Rappelabele toezeggingen Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Rappel september 2022)



Dit is het rappel tot 02-07-22.


Toezegging Uitbreiden benadelingsverbod (33.258 / 34.105) (T02238)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden De Graaf (D66), Barth (PvdA) en Bikker (ChristenUnie), toe om het Huis voor klokkenluiders in kaart te laten brengen waar er een reële benadeling van niet-werknemers ontstaat of zou kunnen ontstaan waartegen met een benadelingsverbod wellicht een wapen zou kunnen worden gegenereerd. Vervolgens komt hij ofwel met een wetsvoorstel ofwel met een toelichting waarom het buiten de wet om zou moeten worden opgelost. Binnen een maand komt de minister met een brief over hoe hij de motie-Bikker c.s. over deze materie uit gaat voeren.


Kerngegevens


Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr. 19, item 6 - blz. 34

Mevrouw Barth (PvdA): En dan kan ik toch niet anders dan vaststellen dat er rond de reikwijdte van de wet, en met name de vraag wie er nou beschermd worden door die wet, nog wat ruis bestaat. Die is in de eerste termijn niet helemaal weggenomen. We hebben het over de bescherming van klokkenluiders. Vervolgens wordt er in het wetsvoorstel zelf steeds gesproken over werknemers. In de memorie van antwoord geven de indieners aan: wij zullen de positie van vrijwilligers, stagiaires en zzp'ers moeten meenemen in de evaluatie, want die hebben we nu niet geregeld. Vervolgens wordt nu in het debat weer gezegd dat ze er wel onder vallen. Ik zou het dus goed vinden als de indieners en de minister dit in de tweede termijn nog even heel scherp op een rijtje zetten, zodat heel helder is wie er door dit wetsvoorstel beschermd worden en wie niet. Want de minister gaf zonet aan dat het benadelingsverbod voor vrijwilligers eigenlijk niet kan gelden op deze manier. Dat benadelingsverbod is voor onze fractie een belangrijke meerwaarde van het wetsvoorstel, maar ik heb in de eerste termijn van de indieners en de minister niet helemaal scherp gekregen wat de meerwaarde is van het benadelingsverbod ten opzichte van de huidige plicht tot goed werkgeverschap die al is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. De minister zei zonet alleen: ja, het is meer Maar dat is echt te makkelijk. Een goed werkgever mag zijn werknemer niet benadelen als die een melding doet die het algemeen belang bevordert, namelijk het wegnemen van een misstand. Je zou dus kunnen zeggen dat het benadelingsverbod al een integraal onderdeel is van het moeten zijn van een goed werkgever. Ik heb om jurisprudentie gevraagd: waar hebben er dan zaken gespeeld waarin dat benadelingsverbod tot een andere uitkomst zou leiden van een rechtszaak tegen werknemers dan zonder dit wetsvoorstel? Ik daag de minister en de indieners dus graag uit om aan te geven wat het benadelingsverbod oplevert boven op de plicht tot goed werkgeverschap. Het lijkt me namelijk arbeidsjuridisch gesproken, als de wet straks moet worden toegepast en er ontslagzaken spelen, heel belangrijk dat wij in de interpretatie en de historie van deze wet iets meer te melden hebben aan de rechter dan alleen: het benadelingsverbod stelt nou eenmaal meer voor dan het zijn van een goed werkgever.

(...)

Handelingen I 2015-2016, nr. 19, item 6 - blz. 35

De heer De Graaf (D66): Mijn laatste punt betreft die helderheid over het werknemersbegrip, waarover mevrouw Barth ook sprak. Als ik het goed begrijp, omschrijft artikel 1 sub h van deze wet het begrip werknemer. Daar hoort ook onder te worden begrepen het verrichten van arbeid anders dan in dienstbetrekking, wat zzp'ers doen. Het kunnen zelfs vrijwilligers zijn. Vervolgens verwijst de minister in zijn antwoord naar Burgerlijk Wetboek Boek 7, artikel 658c. Daarin wordt het begrip werknemer ook gehanteerd en staat dat benadelingsverbod. Nu is de vraag of daar waar hoofdstuk 3 van deze wet nadrukkelijk artikel 658c van het Burgerlijk Wetboek noemt, het begrip werknemer van deze wet niet van toepassing is op dat artikel. De minister zegt eigenlijk: sorry, maar het begrip werknemer uit het Burgerlijk Wetboek is anders dan het begrip werknemer dat in deze wet wordt gehanteerd. Dat is lastig. Als dit waar is, heeft mevrouw Barth gelijk. Dan worden vrijwilligers of zzp'ers die opdrachten krijgen door deze wet niet beschermd als de werkgever hen alsnog wil benadelen voor hetgeen ze hebben gedaan in het melden van een misstand. Dat kan niet de bedoeling zijn. Ofwel het begrip werknemer is ook hier breder, ofwel we moeten alsnog ook dat repareren. Ik vraag daarover samen met mevrouw Barth een heel heldere uitspraak van de indieners, maar vooral van de minister, want een en ander moet tot reparatiewetgeving leiden als het niet in deze wet staat.

(...)

Handelingen I 2015-2016, nr. 19, item 6 - blz. 44-45

Minister Plasterk: Het andere resterende punt betreft het benadelingsverbod. Er is door de initiatiefnemers een brief toegezegd. Ik wil daar op dit moment alleen aan toevoegen dat deze brief over de ene helft van het glas gaat, namelijk de benadeling en de rechtsbescherming van klokkenluiders. Ik wil wijzen op de andere helft van het glas, een helft die sowieso vol is, namelijk dat dit initiatiefwetsvoorstel regelt dat eenieder die ergens werkt, of dat nou is als werknemer of vrijwilliger, toegang heeft tot de adviesfunctie van het Huis voor klokkenluiders. Dat is winst, want dat is nu niet zo. Ook heeft hij toegang tot onderzoek. Hij kan dus entameren dat ergens een maatschappelijke misstand aan de kaak wordt gesteld. Die helft van het glas is dus vol. Dan resteert nog die andere helft. Daarover is zojuist de toezegging gedaan door de initiatiefnemer dat hij er bij brief op terugkomt. Daar wil ik mij op dit moment toe beperken.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Maar zijdelings is in het debat wel ter sprake gekomen dat het mogelijk een optie zou zijn om dit bij reparatiewetgeving te bekijken. Ik begrijp dat de minister dit allereerst bij de indieners legt. Maar ik hoor zijn mening als adviseur van deze Kamer daar wel graag over.

(...)

Minister Plasterk: Dan kom ik nog even terug op die reparatiewet. Ik wil daar terughoudend in zijn. Er ligt een initiatiefwet voor. Ik ben bereid om aperte fouten — laat ik het maar zo onbeleefd noemen — te repareren. Als iedereen het er bijvoorbeeld over eens is dat het niet de bedoeling is dat bij het niet-doen van onderzoek melding wordt gedaan aan de werkgever, haal ik dat graag naar mij toe en zal ik dat zo snel mogelijk repareren. Dat geldt ook voor nog kleinere fouten die wellicht ergens in de tekst zijn geslopen. Maar het benadelingsverbod is een inhoudelijke kwestie, die niet helemaal triviaal is. Ze brengt namelijk de vraag met zich mee wat precies de rechten zijn van een vrijwilliger die ergens bij een organisatie werkt en wat er dan precies te beschermen valt. Om wat voor redenen dan ook is er voor dat onderdeel van de wet verwezen naar het Burgerlijk Wetboek respectievelijk het ambtenarenrecht. Daar kun je van alles van vinden, maar zo is het initiatiefwetsvoorstel dat hier nu ligt. Ik beschouw het niet als een kleine reparatie die ik zomaar eenzijdig kan toezeggen tijdens de behandeling van dit initiatiefwetsvoorstel in de Eerste Kamer.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Maar stel dat het leidt tot wezenlijke problemen, waardoor een bepaalde categorie waarvoor het hele begrip juist is opgerekt in de problemen komt. Stel dat zzp'ers voor wie het glas halfvol is zoals de minister zei, aankloppen bij het Huis voor klokkenluiders maar dat de eerste drie allemaal hun opdracht per direct stopgezet zien omdat ze geen bescherming vinden. Stel dat een vrijwilliger bij een voetbalclub nooit meer steward mag zijn. Dan verwacht ik toch wel dat de minister van Binnenlandse Zaken niet de evaluatie afwacht, maar op dat moment direct al kijkt wat dat halfvolle glas eigenlijk betekent en of het eigenlijk niet helemaal leeg is.

(...)

Minister Plasterk: Mevrouw Bikker noemt nu de stewards bij de voetbalvelden. Dat illustreert precies dat het geen triviaal onderwerp is. Als zij aan mij als minister van Binnenlandse Zaken bij de behandeling van de novelle over een initiatiefwet in de Eerste Kamer vraagt om toe te zeggen dat ik ga repareren dat de belangen van stewards op voetbalvelden voortaan worden beschermd — ik som het nu even op om het te benadrukken — is wel evident dat het geen kleine reparatie van de voorliggende wet is. Ik moet dat opnemen met de collega's in het kabinet. Het heeft nogal wat voeten in de aarde.

Ik constateer dat deze wet twee dingen doet. Aan de ene kant beschermt de wet de banen van mensen die ergens werken, in dienst zijn, gedefinieerd volgens ambtenarenrecht of volgens het BW. Dat beoogt de wet kennelijk ook. Daar kun je van alles van vinden, maar dat is wat hier nu voorligt. Aan de andere kant stelt deze wet het hele traject van het klokkenluiderschap, zowel advies als onderzoek, open voor eenieder die ergens werkzaam is geweest, of dat nou in dienstverband is of niet. Dat is wat nu voorligt. Over de kwestie van de belangen zullen de initiatiefnemers nog een brief sturen. Voor nu wil ik mij beperken tot dit antwoord. De toezegging die ik heb gedaan voor een reparatiewet heeft echt betrekking op de technische reparaties.

(...)

Handelingen I 2015-2016, nr. 21, item 8 - blz. 1-2

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Het Adviespunt Klokkenluiders deed ons al een overzichtelijk voorstel toekomen over de wijze waarop het benadelingsverbod voor alle klokkenluiders van toepassing kan worden. In de argumentatie van de indieners en de minister mist mijn fractie een antwoord op de vraag waarom de rechtsbescherming ongelijk is. Het antwoord van de minister waarin hij verwijst naar de gekozen wettelijke systematiek, namelijk de koppeling van het benadelingsverbod aan de werknemersrechten die wettelijke grondslag hebben, is wel een feitelijke omschrijving, maar geeft geen antwoord op de vraag waarom.

Bovendien onderstreept het betoog van de minister het punt dat mevrouw Barth namens de PvdA-fractie in eerste termijn uitstekend maakte, namelijk dat het hier om de bescherming van klokkenluiders moet gaan en niet over de vraag wie welke wettelijke werknemersrechten heeft. De fractie van de ChristenUnie blijft ervan overtuigd dat gelijke rechtsbescherming voor alle klokkenluiders het uitgangspunt moet zijn en dat daarom een uitbreiding van het benadelingsverbod passend is. In overleg met de collega's van PvdA, D66, VVD, GroenLinks, SGP, SP en Partij voor de Dieren dien ik daarom mede namens hen de volgende motie in.

De voorzitter: Door de leden Bikker, De Graaf, Köhler, Schalk, Lintmeijer, Barth en Koffeman wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Huis voor klokkenluiders een adviesfunctie heeft voor alle klokkenluiders, zowel voor werknemers als voor degenen die anders dan uit dienstbetrekking arbeid verrichten of hebben verricht;

constaterende dat de wettelijke bescherming van klokkenluiders middels het benadelingsverbod alleen geldt voor werknemers en ambtenaren;

overwegende dat degene die anders dan uit dienstbetrekking arbeid verricht of heeft verricht eveneens wettelijke bescherming toekomt tegen benadeling als gevolg van het melden van een vermoeden van een misstand;

verzoekt de regering, spoedig vorm te geven aan een aanvulling op het wetsvoorstel, zodat degene die anders dan uit dienstbetrekking arbeid verricht of heeft verricht en melding doet van het vermoeden van een misstand eveneens wettelijk beschermd wordt tegen benadeling als gevolg van het melden van een vermoeden van een misstand,

en gaat over tot de orde van de dag.

(...)

Handelingen I 2015-2016, nr. 21, item 8 - blz. 9

Minister Plasterk: Dan kom ik op de twee moties-Bikker c.s. De eerste motie gaat over het benadelingsverbod voor anderen dan werknemers. Laat ik voordat ik mijn advies daarover geef, verwijzen naar de argumentatie die ik in eerste en tweede termijn en schriftelijk heb gegeven waarom in de systematiek van deze wet de benadeling is verankerd ten opzichte van de wettelijk vastgelegde rechten die mensen hebben als werknemer dan wel als ambtenaar. Dat is de systematiek van deze wet. Aangezien het voor stagiairs, zzp'ers en vrijwilligers de vraag is wat precies deze rechten zijn, is het niet eenvoudig om ten opzichte van dat basisniveau van rechten de benadeling te definiëren. Dat is de onderliggende logica van deze wet. De indieners vragen echter niet om deze wet te wijzigen, maar om een nieuwe wet tot stand te brengen. Dat is mijn eerste kanttekening.

De tweede kanttekening die ik maak, is dat er nog geen bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden met bijvoorbeeld de vakbonden van zzp'ers zoals FNV Zelfstandigen en ZZP-erkend. Het lijkt mij wel goed dat dat plaatsvindt, zeker omdat zij nog wel wat kanttekeningen hebben bij een dergelijk benadelingsverbod, zoals ik uit de media heb begrepen, want zoals gezegd heb ik geen bestuurlijk overleg met hen gevoerd. Ik zou het toch fatsoenlijk vinden om die kanttekeningen met hen te bespreken.

Ik heb de heer De Graaf en mevrouw Barth in de eerste termijn al toegezegd om de vinger aan de pols te houden. Zo heb ik dat toen gezegd, maar ik wil nog wel een stap verder gaan. Als het Huis van start gaat, wil ik het de expliciete vraag meegeven om in kaart te brengen waar er een reële benadeling van niet-werknemers ontstaat of zou kunnen ontstaan waartegen met een benadelingsverbod wellicht een wapen zou kunnen worden gegenereerd. Als ik dat toezeg, dan moet ik dat natuurlijk overleggen met de collega's die verantwoordelijk zijn voor die sectoren. Bij stagiairs is dat OCW, want dat gaat over onderwijs. Bij de vrijwilliger ligt het voortouw bij VWS. Bij zzp'ers is het de collega van SZW. Ik zal vervolgens in samenspraak met hen een wetsvoorstel doen, als dat noodzakelijk is. Als ik de motie zo mag lezen, dan laat ik het oordeel daarover graag aan de Kamer. Ik voeg daar wellicht nog een extra stap aan toe. Er is eerder gesproken over de evaluatie over vijf jaar, maar ik zal hoe dan ook binnen een jaar bij de Kamer terugkomen met een wetsvoorstel of met een toelichting waarom het wellicht op een andere manier dan via een wet zou moeten worden opgelost.

(...)

Handelingen I 2015-2016, nr. 21, item 8 - blz. 10

Minister Plasterk: De heer De Graaf gebruikte net het woord "reparatie", maar dat is het niet. Dit wetsvoorstel wordt, zo mag ik hopen, door de Kamer aangenomen. Voor een nieuwe wet moet eerst weer advies van de Raad van State worden gevraagd en vervolgens moet de Tweede Kamer daarover een oordeel geven. Ik heb toegezegd mij te zullen verstaan met degenen die moeten worden geconsulteerd voordat we met dat wetsvoorstel komen, bijvoorbeeld de FNV-bond van zzp'ers, waarvan ik tot dusver kritische geluiden heb gehoord. Ik wil niet zeggen dat zij doorslaggevend zijn, maar dat lijkt me wel het te volgen traject. Met die kanttekening laat ik het oordeel over de motie graag aan de Kamer.

(...)

Handelingen I 2015-2016, nr. 21, item 8 - blz. 12-13

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Het tweede punt is dat ik de minister vraag om als de eerste motie, die gaat over de rechtsbescherming voor eenieder, wordt aangenomen, binnen een maand te komen met een brief over hoe hij de motie gaat uitvoeren.

De voorzitter: Dan vraag ik aan de minister om op deze vraag te reageren, voordat we over het wetsvoorstel gaan stemmen. De katheder moet weer terug. Ik wil het vastgelegd hebben.

Minister Plasterk: Het antwoord is ja.

(Hilariteit)


Brondocumenten


Historie







Toezegging Gevolgklassen 2 en 3 (34.453) (T02463)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bikker (ChristenUnie), toe met de gemeenten in gesprek te gaan over ondersteuning bij de toetsing van projecten, in het bijzonder die in de gevolgklassen 2 en 3.


Kerngegevens

Nummer T02463
Status openstaand
Datum toezegging 4 juli 2017
Deadline 1 januari 2026
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden Mr. M.H. Bikker (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen gevolgklassen
kwaliteitsborging
toetsing
Kamerstukken Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (34.453)


Uit de stukken

Handelingen I 2016-2017, nr. 34, item 6- blz. 19

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Dat leidt dan alleen tot een verbetering voor de eerste categorie en niet voor de andere twee categorieën, waar de minister dit wetsvoorstel tot nu toe niet op van toepassing heeft verklaard. Hoe ziet de minister dat voor zich?

Minister Plasterk: Op dat punt is dat zo, inderdaad. Verder zullen we er gewoon in de uitvoering voor moeten zorgen dat het niet op papier gebeurt. Dat was de vraag.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Dat zijn juist de meest complexe projecten. Ik zie dus niet helemaal in wat de winst is. Voor de meest complexe projecten blijft juist staan dat het op papier gebeurt.

Minister Plasterk: Nee, nee, nee.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Dan heb ik de minister verkeerd begrepen. Dan hoop ik dat hij het wat wil toelichten.

Minister Plasterk: Er komt een kwaliteitsborger die op locatie — dat antwoord heb ik zojuist gegeven — moet controleren en die zijn controle met feitenmateriaal moet onderbouwen en toelichten aan de gemeente, die handhaver is.

De voorzitter: Mevrouw Bikker, tot slot.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Dat begrijp ik. Die komt echter voor de eerste categorie, de eenvoudige categorie. Er zijn drie categorieën, drie gevolgklassen. Voor de eerste categorie, waarvan de maatschappelijke impact gering is, gaat dit wetsvoorstel gelden. De minister heeft gezegd dat dit op een later moment mogelijk, na evaluaties, voor die andere bouwcategorieën van toepassing zal worden. Daarmee blijft dus het papieren toezicht, om in de woorden van de minister te spreken, voor de meest complexe bouwprojecten met de grootste maatschappelijke impact nog steeds bestaan. Mijn vraag is dus heel concreet wat de minister op dat punt gaat doen als dit wetsvoorstel realiteit wordt.

Minister Plasterk: Laat ik zo nog proberen om mevrouw Bikker over de streep te halen door daar in de tweede termijn nog even op terug te komen. Wij gaan daar alles aan doen.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 34, item 6- blz. 23

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Dan het probleem van de papieren toets. Ik neem aan dat ik daarvoor iets meer spreektijd van de Voorzitter krijg, omdat ik net afzag van mijn interruptie. De minister wil garanderen dat het daarbij niet blijft. Ik wil hem vragen of hij dat ook onderdeel wil maken van de evaluatie. Maar de papieren toets die de minister zo duidelijk ziet bij het gemeentelijke bouwtoezicht blijft wel voor de meest complexe projecten, de gevolgklassen 2 en 3, overeind. Dat zijn de meest risicovolle projecten. Ik zou juist op die punten verwachten dat het Rijk inzet op verbetering. Ik mis dat ten enen male in het wetsvoorstel. Ik zie uit naar de reactie van de minister.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 34, item 6- blz. 25

Minister Plasterk: De vraag van mevrouw Bikker van de ChristenUnie ging over de gemeenten en hun rol bij de toetsing van de vervolgklassen 2 en 3. In de eerste plaats gaan de aanpassingen van de aansprakelijkheid ook gelden voor de vervolgklassen 2 en 3. Dat zou natuurlijk een zeker effect kunnen hebben en een prikkel kunnen geven aan de bouwers om goed werk te leveren. Voor het overige blijft het natuurlijk de verantwoordelijkheid van de gemeenten om dat te doen. Ik kan wel toezeggen dat ik met ze in gesprek zal gaan om te bekijken hoe ik ze kan ondersteunen bij het uitvoeren van die verantwoordelijkheid, ook voor de klassen 2 en 3. Dat zeg ik toe.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Nieuwe technieken en persoonlijke levenssfeer (34.588) (T02471)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bikker (ChristenUnie), toe in de evaluatie na vijf jaar expliciet aandacht te besteden aan de toepassing van de nieuwe technieken en de gevolgen daarvan voor de persoonlijke levenssfeer, en de Kamer daarover openbaar of vertrouwelijk te informeren. Als de lichamelijke integriteit in het geding is bij de inzet van deze technieken, dient eerst een ethische discussie in het parlement plaats te vinden.


Kerngegevens

Nummer T02471
Status voldaan
Datum toezegging 11 juli 2017
Deadline 1 juli 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Mr. M.H. Bikker (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen lichamelijke integriteit
nieuwe technieken
Kamerstukken Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (34.588)


Uit de stukken

Handelingen I 2016-2017, nr. 35, item 6 - blz. 13

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): De nu gekozen techniekonafhankelijke formuleringen hebben als groot voordeel dat de diensten technisch bij kunnen blijven, maar voor mijn fractie is dit geen blanco cheque. Kan de minister toezeggen dat nieuwe technieken die worden toegepast of nieuwe technische hulpmiddelen die worden gebruikt die een andere of verdergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maken dan nu voorzien, een expliciet punt van aandacht worden van de vijfjaarlijkse evaluatie? Heb ik de minister goed begrepen dat de inzet van een bijzondere bevoegdheid nimmer het recht op de lichamelijke integriteit van personen zal schenden? Ik hoor dat graag straks nog eens expliciet. Al knikt de minister nu ja, voor de Handelingen is meer nodig.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 35, item 8 - blz. 10

Minister Plasterk: Ik kom op de vraag van mevrouw Bikker over nieuwe technieken. Ik heb eerlijk gezegd geprobeerd om mij in de parlementaire behandeling zo ver mogelijk te houden van voorbeelden van technieken, omdat het nu juist de bedoeling is om de wet techniekonafhankelijk te maken. Tot op zekere hoogte staan wij hier nu omdat er in de vorige wet een verschil was aangebracht tussen kabel en ether. Tegelijkertijd begrijp ik wel een vraag als: hoe dichtbij mag je komen? Betekent het niet willen aantasten van de integriteit van het menselijk lichaam dat de gegevens van een smartwatch er wel of niet toe worden gerekend? Dat wordt eindeloos, dus daar ben ik van weggebleven. Ik kan mij wel voorstellen dat mevrouw Bikker zegt: het lijkt mij nuttig om bij de evaluatie terug te kijken en te zeggen: waar heeft dit nu toe geleid en zou de minister willen toezeggen om dat te doen? Dat lijkt mij een redelijke toezegging, waaraan ik verbind dat het wellicht zo kan zijn dat een deel van de informatie via de geëigende kanalen vertrouwelijk moet worden gegeven, omdat die een licht kan werpen op de modus operandi van de dienst. Met die kanttekening erbij lijkt mij dat wij dit kunnen toezeggen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Ik vind dat een waardevolle toezegging, dank daarvoor. Wat die lichaamsgebonden mogelijkheden betreft: ik geloof dat werd gesuggereerd dat dit over pacemakers en zo zou gaan. Ik kan mij nu niet voorstellen wat een dienst daarmee zou moeten, maar ik zou wel heel graag een ferme uitspraak van de minister willen horen dat daar waar de lichamelijke integriteit in het geding is, eerst een ethische discussie in het parlement moet plaatsvinden. Of die openbaar of besloten is, zal helemaal van de casuïstiek afhangen. Op dat punt zou ik de minister graag ook nog horen, met veel waardering voor zijn beantwoording in het eerste blok.

Minister Plasterk: Dank daarvoor. De integriteit van het menselijk lichaam ligt vast in alle mensenrechtenverdragen. Die staat dus ook voor de diensten vast. Waar ik van weg zou willen blijven, is de vraag waar dit nu helemaal precies begint en eindigt. Is dat bij een richtmicrofoon in een rolstoel? Hoe dichtbij moet je komen voordat er sprake is van inbreuk op die integriteit? Op dat punt zou ik mij niet in de casuïstiek willen begeven. Ik hoop dat daar begrip voor is, maar in zijn algemeenheid ben ik het eens met de stelling.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Ik wil ook niet in de modus operandi gaan zitten peuren, waar wij allebei niks aan hebben, maar het gaat mij om het ferme statement dat, op het moment dat wij te dichtbij komen — dat wil zeggen in het menselijk lichaam, wat weer iets anders is dan een rolstoel — er altijd eerst een gesprek zal zijn met het parlement. Volgens mij zijn wij het daarover eens.

Minister Plasterk: Ja. Met de kanttekening, nogmaals, dat dit wellicht via de geëigende kanalen zal zijn, maar daarover zijn wij het eens.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 35, item 8 - blz. 18

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Ik dank de minister voor zijn toezegging om er in de evaluatie expliciet aandacht aan te besteden dat er mogelijk een nieuwe technische invulling aan bevoegdheden wordt gegeven, die dichter bij burgers komt of op een andere manier de grenzen verkent. Ik dank hem ook voor het expliciet benoemen dat wanneer de lichamelijke integriteit geschonden wordt, dat "no go" is en dat dit altijd eerst in het parlement aan de orde zal zijn, via de geëigende kanalen, zoals we dat plachten te noemen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Klachtrecht bij CTIVD (34.588) (T02474)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen van het lid Bikker (ChristenUnie), toe het beleggen van de klachtbehandeling bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) in plaats van bij de Ombudsman bij de evaluatie te betrekken en om daarbij vanuit het burgerperspectief te bekijken of dit het indienen van klachten belemmert.


Kerngegevens

Nummer T02474
Status voldaan
Datum toezegging 11 juli 2017
Deadline 1 juli 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Mr. M.H. Bikker (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
klachtrecht
Nationale ombudsman
Kamerstukken Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (34.588)


Uit de stukken

Handelingen I 2016-2017, nr. 35, item 8 - blz. 11

Minister Plasterk: De heer De Graaf, mevrouw Bikker en de heer Van Kappen hebben een vraag gesteld over het klachtrecht en waarom we dat niet bij de Ombudsman beleggen, maar bij de CTIVD. Het antwoord daarop heb ik eigenlijk zojuist al bij interruptie gegeven: wij willen het aantal instanties dat toegang heeft tot staatsgeheimen een beetje beperkt houden. Je kunt ook niet zomaar tegen de Ombudsman zeggen: goh, doet u dat nou maar. Nee, je moet er een heel stelsel omheen creëren, waarin het allemaal ten eerste geheim blijft en waarbinnen er ten tweede is voorzien in de benodigde expertise. We hebben de keuze gemaakt om dat onder te brengen bij de CTIVD, maar om dan wel een interne scheiding aan te brengen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Maar de Ombudsman had nu al toegang en ik heb nog nooit gehoord dat daar problemen uit voort zouden zijn gekomen. Ik mis in het antwoord van de minister het perspectief van de burger, voor wie de CTIVD toch een heel andere lading heeft — voor het merendeel zal die trouwens onbekend zijn — dan de Nationale Ombudsman.

Minister Plasterk: Ja, dat is zo, maar de Ombudsman heeft geen toegang tot staatsgeheimen. Hij is daarvoor niet geautoriseerd. Hij kan wel klachten ontvangen over de bejegening bijvoorbeeld, maar niet over het handelen van de diensten.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Ja, maar de Ombudsman handelt nu de klachten van de diensten af, een stuk of tien. Dat hebben we in de schriftelijke beantwoording al gewisseld. Volgens mij doet de Ombudsman dat naar tevredenheid en richt hij zich op het herstel van vertrouwen, een van de belangrijkste dingen bij klachtenafhandeling. Precies daar zit de zorg van mijn fractie, bezien vanuit de burger, als je dit belegt bij de CTIVD. Ik hoop dat de minister hier iets meer woorden aan kan wijden, want ik vind dit nu een zorg. Ik heb de minister min of meer een aanbod gedaan door te zeggen dat dit typisch iets is wat ik in een evaluatie ontzettend belangrijk zou vinden. Vinden de burgers de weg nog als zij een klacht willen indienen en wordt het vertrouwen hersteld?

Minister Plasterk: Laat ik dan, misschien ook in een poging om mevrouw Bikker over de streep te trekken, toezeggen dat we dit bij de evaluatie zullen betrekken. We zullen ook nadrukkelijk vanuit het burgerperspectief bekijken of men het inderdaad als een belemmering ervaart om een klacht bij de CTIVD in te dienen. Dat zeg ik dus toe.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 35, item 8 - blz. 19

Mevrouw Bikker (ChristenUnie): Wat betreft de Ombudsman en de CTIVD blijven wij zorgen houden, want de burger ziet die Chinese muur niet. De minister heeft hierover wel een toezegging gedaan, waarvoor ik hem dank.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Kwartaalrapportages tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius (34.877) (T02532)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van diverse leden toe, de Kamer ieder kwartaal te informeren over de voorzieningen die bij de Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius zijn en worden getroffen. De eerste kwartaalrapportage zal uiterlijk 1 juni 2018 met de Kamer worden gedeeld (in het kader van toezegging T02531). Daarbij gaat het onder andere over de voortgang in de criteria en indicatoren die zijn ontwikkeld om de afbouw van het bijzondere regime mogelijk te maken. De resultaten op bestuurlijk vlak, de infrastructuur en op sociaal-economisch terrein, waaronder de bestrijding van armoede. En om de stappen die de regeringscommissaris, de staatssecretaris en het bewindspersonenoverleg Caribisch Nederland zetten of mogelijk maken.


Kerngegevens

Nummer T02532
Status voldaan
Datum toezegging 6 februari 2018
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Prof.dr. R.R. Ganzevoort (GroenLinks)
J.G. Nagel (50PLUS)
J.G. Vlietstra (PvdA)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen Sint Eustatius
taakverwaarlozing
Kamerstukken Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius (34.877)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 6.

Ganzevoort (GroenLinks)

Zonder dat we de maatschappelijke raad van advies al te strak willen reglementeren — dat zou ook niet werken — hebben we er wel behoefte aan om bijvoorbeeld bij de kwartaalrapportages te horen hoe die inspraak en de ontwikkeling van de lokale democratie vorm krijgt. Daarover sprekend: kan de staatssecretaris toezeggen dat deze kwartaalrapportages, die we vanaf 1 juni mogen verwachten, ook naar onze Kamer worden gestuurd? De kabinetsreactie op het rapport van de commissie van wijzen, waarin dit wordt gezegd, was immers alleen in afschrift naar ons toegestuurd. De Eerste Kamer krijgt de rapportages ook graag rechtstreeks van de staatssecretaris, zodat we de vinger aan de pols kunnen houden. Kan de staatssecretaris ook toezeggen dat in die rapportages ook het functioneren van het bewindsliedenoverleg wordt meegenomen? Dan gaat het niet om hun onderlinge verhoudingen als zodanig, maar veel meer om de vraag of het nou werkt om er op deze manier naar te kijken. En kan de staatssecretaris toezeggen dat we via de rapportages ook te lezen krijgen welke criteria en indicatoren ontwikkeld worden om de afbouw van dit bijzondere regime mogelijk te maken? Laat ik duidelijk zijn: mijn fractie geeft de staatssecretaris graag een stevig mandaat, maar geen blanco cheque. Is de staatssecretaris bereid om die criteria en indicatoren langs de weg van de kwartaalrapportages stap voor stap, zoals ze ontwikkeld worden, inzichtelijk te maken, zodat ze deel worden van het staatsrechtelijk gewenste toezicht op de afbouw van een zo uitzonderlijke interventie als deze?

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 14

Vlietstra (PvdA)

Mijn fractie acht het van belang dat inwoners betrokken worden bij en geïnformeerd worden over de resultaten van zowel de bestuurlijke als de fysieke en sociaaleconomische maatregelen en ook in de gelegenheid worden gesteld mee te denken over de toekomst van het eiland. Als fractie willen wij uiteraard ook zelf graag op de hoogte blijven van de verdere ontwikkeling. De staatssecretaris heeft in de Tweede Kamer toegezegd op 1 juni met een eerste rapportage te komen en daarbij ook mee te nemen het rapport van zijn collega, Van Ark, over armoede. Graag horen wij van de staatssecretaris of hij bereid is die rapportages ook voor te leggen aan deze Kamer.

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 15.

Nagel (50PLUS)

Een terugkeer naar normale democratische verhoudingen met een goed functionerend bestuur moet voorop staan. De staatssecretaris heeft gisteren in de Tweede Kamer gezegd, elk kwartaal informatie over de vorderingen te geven. Wij nemen aan, net als enkele eerdere sprekers, dat deze informatie ook aan de senaat wordt verstrekt. Graag bevestiging.

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 19

Staatssecretaris Knops

De regeringscommissaris rapporteert rechtstreeks aan mij. Ik leg verantwoording af in beide Kamers. De lijnen zijn heel kort. Ik zal de Kamer dan ook in de voortgangsrapportages daarover meenemen.

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 23

Staatssecretaris Knops

Op basis van de kwartaalrapportages, die ik u graag toezeg, kunnen we ook zelf volgen hoe we in dat proces zitten: gaat het de goede kant op of niet en in welk tempo?

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 24

Staatssecretaris Knops:

(..)Die verkiezingen worden bij koninklijk besluit bepaald. Ik zal natuurlijk in het proces dat ik ga doorlopen om elk kwartaal te rapporteren, de Kamer meenemen in de stappen die ik zet en de voornemens die ik daaromtrent heb.

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 25

Ganzevoort (GroenLinks)

(...) We danken de staatssecretaris ook voor zijn toezeggingen om ons structureel te informeren over de ontwikkelingen en criteria en daarin ook onze zorgen mee te nemen, en vooral ook voor zijn daadkrachtige wil om verantwoordelijkheid te nemen voor een werkelijke verbetering van de situatie op Sint-Eustatius en in Caribisch Nederland omwille van de burgers daar.

zie ook T02531: Eerste kwartaalrapportage tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius uiterlijk 1 juni 2018

Kamerstukken II, 34.877, nr 3. p. 9

Mede met het oog op het uitwerken van de te nemen maatregelen, het zo nodig nader bepalen van de criteria voor het beëindigen van de ingreep en het volgen van de voortgang van de uitvoering roept het kabinet een bewindspersonenoverleg Caribisch Nederland in het leven. Doel hiervan is om de thema’s die voor Sint Eustatius en de andere eilanden van belang zijn in samenhang te bespreken. Hierbij zal bijzondere aandacht uitgaan naar de voortgang in Sint Eustatius en de maatregelen die nodig zijn om de ingreep te kunnen beëindigen. Over de voortgang zal de Staatssecretaris van BZK de Kamers periodiek informeren.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Voorlichting Raad van State Caribisch Nederland (34.877) (T02533)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van diverse leden toe, de Raad van State op korte termijn om voorlichting te vragen over de wijze waarop de Nederlandse regering met Caribisch Nederland omgaat (inclusief de rol van de gezaghebber, het Cft en de Rijksvertegenwoordiger in relatie tot de bewindspersoon) en over de coördinerende rol van de staatssecretaris van BZK ten aanzien van Caribisch Nederland. De voorlichtingsaanvraag zal met de Kamer worden gedeeld.


Kerngegevens

Nummer T02533
Status voldaan
Datum toezegging 6 februari 2018
Deadline 1 januari 2025
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Mr. Th.C. de Graaf (D66)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Caribisch Nederland
Raad van State
voorlichting van de Raad van State
Kamerstukken Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius (34.877)


Uit de stukken

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 17

Staatssecretaris Knops

Mijn voorstel is nu om de Raad van State op niet al te lange termijn om advies te vragen ten aanzien van de wijze waarop wij in Nederland omgaan met de BES-eilanden. Dat moeten we ook breder zien: het gaat daarbij ook om de rol van het Cft, de rol van de Rijksvertegenwoordiger, de rol van de gezaghebber in relatie tot de bewindspersoon. We moeten het niet alleen zien in de enge relatie binnen het kabinet. We moeten dus kijken of die sturing versterkt kan worden. Vooralsnog wil ik voorstellen om het pad van de praktische invulling door die hoogambtelijke stuurgroep af te lopen en dat bewindspersonenoverleg goed te laten functioneren.

Handelingen I 2017-2018, nr. 5, blz. 20

Staatssecretaris Knops

Ik heb al iets gezegd over de coördinerende rol van BZK. Ik zal de Kamer op de hoogte houden van de voortgang. Ik zal natuurlijk eerst via het kabinet voorlichting moeten vragen aan de Raad van State, maar ik ben voornemens om dat te doen. Ik heb dat ook aangegeven in de ministerraad.

De heer De Graaf (D66):

(...) We hebben grepen dat u heeft toegezegd dat u voorlichting zult vragen aan de Raad van State over de coördinatiefunctie. Ik neem aan dat u die voorlichting op korte termijn zult vragen in een aparte voorlichtingsaanvraag. Zou u die aanvraag willen delen met deze Kamer?

Staatssecretaris Knops:

Ik zal dat uiteraard eerst aan de ministerraad voorleggen. We zullen het daar erover hebben. Ik zal uw punt daarin meewegen en meenemen, maar het is een besluit van de ministerraad. Ik kan er dus niet op vooruitlopen, maar ik zou er op zichzelf geen bezwaar tegen hebben, juist omdat ik het wat breder wil trekken dan het advies dat de Raad van State nu gegeven heeft. Er is in deze Kamer een motie aangenomen over de positie van de Rijksvertegenwoordiger. Je moet het hele stelsel van aansturing vanuit Europees Nederland nog eens goed tegen het licht houden, ook bijvoorbeeld als het gaat om regelgeving die gewoon wordt uitgerold over de Noordzee heen richting het westen.

Kamerstukken II, 2017/18, 34877, nr. 4, p. 6

Een algemene bepaling over de coördinatie van de Minister (thans Staatssecretaris) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten aanzien van de Caribische openbare lichamen zoals de Afdeling suggereert, past niet goed in het onderhavige wetsvoorstel. Dat ziet immers alleen op het bestuur van Sint Eustatius en is slechts tijdelijk van aard. Het kabinet zal zich op deze suggestie beraden en er in een later stadium op terugkomen, zoals ook geldt voor een aantal suggesties van de commissie van wijzen om de bestaande vormgeving van de verhouding tussen Europees en Caribisch Nederland te heroverwegen. Het kabinet overweegt om over deze onderwerpen voorlichting aan de Afdeling te vragen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Proefprojecten (34.453) (T02736)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer toe dat tot aan de inwerkingtreding van de wet proefprojecten georganiseerd zullen worden, om zo veel mogelijk ervaringen op te doen die kunnen worden meegenomen bij de implementatie van het stelsel.


Kerngegevens

Nummer T02736
Status voldaan
Datum toezegging 23 april 2019
Deadline 1 juli 2025
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Milieu en Wonen
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen bouwen
kwaliteitsborging
proefprojecten
Kamerstukken Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (34.453)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2018/19, 34 453, L, p. 1

Minister Ollongren: Om te komen tot de door uw Kamer gevraagde zorgvuldige voorbereiding en implementatie van het nieuwe stelsel van kwaliteitsborging is de inwerkingtreding van het wetsvoorstel voorzien gelijk met de Omgevingswet per 1 januari 2021. Uit de recent aan u toegezonden evaluatie van lopende proefprojecten blijkt dat met het beoogde stelsel belangrijke verbeteringen in de bouwkwaliteit te bereiken zijn. De periode tot aan inwerkingtreding wil ik met partijen benutten om het aantal proefprojecten te intensiveren. Hierover heb ik in het bestuursakkoord met de gemeenten afspraken gemaakt.

(…)

Handelingen I 2018-2019, nr. 27, item 10 - blz. 9

Minister Ollongren: En ik heb ook toegezegd dat tot aan de inwerkingtreding proefprojecten georganiseerd zullen worden, om zo veel mogelijk ervaringen op te doen die kunnen worden meegenomen bij de implementatie van het stelsel.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Het instellen van een onafhankelijke evaluatiecommissie (34.986) (T02849)

De minister voor Milieu en Wonen zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Nooren (PvdA), Baay-Timmerman (50PLUS), Kluit (GroenLinks), Rietkerk (CDA) en Verkerk (ChristenUnie), toe een evaluatiecommissie in te stellen van deskundigen om een onafhankelijke evaluatie van de Omgevingswet te waarborgen. De Kamer zal geïnformeerd worden bij brief over de wijze van inrichting van de evaluatiecommissie voorafgaand aan de voorhang van het inwerkingtredings-KB en elk jaar zal een evaluatiebrief verzonden worden naar de Kamer.


Kerngegevens


Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 17, item 3, blz. 12-21

Mevrouw Nooren (PvdA):

(...)

Daarmee kom ik op het laatste inhoudelijke punt van mijn fractie. Wij vinden het niet alleen belangrijk dat de invoering de komende jaren wordt begeleid door een nationaal programma. Ik had het er eerder over. Wij vinden het ook cruciaal dat er een onafhankelijke commissie komt die de voortgang van de invoering en de implementatie monitort en daarbij aandacht heeft voor zaken die ik eerder in mijn betoog aan de orde heb gesteld. Ik noem de cultuurverandering, de manier van participatie vormgeven, het omgaan met de lokale ruimte van de Omgevingswet, het DSO et cetera, et cetera. Is de minister bereid zo'n commissie in te stellen en hun bevindingen ter beschikking te stellen aan de beide Kamers van de Staten-Generaal?

(...)

Mevrouw Baay-Timmerman (50PLUS):

(...)

Voorzitter. Mijn fractie zal zich aansluiten bij de nog te stellen vragen van de Partij voor de Dieren aangaande de rechtmatigheid, bij de vragen van de ChristenUnie over het rapport-Remkes, bij de vragen van GroenLinks over de toetsing van de open normen en bij de vragen van het CDA over de onafhankelijke evaluatiecommissie. Dit zal echter niet voorkomen dat herhaling of overlapping van vragen plaatsvindt.

(...)

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Ja. Wij zouden ook graag een onafhankelijke evaluatie zien. Mijn collega's gaan daar nog verder op in. Graag ook aan ons antwoord op de vraag of die er komt.

Handelingen I 2019-2020, nr. 18, item 3, blz. 6-16

De heer Rietkerk (CDA):

(...)

Wat de evaluatie betreft vraagt de CDA-fractie mede namens de fracties van onder andere VVD, 50PLUS, D66, GroenLinks, Forum voor Democratie en de ChristenUnie, en in lijn met de PvdA-fractie, waarom er in de wet geen waarborgen zijn opgenomen voor een onafhankelijke evaluatie, terwijl de regering die wel nastreeft. De regering ondersteunt in het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State het belang van een onafhankelijke evaluatie van de wet. De regering heeft geen aanleiding gezien om de onafhankelijkheid van de evaluatie nader in de wet zelf vast te leggen.

De regering laat het in het midden, ook na drie vragenronden, waarbij de CDA-fractie iedere keer op dit punt is door gaan vragen. Waarom ziet de regering dit niet zitten? En waarom geeft de regering iedere keer een procesantwoord, zonder inhoudelijk in te gaan op de noodzaak van die onafhankelijke evaluatie? In plaats daarvan krijgen we een procesantwoord in de trant van dat we eerst ervaring moeten opdoen met wetten, AMvB's, regelingen en dat soort zaken, en dat er dan eventueel gekeken kan worden. Daar nemen wij geen genoegen mee. De CDA-fractie hecht eraan om een onafhankelijke evaluatiecommissie in te stellen, die de jaarlijkse evaluatie van de Omgevingswet cum suis, ook gelet op de monitorcijfers, in beeld brengt. Op dit punt vraagt de CDA-fractie een toezegging van de minister.

(...)

De heer Verkerk (ChristenUnie):

(...)

Voorzitter. De bovenstaande conclusie is van gerenommeerde wetenschappers. Een vergelijkbare conclusie heeft de Raad van State getrokken. Nu schaart de commissie-Remkes zich in deze rij. Daarom is het van belang dat er een uitermate goede evaluatie van de Omgevingswet komt om te onderzoeken of die zorg in de praktijk ook terecht is. Kan de minister toezeggen dat - ik verwijs daarbij ook naar de bijdrage van collega Rietkerk - dat er een onafhankelijke evaluatie van de Omgevingswet komt? En dat bij deze evaluatie expliciet aandacht gegeven wordt aan de mogelijke aantasting van genoemde staatsrechtelijke noties?

Handelingen I 2019-2020, nr. 18, item 6, blz. 5-59

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(...)

(...) Een aantal van u heeft gevraagd om een onafhankelijke evaluatiecommissie. Ik wil heel graag duidelijk maken dat ik dat cruciaal vind. We zijn daar met elkaar bij. Het moet inderdaad een onafhankelijke evaluatie zijn die ons een breed en onafhankelijk beeld geeft van wat de verschillende effecten zijn.

(...)

(...) Ik hecht een groot belang aan een onafhankelijke evaluatie. Ik zal dan ook een commissie van deskundigen aanstellen om die onafhankelijkheid te borgen. Ik ben ook graag bereid om u bij de brief die voor de zomer gestuurd wordt, te informeren over hoe we dat willen gaan inrichten.

(...)

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(...)

Dan over de evaluatie en hoe die commissie is opgehangen. Ik denk dat ik daar later ook nog op terugkom. Laat ik in ieder geval zeggen dat ik heel erg belangrijk vind, en dat hoor ik bij u allemaal, dat we echt gaan naar een onafhankelijke evaluatiecommissie. We zullen zorgen dat we in de brief die voor de zomer komt, zullen aangeven hoe we dat willen inrichten. En mocht u daar dan nog andere gedachten over hebben, dan kunnen we daar ook altijd nog met uw Kamer over van gedachten wisselen.

(...)

De heer Rietkerk (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Twee vragen aan de minister. De eerste vraag gaat over de toezegging, waar we als Kamer blij mee zijn, dat er ook wat de minister betreft een onafhankelijke evaluatiecommissie komt. Dat is tenminste duidelijk. Dat was tot nu toe niet duidelijk. Maar ik heb ook aangegeven dat ik graag een jaarlijkse rapportage wil. Daar heeft de minister nog niet op gereageerd. Dat is mijn eerste vraag.

(...)

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Het lijkt mij heel belangrijk dat we in deze fase, waarin we veel stappen met elkaar aan het nemen zijn en ook veel vragen van decentrale overheden krijgen, strak de vinger aan de pols houden en we inderdaad naar een jaarlijkse rapportage toe gaan.

(...)

De heer Rietkerk (CDA):

(...)

Dan de evaluatie. De minister heeft wat ons betreft, en andere fracties gaven het ook aan, heel duidelijk een toezegging gedaan voor het instellen van een onafhankelijke evaluatiecommissie. De minister zei uiteindelijk op vragen en interrupties dat de minister ook van plan is om dat jaarlijks te doen. Graag hoor ik of ik dat zo goed verstaan heb.

(...)

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(...)

Meneer Rietkerk vroeg of hij goed had begrepen dat ik heb toegezegd dat er een onafhankelijke evaluatiecommissie komt en dat er een jaarlijkse evaluatiebrief komt. Het antwoord op beide vragen is ja.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Toezending nulmeting VTH vóór voorhang inwerkingtredings-KB (34.986) (T02854)

De minister voor Milieu en Wonen zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Kluit (GroenLinks), toe de nulmeting over vergunningverlening, handhaving en toezicht (VTH) vóór de voorhang van het inwerkingtredings-KB de Kamer toe te sturen.


Kerngegevens

Nummer T02854
Status afgevoerd
Datum toezegging 28 januari 2020
Deadline 1 juli 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Milieu en Wonen
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Invoeringswet Omgevingswet
Nulmeting
Omgevingswet
Vergunningverlening Toezicht en Handhaving
Kamerstukken Invoeringswet Omgevingswet (34.986)


Opmerking

zie ook toezegging T02442

Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 17, item 3, blz. 16

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

(…)

Ik begin met een aantal procedurele observaties en daarna inhoudelijke. Allereerst vragen wij ons af of dit wel het goede moment is om het in de Kamer al te hebben over de invoeringswet. Wat ons betreft ontbreekt er echt hele belangrijke informatie, die onmisbaar is, over wat er gebeurt bij decentrale overheden, de uitvoeringspraktijk of zelfs gewone mensen.

Waar gaat het dan om? Bijvoorbeeld om het DSO en de werking daarvan. We weten niet wat de uitvoeringskosten zijn voor de decentrale overheden. We weten ook niet wat de doorontwikkelkosten zijn en welk tempo daarin gemaakt gaat worden. Een BIT-advies of een gateway review zou wat ons betreft onmisbaar zijn geweest. En dan heb ik het ook over de inschatting van de kosten van de uitvoeringspraktijk. Wij vinden het echt onbestaanbaar dat deze inschatting dit najaar ter beschikking komt en dat wij het nu al hebben over invoering, terwijl wij de jeugdzorg en de Wmo achter de rug hebben. Ik heb het over de nulmeting in de VHT-kolom: vergunningverlening, handhaving, toezicht. We weten niet hoe het daar nu mee voorstaat, dus laat staan dat we weten wat deze wet wat dat aangaat, gaat brengen.

Handelingen I 2019-2020, nr. 18, item 6, blz. 8-9

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

In de introductie heb ik gevraagd om een aantal sets aan informatie voor het koninklijk besluit. U zei een beetje tussen neus en lippen door dat u die allemaal zal geven. Ik wil even checken of dat dan ook echt alle informatie is. Ik heb gevraagd om het BIT-advies en de Gateway Review. Ik heb ook gevraagd om de kosteninschatting voor decentrale overheden en de nulmeting voor de VHT-kolom. Zitten die daar dan allemaal bij?

(…)

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(…) U vroeg ook nog naar een nulmeting. Waarvan was die nulmeting? Dat weet ik even niet meer uit mijn hoofd.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Dat ging over de VHT-kolom; de vergunningverlening, handhaving en toezicht.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

We zullen ook proberen om dat voor het KB inzichtelijk te maken.


Brondocumenten


Historie







Toezegging De Kamer informeren over inrichting systematische monitoring (34.986) (T02857)

De minister voor Milieu en Wonen zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Klip-Martin (VVD) en Verkerk (ChristenUnie), toe de Kamer een integraal inzicht aan te bieden met betrekking tot de systematische aanpak van de monitoring. Jaarlijks komt er een brief over de monitoringsresultaten.


Kerngegevens

Nummer T02857
Status deels voldaan
Datum toezegging 28 januari 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Milieu en Wonen
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden drs. T. Klip-Martin (VVD)
Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie legisprudentie
Onderwerpen evaluaties
Invoeringswet Omgevingswet
monitoring
Omgevingswet
Kamerstukken Invoeringswet Omgevingswet (34.986)


Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 17, item 3, blz. 33

Mevrouw Klip-Martin (VVD):

(…)

Aan de andere kant — ik zei er net al wat over — bepleit de onafhankelijk Integrale Adviescommissie Omgevingswet een open houding en het niet bij de eerste de beste casus in de regelreflex schieten. Zij beveelt stellig aan het nieuwe systeem een kans te gunnen, waar het maken en leren van fouten bij hoort. Anders zijn we immers over een paar jaar terug bij af. Maar hoe wordt dit laatste punt goed gewaarborgd? Met andere woorden: hoe ziet de regering het op overzichtelijke wijze vormgeven en combineren en soms implementeren van al deze veelsoortige monitoringsresultaten zonder in de genoemde regelreflex te schieten, waardoor de essentie van het nieuwe omgevingsrechtstelsel juist verloren gaat?

Mede in dat kader bepleit de onafhankelijke Integrale Adviescommissie Omgevingswet de benoeming van een externe commissie of een commissaris die adviseert over het bewaken van de kaders, doelstellingen en kerninstrumenten. De minister geeft aan hierover met collega's in gesprek te gaan; ik zei dat ook al eerder. Wanneer verwacht de minister hier een reactie op te kunnen geven? Anders geformuleerd: hoe gaat de regering het behoud van de kaders, kerninstrumenten en doelstellingen borgen?

Voorzitter. De leden van mijn fractie zijn ook op dit punt geïnteresseerd in de bedachte systematiek. Dat wil zeggen: in de systemische benadering van de implementatie van verbeteringen, wijzigingen et cetera in combinatie met het overeind houden van de filosofie van de Omgevingswet. Kan de minister toezeggen een implementatiesystematiek met betrekking tot de verschillende monitoringsresultaten aan de Kamer voor te leggen?

Handelingen I 2019-2020, nr. 18, item 3, blz. 17

De heer Verkerk (ChristenUnie):

(…)

Voorzitter. De fractie brengt dit punt niet in om te tornen aan doelstellingen of om te tornen aan planning — in ieder geval niet op dit moment — maar om te benadrukken hoe belangrijk het is dat de minister de cultuurverandering volgt en faciliteert. Daarom sluit de fractie ook aan bij de bijdrage van collega Klip van de VVD en wat zij gezegd heeft rond het implementeren van lessons learned en niet in de verkeerde reflex schieten.

Handelingen I 2019-2020, nr. 18, item 6, blz. 9-10

Mevrouw Klip-Martin (VVD):

Ik sluit me aan bij de opmerking van de heer Rietkerk. Namens de VVD-fractie dank ook ik de minister voor haar toezegging om een commissie van deskundigen in te stellen, die neutraal en onafhankelijk zal kijken naar al het monitoren en evalueren. De VVD-fractie had daar een vraag aan gekoppeld. U zegt wel in een bijzin: natuurlijk moeten we niet in een regelreflex schieten. Het vlees is echter zwak. We zijn allemaal geneigd als er zich een probleem voordoet om dan heel snel naar een oplossing te springen. Ik heb dus namens mijn fractie die vraag gesteld. Ik begrijp best dat dat niet gedetailleerd tot achter de komma kan. Er zijn echter zoveel verschillend soortige gegevens, die iedere keer ook op verschillende tijdstippen naar voren zullen komen, doordat er twee-, drie-, vier- en vijfjaarlijkse cycli zijn. Kan de minister toch toezeggen dat er een systematiek komt hoe we omgaan met al die verschillend soortige gegevens? Nogmaals, we kennen allemaal dat opstapelen en de neiging om een probleem heel snel op te lossen, terwijl je daarmee waarschijnlijk weer problemen voor de toekomst creëert. Ik krijg dus toch graag een toezegging van de minister dat daar enige vorm van systemisch denken aan gekoppeld wordt.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dat doe ik graag. Ik herken het risico dat mevrouw Klip schets. Ik denk dat ik hier twee dingen op kan toezeggen. Dat is dat we ook bij de evaluatie zullen vragen of de onafhankelijke commissie ingaat op wat zij ziet van het risico regelreflex. Hoe beoordelen ze dat? Zoals we ook kijken naar de balans tussen beschermen en benutten, denk ik dat dit ook een aspect is dat we expliciet zouden kunnen voorleggen aan de commissie om rekening mee te houden. Daarnaast denk ik dat het goed is dat we aan de Kamer laten zien hoe we met elkaar een systematische monitoring inrichten en dat er geen overlap is en dat duidelijk is voor iedereen. Het lijkt me goed om de Kamer integraal inzicht te bieden in de systematische aanpak van die monitoring.

Mevrouw Klip-Martin (VVD): Ik dank de minister voor de toezegging. Ik bedoel echter niet alleen het systematisch monitoren, maar met name wat we daar dan vervolgens mee doen.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Uiteraard.

Mevrouw Klip-Martin (VVD):

Ik bedoel ook dat wat we er vervolgens mee doen een beredeneerde gang van zaken is.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Zeker. Het is goed om de samenhangt of de monitoring ook daadwerkelijk goed benut wordt in de beleidscyclus, waarvan de adviescommissie nu zegt dat het mooi is dat het juist daarvoor is vormgegeven, te laten bekijken.


Brondocumenten


Historie







Toezegging De Kamer informeren over privacyaspecten betreffende de uitbouw van het DSO (34.986) (T02867)

De minister voor Milieu en Wonen zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Kluit (GroenLinks), toe de Kamer te informeren over privacyaspecten inzake de vergunningaanvragen en meldingen met betrekking tot de uitbouw van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).


Kerngegevens


Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 18, item 6, blz. 34-37

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(…)

Mevrouw Kluit vroeg nog of omgevingsvergunningen straks vindbaar zijn in het DSO-LV. Op het basisniveau worden nog geen omgevingsvergunningen ontsloten. Wel wordt aangesloten bij het huidige dienstverleningsniveau van ruimtelijkeplannen.nl. Dat betekent dat kennisgevingen van buitenplanse omgevingsactiviteiten worden getoond. Gebruikers kunnen net als nu op de kaart doorklikken naar de contour waarbinnen de afwijking van het omgevingsplan geldt en naar de kennisgeving. Gemeenten kunnen hier net als nu meer informatie aan toevoegen. Maar dan moet je natuurlijk wel rekening houden met de privacywetgeving, want in vergunningen kan veel bedrijfsgevoelige informatie staan. In het kader van de uitbouw van de landelijke voorziening wordt bekeken hoe en wanneer met zorg voor de privacy omgevingsvergunningen alsnog via de landelijke voorziening kunnen worden ontsloten. Daar wordt naar gekeken, maar de privacy moet daarin op een goede manier verwerkt worden.

(…)

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

De minister gaf aan dat ze op zich wel sympathiek staat ten opzichte van het idee om meer informatie over vergunningaanvragen en meldingen in het DSO in te bouwen voor burgers, maar dat privacyaspecten daarbij geborgd moeten worden. Dat zal te maken hebben met de AVG. Zijn deze problemen oplosbaar?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Er wordt nu dus naar gekeken wat er kan, inderdaad conform de AVG. Ik kan vanavond niet beoordelen of dat oplosbaar is, maar er wordt wel gekeken welke mogelijkheden er zijn.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Kunnen wij hier nog een keer over spreken als dit niet oplosbaar is? Het beschermen van privacyrechten is natuurlijk heel belangrijk. Tegelijkertijd treed je met omgevingswetaanvragen natuurlijk op een andere manier ook in de privacy van andere burgers. Daar komen dus twee verschillende rechten tegenover elkaar te staan. Ik zou het er dus graag over willen hebben of we een juiste weging maken.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Over de verdere uitkomst kan ik de Kamer natuurlijk sowieso berichten. Er wordt hier dus naar gekeken. Over de uitkomst daarvan kan ik natuurlijk ook de Kamer berichten. Dat kan dan altijd wel of niet aanleiding zijn om daar nog een keer over te spreken.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Landelijke voorlichtingscampagne over de Omgevingswet (34.986) (T02869)

De minister voor Milieu en Wonen zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Dessing (FVD), Nooren (PvdA), Kluit (GroenLinks), Klip-Martin (VVD) en Verkerk (ChristenUnie), toe een landelijke voorlichtingscampagne te initiëren, opdat mensen weten van de komst van de Omgevingswet en waar ze verdere informatie kunnen halen.


Kerngegevens

Nummer T02869
Status voldaan
Datum toezegging 28 januari 2020
Deadline 1 april 2023
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Milieu en Wonen
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden J. Dessing (FVD)
drs. T. Klip-Martin (VVD)
drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA)
Drs. J.E.A.M. Nooren (PvdA)
Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Invoeringswet Omgevingswet
Omgevingswet
voorlichtingscampagne
Kamerstukken Invoeringswet Omgevingswet (34.986)


Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 17, item 3, blz. 6-33

De heer Dessing (FvD):

(…)

Voorzitter. Het is tevens onze constatering dat er wat betreft de kennis en de voorlichting over en het oefenen met het systeem door de diverse gebruikers nog veel stappen gezet moeten worden, hoewel het evident is dat het systeem daar wel klaar voor moet zijn. Kan de minister er nog eens op reflecteren hoe zij ervoor gaat zorgen dat de aanvrager ook goed geïnformeerd is over de nieuwe Omgevingswet en het omgaan met de aanvragen in de nieuwe situatie? Wordt hierbij ook meegenomen wat het verschil is ten opzichte van de oude situatie?

(…)

Mevrouw Nooren (PvdA):

(…)

Voorzitter. Net als de PvdA hebben verschillende fracties gevraagd hoe initiatiefnemers en andere betrokkenen geïnformeerd worden over de komst van de Omgevingswet en begeleid worden in het werken ermee. Ik begin met het eerste punt. De regering legt de volledige verantwoordelijkheid voor de informatievoorziening in handen van de decentrale overheden en de waterschappen. De PvdA vindt dit te mager en te versnipperd. Ons voorstel is dat de regering — net als bij stelselwijzigingen in het sociaal domein en, onlangs en nu nog, bij de Wet arbeidsmarkt in balans — haar eigen verantwoordelijkheid neemt en zorgt voor een adequate landelijke voorlichtingscampagne. Is de minister bereid dit te doen?

(…)

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

(…)

Ik ga dat met drie voorbeelden illustreren. Allereerst weet zo meteen geen normaal mens in Nederland dat deze Omgevingswet er aankomt. Er komt helemaal geen centrale informatiecampagne, er komt geen landelijk programma waarin gewone burgers worden geholpen om een weg te vinden in het nieuwe stelsel. Alles verloopt via de communicatiekanalen van de decentrale overheden, waardoor burgers voor hun kennis over die invoering afhankelijk zijn van hun eigen gemeente. En hoewel het goed is als decentrale overheden ook veel communiceren, ontslaat dat de rijksoverheid niet van haar eigen verplichting om met een heldere boodschap en een implementatiestrategie voor burgers en bedrijven te komen. Zeker niet omdat het tempo van invoering tussen gemeenten verschilt, terwijl een burger wel degelijk belang kan hebben bij wat er in zijn buurgemeente gebeurt.

Wij vinden het ontbreken van een landelijke implementatiestrategie voor burgers heel erg naïef. Met de verschillende tempo's van gemeenten schiet een campagne die decentraal wordt uitgerold per definitie tekort. Een grote landelijke publiekscampagne is daarbij wat ons betreft onmisbaar. Die campagne richt zich dan niet alleen op het geven van informatie, maar met name ook op het vergroten van het handelingsvermogen van gewone burgers in het nieuwe omgevingsrecht. Je kunt daarbij bijvoorbeeld denken aan beschikbare digitale informatie, aan een online tool waar je conceptbezwaarschriften kunt vinden. Ruth de Bock heeft daar aan de overkant veel over verteld.

Ik ben daarbij ook benieuwd hoe de minister aankijkt tegen de effecten van de huidige problemen met de gefinancierde rechtsbijstand. In de beantwoording van de vragen: burgers met een kleine portemonnee zijn afhankelijk van de gefinancierde rechtsbijstand om in juridische procedures hun belang goed te vertegenwoordigen. Dan is het heel fijn dat de griffierechten niet heel erg hoog worden, maar als jij als burger geen advocaat kunt meenemen of je niet goed kunt laten adviseren in een totaal veranderende wereld van omgevingsrecht, dan ben je burger als het ware toch vrij hulpeloos. Kan de minister aangeven of zij naast afspraken met de decentrale overheden zou willen inzetten op een landelijke communicatie- en implementatiestrategie die gericht is op het helpen van burgers om hun weg te vinden en hun handelingsbekwaamheid te vergroten? (…)

(…)

Mevrouw Klip-Martin (VVD):

(…)

De regering geeft onder andere in de nota naar aanleiding van het verslag, bij vraag 110, aan voornemens te zijn op een toegankelijke en begrijpelijke manier het participatieproces voor een breed publiek uit te leggen. Kort daarvoor, één vraag eerder namelijk, bij vraag 109, geeft de regering aan juist niet te kiezen voor een landelijke voorlichtingscampagne, maar voor een communicatietoolkit voor decentrale overheden. Dat schept verwarring. Mijn fractie krijgt graag een toelichting. Een combinatie van beide lijkt ons zeer gewenst. Kan de minister toezeggen, op korte termijn een communicatieplan te presenteren dat de introductie van de Omgevingswet breed en gedurende geruime tijd begeleidt? Ik denk dat ik daarmee aansluit bij opmerkingen van mevrouw Nooren.

Handelingen I 2019-2020, nr. 18, item 3, blz. 17

De heer Verkerk (ChristenUnie):

(…)

(…) Ook sluit onze fractie aan bij het pleidooi van de VVD voor een landelijke voorlichtingscampagne en voor een communicatietoolkit voor decentrale overheden.

Handelingen I 2019-2020, nr. 18, item 6, blz. 46-48

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(…)

Een laatste punt rond de voorlichting aan burgers en bedrijven is eigenlijk misschien het sluitstuk van het geheel. Ik doel op een landelijke voorlichtingscampagne. Het kan zo zijn dat de eerste analyses laten zien dat het misschien veel effectiever is om in een gemeente aan mensen exact te laten weten: wat betekent de invoering voor u hier in de gemeente? Maar toch gaat het ook om een grote omslag waar mensen zich in het algemeen ook bewust van moeten worden. Dus ik zeg u graag een landelijke voorlichtingscampagne toe, als afsluiting van mijn beantwoording in eerste termijn.

(…)

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(…) In ieder geval moeten we er met een landelijke campagne voor zorgen dat mensen zich ervan bewust zijn dat er een verandering aankomt en dat er via participatie ook juist veel mogelijk is. We moeten zorgen dat ze weten waar ze verdere informatie kunnen halen. Dus we nemen het aandachtspunt hoe we kunnen zorgen dat mensen goed weten waar ze informatie kunnen halen zeker mee.


Brondocumenten


Historie







Toezegging In de voortgangsbrief aandacht besteden aan wijze van evaluatie en monitoring (34.864) (T02887)

De minister voor Milieu en Wonen zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Rietkerk (CDA), toe dat in de voortgangsbrief uiteengezet wordt hoe de onafhankelijke evaluatie na vijf jaar en de jaarlijkse monitoring vorm worden gegeven.


Kerngegevens

Nummer T02887
Status afgevoerd
Datum toezegging 11 februari 2020
Deadline 1 januari 2024
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Milieu en Wonen
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden drs. Th.W. Rietkerk (CDA)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Aanvullingswet bodem Omgevingswet
evaluaties
monitoring
Kamerstukken Aanvullingswet bodem Omgevingswet (34.864)


Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 20, item 17, blz. 11-14

De heer Rietkerk (CDA):

(…)

Dan het vierde en laatste punt: de monitoring en de evaluatie. De minister heeft in het debat op 27 en 28 januari aan deze Kamer toegezegd dat er een onafhankelijke evaluatiecommissie komt die jaarlijks rapporteert en dat we dat ook digitaal kunnen volgen. Dank daarvoor. Kan de minister aangeven of er ook specifiek door die onafhankelijke evaluatiecommissie wordt gerapporteerd over vergunningverlening, toezicht en handhaving, zeker met betrekking tot het thema bodem?

(…)

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(…)

(…) De heer Rietkerk vroeg ook of ik kan toezeggen dat de onafhankelijke evaluatiecommissie de monitor VTH ook meeneemt als het om de bodem gaat. Ook mevrouw Kluit vroeg dat. Het antwoord is: ja, de monitor VTH kan input leveren. We gaan dus jaarlijks monitoren en een keer in de vijf jaar is er een evaluatie. Dan komt er informatie naar de Kamers toe. We moeten die twee zaken niet door elkaar halen.

De heer Rietkerk (CDA): Een verduidelijkende vraag. De onafhankelijke evaluatiecommissie rapporteert jaarlijks. Hoe past dat erbij?

Minister Van Veldhoven-van der Meer: De onafhankelijke evaluatiecommissie doet de evaluatie na die vijf jaar. Elk jaar komt er een monitoring. Je wilt het stelsel ook even in werking zien om te kunnen evalueren of het werkt. Daar kijkt die onafhankelijke evaluatiecommissie dus naar. In de tussentijd blijven we al die dingen monitoren. Daar krijgt u ook jaarlijks een monitoringsverslag van.

De heer Rietkerk (CDA):

Dan zijn we des te meer geïnteresseerd in de voortgangsbrief, omdat we volgens mij een toezegging hebben uit het debat van 27 en 28 januari. Daarin heeft de CDA-fractie met andere fracties geen motie ingediend, omdat de toezegging is gegeven dat de onafhankelijke evaluatiecommissie jaarlijks rapporteert. Dan zullen we goed kijken naar de formulering.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dat heb ik misschien niet goed in mijn hoofd. Dan zullen we even goed kijken naar de formulering in de brief. Daar gaan we absoluut nog even naar kijken. We delen met elkaar dat onafhankelijk het beeld moet worden vastgesteld. Ik zal nog even nakijken hoe het precies daar is toegezegd. We zullen ook zorgen dat het in de brief helder verwoord wordt.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Dialogen met partners over politiek-democratische cultuur in verband met macht en tegenmacht (34.864) (T02908)

De minister voor Milieu en Wonen zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Verkerk (ChristenUnie), toe dat dialogen met partners over politiek-democratische cultuur gevoerd zullen worden en dat het punt van macht en tegenmacht wordt meegenomen bij de monitoring en evaluatie van jurisprudentie.


Kerngegevens

Nummer T02908
Status openstaand
Datum toezegging 11 februari 2020
Deadline 1 juli 2026
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister voor Milieu en Wonen
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Aanvullingswet bodem Omgevingswet
Omgevingswet
politiek-democratische cultuur
Kamerstukken Aanvullingswet bodem Omgevingswet (34.864)


Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 20, item 4, blz. 9

De heer Verkerk (ChristenUnie):

(…)

Wij hebben de volgende vragen aan de minister. Herkent de minister dat het in het debat over de Aanvullingswet bodem Omgevingswet niet alleen gaat om de structuur van de wet maar ook om de politiek-democratische cultuur waarbinnen die wet moet functioneren? Zo ja, herkent de minister het belang van dialogen over macht en tegenmacht om de bodem maximaal te beschermen en zelfs te komen tot een verbetering van kwaliteit van de bodem? Op welke manier — de laatste vraag — kan de minister dit soort vragen op een vruchtbare wijze in het overleg met gemeenten, provincies en waterschappen inbrengen? Welke toezegging kan zij op dit punt doen?

Handelingen I 2019-2020, nr. 20, item 17, blz. 2-3

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(…) Ik heb twee dingen gezegd. We hebben een stelsel. Een stelsel, welk stelsel dan ook, heeft nooit 100% garantie dat het altijd gebeurt, maar je wil wel dat het zo veel mogelijk gebeurt. Dat kun je aan de ene kant doen door het stelsel zo helder mogelijk te maken. Ten opzichte van het oude stelsel is het stelsel van de Omgevingswet toegankelijker. Het brengt bijvoorbeeld voor het omgevingsplan alle regels bij elkaar, wat de kans op fouten vermindert. Daarnaast is cultuur een onderdeel. Je mag er in principe op vertrouwen dat je allemaal de rijksregels naleeft, maar de constatering was dat dat niet altijd gebeurde. In het hele traject, waar we bijna 70 miljoen op inzetten, wordt er juist heel erg gezorgd voor de invoeringsbegeleiding. Dat helpt denk ik voor de kenbaarheid van de regels en ook de toepassing van de regels. Ik heb net richting de heer Verkerk nog een toezegging gedaan. Het is echt belangrijk dat we het gebruik van de regels door de ambtenaren zelf onderdeel maken van de monitoring en de begeleiding van de invoering. (…)

(…)

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

(…)

De heer Verkerk vroeg: herkent de minister ook het belang van dialogen over macht en tegenmacht? Zeker. Binnen de democratische rechtsstaat zijn checks-and-balances van groot belang. Naar mijn mening voorziet de regelgeving binnen het stelsel ook in voldoende sturing, waarbij er aan de ene kant bestuurlijke afwegingsruimte wordt geboden om het omgevingsrecht toe te snijden op de lokale situatie, maar waarbij er aan de andere kant via motivatie en dergelijke ook wel echt wordt gevraagd om daar verantwoording over af te leggen. En dat draagt dus weer bij aan de checks-and-balances. Het omgevingsrecht moet uiteindelijk gestalte krijgen in de toepassing. Hierbij zijn de wetgeving en het bestuur aan zet. Participatie is natuurlijk een belangrijke bijdrage aan het versterken van die checks-and-balances. En uiteindelijk controleert ook de rechter natuurlijk of er op een goede manier gebruik van wordt gemaakt. Naar mijn mening vormt daarom het stelsel een passend kader voor de adequate rechtstoepassing en - vorming. We gaan natuurlijk ook de jurisprudentie nauwlettend volgen, als onderdeel van de toegezegde monitoring en evaluatie. Dan kunnen we ook op dit punt nader bezien hoe het uitwerkt in de praktijk.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Evaluatie Samen aan de slag (35.218) (T02944)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Verkerk (ChristenUnie), toe haar de tussentijdse evaluatie in 2022 van het programma ‘Samen aan de slag voor een vaardig Nederland’ te sturen.


Kerngegevens

Nummer T02944
Status voldaan
Datum toezegging 23 juni 2020
Deadline 1 juli 2023
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen evaluaties
Samen aan de slag voor een vaardig Nederland
taalvaardigheden
Kamerstukken Wet elektronische publicaties (35.218)


Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 33, item 9 - blz. 2

De heer Verkerk (ChristenUnie): Voorzitter. Ik begin met de groep die bereikt kan worden met het programma Samen aan de slag. Deze groep kwam al voor in mijn verhaal over de gemeente Kerkrade. Het programma Samen aan de slag voor een vaardig Nederland, vervolgaanpak laaggeletterdheid 2020-2024, is een ambitieus programma, waar veel partijen aan meewerken en dat nader uitgewerkt wordt op gemeentelijk niveau. Het geeft ook mooie voorbeelden van hoe de problematiek van laaggeletterdheid aangevlogen kan worden. Kortom, een programma waar de staatssecretaris trots op kan zijn.

De vraag van de fracties van CDA, PvdA en ChristenUnie is hoeveel laaggeletterden daarmee de komende jaren worden geholpen. Wordt het aantal laaggeletterden daarmee substantieel teruggedrongen? Leidt dit tot een trendbreuk? Wat is er nodig om deze vragen goed te beantwoorden?

De tweede vraag is hoe dit programma wordt geëvalueerd. Kan bij de evaluatie aandacht gegeven worden juist aan de vraag of dit programma heeft geleid tot een trendbreuk?

(…)

Handelingen I 2019-2020, nr. 33, item 9 - blz. 10-11

Staatssecretaris Knops: De heer Verkerk vroeg hoe het programma Aan de slag wordt geëvalueerd. Daar lag ook de vraag achter of dit programma echt effect heeft gehad en tot een trendbreuk heeft geleid. De komende vijf jaar laat het ministerie van OCW onderzoek doen naar de resultaten van de actielijnen en inspanningen van het programma Tel mee met Taal, waar wij als BZK ook aan meedoen. Tussentijds wordt een evaluatie opgeleverd in 2022. Waar nodig wordt dat programma op basis van deze evaluatie bijgesteld. Tegelijkertijd worden ook de gemeentelijke regionale plannen jaarlijks geëvalueerd op doelstellingen en behaalde resultaten. Die landelijke monitor staat dus gepland voor 2022; dan zal die starten. Er wordt beoogd om dan in 2024 in zicht te hebben of dat heeft geleid tot een trendbreuk. Ik denk — maar dat is mijn gevoel — dat je ziet dat het nu al effecten heeft, maar je kunt dat nog niet helemaal kwantificeren. Daar ontbreekt het nog aan. Meten is weten; dat geldt ook hier. Op dit vlak moeten we dus echt nog wel een slag maken. We verwachten ook dat we vanaf 2022 op basis van die monitoring geaggregeerde cijfers kunnen presenteren over hoeveel mensen in welke gemeenten hebben deelgenomen aan cursussen. Dat is volgens mij ook het moment waarop je daarop kunt bijsturen. Dan kun je ook zien wat de trends zijn en waar we dingen anders moeten doen.

De heer Verkerk (ChristenUnie): Wat verwacht u eigenlijk als u op dit moment kijkt naar de plannen die in dat programma staan? Ik zei al eerder dat het mij een heel mooi programma lijkt, maar we hebben nu 2,5 miljoen en we gaan terug naar 2,2 miljoen en dan naar 2 miljoen. Kunt u enige grootteorde of enige verwachting geven?

Staatssecretaris Knops: Anders dan dat ik geloof dat wat we nu aan het doen zijn, de goede richting is en tot resultaten leidt, kan ik helaas echt op basis van niets kwantificeren waar dat nu toe leidt. Dat is precies de reden waarom we dit nu moeten gaan doen, want dat is wat we willen. Het CPB en het SCP schrijven erover en overal komt het terug: er ontstaat in de samenleving een nieuwe kloof. Er zijn mensen die moeiteloos meekunnen in de nieuwe technologieën en nieuwe kansen. Zij groeien daarmee op; dat is de nieuwe generatie. Een andere groep blijft achter. De wig wordt dus steeds groter. Dat is natuurlijk iets wat ook Remkes signaleert in zijn rapport: daar moeten we wel een antwoord op vinden. Toen iedereen analoog was, was het verschil dus veel kleiner. Nu zie je dat uitwaaieren. Dus nee, naar aanleiding van uw vraag kan ik niet concreet aangeven waar we over een aantal jaren zitten en of we dan op 2 miljoen zitten, ook omdat de bevolking natuurlijk ook meegroeit en omdat de samenstelling van de bevolking ook verandert. Je moet er dus echt dieper doorheen kijken. Maar ik vind het zelf ook van belang om die gegevens te hebben. We kunnen wel beleid maken, maar als we het beleid niet kunnen meten en niet kunnen kijken wat het effect is, krijgen we waarschijnlijk toch wel wat opmerkingen van de Rekenkamer. Ik vind dat we daar zelf ook verantwoording over moeten willen afleggen.

De heer Verkerk (ChristenUnie): Kunt u de gegevens van de evaluatie in 2022 ook delen met deze Kamer?

Staatssecretaris Knops: Zeker, zeker. Dit is echt een traject van lange adem. Dit moet de komende jaren verder worden ontwikkeld. Er moeten steeds meer partijen aan gaan bijdragen. Ik vind het heel mooi dat je hier ook participatie ziet. Misschien is dat wel goed om even te vertellen. We zijn met een aantal bedrijven de Alliantie Digitaal Samenleven begonnen. Het idee is dat de burger van ons de klant van dat bedrijf is. Dat zijn dezelfde mensen. Zij lopen ook tegen het probleem aan dat zij heel veel mensen aan de telefoon hebben omdat hun site niet duidelijk genoeg is en omdat mensen dan niet weten waar zij terechtkunnen.

(…)

Handelingen I 2019-2020, nr. 33, item 9 - blz. 14

De heer Verkerk (ChristenUnie): Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris heel hartelijk danken voor de beantwoording van onze vragen, voor de manier waarop hij heeft geprobeerd om daar echt inhoudelijk op in te gaan. Ook heeft hij de mooie achtergrond van deze wet geschetst. Hartelijk dank daarvoor. Ik dank de staatssecretaris ook voor zijn toezegging om de evaluatie van het programma "Samen aan de slag" voor de periode 2020-2022 met de Eerste Kamer te delen, zodat wij daarover, indien nodig, met elkaar in gesprek kunnen gaan. Ik complimenteer de staatssecretaris met het informatiepunt Digitale Overheid, want ik denk dat dit een geweldig mooi initiatief is. Het groeit ook gigantisch.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Brede financiële consequenties van het DSO voor decentrale overheden (34.985) (T03000)

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Rietkerk (CDA), toe dat de brede financiële consequenties van het DSO voor provincies, gemeenten en waterschappen in december in beeld komen, of in ieder geval voor de voorhang van het inwerkingtredings-KB inzake de Omgevingswet.


Kerngegevens

Nummer T03000
Status deels voldaan
Datum toezegging 30 juni 2020
Deadline 1 januari 2026
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister voor Natuur en Stikstof
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden drs. Th.W. Rietkerk (CDA)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Aanvullingswet natuur Omgevingswet
Digitaal Stelsel Omgevingswet
natuur
Omgevingswet
Kamerstukken Aanvullingswet natuur Omgevingswet (34.985)


Uit de stukken

Handelingen I 2019-2020, nr. 34, item 12, blz. 6-20

De heer Rietkerk (CDA):

(…)

Dan de uitvoeringskosten. De uitvoeringskosten zijn wat de CDA-fractie betreft nog onvoldoende in beeld en om een antwoord te geven op de vraag of dat haalbaar en betaalbaar is, is dat wel nodig. In de memorie van antwoord geeft de minister een deelantwoord op de vragen van de CDA-fractie met betrekking tot meerjarige investeringen. De fractie van het CDA vraagt de minister om bij de jaarlijkse evaluatie meerjarig inzicht te geven in de noodzakelijke kosten voor aankoop, inrichting en beheer van natuurgebieden. We begrijpen dat het overzicht bij de beantwoording van de vragen nog tot 2027 liep, maar deze investering reikt tot 2040 of 2050. Kunnen de provincies bij het aannemen van deze wetsvoorstellen de natuur goed in het digitale systeem voegen, in het DSO, en zijn ze daar financieel toe geëquipeerd? Dat zijn vragen die voorgangers ook stelden. Kan de minister ook ingaan op de brief van de VNG namens de gemeenten waarin staat dat zij zorgen hebben over de financiering van de uitwerking van het DSO? Kunnen de extra middelen — ik dacht 300 miljoen per jaar — die volgens mij door minister Schouten zijn gepresenteerd namens het kabinet ook ingezet worden voor het oplossen van knelpunten specifiek met betrekking tot Natura 2000, zodat je natuurherstel krijgt, maar er ook ontwikkelruimte komt?

(…)

De heer Rietkerk (CDA):

Natuur is een van de onderdelen van het DSO. Kan de minister toezeggen dat de brede financiële consequenties van het DSO voor provincies, gemeenten en waterschappen in december in beeld komen, of in ieder geval voor het slaan van het KB?

Minister Ollongren:

Ja, zeker. Dat klopt. We hebben daar eigenlijk wel goede afspraken over gemaakt met de provincies. Zij hebben daar een reservering voor opgenomen. Wij staan voor het centrale deel en de medeoverheden staan voor het decentrale deel. Dat gaat goed.

De heer Rietkerk (CDA):

De VNG-brief die wethouders bij ons onder de aandacht brengen als het gaat om de uitvoering, geeft een wat ander perspectief. Zij geven zorgen weer in brede zin, en over corona. Daarin worden ook de omgevingswetgeving, de uitvoering, kwaliteit en capaciteit van mensen, en het DSO genoemd. Herkent deze minister dat, of niet?

Minister Ollongren:

Het coronapunt herken ik zeker. Dat is ook een van de redenen waarom we na onderling overleg met alle betrokken overheden gezegd hebben: laten we kiezen voor een latere inwerkingtredingsdatum. Corona heeft de boel namelijk een tijd stilgelegd. Dat herken ik dus zeker.

Over de financiën: provincies hebben hier gewoon middelen voor vrijgemaakt. Gemeenten hebben in het geheel van hun financiën soms wel knelpunten. Dat herken ik, in die zin dat dat niet per se gerelateerd is aan dit traject. Sommige gemeenten moeten überhaupt nog eens heel goed kijken naar de gemeentelijke financiën. Daarover is het kabinet in gesprek met zowel de VNG als met individuele gemeenten.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Monitor ouderenhuisvesting (35.578) (T03048)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Verkerk (ChristenUnie), toe de monitor ouderenhuisvesting naar de Eerste Kamer te sturen.


Kerngegevens

Nummer T03048
Status voldaan
Datum toezegging 1 december 2020
Deadline 30 september 2023
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Prof.dr. M.J. Verkerk (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen monitor
seniorenwoningen
Kamerstukken Eenmalige huurverlaging huurders met een lager inkomen (35.578)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 12, item 9 - blz. 23

De heer Verkerk (ChristenUnie): Ik dank de minister voor haar pleidooi voor duurzame woningen, voor alle lagen van de bevolking. De mensen met een betere beurs kunnen zich een goed geïsoleerd huis permitteren, waar het heel prettig wonen is. Zouden wij dat alleen willen hebben voor mensen met een goede beurs? Ik zou dat heel jammer vinden. Ik wil de minister hartelijk danken voor wat zij heeft gezegd. Ik vraag de minister om nog iets meer te zeggen over de cijfers. En waarom? Een krachtig beleid is onmogelijk zonder zeer stevige cijfers.

(…)

Handelingen I 2020-2021, nr. 12, item 9 - blz. 26

Minister Ollongren: De heer Verkerk — die bedoelde ik — vraagt terecht aandacht voor het bouwen van de juiste woningen. Dat is terecht, want het verschilt nogal. In ons kleine land zijn er grote regionale verschillen. Ook zijn er verschillen in de huisvesting die nodig is. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan de studentenhuisvesting, waar we een monitor voor hebben, of aan de ouderenhuisvesting, waar we ook een monitor voor hebben. Deze monitor komt overigens voor het einde van het jaar. Ik zal zorgen dat uw Kamer die krijgt.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Cumulatief effectonderzoek MER (34.682) (T03063)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Kluit (GroenLinks) en Crone (PvdA), toe nog eens na te zullen denken over een cumulatief effectonderzoek met betrekking tot de milieueffectrapportages (MER’s) van gemeenten en provincies.


Kerngegevens

Nummer T03063
Status deels voldaan
Datum toezegging 1 december 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden drs. F.J.M. Crone (GroenLinks-PvdA)
drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Mondeling overleg
Categorie legisprudentie
Onderwerpen cumulatieve effecten
milieueffectrapportage
Nationale Omgevingsvisie
Kamerstukken Nationale Omgevingsvisie (34.682)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2020/21, 34682, G, p. 9

Mevrouw Kluit (GroenLinks): Dank aan de minister. De MER van de NOVI liet zien dat er met name op het vlak van leefomgevingskwaliteit heel veel kansen liggen met het beleid in de NOVI, maar ook heel veel risico's. Het is dus geen gelopen race wat dat betreft. We beginnen ook niet op nul. Daar zit met name de zorg van mijn fractie. Als je gaat kijken naar de biodiversiteit, dan zie je dat 90% van ons habitattype al ernstig onder druk staat. We moeten er dus heel snel voor zorgen dat we die kwaliteit gaan verbeteren. U wilt de cumulatieve effecten in beeld gaan brengen. Mijn vraag is eigenlijk of dat gaat op basis van de MER's die ze lokaal maken. Want ik heb een beetje zorg daarover. We gaan nu allemaal plannen maken. Die krijgen effecten. Voordat die terug te zien zijn in de monitor, ben je vijf, zes jaar verder. Dat kan de ontwikkeling op biodiversiteitsniveau eigenlijk niet meer hebben. Hetzelfde geldt natuurlijk voor klimaat. We moeten eigenlijk meteen de handen aan de kraan hebben zitten. Daar zou het instrument van de planMER's op gemeentelijk niveau een rol kunnen spelen. Ik heb in het debat over de Omgevingswet gevraagd of alle gemeentes en provincies gevraagd kunnen worden om een MER te maken. Wij wachten nog op de antwoorden daarop. Ik weet dus niet of daar al zicht op is. Als dat er is, horen we dat natuurlijk graag. Hoe brengen we de cumulatieve effecten in beeld? Dat is de ene vraag. De andere is inderdaad hoe het bij de gemeentes staat.

(…)

Kamerstukken I 2020/21, 34682, G, p. 10-11

Minister Ollongren: Ik kijk even wat dit is. Ik krijg van alles aangereikt, voorzitter. Gelukkig maar! Ja, dan ga ik een poging doen om de vraag van mevrouw Kluit over de cumulatieve effecten van decentrale plannen te beantwoorden. Ik kijk even of dit goed is. Ik hoor wel van mevrouw Kluit of ze dit antwoord voldoende vindt. Ik heb in mijn inleiding al gezegd dat we afspraken hebben in het RES-proces over de analyse door het PBL over effecten op natuur, landschappen et cetera. We hebben ook nog gezegd dat we naar de samenwerkingsafspraken kijken, waarin afgesproken wordt om voldoende aandacht te schenken aan de kwetsbare aspecten van de leefomgeving. Daarnaast hebben we een tweejaarlijkse monitor. Ik hoorde mevrouw Kluit net spreken over vijf à zes jaar en zeggen dat dat te lang is. Dat begrijp ik ook. De tweejaarlijkse monitor brengt de cumulatieve effecten in beeld. Dat betekent dat je dus, met die frequentie, ook in staat bent om het bij te stellen, als dat mogelijk is. In afzonderlijke RES'en is vaak sprake van een planMER. Datzelfde geldt ook voor omgevingsplannen.

(…)

Kamerstukken I 2020/21, 34682, G, p. 11-13

Mevrouw Kluit (GroenLinks): Dank voor de beantwoording, maar dat was niet helemaal mijn vraag. Die ging niet specifiek over de RES'en, maar over de omgevingsplannen en de omgevingsvisies van de gemeentes. Volgens uw invaller -- ik weet niet precies hoe ik die moet noemen -- zouden gemeentes en provincies in principe zowel voor hun omgevingsvisie als hun omgevingsplan een MER hebben moeten maken. Daaruit blijken dan al bepaalde effecten. De vraag is: doen gemeentes en provincies dat al? De tweede is: houden jullie de cumulatieve effecten daarvan in beeld? En misschien nog het volgende, want dit is belangrijk: ook al monitor je iets elke twee jaar, er zit vijf, zes jaar tussen de planvormvorming en de effectmeting. In de biodiversiteitsstudies komt dus eigenlijk naar voren: als je nu beleid uitzet en de doelen daarvan wil realiseren door te meten hoe het later gaat, dan ben je voor biodiversiteit in ieder geval te laat. Je moet eigenlijk al aan de voorkant toetsen: wat zijn de effecten en wat kunnen wij nu doen om te zorgen dat het goed gaat?

Minister Ollongren: Ja, ik begrijp de vraag van mevrouw Kluit nu beter. Het klopt inderdaad wat zij zegt. Wat dat betreft kan ik haar zorg niet helemaal wegnemen, want wij hebben niet afgesproken dat er ook nog centraal toezicht komt op de decentrale plannen. Er is ook geen goedkeuringsplicht vooraf of iets dergelijks, dus ook niet op de decentrale MER's. Ik denk dat dat haar zorg is. Ik zei net dat we de cumulatieve uitkomst meten via de PBL-monitor. Tot op zekere hoogte, als je het op het centrale niveau bekijkt, is de zorg van mevrouw Kluit inderdaad een zorg, maar je moet natuurlijk hopen en ook afspreken dat daar op het decentrale niveau in voldoende mate rekening mee wordt gehouden, want de biodiversiteit is voor het hele land, maar juist ook lokaal natuurlijk ongelofelijk belangrijk.

Mevrouw Kluit (GroenLinks): Dan zou ik de minister toch een beetje willen prikkelen op dit vlak, want het gaat niet goed met de biodiversiteit, niet in het stedelijk gebied en niet in het agrarisch gebied. Is het mogelijk om toch zo'n cumulatief effectonderzoek te doen op die MER's? Want we hebben gewoon echt niet meer de tijd om hiermee te wachten.

De voorzitter: De vraag is even of dat onderdeel is van de NOVI, waar we het nu over hebben.

Mevrouw Kluit (GroenLinks): Nou, het is er wel onderdeel van, omdat uit de MER van de NOVI heel duidelijk blijkt dat er uit het NOVI-beleid grote negatieve effecten en grote voordelige effecten kunnen komen. Maar die moeten dus grotendeels lokaal naar boven komen drijven. Mijn pleidooi is dat we dat nu doen en dat we dat niet aan de monitor koppelen, omdat we dan te laat zijn.

Minister Ollongren: Ja, maar de vraag is … Maar goed, ik ben nu ook zoekende naar wat de oplossing is. De gewone regels, Natura 2000 et cetera, gelden natuurlijk gewoon. Het is niet zo dat decentraal zomaar wat kan gebeuren. Ik denk dat het belang van het verbeteren van de biodiversiteit decentraal juist heel erg op het netvlies staat. Ik ben een beetje op zoek -- maar ik zal het nog nader overwegen -- hoe je dat in de monitoringsystematiek kunt verbeteren, of dat je dat meer in het lokale en het decentrale moet hebben. Maar goed, ik ga dat nog even op me laten inwerken. Ik heb nu het eerlijke antwoord gegeven. Zo zit het.

Mevrouw Kluit (GroenLinks): Dank. Eerlijke antwoorden hebben altijd mijn voorkeur, dus dat is sowieso fijn. Dat het op het lokale niveau goed op het netvlies staat, durf ik te betwijfelen. Als we kijken …

De heer Crone (PvdA): Mag ik mevrouw Kluit op dit punt bijvallen? Want het is natuurlijk toch vaak zo dat de wethouder of de gedeputeerde denkt: ja, maar als ik nu hier dat datacenter of die blokkendoos voor de distributie krijg, dan is het oké. Ze belijden het soms meer met de mond dan in werkelijkheid. Ik ben het dus met mevrouw Kluit eens. Het moderne thema is nu, naast grootschalige veeteelt, de "chemificatie" van het platteland. Dat is natuurlijk op dit moment het thema van biodiversiteitsaantasting, dat we dadelijk geen insecten meer hebben. Het gevolg daarvan is natuurlijk helemaal vreselijk.

De voorzitter: Ik heb de minister volgens mij horen zeggen dat zij nu antwoord heeft gegeven voor zover dat op dit moment kan en dat zij nog even doordenkt. Ik neem aan dat ze dus terugkomt op deze vraag van mevrouw Kluit, die ondersteund wordt door de heer Crone. Ik heb meteen een nieuw woord geleerd: "chemificatie".

De heer Crone (PvdA): Ja, een nieuw onderzoek.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Regelen drietal aspecten rondom de invoering van de Omgevingswet (33.118 / 34.986) (T03130)

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Kluit (GroenLinks), toe dat een drietal aspecten rondom de invoering van de Omgevingswet geregeld moeten zijn, te weten:

  • 1. 
    dat het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) werkt;
  • 2. 
    dat de financiële afspraken tussen de decentrale overheden en het Rijk ten aanzien van de uitvoering van het stelsel en ten aanzien van het beheer en onderhoud van het DSO zijn gemaakt, en dat deze ook zijn geborgd voor zover het over de Rijksbijdrage gaat in de begrotingen van het Rijk;
  • 3. 
    dat verschillende uitvoeringsorganisaties — zoals de rechtspraak en de VTH-kolom — hebben aangegeven dat zij gereed zijn voor de uitvoering en dat daartoe ook een uitvoeringstoets is gedaan.

Kerngegevens

Nummer T03130
Status deels voldaan
Datum toezegging 13 januari 2021
Deadline 1 januari 2026
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden drs. S.M. Kluit (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen decentrale overheden
Digitaal Stelsel Omgevingswet
handhaving
inwerkingtredings-KB
Koninklijk Besluit
Omgevingswet
toezicht
Uitvoeringstoets
vergunningverlening
Kamerstukken Invoeringswet Omgevingswet (34.986)
Omgevingsrecht (33.118)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 19, item 3, blz. 24

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Ik pak even door. Ik heb in mijn inbreng een drietal dingen genoemd. Ik wil bij de minister toetsen of zij met mij eens is dat dit de dingen zijn waar helderheid en afspraken over moeten zijn. Het eerste is: er is een aangetoond werkend DSO bij decentrale overheden. Het tweede is: de financiële afspraken tussen de decentrale overheden en het Rijk ten aanzien van de uitvoering van het stelsel en ten aanzien van het beheer en onderhoud van het DSO zijn gemaakt, maar zijn ook geborgd voor zover het over de rijksbijdrage gaat in de begrotingen van het Rijk. Tot slot: de verschillende uitvoeringsorganisaties — wij denken expliciet aan de rechtspraak en de VTH-kolom — hebben aangegeven dat zij gereed zijn voor de uitvoering en daar is ook een uitvoeringstoets toe gedaan.

Minister Ollongren:

Ik herken de punten van mevrouw Kluit. Ik denk dat dit eigenlijk precies de punten zijn waar de Kamer ook vragen over heeft gesteld, die we ook in het verleden met elkaar hebben besproken en die ik op mijn beurt ook weer bespreek met de medeoverheden en alle betrokken organisaties. Dus als zij zegt "'dit zijn de punten waarop wij vanuit de Eerste Kamer graag voldoende zekerheid willen hebben"', dan herken ik die en begrijp ik het ook heel goed. Dat zijn ook, denk ik, de belangrijkste punten voor de implementatie van de Omgevingswet.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Ik vat de woorden van de minister samen als een toezegging dat de minister zonder deze drie punten geen besluit naar de Koning gaat sturen tot invoering. Klopt dat?

Minister Ollongren:

Wat klopt, is dat ik de instemming van uw Kamer nodig heb en dat ik denk dat het over deze punten gaat. Ik kan mij voorstellen dat uw Kamer zegt op deze punten voldoende zekerheid te willen hebben opdat zij zou kunnen instemmen met het voorstel dat de minister doet. Dus als ik het zo interpreteer, zijn we het helemaal eens. Alleen heeft u vragen aan mij gesteld en die ga ik beantwoorden. Dat wilde ik eigenlijk ook aan het slot van mijn termijn zeggen: de inhoudelijke vragen die mevrouw Kluit vooral heeft gesteld, maar die ook door anderen zijn gesteld, snap ik heel goed. Ik zeg u dus toe dat deze beantwoording u deze week zal bereiken. Dan kunt u oordelen, ook op deze punten, in hoeverre u vindt dat dit u voldoende inzicht en zekerheid biedt. Daar ga ik ook heel graag het debat over aan.

(…)

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Dit is eigenlijk precies waarom we hier vanavond staan. Want u geeft aan de ene kant aan dat u snapt dat dit de issues zijn die er leven in de Eerste Kamer. Dit is Kamerbreed. Ik kijk even rond — sta op als u het er niet mee eens bent — ik sta hier namens de hele Kamer. Dit zijn de punten waarvan wij denken: dit is waarom u nog niet klaar bent voor het koninklijk besluit. U hoeft mijn vragen niet meer te beantwoorden als u hier vanavond zegt: dit ga ik regelen. Daarna geven wij onze zegen, want dan krijgt u die ook. Dan zijn we gewoon klaar voor vanavond, want dan is de toezegging hard en is de angel eruit. Dus ik daag u toch echt uit. Als we het eens zijn dat dit de punten zijn die goed geregeld moeten zijn, zeg gewoon toe dat u aan deze drie punten gaat voldoen.

Minister Ollongren:

Dit zijn de punten die we moeten regelen. Maar ik neem aan dat uw Kamer er ook aan hecht dat u op de vragen die u medio december hebt gesteld, die vooral zien op deze punten, denk ik, gewoon een inhoudelijk antwoord krijgt, met alle feiten zoals ze nu zijn. Ja, daar beschikt u nu niet over.

(…)

Minister Ollongren:

En ik zeg u toe: die komen eraan. Ik verheug me erg op het debat dat we dan aan de hand daarvan met elkaar zullen hebben. Of u vervolgvragen hebt, nogmaals, en hoe u dat wilt inrichten ... Ik kan me echt niet voorstellen dat mevrouw Kluit mij hier op mijn blauwe ogen wil geloven als ik nog een hele stapel antwoorden schuldig ben aan de Eerste Kamer. Maar het zijn de punten en ik wil u overtuigen op die punten, omdat ik denk dat het kan. Ja, die overtuiging heb ik, absoluut.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Dank voor de toezegging dat deze drie punten geregeld gaan worden.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Budgettaire autonomie en vrijheid voor gemeenten (35.570 VII / 35.570 B / 35.570 C) (T03207)

De Minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Koole (PvdA), toe te gaan kijken naar een beter functionerend stelsel, dat meer budgettaire stabiliteit en autonomie geeft voor de gemeente.


Kerngegevens

Nummer T03207
Status voldaan
Datum toezegging 11 mei 2021
Deadline 1 juni 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Prof.dr. R.A. Koole (PvdA)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen autonomie
begrotingen
decentrale overheden
gemeenten
Kamerstukken Begrotingsstaten Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2021 (35.570 VII)
Begrotingsstaat provinciefonds 2021 (35.570 C)
Begrotingsstaat gemeentefonds 2021 (35.570 B)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 36, item 10, blz. 32

De heer Koole (PvdA):

Mijn tweede vraag gaat over het minimumpercentage van 30%, dat ik van mijn collega Elzinga heb geleend. Ik snap de afweging dat dat misschien wel heel rigide is. Tegelijkertijd zegt de minister: ik ben er erg voor dat er een vrij besteedbaar deel van de begroting komt in verband met de autonomie van de gemeente. Kan de minister misschien toezeggen dat er geprobeerd wordt om een manier te vinden waarop dat vrij besteedbare inkomen, en daarmee ook de autonomie van gemeentes, op de een of andere manier beter gewaarborgd is? Misschien is dat niet met een vast percentage, maar wellicht kan het op een andere manier. Zou ze dat willen laten onderzoeken?

Handelingen I 2020-2021, nr. 36, item 10, blz. 31.

De heer Koole (PvdA):

Ik had nog een vraag over extra onderzoek naar die 30%.

Handelingen I 2020-2021, nr. 36, item 10, blz. 32

Minister Ollongren: O ja, sorry. Dat betrof Elzinga, even kort samengevat. De heer Koole en ik kunnen elkaar misschien wel vinden. Ik zei dat het misschien te rigide is, maar het is inderdaad een suggestie, een vorm, om er in ieder geval voor te zorgen dat autonomie gepaard gaat met de ruimte daarvoor. Ik denk inderdaad dat je dan misschien niet moet uitgaan van een bepaald percentage, maar wel van de doelstelling dat bij autonomie hoort dat je die ruimte hebt. En als je dan toch gaat kijken naar de systematiek en het stelsel, dan zou je die gedachte daarin kunnen meenemen. Daarin zou ik de heer Koole wel tegemoet willen komen. We moeten namelijk kijken naar een beter functionerend stelsel, dat meer budgettaire stabiliteit gaat geven voor de gemeente.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Rapportage uitkeringen aan decentrale overheden (35.570 VII / 35.570 B / 35.570 C) (T03208)

De Minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Koole (PvdA), toe een aanvullende integrale rapportage te maken over de trends van alle uitkeringen aan de decentrale overheden en over de gevolgen van die uitkeringen voor de financiële positie van de gemeenten. Tevens zegt zij toe bij de begroting BZK een overzicht toe te voegen van alle rijksuitgaven aan decentrale overheden.


Kerngegevens

Nummer T03208
Status voldaan
Datum toezegging 11 mei 2021
Deadline 1 april 2023
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Prof.dr. R.A. Koole (PvdA)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen rapportage
rijksuitgaven
uitkering decentrale overheden
Kamerstukken Begrotingsstaten Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2021 (35.570 VII)
Begrotingsstaat provinciefonds 2021 (35.570 C)
Begrotingsstaat gemeentefonds 2021 (35.570 B)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 36, item 3, blz. 8.

De heer Koole (PvdA):

En is de regering het met onze fractie eens dat bij eventuele toekomstige decentralisaties eerst de financiële consequenties goed doorgerekend moeten worden door een onafhankelijke instantie alvorens er een definitief besluit valt over die decentralisaties? De Raad van State suggereert het CPB, maar het zou ook een andere onafhankelijke instantie kunnen zijn. En zou er niet bij elke decentralisatie een transitiefonds beschikbaar moeten zijn om de onvermijdelijke initiële extra kosten van de transitie in de eerste jaren op te vangen? En kan de minister — ik volg hierin een suggestie van de Raad van State — in elk geval toezeggen dat er aan de begroting van BZK voor volgend jaar een overzicht wordt toegevoegd van alle rijksuitgaven aan decentrale overheden?

Handelingen I 2020-2021, nr. 36, item 10, blz. 29.

Minister Ollongren:

Om tegemoet te komen aan wat de heer Koole beoogt, zou ik een aanvullende integrale rapportage kunnen maken over de trends van die uitkeringen en over de gevolgen van die uitkeringen voor de financiële positie van de gemeenten

De heer Koole (PvdA):

Ik ben blij met de toezegging dat er aanvullende rapportages komen bij de lijst bij de begroting. De minister heeft toegezegd dat het overzicht van alle rijksuitgaven erbij komt, maar dat er ook een soort aanvullende rapportages komen waarin de trends worden neergezet. Daar ben ik blij mee.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Ondertekening van wetten door minister van BZK (35.570 VII / 35.570 B / 35.570 C) (T03209)

De Minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag opmerking van het lid Koole (PvdA), toe te overwegen of (de vastlegging van de) medeondertekening door de minister van BZK bij wetten die het lokaal en provinciaal openbaar bestuur aangaan, van toegevoegde waarde is.


Kerngegevens

Nummer T03209
Status voldaan
Datum toezegging 11 mei 2021
Deadline 1 mei 2023
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Prof.dr. R.A. Koole (PvdA)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen bevoegdheid vastleggen
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
ondertekening
Kamerstukken Begrotingsstaten Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2021 (35.570 VII)
Begrotingsstaat provinciefonds 2021 (35.570 C)
Begrotingsstaat gemeentefonds 2021 (35.570 B)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 36, item 10, blz. 61.

De heer Koole (PvdA):

Ja, ik heb toch nog een vraag op dit punt. Het antwoord van de minister nu lijkt hetzelfde antwoord te zijn als haar antwoord in de eerste termijn; zo versta ik het althans. De minister zegt dat ze er misschien nog nader over gaat nadenken. De minister zou ... Nu ben ik de lijn van mijn vraag even kwijt.

De voorzitter:

Denkt u er even rustig over na.

De heer Koole (PvdA):

Misschien kan de minister het antwoord dat ze net gaf, zelf nog even geven.

Minister Ollongren:

Volgens mij was de heer Koole ernaar op zoek dat ik zou zeggen: ja, dat gaan we doen. Hij wil dat ik zeg dat het inderdaad belangrijk is dat de minister van BZK voortaan gewoon medeondertekenaar wordt, want daarmee doe je recht aan die adviezen en versterk je zichtbaar, en ook formeel, de positie van de minister van BZK. Ik heb gezegd dat ik me best voor kan stellen dat het in sommige situaties nuttig is, maar dat ik niet weet of het altijd nodig is.

De heer Koole (PvdA):

Precies, nu weet ik het weer. In de eerste termijn heb ik toen gezegd: zou je dan niet sowieso de bevoegdheid van medeondertekenen moeten vastleggen? In de praktijk kan dan blijken of je er ook altijd een beroep op moet doen. Maar laten we het in ieder geval vastleggen voor het geval het een keer nodig zou zijn.

Minister Ollongren:

Ja, oké, dat vind ik een interessant formulering. Laat ik de heer Koole dan toezeggen dat ik op die manier nog eens zal overwegen of dat helpt. Je moet het alleen maar doen als het helpt, anders is het een formaliteit die niks toevoegt. De heer Koole draait het dus eigenlijk om. Ik zeg: zet het in als je zeker weet dat het een toegevoegde waarde heeft. De heer Koole zegt: zorg er nou voor dat je het kúnt doen, en dan kun je er altijd nog voor kiezen om het niet toe te passen. Ja, daar kan ik eigenlijk niet zo heel veel tegen inbrengen. Dus laat ik het dan op die manier weer mee terugnemen en kijken wat het beste zou zijn. En ik zeg nogmaals: het zal vermoedelijk toch pas in een volgend kabinet relevant worden om dit te regelen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Verslagen landelijke regietafels openbaar en verantwoording (35.570 VII / 35.570 B / 35.570 C) (T03212)

De Minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Hattem (PVV), toe na te gaan of de verslagen van de landelijke regietafels, in ieder geval de Landelijke Regietafel Migratie, openbaar zijn en hoe duidelijkheid gecreëerd kan worden voor wat betreft de verantwoording van dergelijke regietafels.


Kerngegevens

Nummer T03212
Status voldaan
Datum toezegging 11 mei 2021
Deadline 1 januari 2023
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden A.W.J.A. van Hattem (PVV)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen openbaarheid
regietafels
verantwoording
verslagen
Kamerstukken Begrotingsstaten Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2021 (35.570 VII)
Begrotingsstaat provinciefonds 2021 (35.570 C)
Begrotingsstaat gemeentefonds 2021 (35.570 B)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 36, item 10, blz. 40-41.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik hoor de minister de landelijke regietafels noemen, althans de Landelijke Regietafel Migratie, waarvan ze zelf voorzitter is. Ik hoor graag van de minister of als zij die regietafel voorzit of erbij betrokken is of mee organiseert, er dan ook wordt nagedacht op welke manier de volksvertegenwoordigers op zowel centraal als decentraal niveau bij die regietafels worden betrokken. Op welke wijze kunnen zij kennisnemen van bijvoorbeeld verslagen, documenten en andere zaken, zodat de transparantie van zulk soort regietafels bevorderd wordt en het niet alleen maar een interne bestuurlijke aangelegenheid blijft? Hoe gaat de minister daarmee om?

Handelingen I 2020-2021, nr. 36, item 10, blz. 41

Minister Ollongren: Dat is natuurlijk een terecht en ook belangrijk punt. Degenen die aan tafel zitten, vertegenwoordigen meestal niet alleen hun eigen gemeente. De vertegenwoordigers zijn over het algemeen wethouders, maar soms ook burgemeesters, gedeputeerden en commissarissen van de Koning, een beetje afhankelijk van het onderwerp waarover we het hebben. Dat betekent dat zij ofwel namens hun koepel aanwezig zijn, dus namens de VNG, ofwel namens hun eigen gemeente of allebei. Dat betekent dat er verschillende kanalen zijn om die democratische verankering te organiseren. Dat kan rechtstreeks zijn. Als iemand bijvoorbeeld zijn eigen gemeente vertegenwoordigt, dan is het gewoon de wethouder die daarover verantwoording aflegt aan de gemeenteraad. Is het voor de VNG, dan is het iets anders. Maar in iedere gemeente waar een wethouder de afvaardiging is voor de VNG, is dat natuurlijk bekend. Op het moment dat jij namens jouw collega-wethouders die een bepaalde portefeuille behartigen in zo'n overleg bent, is dat ook bekend in jouw eigen gemeente. Voor zover ik weet, zijn de verslagen na afloop gewoon openbaar, maar ik zou dat moeten nagaan. Ze worden in ieder geval verspreid onder alle deelnemers en verder is er niks geheims aan, maar ik zal het nog even dubbelchecken voor de heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Dank voor de toezegging om dat te checken. Maar het punt is: dit is de theorie. Ik ben zelf in de unieke gelegenheid om zowel op lokaal niveau, als op provinciaal en in deze Kamer actief te mogen zijn. En op al die niveaus heb ik al gevraagd om zulke verslagen. Ik heb al gevraagd naar de organisatie en transparantie van zulke regietafels. En op elk niveau krijg ik te horen: ja, maar dit ligt bij de rijksoverheid. Of men zegt: dat doet de CdK, en die staat niet onder controle van Provinciale Staten. Of elders krijgen we te horen: ja, maar dat wordt door de wethouder gedaan. En de wethouder stuurt me weer naar ... Ik word dus van het kastje naar de muur gestuurd en het is een heel onduidelijke situatie bij zulke interbestuurlijke overlegtafels. Dus mijn vraag aan de minister is: hoe kan daar een duidelijker complex worden gecreëerd wat betreft verantwoording, controle, en een stukje kaderstelling en sturing, op een manier waardoor de volksvertegenwoordiging daar beter vat en controle op kan krijgen?

Handelingen I 2020-2021, nr. 36, item 10, blz. 41.

Minister Ollongren:

Ik vind het een mooi streven en ik ben voor die transparantie. Het hangt ook een beetje van het specifieke gremium af; laten we daar ook duidelijk over zijn. Dat specifieke gremium moet daar ook een keuze in maken. Ik kies er heel vaak voor om gewoon via de Kamer verantwoording af te leggen. Dat doen we bijvoorbeeld ook bij de Landelijke Regietafel Migratie en Integratie. Na zo'n overleg gaan er gewoon Kamerbrieven uit. Maar ik ben graag bereid om nog eens te kijken hoe dat per overleg is georganiseerd. Soms zal het lopen via de koepelorganisatie, via de VNG, soms zal het rechtstreeks gebeuren. Maar het doel van iedereen is natuurlijk om daar goede besluitvorming met elkaar te realiseren. En om met die besluitvorming ook iets te doen, zul je uiteindelijk natuurlijk ook je volksvertegenwoordiging daarin mee moeten nemen en zul je haar daarover moeten informeren. Anders kan het ook niet..)


Brondocumenten


Historie







Toezegging Ratificatie Conventie 108+ (35.242) (T03247)

De Minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Dittrich (D66) en Nicolaï (PvdD), toe Conventie 108+ te ratificeren en het Rijkswetsvoorstel daartoe na het zomerreces in te dienen.


Kerngegevens

Nummer T03247
Status voldaan
Datum toezegging 8 juni 2021
Deadline 1 juli 2023
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden mr. B.O. Dittrich (D66)
prof. mr. P. Nicolaï (PvdD)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Conventie 108+
rijkswetten
wetsvoorstellen
Kamerstukken Wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (35.242)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 40, item 3, blz. 3.

De heer Nicolaï (PvdD):

Voorzitter. Los van de vraag of de uitspraak in de Big Brother Watch-zaak met zich meebrengt dat aan toezichthouders doorzettingsmacht moet worden toekomen — een vraag waarover de door mij bedoelde deskundigencommissie zich ook zou kunnen buigen — hebben we ook nog de Europese Conventie 108+. Die conventie heeft Nederland nog niet geratificeerd. Kan de minister bevestigen dat de regering gaat voorstellen aan het parlement om Conventie 108+ te ratificeren en op welke termijn kan dat worden verwacht?

Handelingen I 2020-2021, nr. 40, item 8, blz. 8.

De heer Dittrich (D66):

Begrijp ik dan goed dat de ratificatie van 108+ meegenomen wordt in de analyse van hoe het met de recente jurisprudentie is? En de tweede vraag is, daaraan gekoppeld: wanneer kunnen we de ratificatie verwachten?

Minister Ollongren:

Het is heel goed dat de heer Dittrich mij daaraan herinnert, want die vraag moest ik ook nog beantwoorden. We zijn inderdaad gewoon voornemens om het verdrag te ratificeren. Het is een voorstel voor een goedkeuringswet en we zijn er ook al heel ver mee. Die wet had er eigenlijk ook al kunnen zijn, maar het wordt een rijkswet. Dat hadden we aanvankelijk niet gedacht, maar we hebben er toch voor gekozen om er een rijkswet van te maken. Dat betekent dat die goedkeuring moet hebben in het hele Koninkrijk en dat heeft het wat vertraagd. De planning is nu dat we het op de agenda hebben in de eerste Rijksministerraad na het zomerreces. Dat betekent dat de indiening van het wetsvoorstel en de ratificatie dus na de zomer zullen zijn.


Brondocumenten


Historie







Toezegging De Kamer te informeren over de exacte invulling van de dialoogtafels in het kader van het Adviescollege dialooggroep slavernijverleden (35.570 IV) (T03274)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Recourt (PvdA), toe de Kamer te informeren over de exacte invulling van de dialoogtafels in het kader van het Adviescollege dialooggroep slavernijverleden.


Kerngegevens

Nummer T03274
Status voldaan
Datum toezegging 6 april 2021
Deadline 1 juli 2021
Voormalige Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden mr. J. Recourt (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen dialooggroep
slavernijverleden
Kamerstukken Begrotingsstaten Koninkrijksrelaties en BES-fonds 2021 (35.570 IV)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 33, item 7, p.6

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Mijn fractie heeft ook een concreet voorstel op dit punt. Dat voorstel ziet op het meest gevoelige onderdeel van onze relatie: de omstandigheid dat ons Koninkrijk is gebouwd op het racisme en de onderdrukking die eigen zijn aan een koloniaal systeem. Dit beladen verleden speelt impliciet en expliciet tot op de dag van vandaag een rol. Expliciet als we met name van de bestuurders van Sint Maarten het niet-subtiele verwijt krijgen dat we ons gedragen als koloniale en racistische onderdrukkers. Maar ook impliciet in de verhoudingen, in het denken en in het zelfbewustzijn, in het niet nemen van verantwoordelijkheid voor fouten die zijn gemaakt, ook niet voor fouten die zijn gemaakt in een veel verder verleden.

Voorzitter. Laten we onderzoeken welke belemmeringen er bestaan in de samenwerking die voortkomen uit het koloniale verleden, in Nederland en in de drie overige landen van ons Koninkrijk, ieder op hun eigen manier. Dit onderzoek kan het best worden uitgevoerd door een niet bij het Koninkrijk betrokken onderzoeker. Het perspectief van een buitenstaander kan ons wijzen op eventuele blinde vlekken. Je weet niet wat je niet ziet. Daarbij ben ik geïnspireerd door het boek Revolusi van de Belg Van Reybrouck, over de onafhankelijkheid van Indonesië.

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.41-42

Knops:

De heer Recourt heeft ook gevraagd of ik bereid ben om te bekijken in hoeverre er op dit moment belemmeringen bestaan in de relatie met de landen die voortkomen uit het koloniale verleden. Hij vroeg aan mij ook om dat onderzoek voor te bereiden en te financieren. Zoals u weet, is vorig jaar het Adviescollege dialooggroep slavernijverleden ingesteld. Dat heeft de taak, de dialoog vorm te geven over het slavernijverleden en over de doorwerking daarvan, gericht op de Nederlandse samenleving en het Caribische deel van het Koninkrijk. Ik zou de resultaten van die dialooggroep eerst eens willen afwachten. Dat adviescollege gaat natuurlijk met iets komen dat wellicht de basis zou kunnen zijn voor het verzoek van de heer Recourt. Maar ik kan op dit moment niet overzien wat de omvang en de reikwijdte daarvan is. Ik zie op dit moment dan ook geen toegevoegde waarde in het opstarten van een separaat onderzoek, zoals de heer Recourt vraagt. En het lijkt mij ook niet dat ik daarover nu een positief oordeel zou moeten geven, gezien de status waarin het kabinet nu verkeert en gezien die achtergrond van de dialooggroep.

De heer Recourt (PvdA):

Ik ken de opdracht van de dialooggroep niet. Ik kan me zo voorstellen dat de vraag van mijn fractie daar niet toe behoort. Maar goed, ik snap de positie van de staatssecretaris ook wel. Dat kan een opstapje zijn. Achtergrond van mijn vraag is vooral om dat gesprek aan te gaan, want dit is echt een roze olifant in de kamer. Laat ik het op mezelf betrekken: ík ben anders gaan denken over het koloniale verleden en hoe wij daar in staan. Ik ben bij mezelf nagegaan: wat neem ík daar nou van mee? Ik denk dat dat een proces is van deze tijd. Ik denk dat ik hierin niet alleen sta, want ik ben een kind van mijn tijd. Dus ik vraag de staatssecretaris in ieder geval om waar hij dat tegenkomt, dat ook niet uit de weg te gaan en dat gesprek te stimuleren.

Knops:

Dat laatste mag u van mij verwachten. Ik zei aan het begin van mijn inleiding dat ik blanco, of neutraal eigenlijk, in het Koninkrijksdossier gestapt ben, zonder enig vooroordeel of vooringenomenheid of wat dan ook. Achteraf beschouw ik het als een cadeau dat ik dit mocht doen. Toen ik het kreeg, had ik geen idee van wat het zou inhouden. Ik ben erin gedoken en ik heb vooral met heel veel mensen gesproken en mensen leren kennen, 8.000 kilometer verder, die vanuit een totaal andere historie redeneren soms. Wat mij opvalt, als je het gesprek aangaat, als je vanuit respect met elkaar daarover spreekt, is dat heel veel bespreekbaar is. Dus de vraag is — maar goed, misschien loop ik al vooruit op uw onderzoeksvraag en op de antwoorden die daaruit zouden moeten komen — of het echte probleem is dat we elkaar niet begrijpen of dat soms ook om politieke redenen dit onderwerp wordt ingezet.

In de contacten die ik heb met mijn counterparts — dat klinkt zo negatief, want ik beschouw ze niet als counterparts; er zijn mensen bij die ik inmiddels beschouw als vrienden — en die ik de afgelopen jaren vanuit hun verantwoordelijkheid bezig heb gezien om de eilanden verder te ontwikkelen, heb ik heel open gesprekken hierover gehad. Die zijn verrijkend, want ook ik ben achter dingen gekomen die ik daarvoor nog niet kende. Ik heb het nooit als een hindernis of een sta-in-de-weg of een belemmering, zoals u zei, ervaren in de contacten. Ik heb wel gezien dat mensen die ik niet kende bijvoorbeeld dit punt opwierpen, maar bij de mensen met wie je de gesprekken hebt, die je ook persoonlijk leert kennen en bij wie je op een gegeven moment ziet wat je gemeenschappelijke drijfveer is, speelt dat veel minder. Dus onbekend maakt onbemind, ook in dezen, maar dat is slechts mijn persoonlijke ervaring.

De heer Recourt (PvdA):

Maar juist om te kunnen inschatten of de verwijten die soms komen terecht of onterecht zijn — soms denk ik ook: dat is volkomen onterecht — moet je er dieper in duiken. Maar goed, ik heb gezegd: we wachten even af. Dan wel de vervolgvraag: weet u wanneer die … Hoe heette die groep alweer? Dat ben ik nu even vergeten.

Knops:

Adviescollege dialooggroep slavernijverleden.

De heer Recourt (PvdA):

Kijk! Wanneer komen die met een rapport?

Knops:

Dat ga ik even voor u na. Daar krijgt u in tweede termijn een antwoord op. Die is ingesteld onder verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ik ga dat even na.

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.48

De heer Recourt (PvdA):

Het tweede geldt voor de relatie. Daar heb ik met name aandacht gevraagd voor dat lelijke verleden dat "kolonialisme" heet; en kolonialisme, dat is uitbuiting en racisme. En dat is een debat dat niet alleen individueel gevoerd moet worden, maar ook structureel. Dus ik zal daar nog wel een paar keer op terugkomen, omdat ik echt denk dat dat binnen ons Koninkrijk zoals dat nu is nog te weinig aan de orde is geweest op een manier die ... Nou ja, we spreken hier, we hebben het erover gehad, we zitten hier in de senaat, we zijn hier niet in een café of thuis of weet ik wat, maar het is een officieel huis. En datzelfde geldt voor de relaties tussen de landen: ook daar moet dat aan de orde zijn. Maar de eerste stap... Afwachten wat dat rapport doet. Ik hoor straks nog wanneer dat rapport komt en op welke manier het Koninkrijk daarin betrokken is. En ik begrijp dat het alleen over racisme gaat; kolonialisme is natuurlijk nog wel iets meer dan dat. Maar goed, die eerste stap is gezet en ook dat gaan we gewoon de komende jaren verder zetten en verder duwen. Dus ook daar dank voor.

Handelingen I 2020-2021, nr.33, item 7, p.53

Knops:

De heer Recourt heeft nogmaals een pleidooi gehouden om eens na te denken over het Statuut — daar heb ik in eerste termijn al iets over gezegd — en de relatie en de samenwerking. Hij noemde in dat kader de dialoog slavernijverleden. Die zit hier ook ergens tussen. Het spijt me, voorzitter. Ik had gewoon even moeten vragen om een schorsing.

De voorzitter:

Dat kan alsnog, als u dat wenst.

Knops:

Nu ligt alles door elkaar, maar het komt goed. Het worden er steeds minder. Dat is een dialooggroep die in 2021 een rapport zou opleveren. Dat was voorzien voor 1 mei 2021, maar dat wordt nu voor het zomerreces verwacht. Er vinden ook gesprekstafels plaats in de Caribische delen van het Koninkrijk. De dialooggroep zal eigen keuzes maken over de exacte invulling van die gesprekstafels. Dus voor het zomerreces wordt u daarover bericht.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Met de landen in gesprek te treden over de uitvoering van de Eerste Kamermotie-De Graaf en de Tweede Kamermotie-Van Raak inzake de verantwoordelijkheidsverdeling binnen het Koninkrijk der Nederlanden (35.570 IV) (T03275)

De staatsecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Gerkens (SP), toe in gesprek te treden met de Caribische Landen van het Koninkrijk over de uitvoering van de Eerste Kamermotie-De Graaf en de Tweede Kamermotie-Van Raak inzake de verantwoordelijkheidsverdeling binnen het Koninkrijk der Nederlanden.


Kerngegevens

Nummer T03275
Status openstaand
Datum toezegging 6 april 2021
Deadline 31 december 2025
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden A.M.V. Gerkens (SP)
Commissie commissie voor Koninkrijksrelaties (KOREL)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Koninkrijk
verantwoordelijkheidsverdeling
Kamerstukken Begrotingsstaten Koninkrijksrelaties en BES-fonds 2021 (35.570 IV)


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 33, item 7, p.4

Mevrouw Gerkens (SP):

Dan iets anders. Nederland is dankzij het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden verantwoordelijk voor een onduidelijke waslijst aan zaken in de landen. Dat leidt volgens onze fractie tot onduidelijkheid, ongelijkwaardigheid en ruzie. Dat is de reden waarom mijn partij aan de overkant in 2019 een motie indiende waarin wij vroegen om een gezamenlijk overleg, om meer duidelijke invulling te geven aan de taken van de landen afzonderlijk en van het Koninkrijk als geheel. Op 2 oktober 2019 heeft de staatssecretaris aan de Eerste Kamer toegezegd invulling te geven aan de motie-De Graaf uit 2016 door de motie-Van Raak uit 2019 uit te voeren. Hoe staat het nu met deze invulling? Daarna was er de motie-Van Raak van vorig jaar, die aan alle landen vraagt om een visie te geven op het Koninkrijk en aan te geven wie verantwoordelijk is voor wat. Hoe staat het met de uitvoering van die moties?

Handelingen I 2020-2021, nr. 33, item 7, p.30-31

Knops:

Daarmee kom ik meteen op die positie van de coördinerend staatssecretaris. Daarover is natuurlijk ook in het verleden al het een en ander gezegd. Ik heb het geluk gehad dat ik veel collega's in het kabinet had die ontvankelijk waren voor mijn observaties na mijn eerste bezoeken, toen ik daar was, en toen ik zei: er moet echt iets gebeuren. Ik noem eerst Tamara van Ark, maar na haar zijn er anderen gevolgd. Ik zou een nieuw kabinet toewensen dat men dat misschien nog wat sterker verankert, om te voorkomen dat de mensen op de eilanden met "de torens van Van Raak" geconfronteerd worden. Laat ik de ministeries in Den Haag zo maar even noemen. De heer Van Raak van de SP had het daar altijd heel beeldend over. Waar is mevrouw Gerkens? O, ze zit daar. De heer Van Raak heeft, vind ik, wel een beetje gelijk als hij het heeft over " die torens in Den Haag". We hebben dus geprobeerd om een soort "eenloketfunctie" te maken, met een stuurgroep en zo. Dat is dus echt wel vebeterd, maar er zou nog een slag overheen kunnen, niet in de laatste plaats door het IBO-rapport waar de heer Recourt niet over wilde spreken. Maar daarmee doet hij zichzelf onrecht aan, want de heer Recourt was daar voorzitter van. In dat rapport worden echt een aantal concrete handreikingen gedaan om het de mensen op de eilanden beter te laten gaan en om die overbodige bureaucratie weg te halen.

Het ongevraagde advies van de Raad van State van toen, en het IBO-rapport gaan op een heel concrete manier in op de vraag hoe je die verhoudingen kunt veranderen. Ook op dat vlak is toen in 2010 de keuze gemaakt om het op een bepaalde manier te organiseren, met alle goede bedoelingen. Maar na tien jaar is het echt wel tijd om eens te kijken naar wat er anders kan, en vooral naar wat er beter kan.

En soms gaat het gewoon ook heel plat om muntjes, om geld. Met de VNG hebben we natuurlijk vaak de discussie over de vraag of gemeenten voldoende middelen uit het Gemeentefonds krijgen. Ik weet één ding zeker: de eilanden hebben op dit moment structureel te weinig ruimte in die vrije uitkering. We hebben dat continu incidenteel bijgeplust. Nou, ik begeef me een beetje op glad ijs door hier nu allerlei wensenlijstjes te gaan voorlezen, maar ik zou zeggen: aan die vrije uitkering moet echt wat gebeuren door een nieuw kabinet. Dat moet anders geregeld worden. Daarbij raken we ook aan de positie van de Rijksvertegenwoordiger.

Ik ben overigens best positief, ik ben eigenlijk heel positie over wat we de afgelopen jaren op de BES-eilanden hebben bereikt. Dat heeft voor een deel te maken met het feit dat de departementen, zoals VWS en OCW, gewoon hun dingen daar op een goede manier doen, zodat er voor de bestuurders daar minder verantwoordelijkheden zijn dan in de autonome landen. Dus kleinschaligheid is soms ook een voordeel. Maar beste mensen, het is heel ver weg en als je een orkaan over je dak krijgt, dan kun je dat echt niet allemaal zelf betalen. Dus dat heeft dit kabinet ook moeten doen om ervoor te zorgen dat die eilanden kunnen functioneren, maar ik ben echt onder de indruk van de veerkracht, maar ook van de bestuurskracht van de eilanden.

Handelingen I 2020-2021, nr. 33, item 7, p.47

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik mis in de beantwoording ook hoe de staatssecretaris kijkt naar het idee om samen met de bewoners invulling te gaan geven aan de taak- en rolverdeling in het Koninkrijk. Ik verwees hierbij naar de moties van de leden De Graaf en Van Raak. Misschien heb ik het gemist, maar volgens mij heb ik daar geen reactie op gehad. Ik besef terdege dat de staatssecretaris demissionair is, maar hij kan natuurlijk een richtlijn meegeven in een overdrachtsdossier, als dat er komt, want we weten natuurlijk niet hoe de toekomst eruitziet. Ik heb daarom ook de motie van de heer Rosenmöller gesteund.

Handelingen I 2020-2021, nr. 33, item 7, p.54

Knops:

Mevrouw Gerkens vroeg hoe het stond met de invulling van de motie-Van Raak over de verantwoordelijkheidsverdeling. Volgens mij heb ik die vraag al beantwoord in eerste termijn. In het najaar van 2019 heb ik met de premiers van de landen overleg gehad. De landen hebben positief gereageerd op het verzoek om daarover in gesprek te gaan, maar vanwege corona is dat nog niet gelukt. Hopelijk kunnen we rond de zomer met een werkgroep van start gaan. Dat is natuurlijk ook afhankelijk van een aantal zaken. Zo zijn er nu ook weer verkiezingen in Aruba. Zo is er altijd wat. Ook wij hebben natuurlijk verkiezingen gehad. Die waren wel gepland, maar die in Aruba niet, althans: ze waren niet voor juni gepland maar oorspronkelijk voor september. Ik weet niet in hoeverre dat invloed zal gaan hebben, maar er wordt uitvoering gegeven aan deze motie. Dat zeg ik u toe.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Inventarisatie van het Rijksvastgoedbedrijf naar de mogelijke locaties om statushouders of vergunninghouders op te vangen (35.925 VII) (T03355)

De Minister van VRO zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Hattem (PVV), toe de Kamer medio 2022 te informeren over de inventarisatie van het Rijksvastgoedbedrijf naar de mogelijke locaties om statushouders of vergunninghouders op te vangen.


Kerngegevens

Nummer T03355
Status voldaan
Datum toezegging 21 december 2021
Deadline 1 juli 2022
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden A.W.J.A. van Hattem (PVV)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen inventarisatie
Rijksvastgoedbedrijf
statushouders
vergunninghouders
Kamerstukken Begrotingsstaten Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2022 (35.925 VII)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 12, item 4, blz. 3.

De heer Van Hattem (PVV):

Verder heeft het Rijksvastgoedbedrijf met het COA locaties in eigendom geïnventariseerd die met spoed gereedgemaakt kunnen worden voor tijdelijke bewoning door vergunninghouders. Ook heeft het Rijksvastgoedbedrijf met het COA, het ministerie van Defensie, Aedes, de branchevereniging voor woningcorporaties, en commerciële partijen zoals Koninklijke Horeca Nederland en bouwbedrijven in bredere zin bestaand vastgoed geïnventariseerd dat eenvoudig geschikt kan worden gemaakt voor tijdelijke bewoning door statushouders. Is de minister bereid om deze inventarisaties ook beschikbaar te stellen aan het parlement? Zijn de gemeenteraden waar deze ontwikkelingen voorzien zijn, aan de voorkant op de hoogte gebracht van deze plannen? Zo nee, waarom wordt de lokale democratie hierover niet geïnformeerd? Welke mogelijke rechtsmiddelen kunnen omwonenden nog inzetten tegen zo'n tijdelijke inzet voor huisvesting voor statushouders? Graag een reactie van de minister.

Handelingen I 2021/22, nr. 12, item 4, blz. 9.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik heb toch nog een openstaande vraag die niet beantwoord is door de minister. Ik overweeg in tweede termijn daarover een motie in te dienen als daar geen duidelijk antwoord op komt. Ik had gevraagd naar de inventarisatie die het Rijksvastgoedbedrijf, dat onder de portefeuille van deze minister valt, heeft gedaan naar de mogelijke locaties om statushouders of vergunninghouders op te vangen. Is de minister bereid om die inventarisatie te verstrekken? In hoeverre zijn de gemeenteraden van de betreffende gemeenten waar eventueel locaties voorzien zijn op de hoogte gesteld?

Minister Ollongren:

Excuses, die ben ik inderdaad vergeten. Het Rijksvastgoedbedrijf is nog volop bezig — dat doen ze in nauw overleg met de gemeenten — om geschikte locaties te vinden. Dat is een zorgvuldig proces en dat gaat ook echt in overleg met de gemeenten. Ik kan deze Kamer toezeggen dat zij daarover zal worden geïnformeerd, maar dat zal medio volgend jaar zijn.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Amendementsrecht (35.979) (T03357)

De minister van VWS zal, naar aanleiding van een vraag van het lid Nicolaï (PvdD), de bewindspersonen van BZK en JenV verzoeken de Kamer schriftelijk te informeren over het amendementsrecht in relatie tot de grondwetsgeschiedenis.


Kerngegevens

Nummer T03357
Status voldaan
Datum toezegging 21 februari 2022
Deadline 1 juli 2022
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden prof. mr. P. Nicolaï (PvdD)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen amendementen
recht van amendement
staatsrecht
Kamerstukken Wet wijziging verlengingssystematiek en goedkeuring vierde verlenging geldingsduur Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (35.979)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 18, item 6, p. 8

Minister Kuipers:

Dan kom ik op de vraag van de heer Nicolaï: de minister acht het kennelijk mogelijk om het recht van amendement te gebruiken om een andere wet te wijzigen; kan hij aangeven op welke passages uit de grondwetsgeschiedenis hij zich beroept? Even ter inleiding. De heer Nicolaï ging uitgebreid in op de reikwijdte van het recht van amendement van de Tweede Kamer. Ik stel voorop, en ik vraag er begrip voor van de heer Nicolaï, dat ik als vakminister van VWS niet de meest geëigende bewindspersoon ben om hierover, staatrechtelijke verandering, discussie te voeren. Dat is bij uitstek het domein van mijn collega's voor Rechtsbescherming en van BZK. In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik enkele vragen hierover beantwoord. Dat gaat dan onder andere over de vraag over de heer Nicolaï naar de grondwetsgeschiedenis. Men geeft mij aan dat nergens in die parlementaire geschiedenis iets te vinden is wat steun biedt voor de redenering van de heer Nicolaï dat er beperkingen zijn aan het amendementsrecht.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik ben het met de minister eens dat we nu niet met hem een staatsrechtelijke discussie moeten voeren. Mijn vraag was ook, en daar komt u waarschijnlijk nog op, of dan misschien die discussie in een brief of iets anders nog een keer zou kunnen worden voortgezet. Want het is wel zo dat ik een antwoord heb gekregen van deze minister, en dat antwoord is naar mijn gevoel redelijk hard. Ik vraag me dan af of daar, bij wijze van spreken, met Grondwetszaken over is gediscussieerd enzovoort. Ik wil dat eigenlijk nog een beetje openhouden, want in mijn idee moeten we niet een precedent scheppen omdat nu in de nota naar aanleiding van het verslag een zin is gekomen die eigenlijk de hele wetgeving en alles betreft. Dus dat was een beetje mijn punt.

En het tweede is dat de suggestie in het antwoord was dat uit de geschiedenis van de Grondwet eigenlijk kon worden afgeleid dat ik geen gelijk had. Maar wat de minister nu zegt, is: nee, er kan eigenlijk niks uit worden afgeleid. Nou, dat was ook precies mijn idee, en van mijn hooggeleerde vrienden ook: je kan er helemaal niks uit afleiden. Dat was ook waarom ik u als juridische leek de tekst nog even heb voorgelezen. En ik ben nog steeds benieuwd naar wat u van die tekst vindt.

Minister Kuipers:

Ik wil daar graag in een schriftelijke respons op terugkomen, met dank voor het begrip van de heer Nicolaï.

Handelingen I 2021/22, nr. 18, item 6, p. 19

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik dank de minister voor de beantwoording. Ik wil nog even checken of ik het bij de kwestie van de amendering en de gevolgen daarvan goed begrepen heb dat de minister zegt: als daar behoefte aan is, zorg ik ervoor dat daar nog eens wat dieper op wordt ingegaan. Ik neem aan dat dan niet de medicus dat voor zijn rekening neemt, maar dat dat waarschijnlijk bij BZK terechtkomt. Ik hoor graag even precies hoe het zit. Ik had een motie voorbereid, maar als dat zo is, hoeft die niet te worden ingediend.

Handelingen I 2021/22, nr. 18, item 6, p. 22

Minister Kuipers:

Dan de vraag van de heer Nicolaï. Ja, het klopt. Ik speel 'm heel graag door naar mijn collega's van BZK en JenV met het verzoek of zij daar separaat op willen antwoorden.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Aansluitplan voor PLOOI (33.328/35.112) (T03360)

De minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Gerkens, toe de Kamer, eind 2021 dan wel begin 2022, te informeren over het aansluitplan voor PLOOI en de verschillende organisaties daarbij.

Deze toezegging wordt telkens in samenhang met toezegging T03362 behandeld.


Kerngegevens

Nummer T03360
Status deels voldaan
Datum toezegging 28 september 2021
Deadline 1 januari 2027
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden A.M.V. Gerkens (SP)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen aansluitplan
strategie
PLOOI
Kamerstukken Novelle Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid (35.112)
Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid (33.328)


Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 63

Mevrouw Gerkens (SP): Dank u wel, voorzitter. Dank voor de antwoorden van de drie personen daar, achter de tafel. Dank ook voor de toezegging dat er hard wordt gewerkt aan een aansluitstrategie. Mijn vraag aan de minister is of zij dat plan voor die aansluitstrategie of ten minste een brief daarover wil sturen naar deze Kamer wanneer deze fase is afgerond.

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 69

Minister Ollongren:

Een aantal sprekers hebben geen vragen aan mij gesteld, maar ik heb wel goed naar hen geluisterd. Mevrouw Gerkens heeft wel een vraag gesteld. Ik zeg graag toe dat ik de Eerste Kamer zal informeren over het aansluitplan voor PLOOI en de verschillende organisaties daarbij. Ik heb gezegd dat we dat dit jaar afronden. Ik hoop dat het lukt om de Kamer nog dit jaar te informeren. Anders wordt het begin volgend jaar. Er wordt nu heel hard aan gewerkt.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Belemmeringen Verdrag van Tromsø in kaart brengen (33.328/35.112) (T03361)

De Minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Ganzevoort, toe de belemmeringen voor het Verdrag van Tromsø in kaart te brengen en dit in het voorjaar van 2022 gereed te hebben.


Kerngegevens

Nummer T03361
Status deels voldaan
Datum toezegging 28 september 2021
Deadline 1 juli 2025
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Prof.dr. R.R. Ganzevoort (GroenLinks)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen belemmeringen
Verdrag van Tromsø
Kamerstukken Novelle Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid (35.112)
Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid (33.328)


Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 1

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Concreet is dan natuurlijk de vraag op welke punten de Wet open overheid nog zal moeten worden bijgesteld om aan Tromsø te voldoen. We begrijpen dat het in elk geval gaat om de absolute weigeringsgrond voor concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens en om de uitzonderingsgrond onevenredige benadeling. We snappen natuurlijk dat zulke afwijkingen van Tromsø het gevolg kunnen zijn van het politieke proces van amendering van de wet die nu voorligt. We zullen hier moeten stemmen over de voorliggende wet en maken dat niet afhankelijk daarvan. Maar mijn vraag is wel: zijn er nu dwingende, juridische redenen waardoor we op deze punten van Tromsø moeten afwijken? Anders gezegd: wanneer we het verdrag zouden ondertekenen, kunnen we dan deze wet alsnog in overeenstemming brengen met het verdrag of stuit dat op problemen? En — dat is een wetstechnische vraag aan de regering — komt de rechtsgeldigheid van de Woo in gevaar als we Tromsø zouden ondertekenen en ratificeren? Graag wat meer advies van de regering op dat punt. Ik sluit dit onderdeeltje af met een verzoek. Is de regering bereid om na invoering van de Wet open overheid te onderzoeken of wel vervolgstappen nodig zijn om te voldoen aan de standaarden van de Tromsø Conventie en de uitkomst daarvan binnen een jaar met de Kamers te delen, zodat het gesprek over eventuele toetreding verder kan worden gebracht? Dat is mijn eerste vraag.

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 55

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik zou net één stap verder willen gaan. We weten dat er nog discrepanties zijn. Er zijn vandaag al een paar punten van de wet genoemd die volgens de verdedigers zouden moeten worden aangepast als we het Verdrag van Tromsø zouden ondertekenen. Maar de vraag welke belemmeringen er zijn om het Verdrag van Tromsø überhaupt te ondertekenen en te ratificeren, kunnen we toch zakelijk stellen en onderzoeken? De vraag die ik zou willen stellen aan de minister is of zij bereid is om toe te zeggen dat ze wil verkennen welke belemmeringen er zijn om het verdrag te ondertekenen of te ratificeren, en of ze ons daarover wil informeren.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Dank, dat waardeer ik heel erg. Misschien is het ook goed als we daar … Dat is niet zo heel erg veel werk volgens mij. Is een termijn van zes maanden realistisch?

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 67

Minister Ollongren:

Dan de derde vraag van de heer Ganzevoort. Hij herinnerde mij nog even aan de vraag die hij mij in eerste termijn had gesteld. Ik heb gezegd dat wij voor het Verdrag van Tromsø de belemmeringen in kaart brengen. Ik denk inderdaad dat de termijn die de heer Ganzevoort schetste, haalbaar is. Ik zeg de Kamer toe dat ik zal zorgen — ik ga dat nu in ieder geval in gang zetten — dat dat in het voorjaar van volgend jaar gereed is. Dat correspondeert ongeveer met die zes maanden.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Gefaseerde inwerkingtreding van de actieve openbaarmaking (33.328/35.112) (T03362)

De minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Backer (D66), toe de Kamer te informeren over de gefaseerde inwerkingtreding van de actieve openbaarmaking.

Deze toezegging wordt telkens in samenhang met toezegging T03360 behandeld.


Kerngegevens

Nummer T03362
Status deels voldaan
Datum toezegging 28 september 2021
Deadline 31 december 2025
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Jhr.mr. J.P. Backer (D66)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen actieve openbaarmaking
gefaseerde inwerkingtreding
Kamerstukken Novelle Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid (35.112)
Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid (33.328)


Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 49-50

De heer Backer (D66):

Even vanuit de wetgevingstechniek of het mechanisme. Er staat eigenlijk heel vaak dat er op enig tijdstip een deel van de wet alsnog in werking treedt. Nu begrijp ik uit de discussie dat er geen automatisme in zit. Ik heb het over de actieve openbaarmaking. Maar wat is nou het triggerpoint? Ik las bij de voorbereiding in de stukken dat de heer Van Weyenberg een keer over vier jaar sprak. Maar ik begrijp dat het niet aan tijd gebonden is. Het is veel meer functioneel gebonden: is men er klaar voor? Hoe werkt dat dan? Wie rapporteert er? Is dat de adviescommissie? Is het de minister die aan de Tweede Kamer rapporteert en zegt: nu zijn we zover? Ik wil er even iets meer gevoel voor krijgen.

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 50

Minister Ollongren:

Zoals ik het voor mij zie, maken we samen met de koepelorganisaties een plan. Daar zijn we al mee in overleg. Dat platform wordt tegelijkertijd doorontwikkeld. We hebben dan een plan en dan kunnen we gefaseerd afspreken wanneer wat in werking treedt, zoals het in de wet staat. Ik denk dat het meest logische is als de minister daarover rapporteert aan de Kamer, zodat de Kamer inzicht heeft in het plan en of het netjes op die manier wordt uitgevoerd. Ik meen dat er bij die gefaseerde inwerkingtreding iedere keer als er een volgende fase ingaat een KB hoort. Laat me dat nog even wetstechnisch checken. Dat lijkt me de manier om dit te doen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Onderzoek naar ratificatie verdrag van Tromsø (33.328/35.112) (T03364)

De Minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Koole, toe onderzoek te starten naar het al dan niet ratificeren van het Verdrag van Tromsø.


Kerngegevens

Nummer T03364
Status openstaand
Datum toezegging 28 september 2021
Deadline 1 juli 2025
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Prof.dr. R.A. Koole (PvdA)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen onderzoek
ratificatie
Verdrag van Tromsø
Kamerstukken Novelle Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid (35.112)
Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid (33.328)


Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 55

De heer Koole (PvdA):

De minister kan op dit moment geen tegenstrijdigheden uitsluiten. Ze zegt: het is aan een volgend kabinet om daarnaar te kijken, maar daar is ook onderzoek voor nodig. De minister had het in een eerdere fase over ander internationaal vergelijkend rechtsonderzoek. Heeft zij twee verschillende onderzoeken op het oog? Een demissionair kabinet kan wel alvast een onderzoek laten starten, zodat het volgende kabinet de resultaten daarvan kan gebruiken om een eigen afweging te maken.

Minister Ollongren:

In mijn beleving zijn het twee verschillende dingen. Het eerste is een feitelijk en wetenschappelijk internationaal vergelijkend onderzoek. Dit onderzoek heeft een specifiek doel dat ook politiek-bestuurlijk relevant is, namelijk: zouden we het verdrag kunnen ratificeren, ja dan wel nee? Omdat die vraag natuurlijk schuilgaat achter het onderzoek hebben wij als kabinet geoordeeld dat het aan een volgend kabinet is om dat in gang te zetten en om daarna te besluiten of het dat verdrag al dan niet zou willen ratificeren.

De heer Koole (PvdA):

Kan de minister nu nog geen enkele indicatie geven van de problemen die er op dit moment zijn waardoor het Verdrag van Tromsø niet kan worden ondertekend? Ik heb daar ook om gevraagd in mijn bijdrage.

Minister Ollongren:

Ik gaf een voorbeeld: bedrijfsgevoelige informatie. In de wetenschappelijke literatuur zijn aandachtspunten genoemd. Vanuit de ambtelijke organisaties is ons meegegeven dat dat echt nadere studie vereist. De ambtelijke bevindingen liggen klaar, dus een volgend kabinet kan zich daar snel mee bedienen. Maar er zijn wel een paar haken en ogen waardoor we denken dat het verstandig is om nader onderzoek te doen alvorens we die afweging maken.

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 55

De heer Koole (PvdA):

Ik heb tot slot de vraag of dit huidige demissionaire kabinet dat onderzoek niet alvast kan laten starten, waardoor een volgend kabinet daar zijn voordeel mee kan doen.

Minister Ollongren:

Laten we het als volgt doen. Als je alvast wat voorbereidend werk kunt doen, dan moet je dat natuurlijk niet laten. Datgene wat al bekend is, kunnen we ambtelijk op een rijtje laten zetten zodat we alvast het voorwerk hebben gedaan dat nodig is mocht het nieuwe kabinet zeggen: wij zouden graag willen weten of we het verdrag al dan niet kunnen ratificeren.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Wetswijzigingen op het punt van Waterschappen in artikel 5.2 derde lid Woo (33.328/35.112) (T03366)

De Minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Koole, toe de wet te wijzigen zodat ook waterschappen onder artikel 5.2, derde lid, Wet open overheid vallen, zodra zich daartoe een gelegenheid voordoet.


Kerngegevens

Nummer T03366
Status voldaan
Datum toezegging 28 september 2021
Deadline 1 januari 2025
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Prof.dr. R.A. Koole (PvdA)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen amendementen
evaluaties
waterschappen
wetswijziging
Kamerstukken Novelle Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid (35.112)
Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid (33.328)


Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 7

De heer Koole (PvdA):

Het is bovendien vreemd dat in de opsomming in het derde lid van dat artikel 5.2 de waterschappen niet zijn genoemd. In antwoord op een vraag hierover zeggen de initiatiefnemers geen goede reden te zien om de waterschappen niet op te nemen, maar ja, dat is nu eenmaal niet gebeurd. Daarom hebben we de minister gevraagd om na mogelijke aanname van dit wetsvoorstel een wijziging voor te bereiden die de waterschappen ook opneemt in artikel 5.2, derde lid. Het antwoord van de minister bevreemdt nogal. De strekking van dat derde lid is dat de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de formele bestuurlijke besluitvorming transparant moeten zijn en dat dit in het bijzonder geldt voor bestuursorganen die politiek verantwoording afleggen aan de democratisch verkozen organen over beleid en wetgeving, aldus de minister. So far, so good. Maar dan vervolgt de minister: "Die overwegingen spelen in mindere mate een rol bij waterschappen." Nu breekt mijn klomp, zou ik bijna willen zeggen. In tijden waarin de waterschappen ook zelf vinden dat hun belang vooral door de klimaatcrisis is toegenomen en zij al een kwarteeuw beschikken over democratisch verkozen organen is er toch geen enkele reden om de waterschappen niet op te nemen in dat artikel 5.2, lid 3? Dus vraag ik de minister of zij het met de indieners eens is dat er geen goede reden is om de waterschappen niet op te nemen. En kan zij alsnog toezeggen om na de mogelijke aanname van dit wetsvoorstel een wijziging voor te bereiden die de waterschappen ook opneemt in artikel 5.2, lid 3?

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 52

Minister Ollongren:

De waterschappen vallen ook gewoon onder de Woo, geen misverstand daarover. Maar ze vallen niet onder dat specifieke onderdeel dat er via het amendement in is gekomen. Ik denk dat het in het grote geheel echt een klein accentverschil is. Ik heb niet de neiging om dat nu meteen te gaan repareren door een wetswijziging. Op een gegeven moment wordt de wet geëvalueerd en dat leidt vermoedelijk nog tot verbeteringen en aanpassingen. Dat zou misschien een goed moment zijn om dit onderdeel te corrigeren.

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 52

De heer Koole (PvdA):

Ik dank de minister dat zij over het belangrijke onderwerp van de waterschappen ook spreekt. Ik begrijp dat de minister zegt niet geneigd te zijn dit gelijk na aanname van de wet te repareren. Maar kan de minister misschien toezeggen dat, als de wet om andere redenen toch wordt aangepast, dit element ook zal worden meegenomen?

Handelingen I 2021-2022, nr. 1, item 11, blz. 52

Minister Ollongren:

Laten we dat afspreken. Ik suggereerde al dat te doen bij de evaluatie, maar er zou wellicht al een eerder moment kunnen zijn. Ik wil graag zeggen wat de heer Koole suggereert, namelijk dat we dit doen zodra zich daartoe een gelegenheid voordoet. Dat lijkt mij verstandig.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Bevoegdheidsverdeling kwaliteitsborger en bevoegd gezag (34.453) (T03368)

De Minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Crone (PvdA), toe haar schriftelijk te informeren over de bevoegdheidsverdeling tussen het bevoegd gezag en de kwaliteitsborger.


Kerngegevens

Nummer T03368
Status voldaan
Datum toezegging 9 november 2021
Deadline 1 juli 2022
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden drs. F.J.M. Crone (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Mondeling overleg
Categorie brief/nota
Onderwerpen bevoegd gezag
bevoegheidsverdeling
kwaliteitsborger
Kamerstukken Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (34.453)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2021/22, 34453, Z, p. 5-6

De heer Crone (PvdA):

Het borgen van de kwaliteit helpt de aannemer maar vooral de vergunningvrager om een betere kwaliteit te krijgen. Dat willen we allemaal. Maar het komt niet in de plaats ván. Ik zie in de stukken dat dit onduidelijk is. In het laatste antwoord dat we in september hebben gekregen, staat op de ene pagina dat de gemeente de stukken van de kwaliteitsborger alleen maar procedureel mag beoordelen, dus of het dossier compleet is. Maar de gemeente mag niet zeggen dat er iets ontbreekt of dat er een draagmuur wordt doorgebroken terwijl de lateibalk niet zwaar genoeg is. Dat mag dus niet. De gemeente mag alleen maar de omgevingsaspecten, zoals ruimtelijke ordening, beoordelen.

(…)

De tweede vraag is dan: wie mag dat wel? Mag de aanvrager, de aannemer of het bevoegd gezag in beroep gaan tegen een besluit van de kwaliteitsborger? Als de kwaliteitsborger zegt dat het huis niet goed is, mag je er niet in. Dat is nieuw; dat is nu nog niet zo. De kwaliteitsborger is bepalend. 6 Dus wie mag dan zeggen: u mag toch uw huis in? Want dan overrule je toch inhoudelijk de kwaliteitsborger. Ik begrijp dat dat volgens de wet niet mag. Zo lees ik het zelf ook.

Kamerstukken I 2021/22, 34453, Z, p. 18

De voorzitter:

Tot slot zou ik u nog een vraag willen stellen. U hebt gezegd dat de monitoringsrapportage voor de kerst komt. U hebt aan de commissie ook de toezegging gedaan dat er nog schriftelijk ingegaan wordt op de bevoegdheidsverdeling. Krijgen we daar ook voor de kerst een reactie op?

Kamerstukken I 2021/22, 34453, Z, p. 7

Minister Ollongren:

Er is ook een heel lange variant van, maar misschien is die niet dienstig voor deze vergadering. Ik kan het desnoods nog een keer op schrift zetten als uw commissie daar prijs op stelt.

Kamerstukken I 2021/22, 34453, Z, p. 18

Minister Ollongren: Zeker. Misschien reageer ik ook nog even als volgt op de heer Meijer. Natuurlijk gaan we proberen dat zo veel mogelijk namens partijen te doen. We werken al met de partijen samen. Als er iets naar de Kamer gaat, is dat uiteindelijk mijn verantwoordelijkheid, maar we doen dat met alle partijen samen. Ik ga er ook niemand van weerhouden om apart nog brieven aan u te sturen, want daar ga ik niet over. Maar de samenwerking is belangrijk. Ik zal ervoor zorgen dat dat heel helder is in de rapportage.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Monitoringsrapportage Wkb voor kerst 2021 naar de Kamer (34.453) (T03369)

De Minister van BZK zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Pijlman (D66), toe de monitoringsrapportage nog voor kerst 2021 aan de Kamer te zenden.


Kerngegevens

Nummer T03369
Status voldaan
Datum toezegging 9 november 2021
Deadline 1 januari 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Drs. H.J. Pijlman (D66)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Mondeling overleg
Categorie brief/nota
Onderwerpen monitoringsrapportage
proefprojecten
Kamerstukken Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (34.453)


Uit de stukken

Kamerstukken I 2021/22, 34453, Z, p. 13

De heer Pijlman (D66):

Ik wil ook graag weten wanneer die afspraken met de bouwers over de bouw- en sloopveiligheid kunnen worden afgerond.

Kamerstukken I 2021/22, 34453, Z, p. 13

Minister Ollongren:

Misschien is het goed om met de commissie af te spreken dat ik hier bij de monitoringsrapportage specifiek op terugkom. Die monitoringsrapportage wil ik toch al doen aan beide Kamers.

Kamerstukken I 2021/22, 34453, Z, p. 13

De voorzitter: Hebt u enig idee wanneer die monitoringsrapportage deze kant op kan komen?

Kamerstukken I 2021/22, 34453, Z, p. 14

Minister Ollongren: Ook daarvoor geldt dat het streven is om dat voor de kerst te doen. En dat gaat ook lukken. Dat doen we dus ook nog dit kalenderjaar.

Kamerstukken I 2021/22, 34453, Z, p. 15

Minster Ollongren:

Ik wilde op dit punt ook nog nader ingaan in die monitoringsrapportage die ik voor het einde van het jaar nog aan uw Kamer doe toekomen.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Toesturen analyse in departementen van knelpunten in wetgeving (35.295) (T03405)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Rooijen (50PLUS), toe in een brief de Kamer te informeren over de lopende analyse in departementen, naar aanleiding van de kinderopvangtoeslagaffaire, op buitensporige knelpunten in wet- en regelgeving.


Kerngegevens

Nummer T03405
Status voldaan
Datum toezegging 8 februari 2022
Deadline 1 juli 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden drs. M.J. van Rooijen (50PLUS)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
commissie voor Europese Zaken (EUZA)
commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen kindertoeslag
reparatiewetten
toeslagenaffaire
Kamerstukken EU en de rechtsstaat (35.295)


Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 16, item 11 - blz. 30

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Mijn opmerking over de taskforce was niet zozeer wat de minister heel breed schetst. Dank daarvoor. De taskforce die ik voor ogen heb, is een aantal topjuristen — ik noemde een dozijn, maar dat is maar een voorbeeld — die de wetgeving nalopen die grote reparatie behoeft. Dat is eigenlijk achterstallig onderhoud. Dat is mijn concrete vraag. Ik heb in mijn binnenzak een lijst, maar ik vind het een beetje flauw om dat nu te doen. Ik heb nu alleen de Omgevingswet genoemd, want die moet hier nog komen.

De voorzitter:

Uw vraag is helder.

Minister Bruins Slot:

Daarom zeg ik tegen de heer Van Rooijen: elk departement is op dit moment de eigen wetgeving aan het onderzoeken op buitensporige knelpunten voor mensen en gaat na of die wet- en regelgeving moet worden aangepast. Zo'n analyse vindt op dit moment plaats bij de eigen departementen. Daarnaast vragen we ook om een consultatie naar buiten toe, waarbij hetzelfde wordt gevraagd aan een breed scala van mensen: ziet u knelpunten in de wetgeving die oplossing behoeven? Dat vindt nu op elk departement plaats. Dat is een van de uitkomsten van de parlementaire ondervragingscommissie rondom de kinderopvangtoeslag.

[…]

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Zou de minister dat hele onderzoek naar reparatiewetgeving van alle departementen in een brief kunnen aangeven? Dan is dat voor mij duidelijk.

Minister Bruins Slot:

Als de heer Van Rooijen het op prijs stelt dat ik datgene wat ik nu heb aangegeven in een korte brief aan de Kamer doe toekomen, dan kan ik dat natuurlijk altijd doen, maar dat zal niet anders zijn dan wat ik in dit debat heb gezegd.

De voorzitter:

Prima, dank u voor deze toezegging. Vervolgt u uw betoog.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Experimentenbesluit geldigheid stem (35.455/35.670) (T03426)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Koole (PvdA), toe om in het experimentenbesluit op te nemen dat een stem die op een partij en niet specifiek op een kandidaat wordt uitgebracht, toch een geldige stem is. Tevens zal de minister naar aanleiding van een vraag van het lid Dittrich (D66) bekijken of dit ook andersom kan gelden zodat alleen een stem op een kandidaat nummer ook een geldige stem is. Dit zal, naar aanleiding van opmerkingen van de leden Kox (SP) en Schalk (SGP), in een brief worden uitgewerkt, die voor de stemming naar de Kamer zal worden verzonden. Ook zal in deze brief bekeken worden of dit juridisch de beste manier van vastleggen is, of dat een novelle wenselijker is.


Kerngegevens

Nummer T03426
Status voldaan
Datum toezegging 24 mei 2022
Deadline 1 maart 2023
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden mr. B.O. Dittrich (D66)
Prof.dr. R.A. Koole (PvdA)
M.J.M. Kox (SP)
P. Schalk (SGP)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen stembiljetten
verkiezingen
Kamerstukken Definitieve invoering van het nieuwe stembiljet voor kiezers buiten Nederland (35.670)
Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten (35.455)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 29, item, 10, p. 6.

Minister Bruins Slot:

(…)

De tweede vraag is of je juridisch gezien bij dit wetsvoorstel hetzelfde zou kunnen regelen als wat geregeld is met het amendement-Leijten, namelijk dat een stem die op een partij en niet op een kandidaat wordt uitgebracht, toch een geldige stem is, omdat die wordt geacht een stem te zijn op de eerste persoon op de lijst. Dit is een experimentenwet — nu kom ik meer in het juridische gedeelte — en die heeft de systematiek dat in het wetsvoorstel wordt bepaald binnen welke uitgangspunten mag worden geëxperimenteerd en van welke artikelen van de Kieswet mag worden afgeweken. De concrete uitwerking van de experimenten volgt in het experimentenbesluit. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, wordt het experimentenbesluit nog in deze Kamer voorgehangen. In het experimentenbesluit kan ik als minister de geldigheid van de stemmen regelen. Gezien de structuur van de wet kan ik in het experimentenbesluit, dus in de AMvB, regelen dat een stem ook geldig is als die alleen op de partij is uitgebracht en de kandidaat dus niet is ingevuld.

De heer Koole (PvdA):

Het is heel interessant wat de minister hier zegt. Ik had eerst de gedachte dat dit wetsvoorstel dat niet toeliet, want dat zou in de wet zelf staan, en je hebt eigenlijk een novelle nodig wil je dat veranderen. Begrijp ik de minister goed dat er geen wetswijziging nodig is om de behandeling van die twee voorstellen, die van de Nederlandse kiezers in het buitenland en die van de kiezers in de experimenteergemeente, gelijk te trekken, maar dat dat via een AMvB kan?

Minister Bruins Slot:

Dat klopt, zeg ik tegen meneer Koole. De systematiek van deze experimentenwet is namelijk dat je artikelen buiten werking stelt. Daarmee moeten de afwijkingen van de Kieswet expliciet in het experimentenbesluit worden bepaald. Je kunt dus ook expliciet besluiten dat de geldigheid van de uitgebrachte stem zodanig geregeld is dat een stem op de partij ook een geldige stem is op de eerste kandidaat.

De heer Koole (PvdA):

Ik begrijp dat de minister ook geluisterd heeft naar de adviezen van de Kiesraad. Maar dat advies van de Kiesraad was natuurlijk voordat het amendement-Leijten in de Tweede Kamer werd aangenomen.

Bruins Slot:

Dat klopt.

De heer Koole (PvdA):

Zou dat er niet toe kunnen leiden ... Is de minister bereid om toe te zeggen om het ook daadwerkelijk via dat besluit te doen, zoals mogelijk is? Zou de minister dat aan deze Kamer kunnen toezeggen?

Minister Bruins Slot:

Ik heb breed gehoord dat dit een zorg van de Kamer is en een belangrijk element om een goed experiment te kunnen uitvoeren. Gehoord de Kamer ben ik als minister bereid om dit in het experimentenbesluit op te nemen. Omdat dit besluit aan de Kamers wordt voorgehangen, is het daarna aan de Tweede en de Eerste Kamer om te kijken of dit een goede invulling is. Maar het is vrij zwart-wit, omdat ik dan gewoon regel wat het amendement-Leijten ook regelt. Voor mij is het wel even inschatten hoe de Tweede Kamer daartegen aankijkt. Aan de andere kant hebben zij ook in meerderheid voor het amendement-Leijten gestemd.

De voorzitter:

De heer Koole, tot slot.

De heer Koole (PvdA):

Ik ben heel erg blij met de toezegging dat het in dat besluit komt. Dat besluit gaat langs beide Kamers. Dat betekent dus dat de minister er via die toezegging voor gaat zorgen dat er in het besluit zoals dat aan de Kamers wordt voorgelegd, geen onderscheid meer is in de geldigheid tussen de twee systemen.

Minister Bruins Slot:

Ja, en dat het systeem van het amendement-Leijten in de experimentenwet wordt opgenomen. Ik vind ook, juist in de geest van wat u aangaf, dat je moet kijken hoe je een experimentenwet goed kunt laten functioneren. Ik hoor breed in deze Kamer dat het van belang is om ervoor te zorgen dat in zo'n nieuw systeem een stem niet onnodig verloren gaat. Dat vind ik heel belangrijk in een dergelijk experiment.

De Raad van State zal natuurlijk nog wel moeten kijken naar zo'n experimentenbesluit. De Raad van State heeft blanco gestemd over dit advies, maar dat was voordat het amendement-Leijten werd aangenomen. In die zin rust bij mij natuurlijk een motiveerplicht richting de Raad van State waarom we dit inzetten.

De heer Dittrich (D66):

Dank voor deze toezegging. Ik heb toch nog één vraag. U spitst het nu toe op de situatie waarin de kiezer het partijhokje aankruist, maar niet een kandidaatnummer en de stem daardoor geldig wordt. Maar wat gebeurt er als de kiezer alleen een nummer aankruist en niet een partijhokje?

Minister Bruins Slot:

Dat is een goeie vraag. Ik kijk ook even naar hoe het amendement-Leijten dat heeft geregeld. Dat ziet alleen op het feit dat je een partij aankruist en niet een kandidaat. Andersom regelt het amendement-Leijten het dus niet. Mijn voorstel zou dat wel zijn. Mijn antwoord op de heer Dittrich is dus: nee. Ik heb wel het argument van consistentie in de Kamer gehoord. Mijn voorstel zou zijn dat ik er niet nog een andere variant in ga brengen. Ik hou me echt vast aan hetgeen de Tweede Kamer heeft vastgesteld met het amendement-Leijten.

Het is misschien wel goed om te zeggen wat de redenering daarachter is. Ik moest het even doordenken, zeg ik tegen de heer Dittrich. Je kan in het geval dat hij noemde, niet bepalen naar welke partij de stem gaat, want je kruist een nummer aan met een lijst. Je hebt dus nummer 1 tot en met 20 of nummer 1 tot en met 40. Je kiest dan bijvoorbeeld voor nummer 2. Je hebt dan echter geen partij aangekruist. Je weet dus niet bij welke partij dat nummer hoort. Dat kan dus niet. Ik moest daar ook even over nadenken, hoor.

De heer Dittrich (D66):

Maar als je naar model 2 kijkt, dan zie je dat de lijst met nummers onder de partij en het logo van de partij staat. Op zichzelf zou het dus logisch kunnen zijn dat nummer 32 hoort bij de partij die daarboven staat. Begrijp ik u goed dat als een kiezer dus alleen het nummer aankruist, u zegt: nee, dat gaan we niet in dat besluit regelen; dan blijft het een ongeldige stem?

Minister Bruins Slot:

Dat zou wel mijn voorstel zijn, omdat dat ook aansluit bij het amendement dat in de Tweede Kamer is aangenomen.

De heer Kox (SP):

Dank aan de minister. Zo moeten we debatteren, denk ik. Als we met z'n allen iets zien dat net op een andere manier geregeld kan worden, dan moeten we dat doen. Die toezegging zou dus voldoende kunnen zijn. Mag ik de minister vragen om het wel nog even te bekijken? In de memorie van toelichting, de memorie van antwoord, staat twee keer dat de stem dan ongeldig is. Dan mag je een besluit nemen dat ingaat tegen wat er in de uitleg van de wet is gezegd. Ik denk aan moties-Jurgens die hier ooit aangenomen zijn, over dat er bij lagere regelgeving geen dingen gezegd mogen worden die tegen de hogere regelgeving ingaan. Ik zou de minister dus willen vragen om dat nog een keer te controleren. Als blijkt dat dat nog niet helemaal zeker is, dan moet de wet gerepareerd worden. Maar ik laat het graag aan de minister over om dat te onderzoeken. Voor de rest vind ik het uitstekend om het zo te doen als collega Dittrich zegt. We zouden het misschien nog wel beter maken. Dan schieten we echter wel weer in onze voet, want dan accordeert het weer niet met de andere wet. Ik vind dat dus een redelijk voorstel.

Minister Bruins Slot:

Ik zeg aan de heer Kox toe dat ik nog een keer kijk of de juridische wijze waarop we dit willen regelen, de meest geëigende weg is. Mijn wetgevingsjuristen hebben aangegeven dat het kan, maar we zullen het nog een keer zorgvuldig bekijken. Als dat toch geen zorgvuldige optie is, dan is het alternatief natuurlijk een novelle. Ik heb die zekerheidsstelling inmiddels echter wel gekregen. Er is mij verzekerd dat een novelle niet nodig is. Maar ik zal de vraag nog een keer stellen.

(…)

De heer Schalk (SGP):

Eigenlijk is het antwoord op een belangrijk deel van mijn vraag al gegeven. De beantwoording hoeft de minister dus niet te herhalen. Maar de minister had het ook nog even over de Raad van State. Misschien kan dat ook van de week meegenomen worden. Kan de minister toezeggen dat we voor de stemmingen van volgende week teruggekoppeld krijgen of er inderdaad geen probleem ontstaat? Dan kunnen we de stemmingen namelijk op de juiste manier doen.

Minister Bruins Slot:

Het is sowieso een experimentenbesluit. Dat gaat langs de Raad van State. Die zal, zoals de heer Schalk weet, adviezen uitbrengen. Het amendement-Leijten is, met de behandeling van het wetsvoorstel, gepasseerd. Dat heeft geen reactie opgeleverd. Ik wil alleen zeggen dat ik daar wel altijd even een slag om de arm moet houden. Tegelijkertijd heb ik als minister natuurlijk altijd de mogelijkheid om gemotiveerd om te gaan met de adviezen van de Raad van State. Als zij kritisch op mij zijn, ga ik daar echter altijd zorgvuldig mee om. De Kiesraad heeft het ook niet als een wet van Meden en Perzen gepresenteerd, maar als een zorg.

De heer Schalk (SGP):

Die zorg deelt deze hele Kamer, denk ik. Die is daar stevig op ingegaan in de eerste termijn. Ik denk dat het ons zou helpen als we in ieder geval voor volgende week dinsdag nog even bevestigd krijgen dat de minister heeft gecheckt op de verschillende niveaus of het inderdaad kan zoals zij het aangeeft, zodat we later niet geconfronteerd worden met de wetgeving, memories van toelichting en dergelijke die iets anders zouden zeggen.

De voorzitter:

U heeft natuurlijk ook nog tweede termijn, minister.

Minister Bruins Slot:

Ja, voorzitter. Ik kijk ook even de heer Kox en de heer Schalk aan. Waar de heer Schalk volgens mij op doelt — dat kan soms ook helpen — is dat ik het voor de stemmingen nog even opschrijf in een kort briefje. Ik zie nu wel aantal mensen denken: het is Hemelvaart. Ik ga kijken of ik voor de stemmingen een kort briefje kan sturen waarin het nog even goed is opgeschreven. Ik vraag de voorzitter of ik dan die brief begin volgende week mag versturen.

De voorzitter:

Als de Kamer ermee akkoord gaat, want u weet dat ik in dienst van deze Kamer ben. Ik zie knikkende hoofden, dus het antwoord is ja, minister.

Minister Bruins Slot:

Dank u wel, voorzitter.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Experiment in middelgrote gemeente (35.455) (T03427)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen van de leden Baay-Timmerman (50PLUS) en Van Hattem (PVV), toe om te bekijken of een experiment in een middelgrote gemeente ook mogelijk is.


Kerngegevens

Nummer T03427
Status voldaan
Datum toezegging 24 mei 2022
Deadline 1 juli 2024
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden Mr. M.H.H. Baay-Timmerman (50PLUS)
A.W.J.A. van Hattem (PVV)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen stembiljetten
verkiezingen
Kamerstukken Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten (35.455)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 29, item 8, p. 5

De heer Van Hattem (PVV):

Het blijft vreemd dat de minister op de eerste plaats wil gaan experimenteren in kleinere gemeenten, met minder dan 25.000 inwoners, bij de voorgenomen herindelingsverkiezingen in november van dit jaar. Juist bij de raadsverkiezingen in zulke kleinere gemeenten zijn zeer uitgebreide kandidatenlijsten met veel partijen en veel kandidaten helemaal niet op orde. Het grote stembiljet ligt daar helemaal niet op tafel. Het wordt dus een experiment in een setting die volstrekt niets zegt over het gestelde probleem. Wat denkt de minister dan wijzer te kunnen worden van een experiment in zulke gemeenten?

(…)

Handelingen I 2021/22, nr. 29, item 8, p. 8.

Mevrouw Baay-Timmerman (50PLUS):

(…)

Terug naar model 2. De lijst met kandidaat nummers is zichtbaar in het stemhokje, zodat de kiezer het nummer van zijn kandidaat niet hoeft te onthouden. Welke consequenties brengt dit met zich mee? Heeft de kiezer meer tijd nodig in het stemhokje? Hoe voorkom je dat de lijsten bekrast worden? Hoe groot wordt het formaat van zo’n lijst en blijven de kandidaat namen en -nummers wel goed leesbaar voor iedereen? Is de minister het met 50PLUS eens dat het van cruciaal belang is om diversiteit in de proefgemeenten te hanteren, dus niet alleen gemeenten met hoogopgeleiden maar ook gemeenten waarin zich veel laaggeletterden bevinden, zodat je een representatief beeld krijgt van het experiment? Heel generiek zou je namelijk kunnen stellen dat Nederlanders die woonachtig zijn in het buitenland in zijn algemeenheid voldoende geletterd en digitaal vaardig zijn, waardoor de tot op heden aangetoonde resultaten misschien wat té gunstig gekleurd zijn.

(…)

Handelingen I 2021/22, nr. 29, item 10, p. 8.

Minister Bruins Slot:

(…)

Mevrouw Baay vroeg — dat is ook belangrijk — in hoeverre wordt gekeken naar mensen die laaggeletterd zijn en of ervoor wordt gezorgd dat als je zo'n experiment doet, voldoende laaggeletterde mensen kunnen stemmen. Ik had inderdaad in de memorie van toelichting geschreven dat we het vooral in kleinere gemeenten willen gaan testen, dus gemeenten met minder dan 25.000 inwoners. De heer Van Hattem had het daar ook over. Ik vind het, gehoord het debat hier in de Kamer, wel goed om te kijken of we ook een experiment zouden kunnen doen in een middelgrote gemeente, omdat dat een aantal zaken ondervangt die verschillende leden naar voren hebben gebracht.

(…)


Brondocumenten


Historie







Toezegging Richtlijnen voor herstemming (35.455) (T03428)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Koole (PvdA) , toe in het experimentenbesluit terug te komen op een mogelijk kader met richtlijnen betreffende het aantal ongeldige stemmen waarbij een herstemming uitgeroepen moet worden.


Kerngegevens

Nummer T03428
Status voldaan
Datum toezegging 24 mei 2022
Deadline 1 maart 2023
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden M.J.M. Kox (SP)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen stembiljetten
verkiezingen
Kamerstukken Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten (35.455)


Uit de stukken

Handelingen I 2021/22, nr. 29, item. 10, p. 8-9.

Minister Bruins Slot:

Voorzitter. Een terecht punt was: wanneer zou je het besluit over een hertelling moeten nemen? Tegen de heer Koole zou ik willen zeggen dat we gewoon de systematiek van de Kieswet volgen. Ook bij experimenten is het uiteindelijk altijd aan het vertegenwoordigend orgaan om te concluderen of een hertelling nodig is. Sorry, ik bedoel een herstemming. Dat kan bijvoorbeeld nodig zijn op basis van de hoeveelheid ongeldige stemmen die zijn uitgebracht. Als dat een onevenredig aantal is, dan is het aan het vertegenwoordigend orgaan, bijvoorbeeld de raad, om dat te besluiten. Ik zou dat bij een experiment zo willen houden, omdat men bij een kleinere gemeente natuurlijk eerder kan concluderen dat er veel ongeldige stemmen zijn uitgebracht dan bij een middelgrote gemeente, waar veel meer stemmen worden uitgebracht. Ik zou die bevoegdheid echt bij het vertegenwoordigend orgaan willen laten.

De heer Koole (PvdA):

Wat de minister zegt, is duidelijk, namelijk: het vertegenwoordigend orgaan. Dat is het antwoord op de vraag: wie beslist? Maar de vraag was ook: wanneer is er sprake van onevenredigheid? Zou de minister de vertegenwoordigende lichamen een kader kunnen meegeven, zodat ze kunnen zeggen wanneer er sprake is van een onevenredig aantal ongeldige stemmen?

Minister Bruins Slot:

Ik wil zeker nadenken over een bepaald kader om te zien wat ongeveer de juiste marges zijn. Mijn vraag aan de heer Koole is of ik dat mag doen in het kader van het experimentenbesluit. Ik zou graag dan op deze vraag willen terugkomen, want dat geeft mij de gelegenheid om dit nader te wegen en om te kijken of we daar wat handvatten voor zouden kunnen geven. Ik wil er een beetje voor oppassen dat ik nu een richting aangeef, want volgens mij vereist dit een zorgvuldige weging.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Informeren over acties en beleidsvisie voor goede wetten en regels (35.295) (T03443)

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van de motie van het lid Van Rooijen (50PLUS), toe uiterlijk vóór de zomer 2022 te informeren over het volgen van de hardvochtigheden in wetgeving, de hoofdlijnen van het Awb-wetsvoorstel, en de beleidsvisie voor goedwerkende wetten en regels.


Kerngegevens

Nummer T03443
Status voldaan
Datum toezegging 15 maart 2022
Deadline 1 juli 2022
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden drs. M.J. van Rooijen (50PLUS)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ)
commissie voor Europese Zaken (EUZA)
commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Algemene wet bestuursrecht
doorlichting
hardheidsclausule
regels
wetten
Kamerstukken EU en de rechtsstaat (35.295)


Opmerking

De toezegging staat in relatie tot toezegging T03405 Toezegging Toesturen analyse in departementen van knelpunten in wetgeving (35.295)

Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 21, item 5 - blz. 1

Minister Bruins Slot:

Voorzitter, dank u wel. Dank aan de heer Van Rooijen voor zijn gewijzigde motie. Allereerst ben ik met de heer Van Rooijen van mening dat goede wetten en regels die werken in de praktijk, onontbeerlijk zijn in een rechtsstaat. Hier zet het kabinet zich ook op structurele basis voor in. Ik maak mij hier hard voor diverse acties die we op dit moment aan het ondernemen zijn. Dan gaat het feitelijk over de doorlichting van wetten en regels. Die doorlichting vindt op dit moment al plaats naar aanleiding van de uitvoering van een motie-Ploumen/Jetten. Elk departement onderzoekt op dit moment hiertoe zijn eigen wetten en regels om te bezien of aanpassing nodig is. Over de voortgang van deze inventarisatie heeft mijn ambtsvoorganger op 21 december een brief naar de Kamer gestuurd. Ook is er in de afgelopen weken een consultatie geweest voor iedereen die dat wilde, om aan te kunnen geven waar men zelf knellende wetten en regels ziet en waar hardvochtigheden in regels zitten.

Zoals ik ook in het debat op 8 februari heb aangegeven, lopen er dus verschillende trajecten. Daaronder vallen deze trajecten, maar ook de trajecten rondom de aanpassing van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot een nadere invulling van de evenredigheid. We werken ook aan een visie op de hardheidsclausule, en aan andere manieren om de menselijke maat beter tot uitdrukking te laten komen in wetten en regels. Kortom, we zijn al volop actief. We staan hierover ook in nauw contact met de rechtspraak en de Raad van State. Ik wil de Kamers in ieder geval uiterlijk vóór de zomer van 2022 informeren over het volgen van de hardvochtigheden in wetgeving, de hoofdlijnen van het Awb-wetsvoorstel, en de genoemde beleidsvisie.


Brondocumenten


Historie