting
bedrijfsleven
Kamerstukken Kabinetsformatie 2017 (34.700)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 3 - blz. 7, 8, 9,10 (De Grave (VVD), Vos (GroenLinks)

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 40 (Van Strien (PVV), Van Apeldoorn (SP), Vos (GroenLinks)

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 66 (De Grave (VVD))

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 73 (Ester (ChristenUnie)

Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7 - blz. 79:

De heer De Grave (VVD):

Ik heb nog een vraag voor de zekerheid. Namens de VVD-fractie heb ik een aantal expliciete vragen gesteld over de dividendbelasting. Wordt daarop ingegaan? Ik heb gevraagd naar de onderbouwing van de raming, de mate waarin de ramingen structureel zijn, in samenhang met de voorstellen op het punt van ... ik heb een hele rits genoemd. Mag ik begrijpen dat daarop zal worden ingegaan op het moment dat het concrete wetsvoorstel er is?

Minister Hoekstra:

Het herhalen van mijn beantwoording in eerste termijn leek mij eerlijk gezegd niet het beste idee.

De heer De Grave (VVD):

In eerste termijn hebt u mijn vragen ook niet beantwoord.

Minister Hoekstra:

Nee, nee, zeker, maar er zijn een heleboel vragen gesteld van de kant van de Kamer. De heer De Grave heeft er een aantal gesteld, mevrouw Vos en anderen ook. De opmerking die de heer De Grave zelf heeft gemaakt — zo heb ik die in ieder geval geïnterpreteerd — is: wij kunnen dit debat hebben, maar voor een deel is het prematuur, want wij krijgen straks een wetsvoorstel en daar zit normaal gesproken altijd een memorie van toelichting bij. Ik heb de heer De Grave en anderen zo verstaan dat in de memorie van toelichting ook antwoord zou moeten komen op de diverse vragen die nu al gesteld zijn. Wanneer ik ervoor zorg dat die genoemde onderwerpen en subonderwerpen terugkomen in de memorie van toelichting, denk ik dat ik aan het verzoek heb voldaan.


Brondocumenten


Historie